Procedure : 2017/2699(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0456/2017

Ingediende teksten :

B8-0456/2017

Debatten :

PV 04/07/2017 - 11
CRE 04/07/2017 - 11

Stemmingen :

PV 05/07/2017 - 8.9
CRE 05/07/2017 - 8.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 215kWORD 60k
30.6.2017
PE605.580v01-00
 
B8-0456/2017

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 37, lid 3, van het Reglement en het kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie


over het werkprogramma van de Commissie voor 2018 (2017/2699(RSP))


Rosa D'Amato, Laura Agea, Marco Valli, Isabella Adinolfi, Dario Tamburrano, Rolandas Paksas namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over het werkprogramma van de Commissie voor 2018 (2017/2699(RSP))  
B8‑0456/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie(1), met name bijlage IV,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven(2),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 13 december 2016 over de wetgevingsprioriteiten van de EU voor 2017,

–  gezien het samenvattend verslag van de Conferentie van commissievoorzitters met aanvullende bijdragen van de parlementaire commissies aan deze resolutie waarmee de Commissie bij de opstelling en goedkeuring van haar werkprogramma voor 2018 naar behoren rekening dient te houden,

–  gezien artikel 37, lid 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU nog steeds kampt met de grootste economische, sociale en politieke crisis sinds haar oprichting;

B.  overwegende dat de lidstaten te kampen hebben met recessie, deflatie en werkloosheid;

C.  overwegende dat de oplossingen die zijn voorgesteld door de EU-instellingen leiden tot verdere verscherping van de economische, democratische en sociale crisis in de EU;

D.  overwegende dat duurzame economische groei en het scheppen van sociaal duurzame, goed betaalde kwaliteitsbanen de kernprioriteiten van de EU-begroting kunnen zijn, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel;

E.  overwegende dat in tijden van bezuinigingen voor alle burgers, niet alleen de verlaging van de administratieve kosten van de EU van essentieel belang is, maar het ook nodig is, met het oog op het volgende meerjarig financieel kader (MFK), om de programma’s die geen enkele meerwaarde hebben te schrappen;

F.  overwegende dat het percentage fouten en fraude ten koste van de EU-begroting aanhoudend hoog blijft, zonder significant af te nemen, en dat de betalingen voor het 21e jaar op rij materiële fouten vertoonden vanwege de gebrekkige doeltreffendheid van de toezicht- en controlesystemen;

G.  overwegende dat het Europees burgerinitiatief (EBI) een instrument is dat nog lang niet effectief is, niet volledig ten uitvoer wordt gelegd en de regels voor de werking ervan noch duidelijk noch transparant zijn, zoals gebleken is uit de recente uitspraak van het Gerecht over het EBI "Stop TTIP";

H.  overwegende dat in het advies 5151/17 van 11 januari 2017 van de Juridische Dienst van de Raad over het voorstel van de Commissie voor een Interinstitutioneel Akkoord inzake een verplicht transparantieregister wordt gesteld dat de instellingen niet kunnen kiezen voor een interinstitutioneel akkoord (IIA) om een onderwerp te regelen waarvoor de Verdragen aan de instellingen wetgevende bevoegdheid hebben verleend door in een expliciete materiële rechtsgrondslag te voorzien en dat IIA's alleen bindend zijn voor de deelnemende instellingen en geen verplichtingen kunnen opleggen aan derde partijen;

I.  overwegende dat de bescherming van personen die criminele en frauduleuze activiteiten in overheidsinstellingen of ondernemingen melden of publiekelijk bekendmaken van het allergrootste belang is bij de strijd tegen corruptie en "witteboorden"-criminaliteit;

J.  overwegende dat uit recente studies van de Commissie naar voren komt dat de Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn)(3) in de lidstaten op zeer uiteenlopende wijze is geïmplementeerd en dat problemen blijven bestaan bij de toepassing van de richtlijn op grootschalige ongevallen en bij insolventie van aansprakelijke marktdeelnemers;

K.  overwegende dat de EU-grenswaarden voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen minder streng zijn dan die van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO);

L.  overwegende dat de burgers die in de nabijheid wonen van het grootste gebied in Europa van legale en illegale stortplaatsen, Land of Fires (Napels), en de industriële site van ILVA te Taranto, blootgesteld worden aan een zeer hoog risico op kanker;

M.  overwegende dat de Commissie zelf heeft verklaard dat Richtlijn 89/105/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg(4), de toegenomen complexiteit van de prijsstelling- en vergoedingsprocedures van geneesmiddelen in de lidstaten niet meer weerspiegelt;

