Procedure : 2019/2582(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0201/2019

Ingediende teksten :

B8-0201/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/03/2019 - 11.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


<Date>{11/03/2019}11.3.2019</Date>
<NoDocSe>B8‑0201/2019</NoDocSe>
PDF 178kWORD 54k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over klimaatverandering: een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie</Titre>

<DocRef>(2019/2582(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Jadwiga Wiśniewska, Zdzisław Krasnodębski</Depute>

<Commission>{ECR}namens de ECR-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>


B8‑0201/2019

Resolutie van het Europees Parlement over klimaatverandering: een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie

(2019/2582(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2018, getiteld "Een schone planeet voor iedereen – Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie" (COM(2018)0773),

 gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorende Protocol van Kyoto,

 gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21, de 21e conferentie van de partijen (COP21) bij het UNFCCC en de elfde conferentie van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

 gezien de 24e conferentie van de partijen (COP24) bij het UNFCCC, de veertiende sessie van de bijeenkomst van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP14) en het derde deel van de eerste sessie van de conferentie van de partijen bij de Overeenkomst van Parijs (CMA1.3), die van 2 t/m 14 december 2018 in Katowice, Polen, hebben plaatsgevonden,

 gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's) van de Verenigde Naties,

 gezien zijn resolutie van 25 oktober 2018 over de VN-klimaatconferentie in 2018 in Katowice, Polen (COP24)[1],

 gezien de conclusies van de Raad van 22 maart 2018,

 gezien het speciaal verslag van Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) met als titel "Global Warming of 1.5 °C", het vijfde evaluatierapport (AR5) en het samenvattende verslag,

 gezien de negende editie van het "Emission Gap Report" van het Milieuprogramma van de VN, aangenomen op 27 november 2018,

 gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de COP24 in Katowice resulteerde in de goedkeuring van het regelboek van Katowice, waarmee juridische duidelijkheid wordt verschaft bij de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs;

B.  overwegende dat drie jaar na de historische sluiting van de Overeenkomst van Parijs sprake is van hevige sociale onrust in de Franse hoofdstad in verband met het klimaatbeleid; overwegende dat dit bewijst dat sociale bepalingen essentieel zijn om negatieve economische gevolgen van klimaatwetgeving te beperken; overwegende dat het regelboek van Katowice een poging is om klimaatbeleid op te stellen waarbij niemand buiten de boot valt;

C.  overwegende dat de EU verantwoordelijk is voor minder dan 10 % van de wereldwijde broeikasgasemissies en dat zij dus de doelen van de Overeenkomst van Parijs niet alleen kan halen; overwegende dat deze doelen alleen kunnen worden verwezenlijkt met mondiaal optreden waarbij de grootste economieën van de wereld worden betrokken;

D. overwegende dat de Overeenkomst van Parijs alleen kon worden gesloten toen de partijen afzagen van het concept van een volledig koolstofvrije economie en in plaats daarvan het evenwicht tussen emissies en putten bevorderden (nettonuluitstoot);

E. overwegende dat de langetermijnstrategie van de EU voor de reductie van broeikasgassen altijd gepaard moet gaan met een strategie ter ondersteuning van zwaar getroffen regio's, en met name regio's waar steenkool wordt gewonnen, zodat er een eerlijke transitie kan plaatsvinden als gevolg waarvan deze regio's werkgelegenheid kunnen behouden en publiek draagvlak voor het klimaatbeleid kunnen creëren;

F. overwegende dat er in het EU-beleid inzake de reductie van broeikasgasemissies op de lange termijn rekening moet worden gehouden met de uiteenlopende infrastructuurcapaciteit in de lidstaten;

1. benadrukt dat de Europese burgers nu al worden geconfronteerd met de rechtstreekse gevolgen van de klimaatverandering; onderstreept dat volgens het Europees Milieuagentschap de gemiddelde jaarlijkse verliezen ten gevolge van extreme weers- en klimaatomstandigheden in de Unie tussen 2010 en 2016 ongeveer 12,8 miljard EUR bedroegen;

