Procedure : 2018/2527(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0103/2018

Ingediende teksten :

B8-0103/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 08/02/2018 - 12.10
CRE 08/02/2018 - 12.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0040

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 262kWORD 50k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0082/2018
5.2.2018
PE614.412v01-00
 
B8-0103/2018

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de actuele mensenrechtensituatie in Turkije (2018/2527(RSP))


Cristian Dan Preda, Renate Sommer, David McAllister, Julia Pitera, Laima Liucija Andrikienė, Esther de Lange, Lorenzo Cesa, Bogdan Andrzej Zdrojewski namens de PPE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de actuele mensenrechtensituatie in Turkije (2018/2527(RSP))  
B8‑0103/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Turkije,

–  gezien het voortgangsverslag 2016 over Turkije, dat de Commissie op 9 november 2016 heeft gepubliceerd (SWD(2016)0366),

–  gezien resolutie 2156 (2017) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de werking van de democratische instellingen in Turkije,

–  gezien de verklaring van vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini en commissaris Johannes Hahn van 14 juli 2017, een jaar na de couppoging in Turkije,

–  gezien de politieke dialoog op hoog niveau tussen de EU en Turkije van 25 juli 2017,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 26 oktober 2017 over lopende mensenrechtenzaken in Turkije,

–  gezien de verklaring van vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini en commissaris Johannes Hahn van 2 februari 2018 over de meest recente ontwikkelingen in Turkije,

–  gezien het recht van vrije meningsuiting, dat is verankerd in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij Turkije partij is,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Turkije een belangrijke partner van de EU is en dat van Turkije als kandidaat-land verwacht wordt dat het de strengste democratische normen naleeft, met inbegrip van de eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat, de fundamentele vrijheden en het universele recht op een eerlijk proces;

B.  overwegende dat er in Turkije een zorgwekkend patroon is ontstaan met de gevangenneming van een groot aantal leden van de democratische oppositie, journalisten, mensenrechtenactivisten, advocaten, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en academici;

C.  overwegende dat tot de vervolgde mensenrechtenactivisten de voorzitter van Amnesty International in Turkije, Taner Kılıç, en de 10 van Istanbul (Idil Eser, Özlem Dalkıran, Günal Kurşun, Veli Acu, Ali Gharavi, Peter Steudtner, İlknur Üstün, Şeyhmus Özbekli, Nejat Taştan en Nalan Erkem) behoren;

D.  overwegende dat de recente aanhouding van de vredesactivist Osman Kavala, die pleit voor goede betrekkingen tussen de EU en Turkije, het laatste in een reeks zorgwekkende gevallen is;

E.  overwegende dat Leyla Zana, lid van het Turkse parlement en winnares van de Sacharov-prijs in 1995, via een stemming in het Turkse parlement helaas haar rechten als parlementslid zijn ontnomen, omdat ze haar parlementaire eed niet overeenkomstig artikel 81 van de grondwet zou hebben afgelegd en sinds haar verkiezing in november 2015 212 vergaderingen niet zou hebben bijgewoond;

F.  overwegende dat covoorzitter Selahattin Demirtaş van de Democratische Partij der Volkeren (HDP), die samen met HDP-covoorzitter Figen Yüksekdağ vastzit, om veiligheidsredenen niet voor de rechter mocht verschijnen;

G.  overwegende dat de journalist Deniz Yücel (Die Welt) sinds 27 februari 2017 zonder aanklacht in de gevangenis zit;

H.  overwegende dat het Turkse parlement op 18 januari 2018 de noodtoestand in Turkije met nog eens drie maanden heeft verlengd; overwegende dat de repressieve maatregelen die de Turkse regering in het kader van de noodtoestand neemt, onevenredig zijn en indruisen tegen de fundamentele rechten en vrijheden die door de Turkse grondwet worden beschermd, de democratische waarden waarop de Europese Unie is gegrondvest, en het IVBPR;

I.  overwegende dat, gezien de situatie in Turkije met betrekking tot de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de persvrijheid, de pretoetredingssteun voor Turkije met 105 miljoen EUR is verlaagd ten opzichte van het aanvankelijke voorstel van de Commissie voor de EU-begroting 2018, terwijl nog eens 70 miljoen EUR in reserve wordt gehouden totdat het land op deze gebieden "meetbare voldoende vorderingen" maakt;