N.  overwegende dat de Commissie het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders blijft toestaan ondanks het gebrek aan consensus tussen de lidstaten;

O.  overwegende dat niet alle energiebronnen die als hernieuwbaar worden beschouwd binnen het huidige wettelijk kader een betere sociale, milieu- en gezondheidsimpact hebben dan equivalente fossiele bronnen;

P.  overwegende dat er meer inspanningen nodig zijn om een inclusieve digitale samenleving te verwezenlijken die in staat is de kansen van de digitalisering te benutten en de uitdagingen daarvan voor zowel de burgers als het bedrijfsleven het hoofd te bieden;

Q.  overwegende dat de digitalisering van de industrie zou kunnen bijdragen aan het vergroten van de veerkracht, de energie- en hulpbronnenefficiëntie, innovatieduurzaamheid van onze economieën; overwegende dat de EU wordt geconfronteerd met verschillende uitdagingen op het gebied van handel, mondialisering en technologische innovatie;

R.  overwegende dat de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in adviesprocedure 2/15(5) van 21 december 2016 verduidelijkt wat de bevoegdheden zijn van de EU in handelsbesprekingen;

S.  overwegende dat meer belang moet worden gehecht aan het petitierecht aangezien het de hoeksteen vormt van een participerende democratie waarin iedere burger gebruik moet kunnen maken van het recht om een directe rol te spelen in het democratische leven van de Unie; overwegende dat bij daadwerkelijk democratisch en participerend bestuur de doeltreffende bescherming van de grondrechten, volledige transparantie en de rechtstreekse betrokkenheid van de burgers bij de besluitvormingsprocessen moeten worden gewaarborgd;

T.  overwegende dat degenen die verzoekschriften indienen burgers zijn die zich inzetten voor de bescherming van de grondrechten en voor de verbetering en het toekomstige welzijn van onze samenlevingen; overwegende dat de behandeling van verzoekschriften bijzonder belangrijk is voor de perceptie van de EU-instellingen door de burgers en voor de eerbiediging van het petitierecht dat verankerd is in het Unierecht;

U.  overwegende dat om goed bestuur te bevorderen en de deelneming van het maatschappelijk middenveld te waarborgen, de EU-instellingen, organen en agentschappen hun werkzaamheden zodanig moeten uitvoeren dat het hoogste niveau van transparantie en democratie wordt gewaarborgd;

V.  overwegende dat het noodzakelijk is de eigendom en de feitelijke zeggenschap van lidstaten en/of onderdanen van lidstaten in Europese ondernemingen te waarborgen;

W.  overwegende dat lokale luchthavens worden geconfronteerd met talrijke economische moeilijkheden, en het noodzakelijk is om te zorgen voor een goede verbinding voor alle Europese burgers, met name van en naar de afgelegen en geïsoleerde ultraperifere regio’s;

X.  overwegende dat er zich verschillende moeilijkheden voordoen bij de handhaving van de EU-wetgeving inzake cabotage, wat een verslechterende situatie van sociale dumping in de lidstaten tot gevolg heeft; overwegende dat het nodig is te zorgen voor een eerlijke concurrentie in de wegvervoersmarkt waarbij de rechten van de werknemers worden gewaarborgd;

Y  overwegende dat sommige van de grootste platforms te verwaarlozen bedragen aan belastingen betalen in Europa ten opzichte van hun winst;

Z.  overwegende dat de huidige versnippering van de douanecontroleprocedures, die aanzienlijk verschillen tussen lidstaten, alsook uiteenlopende sancties tot belangrijke marktverschillen voor marktdeelnemers leiden en de handelsstromen sturen naar het makkelijkste toegangspunt;

AA.  overwegende dat op 25 oktober 2016 het Parlement met grote meerderheid het verslag over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van bedrijven voor ernstige schendingen van de mensenrechten in derde landen(6) heeft aangenomen, waarin de Commissie verzocht wordt verschillende maatregelen te nemen en het Parlement nog altijd wacht op een follow-up van dezelfde Commissie; overwegende dat op 11 april 2017 de rapporteur van het oorspronkelijke verslag in het kader van de vergadering van de Subcommissie mensenrechten (DROI) een aan de Commissie mondelinge vraag heeft gesteld, teneinde te achterhalen of een dergelijke follow-up het Parlement wellicht is overgelegd en hij daarop geen bevredigend antwoord heeft ontvangen; overwegende dat op dezelfde dag hij dezelfde vraag heeft gesteld aan commissaris Mimica, in het kader van de gestructureerde dialoog met de Commissie DEVE, en ook in dit geval geen bevredigend antwoord heeft gekregen;