2. merkt op dat volgens het speciaal verslag van Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) over de opwarming van 1,5 °C de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C, met of zonder een beperkte overschrijding, snelle en vergaande transities op ongekende schaal op het gebied van energie-, land- en stedelijke infrastructuur (met inbegrip van vervoer en gebouwen) en van industriële systemen en een aanzienlijke beperking van de uitstoot in alle sectoren zou vereisen, evenals een breed scala aan mitigatiemogelijkheden en een aanzienlijke toename van de investeringen in die mogelijkheden;

3. wijst op het "Emissions Gap Report" van het Milieuprogramma van de VN uit 2018, waarin wordt geconcludeerd dat de huidige onvoorwaardelijke, nationaal bepaalde bijdragen de opwarmingslimiet van ver onder de 2 °C ruim overschrijden en in plaats daarvan zullen leiden tot een geschatte opwarming van 3,2 °C[2] in het jaar 2100; benadrukt dat alle partijen bij het UNFCCC hun klimaatverbintenissen dringend moeten opschroeven;

4. neemt kennis van de mededeling van de Commissie over de langetermijnstrategie, getiteld "Een schone planeet voor iedereen – Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie", waarin de nadruk wordt gelegd op de kansen en uitdagingen voor de Europese burgers en economie die de transformatie tot een economie met een nettonuluitstoot van broeikasgassen met zich meebrengt, en waarmee de basis wordt gelegd voor een debat in brede kring met EU-instellingen, nationale parlementen, het bedrijfsleven, ngo's, steden, gemeenschappen en burgers; verzoekt de Raad om tot een akkoord te komen over een kostenefficiënt traject voor het bereiken van een evenwicht tussen uitstoot en putten in overeenstemming met de Overeenkomst van de Parijs, rekening houdend met de uiteenlopende capaciteiten van de lidstaten;

Trajecten voor de Europese nulemissiestrategie voor het midden van de eeuw

5. merkt op dat de langetermijnstrategie acht trajecten omvat voor de economische, technologische en sociale transformatie die de Unie nodig heeft om te voldoen aan de temperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs op lange termijn; onderstreept dat twee daarvan de Unie in staat zouden stellen om in 2050 tot een nettonuluitstoot van broeikasgassen te komen; benadrukt dat hiervoor snelle actie en aanzienlijke inspanningen vereist zijn op alle niveaus, van het lokale en regionale niveau tot het nationale en Europese niveau, en dat daarbij ook alle niet-publieke actoren betrokken moeten worden; beseft dat regionaal en lokaal bepaalde bijdragen belangrijke instrumenten kunnen zijn om de emissiekloof te dichten; wijst op de verplichting van de lidstaten om nationale langetermijnstrategieën vast te stellen, zoals is vastgelegd in de governanceverordening[3], als richtsnoer voor EU-optreden; onderstreept de rol van een technologieneutrale aanpak bij het bewerkstelligen van een reductie van de broeikasgasuitstoot in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs;

6. wijst erop dat volgens de ramingen van de Commissie het bbp van de EU naar verwachting meer zal toenemen met nulemissiescenario’s dan aan de hand van scenario’s met lagere emissiereducties, maar dat de effecten in beide gevallen niet overal in de EU dezelfde zijn vanwege verschillen tussen de lidstaten, onder andere wat betreft bbp per hoofd van de bevolking en de koolstofintensiviteit van verschillende nationale energiemixen;

7. stelt met bezorgdheid vast dat de EU op dit moment voor ongeveer 55 % afhankelijk is van ingevoerde energie; benadrukt dat deze afhankelijkheid bij een nulemissiescenario uiterlijk in 2050 zou afnemen tot 20 %, wat positieve gevolgen zou hebben voor de handelsbalans en de geopolitieke situatie van de EU;

