Procedure : 2018/2633(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0153/2018

Ingediende teksten :

B8-0153/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/03/2018 - 10.14
CRE 15/03/2018 - 10.14

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 194kWORD 58k
12.3.2018
PE616.099v01-00
 
B8-0153/2018

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) (2018/2633(RSP))


Daniele Viotti, Sergio Gaetano Cofferati, Patrizia Toia, Agnes Jongerius, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Udo Bullmann, Josef Weidenholzer namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) (2018/2633(RSP))  
B8‑0153/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 6 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 6, 9, 145 tot met 161, 173 en 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 12, 14, 15, 21, 23 en 26, en titel IV van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Sociaal Handvest,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens (1948) en andere VN-instrumenten over de mensenrechten, met name het Verdrag over de burgerlijke en politieke rechten (1966), het Verdrag over de economische, sociale en culturele rechten (1966), het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (1965), alsmede het Verdrag betreffende afschaffing van alle vormen van discriminatie van de vrouw (1979), het Verdrag inzake de rechten van het kind (1989), het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van migrerende werknemers en hun gezinsleden (1990) en het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (2006),

–  gezien de Tripartiete Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) over beginselen inzake multinationale ondernemingen en sociaal beleid, de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, en de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen,

–  gezien de verdragen van de IAO tot vaststelling van universele fundamentele arbeidsnormen betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid (nr. 29 en nr. 105 (1957)), de vrijheid van vereniging en het recht op collectieve onderhandelingen (nr. 87 (1948) en nr. 98 (1949)), de afschaffing van kinderarbeid (nr. 138 (1973) en nr. 182 (1999)), en non-discriminatie op het werk (nr. 100 (1951) en nr. 111 (1958)),

–  gezien eveneens de verdragen van de IAO betreffende arbeidsvoorwaarden (overheidscontracten) (nr. 94) en betreffende collectieve onderhandelingen (nr. 154),

–  gezien Richtlijn 2014/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen(1),

–  gezien Richtlijn (EU) 2017/828 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober 2011 getiteld "Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen" (COM(2011)0681),

–  gezien zijn resoluties van 13 maart 2007 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: een nieuw partnerschap(3), van 6 februari 2013 over verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei(4), en over maatschappelijk verantwoord ondernemen: het bevorderen van de belangen in de samenleving en de weg naar duurzaam en inclusief herstel(5),

–  gezien zijn resoluties van 25 november 2010 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(6), van 8 juni 2011 over de externe dimensie van sociaal beleid, waarin wordt geijverd voor arbeidsnormen en sociale normen en maatschappelijk verantwoord ondernemen in Europa(7) en van 5 juli 2016 over de uitvoering van de aanbevelingen van 2010 van het Parlement over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen(8),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende informatie voor en raadpleging van werknemers, anticipatie en beheer van herstructurering(9),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2016 over sociale dumping in de Europese Unie(10), van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(11), en van 4 juli 2017 over arbeidsomstandigheden en onzeker werk(12),

–  gezien zijn resolutie van 5 oktober 2016 over de behoefte aan een Europees herindustrialiseringsbeleid in het licht van de recente Caterpillar- en Alstom-zaken(13), en van 5 juli 2017 over het ontwikkelen van een ambitieuze industriestrategie van de EU als strategische prioriteit voor groei, banen en innovatie in Europa(14),

–  gezien zijn resoluties van 25 november 2015(15) en van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(16), en zijn aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie naar aanleiding van het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking(17),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat maatschappelijk verantwoord ondernemen de verantwoordelijkheid van bedrijven betreft voor het effect dat ze op de samenleving hebben, een breed scala van gebieden omvat, en gebaseerd is op transparantie, een langetermijnvisie en een positieve dialoog met alle belanghebbenden, in het bijzonder de werknemers; overwegende dat het noodzakelijk is de betrokkenheid van de Europese instellingen en van de lidstaten bij de bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen te vergroten met wetgevende en niet-wetgevende maatregelen;