Kernprioriteiten

1.  benadrukt dat het voeren van één enkele munt een asymmetrisch en vernietigend effect heeft op zwakkere economieën, die worden gedwongen tot een pijnlijke aanpassing door middel van interne devaluatie als gevolg van een ten opzichte van hun economieën overgewaardeerde munt, terwijl multinationale ondernemingen in sterkere lidstaten van de eurozone vanwege een ondergewaardeerde munt profiteren van een oneerlijk concurrentievoordeel ten opzichte van hun concurrenten in andere lidstaten, hetgeen leidt tot onaanvaardbare ongelijkheden en macro-economische onevenwichtigheden binnen de EU;

2.  verzoekt de lidstaten op democratische wijze te besluiten over de omzetting in nationaal recht van het begrotingspact, teneinde de verstorende effecten van bezuinigingsmaatregelen op de reële economie te voorkomen;

3.  benadrukt de dringende noodzaak om lidstaten hun verantwoordelijkheid voor hun optreden terug te geven zodat zij ten volle gebruik kunnen maken van hun eigen instrumenten op het gebied van monetair en begrotingsbeleid om economisch herstel doeltreffend te steunen en de democratische en politieke legitimiteit van fundamentele economische beslissingen te waarborgen;

4.  benadrukt dat het dringend noodzakelijk is een plan op te stellen voor een ordentelijke ontmanteling van de monetaire unie en onverwijld te voorzien in democratische mechanismen voor de vrijwillige terugtrekking van een land uit de eurozone;

5.  verzoekt om een impuls te geven aan de onderhandelingen over de structurele hervorming van de bancaire sector gebaseerd op een duidelijke en verplichte scheiding van investerings- en commerciële activiteiten die van wezenlijk belang is om depositohouders en spaarders te beschermen, de opbouw van systemische risico's te vermijden en financiële stabiliteit te behouden;

6.  is van mening dat een einde moet komen aan bezuinigingsmaatregelen en dat de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor financiële zaken moet worden hersteld, teneinde adequaat en doeltreffend te reageren op gelijktijdige meervoudige crises; dringt aan op een volledige herziening van de huidige programma's teneinde de programma's die geen echte meerwaarde bieden stop te zetten; wijst erop dat in sommige gevallen programma's beter op nationaal niveau kunnen worden gefinancierd en uitgevoerd, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel;

7.  benadrukt dat EU-middelen niet moeten worden gebruikt ter financiering van controversiële of verkwistende projecten;

8.  wijst er andermaal op dat belastinggeld beter moet worden benut; beklemtoont dat het belangrijk is de administratieve kosten van de EU te verminderen, vooral in een periode van aanhoudende crisis; vraagt om forse gewogen bezuinigingen om een einde te maken aan geldverspilling en te besparen zonder dat dit ten koste gaat van de wetgevingswerkzaamheden;

9.  dringt aan op een grotere controle en doorlichting van de EU-begroting; herhaalt zijn verzoek dat een positieve betrouwbaarheidsverklaring (DAS) van de Rekenkamer wordt verkregen; spreekt zijn teleurstelling uit over het percentage fouten en fraude ten koste van de EU-begroting, met name met betrekking tot overheidsopdrachten, en benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is dat corruptie en georganiseerde misdaad op transnationaal niveau worden bestreden; onderstreept het belang van meer transparantie in de EU-uitgaven en dringt erop aan dat alle informatie over de uitgaven van de Europese fondsen wordt gepubliceerd en beschikbaar wordt gesteld;

10.  dringt erop aan dat armoede en ongelijkheden worden aangepakt; vraagt nogmaals om een nadere evaluatie van ongelijkheden en van de wijze waarop het economisch herstel daardoor wordt belemmerd;

11.  keurt alle EU-wetgeving af die onnodige administratieve lasten met zich brengt voor kmo's – een belangrijke bron van werkgelegenheid en groei – en die hen extra bureaucratische belemmeringen bezorgt; benadrukt dat meer steun moet worden verleend aan kmo's, en tegelijkertijd adequate sociale bescherming wordt gewaarborgd;

12.  verzoekt de gezondheid en veiligheid op het werk te verbeteren en na te denken over passende manieren om tekortkomingen aan te pakken, en ook – in het kader van de herziening van de richtlijn over carcinogene en mutagene agentia – zonder verder dralen het derde pakket stoffen te presenteren, alsmede grenswaarden voor reprotoxische stoffen, op basis van wetenschappelijke en technische gegevens, én een effectbeoordeling, om passende parlementaire controle te waarborgen;