8. merkt echter op dat de trajecten om tot een nettonuluitstoot te komen het gebruik van een aantal technologieën voor koolstofverwijdering omvatten, onder meer koolstofafvang en -opslag en het rechtstreeks uit de lucht halen van CO2, maar dat deze technologieën nog niet op grote schaal zijn ingezet; is echter van mening dat in de EU-strategie voor een nettonuluitstoot voorrang moet worden gegeven aan rechtstreekse emissiebeperking en acties voor het behoud en de bevordering van de natuurlijke putten en reservoirs in de EU, en er alleen moet worden geopteerd voor technologieën voor koolstofverwijdering als er geen opties voor rechtstreekse emissiereductie voorhanden zijn;

9. wijst erop dat alle trajecten voor 2050 of voor de tweede helft van de eeuw moeten worden gebaseerd op de commerciële beschikbaarheid van belangrijke transitietechnologieën totdat de haalbaarheid van die technologieën is bewezen, rekening houdend met de uiteenlopende uitgangspunten van de lidstaten door een eerlijke transitie te ondersteunen in de meest koolstofintensieve regio's en de emissies in alle uitstotende sectoren te reduceren;

Sociale aspecten van klimaatverandering en eerlijke transitie

10. is verheugd over de vaststelling van de Commissie dat een nettonuluitstoot kan worden bereikt zonder banenverlies, en neemt met tevredenheid kennis van de gedetailleerde beoordeling van de transitie in energie-intensieve sectoren; benadrukt dat een eerlijke transitie naar een nettonuluitstoot van broeikasgassen, mits goed aangepakt met de juiste ondersteuning van de meest kwetsbare regio's, sectoren en burgers, de mogelijkheid biedt om nieuwe banen te creëren in de Unie; is dan ook van mening dat de Commissie in het kader van het Skills Panorama van de EU een hernieuwde beoordeling van vaardigheden moet ontwikkelen, met regionale gegevens over de vaardigheden die een klimaatneutraal Europa nodig heeft om de meest kwetsbare regio's, sectoren en mensen te ondersteunen bij de omscholing voor toekomstbestendige en kwalitatief hoogwaardige banen in deze regio's;

11. benadrukt dat de transitie eerlijk moet zijn voor alle geledingen van de samenleving; merkt op dat hiervoor inzicht in een eerlijke transitie nodig is waarin negatieve en positieve gevolgen van versnelde klimaatmaatregelen zijn opgenomen, zoals banenverlies en nieuwe arbeidsmogelijkheden;

12. is van mening dat de klimaattransitie van Europa ecologisch, economisch en sociaal duurzaam moet zijn; benadrukt dat het van belang is, teneinde politiek draagvlak te creëren bij alle burgers, om rekening te houden met de distributionele gevolgen van het klimaat- en decarbonisatiebeleid, vooral voor mensen met een laag inkomen; is dan ook van mening dat sociale gevolgen terdege in acht moeten worden genomen bij al het Europese en nationale klimaatbeleid om een sociale en ecologische transformatie in Europa te garanderen;

13. wijst erop dat een zekere mate van flexibiliteit bij het bewerkstelligen van een klimaatneutrale economie de sociale kosten zou drukken, met name in regio's die afhankelijk zijn van de steenkoolwinning, en zou bijdragen aan de transformatie daarvan;

14. herinnert eraan dat ongeveer 50 tot 125 miljoen Europese burgers momenteel energiearmoede boven het hoofd hangt[4]; benadrukt dat de energietransitie onevenredige gevolgen kan hebben voor mensen met een laag inkomen en de energiearmoede verder in de hand kan werken; onderkent dat de sociale dimensie moet worden opgenomen in het energiebeleid en dat moet worden gewaarborgd dat niemand buiten de boot valt; verzoekt de lidstaten toekomstgerichte maatregelen te nemen om een eerlijke energietransitie en toegang tot energie te garanderen voor alle EU-burgers;

