Ontwerpresolutie - B8-0580/2017Ontwerpresolutie
B8-0580/2017

ONTWERPRESOLUTIE over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de EU

24.10.2017 - (2017/2897(RSP))

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement

Beatriz Becerra Basterrechea, Catherine Bearder, Sophia in ‘t Veld, Angelika Mlinar, Izaskun Bilbao Barandica, Filiz Hyusmenova namens de ALDE-Fractie

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0576/2017

Procedure : 2017/2897(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B8-0580/2017
Ingediende teksten :
B8-0580/2017
Aangenomen teksten :

B8‑0580/2017

Resolutie van het Europees Parlement over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de EU

(2017/2897(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag van de Europese Unie (VEU) en de artikelen 8, 10, 19 en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden[1], en met name de artikelen 20, 21, 23 en 31,

–  gezien het verslag van het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie (FRA) van 2014 over "Geweld tegen vrouwen"[2],

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking)[3],

–  gezien het Gender Equality Index Report van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015, getiteld "Strategic engagement for gender equality 2016-2019" (SWD(2015)0278),

–-  gezien de verklaring van het EU-voorzitterschapstrio in juli 2017 door Estland, Bulgarije en Oostenrijk over de gelijkheid tussen vrouwen en mannen,

–  gezien de VN-Verklaring van 1993 inzake de uitbanning van geweld tegen vrouwen, waarin in artikel 2 wordt bepaald dat geweld tegen vrouwen onder meer het volgende omvat: "lichamelijk, seksueel en psychologisch geweld dat plaatsvindt binnen de gemeenschap, waaronder verkrachting, seksueel misbruik en seksuele intimidatie op het werk, in onderwijsinstellingen en elders, vrouwenhandel en gedwongen prostitutie",

–  gezien de in Peking gehouden vierde Wereldvrouwenconferentie van de VN en het actieprogramma van Peking voor gelijkheid, ontwikkeling en vrede (1995),

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad[4] (richtlijn voor de rechten van slachtoffers),

–  gezien de kaderovereenkomst over geweld en pesterijen op het werk van de EVV, BUSINESSEUROPE, de UEAPME en het CEEP,

–  gezien het verslag van het Europees netwerk van nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling (Equinet), getiteld "The Persistence of Discrimination, Harassment and Inequality for Women. The Work of Equality Bodies informing a new European Commission Strategy for Gender Equality" (Het voortbestaan van discriminatie, intimidatie en ongelijkheid van vrouwen. De activiteiten van organen voor de bevordering van gelijke behandeling ten behoeve van een nieuwe strategie van de Commissie voor gendergelijkheid), gepubliceerd in 2015,

–  gezien het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en met name de artikelen 2 en 40[5],

–  gezien artikel 12 bis van het Statuut van de ambtenaren van de EU,

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2017 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie 2014-2015[6], en van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013[7],

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat gendergelijkheid een fundamentele waarde van de EU is, die in de Verdragen en het Handvest van de grondrechten is opgenomen, en dat de EU heeft toegezegd deze waarde te integreren in al haar activiteiten;

B.  overwegende dat de EU als gemeenschap van waarden berust op democratie, de rechtsstaat en grondrechten, die besloten liggen in de kernbeginselen en doelstellingen in de eerste artikelen van het VEU en in de criteria voor EU-lidmaatschap;

C.  overwegende dat seksuele intimidatie in het EU-recht als volgt gedefinieerd wordt: "wanneer zich enige vorm van ongewenst verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie voordoet met als doel of gevolg dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd"[8];

D.  overwegende dat discriminatie op basis van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid krachtens het EU-recht verboden is;

E.  overwegende dat seksuele intimidatie strijdig is met het beginsel van gendergelijkheid, en een vorm van discriminatie op grond van geslacht is, en bijgevolg verboden is in arbeid, ook wat toegang tot de arbeidsmarkt, beroepsopleidingen en promoties betreft;

F.  overwegende dat geweld tegen vrouwen, volgens de definitie in het actieprogramma van Peking, kan bestaan uit, maar niet beperkt is tot, lichamelijk, seksueel en psychologisch geweld dat plaatsvindt binnen de gemeenschap, waaronder verkrachting, seksueel misbruik en seksuele intimidatie op het werk, in onderwijsinstellingen en elders[9];

