Procedure : 2017/2964(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0676/2017

Ingediende teksten :

B8-0676/2017

Debatten :

PV 13/12/2017 - 8
CRE 13/12/2017 - 8

Stemmingen :

PV 13/12/2017 - 13.1
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 166kWORD 52k
11.12.2017
PE614.298v01-00
 
B8-0676/2017

naar aanleiding van het debat over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk (2017/2964(RSP))


Tim Aker namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk (2017/2964(RSP))  
B8‑0676/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de kennisgeving van de premier van het Verenigd Koninkrijk aan de Europese Raad op 29 maart 2017 overeenkomstig artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 25 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1),

–  gezien artikel 47 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, houdende de vaststelling van de rechtspersoonlijkheid van de Unie,

–  gezien het op 4 maart 2017 gepubliceerde verslag getiteld "De brexit en de EU-begroting" van de Speciale Commissie voor de Europese Unie van het Hogerhuis (HL Paper 125),

–  gezien het bepaalde in artikel 50 VEU, namelijk dat in de onderhandelingen over de voorwaarden voor terugtrekking 'rekening moet worden gehouden met het kader van de toekomstige betrekkingen met de Europese Unie',

_  gezien het handvest van de Verenigde Naties en resolutie 25/2625 van de Algemene Vergadering van de VN van 24 oktober 1970 over 'Principles of International Law concerning Friendly Relations and Cooperation Among States in accordance with the Charter of the United Nations',

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 23 juni 2016 51,8 % van de kiezers in het VK (17,4 miljoen mensen) voor terugtrekking uit de Europese Unie hebben gestemd;

B.  overwegende dat, krachtens het internationaal recht, alle financiële verplichtingen van het VK tegenover de EU eindigen aan het eind van de kennisgevingsperiode zoals bedoeld in artikel 50 VEU, tenzij anders wordt overeengekomen;

C.  overwegende dat het VK de op één na grootste nettobijdrager aan de EU is, en dat het land elk jaar van zijn lidmaatschap (met uitzondering van 1975) nettobijdrager is geweest;

D.  overwegende dat de EU een douane-unie met een gemeenschappelijk extern tarief is, en derhalve geen vrijhandelszone;

E.  overwegende dat de term 'interne markt' aangeeft dat de EU één gebied is zonder binnengrenzen of andere regelgevingsobstakels voor het vrij verkeer van goederen en diensten, maar dat deze markt bij lange na niet compleet is, met name wat diensten betreft;

 

1.  wijst op het feit dat de Europese Unie zich al decennia inzet voor 'een steeds hechtere unie' en dat hiervoor instemming met het acquis communautaire vereist is;

2.  erkent dit streven, maar stelt ook vast dat het mogelijkerwijs een keuze is die anderen niet maken omdat ze hun nationale soevereiniteit willen behouden en een andere visie hebben, te weten die van een confederatie van natiestaten;

3.  is van oordeel dat het concept van subsidiariteit de kloof tussen deze twee alternatieve zienswijzen niet heeft kunnen overbruggen; beschouwt de uitkomst van het referendum in het VK een legitieme keuze van een lidstaat waar de meerderheid het streven naar 'een steeds hechtere unie' niet onderschrijft, om zich terug te trekken;

4.  is van oordeel dat de terugtrekking van het VK tot voordeel van alle partijen kan en moet zijn, middels het vertrek van miljoenen mensen die de belangrijkste doelstelling van de Unie niet delen;

5.  is van mening dat elke nieuwe regeling tussen het zich terugtrekkende VK en de rest van de Europese Unie een wederkerig karakter moet hebben, aangezien elke andere oplossing tot rancune en problemen in de toekomst zal leiden;

6.  dringt dan ook aan op een positieve ingesteldheid met betrekking tot de langetermijndoelstelling die inhoudt dat de nieuwe regelingen moeten resulteren in zo goed mogelijke vooruitzichten voor democratie, voorspoed en het nastreven van geluk, zowel voor heel Europa, als - voor zover mogelijk - de hele wereld;

7.  wijst erop dat we een groot aantal jaren van 'bezuinigingsbeleid' achter de rug hebben, maar dat dit niet tot de gehoopte ommekeer en tot toenemende voorspoed heeft geleid;

8.  concludeert dan ook dat het beleid van de Europese Unie voor de burgers van de EU op veel belangrijke terreinen teleurstellend uitpakt, maar dat de Unie zich niets nieuws laat invallen en doorgaat met 'meer van hetzelfde';

9.  wijst erop dat, hoewel dit vaak anders wordt voorgesteld, het standpunt van de regering van het VK conceptueel zowel helder, als rechtlijnig is, in die zin dat het land zich uitspreekt voor:

•  vrij verkeer van kapitaal, goederen en diensten (hetgeen 'vrijhandel' in feite betekent);

•  het niet langer gebonden zijn aan de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

•  de vrijheid om zelf handelsakkoorden met derde landen te sluiten;

•  de vrijheid om baas te zijn over de eigen grenzen (inclusief de eigen territoriale wateren en de eigen exclusieve economische zone);

•  een eind aan het vrij verkeer van personen, aangezien dit mede leidt tot: i) toegang tot publieke diensten, uitkeringen en arbeidsrechten (vanwege de enorme problemen als gevolg van de toekenning van dergelijke rechten aan honderden miljoenen mensen uit landen met een heel andere levensstandaard); en ii) het moeten binnenlaten van vluchtelingen en asielzoekers, terwijl de bevolking het hier niet mee eens is;

10.  verwijst naar en steunt resolutie 25/2625 van de Algemene Vergadering van de VN van 24 oktober 1970, en in het bijzonder: a) het beginsel van non-interventie in aangelegenheden die onder de interne jurisdictie van soevereine staten vallen, zoals bedoeld in het Handvest van de Verenigde Naties; b) het beginsel van gelijke rechten en het zelfbeschikkingsrecht van volkeren; c) het beginsel van de gelijkheid van soevereine staten; en d) het beginsel dat staten zich te goeder trouw houden aan de verplichtingen zoals bedoeld in het Handvest van de Verenigde Naties;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

Juridische mededeling - Privacybeleid