15. benadrukt dat inclusie en participatie van de Europese burgers essentieel zijn om in Europa tot een nettonuluitstoot van broeikasgassen te komen; spoort alle niveaus van nationale, regionale en lokale overheden aan concrete maatregelen te nemen om de participatie van burgers in de transitie naar een koolstofvrije samenleving aan te wakkeren en mogelijk te maken;

Sectorale bijdrage

16. benadrukt dat in alle economische sectoren, die zonder uitzondering moeten bijdragen aan de collectieve inspanningen tot vermindering van de emissies, de netto-uitstoot uiteindelijk tot bijna nul zal moeten worden teruggebracht; verzoekt de Commissie dan ook om trajecten voor klimaatneutraliteit in alle sectoren te ontwikkelen;

17. wijst er echter op dat er vergeleken met de huidige stand van zaken aanzienlijk meer moet worden geïnvesteerd in het energiesysteem van de EU en de bijbehorende infrastructuur, d.w.z. tussen de 175 en 290 miljard EUR per jaar, wil de EU een economie met een nettonuluitstoot van broeikasgassen tot stand brengen;

18. benadrukt dat er verschillende manieren zijn om tot een klimaatneutrale economie te komen, en is van mening dat de lidstaten hun eigen traject voor de transitie naar een lagere uitstoot van broeikasgassen moeten kunnen kiezen aan de hand van hun strategische energie- en klimaatplannen;

19. benadrukt de rol van energie-intensieve sectoren bij het bewerkstelligen van een lagere uitstoot van broeikasgassen in de EU op de lange termijn; is van mening dat er voor de instandhouding van het koolstofarme industriële leiderschap van de EU en de industriële productie in de EU, het behoud van het concurrentievermogen van Europese sectoren en het voorkomen van het risico op koolstoflekkage intelligente en gerichte beleidskaders nodig zijn; verzoekt de Commissie een nieuwe en geïntegreerde industriële EU-klimaatstrategie voor te stellen voor energie-intensieve sectoren, ter ondersteuning van een concurrerende transitie naar nettonuluitstoot van de zware industrie;

20. verzoekt de Commissie een industriële strategie uit te werken met maatregelen die de Europese industrie in staat stellen onder dezelfde voorwaarden te concurreren op het wereldtoneel; is van mening dat de Commissie als onderdeel van dit beleid een onderzoek moet instellen naar de doeltreffendheid van aanvullende maatregelen om bedrijfstakken te beschermen waar het risico bestaat op koolstoflekkage met betrekking tot geïmporteerde producten, ter vervanging, aanpassing of aanvulling van alle bestaande maatregelen voor koolstoflekkage, en moet onderzoeken of deze maatregelen verenigbaar zijn met de regels van de Wereldhandelsorganisatie;

21. benadrukt dat bepaalde lidstaten die al verder zijn in hun energietransitie dan andere wellicht extra inspanningen moeten leveren om ervoor te zorgen dat er klimaatneutraliteit kan worden bereikt op EU-niveau;

22. roept de lidstaten op het pakket schone energie zo spoedig mogelijk in te voeren; brengt in herinnering dat het aan de lidstaten is om hun eigen energiemix te bepalen, binnen het EU-kader voor klimaat en energie;

23. merkt op dat in het verslag van de Commissie uit 2018 over energieprijzen en -kosten in Europa[5] wordt gewezen op de voortdurende hoge blootstelling van de EU aan schommelende en stijgende prijzen van fossiele brandstoffen en dat de toekomstige productieprijzen voor elektriciteit naar verwachting zullen stijgen voor elektriciteit op basis van fossiele brandstoffen en zullen dalen voor hernieuwbare bronnen; wijst erop dat de kosten voor de invoer van energie in de EU in 2017 met 26 % zijn gestegen naar 266 miljard EUR, voornamelijk vanwege de stijgende olieprijzen; merkt op dat in het verslag wordt geschat dat de stijging van de olieprijs een negatieve impact heeft gehad op de groei in de EU (in 2017 daalde het bbp met 0,4 %) en op de inflatie (+0,6 %);