B.  overwegende dat het actieplan van de Europese Unie inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen in 2014 afliep en nog niet is vernieuwd;

C.  overwegende dat de Europese industrie wereldleider is in tal van industriële sectoren, goed is voor meer dan de helft van de uitvoer van Europa, ongeveer 65 % van de investeringen in onderzoek en ontwikkeling en meer dan 50 miljoen arbeidsplaatsen (zowel direct als indirect, in totaal 20 % van alle banen in de Unie); overwegende dat de bijdrage van de Europese maakindustrie aan het bbp van EU de afgelopen 20 jaar echter is geslonken van 19 % tot minder dan 15,5 %, terwijl ook haar bijdrage aan banen en investeringen in onderzoek en ontwikkeling is afgenomen; overwegende dat de versterking van onze industriële basis cruciaal is om de expertise en knowhow in de EU te behouden, en een effectieve, sterke en ambitieuze industriële strategie nodig is om die doelstelling te bereiken;

D.  overwegende dat het besluit van Embraco, een multinationale onderneming in Brazilië en in handen van Whirlpool, om zijn productielocatie in Riva di Chieri (Italië) te sluiten, 497 werknemers te ontslaan en haar productie te verplaatsen naar een andere lidstaat, een aantal bredere politieke vragen opwerpt;

E.  overwegende dat de productielocatie in Riva di Chieri winstgevend is, met een hoge productiviteit, en het besluit om de productieactiviteiten te verplaatsen gebaseerd is op financiële kortetermijnoverwegingen in plaats van economische langetermijnoverwegingen; overwegende dat het management van Embraco tot op heden geweigerd heeft over de ontslagen zinvolle onderhandelingen te voeren met de werknemersvertegenwoordigers en de nationale en lokale autoriteiten, en slechts uitstel van de ontslagen heeft aanvaard;

F.  overwegende dat de situatie met betrekking tot Embraco slechts een van talrijke recente sluitingen en ontslagen in de Europese Unie betreft die dikwijls gekoppeld zijn aan verplaatsing naar een andere lidstaat of gebieden buiten de Europese Unie; overwegende dat dergelijke processen aanzienlijke negatieve economische en sociale gevolgen hebben voor de Europese Unie; overwegende dat sommige multinationale ondernemingen strategieën volgen die uitsluitend op financiële opbrengsten op de korte termijn zijn gericht, met nadelige gevolgen voor de duurzaamheid op de lange termijn, werkgelegenheid, innovatie, investeringen in O&O en het op peil houden van vaardigheden;

G.  overwegende dat, wanneer herstructurering plaatsvindt, maatschappelijk verantwoord ondernemen de dialoog moet bevorderen tussen ondernemingen en belanghebbenden, met name werknemers en lokale autoriteiten, om te zorgen voor het voortgezette gebruik van productielocaties en het behoud van de werkgelegenheid; overwegende dat maatschappelijk verantwoord ondernemen bijzonder relevant is in het geval van regio’s die voor de werkgelegenheid, investeringen en sociale cohesie van slechts enkele grote ondernemingen afhankelijk zijn;

H.  overwegende dat maatschappelijk verantwoord ondernemen een beslissende rol zou moeten spelen in de besluitvormingsprocessen van ondernemingen; overwegende dat Embraco en Whirlpool, ondanks hun publieke optredens in verband met duurzaamheid, in hun beslissingen ten aanzien van de productielocatie in Riva di Chieri en in hun relaties met de belanghebbenden een significant gebrek aan maatschappelijk verantwoord ondernemen hebben getoond;

I.  overwegende dat Richtlijn (EU) 2017/828 wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft, onder meer is gericht op de bevordering van besluitvormingsprocessen in beursgenoteerde ondernemingen die gebaseerd zijn op duurzaamheid en concurrentievermogen op de lange termijn in plaats van kortetermijnoverwegingen en -opbrengsten;