G.  overwegende dat gendergerelateerd geweld in de richtlijn voor de rechten van slachtoffers wordt gedefinieerd als een vorm van discriminatie en als een schending van de fundamentele vrijheden van het slachtoffer, en geweld in hechte relaties, seksueel geweld (onder meer verkrachting, aanranding en seksuele intimidatie), mensenhandel en slavernij omvat, alsmede verschillende vormen van schadelijke praktijken zoals gedwongen huwelijken, genitale verminking van vrouwen en zogenaamde "eergerelateerde misdrijven"; overwegende dat vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd geweld, en hun kinderen, vaak behoefte hebben aan bijzondere ondersteuning en bescherming, in verband met het hoge risico van secundaire en herhaalde slachtoffervorming, van intimidatie en van vergelding in verband met dergelijk geweld[10];

H.  overwegende dat de lidstaten uit hoofde van het EU-recht een orgaan voor de bevordering van gelijkheid moeten aanwijzen om onafhankelijke bijstand te verlenen aan slachtoffers van discriminatie en seksuele intimidatie, alsook onafhankelijke onderzoeken te verrichten, onafhankelijke verslagen te publiceren en aanbevelingen te doen op het gebied van arbeid en beroepsopleidingen, toegang tot en aanbod van goederen en diensten, en voor zelfstandigen;

I.  overwegende dat uit verslaggeving blijkt dat seksisme, intimidatie en geweld tegen vrouwen in de EU-instellingen zeer reëel en wijdverspreid zijn[11],[12];

J.  overwegende dat uit de EU-brede studie van het FRA naar "Geweld tegen vrouwen" uit 2014 blijkt dat 55 % van alle vrouwen geconfronteerd wordt met pesterijen en intimidatie in de openbare ruimte en in het politieke leven, en 32 % op het werk;

K.  overwegende dat een aanzienlijk aantal gevallen van seksuele intimidatie en pesten niet aan de autoriteiten wordt gemeld;

L.  overwegende dat vrouwen in vele sociale partnerorganisaties nog steeds ondervertegenwoordigd zijn in het management, zowel op Europees als op nationaal niveau;

M.  overwegende dat seksuele intimidatie in artikel 12 bis van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie wordt gedefinieerd[13];

N.  overwegende dat de ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen, alsook genderstereotypes en seksisme, met inbegrip van seksistische haatzaaiende uitlatingen, zowel online als offline, de grondoorzaken zijn van alle vormen van geweld tegen vrouwen, en ertoe hebben geleid dat mannen vrouwen domineren en discrimineren en dat vrouwen een volledige ontplooiing onmogelijk wordt gemaakt;

O.  overwegende dat seksisme geen ongevaarlijke attitude is maar kan leiden tot seksuele intimidatie;

P.  overwegende dat politici, als verkozen vertegenwoordigers van burgers, een cruciale verantwoordelijkheid hebben en positieve rolmodellen moeten zijn bij de preventie en bestrijding van seksuele intimidatie in de maatschappij;

1.  roept de Commissie en de lidstaten op om voldoende toezicht te houden op de correcte tenuitvoerlegging van de EU-richtlijnen die intimidatie op basis van geslacht en seksuele intimidatie verbieden, en te verzekeren dat de organen voor de bevordering van gelijke behandeling in alle lidstaten een duidelijk mandaat krijgen, alsook de nodige middelen, voor de drie gebieden, namelijk arbeid, zelfstandige arbeid, en toegang tot goederen en diensten;

2.  verzoekt de Commissie de bestaande beste praktijken bij het bestrijden van seksuele intimidatie op het werk te beoordelen, uit te wisselen en te vergelijken, en de resultaten van deze beoordeling te verspreiden, met name de effectieve maatregelen die de lidstaten kunnen treffen om bedrijven, sociale partners en bij beroepsopleidingen betrokken organisaties aan te moedigen om alle vormen van discriminatie op basis van geslacht, en vooral intimidatie en seksuele intimidatie op het werk, te voorkomen;

3.  herhaalt nadrukkelijk dat alle vormen van intimidatie de menselijke waardigheid sterk ondermijnen en dat met name gevallen van gendergerelateerd geweld en gendergerelateerde discriminatie, zoals seksuele intimidatie, bijzonder vernederend zijn;

4.  vindt het zorgwekkend dat de intimidatie van vrouwen online, vooral op sociale media, gaande van ongewenst contact, trolling en cyberpesten, tot seksuele intimidatie en bedreigingen met verkrachting en dood, in onze digitale maatschappij steeds meer ingang vindt, en dat de digitale maatschappij nieuwe vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes met zich meebrengt, zoals cyberpesten, cyberintimidatie, het gebruik van vernederende beelden online en de verspreiding van privéfoto's en video's op sociale media zonder toestemming van de betrokkenen;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om ervoor te zorgen dat financieringsmechanismen voor programma's ter bestrijding van geweld tegen vrouwen gebruikt kunnen worden voor bewustmakingscampagnes en voor de ondersteuning van maatschappelijke organisaties die geweld tegen vrouwen, met inbegrip van seksuele intimidatie, bestrijden;

