Procedure : 2018/2626(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0144/2018

Ingediende teksten :

B8-0144/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/03/2018 - 10.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0090

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 289kWORD 59k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0139/2018
12.3.2018
PE616.090v01-00
 
B8-0144/2018

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Syrië (2018/2626(RSP))


Marietje Schaake, Beatriz Becerra Basterrechea, Izaskun Bilbao Barandica, Gérard Deprez, Marian Harkin, Ivan Jakovčić, Ilhan Kyuchyuk, Louis Michel, Urmas Paet, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Jozo Radoš, Frédérique Ries, Pavel Telička, Ivo Vajgl, Hilde Vautmans, Cecilia Wikström namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Syrië (2018/2626(RSP))  
B8‑0144/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Syrië, en met name die van 18 mei 2017 over de EU-strategie voor Syrië(1),

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de Verdragen van Genève van 1949,

  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), met name die van 23 februari 2018 over het bloedbad in de wijk Oost-Ghouta, alsook naar haar opmerkingen bij aankomst op de zitting van de Raad Buitenlandse Zaken van 26 februari 2018,

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van 20 februari 2018 van VV/HV Mogherini en commissaris Stylianides over de humanitaire situatie in Oost-Ghouta en Idlib, Syrië, en van 6 maart 2018 over de situatie in Oost-Ghouta en elders in Syrië,

–  gezien Besluit 2011/273/GBVB van de Raad van 9 mei 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië(2), en de conclusies van de Raad van 26 februari 2018 over de toevoeging van twee nieuwe ministers aan de sanctielijst,

  gezien de gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2017 getiteld "Elementen voor een EU-strategie voor Syrië" (JOIN(2017)0011) en de conclusies van de Raad over Syrië van 3 april 2017, die samen de nieuwe EU-strategie voor Syrië vormen,

–  gezien de verklaring van de covoorzitters van de conferentie over steun voor de toekomst van Syrië en de regio van 5 april 2017,

–  gezien de verklaringen van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Zeid Ra'ad Al Hussein, in de Mensenrechtenraad in Genève over de situatie in Syrië, met name die van 26 februari 2018 en van 2 maart 2018, en zijn mondelinge update over de activiteiten van zijn Bureau en recente ontwikkelingen op het gebied van de mensenrechten van 7 maart 2018,

–  gezien de resoluties over deze kwestie van de VN-Veiligheidsraad, met name resolutie 2401 (2018) over een staking van de vijandelijkheden in Syrië van 30 dagen om humanitairehulpverlening mogelijk te maken,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 5 maart 2018 over de verslechterende situatie van de mensenrechten in Oost-Ghouta,

–  gezien resolutie A-71/248 van de Algemene Vergadering van de VN van 21 december 2016 over een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme ter ondersteuning van het onderzoek naar en de vervolging van de personen die, uit hoofde van internationale wetgeving, verantwoordelijk zijn voor de ernstigste misdrijven die sinds maart 2011 in de Arabische Republiek Syrië zijn gepleegd,

–  gezien het Statuut van Rome en de oprichtingsdocumenten van het Internationaal Gerechtshof, en ad-hoctribunalen, zoals het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië, het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda en het Speciale Tribunaal voor Libanon,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

 

A.  overwegende dat de situatie in Syrië een buitengewone humanitaire ramp is en blijft verslechteren doordat het geweld en de aanvallen voortduren; overwegende dat 13 miljoen mensen geregistreerd staan als personen die behoefte hebben aan een vorm van humanitaire hulp, van wie 6 miljoen kinderen; overwegende dat 6,1 miljoen mensen intern ontheemd zijn en dat meer dan 5 miljoen geregistreerde Syrische vluchtelingen zijn die verblijven in naburige regio's; overwegende dat in totaal 400 000 Syrische levens verloren zijn tijdens het conflict;

B.  overwegende dat 3 miljoen burgers wonen in belegerde gebieden (met in 2017 de meeste burgerslachtoffers in Raqqa en Deir al-Zour); overwegende dat in het noordoosten van Syrië medische en civiele infrastructuur het doelwit zijn, waardoor 300 000 burgers hun toevlucht moeten zoeken in Idlib;

