Ontwerpresolutie - B8-0668/2017Ontwerpresolutie
B8-0668/2017

    ONTWERPRESOLUTIE over de situatie van de Rohingya

    6.12.2017 - (2017/2973(RSP))

    naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid
    ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement

    Ryszard Czarnecki, Charles Tannock, Jadwiga Wiśniewska namens de ECR-Fractie

    Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0668/2017

    Procedure : 2017/2973(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B8-0668/2017
    Ingediende teksten :
    B8-0668/2017
    Aangenomen teksten :

    B8‑0668/2017

    Resolutie van het Europees Parlement over de situatie van de Rohingya

    (2017/2973(RSP))

    Het Europees Parlement,

    –  gezien zijn eerdere resoluties over Myanmar en over de situatie van de Rohingya-moslims, met name die van 7 juli 2016[1] en 15 december 2016[2], en zijn resoluties van 16 maart 2017 over de prioriteiten van de EU voor de zittingen van de VN‑Mensenrechtenraad in 2017[3] en van 13 juni 2017 over staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië[4],

    –  gezien de conclusies van de Raad van 16 oktober 2017 over Myanmar en van 20 juni 2016 over de EU-strategie voor Myanmar/Birma,

    –  gezien de verklaring van Federica Mogherini, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), van 6 september 2017 over de situatie in de deelstaat Rakhine,

    –  gezien de verklaring van Yanghee Lee, speciaal rapporteur van de Verenigde Naties, van 14 maart 2017 over het geweld in de deelstaat Rakhine,

    –  gezien de resultaten van de donorconferentie die op 23 oktober 2017 in Genève is georganiseerd door de Europese Unie, de regering van Koeweit, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR), het Bureau van de Verenigde Naties voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden (OCHA) en de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM),

    –  gezien het jaarverslag van de secretaris-generaal van de VN van 15 april 2017 over conflictgerelateerd seksueel geweld,

    –  gezien de VN-Verklaring van 25 november 1981 inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging,

    –  gezien de VN-verklaring van 18 december 1992 over de rechten van personen die behoren tot nationale, etnische, godsdienstige en taalkundige minderheden,

    –  gezien de overeenkomst over machtsdeling tussen het leger en de burgerregering in Myanmar, op grond waarvan 25 % van de parlementsleden door de militaire autoriteiten wordt benoemd en de politie, de grenswacht en het leger verantwoording afleggen aan de militaire autoriteiten,

    –  gezien de intrekking van de wet inzake noodmaatregelen in het Myanmarese recht, die de militaire autoriteiten toestond om verdachten zonder aanklacht vast te houden,

    –  gezien de verklaring van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken van 22 november 2017 over de situatie in de deelstaat Rakhine, waarin hij met name vroeg om een internationaal onderzoek naar degenen die verantwoordelijk zijn voor misdaden tegen de menselijkheid,

    –  gezien de verklaring van Pramila Patten, speciaal vertegenwoordiger van de Verenigde Naties inzake seksueel geweld in conflictsituaties, van 22 november 2017, dat het seksuele geweld tegen de Rohingya een oorlogsmisdaad zou kunnen zijn,

    –  gezien de overeenkomst die op 23 november 2017 tussen Myanmar en Bangladesh is gesloten, waardoor honderdduizenden Rohingya-vluchtelingen naar de deelstaat Rakhine kunnen worden gerepatrieerd,

    –  gezien het VN-Verdrag van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

    –  gezien de verklaring van de VN van 13 juni 2014 waarin werd beloofd een eind te maken aan seksueel geweld in conflictsituaties,

    –  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966,

    –  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

    –  gezien het Verdrag van Ottawa van 18 september 1997 inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoonsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens,

    –  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

    A.  overwegende dat de situatie van de Rohingya dramatisch is verslechterd sinds op 25 augustus 2017 geweld is uitgebroken tussen Rohingya-strijders en de Birmese veiligheidstroepen, met beschuldigingen van talrijke moorden, het afbranden van Rohingya-dorpen, plundering, massale verkrachtingen, foltering en gericht geweld tegen Rohingya in de deelstaat Rakhine (Myanmar), waarbij veel ontheemde Rohingya in kampen zijn opgesloten;

    B.  overwegende dat deze beschuldigingen, die volgens het internationaal recht als misdaden tegen de menselijkheid kunnen worden beschouwd, zijn bevestigd door verslagen van talrijke internationale mensenrechtenorganisaties (onder meer Human Rights Watch en Amnesty International), alsook door verslagen van de VN‑Veiligheidsraad en de regering van de Verenigde Staten, waarin staat dat de Rohingya gericht en met steun van de staat worden vervolgd en dat dit naar verluidt het werk is van de Myanmarese veiligheidstroepen;

