Procedure : 2018/2527(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0084/2018

Ingediende teksten :

B8-0084/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 08/02/2018 - 12.10
CRE 08/02/2018 - 12.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0040

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 343kWORD 55k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0082/2018
5.2.2018
PE614.393v01-00
 
B8-0084/2018

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de recente situatie van de mensenrechten in Turkije (2018/2527(RSP))


Bodil Valero, Rebecca Harms, Jordi Solé, Barbara Lochbihler, Ska Keller, Igor Šoltes, Josep-Maria Terricabras namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de recente situatie van de mensenrechten in Turkije (2018/2527(RSP))  
B8‑0084/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 24 november 2016 over de betrekkingen tussen de EU en Turkije(1), van 27 oktober 2016 over de situatie van journalisten in Turkije(2), en van 14 april 2016 over het Turkije-verslag 2015(3),

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van de hoge vertegenwoordiger / vicevoorzitter, Federica Mogherini, en commissaris Johannes Hahn, in het bijzonder die van 2 februari 2018 over de vernietiging van het besluit van de rechtbank houdende de vrijlating van Taner Kılıҫ, de voorzitter van Amnesty International Turkey, en over de detentie van de leden van het uitvoerend comité van de Turkse Medische Raad, en die van 13 maart 2017 over het advies van de Commissie van Venetië over de wijzigingen van de Turkse grondwet en recente gebeurtenissen,

–  gezien het zevende jaarverslag over Turkije van de Commissie van 6 september 2017,

–  gezien het verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) over de mensenrechtensituatie in Zuidoost-Turkije van 10 maart 2017,

–  gezien het EU-onderhandelingskader voor Turkije van 3 oktober 2005,

–  gezien de conclusies van de Raad over Turkije van 18 juli 2016,

–  gezien Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II)(4),

–  gezien het recht van vrije meningsuiting, dat is neergelegd in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij Turkije partij is,

–  gezien de verklaringen van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa,

–  gezien de verklaring van 26 juli 2016 van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa over maatregelen die zijn genomen in het kader van de noodtoestand in Turkije,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de democratie en de rechtsstaat in Turkije sinds de mislukte staatsgreep in juli 2016 en het uitroepen van de noodtoestand, in het kader waarvan publieke bijeenkomsten verboden zijn en de president bij decreet kan regeren, enorm onder druk staan;

B.  overwegende dat iedereen die ervan wordt verdacht lid van de zogenaamde Hizmet/Gülen-beweging te zijn (ambtenaren, militairen, academici, leraren, zakenmensen en gewone burgers) of steun aan Koerdische bewegingen te geven, alsook zij die tot het maatschappelijk middenveld behoren (journalisten, advocaten, academici, schrijvers, kunstenaars en vertegenwoordigers van ngo's) en in die hoedanigheid kritiek uiten op of actie voeren tegen de huidige regering, onverminderd met intimidatie van politie en justitie, arbitraire detentie, reisverboden en een brede waaier aan andere beperkende maatregelen te maken krijgen;

C.  overwegende dat sinds 2016 tegen meer dan zes miljoen burgers een onderzoek door politie of justitie is gestart louter op grond van vermoedens, of vanwege opmerkingen of het delen van berichten op sociale media; overwegende dat meer dan 107 000 mensen zonder behoorlijke procedure zijn ontslagen, en overwegende dat één jaar na de oprichting van een zevenkoppige commissie van beroep minder dan 100 zaken zijn behandeld, en dat die bijna allemaal ongegrond zijn verklaard;

D.  overwegende dat op 12 januari 2018, en slechts enkele uren nadat het Constitutioneel Hof om hun vrijlating had gevraagd in verband met de schending van hun rechten tijdens hun voorarrest, de strafrechter in Istanbul besloot de detentie van de journalisten Mehmet Altan en Sahin Alpay te verlengen, waaruit blijkt dat justitie in Turkije niet onafhankelijk is;