J.  overwegende dat in artikel 9 van het VWEU de bevordering van een hoge arbeidsparticipatie, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting, alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid, als grondbeginselen van de Unie zijn verankerd; overwegende dat de Commissie zich heeft verbonden tot de verwezenlijking van een "sociale AAA-score" voor de EU; overwegende dat economische en sociale beleidsmaatregelen bedoeld zijn voor het dienen van mensen, inclusief door het bevorderen van duurzame en maatschappelijk verantwoorde economische activiteiten op een gelijk speelveld, en dat mensen de belangrijkste factor zijn voor het concurrentievermogen van een bedrijf en de behoorlijke werking van de economie;

K.  overwegende dat dumping, zij het op sociaal, fiscaal of milieuvlak, indruist tegen de Europese waarden omdat het de bescherming van de rechten van EU-burgers, de bevordering van betere arbeids- en levensomstandigheden, de goede werking van de interne markt en de eerlijke mededinging tussen marktdeelnemers in gevaar brengt;

L.  overwegende dat sociale cohesie een van de belangrijkste beginselen van het EU-beleid is, wat een constante en voortdurende nauwere onderlinge afstemming van lonen inhoudt, alsook een gegarandeerde sociale zekerheid voor alle werknemers; overwegende dat er nog steeds sprake is van substantiële verschillen in arbeidsvoorwaarden en lonen binnen de Unie, en dat opwaartse sociale convergentie de sleutel is tot welvaart en meer interne vraag binnen de hele Unie,

M.  overwegende dat, ondanks de recente schandalen en de verontwaardiging die zij oproepen, te weinig vooruitgang is geboekt bij de bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking door multinationals en individuen en bij fiscale dumping binnen de Europese Unie;

1.  verklaart dat maatschappelijk verantwoord ondernemen een essentieel element van het Europees sociaal en economisch model vormt; bevestigt zijn steun aan de definitie van maatschappelijk verantwoord ondernemen als "de verantwoordelijkheid van bedrijven voor het effect dat ze op de samenleving hebben", zoals vermeld in de mededeling van de Commissie getiteld "Een vernieuwde EU-strategie 2011‑2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen";

2.  herinnert eraan dat Europa een sociale markteconomie is die streeft naar duurzame en inclusieve economische groei; wijst nogmaals op de belangrijke doelstelling van de Europa 2020-strategie om tegen 2020 20 % van het bruto binnenlands product in de industrie te verwezenlijken;

3.  betuigt zijn sterke solidariteit met en steun aan alle werknemers van de productielocatie in Riva di Chieri (Italië) van Embraco, een Braziliaanse vennootschap die eigendom is van Whirlpool, hun families, alsook de betrokken onderaannemers, en benadrukt de aanzienlijke negatieve gevolgen die de sluiting van de fabriek zou hebben op de lokale economie en gemeenschap; dringt erop aan dat de nodige maatregelen worden genomen om te zorgen voor de continuïteit van de werkgelegenheid voor alle betrokken werknemers en te verzekeren dat de economische activiteit en productie op de locatie in Riva di Chieri op de lange termijn worden gewaarborgd;

4.  onderstreept dat dit maar een van verschillende recente gevallen van verplaatsing door multinationale ondernemingen betreft binnen en buiten de Europese Unie; is met name bezorgd dat tijdens de besluitvormingsprocessen in multinationale ondernemingen dikwijls meer aandacht geschonken wordt aan de kortetermijnresultaten en de opbrengsten voor aandeelhouders dan aan de economische en sociale gevolgen van die besluiten voor belanghebbenden en de maatschappij; is van mening dat dit in strijd is met de Europese waarden van maatschappelijk verantwoord ondernemen;