    C.  overwegende dat de Myanmarese regering en de Myanmarese strijdkrachten en veiligheidstroepen herhaaldelijk hebben ontkend dat ze Rohingya-burgers en ‑dorpen hebben aangevallen, en de gevallen van geweld hebben toegeschreven aan hun campagne tegen een terroristische opstand van Rohingya of een onderlinge strijd tussen Rohingya-militanten;

    D.  overwegende dat momenteel naar schatting meer dan 623 000 Rohingya zijn weggevlucht uit Rakhine, waar de meeste Rohingya in Myanmar wonen (in heel Myanmar zijn er naar schatting een miljoen Rohingya), en dat de meeste daarvan naar het buurland Bangladesh zijn gevlucht;

    E.  overwegende dat wordt verondersteld dat er zich onder het totale aantal vluchtelingen die naar Bangladesh zijn gevlucht, een onbevestigd aantal Myanmarese hindoes bevinden, die beweren dat ze per vergissing door boeddhisten in Rakhine zijn aangevallen omdat ze etnisch op Rohingya lijken;

    F.  overwegende dat het geweld tegen de Rohingya alle kenmerken vertoont van door de overheid toegestane, systematische etnische zuivering, waarbij mannen, vrouwen en kinderen zijn vermoord, Rohingya-vrouwen massaal door de Myanmarese veiligheidstroepen zijn verkracht, Rohingya -mannen en ‑vrouwen van alle leeftijden zijn geslagen en gefolterd, eigendommen van Rohingya totaal zijn vernield, en waarbij desinformatie is gebruikt, waaronder geënsceneerde foto's in de Myanmarese media om de schuld voor het geweld af te wentelen op Rohingya-moslims die zich tegen hun eigen volk keren;

    G.  overwegende dat de Verenigde Naties en Human Rights Watch hebben gewaarschuwd dat de vervolging van de Rohingya neerkomt op etnische zuivering en dat er als daar niets tegen wordt ondernomen, een ernstig risico bestaat dat die zal escaleren tot een genocide;

    H.  overwegende dat Human Rights Watch over de massale verkrachtingen van Rohingya opmerkt dat het maatschappelijke stigma en de vrees voor verdere vervolging door de regering tot gevolg hebben dat wellicht slechts van een derde van het feitelijke aantal verkrachtingen aangifte wordt gedaan;

    I.  overwegende dat het etnisch gemotiveerde geweld tegen de Rohingya een seksuele dimensie heeft die kenmerkend is voor historische gevallen van etnische zuivering en genocide;

    J.  overwegende dat buitenlandse onderzoeksjournalisten onder zwaar overheidstoezicht staan wanneer ze actief zijn in Myanmar, met name in gebieden waar nog steeds moslims wonen, en dat ze worden geconfronteerd met strikte uitgangsverboden en minimale, vooraf goedgekeurde toegang tot de lokale bevolking, waardoor het hun moeilijk wordt gemaakt om op een eerlijke en onpartijdige manier verslag uit te brengen over wat er met de Rohingya gebeurt;

    K.  overwegende dat op de donorconferentie die in Genève is georganiseerd door de UNHCR, het OCHA, de IOM, de Europese Unie en de regering van Koeweit 36 afzonderlijke toezeggingen voor hulp aan Bangladesh en Myanmar zijn gedaan voor een totaal bedrag van 344 miljoen USD, met inbegrip van het geld dat sinds de uitbarsting van het geweld op 25 augustus is beloofd en toegezegd, alsmede nieuwe toezeggingen, waarbij verscheidene particuliere donoren aanvullende steun ter waarde van meer dan 50 miljoen USD hebben toegezegd;

    L.  overwegende dat in de repartiëringsovereenkomst tussen Myanmar en Bangladesh van 23 november 2017 geen beperkingen worden opgelegd op het aantal Rohingya dat vrijwillig naar de deelstaat Rakhine mag terugkeren, met uitzondering van vluchtelingen die bij terrorisme betrokken zijn geweest, wat in tegenspraak is met eerdere verklaringen van de woordvoerder van het Myanmarese leger;

