Procedure : 2019/2580(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0178/2019

Ingediende teksten :

B8-0178/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/03/2019 - 11.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0215

<Date>{11/03/2019}11.3.2019</Date>
<NoDocSe>B8‑0178/2019</NoDocSe>
PDF 147kWORD 49k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over een Europese sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen</Titre>

<DocRef>(2019/2580(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Laima Liucija Andrikienė, Sandra Kalniete, Esther de Lange, Cristian Dan Preda, David McAllister, José Ignacio Salafranca Sánchez‑Neyra, Dubravka Šuica, Elmar Brok, Lorenzo Cesa, Michael Gahler, Tunne Kelam, Eduard Kukan, Jaromír Štětina, Fernando Ruas</Depute>

<Commission>{PPE}namens de PPE-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0177/2019

B8‑0178/2019

Resolutie van het Europees Parlement over een Europese sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen

(2019/2580(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties waarin wordt opgeroepen om een voor de hele EU geldend mechanisme tot stand te brengen voor het opleggen van gerichte sancties aan personen die betrokken zijn bij ernstige mensenrechtenschendingen, en met name zijn aanbeveling aan de Raad van 2 april 2014 over de instelling van gemeenschappelijke visumbeperkingen voor Russische functionarissen die betrokken zijn bij de zaak-Magnitski[1],

 gezien zijn resolutie van 14 februari 2019 over de situatie in Tsjetsjenië en de zaak van Ojoeb Titiev[2],

 gezien zijn resolutie van 12 maart 2019 over de stand van zaken in de politieke betrekkingen tussen de EU en Rusland[3],

 gezien zijn resolutie van 12 december 2018 over het jaarverslag 2017 over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake[4],

 gezien zijn resolutie van 13 september 2017 over corruptie en het effect op de mensenrechten in derde landen[5],

 gezien zijn resolutie van 4 februari 2016 over de stelselmatige massamoord op religieuze minderheden door "ISIS/Da'esh"[6],

 gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en mensenrechten van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 30 oktober 2018 over Sergej Magnitski en – bij uitbreiding – de strijd tegen straffeloosheid door middel van gerichte sancties,

 gezien de richtsnoeren inzake de implementatie en evaluatie van de beperkende maatregelen die in 2003 door de Raad zijn vastgesteld en in 2005, 2009, 2012 en 2017 zijn herzien en bijgewerkt,

 gezien de verklaring van 10 december 2018 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) namens de EU ter gelegenheid van de Dag van de Mensenrechten,

 gezien de verklaring die Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker tijdens de toespraak over de Staat van de Unie heeft gedaan op 12 september 2018, waarin hij voorstelt dat de lidstaten stemming met gekwalificeerde meerderheid toepassen met betrekking tot bepaalde gebieden van het GBVB van de EU – zoals het collectief reageren op mensenrechtenschendingen en het uitvoeren van doeltreffende sancties,

 gezien zijn studie van april 2018 getiteld "Targeted sanctions against individuals on grounds of grave human rights violations – impact, trends and prospects at EU level" (Gerichte sancties tegen personen op grond van ernstige mensenrechtenschendingen – gevolgen, trends en vooruitzichten op EU-niveau),

 gezien het voorstel van 14 november 2018 over een Europese commissie voor het instellen van een inreisverbod wegens mensenrechtenschendingen,

 gezien het voorstel van de Nederlandse regering voor een sanctieregeling voor mensenrechten op Europees niveau,

 gezien titel V, hoofdstuk 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) over de vaststelling van sancties in het kader van het GBVB,

 gezien artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over de vaststelling van sancties jegens zowel derde landen als personen, groepen en niet-statelijke entiteiten,

 gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat sancties een essentieel instrument van het GBVB vormen; overwegende dat sancties de voorbije twee decennia een integraal onderdeel zijn geworden van het EU-instrumentarium op het gebied van externe betrekkingen, en dat er momenteel meer dan 40 verschillende beperkende maatregelen jegens 34 landen zijn ingesteld; overwegende dat naar schatting twee derde van de landspecifieke sancties van de EU is ingesteld ter ondersteuning van de doelstellingen inzake mensenrechten en democratie;