C.  overwegende dat de EU en haar lidstaten sinds het uitbreken van de oorlog meer dan 10,4 miljard EUR hebben besteed aan hulp in de Syrische crisis, zowel intern als extern, in de omliggende regio, waarmee de EU de grootste donor is; overwegende dat de EU de buurlanden, waar vluchtelingen worden opgevangen, ook met aanzienlijke middelen heeft ondersteund en uitgebreid heeft geprezen;

D.  overwegende dat de gevechten in Syrië voortduren en dat het militaire offensief en de bombardementen door het Syrische bewind tegen zijn eigen burgers, met de steun van Rusland en Iran, in Oost-Ghouta en Idlib voortduren, met tientallen doden onder de burgerbevolking als gevolg; overwegende dat herhaaldelijk uiting is gegeven aan extreme bezorgdheid met betrekking tot de humanitaire situatie in Syrië, en met name in Oost-Ghouta, doordat de omstandigheden de afgelopen weken aanzienlijk zijn verslechterd, met hulpkonvooien die worden aangevallen en die belet wordt de personen die hulp nodig hebben, te bereiken; overwegende dat de aanwezigheid van terroristische groeperingen als Jabhat Al Nusra (aangesloten bij Al Qaida) en andere terroristische organisaties in Oost-Ghouta welbekend en gedocumenteerd is; overwegende dat deze aanvallen en het gebruik van uithongering van burgers door de belegering van bewoonde gebieden als oorlogstactiek duidelijke schendingen zijn van het internationaal humanitair recht;

E.  overwegende dat veel belegerde gebieden voordien waren aangewezen als veilige gebieden voor mensen die onder dwang ontheemd waren en die gevlucht waren uit andere gebieden in Syrië;

F.  overwegende dat de inbreuken die tijdens het conflict in Syrië gepleegd zijn door het regime van Assad en zijn bondgenoten en door terroristische groepen, onder andere bestaan in willekeurige aanvallen en aanvallen met chemische wapens op burgers, wederrechtelijk doden, foltering en mishandeling, gedwongen verdwijningen, massale en willekeurige arrestaties, collectieve straffen, aanvallen op medisch personeel en het ontzeggen van voedsel, water en medische hulp;

G.  overwegende dat, sinds Turkije op 20 januari 2018 de operatie Olijftak is gestart tegen de Koerdische troepen van de YPG en de YPJ in het Koerdische Afrin-district in het noordwesten van de provincie Aleppo, tienduizenden mensen ontheemd zijn en de humanitaire situatie snel verslechterd is; overwegende dat mensenrechtengroeperingen oorlogsmisdaden hebben gedocumenteerd die begaan zijn door het Turkse leger en de Turkse luchtmacht, alsmede ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en de Verdragen van Genève; overwegende dat duizenden burgers het doelwit zijn van willekeurige bombardementen en dat uit verslagen blijkt dat Turkse troepen en met hen geallieerde gewapende groeperingen van Syrische islamisten gebruik maken van niet-conventionele wapens;

H.  overwegende dat ISIS/Da'esh en andere jihadistische bewegingen zich schuldig hebben gemaakt aan gruweldaden en ernstige schendingen van het internationale recht, inclusief brutale executies en seksueel geweld, ontvoeringen, folteringen, gedwongen bekeringen en slavernij van vrouwen en meisjes; overwegende dat kinderen worden gerekruteerd en gebruikt bij terroristische activiteiten; overwegende dat er ernstige bezorgdheid bestaat over het gebruik van burgers als menselijk schild in gebieden die in handen zijn van extremisten; overwegende dat deze misdaden neerkomen op oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide;

I.  overwegende dat de VN-Veiligheidsraad er uiteindelijk in geslaagd is een resolutie goed te keuren over de situatie in Syrië, namelijk resolutie 2401, waarin wordt opgeroepen tot de onverwijlde stopzetting van de vijandelijkheden voor één maand, om dringende humanitaire toegang en medische evacuaties mogelijk te maken; overwegende dat Rusland de laatste jaren tegen 11 resoluties van de VN-Veiligheidsraad zijn veto heeft uitgesproken en een actieve rol heeft gespeeld om de inhoud van de resoluties te beperken;

