Procedure : 2018/2714(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0241/2018

Ingediende teksten :

B8-0241/2018

Debatten :

PV 29/05/2018 - 2
CRE 29/05/2018 - 2

Stemmingen :

PV 30/05/2018 - 13.10
CRE 30/05/2018 - 13.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 220kWORD 58k
25.5.2018
PE621.624v01-00
 
B8-0241/2018

naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen (2018/2714(RSP))


Younous Omarjee namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen (2018/2714(RSP))  
B8-0241/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1), en de latere wijziging daarvan bij Verordening (EU, Euratom) 2017/1123 van de Raad van 20 juni 2017(2),

–  gezien de artikelen 106 bis en 171 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(4),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 608/2014 van de Raad van 26 mei 2014 tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad van 26 mei 2014 betreffende de regels en procedures voor de terbeschikkingstelling van de traditionele eigen middelen, de btw- en de bni-middelen, en betreffende de maatregelen om in de behoefte aan kasmiddelen te voorzien(6),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel(7),

–  gezien de discussienota van de Commissie van 28 juni 2017 over de toekomst van de EU-financiën (COM(2017)0358),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën(8),

–  gezien resolutie 70/1 van de Algemene Vergadering van de VN van 25 september 2015, getiteld "Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling",

–  gezien de bekrachtiging van de Overeenkomst van Parijs door het Europees Parlement en de Raad op 4 oktober 2016(9),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(10),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 oktober 2017 over een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU (COM(2017)0623),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2017, getiteld "Een eerlijk en efficiënt belastingstelsel in de Europese Unie voor de digitale eengemaakte markt" (COM(2017)0547),

–  gezien zijn resolutie van 29 maart 2007 over de toekomst van de eigen middelen van de Europese Unie(11),

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 over "Investeren in de toekomst: een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) voor een concurrerend, duurzaam en integratiegericht Europa"(12),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 over "De onderhandelingen over het MFK 2014-2020: welke lessen kunnen worden getrokken en hoe moet het verder?"(13),

–  gezien zijn resolutie van 16 april 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(14),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2014 over het stelsel van eigen middelen van de van de Europese Gemeenschappen(15),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020(16),

–  gezien het verslag van december 2016, getiteld "De toekomstige financiering van de EU –   slotverslag en aanbevelingen van de Groep op hoog niveau eigen middelen",

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie constitutionele zaken (A8‑0041/2018),

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie, de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie begrotingscontrole, het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie visserij, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0048/2018),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de effecten van de economische en sociale crisis die de lidstaten in 2007-2008 heeft getroffen, nog steeds merkbaar zijn en dat er sociale, economische en territoriale ongelijkheden en verschillen tussen de lidstaten blijven bestaan; overwegende dat de EU-begroting overheidsinvesteringen moet bevorderen door steun te verlenen aan productieve en strategische sectoren (met inbegrip van de modernisering en duurzaamheid daarvan), openbare diensten, het scheppen van banen die de werknemersrechten beschermen, de bestrijding van armoede, sociale uitsluiting en ongelijkheid, de bescherming van het milieu en het volledig benutten van het potentieel van elk land en elke regio, alsmede het nastreven van externe betrekkingen op basis van solidariteit, samenwerking, wederzijds respect en vrede;

B.  overwegende dat al snel is gebleken dat het MFK 2014-2020 onvoldoende inspeelt op de vastgestelde behoeften, met name die welke zijn ontstaan door de uiterst disproportionele schuldenlast die een gevolg is van – en nog is verergerd door – de asymmetrische beleidsmaatregelen en aard van het integratieproces, waarbij sommige landen baat hebben terwijl andere in een diepe economische depressie zijn gedwongen; overwegende dat de schuldenlast is gebruikt als voorwendsel voor het opleggen van bezuinigingen, die op hun beurt de recessie hebben verergerd en de sociale functie van de staten en de rechten van de volkeren en de werknemers hebben uitgehold, en vervolgens hebben geleid tot toenemende werkloosheid, armoede, sterke loondalingen, verhoging van de pensioenleeftijd en verlaging van de overheidsuitgaven op gebieden als onderwijs, cultuur en gezondheid; overwegende dat er een beroep is gedaan op het MFK 2014-2020 om een reeks opkomende crises en uitdagingen aan te pakken op gebieden waarmee geen rekening was gehouden, zoals de extreem ongelijke economische ontwikkeling en schuldenlast, de hoge werkloosheid, de afnemende sociale en arbeidsrechten en de toenemende sociaaleconomische ongelijkheden, en dat er niet is gebroken met het huidige beleid van de EU en geen verschuiving is teweeggebracht naar beleid – zowel op nationaal als op EU-niveau – dat de inspanningen van de lidstaten ondersteunt om te komen tot welvaart voor iedereen, een eerlijke verdeling van de rijkdom, duurzame economische groei, volledige werkgelegenheid, werkzekerheid en sociale bescherming, de verstrekking van kwalitatief hoogstaande, universele en kosteloze openbare diensten, ecologisch welzijn in een gezonde natuurlijke omgeving, investeringen in onderwijs en infrastructuur, een waardig leven voor ouderen en betaalbare huisvesting, energie en communicatie; overwegende dat alomvattende beleidsmaatregelen ter bestrijding van armoede, sociale uitsluiting en inkomensongelijkheid, in het bijzonder door middel van herverdelingsmaatregelen en op nieuwe banen gerichte overheidsinvesteringen, op het niveau van zowel de Unie als de lidstaten van vitaal belang zouden zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken;