E.  overwegende dat Turkije opdracht heeft gegeven om websites die als kritisch worden beschouwd, te blokkeren of van het internet te verwijderen; overwegende dat tientallen media zijn gesloten, duizenden journalisten en medewerkers van media hun baan hebben verloren, en de spullen van veel anderen in beslag zijn genomen, respectievelijk aan veel anderen een uitreisverbod is opgelegd; overwegende dat volgens Reporters without Borders meer dan 300 journalisten en mensen die bij media werkzaam waren in de gevangenis zitten, waarmee Turkije nu de grootste gevangenis van medewerkers van media in de wereld is; overwegende dat buitenlandse journalisten niet worden gespaard, zoals het voorbeeld van Deniz Yücel, een Duitse journalist van Die Welt, duidelijk maakt, die al bijna een jaar in de gevangenis zit zonder in staat van beschuldiging te zijn gesteld; overwegende dat in Turkije nauwelijks nog sprake is van onafhankelijke journalistiek en onafhankelijke media;

F.  overwegende dat het Turkse parlement op 11 januari 2018 Leyla Zana, de Koerdische winnaar van de Sacharov-prijs, haar parlementszetel heeft afgepakt; overwegende dat vijf andere afgevaardigden van de Democratische Partij van de Volkeren (HDP) reeds eerder hun mandaat was afgepakt; overwegende dat in mei 2016 de parlementaire immuniteit van 55 van de 59 HDP-afgevaardigden werd opgeheven om ze te kunnen vervolgen, en dat andere leden van de oppositie in het parlement hetzelfde overkwam (in totaal bijna een derde van alle leden van de Grote Nationale Vergadering van Turkije);

G.  overwegende dat Selahattin Demirtaş, co-voorzitter van HDP, die samen met de andere co-voorzitter, Figen Yüksekdağ, reeds meer dan een jaar in detentie zit, op 8 december 2017 om veiligheidsredenen niet in de rechtbank mocht verschijnen, en overwegende dat de rechter heeft besloten dat hij tot de volgende zittingsdag - 14 februari - in de gevangenis moet blijven;

H.  overwegende dat honderden Koerdische politici in het zuidoosten van Turkije, waaronder burgemeesters en provinciale partijleiders, sinds juli 2016 zijn gearresteerd en/of uit hun ambt gezet en vervangen door kandidaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken;

I.  overwegende dat meer dan 300 Koerdische burgers zijn opgepakt wegens het plaatsen van berichten op sociale media waarin zij kritiek uiten op het Turkse militaire ingrijpen tegen Koerden in Syrië; overwegende dat de Turkse aanval op Afrin en het offensief van de Syrische regering in Idlib erin resulteren dat honderdduizenden intern ontheemde Syrische burgers naar de Turkse grens vluchten, hetgeen hen nog verder traumatiseert;

J.  overwegende dat meer dan 300 ngo's en organisaties van het maatschappelijk middenveld in Turkije, waaronder Gündem Çocuk, de belangrijkste ngo die zich voor kinderen inzet, ngo's op het gebied van vrouwenrechten, en ngo's die intern ontheemden en vluchtelingen helpen, niet meer actief mogen zijn, en dat veel van hun medewerkers vastzitten, zoals de vredesactivist Osman Kavala, die het International Peace and Reconciliation Initiative heeft geïnitieerd, en de advocaten Selçuk Kozağaçlı en Engin Gökoğlu van het People's Law Office, een erkende organisatie die slachtoffers van politiegeweld en andere mensenrechtenschendingen door functionarissen van de staat vertegenwoordigt; overwegende dat Engin Gökoğlu ook juridische bijstand verleent aan Nuriye Gülmen en Semih Özakça, de twee bekende leraren die al bijna een jaar in hongerstaking zijn tegen hun ontslag en wier gezondheid onherstelbare schade heeft opgelopen; overwegende dat op 22 november 2017 de rechter in Istanbul ook heeft besloten tot verlenging van het voorarrest van Taner Kılıç, de voorzitter van Amnesty International Turkey, en van een aantal andere mensenrechtenactivisten;

K.  overwegende dat het Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van de Raad van Europa in augustus 2016 gevangenissen in Turkije heeft bezocht en in november van datzelfde jaar verslag aan de Turkse autoriteiten heeft uitgebracht; overwegende dat de Turkse regering het verslag in kwestie tot nu toe evenwel niet openbaar heeft gemaakt, net zo min als enige andere informatie over het aantal klachten of onderzoeken naar aanleiding van beschuldigingen van foltering of mishandeling;