6.  verzoekt alle lidstaten die dit nog niet hebben gedaan om het Verdrag van Istanbul snel te ratificeren en volledig te implementeren;

7.  vraagt de Commissie en de lidstaten om de onderhandelingen over de ratificering en tenuitvoerlegging van het Verdrag van Istanbul te versnellen;

8.  roept de Commissie en de lidstaten op om, in samenwerking met het EIGE, de verzameling van relevante, uitgesplitste en vergelijkbare gegevens over gevallen van geweld, met inbegrip van seksuele intimidatie, te verbeteren en te bevorderen, om tot een gemeenschappelijke methodologie te komen voor de vergelijking van databases en analyses, waardoor een beter begrip van en meer bewustzijn rond het probleem worden gecreëerd;

9.  verzoekt de Commissie een rechtshandeling in te dienen die lidstaten helpt bij de preventie en uitbanning van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes en van gendergerelateerd geweld;

10.  verzoekt de Raad de overbruggingsclausule toe te passen, door een unaniem besluit aan te nemen waarmee geweld tegen vrouwen en meisjes (evenals andere vormen van gendergerelateerd geweld) wordt aangemerkt als een vorm van criminaliteit uit hoofde van artikel 83, lid 1, VWEU;

11.  roept op tot de verdere integrering van vrouwen in besluitvormingsprocedures, in vakbonden en in hogere functies binnen organisaties of bedrijven;

12.  roept de Commissie en de lidstaten op om, samen met ngo's, sociale partners en organen voor de bevordering van gelijke behandeling, aanzienlijk meer maatregelen te treffen met het oog op bewustmaking rond de rechten van slachtoffers van seksuele intimidatie en gendergerelateerde discriminatie;

13.  benadrukt dat de lidstaten, ondernemersorganisaties en vakbonden dringend meer aandacht moeten vestigen op seksuele intimidatie, en vrouwen moeten aanmoedigen en ondersteunen om incidenten onmiddellijk te melden;

14.  wijst op de centrale rol van alle mannen bij het zich inzetten voor veranderingen en de beëindiging van alle vormen van intimidatie en seksueel geweld door tegen de omstandigheden en structuren te strijden die, al is het maar passief, het gedrag mogelijk maken dat hiertoe leidt, en door in te gaan tegen foutief of ongepast gedrag; roept de lidstaten op om mannen actief te betrekken bij bewustmakings- en preventiecampagnes;

15.  roept de voorzitter en de administratieve diensten van het Parlement op om:

–  de recente mediaberichten over seksuele intimidatie en misbruik in het Europees parlement snel en grondig te onderzoeken, de bevindingen van dit onderzoek met de leden te delen, en toereikende maatregelen ter preventie van nieuwe gevallen voor te stellen;

–  meer ruchtbaarheid te geven aan het bestaan en de werkzaamheden van het adviescomité dat klachten over intimidatie tussen geaccrediteerde parlementaire medewerkers en leden van het Parlement behandelt; het adviescomité voor personeel van het Parlement te versterken met het oog op de preventie van intimidatie; vastgestelde gevallen te onderzoeken, hierover een vertrouwelijk register in de loop der tijd bij te houden, en de beste manieren vast te stellen om nultolerantie op alle niveaus van de instelling te verzekeren;

–  de slachtoffers in procedures binnen het Parlement en/of bij de lokale politie ten volle te ondersteunen; waar nodig crisisbeschermings- of veiligheidsmaatregelen te treffen, en artikel 12 bis van het Statuut van de ambtenaren volledig ten uitvoer te leggen, wat ervoor zal zorgen dat zaken volledig onderzocht en disciplinaire maatregelen toegepast worden;

–  verplichte opleidingen voor alle personeelsleden en leden in te voeren over respect en waardigheid op het werk, met als doel te verzekeren dat nultolerantie de norm wordt; zich ten volle in te zetten voor bewustmakingscampagnes met alle leden en diensten van de administratie, met bijzondere nadruk op groepen in de zwakste posities, zoals stagiairs, geaccrediteerde parlementaire medewerkers en arbeidscontractanten, en een institutioneel netwerk op te zetten van vertrouwenspersonen die slachtoffers ondersteunen en adviseren, zoals bij de Commissie het geval is;

16.  roept alle collega's op om de slachtoffers te ondersteunen en aan te moedigen om het woord te nemen en gevallen van seksuele intimidatie via formele procedures binnen de administratie van het Parlement en/of bij de politie te melden;

17.  roept alle politici op om als verantwoordelijke rolmodellen te handelen bij de preventie en bestrijding van seksuele intimidatie in parlementen en daarbuiten;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.