C.  overwegende dat het MFK van de Unie een afspiegeling is van het neoliberale en op bezuinigingen gerichte beleid dat door middel van het kader voor economische governance is opgelegd en dat de sociaal-economische ongelijkheden binnen en tussen de lidstaten heeft vergroot en het aantal mensen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd, heeft doen toenemen; overwegende dat de liberalisering van de arbeidsmarkten en de regressieve belastingstelsels hebben bijgedragen tot de welvaartsoverdracht van de werkenden naar het grootkapitaal, en de inkomens- en vermogenskloof hebben vergroot; overwegende dat het kader voor economische governance beleidskeuzes uit handen van democratisch gekozen regeringen en nationale parlementen heeft genomen, waardoor de volkeren van Europa geen democratische controle kunnen uitoefenen en het bezuinigingsbeleid is geïnstitutionaliseerd; overwegende dat het groeiende verzet tegen dit soort Europese integratie duidelijk maakt dat er dringend behoefte is aan een ander integratieproces, dat sociale en democratische vooruitgang in de EU, billijke en vreedzame oplossingen voor internationale problemen en een mondiale culturele dialoog ten goede komt en berust op samenwerking tussen landen op voet van gelijkheid;

D.  overwegende dat de unanimiteitsregel behouden moet blijven als waarborg voor een MFK dat aan alle en niet slechts enkele lidstaten ten goede komt; pleit ervoor om de autonome en flexibele beheerscapaciteit van het nieuwe MFK voor elke lidstaat te vergroten door meer centralisatie en overmatige bureaucratie met betrekking tot de gemeenschappelijke regels voor de toepassing ervan te verwerpen;

E.  overwegende dat de Commissie haar pakket voorstellen voor "Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt, en verdedigt: Het meerjarig financieel kader 2021-2027, met onder meer toekomstige eigen middelen, op 2 mei 2018 heeft gepresenteerd, terwijl de voorstellen volgens Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad vóór 1 januari 2018 hadden moeten worden ingediend; overwegende dat de waarden die worden verkondigd als de basis voor solidariteit, duurzame groei en integratie in de EU – namelijk democratie en participatie, gelijkheid, sociale rechtvaardigheid en eerbiediging van de rechtsstaat en de mensenrechten – in dit voorstel worden ondermijnd; overwegende dat de begrotingskeuzes die de Commissie voorstelt, niet beantwoorden aan de nodige prioriteiten om duurzame, kwalitatief hoogwaardige en sociaal evenwichtige groei te stimuleren, en geen rekening houden met de behoefte aan solidariteit en sociaal-economische cohesie tussen de lidstaten;

F.  overwegende dat de voorstellen van de Commissie voor "Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt, en verdedigt: Het meerjarig financieel kader 2021-2027", met onder meer toekomstige eigen middelen, geen oplossing bieden voor de uiterst ongelijke economische ontwikkeling en schuldenlast in de Unie, de hoge werkloosheid, de afnemende sociale en arbeidsrechten en de groeiende sociaal-economische ongelijkheid; overwegende dat het essentieel is te breken met het huidige beleid van de EU en een verschuiving teweeg te brengen naar beleid – zowel op nationaal als op EU-niveau – dat de inspanningen van de lidstaten ondersteunt om te komen tot welvaart voor iedereen, een eerlijke verdeling van de rijkdom, duurzame economische groei, volledige werkgelegenheid, werkzekerheid en sociale bescherming, de verstrekking van kwalitatief hoogstaande, universele en kosteloze openbare diensten, ecologisch welzijn in een gezonde natuurlijke omgeving, investeringen in onderwijs en infrastructuur, een waardig leven voor ouderen en betaalbare huisvesting, energie en communicatie;

G.  overwegende dat in het pakket van voorstellen van de Commissie voor "Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt, en verdedigt: Het meerjarig financieel kader 2021-2027, met onder meer toekomstige eigen middelen, de nadruk ligt op het in stand houden en ondersteunen van de huidige belastingstelsels, die het grootkapitaal bevoordelen in plaats van de arbeidersklasse en het volk; overwegende dat de strenge begrotingsdiscipline en de zware verliezen aan overheidsinkomsten als gevolg van belastingontduiking en ‑ontwijking nog meer druk leggen op de begrotingen van de lidstaten, en de belangen van het volk en de werkenden ondermijnen;

H.  overwegende dat de klimaatcrisis en het verlies aan biodiversiteit nog steeds een bedreiging vormen voor de stabiliteit, de gezondheid en de bestaansmiddelen van samenlevingen in de hele wereld en voor het dierenwelzijn; overwegende dat de toezeggingen in het kader van de COP 21 ogenschijnlijk ambitieus zijn, maar toch nog flink in de juiste richting moeten worden aangescherpt;