J.  overwegende dat het staakt-het-vuren in Oost-Ghouta dat is afgekondigd in resolutie 2401 van de VN-Veiligheidsraad, niet is uitgevoerd door het Syrische regime en de Russische en Iraanse strijdkrachten, ondanks herhaaldelijke oproepen van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad, andere leden van de raad, de secretaris-generaal van de VN en andere internationale spelers, waaronder de EU; overwegende dat het leger op verschillende fronten vooruitgang heeft geboekt en de controle heeft overgenomen over dorpen en landbouwbedrijven bij een aanval aan de oostkant van de enclave; overwegende dat het leger gebruik maakt van de "bevrijding" van de regio als voorwendsel om burgers aan te vallen;

K.  overwegende dat Oost-Ghouta belegerd is door het Syrische regime en zijn bondgenoten gedurende 5 jaar, waarbij de burgerbevolking is blootgesteld aan luchtbombardementen, beschietingen en het gebruik van chemische wapens, met meldingen van het gebruik van toxische gassen die de oorzaak zijn van honderden doden in het gebied; overwegende dat de bevolking van Oost-Ghouta afgesneden is van elke vorm van steun door een blokkade sinds 14 februari 2018, toen één konvooi slechts 7 200 van de 400 000 mensen bereikte die in het gebied wonen; overwegende dat steun voor humanitaire hulp nu meer dan ooit een primaire zorg is, die geleid heeft tot één klein positief resultaat, toen een hulpkonvooi van de VN er eindelijk in slaagde Douma binnen te rijden op 5 maart, waardoor het 27 500 mensen bereikte die behoefte hebben aan voedsel en medische benodigdheden;

L.  overwegende dat deze hulp geenszins iedereen in Ghouta bereikt die hulp nodig heeft, doordat het grootste deel van de bevolking ondergronds schuilt, met geen of beperkte toegang tot basisvoorzieningen, water en sanitaire voorzieningen; overwegende dat het regime van Assad en zijn bondgenoten actief de levering en verdeling blijven blokkeren van essentiële medische en humanitaire hulpgoederen en voedsel door de VN, de EU, ngo's en lokale actoren in heel Syrië;

M.  overwegende dat verdere verslagen over de situatie in Oost-Ghouta aangeven dat de afgelopen weken doelbewust ononderbroken luchtaanvallen zijn uitgevoerd op ziekenhuizen, scholen en markten, plaatsen dus waar hoofdzakelijk onschuldige burgers komen; overwegende dat het team van de speciale gezant heeft verklaard dat tussen 18 en 22 februari 2018 in totaal 14 ziekenhuizen, 3 gezondheidscentra en 2 ziekenwagens zijn aangevallen; overwegende dat slechts enkele dagen later, op 25 februari, in verslagen over Shifouniya gemeld werd dat diverse burgers, onder wie kinderen, ademhalingsproblemen vertoonden als gevolg van blootstelling aan giftige stoffen; overwegende dat een interactieve dialoog in de VN-Veiligheidsraad met de directeur-generaal van de Organisatie voor het verbod van chemische wapens en adjunct-secretaris-generaal van de VN Izumi Nakamitsu gepland is voor 20 maart;

N.  overwegende dat het regime van Assad de tactiek van gedwongen verplaatsing hanteert om de sektarische samenstelling van steden, gemeenten en regio's te veranderen en een demografische verandering teweeg te brengen; overwegende dat deze tactiek gehanteerd is in steden als Darayya en Muadamiyat al-Sham buiten Damascus en in de wijk al-Waer in de stad Homs;

O.  overwegende dat de EU op 26 februari 2018 twee nieuwe ministers heeft toegevoegd aan de sanctielijst, de minister van Informatie en de minister van Industrie, wegens het toenemende aantal schendingen van de mensenrechten in Syrië; overwegende dat het hoofd van het Syrische bureau van nationale veiligheid, Ali Mamlouk, die is opgenomen in de sanctielijst van de EU, naar verluidt een ontmoeting heeft gehad met de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken en de directeur van het Italiaanse agentschap voor Voorlichting en externe veiligheid in Rome, een flagrante schending van Besluit 2011/273/GBVB van de Raad;