L.  overwegende dat tot op de dag van vandaag veel vragen met betrekking tot het exacte verloop van de gebeurtenissen op 15 juli 2016 onopgelost blijven, en overwegende dat in de vele duizenden gevallen waarin tegen Turkse burgers een onderzoek is gestart geen bewijs van een verband met de mislukte staatsgreep is gepresenteerd;

M.  overwegende het uitroepen van de noodtoestand voor beperkte duur na een poging tot staatsgreep gerechtvaardigd kan zijn met het oog op het beschermen van de democratische instituties, het herstellen van stabiliteit en veiligheid in het land, en het berechten van de coupplegers; overwegende dat de in Turkije genomen beperkende maatregelen veel verder gaan dan hetgeen krachtens de internationale mensenrechtenwetgeving toelaatbaar is, en neerkomt op schandelijk misbruik van de noodwetten;

1.  spreekt zijn grote bezorgdheid uit over het feit dat de situatie op het gebied van de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat in Turkije steeds verder verslechtert; veroordeelt het gebruik van arbitraire detentie en van justitiële en administratieve intimidatie voor het vervolgen van tienduizenden Turkse burgers die als kritisch ten opzichte van de regering-Erdoğan worden gezien en die ervan worden beschuldigd banden te onderhouden met de Hizmet/Gülen-beweging, die door de regering van Turkije verantwoordelijk wordt gehouden voor de poging tot staatsgreep, of met Koerdische politieke groeperingen, die door de regering van Turkije ongenuanceerd allemaal worden aangemerkt als organisaties die zich met terroristische activiteiten bezighouden;

2.  ziet steeds meer bewijs voor het vermoeden dat in Turkije niet langer sprake is van een scheiding der machten;

3.  betreurt het ten zeerste dat het Turkse parlement op 18 januari 2018 de noodtoestand voor de zesde keer heeft verlengd, en dringt erop aan de noodtoestand op te heffen;

4.  dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van al diegenen die willekeurig worden vastgehouden en beschuldigd van terroristische activiteiten zonder dat er enig geloofwaardig bewijs voor strafbare feiten wordt gepresenteerd; is in het bijzonder ontdaan door de hernieuwde arrestatie van Taner Kılıҫ, de voorzitter van Amnesty International Turkey, op 1 februari 2018 in opdracht van dezelfde rechtbank – nadat een tweede rechtbank de uitspraak had herzien – die de dag daarvóór zijn voorwaardelijke vrijlating had bevolen, waaruit blijkt in welke mate de Turkse justitie disfunctioneel is geworden;

5.  herinnert Turkije eraan dat voor kandidaat-lidstaten van de EU dezelfde basisnormen moeten gelden als voor lidstaten, dat wil zeggen eerbiediging van de rechtsstaat en de mensenrechten, inclusief het recht op een eerlijk proces, en spoort de Turkse autoriteiten aan terug te keren naar het beginsel van het 'vermoeden van onschuld'; herinnert verder aan het beginsel van non-discriminatie van minderheden, in het bijzonder Koerden en Roma, die dezelfde rechten op het beleven van hun cultuur en op toegang tot sociale voorzieningen hebben als alle andere burgers;

6.  veroordeelt het recente besluit om Leyla Zana haar parlementszetel af te pakken, alsook eerdere vergelijkbare besluiten ten aanzien van HDP-parlementsleden, en dringt erop aan hen onmiddellijk opnieuw in het parlement te installeren; verklaart zich solidair met legitiem verkozen parlementsleden die gevangen zitten en worden geïntimideerd, en dringt aan op eerbiediging van hun mandaat en van het recht op goede rechtsbijstand, en op hun vrijlating;

7.  bekritiseert de willekeurige vervanging van plaatselijk verkozen vertegenwoordigers, die het democratische bestel van Turkije verder ondermijnt;

8.  maakt zich ernstige zorgen over en veroordeelt de Turkse interventie in de stad Afrin (in Syrië), die tot dan toe buiten het gewelddadige conflict was gebleven en die onderdak bood aan honderdduizenden intern ontheemde personen uit andere delen van Syrië; dringt er bij Turkije op aan het offensief te stoppen;

