Procedure : 2018/2718(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0242/2018

Ingediende teksten :

B8-0242/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 31/05/2018 - 7.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0237

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 182kWORD 51k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0242/2018
28.5.2018
PE621.626v01-00
 
B8-0242/2018

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen na 2020 (2018/2718(RSP))


Marian-Jean Marinescu, Wim van de Camp, Francisco José Millán Mon, Ivo Belet namens de PPE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen na 2020 (2018/2718(RSP))  
B8‑0242/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1), en de latere wijziging daarvan bij Verordening (EU, Euratom) 2017/1123 van de Raad van 20 juni 2017(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer,

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel(3),

–  gezien de discussienota van de Commissie over de toekomst van de EU-financiën van 28 juni 2017 (COM(2017)0358),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën(4),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 september 2016 voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (COM(2016)0604) en het begeleidende werkdocument (SWD(2016)0299),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 september 2016 voor een wijziging van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (COM(2016)0606),

–  gezien de ratificatie van de Overeenkomst van Parijs door het Parlement op 4 oktober 2016 en door de Raad op 5 oktober 2016,

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2016 over de tussentijdse herziening van het MFK 2014-2020(5),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 15 juni 2016 over de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader(6),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de vervoerssector en de infrastructuur voor deze sector een centrale en essentiële factor vormen in de ontwikkeling van een land en in het welzijn van de bevolking van de lidstaten, en dat de vervoerssector om deze reden een cruciaal investeringsdomein blijft waarmee wordt bijgedragen aan groei, concurrentievermogen en ontwikkeling door het economisch potentieel van elke EU-regio te versterken en aldus de economische, territoriale en sociale samenhang te bevorderen, door de interne markt te ondersteunen en zodoende de cohesie, integratie en sociaaleconomische inclusie van de burgers te faciliteren, het onevenwicht tussen de regio's aan te pakken, de toegang tot diensten en opleiding in de meest afgelegen gebieden met een risico van ontvolking te faciliteren en de netwerken voor het starten en ontwikkelen van bedrijfsactiviteit en ondernemingen te versterken;

B.  overwegende dat de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) was opgezet als een gemeenschappelijk, centraal beheerd financieringsprogramma voor vervoer, energie en telecommunicatie-infrastructuur, als onderdeel van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, en de "20-20-20"-doelstellingen van de EU op het gebied van energie en klimaatbeleid;

C.  overwegende dat de CEF voorziet in een aanzienlijk deel van de EU-financiering voor vervoers- en energieprojecten die een grote bijdrage leveren aan de doelstelling van een koolstofarme Europese economie en aldus bijdraagt aan de verwezenlijking van de emissiereductiedoelstellingen van de klimaatovereenkomst van Parijs;

D.  overwegende dat de CEF op basis van de respectieve sectorale richtsnoeren de ontwikkeling van de trans-Europese netwerken (TEN) moet ondersteunen met als doel de samenhang op de interne markt te verbeteren en het concurrentievermogen van de EU op de wereldmarkt te versterken en tegelijkertijd marktfalen aan te pakken door te focussen op projecten met een hoge Europese toegevoegde waarde, alsook een bijdrage te leveren aan het aantrekken van meer investeringen uit de particuliere sector;

E.  overwegende dat het soort projecten dat door de CEF medegefinancierd wordt, aansluit bij het streven van de EU om de connectiviteit op Europese schaal te verbeteren voor drie belangrijke sectoren en de steun toe te spitsen op collectieve goederen met een Europese dimensie; overwegende dat de CEF bijdraagt tot de prioriteiten van de Commissie inzake werkgelegenheid, groei en investeringen, de interne markt, de energie-unie en het klimaat en de digitale interne markt, wat het mondiale concurrentievermogen van de EU ten goede komt;

F.  overwegende dat CEF-Vervoer eind 2017 reeds subsidies ten belope van 21,3 miljard EUR aan projecten in het kader van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T-projecten) had toegekend, waarmee een totaalbedrag van 41,6 miljard EUR aan investeringen werd gegenereerd; overwegende dat in de loop van 2018 aanvullende subsidie-overeenkomsten zullen worden getekend voor een "blendingoproep" voor een combinatie van CEF-subsidies en particuliere investeringen, waaronder van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI); overwegende dat het oorspronkelijke budget van 1 miljard EUR voor deze oproep in november 2017 met 350 miljoen EUR is verhoogd voor steun voor de prioriteit "innovatie en nieuwe technologieën", overeenkomstig de doelstellingen van het actieplan alternatieve brandstoffen;

