Procedure : 2019/2886(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0123/2019

Ingediende teksten :

B9-0123/2019

Debatten :

PV 23/10/2019 - 7
CRE 23/10/2019 - 7

Stemmingen :

PV 24/10/2019 - 8.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0049

<Date>{21/10/2019}21.10.2019</Date>
<NoDocSe>B9‑0123/2019</NoDocSe>
PDF 158kWORD 50k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de Turkse militaire operaties in het noordoosten van Syrië en de gevolgen daarvan</Titre>

<DocRef>(2019/2886(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Tineke Strik, Petra De Sutter, Katrin Langensiepen, Margrete Auken, Hannah Neumann, Markéta Gregorová, Gina Dowding, Alice Kuhnke, Bronis Ropė, Jutta Paulus, Mounir Satouri, Heidi Hautala, Michael Bloss, Anna Cavazzini, Caroline Roose, Ernest Urtasun, Salima Yenbou, Sergey Lagodinsky, Karima Delli, Viola Von Cramon‑Taubadel, Damien Carême, Gwendoline Delbos‑Corfield, François Alfonsi, Saskia Bricmont, Ciarán Cuffe, Yannick Jadot, Catherine Rowett, David Cormand</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

<Depute>Fabio Massimo Castaldo</Depute>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0123/2019

B9‑0123/2019

Resolutie van het Europees Parlement over de Turkse militaire operaties in het noordoosten van Syrië en de gevolgen daarvan

(2019/2886(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties over Syrië, met name die van 15 maart 2018[1],

 gezien de conclusies van de Raad over Syrië, onder meer die van 14 oktober 2019,

 gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en met name de verklaring van 9 oktober 2019 over de recente ontwikkelingen in het noordoosten van Syrië,

 gezien de verklaringen van de woordvoerder van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van 11 en 15 oktober 2019 over Syrië,

 gezien de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen hierbij,

 gezien het communiqué van Genève van 30 juni 2012,

 gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Syrië, waaronder resolutie 2254 van 18 december 2015,

 gezien de rapporten van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor de Arabische Republiek Syrië, die is opgericht door de Mensenrechtenraad van de VN (UNHCR), en de UNHCR-resoluties over Syrië,

 gezien resolutie A-71/248 van de Algemene Vergadering van de VN van 21 december 2016 over een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme ter ondersteuning van het onderzoek naar en de vervolging van de personen die, uit hoofde van internationale wetgeving, verantwoordelijk zijn voor de ernstigste misdrijven die sinds maart 2011 in de Arabische Republiek Syrië zijn gepleegd,

 gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat het aanhoudende conflict in Syrië een van de ernstigste humanitaire crises van de recente geschiedenis is en onverminderd verschrikkelijke gevolgen voor de inwoners van het land heeft; overwegende dat dit conflict, dat door externe actoren wordt aangewakkerd en versterkt, een zeer destabiliserende invloed in de bredere regio en daarbuiten heeft gehad;

B. overwegende dat de Amerikaanse president Trump de Turkse president Erdogan op 6 oktober 2019 heeft laten weten zich niet te zullen verzetten tegen diens aangekondigde plannen om een militair offensief uit te voeren in de gebieden in het noordoosten van Syrië die onder controle staan van de Koerdische Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF); overwegende dat de VS kort daarna lieten weten te hebben besloten hun troepen die in dit gebied waren gestationeerd, terug te trekken; overwegende dat Turkije op 9 oktober 2019 met de steun van Syrisch-Arabische milities een militaire operatie heeft gestart; overwegende dat de Turkse autoriteiten altijd al beducht zijn geweest voor elke aanspraak op zelfbeschikking van het Koerdische volk, zowel binnen als buiten de Turkse grenzen; overwegende dat dit heeft geleid tot een voortdurende onderdrukking van het recht op vrijheid van meningsuiting en politieke participatie in het zuidoosten van Turkije, en dat op grote schaal gebruik wordt gemaakt van beschuldigingen van terrorisme zonder overtuigend bewijs; overwegende dat de SDF een cruciale rol hebben gespeeld in de strijd tegen IS en nog steeds een belangrijke rol spelen bij het waarborgen van de veiligheid in het gebied;

C. overwegende dat sinds het begin van de Turkse invasie tientallen burgers, vooral Koerden, zijn omgekomen en dat minstens 300 000 mensen op de vlucht zijn geslagen; overwegende dat sinds het begin van de militaire operatie 70 000 kinderen ontheemd zijn geraakt, dat in het noordoosten van Syrië minstens vier kinderen om het leven zijn gekomen en negen kinderen gewond zijn geraakt, en dat in Turkije volgens Unicef zeven kinderen zijn gedood; overwegende dat als gevolg van de aanvallen wellicht 170 000 kinderen humanitaire hulp nodig zullen hebben;