13.  benadrukt dat wetgeving moet worden ontworpen ter bestrijding van onzekerheid, werkloosheid, economische en sociale ongelijkheden, discriminatie en armoede, zodat burgers in het dagelijks leven van hun rechten gebruik kunnen maken en het hoogste niveau van sociale rechtvaardigheid wordt gewaarborgd; dringt erop aan dat alle besluitvorming op EU-niveau volledig transparant, onpartijdig en onafhankelijk is;

14.  verzoekt de Commissie tijdig te zorgen voor de juiste uitvoering van de bepalingen van Richtlijn 1999/70/EG inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie, met het oog op een doeltreffende en volledige rechtsbescherming van werknemersrechten, waarbij alle misbruiken, discriminatie, tekortkomingen en lacunes adequaat worden aangepakt;

15.  is gekant tegen macro-economische voorwaarden en onderstreept dat de opschorting van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) vanwege het niet voldoen aan vereisten op het gebied van economische governance, EU-regio's dubbel bestraft, economisch en sociaal herstel tegenwerkt en daarom moet worden afgeschaft, waarbij ook moet worden bedacht dat de sancties voorzien in de huidige verordening niet alleen de financiële planning op programmaniveau kunnen verstoren maar ook kunnen leiden tot de stopzetting van projecten ter plaatse;

16.  vraagt de Commissie de investeringsclausule te herzien, zodat regionale en nationale investeringen die worden medegefinancierd via de ESI-fondsen, buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van nationale tekorten in het kader van het Europees semester;

17.  is gekant tegen alle EU-programma's gericht op structurele hervormingen, met name indien de financiering verloopt via de ESI-fondsen;

18.  dringt erop aan dat eventuele nadere voorstellen voor de ESI-fondsen zo spoedig mogelijk worden ingediend om voldoende tijd voor parlementaire controle te waarborgen;

19.  is van mening dat de indiening van een voorstel tot wijziging van Verordening (EU) nr. 211/2011 over het burgerinitiatief (EBI) niet langer vertraagd kan worden aangezien dit instrument dringend moet worden hervormd;

20.  is van mening dat het nodig is om Verordening (EU) nr. 211/2011 over het burgerinitiatief tijdig te herzien om alle tekortkomingen te verhelpen door doeltreffende oplossingen voor te stellen, die ervoor te zorgen dat de procedures en voorwaarden voor het burgerinitiatief echt duidelijk, eenvoudig, gemakkelijk toepasbaar en evenredig zijn;

21.  pleit voor een verplicht transparantieregister gezien het feit dat het voorgestelde interinstitutionele akkoord over dit onderwerp, volgens de Verdragen en het advies van de Juridische Dienst van de Raad, slechts een beperkt effect zal hebben en geen bindende verplichtingen voor derden kan creëren, ongeacht of dit andere instellingen, lidstaten of particulieren betreft;

22.  benadrukt dat maatregelen moeten worden genomen om de democratische werking van de EU sterk te verbeteren, waarbij iedere burger een algemeen recht verleend wordt om deel te nemen aan het democratische leven, zoals onlangs nogmaals is bevestigd in het arrest van het Gerecht van 10 mei 2017 over het Europees burgerinitiatief "Stop TTIP"(7);

23.  benadrukt de dringende noodzaak van krachtiger maatregelen voor de bescherming van klokkenluiders, teneinde deze personen, en met name hun gezin, een passende bescherming tegen represailles te bieden;

24.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de tenuitvoerlegging van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn (2004/35/EG), die niet alle soorten schade bestrijkt die mensen en de natuurlijke omgeving kan treffen;

25.  verzoekt de Commissie te verduidelijken welke maatregelen zij denkt te nemen met betrekking tot de digitale eengemaakte markt; benadrukt de noodzaak om eerlijke concurrentie op deze markt te bevorderen om ervoor te zorgen dat multinationale ondernemingen geen misbruik van hun machtspositie maken;

26.  herinnert eraan dat Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(8) uitgaat van het beginsel van een zo ruim mogelijke toegang; is van mening dat transparantie en volledige toegang tot documenten die in het bezit zijn van de EU-instellingen, de regel moeten zijn om te waarborgen dat burgers hun democratische rechten volledig kunnen uitoefenen; betreurt het dat de herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 is vastgelopen; meent dat onverwijld vooruitgang moet worden geboekt aangezien deze verordening de huidige juridische situatie en de institutionele praktijken niet langer weerspiegelt;