24. herinnert eraan dat 71 % van alle energie uitsluitend wordt gebruikt voor het verwarmen van ruimtes; is het eens met de Commissie dat energie-efficiënte huizen de norm zullen worden in een klimaatneutrale EU, waarbij wordt gezorgd voor een betere gezondheid en meer comfort voor alle Europeanen;

25. wijst op de sleutelrol van hernieuwbare energiebronnen en andere energiebronnen met een lage uitstoot in de transitie naar een economie met een nettonuluitstoot van broeikasgassen, aangezien energie momenteel goed is voor 75 % van de broeikasgasemissies in Europa;

26. pleit voor een zeer energie-efficiënt energiesysteem dat gebaseerd is op bronnen met een lage uitstoot die de energiezekerheid niet in het gedrang brengen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om in dit verband alle nodige maatregelen te nemen, aangezien dit gunstige effecten zal hebben op alle economische sectoren;

27. is het eens met het belang dat wordt toegeschreven aan koolstofafvang en -opslag in de meeste 1,5 °C-scenario's in het speciaal verslag van de IPCC over 1,5 °C; benadrukt dat de EU meer ambitie aan de dag moet leggen op dit vlak; wijst verder op de doelen die de lidstaten zich hebben gesteld in het Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan) om in de periode 2020-2030 op commerciële schaal koolstofafvang en -opslag in te voeren in de Europese energie- en industriële sector; acht het nodig om in industriële procedés meer gebruik te maken van ecologisch veilige koolstofafvang, -benutting en -opslag, zodat een nettovermindering van de emissies optreedt doordat emissies worden voorkomen of CO2 permanent wordt opgeslagen;

28. wijst erop dat de elektrificatie van de bouw-, industrie- en vervoerssectoren een belangrijke rol zal spelen bij de vermindering van de emissies in deze sectoren en dat daarvoor een betrouwbare elektriciteitsvoorziening in de toekomst en een verbeterde opslagcapaciteit vereist is;

29. wijst erop dat er een verschuiving moet plaatsvinden van lucht- naar treinvervoer, en naar openbaar vervoer en gedeelde mobiliteit; merkt op dat het wegvervoer verantwoordelijk is voor ongeveer een vijfde van de totale uitstoot van koolstofdioxide in de EU; verzoekt de lidstaten en de Commissie dan ook om resolute stappen te ondernemen om de toegang tot emissieloze en emissiearme voertuigen mogelijk te maken voor consumenten in alle lidstaten, en tegelijkertijd een toename van oude, zeer vervuilende voertuigen in lidstaten met een laag inkomen te voorkomen; onderstreept daarnaast de rol van slimme technologieën, zoals slimme oplaadinfrastructuur, om synergieën tot stand te brengen tussen de elektrificatie van het vervoer en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

30. benadrukt dat de EU de rol en inspanningen van regio's, steden en gemeenten moet bevorderen; verzoekt de Commissie voort te bouwen op de werkzaamheden van het EU-Burgemeestersconvenant, waarin 200 miljoen Europese burgers zijn vertegenwoordigd, en hen in staat te stellen een katalysatorfunctie te vervullen voor een verdere transitie;

Maximalisatie van het klimaatpotentieel van bossen in het kader van een duurzame bio-economie

31. ondersteunt actief en duurzaam bosbeheer op nationaal niveau, samen met concrete middelen om een efficiënte en duurzame Europese bio-economie te stimuleren, gezien het aanzienlijke potentieel van bossen om bij te dragen aan de versterking van de Europese klimaatinspanningen (door middel van vastlegging, opslag en vervanging) en om uiterlijk in 2050 de doelstelling van nulemissies te halen; onderkent de noodzaak van de aanpassing aan de klimaatverandering en de noodzaak om de achteruitgang van de biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de EU uiterlijk in 2020 tot staan te brengen; benadrukt dat er empirisch onderbouwd beleid moet worden ontwikkeld om EU-maatregelen voor het behoud van de biodiversiteit uit te voeren en te financieren;