D. overwegende dat de Turkse president een plan heeft aangekondigd om een “bufferzone” in het noorden van Syrië te creëren en ook heeft gezegd voornemens te zijn 3 miljoen Syrische vluchtelingen die momenteel in Turkije verblijven, naar de “bufferzone” te deporteren, hetgeen gezien de onstabiele en gevaarlijke situatie in het noordoosten van Syrië zou neerkomen op refoulement; overwegende dat de gedwongen ontheemding van de bevolking een schending van het internationaal humanitair recht vormt en een misdaad tegen de menselijkheid is; overwegende dat de gedwongen verplaatsing van vluchtelingen naar de bufferzone ook ten doel zou hebben de demografische structuur van het noordoosten van Syrië te veranderen;

E. overwegende dat de Koerdische strijdkrachten in Syrië een akkoord met het regime van Bashar al-Assad hebben bereikt om hen te verdedigen tegen de militaire interventie van Turkije; overwegende dat de details van het akkoord nog onduidelijk zijn; overwegende dat de aanwezigheid van de troepen van Assad in het noorden van Syrië het risico op verdere regionale escalatie en militaire conflicten vergroot;

F. overwegende dat de VS en Turkije op 17 oktober 2019 naar verluidt een staakt-het-vuren van vijf dagen zijn overeengekomen en dat de Koerdische strijdkrachten zich tijdens dat staakt-het-vuren uit het gebied zouden moeten terugtrekken; overwegende dat het nog onduidelijk is in welke mate uitvoering wordt gegeven aan het staakt-het-vuren; overwegende dat op 22 oktober een ontmoeting tussen de presidenten Erdogan en Poetin gepland is;

G. overwegende dat de Turkse autoriteiten sinds het begin van de militaire interventie met gebruikmaking van de draconische Turkse antiterrorismewetten hard optreden tegen iedereen die kritiek uit op de militaire operatie; overwegende dat de Turkse autoriteiten een onderzoek hebben ingesteld naar meer dan 500 socialemedia-accounts, die zij ervan beschuldigen “terroristische propaganda” te verspreiden; overwegende dat volgens de Turkse minister van Binnenlandse Zaken al 121 mensen zijn gearresteerd wegens berichten op sociale media waarin ze vraagtekens zetten bij de operatie; overwegende dat sinds het begin van de operatie meer dan 150 leden van de Democratische Volkspartij (HDP) zijn gearresteerd;

H. overwegende dat er volgens de VN geloofwaardige meldingen zijn van standrechtelijke executies, onder andere van de Koerdische politicus Hevrin Khalaf, door Ahrar al-Sharqiya, een aan Turkije gelieerde gewapende groepering; overwegende dat standrechtelijke executies ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht zijn en kunnen neerkomen op oorlogsmisdaden, waarvoor ook Turkije verantwoordelijk kan worden gesteld;

I. overwegende dat er meldingen zijn van aanvallen op medische voorzieningen en civiele infrastructuur, zoals elektriciteitsleidingen en watervoorziening, door Turkse strijdkrachten en gelieerde gewapende groeperingen; overwegende dat de Koerdische autoriteiten in de provincies Al-Hasakah en Ar-Raqqa ziekenhuisapparatuur hebben moeten verplaatsen die niet meer werkte als gevolg van de aanhoudende hevige bombardementen;

J. overwegende dat volgens de SDF momenteel 10 000 IS-strijders worden vastgehouden in door de Koerden gecontroleerde kampen in het noordoosten van Syrië; overwegende dat in juli 2019 volgens de UNHRC 12 300 aan IS gelieerde buitenlanders werden vastgehouden in drie kampen in het noordoosten van Syrië, onder wie meer dan 8 000 kinderen van ruim 40 verschillende nationaliteiten; overwegende dat de huidige veiligheidssituatie het risico van een heropleving van IS in de regio inhoudt; overwegende dat de overgrote meerderheid van de duizenden kinderen uit de EU of derde landen die reële of vermeende banden met IS hebben, zich in drie verschillende kampen in het noordoosten van Syrië bevonden, namelijk Al-Hol, Al-Roj en Ain Issa; overwegende dat het Ain Issa-kamp door de Turkse invasietroepen is overgenomen en dat het lot van de vrouwen en kinderen die tot dan toe in dit kamp werden vastgehouden, nog onduidelijk is;