9.  spreekt zijn medeleven uit met de meer dan 100 000 ambtenaren die uit de overheidsdienst zijn ontslagen, stelt vast dat de bestaande mechanismen voor het aantekenen van beroep in Turkije geen doeltreffende verhaalmogelijkheid vormen en verwacht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat het zich hierover op korte termijn uitspreekt;

10.  betreurt het recente verbod op door LGBTI-organisaties georganiseerde evenementen, en veroordeelt in het bijzonder het totale verbod op LGBTI-evenementen in Ankara; veroordeelt de intimidatie door politie en justitie, de vervolging en de arbitraire detentie van LGBTI-activisten; maakt zich in dit verband ernstige zorgen over de hongerstaking van Diren Coşkun, en verzoekt de bevoegde autoriteiten haar gezondheid en welzijn te waarborgen; veroordeelt in krachtige bewoordingen de zeer recente arrestatie van Ali Erol, één van de oprichters van Kaos GL, en van anderen; beklemtoont dat hier sprake is van een schending van de vrijheid van meningsuiting en van de vrijheid van vergadering, zoals vastgesteld in de artikelen 26, 33 en 34 van de Turkse grondwet en in de artikelen 19 en 21 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten; verzoekt de Turkse autoriteiten het verbod onmiddellijk in te trekken, en de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering in ere te herstellen; hamert erop dat de plegers van haatmisdrijven, zoals haatmoorden van transvrouwen, voor hun misdaden ter verantwoording moeten worden geroepen en moeten worden gestraft overeenkomstig de wet;

11.  verzoekt de Turkse regering het verslag van het Comité ter voorkoming van foltering van de Raad van Europa van november 2016 openbaar te maken;

12.  verzoekt de EU-delegatie in Ankara om samen met de ambassades van de lidstaten het voortouw te nemen bij het bieden van coördinerende hulp aan, en, waar nodig, het publiekelijk ondersteunen van Turkse burgers die krachtens de noodwetgeving zonder bewijs worden vastgehouden, in het bijzonder mensenrechtenactivisten, parlementsleden en journalisten, maar ook mensen die van directe betrokkenheid bij de poging tot staatsgreep worden beschuldigd, door bij rechtszaken aanwezig te zijn en deze te volgen, toestemming te vragen voor gevangenisbezoeken en verklaringen uit te geven waarin de Turkse autoriteiten op alle niveaus worden aangesproken;

13.  verzoekt om bevriezing van de deelname van de Grote Parlementaire Vergadering van Turkije aan parlementaire ondersteunende activiteiten van de EU voor zolang als de onschendbaarheid van bijna alle parlementsleden van de oppositiepartij HDP opgeheven blijft en hun vervolging in het verlengde daarvan niet is stopgezet;

14.  is van oordeel dat de modernisering van de douane-unie EU-Turkije op onoverkomelijke moeilijkheden zal stuiten voor zolang als de rechtsstaat, en de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van justitie in Turkije niet zijn gegarandeerd;

15.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om bij de toetsing van de IPA-middelen rekening te houden met de ontwikkelingen in Turkije, en te onderzoeken hoe in concreto meer steun kan worden gegeven aan het maatschappelijk middenveld in Turkije; beklemtoont dat geen financiële steun moet worden toegekend aan projecten die worden beheerd door Turkse ministeries die rechtstreeks bij de ontmanteling van de rechtsstaat betrokken zijn, of daar de verantwoordelijkheid voor dragen, zoals het Ministerie van Justitie;

16.  herhaalt zijn oproep voor het formeel opschorten van de toetredingsonderhandelingen met Turkije in het geval de grondwetshervormingen zoals voorgesteld door de regering en goedgekeurd middels het desbetreffende referendum ongewijzigd worden geïmplementeerd, omdat de nieuwe grondwet de criteria van Kopenhagen niet zou respecteren en erop zou duiden dat de Turkse wetgevers niet langer streven naar integratie in de EU;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van Turkije.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0450.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0133.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0423.

(4)

PB L 77 van 15.3.2014, blz. 11.

Laatst bijgewerkt op: 7 februari 2018Juridische mededeling - Privacybeleid