P.  overwegende dat het VK in april 2017 in het kader van de G7 heeft voorgesteld bijkomende sancties op te leggen aan Rusland naar aanleiding van de dodelijke chemische aanval in Khan Sheikhoun; overwegende dat tegen dit voorstel een veto is uitgesproken door Italië;

Q.  dat het de plicht is van de internationale gemeenschap en de afzonderlijke landen om degenen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van de internationale mensenrechten en het humanitair recht tijdens het conflict in Syrië, ter verantwoording te roepen, onder meer via de toepassing van het beginsel van universele jurisdictie, alsmede van de nationale wetgeving; overwegende dat dit zowel kan worden gedaan op basis van bestaande nationale en internationale rechtsmiddelen, waaronder nationale rechtbanken en internationale tribunalen, als op basis van nog op te richten internationale gelegenheidstribunalen; overwegende dat niet alleen personen strafrechtelijk ter verantwoording kunnen worden geroepen, maar dat landen onder bepaalde voorwaarden ook kunnen worden vervolgd wegens niet-nakoming van verplichtingen uit hoofde van internationale verdragen en overeenkomsten waarover het Internationaal Gerechtshof rechtsmacht heeft, waaronder het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984 en het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide van 1948;

R.  overwegende dat de internationale gemeenschap onvoldoende steun heeft verleend aan de democratische en seculiere oppositie; overwegende dat in de huidige situatie de democratische en seculiere oppositie verzwakt is en de burgers gevangen zitten tussen jihadistische terroristen en islamitische fundamentalisten aan de ene kant en aanhangers van het regime van Assad aan de andere;

S.  overwegende dat de EU meermaals heeft verklaard dat er geen militaire oplossing kan zijn voor het conflict in Syrië en dat alleen een door Syriërs geleide, inclusieve transitie onder toezicht van de VN een einde kan stellen aan het onaanvaardbare lijden van de Syrische bevolking; overwegende dat militaire operaties in de praktijk de oorlog in Syrië hebben bepaald en ertoe hebben geleid dat externe actoren, waaronder Rusland, Iran en Turkije, de wet stellen op het terrein; overwegende dat de onderhandelingen in het kader van Genève ook na de 9e gespreksronde van 25 en 26 januari 2018 in Wenen niet hebben geleid tot concrete vooruitgang in de richting van een vreedzame oplossing voor de crisis in Syrië; overwegende dat Rusland, Iran en Turkije op 4 mei 2017 in Kazachstan een overeenkomst hebben bereikt over de instelling van vier de-escalatiezones, die niet geëerbiedigd zijn en niet beschermd zijn door de garanderende partijen; overwegende dat het Syrische Congres voor een nationale dialoog, dat op 30 januari 2018 in Sochi plaatsvond, de oprichting van een constitutioneel comité heeft aangekondigd, dat niet door alle partijen is aanvaard;

T.  overwegende dat de tweede ministerconferentie over het thema "Supporting the Future of Syria and the Region", die zal plaatsvinden op 24 en 25 april 2018, zal worden georganiseerd onder het co-voorzitterschap van de HV/VV en de VN; overwegende dat de conferentie er net als vorig jaar naar zal streven om de aandacht van de internationale gemeenschap op Syrië gevestigd te houden, door alle kritieke kwesties (humanitaire, financiële en politieke) in verband met de crisis in het land en in de regio (Libanon, Jordanië en Turkije) aan bod te laten komen; overwegende dat de steun en de inzet van de internationale gemeenschap essentieel blijven om een vreedzame toekomst in Syrië en de regio te realiseren;