27.  geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid over het gebrek aan aansprakelijkheid van Europese transnationale ondernemingen voor mensenrechtenschendingen die verband houden met hun activiteiten in ontwikkelingslanden; merkt op dat dit kan leiden tot een tekortschietende bescherming, toegang tot de rechter en schadeloosstelling voor de slachtoffers van dergelijke vormen van misbruik;

28.  geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid over het feit dat de verschillende oproepen aan de Commissie in zijn resolutie over aansprakelijkheid van bedrijven voor ernstige schendingen van de mensenrechten in derde landen(9) niet zijn opgevolgd door de Commissie en betreurt haar inactiviteit op dit gebied tijdens de afgelopen acht maanden; dringt erop aan dat een uitgebreide follow-up wordt gegeven;

29.  stelt bezorgd vast dat de bestaande vrijwillige initiatieven voor de duurzaamheid van de wereldwijde toeleveringsketen van de kledingsector zijn tekortgeschoten wat de doeltreffende aanpak van kwesties in verband met de mensenrechten en de arbeidsrechten in de sector betreft;

30.  is van mening dat de huidige regeling voor de handel in emissierechten (ETS) niet geschikt is voor het beoogde doel en dringend moet worden herzien;

31.  wijst op het rapport van de WHO over de noodzaak om de grenswaarden aan te passen voor luchtverontreinigende stoffen met strengere concentraties;

32.  uit kritiek op en verzoekt om herziening van EU-beleid dat de belangrijkste oorzaak is van ontbossing als gevolg van de vraag naar biobrandstoffen;

33.  verzoekt om een openbare lijst van de soorten, het gebruik en de marktpenetratie van nanomaterialen op de Europese markt, in overeenstemming met de resolutie van het Parlement van 24 april 2009(10), en nanomaterialen aan te pakken in de REACH-verordening (Verordening (EG) nr. 1907/2006)(11);

34.  dringt aan op onderzoek van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) om te beoordelen of Europese fondsen die gericht zijn op de sanering van Land of Fires en het industrieterrein ILVA in Taranto in overeenstemming met de wet zijn besteed; dringt voorts aan op een interne controle om na te gaan of de gefinancierde projecten de verwachte resultaten hebben behaald;

35.  verzoekt om meer doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg, teneinde Richtlijn 89/105/EEG van de Raad(12) te vervangen met het doel te zorgen voor effectief toezicht en de volledige transparantie van de procedures die gebruikt worden voor de prijsstelling en vergoeding van geneesmiddelen in alle lidstaten;

36.  verzoekt om een alomvattend beleidskader voor de aanpak van de ziekte van Lyme, waarbij rekening gehouden wordt met de verschillende specifieke problemen en beleidslijnen van elke lidstaat;

37.  benadrukt het cruciale belang van de waarborging van de interoperabiliteit van databanken voor de aanpak van terrorisme en criminaliteit in het algemeen; verzoekt om de voordelen van de bestaande informatiesystemen te maximaliseren teneinde ervoor te zorgen dat de lidstaten samenwerken bij de bestrijding van terrorisme en zware criminaliteit;

38.  herinnert eraan dat de lidstaten de op internationaal niveau beschikbare instrumenten voor de bestrijding van terrorisme, georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen moeten omzetten en toepassen;

39.  wijst op de ernstige, aanhoudende migratiecrisis die gevolgen heeft voor alle lidstaten in Europa; is in het bijzonder van mening dat Griekenland en Italië onevenredig worden getroffen door deze crisis; pleit voor een betere internationale samenwerking om de situatie te helpen verlichten;

40.  benadrukt de noodzaak om toezicht te houden op en meer transparantie te betrachten bij de uitbetaling van gelden uit het Fonds voor asiel, migratie en integratie en het Fonds voor interne veiligheid, en nauwlettend toe te zien op het gebruik van de EU-middelen die verstrekt worden in het kader van het akkoord tussen EU en Turkije en alle ‑zogeheten migratieakkoorden met derde landen, en dat gebruik stelselmatig te evalueren;