    M.  overwegende dat de voorwaarden van deze overeenkomst de weg vrij zullen maken voor de repatriëring van Rohingya die met het oog op hun terugkeer door de Myanmarese regering zijn gecontroleerd, en dat wie terugkeert, een identiteitskaart moet hebben op grond van bewijs van eerder verblijf in Myanmar; overwegende dat de voormalige huizen en dorpen van veel Rohingya als gevolg van het conflict zijn vernield; overwegende dat Rohingya-mannen, ‑vrouwen en ‑kinderen sinds 1982 van hun burgerrechten zijn beroofd en dat de overgrote meerderheid daardoor geen papieren heeft;

    N.  overwegende dat het onduidelijk is hoeveel potentiële gerepatrieerde Rohingya in kampen en tijdelijke opvanglocaties zullen worden ondergebracht, maar dat veel Rohingya-dorpen in de deelstaat Rakhine door het conflict zijn vernield, zodat veel terugkerende vluchtelingen waarschijnlijk in slechte omstandigheden zullen moeten leven zonder precies te weten wanneer ze opnieuw veilige huisvesting zullen krijgen;

    1.  veroordeelt in de krachtigste bewoordingen de toename van het geweld in de deelstaat Rakhine, en met name de gevallen waarbij Myanmarese veiligheidstroepen betrokken waren bij ernstige schendingen van de mensenrechten, zoals o.a. massale verkrachtingen, gerichte moorden en vernieling van eigendommen van burgers, en vraagt dat er onmiddellijk een eind wordt gemaakt aan het geweld in de deelstaat Rakhine, ongeacht of het wordt gepleegd door Myanmarese veiligheidstroepen dan wel door Rohingya-militanten;

    2.  herinnert eraan dat de Myanmarese regering de plicht heeft om met de internationale gemeenschap samen te werken om alle burgers, zonder onderscheid, tegen geweld te beschermen en een onderzoek in te stellen naar en een eind te maken aan ernstige schendingen van de mensenrechten in Myanmar, in overeenstemming met de normen en verplichtingen op het gebied van de mensenrechten;

    3.  herhaalt zijn oproep aan de Myanmarese autoriteiten om onmiddellijk ongehinderde en volledige toegang te verlenen aan onafhankelijke waarnemers, internationale mensenrechtenorganisaties, journalisten en andere internationale waarnemers, waaronder met name de VN‑onderzoeksmissie die de UNHRC in maart 2017 heeft ingesteld, opdat beschuldigingen van ernstige mensenrechtenschendingen door zowel Myanmarese veiligheidstroepen als Rohingya-militanten op onafhankelijke en onpartijdige wijze worden onderzocht;

    4.  dringt er ook nogmaals op aan dat humanitaire hulporganisaties toegang wordt verleend tot alle conflictgebieden, zowel in de staat Rakhine als in de omliggende regio's, en ontheemden, zonder onderscheid, zodat mensen die in gevaar verkeren, hulp krijgen;

    5.  herinnert eraan dat uit de geschiedenis is gebleken dat geweld tegen een burgerbevolking, met name wanneer het gaat om vernieling van bezittingen van burgers, moord op burgers en massale verkrachtingen, wrok en onrust aanwakkert die uiteindelijk de voedingsbodem vormen voor terroristische groeperingen zoals die welke door het leger van Myanmar worden veroordeeld;

    6.  erkent dat de benarde situatie van de Rohingya niet langer kan worden beschouwd als louter een kwestie van meer en betere humanitaire hulp bieden in vluchtelingenkampen, en dat hun status van staatlozen een reeds ernstige humanitaire noodsituatie nog heeft verergerd; moedigt de internationale gemeenschap aan om diplomatieke druk op de regering van Myanmar te blijven uitoefenen om de waardigheid en veiligheid van de Rohingya te waarborgen, verder geweld tegen hen te beëindigen en te voorkomen en ervoor te zorgen dat zij veilig kunnen terugkeren naar de deelstaat Rakhine;

    7.  beschouwt de repatriëringsovereenkomst van 23 november 2017 tussen de regeringen van Bangladesh en Myanmar als een positieve ontwikkeling en hoopt dat deze zal leiden tot de re-integratie van elke Rohingya die met volledige burgerrechten is teruggekeerd naar de deelstaat Rakhine in Myanmar;

    8.  onderschrijft de bewering van de hoge commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten, Zeid bin Ra'ad, dat de recente aanvallen op en discriminatie van de Rohingya-bevolking in Myanmar neerkomen op etnische zuivering;

    9.  is verheugd dat de Europese Unie en haar lidstaten in reactie op de Rohingya-crisis meer steun hebben uitgetrokken voor hulpverlening in Bangladesh en Myanmar; is ook ingenomen met de toezeggingen die de internationale gemeenschap heeft gedaan tijdens de donorconferentie die op 23 oktober 2017 in Genève is gehouden naar aanleiding van de crisis;