5.  merkt op dat, niettegenstaande de publieke toezeggingen van Embraco en Whirlpool met betrekking tot duurzaamheid, waaronder maatschappelijke verantwoordelijkheid, er uit de besluiten van deze bedrijven ten aanzien van de productielocatie in Riva di Chieri en de wijze waarop zij dergelijke beslissingen hebben genomen, een groot gebrek aan maatschappelijk verantwoord ondernemen is gebleken; betreurt het gebrek aan inzet van de zijde van het management van Embraco om zinvolle gesprekken en onderhandelingen te voeren met de vertegenwoordigers van de werknemers en nationale en lokale autoriteiten;

6.  benadrukt dat maatschappelijk verantwoorde bedrijfsactiviteiten gebaseerd moeten zijn op: a) de kwaliteit van producten en diensten; b) een positieve dialoog met alle belanghebbenden, inclusief werknemers; c) besluitvormingsprocessen die de voorkeur geven aan duurzaamheid op de lange termijn en een adequaat niveau van transparantie waarborgen; d) volledige eerbiediging van mensen- en arbeidsrechten en alle toepasselijke wetgeving en collectieve overeenkomsten tussen de sociale partners, en e) de verbetering van de arbeidsomstandigheden;

7.  herinnert eraan dat een maatschappelijk verantwoorde aanpak niet alleen de hele maatschappij ten goede komt, maar ook dat bedrijven, consumenten en beleggers steeds meer belangstelling tonen voor de maatschappelijke en milieueffecten van de producten of diensten die zij kopen, en van de ondernemingen waarin zij investeren; onderstreept dat tegelijkertijd maatschappelijk onverantwoord gedrag aanzienlijke schade kan toebrengen aan de resultaten van ondernemingen;

8.  verzoekt de Commissie om voor het eind van 2018 een nieuw actieplan inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen te presenteren; wijst erop dat een dergelijk actieplan moet zorgen voor een meer ambitieuze benadering van maatschappelijk verantwoord ondernemen, die de wettelijke eisen en zowel strengere rapportageverplichtingen als meer effectieve controlemechanismen omvat, voortbouwend op de ervaring met de richtlijn bekendmaking niet-financiële informatie (Richtlijn 2014/95/EU);

9.  onderstreept dat in een geactualiseerde definitie van maatschappelijk verantwoord ondernemen in een herzien actieplan eerbiediging van fundamentele beginselen en rechten, zoals gedefinieerd in het Europees Sociaal Handvest en de fundamentele arbeidsnormen van de IAO, en de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, van kwalitatief hoogstaande arbeidsomstandigheden en sociale cohesie, moeten worden opgenomen; het actieplan moet ook voorzien in de invoering van een Europees sociaal keurmerk voor maatschappelijk verantwoord ondernemen;

10.  verzoekt de lidstaten om volledig gebruik te maken van de mogelijkheid om milieu- en sociale criteria, waaronder maatschappelijk verantwoord ondernemen, in hun procedures voor openbare aanbestedingen op te nemen; verzoekt de Commissie om deze initiatieven te bevorderen en de uitwisseling van beste praktijken op dit gebied te vergemakkelijken;

11.  verzoekt de Commissie en de lidstaten steun te verlenen aan de inspanningen voor de totstandbrenging van een bindend verdrag over grensoverschrijdende ondernemingen op VN-niveau, en te pleiten voor een ambitieuze overeenkomst die voorziet in doeltreffende en afdwingbare mechanismen die zorgen voor de volledige eerbiediging van de mensenrechten in de economische activiteiten van multinationale ondernemingen;

12.  benadrukt dat de eerste prioriteit van maatschappelijk verantwoord ondernemen de kwaliteit van de verhouding tussen werkgever en werknemers binnen een bedrijf moet zijn; is er stellig van overtuigd dat de sociale dialoog tussen bedrijven en werknemers van cruciaal belang is als het gaat om het anticiperen op en beheren van veranderingen en het vinden van oplossingen voor industriële uitdagingen;

