Procedure : 2018/2870(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0495/2018

Ingediende teksten :

B8-0495/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 25/10/2018 - 13.19

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0435

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 257kWORD 51k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0493/2018
22.10.2018
PE624.190v01-00
 
B8-0495/2018

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in de Zee van Azov  (2018/2870(RSP))


Victor Boştinaru, Knut Fleckenstein, Tonino Picula, Liisa Jaakonsaari namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in de Zee van Azov  (2018/2870(RSP))  
B8‑0495/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Oekraïne en de situatie op de Krim en zijn resolutie van 11 juni 2015 over de strategische militaire situatie in het Zwarte Zeebekken na de illegale annexatie van de Krim door Rusland(1),

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 15 mei 2018 over de gedeeltelijke opening van de Krimbrug,

–  gezien de gezamenlijke verklaring die op 9 juli 2018 na de twintigste top EU-Oekraïne in Brussel is aangenomen,

–  gezien Besluit (GBVB) 2018/1085 van de Raad van 30 juli 2018 tot wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen(2), waarbij zes entiteiten worden toegevoegd aan de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 269/2014 vervatte lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen, entiteiten en lichamen,

–  gezien de overeenkomst van 24 december 2003 tussen de Russische Federatie en Oekraïne inzake samenwerking bij het gebruik van de Zee van Azov en de Straat van Kertsj, en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos) van 10 december 1982,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat door de illegale annexatie van de Krim door de Russische Federatie het geopolitieke landschap van de regio veranderd is, en dat dit grote gevolgen heeft voor de Zwarte Zee, de Straat van Kertsj en de Zee van Azov;

B.  overwegende dat Rusland zonder toestemming van Oekraïne de Krimbrug, een gaspijplijn en onderzeese kabels heeft aangelegd om het schiereiland te verbinden met het Russische grondgebied, en hiermee duidelijk de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne heeft geschonden; overwegende dat vanwege de technische kenmerken van deze brug bepaalde commerciële vaartuigen (in de Panamax-klasse) niet langer via de Straat van Kertsj naar de Oekraïense havens in de Zee van Azov of van deze Oekraïense havens naar de Zwarte Zee kunnen varen en dat de scheepvaart dus belemmerd wordt, wat indruist tegen de relevante bepalingen van het Unclos;

C.  overwegende dat de bouw van deze grootschalige brug heeft geleid tot een lagere zeespiegel in de Straat van Kertsj en geringere wateruitwisseling tussen de Zee van Azov en de Zwarte Zee en dus negatieve gevolgen heeft gehad voor het milieu;

D.  overwegende dat Russische grenswachters op 29 april 2018 zijn begonnen met het uitvoeren van uitgebreide controles op buitenlandse vaartuigen, ook op schepen die onder de vlag van een EU-lidstaat varen, met ongerechtvaardigde lange vertragingen (tot wel zes dagen) en aanzienlijke financiële schade voor de Oekraïense handelshavens van Marioepol en Berdjansk en voor de betrokken scheepvaartmaatschappijen tot gevolg; overwegende dat deze steden en de omliggende regio reeds kampen met de negatieve economische en sociale gevolgen van de annexatie van de Krim en het door Rusland gesteunde aanhoudende conflict in Oost-Oekraïne;

E.  overwegende dat het bevaarbare gedeelte van de Straat van Kertsj in Oekraïense wateren ligt;

F.  overwegende dat de Krim de facto onder Russische controle valt en Oekraïne zich hierdoor beperkt ziet in zijn mogelijkheden om zijn rechten over zijn exclusieve economische zone (EEZ) te doen gelden en koolwaterstoffen te winnen uit zijn continentale plat in de Zwarte Zee en de Zee van Azov; overwegende dat Oekraïne in 2016 een hiermee verband houdende Unclos-zaak aanspande tegen de Russische Federatie om de rechten die het land als kuststaat heeft in de maritieme zones die grenzen aan de illegaal bezette Krim te verdedigen, en dat op 22 mei 2018 de Russische Federatie op haar beurt bezwaren indiende tegen de bevoegdheid van het Internationaal Zeerechttribunaal;

G.  overwegende dat de Russische Federatie haar Zwarte Zeevloot versneld uitbreidt en moderniseert, de Krim verder heeft gemilitariseerd en haar militaire aanwezigheid in de Zee van Azov, die daarvoor bijna volledig gedemilitariseerd was, heeft versterkt, onder meer door de heroriëntering van een deel van haar Kaspische Zeevloot; overwegende dat Oekraïne om zijn rechten te beschermen meer troepen heeft ingezet in de kustgebieden rondom de Zee van Azov en op 16 september 2018 plannen heeft aangekondigd om er voor het einde van het jaar een marinebasis te bouwen; overwegende dat de toegenomen spanningen en militaire aanwezigheid kunnen leiden tot incidenten en verdere escalatie, met verreikende gevolgen voor de veiligheid in Europa;