    10.  vraagt de Europese Unie om door middel van een intergouvernementele top het voortouw te nemen bij de internationale inspanningen; stelt voor om tijdens deze top de voortgang te evalueren van de repatriëring van de Rohingya en het herstel van hun burgerrechten, de procedure in gang te zetten voor een onafhankelijk onderzoek naar misdaden tegen de menselijkheid, toekomstige investeringen in zowel Bangladesh als Myanmar te coördineren om niet alleen het leven van de Rohingya in vluchtelingenkampen, maar de hele regio te helpen heropbouwen, en hervormingen te bevorderen en aan te moedigen met nadruk op de rechtsstaat, goede democratische werkwijzen en een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke macht;

    11.  vraagt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger met de lidstaten samen te werken om een intergouvernementele conferentie op hoog niveau te faciliteren teneinde oplossingen op langere termijn ten behoeve van de Rohingya te bieden, onder meer op gebieden als infrastructuur en wederopbouw van de gemeenschap, burgerrechten, toegang tot gezondheidszorg, onderwijs, schone sanitaire voorzieningen en watervoorziening;

    12.  vraagt dat aan de meest behoeftigen snel, doorlopend en ongehinderd humanitaire hulp wordt verleend in samenwerking met internationale hulporganisaties en de Verenigde Naties;

    13.  pleit voor internationale steun om een politieke dialoog tot stand te brengen tussen de regering van Myanmar en de leiders van de Rohingya-gemeenschap, overeenkomstig de conclusies van de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van maart 2017;

    14.  dringt erop aan dat de aanbevelingen in het eindverslag van de adviescommissie voor de deelstaat Rakhine van augustus 2017 volledig worden aangenomen teneinde verder geweld te voorkomen, de vrede te handhaven en verzoening te bevorderen;

    15.  dringt erop aan dat de regering van Myanmar blijft samenwerken met de Verenigde Naties, ook met speciaal VN-rapporteur Yanghee Lee en de onafhankelijke onderzoeksmissie voor Myanmar;

    16.  vraagt dat de mensenrechtendialoog tussen Myanmar en de EU nieuw leven wordt ingeblazen om met name kwesties met betrekking tot de Rohingya-gemeenschap te bespreken;

    17.  vraagt de regering van Myanmar om onmiddellijk alle landmijnen aan de grens met Bangladesh te verwijderen en tijdens dit proces volledig mee te werken met de VN en internationale waarnemers; onderstreept dat de internationale gemeenschap zo nodig technische en financiële bijstand moet verlenen zodat deze taak tijdig en doeltreffend kan worden uitgevoerd;

    18.  erkent en looft de inspanningen van de regering en de bevolking van Bangladesh om in de nasleep van deze humanitaire ramp bescherming te bieden aan honderdduizenden Rohingya-vluchtelingen, en moedigt de autoriteiten van Bangladesh en andere buurlanden ten zeerste aan om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen;

    19.  verzoekt de regering van Myanmar, en in het bijzonder staatsadviseur Aung San Suu Kyi, om elke aansporing tot godsdienst- of rassenhaat ondubbelzinnig te veroordelen en maatschappelijke discriminatie en vijandigheid jegens de Rohingya-minderheid te bestrijden; verzoekt de regering van Myanmar voorts om het universele recht van vrijheid van godsdienst of geloofsovertuiging te eerbiedigen; herinnert de staatsadviseur eraan aan te dringen op de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen in het eindverslag van de adviescommissie voor de staat Rakhine, die op haar eigen verzoek is ingesteld; betreurt de aanhoudende dramatische verslechtering van de situatie sinds de woordvoerder van de partij van Aung San Suu Kyi op 18 mei 2015 verklaarde dat de regering van Myanmar de Rohingya-minderheid het staatsburgerschap zou moeten verlenen;

    20.  steunt de pogingen om een intensiever politiek proces van de grond te krijgen dat gebaseerd is op de uitvoering van de aanbevelingen van Kofi Annan; verzoekt de Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering van de VN doeltreffende diplomatieke en politieke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de regering van Myanmar haar verplichtingen jegens de Rohingya-minderheid nakomt, met name door bescherming tegen geweld en ongehinderde toegang tot hulp te bieden;

    21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van Myanmar, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/ hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de regeringen en parlementen van de EU-lidstaten, de secretaris-generaal van de ASEAN, de intergouvernementele mensenrechtencommissie van de ASEAN, de speciaal rapporteur van de VN over de mensenrechtensituatie in Myanmar, de Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen en de VN‑Mensenrechtenraad.