41.  is van oordeel dat het met betrekking tot Italië van cruciaal belang is om specifieke gevallen van warmtekrachtcentrales op basis van geothermische energie aan te pakken, waarvan de CO2-equivalente emissies hoger zijn dan van op aardgas werkende elektriciteitscentrales van gelijke capaciteit, en waarvan andere emissies van bijzonder schadelijke verontreinigende stoffen zoals onder meer waterstofsulfide, arseen en kwik, hoger zijn dan die van een kolencentrale van gelijke capaciteit; verzoekt de Commissie in dit verband concrete oplossingen te bedenken om emissienormen voor geothermische centrales en de relatieve duurzaamheidscriteria vast te stellen op basis waarvan geothermische energie als hernieuwbare bron kan worden beschouwd, en de impact op het milieu en de gezondheid van de mens in Italië tot een minimum te beperken;

42.  herhaalt dat de kansen van digitalisering moeten worden benut ten voordele van de burgers en dat verdere inspanningen nodig zijn om de digitale en connectiviteitskloof tussen regio’s aan te pakken, ter verbetering van de toegang tot draadloze connectiviteit en ter bevordering van digitale geletterdheid; dringt er in dit verband op aan de inspanningen in het onderzoek naar en de invoering van 5G-technologie te intensiveren en daadwerkelijke concurrentie te bevorderen ten voordele van de eindgebruikers en bedrijfsontwikkeling;

43.  acht het van prioritair belang om een ondernemersvriendelijk klimaat te scheppen teneinde start-ups en kleine, middelgrote en micro-ondernemingen te helpen ontwikkelen en optimaal gebruik te maken van de kansen die innovatie en digitalisering bieden; verzoekt met het oog hierop om specifieke, adequate en gemakkelijk toegankelijke steun voor deze actoren met toepasselijke EU-instrumenten;

44.  is van mening dat er behoefte is aan een evenwichtige, doeltreffende, billijke, transparante en evenredige hervorming van de handelsbeschermingsinstrumenten om de Europese producenten, importeurs en consumenten te beschermen;

45.  dringt aan op wederkerigheid in de handelspraktijken met de verplichting om de besprekingen vooruit te helpen, en pleit voor doeltreffende oplossingen voor de wijze waarop de markten voor overheidsopdrachten en investeringen met Europese handelspartners worden gereguleerd; benadrukt in dit verband de noodzaak van herziening van het voorstel voor een verordening inzake instrumenten voor internationale aanbestedingen (COM(2012)0124) en de invoering van een mechanisme voor de screening van buitenlandse investeringen in strategische sectoren, met de rechtstreekse betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld; wijst er nogmaals op dat er een evenwicht moet worden gevonden om protectionisme te voorkomen maar tegelijkertijd wederkerigheid te versterken;

46.  dringt aan op een betere monitoring van de ontwikkeling van directe buitenlandse investeringen, met name die gericht zijn op strategische of technologisch hoogwaardige activa en ondernemingen in Europa, teneinde een gemeenschappelijke basis te vinden voor de uitvoering van de verschillende nationale praktijken, de uitwisseling van informatie en een betere coördinatie, om oneerlijke concurrentie of een onevenwichtige aanpak te voorkomen inzake de overname van bedrijven en ondernemingen die van strategisch belang zijn voor de nationale of internationale veiligheid;

47.  uit nogmaals zijn diepe bezorgdheid over de mogelijkheid van hervatting van alle handelsbesprekingen tussen de EU en de VS zonder wijziging van het huidige mandaat; verzoekt de Commissie rekening te houden met de recente uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in advies 2/15 en alle overeenkomsten als gemengd in stand te houden, om specifieke mandaten voor investeringshoofdstukken en de opneming van het internationaal investeringsgerecht in alle onderhandelingen over vrijhandel, te voorkomen;

48.  verzoekt om uitbreiding van de lijst van geografische aanduidingen (GA’s) die na onderhandelingen met China tot stand is gekomen, teneinde de lokale en regionale landbouwproducten en wijn beschermen; beklemtoont de noodzaak van samenwerking met de Wereldhandelsorganisatie (WTO) voor de vaststelling en erkenning van een lijst van GA's van niet-landbouwproducten die aan toekomstige handelsovereenkomsten moet worden toegevoegd;

49.  herhaalt zijn bezorgdheid over de opname van een hoofdstuk inzake gegevensstromen in vrijhandelsovereenkomsten; benadrukt zowel het belang van waarborging van de privacy van consumenten en de totstandkoming van eerlijke digitale platforms ter bevordering van de ontwikkeling en de handelsactiviteiten van Europese kmo's; merkt op dat een evenwichtig voorstel betreffende de strategie voor digitale handel een instrument kan zijn om oneerlijke praktijken en cyberterrorisme te verminderen, en de handel in illegale en vervalste goederen op het internet te bestrijden;