32. wijst op de behoefte om duurzaam bosbeheer commercieel concurrerender te maken en om praktische maatregelen met aanzienlijke opslag- en vastleggingseffecten te ondersteunen, zoals het gebruik van hout als bouwmateriaal in zowel steden als plattelandsgebieden, ter vervanging van fossiele brandstoffen en als instrument voor het beter vasthouden van water;

33. beveelt aan aanzienlijke inspanningen te richten op de boslandbouw en de zeer concrete voordelen die hiermee kunnen worden behaald op het gebied van het milieu en de biodiversiteit via het planten van bomen en diverse vegetatie in bewerkte landbouwgrond;

34. onderkent het positieve potentieel voor bebossing in Europa; is van mening dat bebossingsinitiatieven moeten worden aangevuld met concrete initiatieven en stimulansen die als doel hebben het potentieel voor koolstofvastlegging te verbeteren en tegelijkertijd de gezondheid van bestaande bosgebieden te waarborgen en te verbeteren, teneinde een positieve bijdrage te leveren aan het klimaat, de duurzame bio-economie en de biodiversiteit; steunt derhalve de bebossing van verlaten en marginaal productieve landbouwgrond, boslandbouw en het beperken van de herinrichting van bosgebieden voor andersoortig landgebruik;

Financiering en onderzoek

35. pleit voor een snelle invoering van het innovatiefonds van de EU-regeling voor de handel in emissierechten (ETS) en voor de aanvang van de eerste oproep tot het indienen van voorstellen in 2019, teneinde investeringen in het op bruikbaarheid testen van baanbrekende koolstofarme industriële technologieën te stimuleren in een breed scala aan sectoren, niet alleen bij de productie van elektriciteit, maar ook bij stadsverwarming en industriële procedés; verlangt dat het meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027 en de bijbehorende programma's volledig in overeenstemming zijn met de Overeenkomst van Parijs;

36. is van mening dat er flink moet worden geïnvesteerd door particulieren als de Unie nettonuluitstoot wil bereiken; is van mening dat hiervoor langetermijnplanning, stabiele regelgeving en voorspelbaarheid voor investeerders nodig zullen zijn en dat daar in toekomstige EU-regelgeving dan ook terdege rekening mee moet worden houden;

37. benadrukt hoe belangrijk de oprichting van een fonds voor een eerlijke transitie is, met name voor de gebieden die het meest getroffen worden door maatregelen voor een koolstofvrije economie, met name regio's waar steenkool wordt gewonnen, in combinatie met een algemene opname van sociale aspecten in de bestaande klimaatfinanciering; benadrukt in dit verband dat er een breed draagvlak nodig is voor de langetermijnstrategie, gezien de transformaties die nodig zijn in bepaalde sectoren;

38. benadrukt dat geografisch evenwicht bij de verdeling van steun uit onderzoeks- en innovatieprogramma's onder de lidstaten cruciaal is voor de doeltreffende bijdrage daarvan aan een klimaatneutrale economie;

De rol van consumenten en de circulaire economie

39. benadrukt hoe belangrijk het is dat de EU niet alleen overschakelt op een andere energiegrondstof, maar ook op andere producten/materialen, d.w.z. dat zij producten en materialen die zijn gebaseerd op fossiele grondstoffen of die tijdens de productie een hoge uitstoot veroorzaken vervangt door producten op basis van hernieuwbare bronnen;

40. onderstreept dat een zeer groot deel van het energiegebruik en dus ook van de broeikasgasemissies rechtstreeks verband houdt met de aanschaf, de verwerking, het vervoer, de omzetting, het gebruik en de verwijdering van hulpbronnen; benadrukt dat er in elke fase van de hulpbronnenbeheerketen enorme besparingen mogelijk zijn; benadrukt dan ook dat een toenemende productiviteit van hulpbronnen dankzij verbeterde efficiëntie, en een vermindering van het afval van hulpbronnen dankzij maatregelen als hergebruik, recycling en herproductie het verbruik van hulpbronnen en de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk kunnen verlagen en nieuwe zakelijke kansen en banen kunnen creëren; onderstreept de kostenefficiëntie van maatregelen in het kader van de circulaire economie; onderstreept dat een betere hulpbronnenefficiëntie en benaderingen in het kader van de circulaire economie en circulair productontwerp zullen bijdragen tot een verandering in productie- en verbruikspatronen en minder afval;