J.  overwegende dat de Europese Unie en het Europees Parlement de mislukte militaire staatsgreep in Turkije krachtig hebben veroordeeld en hebben erkend dat de Turkse autoriteiten de legitieme verantwoordelijkheid hebben om degenen die verantwoordelijk waren voor en betrokken waren bij deze couppoging, strafrechtelijk te vervolgen;

K.  overwegende dat Turkije op 19 januari in Afrin in Syrië onder de naam "Operatie olijftak" een nieuw lucht- en grondoffensief is gestart om de Koerdische Volksbeschermingseenheden (YPG) te verdrijven; overwegende dat de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid zich bezorgd heeft getoond, met name om twee redenen: "enerzijds is er het humanitaire aspect - we moeten ervoor zorgen dat de toegang voor humanitaire hulp gegarandeerd is en dat de burgerbevolking niet lijdt onder militaire activiteiten van bodemtroepen", en de operatie "kan een ernstig obstakel vormen voor de hervatting van het overleg in Genève, dat volgens ons werkelijk kan leiden tot duurzame vrede en veiligheid voor Syrië";

1.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de mensenrechtensituatie in Turkije; onderstreept dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering en vereniging fundamentele pijlers van een democratische samenleving zijn en dat fundamentele vrijheden onverkort moeten worden geëerbiedigd;

2.  veroordeelt het gebruik van willekeurige detentie en juridische en administratieve intimidatie; roept de Turkse regering op voor een kentering te zorgen in de trend van aanhoudende ontslagen, schorsingen en arrestaties, o.a. van mensenrechtenactivisten, journalisten, gekozen vertegenwoordigers, advocaten, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en academici; benadrukt dat deze personen hun rechtmatige activiteiten moeten kunnen uitvoeren;

3.  is ernstig verontrust over berichten van mishandeling en marteling van gevangenen;

4.  dringt er bij de Turkse regering op aan de noodtoestand onmiddellijk op te heffen;

5.  dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens te eerbiedigen, met inbegrip van het beginsel van het vermoeden van onschuld;

6.  is ernstig verontrust over het besluit om de uitspraak van het Turkse grondwettelijke hof over de vrijlating van de journalisten Mehmet Altan en Sahin Alpay te negeren; merkt op dat hiermee verder afbreuk wordt gedaan aan de rechtsstaat;

7.  veroordeelt de couppoging in Turkije op 15 juli 2016 scherp; erkent dat de Turkse regering het recht en de verantwoordelijkheid heeft om op de couppoging te reageren;

8.  benadrukt echter dat de mislukte militaire staatsgreep niet door de Turkse regering mag worden gebruikt als excuus om de legitieme en vreedzame oppositie te muilkorven en journalisten en de media door middel van onevenredige en onwettige acties en maatregelen te belemmeren in de vreedzame uitoefening van hun recht op vrije meningsuiting;

9.  verzoekt de Turkse autoriteiten om de onmiddellijke vrijlating en beëindiging van de vervolging van mensenrechtenactivisten, onder wie Taner Kılıç, journalisten, onder wie Deniz Yücel, gekozen vertegenwoordigers, advocaten, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, onder wie Osman Kavala, en academici die worden vastgehouden zonder dwingend bewijs van criminele activiteiten; verzoekt de Turkse autoriteiten de mensenrechtenactivisten Idil Eser, Özlem Dalkıran, Günal Kurşun, Veli Acu, Ali Gharavi, Peter Steudtner, İlknur Üstün, Şeyhmus Özbekli, Nejat Taştan en Nalan Erkem vrij te spreken;

10.  maakt zich ernstige zorgen over het gebrek aan respect voor de vrijheid van godsdienst en de toegenomen discriminatie van christenen; betreurt het voornemen van de Turkse regering om in de bovenloop van de Tigris de zogeheten "Ilisidam" aan te leggen, waardoor de oorspronkelijk christelijke Aramese stad Hasankeyf onder water zal komen te staan; veroordeelt de confiscatie van 50 Aramese kerken, kloosters en begraafplaatsen in Mardin; verzoekt de Commissie deze kwesties met spoed aan de orde te stellen bij de Turkse autoriteiten;

11.  stelt met bezorgdheid vast dat een kwart van de rechters en officieren van justitie, een tiende van de politiefunctionarissen, 110 000 ambtenaren en bijna 5 000 academici sinds juli 2016 zijn ontslagen, waardoor het bestuursapparaat, de dagelijkse dienstverlening aan de burgers en de universiteiten in hun functioneren worden belemmerd;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, alsmede aan de regering en het parlement van Turkije.

Laatst bijgewerkt op: 7 februari 2018Juridische mededeling - Privacybeleid