G.  overwegende dat de Commissie naar verwachting in mei en juni 2018 haar wetgevingsvoorstellen inzake Europese strategische investeringen, met inbegrip van een geactualiseerde Connecting Europe Facility (CEF), zal presenteren;

1.  benadrukt dat investeringen in vervoersinfrastructuur langetermijninvesteringen zijn in groei, cohesie, concurrentievermogen en banen, waarbij de EU een zichtbare meerwaarde voor de burgers creëert;

2.  is van oordeel dat in de vervoerssector prioriteit moet worden toegekend aan projecten die grensoverschrijdende verbindingen tot stand brengen of opwaarderen, ontbrekende schakels aanleggen en knelpunten elimineren; is van oordeel dat de CEF daarmee een concrete bijdrage zou leveren aan het streven naar de totstandbrenging van een interne Europese vervoersruimte;

3.  is verder van mening dat de CEF zich moet richten op het bieden van een EU-meerwaarde bij de ontwikkeling van connectiviteit in vervoer, en dát voornamelijk door zich te concentreren op projecten op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau die zonder steun van de EU niet zouden kunnen worden gerealiseerd;

4.  onderschrijft de idee dat de CEF door moet gaan met het ter beschikking stellen van publieke en particuliere financiering aan projecten die bijdragen aan de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de EU, faciliterend moet optreden bij essentiële investeringen waarbij - enerzijds - de kosten op nationaal c.q. plaatselijk niveau worden gedragen en - anderzijds - de voordelen zich op Europese schaal manifesteren, en bij moet dragen aan een versnelde transitie naar een koolstofarme en digitale samenleving;

5.  spoort de Commissie ertoe aan CEF-financiering te blijven toewijzen in de vorm van subsidies, omdat het leeuwendeel van de CEF-financiering betrekking heeft op projecten die ruimere voordelen op regionaal en EU-niveau opleveren, maar waarvoor onvoldoende nationale financiering beschikbaar is of marktgebaseerde financiering ontbreekt;

6.  verzoekt de Commissie na te denken over andere manieren om de CEF te bevorderen als een beleidsgestuurd instrument met specifieke sectorale doelstellingen, voor het ten uitvoer leggen van complexe projecten met een grensoverschrijdende of pan-Europese interoperabiliteitsdimensie;

7.  beklemtoont het belang van direct beheer, hetgeen tot een snelle toewijzing van middelen en een goede uitvoering van budgetten leidt; beklemtoont dat het directe beheer van CEF-subsidies zeer doeltreffend gebleken is, met een sterke projectpijplijn en een concurrerend selectieproces, nadruk op EU-beleidsdoelstellingen, een gecoördineerde implementatie en volledige betrokkenheid van de lidstaten; vindt het, gezien de goede prestaties van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) op het gebied van het financieel beheer van de CEF en bij het optimaliseren van het budget, met name doordat het snel en flexibel handelt bij het opnieuw (aan nieuwe acties) toewijzen van ongebruikt gebleven financiële middelen van andere acties, belangrijk het INEA te versterken, teneinde te waarborgen dat de EU-middelen goed worden besteed;

8.  wijst er nog eens op dat de "blendingoproep" van 2017, in het kader waarvan CEF-subsidies en financiering door de markt, en met name financieringsinstrumenten van het EFSI, worden gecombineerd, beoogt een grotere complementariteit tussen de twee steunregelingen tot stand te brengen, en tegelijkertijd andere financieringsbronnen aan te boren, in het bijzonder het EFSI, particuliere investeerders en nationale stimuleringsbanken;

9.  wijst met nadruk op de voordelen van de complementariteit van de CEF, Horizon 2020, de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) en het EFSI; geeft aan dat het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds een sterke regionale dimensie hebben, waarmee op plaatselijke vraag wordt ingespeeld en de financiële ondersteuning in het bijzonder wordt gericht op de minder ontwikkelde regio's en op de 15 lidstaten die voor steun van het Cohesiefonds in aanmerking komen, terwijl de CEF tot doel heeft vanuit het centrale niveau bij te dragen aan het verwezenlijken van de pan-Europese prioriteit van TEN-T-kerncorridors door zich te richten op de integratie van de EU middels grensoverschrijdende verbindingen en interconnecties, het elimineren van knelpunten en interoperabiliteitsprojecten;