41. benadrukt het belang van productbeleid, zoals groene overheidsopdrachten en ecologische ontwerpen, waarmee aanzienlijk kan worden bijgedragen tot energiebesparingen en tot een kleinere koolstofvoetafdruk van producten, en tegelijkertijd de voetafdruk van de gebruikte materialen en de algemene milieueffecten wordt verbeterd; benadrukt dat er vereisten moeten worden vastgesteld op het gebied van de circulaire economie als onderdeel van de EU-normen inzake ecologische ontwerpen en dat de huidige methodologie voor ecologische ontwerpen moet worden uitgebreid naar andere productcategorieën dan alleen energiegerelateerde producten;

42. merkt op dat het welslagen van de transitie naar een klimaatneutraal Europa zal afhangen van de participatie en de inzet van de burgers, hetgeen kan worden gefaciliteerd door energie-efficiëntie en hernieuwbare energie ter plaatse of door nabijgelegen hernieuwbare technologieën;

43. is van mening dat er verder moet worden gewerkt aan een betrouwbaar model om de klimaatimpact op basis van het verbruik te meten; neemt kennis van het feit dat er in de diepgaande analyse op basis van de bestaande modellen wordt geconcludeerd dat de inspanningen van de EU om de emissies van haar productie te verminderen enigszins worden afgevlakt door de invoer van goederen met een grotere koolstofvoetafdruk;

De EU en wereldwijde klimaatactie

44. onderstreept het belang van meer initiatieven en een continue dialoog op relevante internationale fora, en van doeltreffende klimaatdiplomatie, met als doel een impuls te geven aan soortgelijke beleidsbeslissingen ter versterking van de klimaatambities in andere regio's en derde landen, aangezien alleen mondiale actie een verschil kan maken bij de wereldwijde vermindering van broeikasgasemissies;

45. betreurt het dat veel andere grote economieën nog niet werken aan een langetermijnstrategie en er in andere grote economieën zo goed als geen debat plaatsvindt over het verhogen van de nationaal vastgestelde bijdragen om deze in overeenstemming te brengen met het mondiale streefdoel van de Overeenkomst van Parijs; verzoekt de Raad en de Commissie dan ook de klimaatdiplomatie op te voeren en andere passende maatregelen te nemen om andere grote economieën aan te moedigen, zodat we samen de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs voor de lange termijn kunnen halen;

46. beschouwt het als een verdienste dat de interoperabiliteit tussen de beleidsinstrumenten van de EU en gelijkwaardige instrumenten van derde landen, met name mechanismen voor koolstofbeprijzing, wordt versterkt; verzoekt de Commissie om de samenwerking en steun bij de ontwikkeling van mechanismen voor koolstofbeprijzing buiten Europa voort te zetten en te intensiveren en zo te streven naar meer emissiereducties en gelijkere voorwaarden wereldwijd; benadrukt het belang van milieuwaarborgen om een daadwerkelijke en aanvullende vermindering van de broeikasgassen te garanderen; verzoekt de Commissie dan ook om te pleiten voor strenge en robuuste internationale regels in verband met artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs, teneinde lacunes bij de verrekening en de dubbele telling van bebossingsmaatregelen te voorkomen;

°

° °

47. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

[1] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0430.

[2] Milieuprogramma van de VN, "Emissions Gap Report 2018", blz. 10.

[3] Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).

[4]http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2015/563472/IPOL_STU(2015)563472_EN.pdf

[5] https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?qid=1548155579433&uri=CELEX:52019DC0001

Laatst bijgewerkt op: 13 maart 2019Juridische mededeling - Privacybeleid