50.  wijst nogmaals op het belang en de waarde van eiwithoudende gewassen bij de gewasrotatie, voor de vruchtbaarheid van de bodem, verminderd gebruik van nutriënten en micronutriënten en vermindering van onkruid; onderstreept de noodzaak om de productiviteit en het eiwitgehalte in de EU te verhogen via een ad-hocstrategie;

51.  dringt aan op meer steun aan de imkers om de duurzaamheid van de sector te waarborgen, alsmede aan de activiteiten van jongere landbouwers in de sector; spreekt zijn bezorgdheid uit over de toename van namaakproducten op de markt, met slechts een klein percentage aan honing;

52.  herinnert eraan dat het belangrijk is vaart te zetten achter de discussie over de regelgeving betreffende klonen die door het Europees Parlement met grote meerderheid is goedgekeurd; onderstreept de noodzaak consumenten en producenten in een geglobaliseerde economie te beschermen en eerlijke concurrentie met EU-partners te waarborgen;

53.  verzoekt de Commissie te streven naar een handelsagenda die voorziet in exportmogelijkheden voor de Europese producenten; verzoekt de Commissie passende steun te verlenen aan de producenten van de meest gevoelige landbouwproducten in het kader van de huidige onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst met Mercosur;

54.  herhaalt dat het risicobeheer in een toekomstig gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) verder moet worden versterkt, niet alleen met het oog op het klimaat, maar ook met het oog op de risico's voor de markt en de bioveiligheid;

55.  veroordeelt het beleid van de EU dat schadelijke gevolgen heeft gehad voor dierenwelzijn; wijst op voorbeelden zoals het REACH-programma, dat tot een van de grootste dierproefprogramma's in de wereld heeft geleid; wijst verder op de schadelijke EU-regels die de uitvoer van levende dieren toestaan, welke ertoe kunnen leiden dat dieren in heel Europa voor perioden van maximaal acht uur of meer onder slechte omstandigheden kunnen worden vervoerd; verzoekt om een drastische herziening van dit beleid en deze wetgeving;

56.  is van oordeel dat de door Europese burgers in hun verzoekschriften aan het Europees Parlement verwoorde standpunten van groot belang zijn en met prioriteit in overweging moeten worden genomen door de Europese wetgevers; herinnert eraan dat het beginsel van democratie een van de fundamentele waarden is van de lidstaten en dat alle rechtshandelingen tot wijziging van de rechtsorde van de EU moeten worden onderworpen aan een inclusief en participatief debat in de context van beter bestuur dat volledige transparantie en de directe betrokkenheid van alle burgers kan garanderen;

57.  erkent dat verzoekschriften vaak een informatiebron van cruciaal belang zijn, niet alleen over schendingen en tekortkomingen bij de toepassing van het EU-recht in de lidstaten, maar ook over mogelijke schendingen van de grondrechten van de burgers; wijst erop dat de passende behandeling van verzoekschriften vergezeld moet gaan van een grotere capaciteit om te reageren en om problemen op te lossen in verband met de behoorlijke bescherming van de grondrechten van de burgers;

58.  verzoekt om een tijdige openbaarmaking van de namen van alle ambtenaren die bij gevallen van draaideurconstructies betrokken zijn en om volledige transparantie over alle hiermee samenhangende informatie; is ervan overtuigd dat alle Europese instellingen en agentschappen hetzelfde moeten doen; pleit voor proactieve openbaarmaking en volledige transparantie met betrekking tot de functies van voormalige commissarissen na hun ambtstermijn en alle daarmee verband houdende informatie; betreurt het ten zeerste dat de voormalige voorzitter van de Commissie, de heer Barroso, tot adviseur en niet-uitvoerend voorzitter van Goldman Sachs International is benoemd; benadrukt dat de zaak Barroso het wantrouwen van de burger ten aanzien van de Commissie heeft doen groeien wat betreft haar geloofwaardigheid en onafhankelijkheid van particuliere financiële belangen;

59.  benadrukt dat de huidige wetgeving inzake oneerlijke praktijken en staatssteun ontoereikend is en niet doeltreffend; verlangt daarom een nadere herziening van de bestaande regels; neemt nota van de interpretatieve richtsnoeren van Verordening (EG) nr. 1008/2008(13), waarin de noodzaak wordt onderstreept om het plafond te handhaven van 49 % voor derde landen en hun onderdanen in ondernemingen in de EU, waardoor eigendom en effectieve controle door de lidstaten en hun burgers wordt gewaarborgd;