13.  is van mening dat maatschappelijk verantwoord ondernemen ook gebaseerd moet zijn op verbeterde voorlichting van werknemers, raadpleging en participatie; verzoekt de Commissie maatregelen te nemen op dit gebied, onder meer door middel van het voorstel voor een herziening van de richtlijn inzake een Europese ondernemingsraad, en het versterken van de participatie van werknemers in bedrijfsaangelegenheden; verzoekt de Commissie zo snel mogelijk na raadpleging van de sociale partners een voorstel in te dienen voor een rechtskader inzake de voorlichting en raadpleging van werknemers, de anticipatie op en het beheer van herstructurering, gevolg gevend aan de aanbevelingen die zijn uiteengezet in de resolutie van het Parlement van 15 januari 2013 over voorlichting en raadpleging van werknemers, anticipatie en beheer van herstructurering;

14.  is van mening dat de inzet van ondernemingen om de vaardigheden en knowhow van werknemers te verbeteren door middel van passende en doeltreffende levenslange opleiding en onderwijs als een uiterst belangrijk element moet worden opgenomen in overwegingen van maatschappelijk verantwoord ondernemen;

15.  is van mening dat in het geval van de verplaatsing van economische activiteiten, ondernemingen een bijdrage moeten leveren, ook in economisch opzicht, aan het vinden van een passende alternatieve activiteit voor de productielocaties en de betrokken werknemers; verzoekt de Commissie wetgevende maatregelen voor te stellen om te waarborgen dat bedrijven die overheidsfinanciering ontvangen kunnen worden gedwongen, in het geval van de verplaatsing van hun activiteiten, dergelijke ontvangen middelen terug te geven;

16.  verzoekt de Commissie om gevallen te onderzoeken waarin ondernemingen besluiten om hun productie verplaatsen binnen de EU, teneinde onder meer te waarborgen dat Europese fondsen niet misbruikt worden om de concurrentie tussen lidstaten te bevorderen; verzoekt de Commissie voorts na te gaan of overheidsgelden niet door lidstaten worden misbruikt, met name om bedrijven aan te trekken uit andere lidstaten, onder meer door vormen van sociale en fiscale dumping;

17.  is ervan overtuigd dat de industrie moet worden gezien als een strategische troef voor het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de EU op de lange termijn; benadrukt dat alleen een sterke en veerkrachtige industrie en een toekomstgericht industriebeleid, met de nodige overheidsinvesteringen en -ondersteuning, de EU in staat zullen stellen de verschillende uitdagingen die in het verschiet liggen, het hoofd te bieden, zoals de herindustrialisering, de overgang naar duurzaamheid en het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid;

18.  benadrukt dat de Commissie en de lidstaten het concurrentievermogen en de duurzaamheid op lange termijn van de industriële basis van de EU moeten waarborgen en beter moeten anticiperen op sociaaleconomische crisissituaties of mogelijke verplaatsing; herhaalt dat de economische crisis ernstige gevolgen heeft gehad voor de industriële productie, met een aanzienlijk verlies van werkgelegenheid, industriële knowhow en vaardigheden van industriearbeiders; onderstreept dat de EU de toegevoegde waarde moet verdedigen en bevorderen van industrieën en fabrieken, zoals Embraco in Riva di Chieri, die nog steeds concurrerend zijn op de Europese en wereldmarkt;

19.  acht het van cruciaal belang te zorgen voor een gelijk speelveld in de hele EU, en verzoekt de Commissie maatregelen van wetgevende en niet-wetgevende aard te nemen ter bestrijding van sociale, fiscale en ecologische dumping; veroordeelt ten stelligste de gevallen waarin ondernemingen ervoor kiezen hun economische activiteiten te verplaatsen, met name wanneer zij winstgevend zijn, op basis van lagere belastingen of arbeidskosten of minder strenge milieunormen; benadrukt dat dit verschijnsel de werking van de interne markt en het vertrouwen van de burgers in de Europese Unie ondermijnt;