U.  overwegende dat de EU lovenswaardige inspanningen levert als het aankomt op het verlenen van humanitaire hulp en het uitstippelen van een toekomst voor Syrië; overwegende dat de EU nooit onvoorwaardelijke steun mag verlenen aan de wederopbouw van een Syrië dat wordt bestuurd en gecontroleerd door Assad en zijn bondgenoten Rusland en Iran; overwegende dat niet mag worden toegestaan dat Assad, Iran en het Rusland van Poetin hun ogen sluiten voor de economische gevolgen van hun militaire interventies; overwegende dat alle inspanningen op het gebied van wederopbouw gericht moeten zijn op vrede en aflegging van verantwoording;

V.  overwegende dat bij de wederopbouw van Syrië een bottom-upbenadering moet worden gevolgd en dat ervoor moet worden gezorgd dat lokale actoren, met uitzondering van bekende terroristische groeperingen, hun lot in eigen handen nemen;

1.  betreurt ten zeerste dramatisch verslechterende situatie in Syrië, die het rechtstreekse gevolg is van het lopende offensief en de voortdurende acties die worden uitgevoerd door het Syrische regime en zijn bondgenoten Rusland en Iran, en die al geleid heeft tot meer dan 400 000 doden, 6,1 miljoen ontheemden binnen Syrië en 5 miljoen vluchtelingen; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het toenemende geweld in vele delen van het land, bijvoorbeeld in Oost-Ghouta, Afrin en Idlib;

2.  veroordeelt in de krachtigste bewoordingen het niet-aflatende geweld in Oost-Ghouta, ondanks de unanieme goedkeuring van resolutie 2401 van de VN-Veiligheidsraad, en doet een dringend beroep aan alle partijen, en met name aan het regime van Assad en aan Rusland en Iran, om deze resolutie snel en volledig uit te voeren en na te leven; herinnert de regimes van Syrië, Rusland en Iran eraan dat zij krachtens internationaal recht verantwoordelijk zijn voor de gruwelijke misdrijven waar zij zich in Syrië schuldig aan blijven maken, en dat degenen die deze misdrijven plegen, of het nu gaat om staten of om individuen, ter verantwoording zullen worden geroepen; betreurt het feit dat Rusland zijn veto heeft uitgesproken tegen alle resoluties van de VN-Veiligheidsraad waarin de aanvallen worden veroordeeld en wordt opgeroepen tot een onderzoek;

3.  is ingenomen met het feit dat een hulpkonvooi van de VN Douma in Oost-Ghouta heeft kunnen bereiken op 5 maart 2018, voor het eerst in vier maanden, maar benadrukt dat deze sporadische en beperkte toegang niet voldoende is; verzoekt het Syrische regime en zijn bondgenoten het geweld in Oost-Ghouta en elders in Syrië onmiddellijk te beëindigen, de belegeringen stop te zetten en een einde te maken aan de opzettelijk buitensporige, disproportionele en willekeurige bombardementen en chemische aanvallen op burgers, met inbegrip van kinderen, konvooien met geëvacueerden, hulpverleners en medisch personeel en op civiele infrastructuur zoals scholen en ziekenhuizen;

4.  steunt ten volle de oproep in resolutie 2401 van de VN-Veiligheidsraad dat alle partijen bij het conflict de vijandelijkheden onverwijld staken voor minstens 30 opeenvolgende dagen; herhaalt de oproep aan alle partijen, in het bijzonder de Syrische autoriteiten, zich te houden aan hun verantwoordelijkheid om de Syrische bevolking te beschermen en onmiddellijk een einde te maken aan alle aanvallen op burgers in Syrië; verzoekt de garantiegevers van het staakt-het-vuren in de de-escalatiezones om hun verantwoordelijkheid nu ook volledig op zich te nemen, teneinde een einde te maken aan het geweld en de misdrijven die zijn gepleegd en onbelemmerde toegang tot deze zones te verlenen en te garanderen;