I.  overwegende dat het Europese migratiebeleid niet aanzet tot solidariteit tussen de lidstaten en de landen die het meest met de wereldwijde vluchtelingencrisis te kampen hebben, namelijk de armste landen ter wereld, maar veeleer met twee maten meet voor onderdanen van het noorden en onderdanen van het zuiden, waardoor de situatie in de armste landen nog verslechtert, en in toenemende mate door racistische en xenofobe criteria wordt gekenmerkt;

Voor een echt progressief, sociaal, vreedzaam, inclusief, milieuvriendelijk en feministisch Europa

1.  herinnert eraan dat het volgende MFK van de EU moet worden ingebed in een strategie voor economische, sociale en territoriale cohesie en steun voor een duurzame landbouw ten behoeve van de hele bevolking; is van mening dat het volgende MFK moet bijdragen tot een milieuvriendelijker en sociaal rechtvaardiger Europa; verwerpt in dit verband het voorstel van de Commissie van 2 mei 2018 voor een nieuw MFK, dat de neergang van het cohesiebeleid inluidt en een Fort Europa steunt dat de zorgen van zijn burgers in de wind slaat;

2.  onderstreept dat over de in het MFK te formuleren doelstellingen en beleidsmaatregelen overeenstemming moet worden bereikt voordat zij cijfermatig worden ingevuld, en benadrukt dat Parlement en Raad over alle aspecten van het MFK uitgebreid moeten onderhandelen voordat de cijfers worden ingevuld en de laatste aanpassingen in het totale MFK-pakket worden aangebracht; herinnert eraan dat het Parlement overeenkomstig artikel 312, lid 5, en artikel 324 VWEU naar behoren bij het onderhandelingsproces over het volgende MFK moet worden betrokken; vraagt de Raad en de Commissie te goeder trouw transparante onderhandelingen met het Parlement te voeren; benadrukt dat het het enige parlement is dat zich wel mag uitspreken over de uitgavenkant, maar niet over de inkomstenkant, en herhaalt zijn oproep om deze democratische anomalie te corrigeren;

3.  is tegen bezuinigingen op het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB); pleit daarom voor blijvende en verhoogde steun voor de doelstelling om de welvaartskloof tussen armere en rijkere regio's alsook de inkomensverschillen tussen de verschillende sociale groepen tijdens de volgende programmeringsperiode te dichten;

4.  is tegen een nominale of relatieve verlaging van de EU-begroting in het volgende MFK; is van mening dat de EU-begroting aanzienlijk moet worden verhoogd om de herverdelende rol ervan te versterken en zo bij te dragen aan de toepassing van het beginsel van economische en sociale cohesie; is van mening dat deze verhoging moet worden gerealiseerd door de bijdragen van de lidstaten op basis van hun bruto nationaal inkomen (bni) te verhogen, door via herverdeling het centrale beginsel te versterken dat de lidstaten met het hoogste bni verhoudingsgewijs meer moeten bijdragen tot een effectieve economische en sociale cohesie, en niet tot grotere verschillen in de EU;

5.  pleit voor een adequate herverdeling van de begrotingsmiddelen van de EU over de lidstaten, rekening houdend met hun respectieve niveaus van economische en sociale ontwikkeling; is tegen de toenemende centralisering van de EU-begrotingsuitgaven door de Commissie en pleit ervoor om meer middelen op nationaal niveau te laten beheren in overeenstemming met de behoeften van elk land;

6.  vraagt om een krachtig en nieuw sociaal-ecologisch investeringsplan op EU-niveau om bij te dragen aan een eerlijke transitie in sociaal en milieuopzicht; is van mening dat onder andere de structuurfondsen en het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in dit nieuwe investeringsplan moeten worden opgenomen, dat programma's zoals Horizon 2020 zich moeten richten op onderzoek, innovatie en technologische verandering om het productiemodel duurzamer te maken, en dat Cosme ervoor moet zorgen dat er steun wordt verleend aan de sociale economie, die onafhankelijk is van grote bedrijven, aangezien veel kmo's in het kader van onderling verbonden bedrijven door kernbedrijven worden ingezet (als dochteronderneming, onderaannemer, franchisenemer of nevenonderneming);vraagt at EU-middelen die als garantie of gedeeltelijke overheidsbijdrage worden gebruikt, duidelijk als zodanig worden aangemerkt, ook in het geval van het Europees stabiliteitsmechanisme, dat moet worden herzien zodat het een centraal financieel instrument wordt voor dit nieuwe plan voor sociaal-ecologische openbare investeringen, met als doel de directe overheidsinvesteringen te versterken;

Europese strategische investeringen

7.  is van mening dat een aantal specifieke MFK-plafonds aanzienlijk moeten worden verhoogd, namelijk de plafonds die het MFK kunnen omvormen tot een flexibel en georganiseerd systeem van EU-programma's die specifiek ontworpen zijn om het gebrek aan reële economische convergentie te verhelpen, de ongelijkheid te verminderen, investeringen in de verandering van het productiemodel te bevorderen, de klimaatuitdaging aan te pakken en de samenwerking tussen de volkeren van Europa te verbeteren;

8.  gelooft dat de verhoging van de EU-begroting zal leiden tot meer overheidsinvesteringen en meer steun voor de productiesectoren, een vermindering van de meervoudige structurele afhankelijkheid van de landen, het scheppen van banen die de werknemersrechten beschermen, kwalitatief hoogstaande openbare diensten en de volledige benutting van het potentieel van de landen; benadrukt dat conditionaliteit voor het gebruik van EU-fondsen moet worden verworpen;