B. overwegende dat sancties worden opgelegd om een verandering in het beleid of de activiteiten van de betrokkene tot stand te brengen, en zodoende bij te dragen tot de verwezenlijking van de GBVB-doelstellingen; overwegende dat de ontwikkeling en consolidatie van de democratie en de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden tot de belangrijkste doelstellingen van het GBVB behoren;

C. overwegende dat sancties zo worden ontworpen dat ze zo weinig mogelijk nadelige gevolgen hebben voor diegenen die niet verantwoordelijk zijn voor het beleid of de maatregelen die de aanleiding vormen voor het opleggen van de sancties, in het bijzonder voor de lokale burgerbevolking en de legitieme activiteiten in of met het betrokken land;

D. overwegende dat alle sancties van de EU geheel in overeenstemming zijn met de verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht, met inbegrip van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden; overwegende dat sancties regelmatig opnieuw moeten worden bekeken om te waarborgen dat ze bijdragen tot hun beoogde doelstellingen;

E. overwegende dat de EU naast landspecifieke sancties, die gericht zijn op een gedragsverandering van een staat, onlangs ook beperkende maatregelen tegen de verspreiding en het gebruik van chemische wapens en cyberaanvallen heeft ingevoerd, samen met specifieke maatregelen ter bestrijding van terrorisme;

F. overwegende dat Estland, Letland, Litouwen, het Verenigd Koninkrijk, Canada en de Verenigde Staten "Magnitski-wetten" hebben aangenomen die hun overheden in staat stellen om gerichte sancties zoals visumverboden en de bevriezing van vermogensbestanddelen op te leggen aan de plegers van ernstige mensenrechtenschendingen en degenen die voordeel halen uit deze mensenrechtenschendingen; overwegende dat het Europees Parlement herhaaldelijk heeft gepleit voor de invoering van een Europese Magnitski-sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen;

G. overwegende dat de bestaande "Magnitski-wetten" niet alleen van toepassing zijn op personen uit bepaalde landen of personen van wie is vastgesteld dat ze betrokken zijn bij bepaalde misdrijven, maar van toepassing zijn op ieder die zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen en ongestraft blijft;

H. overwegende dat sommige nationale wetshandhavingsinstanties hebben nagelaten de plegers van strafbare feiten ter verantwoording te roepen; overwegende dat een EU-Magnitski-wet die gerichte sancties omvat en op de juiste wijze wordt toegepast in dergelijke gevallen zeer doeltreffend kan zijn;

I. overwegende dat de Nederlandse overheid in november 2018 een debat tussen de EU-lidstaten op gang heeft gebracht over een gerichte sanctieregeling op EU-niveau voor mensenrechtenschendingen en de politieke opportuniteit van een dergelijke regeling; overwegende dat er op het niveau van de werkgroepen van de Raad nog steeds voorafgaande besprekingen hierover plaatsvinden;

1. veroordeelt met klem alle mensenrechtenschendingen wereldwijd; vraagt de Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) om voor het einde van de huidige zittingsperiode een wetgevingsvoorstel op te stellen voor een EU-Magnitski-wet waardoor visumverboden en gerichte sancties kunnen worden opgelegd, zoals het bevriezen van vermogens en vermogensbelangen binnen de EU-jurisdictie, aan individuele ambtenaren of in een officiële hoedanigheid optredende personen en statelijke en niet-statelijke actoren en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen;

2. is van mening dat de vervolging van en wreedheden en internationale misdrijven tegen religieuze en etnische minderheden neerkomen op oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid; onderstreept dat degenen die opzettelijk om etnische of religieuze redenen dergelijke wreedheden beramen, plannen, ondersteunen, plegen of pogen te plegen, of die tot dergelijke wreedheden oproepen of medeplichtig zijn aan dergelijke wreedheden voor de rechter moeten worden gebracht;

3. benadrukt het belang van een onmiddellijke sanctielijst om een effectieve tenuitvoerlegging van een EU-Magnitski-wet te verzekeren; verzoekt de Raad de werkzaamheden met betrekking hiertoe onverwijld voor te zetten; onderstreept dat het Parlement de belangrijke rol heeft toezicht te houden op deze toekomstige regeling, voornamelijk bij het vaststellen van de criteria voor plaatsing op de lijst en de wijziging van deze lijst;