10.  is ingenomen met de initiatieven waarbij een deel van het cohesiebudget (11,3 miljard EUR - vervoer) onder direct beheer is uitgevoerd in het kader van de CEF; merkt op dat de EU-investeringen in vervoersinfrastructuur een evenwichtige constructie van bronnen onder centraal en onder gedeeld beheer moeten blijven;

11.  stelt vast dat de CEF voor het EFSI als katalysator heeft gefungeerd, aangezien meerdere in de context van het CEF-directe investeringen geïnitieerde projecten naar de projectpijplijn van het EFSI zijn doorgestroomd; stelt verder vast dat projecten die met CEF-steun zijn ontwikkeld of ten dele met CEF-subsidies voor werken zijn ondersteund, nu langzaam ook steun van het EFSI krijgen; onderstreept overigens dat er wat de CEF-financieringsinstrumenten betreft sprake is van een vervangingseffect door het EFSI;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich te blijven inzetten voor de belangrijkste beleidsdoelstellingen van de CEF met betrekking tot vervoer: voltooiing - tegen 2030 - van het kernnetwerk van TEN-Vervoer, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van SESAR en ERTMS, en de transitie naar schone, concurrerende, innovatieve en geconnecteerde mobiliteit, met inbegrip van een Europese hoofdstructuur van laadpunten voor alternatieve brandstoffen tegen 2025; vooruitgang in de richting van de voltooiing van het uitgebreide netwerk van TEN-Vervoer tegen 2050; wat energie betreft, voltooiing - tegen 2030 - van de prioritaire corridors en thematische gebieden van TEN-Energie met afstemming op het pakket "Schone energie voor alle Europeanen" en de doelstellingen op de lange termijn inzake koolstofvrije energie, met name om de netten slimmer te maken en te digitaliseren, de interconnectiedoelstellingen voor 2030 te bereiken (waaronder voor perifere lidstaten), vermaasde offshore-netwerken te ontwikkelen en de continuïteit van de energievoorziening te waarborgen, mede door middel van synchronisatie; wat digitalisering betreft, maximalisering - tegen 2030 - van de voordelen van de digitale interne markt voor alle burgers en bedrijven middels de totstandbrenging van een volledig tegen cyberaanvallen beveiligde gigabyte-samenleving tegen 2025, het treffen van voorbereidingen voor terabyte-connectiviteit tegen 2030 en de aanleg van een pan-Europese infrastructuur voor data en digitale diensten ter ondersteuning van de digitale transformatie van kerngebieden van algemeen belang, uiteenlopend van de gezondheidszorg tot mobiliteit en overheden;

13.  verzoekt de Commissie een voorstel voor te leggen voor een gericht initiatief binnen het toekomstige InvestEU-fonds dat particuliere investeringen genereert door (onder andere) subsidies en financieringsinstrumenten bij elkaar te brengen, met het oog op de volledige tenuitvoerlegging van ERTMS;

14.  is van oordeel dat er een geactualiseerde CEF moet komen waarin alle vervoerswijzen aan bod komen, ook weginfrastructuur en binnenwateren, en waarin de nadruk ligt op onderlinge verbindingen en de voltooiing van netwerken in perifere gebieden en afdekking van alle vervoersbehoeften, met inbegrip van digitale oplossingen, modal shift en duurzamer vervoer; is van oordeel dat deze geactualiseerde CEF ook prioriteit moet toekennen aan directere verbindingen tussen kern- en uitgebreide netwerken, met onder meer horizontale prioriteiten zoals maritieme snelwegen; meent dat dit tot uiting moet komen in de lijsten met vooraf geselecteerde projecten die in de volgende CEF-verordening worden opgenomen;

15.  wijst erop dat de opgewaardeerde CEF van essentieel belang is om de EU in staat te stellen het kernvervoersnetwerk tegen 2030 te voltooien; is van oordeel dat een evenwichtige geografische spreiding van spoorwegcorridors dienstig is voor de aanleg van het kernnetwerk, de verbetering van modale integratie en de bevordering van co-modale oplossingen; verzoekt de Commissie het kernnetwerk van spoorwegcorridors uit te breiden, ter verbetering van de connectiviteit van de Atlantische perifere regio's en hun havens;