9.  dringt er bij de Commissie op aan de schadelijke gevolgen van de brexit voor de rechten en de economische veiligheid van de burgers te onderkennen en het MFK 2021-2027 aan te grijpen om het potentiële schadelijke effect te verhelpen door middelen ter beschikking te stellen om de gevolgen voor de meest getroffen lidstaten en regio's te verzachten;

10.  is van oordeel dat in het volgende MFK voldoende middelen moeten worden gereserveerd voor de totstandbrenging van economische, sociale en territoriale cohesie in de ultraperifere regio's van de EU, alsook voor de tenuitvoerlegging van de specifieke (maar nooit volledig geïmplementeerde) maatregelen voor die regio's zoals bedoeld in artikel 349 VWEU, overeenkomstig de doelstellingen en beginselen in de resolutie van het Parlement van 6 juli 2017 over het 'bevorderen van cohesie en ontwikkeling in de ultraperifere regio's van de EU: tenuitvoerlegging van artikel 349 VWEU'(17), en in de mededeling van de Commissie getiteld "Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU"; is van oordeel dat in het volgende MFK niet op de programma's of de middelen voor de ultraperifere regio's mag worden bezuinigd, maar dat deze, in tegendeel, juist moeten worden versterkt;

11.  is van mening dat het aandeel van het cohesiebeleid in de totale EU-begroting voor de periode ná 2020 aanzienlijk moet worden vergroot, aangezien het Cohesiefonds en de structuurfondsen een fundamentele rol moeten vervullen bij de bestrijding van de asymmetrie tussen en binnen de lidstaten;

12.  juicht het toe dat de Commissie zich er in haar voorstel voor het MFK toe verbindt ook ná brexit door te gaan met het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling voor Ierland, noord en zuid; onderkent dat hiermee duidelijk wordt aangetoond dat de Europese Unie toegewijd is aan het Goede Vrijdag-akkoord;

Economische en monetaire vraagstukken

13.  meent dat er overeenstemming over bestaat dat het MFK door de feiten is ingehaald; onderkent dat het MFK een rol toekomt bij het beperken en binnen bepaalde grenzen houden van de uitgaven, gezien het volume en kijkend naar de rubrieken van de EU‑begroting gedurende zijn looptijd van zeven jaar, met weinig speelruimte; is van oordeel dat de uitgavenplafonds, de geringe mate van flexibiliteit binnen de rubrieken en het verbod op tekorten – in combinatie met andere factoren – het MFK tot een procyclisch economisch mechanisme maken, zonder anticyclische werking, wat zou hebben betekent dat de EU-begroting de Europese economie in tijden van recessie zou hebben kunnen ondersteunen, met compensatie van de grotere uitgaven wanneer de economie het weer beter doet; is van oordeel dat het MFK vanaf nu een anticyclische rol moet vervullen;

14.  heeft grote kritiek op de algemene richting van het MFK-voorstel van de Commissie voor de periode 2021-2027; stelt vast dat, ondanks het gebrek aan gedetailleerde informatie over de herstructurering van de Europese begroting en rechtstreeks vergelijkbare cijfers, nieuwe prioriteiten duidelijk voorrang hebben gekregen op traditionele, sociaal heilzame programma's; betreurt het ten zeerste dat de trend waarbij steeds vaker gebruik wordt gemaakt van financiële instrumenten in plaats van subsidies zich voortzet, ondanks het feit dat breed wordt onderkend dat dit ten koste gaat van de controleerbaarheid en de transparantie;

15.  verzet zich ertegen dat prioriteit wordt verleend aan financiële instrumenten en investeringen in publiek-private partnerschappen; meent dat het toekomstige MFK in plaats daarvan een verhoging van de overheidsinvesteringen moet stimuleren, waarbij strategische productieve sectoren en de modernisering en duurzaamheid daarvan worden ondersteund, met een focus op de creatie van banen die de rechten van werknemers eerbiedigen, de bestrijding van armoede, sociale uitsluiting en ongelijkheid, milieubescherming en acties om het volledige potentieel van elk land en elke regio te benutten;

16.  is er sterk tegen gekant dat het cohesiebeleid ondergeschikt wordt gemaakt aan de structurele hervormingen die opgelegd worden in het kader van de economische governance van de EU, omdat het cohesiebeleid niet mag worden gebruikt als middel om een lidstaat of regio die het deregulerings- en privatiseringsbeleid afwijst, te bestraffen;

17.  dringt erop aan ondersteuningsprogramma's te ontwikkelen voor die lidstaten die uit te euro willen stappen omdat hun participatie in de eenheidsmunt niet langer houdbaar en dragelijk is; is van mening dat deze programma's moeten zorgen voor een toereikende vergoeding van de sociale en economische schade die als gevolg van toetreding tot de eenheidsmunt is ontstaan;

