ONTWERPRESOLUTIE over de afgescheiden regio's van Georgië, tien jaar na de oorlog met Rusland
11.6.2018 - (2018/2741(RSP))
ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement
Helmut Scholz, Merja Kyllönen, Paloma López Bermejo, Javier Couso Permuy, Barbara Spinelli, Sabine Lösing, Dimitrios Papadimoulis, Stelios Kouloglou namens de GUE/NGL-Fractie
B8‑0278/2018
Resolutie van het Europees Parlement over de afgescheiden regio's van Georgië, tien jaar na de oorlog met Rusland
Het Europees Parlement,
– gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de betrekkingen tussen Georgië en Rusland enkele honderden jaren geleden werden aangeknoopt en dat de landen sindsdien perioden van samenwerking hebben meegemaakt, maar ook perioden die werden getekend door conflicten of spanningen; overwegende dat het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in de voormalige Sovjetrepublieken leidde tot complexe conflicten die nog altijd niet zijn opgelost en voor spanningen zorgen tussen Rusland en zijn buurlanden; overwegende dat de onrust in Zuid-Ossetië en Abchazië jarenlang uitmondde in gewelddadige conflicten en etnische zuivering en resulteerde in zeer gespannen betrekkingen tussen Rusland en Georgië;
B. overwegende dat Zuid-Ossetië zich in 1991 onafhankelijk verklaarde van de Georgische Socialistische Sovjetrepubliek; overwegende dat de regering van Georgië de autonomie van Zuid-Ossetië daarop nietig verklaarde en met geweld haar controle over de regio probeerde terug te krijgen; overwegende dat de escalerende crisis in 1991-1992 leidde tot de oorlog van Ossetië en in 2004 en 2008 tot gevechten; overwegende dat Abchazië binnen de Georgische Socialistische Sovjetrepubliek autonomie genoot; overwegende dat etnische spanningen in Abchazië in 1992-1993 uitmondden in oorlog en leidden tot de feitelijke onafhankelijkheid van de regio; overwegende dat het geschil ondanks het staakt-het-vuren van 1994 en jaren van onderhandelingen nog altijd niet is beslecht;
C. overwegende dat in het licht van de crisis in Oekraïne getracht werd de geschiedenis van de oorlog van 2008 tussen Georgië en Rusland te herschrijven; overwegende dat de titel die aan het parlementaire debat ter herdenking van deze tragische gebeurtenissen werd gegeven, aan deze problematische ontwikkeling heeft bijgedragen; overwegende dat het verslag van de onafhankelijke internationale onderzoeksmissie voor het conflict in Georgië, het zogenoemde verslag-Tagliavini, nog altijd als feitelijke basis geldt wat de gebeurtenissen omtrent het conflict betreft; overwegende dat in het verslag wordt verduidelijkt dat de oorlog in de avond van 7 augustus 2008 door de Georgische regering van Mikheil Saakashvili werd begonnen toen de stad Tschinvali door Georgische strijdkrachten werd aangevallen en delen van Zuid-Ossetië werden bezet, maar dat hierin tevens wordt opgemerkt dat "er reeds vóór Zuid-Ossetië een gewelddadig conflict gaande was" en dat het Georgische offensief tegen de aanvallen die voor de oorlog plaatsvonden, "niet passend" was;
D. overwegende dat de status van Zuid-Ossetië en Abchazië tot op de dag van vandaag wordt betwist; overwegende dat de Verenigde Naties en het grotendeel van de regeringen in de wereld van oordeel zijn dat de gebieden bij Georgië horen, maar Rusland en vier andere VN-lidstaten de regio's als republieken erkennen; overwegende dat beide republieken op economisch, politiek en militair vlak sterk afhankelijk zijn van Rusland; overwegende dat er enkel een duurzame oplossing voor de conflicten in deze regio's kan worden gevonden indien het recht van de inwoners van Zuid-Ossetië en Abchazië om hun toekomst te bepalen en hun nationale identiteit te verdedigen, wordt gewaarborgd;
E. overwegende dat het internationaal overleg van Genève – het multilaterale bemiddelingsforum voor veiligheidskwesties met betrekking tot en de humanitaire gevolgen van de oorlog van augustus 2008 tussen Georgië en Rusland – nog geen tastbare resultaten heeft opgeleverd;