4. is er vast van overtuigd dat een dergelijke regeling een waardevolle aanvulling is op het bestaande EU-instrumentarium inzake mensenrechten en buitenlands beleid en dat de EU hierdoor op het wereldtoneel een grotere rol kan spelen in verband met mensenrechtenkwesties, met name in de strijd tegen straffeloosheid en de ondersteuning van slachtoffers van misbruik en van mensenrechtenverdedigers overal ter wereld;

5. beklemtoont dat het met de regeling mogelijk moet worden beperkende maatregelen op te leggen – meer bepaald bevriezing van vermogensbestanddelen en EU-inreisverboden – jegens personen of entiteiten die verantwoordelijk zijn voor, betrokken zijn bij, medeplichtig zijn aan, financiering hebben verstrekt voor of hebben bijgedragen aan de planning of aansturing van of het opdracht geven tot ernstige mensenrechtenschendingen; pleit in dit verband voor het vaststellen van een duidelijke definitie van de omvang van de schendingen om de huidige situatie te corrigeren;

6. dringt erop aan dat de besluiten om personen of entiteiten op de lijst te plaatsen of van de lijst te schrappen gebaseerd moeten zijn op duidelijke en precieze, met bewijs gestaafde criteria, en rechtstreeks verband moeten houden met het gepleegde misdrijf, zodat een grondige rechterlijke toetsing wordt gewaarborgd;

7. benadrukt dat de sancties door alle lidstaten consequent en op dezelfde manier moeten worden toegepast; verzoekt de lidstaten met elkaar samen te werken bij het identificeren van de juiste beoogde personen, onder meer door gebruik te maken van de relevante Uniemechanismen en door informatie te delen over personen die op sanctielijsten staan en de redenen waarom zij redelijkerwijs vermoeden dat deze personen verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen; benadrukt dat in het kader van een dergelijke regeling sancties moeten worden opgelegd aan mensensmokkelaars die van migratiestromen profiteren;

8. is verheugd over het voorstel van de voorzitter van de Commissie om niet langer eenparigheid van stemming toe te passen bij de besluitvorming in de Raad op gebieden die specifiek zijn voor het GBVB, waaronder mensenrechtenkwesties; is van mening dat een dergelijk besluitvormingsproces kan worden toegepast op deze nieuwe sanctieregeling;

9. verzoekt alle lidstaten ervoor te zorgen dat de besluiten van de Raad over beperkende maatregelen jegens personen en entiteiten volledig worden nageleefd, met name in het geval van bevriezing van vermogensbestanddelen van personen die in de lijst zijn opgenomen en de beperkingen inzake toegang tot hun respectieve grondgebied als gevolg van mensenrechtenschendingen;

10. benadrukt dat de strafrechtelijke vervolging van plegers van grove mensenrechtenschendingen via nationale of internationale rechtspraak het hoofddoel moet blijven van alle inspanningen die de EU en de lidstaten leveren om straffeloosheid tegen te gaan; verzoekt de Raad grensoverschrijdende schendingen in de werkingssfeer van de regeling op te nemen;

11. verzoekt de Commissie voldoende middelen en deskundigheid in te zetten om de regeling, zodra deze is vastgesteld, te kunnen uitvoeren en monitoren, en om er in het bijzonder op te letten dat burgers zowel in de EU als in de betrokken landen worden ingelicht over de sanctielijsten;

12. steunt de inspanningen van activisten uit het maatschappelijk middenveld voor de invoering van een dergelijke regeling en spoort de discussie aan over het voorstel om eventueel een onafhankelijk adviescomité op EU-niveau op te zetten;

13. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de secretaris-generaal van de Raad van Europa.

 

[1] PB C 408 van 30.11.2017, blz. 43.

[2] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0115.

[3] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0157.

[4] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0515.

[5] PB C 337 van 20.9.2018, blz. 82.

[6] PB C 35 van 31.1.2018, blz. 77.

Laatst bijgewerkt op: 13 maart 2019Juridische mededeling - Privacybeleid