Mensen, sociale cohesie en waarden

18.  is van mening dat het de verantwoordelijkheid van Europa is betere toekomstperspectieven te bieden aan de jongere generatie, die de rampzalige gevolgen zal ondervinden van het economisch beleid dat de EU de afgelopen tientallen jaren heeft gevoerd; is vastbesloten om zijn vlaggenschipprogramma Erasmus+, dat ten goede moet komen aan alle jonge Europeanen en niet voornamelijk aan die studenten die zich een verblijf in het buitenland kunnen veroorloven, aanzienlijk uit te breiden, omdat het, vanwege de zeer karige financiering van het beleid in kwestie in de huidige begroting, niet aansluit bij de zeer grote belangstelling en het aantal aanvragen van uitermate geschikte kandidaten; stelt voor de middelen voor Erasmus+ in het volgende MFK minimaal te verdriedubbelen en ervoor te zorgen dat ten minste de helft daarvan ten goede komt aan jongeren uit de armste sociale klassen;

19.  verwerpt ten stelligste elke vorm van macro-economische conditionaliteit bij de toewijzing van EU-middelen; waarschuwt voor de gevaren die verbonden zijn aan vormen van politieke conditionaliteit en verwerpt deze;

20.  verdedigt de verhoging van de middelen die zijn toegekend aan de programma’s ter bevordering van de werkgelegenheid met rechten en de sociale inclusie van jongeren, waarbij gegarandeerd wordt dat de EU-middelen niet bijdragen tot het creëren van onbetaalde stages, onzekere banen of tot de vervanging van vaste banen door tijdelijk werk of onbetaalde stages;

Grondstoffen en milieu

21.  dringt er met klem op aan meer middelen ter beschikking te stellen voor het landbouw- en visserijbeleid, en het subsidiemodel ten faveure van landeigenaren te veranderen; beklemtoont dat dit nieuw beleid vereist voor het stimuleren van voedselsoevereiniteit, kleinschalige landbouw en coöperaties, en een transitie naar een duurzamer landbouwmodel, met garanties betreffende de voedselvoorziening aan de consumenten middels publieke ondernemingen en de 'bevrijding' van de kleine boeren van de groothandel; is van mening dat in het visserijbeleid rekening moet worden gehouden met de uitputting van de visbestanden in de oceanen, en dat een zelfbeperkingselement in dit beleid moet worden geïntegreerd;

Landbouw

22.  beklemtoont het belang van een publiek GLB dat voorrang toekent aan de interne markt, lonende prijzen tot kernelement van het landbouwbeleid uitroept en instrumenten voor het reguleren van de markten en de productie omvat; verwerpt elke poging tot renationalisatie van de kosten van het GLB; benadrukt de noodzaak van mechanismen voor overheidsregulering van de productie en de markten, teneinde te zorgen voor billijke prijzen voor de producenten, en voor stabiele en correcte inkomens voor de landbouwers;

23.  dringt aan op hernieuwde aandacht voor één van de kernbeginselen van het GLB, namelijk "de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren", ter bestrijding van de toegenomen productieconcentratie, de afname van het aantal kleinschalige landbouwers, en de toename van regionale asymmetrieën en de externe afhankelijkheid van buitenlandse goederen, hetgeen de grootste economieën en de grote landbouwbedrijven in de EU ten goede komt; betreurt het dat dit verschijnsel ons mondiaal gezien belangrijke landbouw- en plattelandserfgoed in gevaar dreigt te brengen, terwijl grote agro-industriële bedrijven hun marges vergroten en hun model van een mondiaal voedselsysteem erdoor drukken, met alle schadelijke milieueffecten van dien; beklemtoont de centrale rol van landbouwers in het landbouw- en voedselbeleid;

24.  is van oordeel dat het GLB sinds de oprichting ervan geen invulling heeft gegeven aan één van de kernbeginselen van het beleid, te weten "de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren"; vindt dat bij de aanstaande hervorming hernieuwde aandacht moet worden gegeven aan dit kernbeginsel, ter bestrijding van de toegenomen productieconcentratie en de daling van het aantal kleinschalige landbouwers, die de leegloop van het platteland versnelt; verzet zich krachtig tegen de dominante marktpositie van en de oneerlijke prijsstelling door de grote agro-industriële bedrijven, die slecht zijn voor de voedselveiligheid, de kwaliteit en de soevereiniteit, de gezondheid van mens en dier, het dierenwelzijn en het milieu; beklemtoont het belang van het bestrijden van ongelijkheden in de plattelandseconomieën en van het stimuleren van de verjonging in de landbouwsector; roept de Commissie – aan de vooravond van de GLB-hervorming – op de nadruk binnen het huidige GLB, die op intensieve landbouw en extensieve monoculturen ligt, te verschuiven naar een duurzame landbouw en een duurzaam voedselbeleid, en dat door rekening te houden met de verschillende economische, sociale, milieu-, nutritionele en gezondheidsvraagstukken en -uitdagingen; betreurt dan ook de bezuinigingen op de landbouwbegroting; betreurt ten zeerste dat de bezuinigingen voornamelijk gericht zijn op de vitale uitgaven voor plattelandsontwikkeling en agro-milieumaatregelen en veel minder op de directe betalingen, en is van oordeel dat deze disproportionele besparingen en de schrapping van afgezonderd geld (de zogenaamde 'groening') voor het milieu in pijler 1 aantonen dat er ondanks de mooie woorden sprake is van een algemene verschuiving weg van innovatie op agri‑milieugebied naar bestendiging van langetermijngedrag dat zowel op landbouw als op milieuvlak voor problemen zorgt; verzoekt de Commissie maatregelen te treffen om vrouwen zichtbaarder te maken en een grotere rol te laten spelen in de landbouwsector; veroordeelt landroof ten zeerste en verlangt dat de Commissie en de lidstaten snel actie ondernemen; bevestigt nogmaals dat water een universeel recht is dat  aan alle mensen moet worden gegarandeerd en niet mag worden geprivatiseerd; verzoekt de Commissie alle vormen van zaaigoedoctrooiering te verbieden om de landbouwers te beschermen tegen de concurrentiedruk vanwege multinationals die zaad produceren, en plaatselijke variëteiten en ons genetisch en cultureel erfgoed te beschermen; verzoekt de Commissie om, samen met de lidstaten, het autoriseren, telen en in de handel brengen van GGO's te verbieden, en geïntegreerde plaagbestrijding (IPM) als conditionaliteit in het nieuwe GLB op te nemen om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te reduceren;