1.  spreekt opnieuw zijn krachtige steun uit voor de onafhankelijkheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne binnen zijn internationaal erkende grenzen, en veroordeelt krachtig de illegale annexatie van de Krim en Sebastopol door de Russische Federatie, alsook de Russische steun voor separatisten in het oostelijk deel van Oekraïne en de niet-naleving van de akkoorden van Minsk;

2.  veroordeelt de bouw van de Krimbrug en de schending van navigatierechten in de territoriale wateren van Oekraïne, waar ook onder EU-vlag varende vaartuigen door getroffen worden; wijst erop dat Rusland gebonden is aan het internationale recht van de zee en de bilaterale samenwerkingsovereenkomst met Oekraïne en vaartuigen die door de Straat van Kertsj willen varen niet mag belemmeren of tegenhouden; benadrukt dat hoewel steekproefsgewijze inspecties van vaartuigen zijn toegestaan, deze inspecties niet mogen worden misbruikt of uitgevoerd om politieke redenen met als doel om de veiligheid, integriteit en sociale en economische situatie van Oekraïne verder te destabiliseren; verzoekt de Raad en de VV/HV te eisen dat de Russische Federatie onmiddellijk stopt met de uitgebreide en discriminerende inspecties van vaartuigen en om, indien nodig, passende tegenmaatregelen te overwegen;

3.  is ingenomen met het besluit van de Raad om zes bij de bouw van de Krimbrug betrokken entiteiten beperkende maatregelen op te leggen; betreurt echter dat de sancties tot dusver nog niet de verhoopte resultaten hebben opgeleverd, met name wat betreft het voorkomen van agressieve acties door Rusland en het bevorderen van vreedzame geschillenbeslechting; roept de lidstaten op eensgezind te blijven en met één stem te spreken over de betrekkingen tussen de EU en Rusland en verzoekt VV/HV Mogherini als bemiddelaar op te treden tussen Kiev en Moskou om via onderhandelingen oplossingen te bereiken en verdere escalatie te voorkomen;

4.  ondersteunt de inspanningen van Oekraïne om de ontstane problemen met betrekking tot zijn kustrechten in de Zwarte Zee, de Straat van Kertsj en de Zee van Azov als gevolg van de Russische acties in verband met de bouw van de Krimbrug op te lossen door zich te richten tot het Internationaal Zeerechttribunaal; dringt er bij de Russische Federatie op aan om de bevoegdheid van het Tribunaal te erkennen;

5.  verzoekt de Commissie de gevolgen van de nieuwe Russische acties voor de Oekraïense steden Marioepol en Berdjansk, en meer in het algemeen voor de Oekraïense handel, zorgvuldig te onderzoeken en projecten te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen waarmee de sociale veerkracht en economische ontwikkeling van deze steden en de omliggende zuidoostelijke regio van Oekraïne kan worden versterkt;

6.  maakt zich zorgen over de door de Krimbrug veroorzaakte milieuschade, die gevolgen kan hebben voor de belangen van alle aan het Zwarte Zeebekken grenzende landen; roept Oekraïne, de Commissie en de aan de Zwarte Zee grenzende lidstaten op de situatie in de gaten te houden, relevante informatie uit te wisselen en eventuele saneringsbehoeften vast te stellen;

7.  maakt zich ernstig zorgen over de militarisering van de Krim, de Zwarte Zee, waar anti-access- en area denial-capaciteiten (A2/AD) worden ingezet, en nu ook de Zee van Azov, waardoor de veiligheid van Oekraïne en de omliggende regio, waaronder enkele EU-lidstaten, wordt ondermijnd; is van mening dat het mandaat van de bijzondere waarnemingsmissie van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) de nieuwe spanningen in de Zee van Azov moet omvatten, en dat de missie uitgerust moet zijn met de nodige middelen om haar waarnemende rol op zee te kunnen vervullen;

8.  betuigt zijn oprechte medeleven aan de families en vrienden van de slachtoffers en hoopt op spoedig herstel voor degenen die gewond zijn geraakt tijdens de recente schietpartijen in de op de Krim gelegen stad Kertsj;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de president, de regering en het parlement van Oekraïne en de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1)

PB C 407 van 4.11.2016, blz. 74.

(2)

PB L 194 van 31.7.2018, blz. 147.

Laatst bijgewerkt op: 24 oktober 2018Juridische mededeling - Privacybeleid