16.  herinnert eraan dat, wat de telecommunicatiesector betreft, de dubbele focus van de CEF op digitale grensoverschrijdende diensten van openbaar belang en communicatie- en computerinfrastructuur duidelijk heeft gemaakt dat het programma grote invloed heeft op het tot stand brengen van de EU-doelstellingen met betrekking tot de digitale interne markt en op het helpen ontwikkelen en ten uitvoer leggen van gemeenschappelijk beleid voor het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen, met inbegrip van de digitale transformatie van de gezondheidszorg, cyberbeveiliging, 5G‑dekking van de corridors van het netwerk van TEN-Vervoer en de digitalisering van overheden;

17.  brengt in herinnering dat het MFK-voorstel van de Commissie uit 2011 een financieringsinstrument omvatte met een budget van in totaal 50 miljard EUR, bestaand uit 9,1 miljard EUR voor energieprojecten, 9,2 miljard EUR voor telecommunicatie-/digitale projecten, en 21,7 miljard EUR voor vervoersprojecten; herinnert er daarnaast aan dat het in de bedoeling lag 10 miljard EUR van de middelen van het Cohesiefonds voor vervoersprojecten te gebruiken, waarmee het totale bedrag voor de vervoerssector op 31,7 miljard EUR uitgekomen zou zijn, maar dat de middelen in het MFK 2014-2020 en naar aanleiding van de EFSI-onderhandelingen aanzienlijk lager uitvielen;

18.  beklemtoont de Europese meerwaarde van de CEF voor alle lidstaten door de ondersteuning van connectiviteitsprojecten met een grensoverschrijdende dimensie, alsmede de financiering van projecten voor het aanleggen van ontbrekende schakels en het elimineren van knelpunten, teneinde te zorgen voor een goede werking van de interne markt van de EU en territoriale cohesie tussen de lidstaten;

19.  is ingenomen met de invoering van sectoroverschrijdende synergieën in de CEF; verwacht dat de toekomstige richtsnoeren voor het sectorale beleid en de CEF-instrumenten worden versoepeld om synergieën te bewerkstelligen en meer rekening te kunnen houden met nieuwe technologische ontwikkelingen en prioriteiten, zoals de digitalisering, en tegelijkertijd de koolstofvrije economie dichterbij te brengen en gemeenschappelijke maatschappelijke uitdagingen aan te pakken, zoals cyberveiligheid;

20.  benadrukt dat de CEF een doeltreffend en doelgericht instrument voor investeringen in trans-Europese infrastructuur (TEN) op het gebied van vervoer, energie en de digitale sector was, is en moet blijven, en bijdraagt tot de prioriteiten van de EU inzake werkgelegenheid, groei en investeringen, de interne markt, de energie-unie en het klimaat, en de digitale interne markt;

21.  verzoekt de Commissie zich er bewust van te zijn dat de voltooiing van de in de EU‑beleidsprioriteiten vastgestelde TEN niet mogelijk is zonder aanzienlijke investeringen, waarvan een deel afhankelijk zal zijn van steun van de EU;

22.  verzoekt de Commissie het CEF-kader te gebruiken ter verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vermeld in het "Actieplan militaire mobiliteit: de EU neemt stappen voor een defensie-unie";

23.  neemt kennis van de mededeling van de Commissie getiteld "Een EU-begroting voor de toekomst"; is van mening dat het niveau van de voorgestelde toewijzing voor de CEF, en met name de geringe toewijzing voor vervoer, onbevredigend is; merkt op dat deze toewijzing lager is dan voorzien in het MFK voor de periode 2014-2020; verzoekt de Commissie in het voorstel voor de CEF-verordening een hoger bedrag op te nemen dat aansluit bij de behoeften op het gebied van de vervoers-, energie- en telecommunicatie-infrastructuur, en recht doet aan de positieve effecten van investeringen op dit gebied;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de lidstaten.

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(2)

PB L 163 van 24.6.2017, blz. 1.

(3)

PB C 101 van 16.3.2018, blz. 64.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0401.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0412.

(6)

PB L 17 van 18.1.2017, blz. 20.

Laatst bijgewerkt op: 18 september 2018Juridische mededeling - Privacybeleid