Maritiem beleid

25.  betreurt de verlaging van de financiële middelen voor het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) in het MFK-voorstel van de Commissie voor de periode 2021-2027; spoort de Commissie aan meer gedetailleerde en vergelijkbare cijfers te publiceren, teneinde een betere beoordeling van de geboden ondersteuning mogelijk te maken en beter gerichte toekomstige acties te kunnen ontwikkelen; spoort de Commissie met klem aan het belang van het EFMZV te onderkennen en ervoor te zorgen dat het over voldoende financiële middelen beschikt om het in staat te stellen tegemoet te komen aan de verwachtingen van de kustgemeenschappen en de betroffen personen, de milieuduurzaamheid te verbeteren en tegemoet te komen aan de uitdagingen als gevolg van de uitputting van de visbestanden en het verlies aan biodiversiteit;

26.  dringt aan op versterking van het EFMZV, waarbij het vooral moet gaan om: ondersteuning van de kleinschalige, ambachtelijke en kustvisserij; verbetering van de veiligheid van de vissersvloten, en van de arbeids-, gezondheids- en hygiënische omstandigheden aan boord; waarborging van de toekomstige visbestanden; verbetering van de kennis van de nationale middelen; bijdragen aan de opbouw van de wetenschappelijke en technische capaciteit van de O&O-instituten in de lidstaten; spreekt zich uit voor de invoering van mechanismen voor inkomenscompensatie en ‑steun voor de vissers vanwege de instabiliteit die eigen is aan de visserijactiviteit; is voorstander van de ontwikkeling van een programma dat toegesneden is op de specifieke behoeften en problemen van de ultraperifere regio's, herstel van de Posei-regeling voor de visserij en ontwikkeling van een nieuwe Posei-regeling voor transportverbindingen;

Migratie

27.  is, gezien de humanitaire noodsituatie, die verband houdt met de uitdagingen op het vlak van de opvang van migranten en vluchtelingen, van mening dat er behoefte bestaat aan een nieuw beleid dat gericht is op de bescherming van personen, toegang tot fundamentele rechten en diensten, humanitaire hulp en reddingsoperaties; vindt het tegen deze achtergrond zeer zorgwekkend dat middelen die voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) opzij waren gezet naar het Europees Sociaal Fonds (ESF) worden overgeheveld;

28.  is tegen elke verhoging van de middelen voor Frontex, in het bijzonder gezien hetgeen dit agentschap doet op het gebied van het terugsturen van migranten en vluchtelingen, grensbewaking en veiligheidsmaatregelen; stelt voor deze middelen in plaats daarvan ter beschikking te stellen van een agentschap met als enige mandaat het verlenen van humanitaire ondersteuning en het uitvoeren van opsporings- en reddingsoperaties;

29.  herhaalt dat het van oordeel is dat de EU-financiering voor het opvangen en integreren van migranten en asielzoekers substantieel moet worden verhoogd, en dat niet langer prioriteit moet worden gegeven – zoals nu het geval is – aan grenscontrole en andere dure veiligheidsmaatregelen, zoals administratieve detentie en uitgebreide IT‑systemen voor grenscontrole, waarvan de doeltreffendheid niet is aangetoond en die vaak tot aantasting van de rechten van migranten hebben geleid; verzoekt de Commissie aanvullende middelen voor specifieke maatregelen vooral ter beschikking te stellen aan lidstaten die toezeggen deze te gebruiken voor het opvangen en integreren van migranten en asielzoekers, overeenkomstig het LIBE-advies met betrekking tot de begroting voor 2016;

30.  is van mening dat de positieve impact van de EU-migratiefondsen staat of valt met processen op nationaal en EU-niveau ter waarborging van de transparantie, doeltreffend toezicht en controleerbaarheid; acht het een 'must' toezichts- en evaluatiemechanismen in itinere te introduceren, en niet slechts ex post, die waarborgen dat de middelen doeltreffend worden besteed en dienstig zijn bij het beantwoorden van de vraag of de EU haar beleidsdoelstellingen verwezenlijkt; verzoekt de Commissie dan ook erop toe te zien dat op beleids- en projectniveau resultaatindicatoren en kwantificeerbare streefdoelen voor de ondernomen acties worden vastgesteld; dringt aan op de vaststelling van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren, die in de tijd stabiel en vergelijkbaar moeten zijn, teneinde de impact van de EU-middelen en de verwezenlijking van de doelstellingen in kaart te brengen; beklemtoont dat er stelselmatig gekwantificeerde gegevens moeten worden verzameld; is van mening dat de Europese Rekenkamer gedurende de hele begrotingscyclus toezicht op projecten moet uitoefenen, en niet alleen aan het eind;