5.  veroordeelt eens te meer en in de meest krachtige bewoordingen de wreedheden en de grootschalige schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht tijdens het conflict, met name de daden die zijn gepleegd door de troepen van het regime van Assad, on der meer met de steun van zijn bondgenoten Rusland en Iran, alsmede door Turkije en door niet-statelijke gewapende groeperingen, in het bijzonder ISIS/Da'esh en Jabhat Fateh al-Sham; benadrukt zijn standpunt dat al degenen die verantwoordelijk zijn voor inbreuken op het internationaal recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten ter verantwoording moeten worden geroepen; herhaalt dat krachtens het beginsel van universele jurisdictie, een nationale rechter individuen kan vervolgen wegens alle ernstige misdrijven die schending inhouden van het internationaal recht; is ingenomen met de stappen die door een aantal lidstaten krachtens dit beginsel zijn genomen en moedigt alle andere lidstaten ertoe aan hetzelfde te doen; juicht daarnaast de initiatieven van de lidstaten toe om individuen ter verantwoording te roepen op grond van hun nationale wetgeving; moedigt alle lidstaten ertoe aan om ernstige schendingen van het internationaal recht strafbaar te stellen op grond van hun nationale wetgeving; verzoekt de lidstaten de Syrische staat voor het Internationaal Gerechtshof te dagen wegens schending van het Verdrag tegen foltering, waarbij het land partij is, met het oog op de vaststelling van aansprakelijkheid van de staat als indirect middel voor de vaststelling door de rechter van individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid in een later stadium; betreurt de voortdurende belemmering van de pogingen om de situatie in Syrië voor het Internationaal Strafhof te brengen; herhaalt zijn verzoek aan de EU en de lidstaten om, in nauwe samenwerking met gelijkgestemde landen, de oprichting te overwegen van een tribunaal voor oorlogsmisdaden in Syrië;

6.  is er onverminderd van overtuigd dat er geen sprake zal zijn van effectieve conflictoplossing, noch van duurzame vrede in Syrië indien de plegers van misdaden niet ter verantwoording worden geroepen; steunt het werk van de door de VN opgerichte onafhankelijke internationale onderzoekscommissie, die grondige onafhankelijke onderzoeken voert naar in Syrië begane schendingen, met inbegrip van het gebruik van chemische wapens; is ingenomen met de instelling van een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme ter ondersteuning van het onderzoek naar en de vervolging van de personen die, uit hoofde van internationale wetgeving, verantwoordelijk zijn voor de ernstigste misdrijven die sinds maart 2011 in de Arabische Republiek Syrië zijn gepleegd; betreurt het feit dat dit mechanisme nog altijd niet volledig gefinancierd is; vraagt alle lidstaten om hun toezeggingen in verband hiermee na te komen; is van mening dat de EU ook een grotere rechtstreekse bijdrage aan het mechanisme moet leveren;

7.  onderstreept de kritieke rol die gespeeld wordt door ngo's en plaatselijke en internationale organisaties uit het maatschappelijk middenveld op het gebied van het documenteren van schendingen van de mensenrechten en het verzamelen van bewijsmateriaal van oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en andere misdrijven, met inbegrip van de vernietiging van cultureel erfgoed, inclusief met digitale middelen; verzoekt de EU actief naar deze organisaties op zoek te gaan en ze adequaat te financieren;

8.  looft de inspanningen van de humanitaire hulpverleners die trachten broodnodige verzorging, voedsel, water en medicijnen tot bij de slachtoffers van het conflict te brengen, en roept alle bij het conflict betrokken partijen nogmaals op om de veilige en ongehinderde toegang van humanitaire organisaties tot de burgerslachtoffers van de oorlog te verzekeren; betreurt de diverse gevallen van seksueel misbruik en wangedrag die zich hebben voorgedaan binnen internationale hulporganisaties, waaronder de seksuele uitbuiting van Syrische vluchtelingen door instanties die namens de VN en bekende internationale organisaties hulp leveren;

9.  herbevestigt het primaat van het door de VN geleide proces van Genève en steunt de inspanningen van de speciale gezant van de VN voor Syrië, Staffan de Mistura, om te komen tot een reële en inclusieve politieke overgang, overeenkomstig resolutie 2254 van de VN-Veiligheidsraad, waarover is onderhandeld door alle partijen in Syrië en met de steun van belangrijke internationale en regionale actoren; benadrukt het feit dat een politieke oplossing voor het conflict moet worden gevonden;