F. overwegende dat Rusland en Georgië in 2017 een gemengd comité hebben opgericht, dat wordt voorgezeten door de viceminister van Buitenlandse Zaken van Rusland en de door de premier van Georgië aangewezen speciale vertegenwoordiger voor de betrekkingen met Rusland; overwegende dat de economische banden tussen de landen in 2017 nauwer werden aangehaald en dat er sprake was van intensiever contact tussen mensen; overwegende dat Rusland de op een na grootste handelspartner van Georgië werd, dat er transportverbindingen werden aangelegd en dat Georgië door ruim een miljoen Russen werd bezocht; overwegende dat Rusland en Georgië besloten om de kwesties van Zuid-Ossetië en Abchazië op de agenda van het gemengd comité voor 2018 te zetten;
G. overwegende dat Rusland zich zeer bezorgd toont over de toenemende militaire samenwerking tussen Georgië en de Verenigde Staten en de NAVO, de gezamenlijke militaire oefeningen en trainingen die regelmatig door NAVO-militairen voor het Georgische leger worden georganiseerd, en de herbewapening van het Georgische leger met NAVO-wapens;
1. vindt het zorgwekkend dat Zuid-Ossetië en Abchazië nog altijd in een situatie van onopgeloste conflicten en spanningen verkeren; pleit voor een dialoog en onderhandelingen tussen alle betrokken partijen om een oplossing te vinden waarmee alle mensen in de regio's tevreden zijn en waarmee zij in staat worden gesteld om hun toekomst te bepalen;
2. is ingenomen met de inspanningen van de regering van Rusland en de regering van Georgië om op verschillende gebieden betrekkingen aan te knopen die voor beide landen gunstig zijn; hoopt dat deze inspanningen resulteren in de oplossing van het geschil tussen de twee landen en in de stabilisatie van de desbetreffende regio's; uit kritiek op het feit dat enkele politieke krachten in de EU en in Georgië de geschiedenis trachten te herschrijven en Rusland unilateraal de schuld geven van de tragische gebeurtenissen van 2008, waarmee zij deze inspanningen ondermijnen;
3. uit zijn bezorgdheid over de huidige versterking van het leger in de regio's en verzoekt alle partijen deze een halt toe te roepen; pleit voor de stopzetting van alle NAVO-activiteiten in de gebieden en is sterk gekant tegen de toetreding van Georgië tot de NAVO;
4. wijst er met klem op dat de beginselen van het VN-Handvest moeten worden geëerbiedigd en bevestigt nogmaals dat het zich inzet voor de soevereiniteit en territoriale integriteit van alle VN-lidstaten, met inbegrip van Georgië;
5. benadrukt dat er, indien er een politieke oplossing voor de conflicten in Zuid-Ossetië en Abchazië wordt gevonden, rekening moet worden gehouden met de verwachtingen van alle inwoners van de regio's; pleit voor de vaststelling van een vorm van geschillenbeslechting waaraan vertegenwoordigers van alle betrokkenen kunnen deelnemen;
6. betreurt het dat het niet is gelukt om via het internationaal overleg van Genève overeenstemming te bereiken over het afzien van geweld; onderstreept dat een dergelijke prestatie een belangrijke stap zou zijn richting de waarborging van de veiligheid in de regio's; verzoekt de Verenigde Staten een constructievere rol te spelen in deze besprekingen;
7. spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het tragische overlijden van de Georgische burger Artsjil Tatoenasjvili; pleit voor grondig onderzoek naar deze zaak en voor samenwerking tussen de betrokken belanghebbenden; beklemtoont dat het belangrijk is om de veiligheid en de rechten van de etnische Georgiërs in Zuid-Ossetië en Abchazië te beschermen;
8. wijst er met klem op dat ontheemden het recht hebben om onder waardige omstandigheden terug te keren en dat de handhaving van dit recht ervoor zorgt dat de feitelijke grenzen minder weg hebben van een IJzeren Gordijn en dat internationale actoren de ruimte krijgen om mensen in de getroffen regio's te helpen;
9. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de president en het parlement van Georgië, de president en het parlement van Rusland, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Raad van Europa.