20.  dringt er bij de Commissie op aan initiatieven te ontplooien om de levensstandaard van de burgers van de EU te verbeteren door economische en sociale onevenwichtigheden te verminderen; onderstreept de noodzaak van doeltreffende maatregelen met betrekking tot sociale vraagstukken met het oog op de verbetering van de sociale en arbeidsomstandigheden in de EU middels een geleidelijke opwaartse convergentie, ook in het kader van de Europese pijler van sociale rechten, om sociale dumping en een neerwaartse spiraal op het gebied van arbeidsnormen te voorkomen;

21.  verzoekt de Commissie een ruimer toepassingsgebied te bevorderen van collectieve overeenkomsten in overeenstemming met de nationale tradities en praktijken van de lidstaten en met passende eerbiediging van de autonomie van de sociale partners; bepleit de vaststelling, in samenwerking met de sociale partners, van loonondergrenzen in de vorm van een nationaal minimumloon, gebaseerd op het mediane loon;

22.  betreurt het dat in het slechtst denkbare scenario van de sluiting van een fabriek, de bestaande socialezekerheidsinstrumenten in de meeste lidstaten onvoldoende zijn; dringt er bij de lidstaten op aan te zorgen voor voldoende sociale bescherming, die mensen in staat stelt om economisch actief te blijven en een waardig leven te leiden; verzoekt de Commissie de lidstaten te steunen bij het zorgen voor adequate werkloosheidssubsidies, beroepsopleidingen en begeleidingsdiensten voor mensen die hun baan verloren hebben, met bijzondere aandacht voor laaggeschoolde werknemers en werknemers ouder dan 50 jaar;

23.  wijst er nogmaals op dat de tenuitvoerlegging van een verantwoorde belastingstrategie moet worden beschouwd als een pijler van maatschappelijk verantwoord ondernemen en dat agressieve fiscale planning daarmee niet verenigbaar is; betreurt het dat de meeste bedrijven dit aspect niet opnemen in hun overwegingen en verslagen betreffende maatschappelijk verantwoord ondernemen; dringt er bij de Commissie op aan dit aspect in het geactualiseerde actieplan op te nemen en de inhoud ervan naar behoren te definiëren;

24.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een adequate follow-up te geven aan de aanbevelingen van het Parlement voor een doeltreffende bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking, en een einde te maken aan fiscale dumping in de EU, met name door de invoering van openbare verslaglegging per land en een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, door brievenbusmaatschappijen te verbieden en belastingparadijzen binnen en buiten de Europese Unie te bestrijden; onderstreept het belang om een minimaal effectief tarief voor vennootschapsbelasting op Europees niveau vast te stellen;

25.  is ingenomen met de rol van de Commissie als de bevoegde mededingingsautoriteit in het kader van het lopende onderzoek naar staatssteun in verband met fiscale rulings; moedigt de Commissie aan om haar bevoegdheden uit hoofde van de mededingingsregels van de EU ten volle te benutten om schadelijke belastingpraktijken aan te pakken en sancties op te leggen aan lidstaten en bedrijven waarvan is gebleken dat zij bij dergelijke praktijken, en meer in het algemeen, bij fiscale dumping, betrokken waren; benadrukt dat de Commissie meer financiële en personele middelen moet inzetten om beter in staat te zijn alle noodzakelijke onderzoeken naar fiscale staatssteun meteen uit te voeren;

26.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en aan de Raad, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 330 van 15.11.2014, blz. 1.

(2)

PB L 132 van 20.5.2017, blz. 1.

(3)

PB C 301E van 13.12.2007, blz. 45.

(4)

PB C 24 van 22.1.2016, blz. 28.

(5)

PB C 24 van 22.1.2016, blz. 33.

(6)

PB C 99E van 3.4.2012, blz. 101.

(7)

PB C 380E van 11.12.2012, blz. 39.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0298.

(9)

PB C 440 van 30.12.2015, blz. 23.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0346.

(11)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0010.

(12)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0290.

(13)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0377.

(14)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0305.

(15)

PB C 366 van 27.10.2017, blz. 51.

(16)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0310.

(17)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0491.

Laatst bijgewerkt op: 15 maart 2018Juridische mededeling - Privacybeleid