10.  roept de VV/HV op alles in het werk te stellen om de vredesbesprekingen, waarbij de VN als bemiddelaar optreedt, nieuw leven in te blazen en een actievere rol in de onderhandelingen af te dwingen, daarbij gebruikmakend van de financiële capaciteit van de EU en haar bereidheid om een aanzienlijke bijdrage te leveren aan de wederopbouw van Syrië; dringt er bij de VV/HV op aan het Syrische maatschappelijk middenveld en al wie voorstander is van een democratisch, pluralistisch en inclusief Syrië, nauwer bij de zaak te betrekken en actiever te steunen in het lader van haar inspanningen voor de toekomst van het Syrische volk, te beginnen met de tweede conferentie van Brussel op 24 en 25 april 2018; moedigt de VV/HV aan om samen met de Syrische bevolking lokale wederopbouwstrategieën uit te werken voor de diverse gebieden in Syrië; benadrukt dat de EU zich, in samenwerking met haar internationale partners, op alle mogelijkheden moet beraden, en onder meer de afwerping van hulpgoederen en de instelling van no-flyzones moet overwegen;

11.  is ingenomen met de organisatie door de EU van de tweede conferentie van Brussel om de volledige politieke en economische steun te tonen en in de praktijk te brengen van de internationale gemeenschap voor het proces van Genève ten behoeve van Syriërs in nood en de landen die Syrische vluchtelingen opvangen; waarschuwt voor het starten van acties voor wederopbouw vóór er sprake is van een via onderhandelingen in het kader van de VN gesloten politieke overeenkomst tussen alle partijen; verzoekt de VV/HV om maatschappelijke organisaties nauwer bij deze conferentie te betrekken;

12.  benadrukt het feit dat het van fundamenteel belang is kinderen te beschermen en prioriteit te geven aan hun toegang tot onderwijs, inclusief vluchtelingenkinderen in de buurlanden, alsmede de psychologische rehabilitatie van deze getraumatiseerde kinderen te ondersteunen; roept de internationale gemeenschap op haar onvervulde beloften van humanitaire hulp in Syrië en zijn buurlanden gestand te doen;

13.  verzoekt de lidstaten zich krachtiger in te zetten voor een verdeling van de lasten, door personen die de oorlogsgebieden in Syrië ontvluchten, bescherming te bieden buiten de directe omliggende regio, onder meer door regelingen op het gebied van hervestiging en toelating om humanitaire redenen, en verzoekt hen een en ander in de praktijk te brengen; is bezorgd door de toenemende vluchtelingvijandige stemming in de buurlanden van Syrië; herhaalt dat geen vluchtelingen mogen worden teruggestuurd naar Syrië tegen hun wil of in het kader van transacties met de strijdende partijen;

14.  is ingenomen met de recentste herziening van de beperkende maatregelen van de EU tegen Syrië, waarbij twee individuen zijn toegevoegd aan de lijst van personen die medeverantwoordelijk zijn voor de onderdrukking van de burgerbevolking in het land; spreekt zijn bezorgdheid uit over het recente bezoek waarvan melding is gemaakt van het hoofd van het Syrische bureau van nationale veiligheid aan Rome voor het voeren van zogeheten veiligheidsgesprekken met de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken en de directeur van het Italiaanse agentschap voor informatie en buitenlandse veiligheid, een flagrante schending van de sanctielijst van de EU; verzoekt de Italiaanse autoriteiten en de VV/HV dit bezoek in de krachtigste bewoordingen te veroordelen; verzoekt de VV/HV onmiddellijk een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waarin deze situatie kan zijn ontstaan; verzoekt alle lidstaten Besluit 2011/273/GBVB van de Raad na te leven; dringt erop aan dat aanvullende sancties worden opgelegd aan Rusland en Iran na hun doelgerichte en weloverwogen acties tegen de burgerbevolking in Oost-Ghouta, alsmede elders in Syrië;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Verenigde Naties, de leden van de Internationale Steungroep voor Syrië en alle partijen die betrokken zijn bij het conflict, en ook te zorgen voor vertaling van deze tekst in het Arabisch.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0227.

(2)

PB L 121 van 10.5.2011, blz. 11.

Laatst bijgewerkt op: 14 maart 2018Juridische mededeling - Privacybeleid