60.  dringt aan op meer steun voor de economische, financiële en operationele duurzaamheid van regionale luchthavens, door middel van adequate en transparante procedures, met inachtneming van eerlijke concurrentie tussen alle luchtvaartmaatschappijen, met dezelfde en open kansen voor alle luchtvaartmaatschappijen;

61.  neemt kennis van het door de Commissie goedgekeurde pakket mobiliteit; acht het noodzakelijk om verder te onderzoeken wat de beste oplossingen zijn om irreguliere cabotage tegen te gaan, rekening houdend met het feit dat doeltreffende controles kunnen worden uitgevoerd met behulp van moderne instrumenten zoals het wereldwijde satellietnavigatiesysteem (GNSS) om zware voertuigen voor commerciële doeleinden te traceren;

62.  benadrukt de noodzaak om de sociale regels die van toepassing zijn op de sector wegvervoer te herzien, met als doel een evenwicht te vinden tussen de sociale bescherming van werknemers in het wegvervoer en de vrijheid van ondernemers in de vervoerssector om ‑grensoverschrijdende diensten te verlenen;

63.  verzoekt om de beoordeling en verduidelijking van de toepassing van de nationale wetgeving inzake het minimumloon voor chauffeurs in Duitsland en Frankrijk;

64.  is ervan overtuigd dat het Besluit van de Raad van 14 april 2014 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, van het Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben(14) (PB L 115 van 17.4.2014, blz. 1) onverwijld moet worden vastgesteld;

65.  verzoekt de vaststelling van de nodige maatregelen om de volledige toepassing van de normen voor webtoegankelijkheid op de websites van alle EU-instellingen te verzekeren en in officiële interacties informatie aan te bieden in gebarentaal, braille, augmentatieve en alternatieve communicatie, en andere toegankelijke communicatiemiddelen, -vormen en -formaten voor personen met een handicap, met inbegrip van gemakkelijk leesbare formaten; benadrukt de noodzaak voor de Europese Unie om vooruitgang te boeken bij de vaststelling van het voorstel voor een richtlijn van de websites van overheidsinstanties(15);

66.  is van mening dat er meer steun moet worden verleend aan micro-, kleine en middelgrote ondernemingen in de culturele en creatieve sector; merkt op dat de problemen waarmee deze ondernemingen worden geconfronteerd nog verergerd worden door het bezuinigingsbeleid van de EU; betreurt het dat alle maatregelen die de Europese Unie tot dusverre heeft vastgesteld de doelstelling van een aanzienlijke verbetering van de omstandigheden voor de creatieve en culturele sector niet hebben verwezenlijkt en meent dat de huidige financiële mechanismen van de EU nog steeds niet op doeltreffende wijze voorzien in de behoeften van de sector;

67.  is er stellig van overtuigd dat het bezuinigingsbeleid van de EU heeft geleid tot de voortdurende verslechtering van de educatieve en culturele sector; beklemtoont dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) zeer nadelige gevolgen heeft voor de educatieve sector;

68.  uit zijn bezorgdheid over het nalaten van de tenuitvoerlegging van de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; herinnert eraan dat in artikel 46, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens staat dat de verdragsluitende partijen zich er zonder voorbehoud plechtig toe hebben verbonden zich te houden aan de einduitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaken waarbij zij partij zijn; betreurt de achterstand bij de tenuitvoerlegging en in sommige gevallen het gebrek aan politieke wil om aan bepaalde uitspraken van het Hof uitvoering te geven;

69.  roept de lidstaten op aan hun internationale verplichtingen te voldoen en ervoor te zorgen dat burgerrechten en politieke rechten niet worden geschonden; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat mensenrechten, burgerlijke en politieke vrijheden en de beginselen van democratie in acht worden genomen in de landen waar deze waarden worden genegeerd;

°

°  °

70.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 304 van 20.11.2013, blz. 47.

(2)

PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(3)

PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56.

(4)

PB L 40 van 11.2.1989, blz. 8.

(5)

ECLI:EU:C:2016:992.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0405.

(7)

Arrest van het Gerecht van 10 mei 2017, Michael Efler/Europese Commissie, T-754/14, ECLI:EU:T:2017:323.

(8)

PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0405.

(10)

PB C 184 E van 8.7.2010, blz. 82.

(11)

PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(12)

PB L 40 van 11.2.1989, blz. 8.

(13)

PB L 293 van 31.10.2008, blz. 3.

(14)

PB L 115 van 17.4.2014, blz. 1.

(15)

COM (2012)0721.

Juridische mededeling - Privacybeleid