31.  is van oordeel dat de verantwoordelijke autoriteiten voor een transparanter aanvraag- en selectieproces moeten zorgen, hetgeen inhoudt dat breed ruchtbaarheid aan de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling moet worden gegeven en dat de oproep gemakkelijk toegankelijk moet zijn; denkt dat plaatselijke en regionale technische organen in de lidstaten hierbij een actieve rol zouden kunnen spelen, en het aanvraagproces zouden kunnen ondersteunen; is van mening dat de Commissie wat de geselecteerde projecten en programma's betreft elk jaar de volgende informatie openbaar moet maken: de naam en de aard van alle ondersteunde projecten (onder vermijding van generieke titels die niets zeggen over de daadwerkelijke inhoud, zoals 'opbouw van capaciteit'); het jaar waarin financiering wordt toegekend; de duur van het project; het bedrag van de EU-bijdrage en de corresponderende beleidsprioriteit; het totale aantal aanvragen dat in het kader van de desbetreffende oproep is ingediend; de beoordelingscriteria; en het resterende, nog niet toegekende bedrag van de EU-bijdrage;

32.  dringt erop aan de ontwikkelingsfondsen en de humanitaire hulp van de EU niet te koppelen aan het vermogen en/of de bereidheid van de partnerlanden om – bijvoorbeeld middels terugnameclausules – mee te werken aan migratiebeperking; hamert erop dat geen steun moet worden gegeven voor projecten die de fundamentele rechten van migranten aantasten en legitimiteit verlenen aan dictatoriale regimes;

33.  is van mening dat het maatschappelijk middenveld, inclusief non-gouvernementele organisaties (NGO's), een belangrijke rol speelt bij het waarborgen, bevorderen en implementeren van de rechten van migranten; is van oordeel dat dergelijke NGO's moeten worden ondersteund bij hun rol van waakhond en bevorderaar van fundamentele rechten, als directe dienstverlener en innovator bij het ontwikkelen van nieuwe instrumenten en het opbouwen van capaciteit bij de diverse betrokken partijen; er moeten derhalve doeltreffende partnerschapsbeginselen voor maatschappelijke organisaties worden opgesteld, om de betrokkenheid van deze organisaties bij de voorbereiding, planning, monitoring, tenuitvoerlegging en evaluatie van de financiering op zowel nationaal, als Unieniveau te waarborgen; beklemtoont dat de toepassing van dergelijke beginselen verplicht moet zijn;

34.  is van oordeel dat de middelen die voor de opvang en integratie van migranten en asielzoekers worden gebruikt niet mee moeten worden genomen bij de beoordeling van de vraag of de EU-regels met betrekking tot tekorten, zoals bedoeld in het EU-pact voor stabiliteit en groei, in acht worden genomen;

Veiligheid en defensie

35.  verwerpt de oprichting van een Europese Defensie-unie en de activering van de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO), die schade aan het consensusbeginsel van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) toebrengt, in een EU‑leger resulteert en rechtstreeks voor meer conflicten en minder vrede zal zorgen; is bijgevolg gekant tegen elke verhoging van de nationale begrotingen voor veiligheid en defensie; benadrukt dat de EU en de lidstaten moeten streven naar vrede en naar een diplomatische en vreedzame oplossing van conflicten, onder meer door bemiddelingsinitiatieven en ontwapenings-, demobiliserings- en herintegratieprogramma's in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties; ondersteunt het non-proliferatieverdrag (NPT) en nucleaire ontwapening;

36.  verwerpt in krachtige bewoordingen de oprichting van een Europees Defensiefonds en de instelling van het Industrieel Ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie, alsook de nieuwe rubriek V (Veiligheid en defensie), waarvan de middelen ná 2020 voor de financiering van het Europees Defensiefonds zullen worden gebruikt; herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 41, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie uitgaven die voortvloeien uit operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied niet ten laste mogen komen van de begroting van de Unie; verwerpt en betreurt ten zeerste de ongekende snelheid waarmee de EU steeds meer een militair karakter krijgt; dringt aan op ontwapening, waaronder nucleaire ontwapening, de demobilisering van troepen en een eind aan externe militaire interventies; dringt aan op de ontbinding van de NAVO; herinnert eraan dat vrede het best kan worden bevorderd door steun voor maatregelen gericht op uitroeiing van armoede, humanitaire hulp, en duurzame en billijke economische en sociale ontwikkeling; stelt dat de externe samenwerking moet stoelen op het beginsel van internationale solidariteit en op volledige eerbiediging van de wens van elk land om zich te ontwikkelen en van het tempo waarin landen dit doen;

Reactie op crisissituaties

37.  beklemtoont het belang van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (EUSF) voor het reageren op grote natuurrampen, en neemt nota van de voorgestelde verhoging van de vastleggings- en de betalingskredieten voor het EUSF; verzoekt de Commissie toe te zien op een verdere verhoging van dit fonds en de regels aan te passen zodat het soepeler en gerichter kan worden ingezet, ten behoeve van een ruimer scala van rampen met grote gevolgen, teneinde de tijd tussen de ramp en de beschikbaarheid van de middelen in te korten;

Extern optreden

38.  verzet zich tegen het voorstel van de Commissie om bijna alle bestaande externe instrumenten in één instrument (het zogenaamde Instrument voor nabuurschap, ontwikkeling en internationale samenwerking) bijeen te brengen, aangezien dit de democratische controle, de traceerbaarheid van de middelen en de uitgaven, en het parlementair toezicht verder zal beperken en in gevaar zal brengen;

39.  is van oordeel dat de huidige EU-middelen voor de ontwikkelingslanden instrumenten moeten zijn die bijdragen aan ontwikkeling en solidariteit tussen de volkeren, en niet aan de bevordering en verdediging van de economische en financiële belangen van multinationals, of de politieke belangen van EU-mogendheden;

Administratie

40.  maakt zich zorgen over het huidige personeelsbeleid, in de wetenschap dat de uitdagingen en het takenpakket van de EU-instellingen groter worden; stelt vast dat er een tekort aan tolken en vertalers is, hetgeen een probleem vormt voor het in stand houden en verdedigen van het beginsel van meertaligheid en voor het werk van de delegaties uit verschillende landen; verwerpt verdere bezuinigingen op personeel;

Overige onderwerpen

41.  herhaalt zijn overtuiging dat het gelijkschakelen van het financiële programma met het mandaat van de Commissie en het Parlement de democratische verantwoordelijkheid, verantwoordingsplicht en legitimiteit zal vergroten; juicht het '5+5'-model toe, met een herziening halverwege, indien het gelijk wordt geschakeld met de economische cyclus; stelt vast dat het MFK tot nu toe steeds gold voor een periode van zeven jaar, en dat een nieuw '5+5'-model voor politiek toezicht door het Parlement in elke parlementaire zittingsperiode zou kunnen zorgen; beklemtoont dat het eveneens meer flexibiliteit zou kunnen bieden om het beheer van programma's te veranderen, wetende dat de economische cycli nu korter zijn dan vroeger, in die zin dat de mogelijkheid zou bestaan om in tijden van recessie tot een expansief MFK te besluiten en tot een gematigder MFK in tijden van economische groei, zonder te tornen aan de stabiliteit van langetermijnprogramma's, die gedurende de volledige periode van tien jaar zouden kunnen voortduren;

Eigen middelen

42.  is van oordeel dat een doeltreffende bestrijding van corruptie en belastingfraude door multinationals en de allerrijksten het mogelijk maakt om een door de Commissie geraamd bedrag van 1 biljoen EUR per jaar terug te doen vloeien naar de nationale begrotingen van de lidstaten en dat het optreden van de Europese Unie op dit gebied serieus tekort is geschoten; wijst op de dringende noodzaak om een Europese autoriteit op te richten die bevoegd is om te strijden tegen belastingontwijking en belastingfraude;

43.  is van mening dat een billijker en progressiever Europa alleen kan worden verwezenlijkt als de EU zich hervormt om beter tegemoet te komen aan de verwachtingen van de burgers op het gebied van solidariteit, cohesie, asiel, milieubescherming en biodiversiteit, vergroening van de economie en de energievoorziening, en steun voor onderzoek, onderwijs en sociale vooruitgang; is van mening dat alleen een inkomstensysteem dat stoelt op daadwerkelijke eigen middelen, gegenereerd met belastingen op de grootste vermogens, financiële transacties en de meest vervuilende industrieën, voor een toereikende financiering van het optreden van de Unie op deze gebieden kan zorgen;

44.  dringt in dit verband aan op de invoering van belastingen op de financiële sector en grote digitale multinationals, de introductie van een gemeenschappelijke grondslag voor de vennootschapsbelasting, alsook een koolstofbelasting aan de grens, teneinde tot een autonoom, billijker, transparanter, eenvoudiger en rechtvaardig financieringssysteem te komen, dat door de burgers beter kan worden begrepen en het voor hen inzichtelijker maakt waar hun bijdrage aan de EU-begroting aan wordt besteed;

45.  herinnert aan de mogelijkheid om tussen de verschillende lidstaten gecoördineerde belastingmaatregelen ten uitvoer te leggen, gericht op het grote kapitaal en ten faveure van de bevolkingen, de werknemers en de landen; verwerpt de ontwikkeling van een Europees belastingbeleid;

°

°  °

46.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, alsmede de overige betrokken instellingen en organen.

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(2)

PB L 163 van 24.6.2017, blz. 1.

(3)

PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(4)

PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.

(5)

PB L 168 van 7.6.2014, blz. 29.

(6)

PB L 168 van 7.6.2014, blz. 39.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0401.

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0363.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0010.

(11)

PB C 27E van 31.1.2008, blz. 214.

(12)

PB C 380E van 11.12.2012, blz. 89.

(13)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0378.

(14)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0432.

(15)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0097.

(16)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.

(17)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0316.

Laatst bijgewerkt op: 29 mei 2018Juridische mededeling - Privacybeleid