K. overwegende dat sinds het begin van het conflict in Syrië in 2011ongeveer 500 000 mensen, voornamelijk burgers, om het leven zijn gekomen; overwegende dat 13,1 miljoen mensen nog steeds dringend humanitaire hulp nodig hebben, onder wie 6 miljoen ontheemden en ruim 2,9 miljoen mensen in belegerde en moeilijk te bereiken gebieden, onder wie ook Palestijnse vluchtelingen; overwegende dat meer dan 5 miljoen Syriërs naar het buitenland zijn gevlucht, met name naar de buurlanden Libanon, Jordanië en Turkije;

L. overwegende dat de EU de grootste donor van humanitaire hulp in Syrië en zijn buurlanden is, met steuntoezeggingen ten belope van meer dan 9 miljard EUR sinds het begin van de crisis;

M. overwegende dat de Raad op 3 april 2017 een EU-strategie voor Syrië heeft vastgesteld met zes hoofddoelstellingen, te weten: beëindigen van de oorlog door een echte politieke transitie, bevorderen van een betekenisvolle en alomvattende transitie, tegemoet komen aan de humanitaire behoeften van de meest kwetsbare Syriërs, bevorderen van de democratie, de mensenrechten en de vrijheid van meningsuiting door versterking van Syrische maatschappelijke organisaties, ervoor helpen zorgen dat plegers van oorlogsmisdrijven ter verantwoording worden geroepen, en bijdragen tot de veerkracht van de Syrische bevolking en de Syrische samenleving;

1. veroordeelt met klem het Turkse militaire offensief in het noordoosten van Syrië en roept op tot een onmiddellijk staakt-het-vuren en een snelle terugtrekking van de Turkse troepen;

2. vraagt alle conflictpartijen, in het bijzonder Turkije, zich strikt te houden aan hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal humanitair recht en burgers te beschermen, onder meer door zich te houden aan het verbod op rechtstreekse aanvallen op burgers en civiele objecten, waaronder scholen, en willekeurige en onevenredige aanvallen; roept alle partijen op om burgers veilige doorgang te geven en humanitaire hulpverleners onbelemmerde toegang te verlenen; dringt er bij alle partijen op aan om kinderen te allen tijde te beschermen;

3. wijst de plannen van Turkije om langs de grens in het noordoosten van Syrië een zogenaamde veilige zone in te richten, krachtig van de hand; benadrukt dat gedwongen overbrenging van Syrische vluchtelingen of intern ontheemden naar dit gebied en daden met het oog op etnische zuivering een ernstige schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het internationaal vluchtelingenrecht en het humanitair recht zou vormen en een misdaad tegen de menselijkheid of genocide zou kunnen zijn; herinnert eraan dat een eventuele terugkeer van vluchtelingen veilig, vrijwillig en waardig dient te gebeuren, en dat een dergelijke terugkeer onder de huidige omstandigheden volstrekt ondenkbaar is; benadrukt dat de EU geen stabilisatie- of ontwikkelingshulp aan deze gebieden mag bieden;

4. betuigt zijn volledige solidariteit met het Koerdische volk en prijst de cruciale bijdrage van de SDF aan de bestrijding van IS; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan om al hun diplomatieke invloed aan te wenden opdat de belangen en de historische aanspraken op zelfbeschikking van de Koerden en de mensenrechten van de mensen die in de regio wonen, in een toekomstige politieke regeling voor het Syrië van morgen worden erkend en gewaarborgd; vraagt de EU meer humanitaire hulp te bieden aan de bevolking die wordt getroffen door de recentste militaire vijandelijkheden in het noordoosten van Syrië;

5. betreurt het dat de EU machteloos blijft staan tegenover internationale crises, ook in haar onmiddellijke omgeving, hetgeen rechtstreekse gevolgen heeft voor de interne veiligheid en stabiliteit van de EU; verwacht dat de nieuwe VV/HV de gelegenheid die de onbedachte terugtrekking van de VS biedt, aangrijpt om in het Syrische conflict niet langer passief toe te kijken, maar een proactieve diplomatieke rol te gaan spelen en contacten te leggen met alle regionale en lokale actoren; dringt er bij de lidstaten op aan zich te laten leiden door hun gemeenschappelijk belang en te streven naar een geloofwaardige, gecoördineerde en doeltreffende betrokkenheid van de EU; vraagt dat de EU een reeks maatregelen met het oog op bemiddeling en dialoog neemt, met name wat spanningen tussen gemeenschappen betreft;

6. onderstreept dat de eenzijdige Turkse interventie een ernstige schending van het internationaal recht vormt, die niet ongestraft mag blijven; vraagt in afwachting van corrigerende maatregelen van de kant van Turkije om een grondige herziening van de betrekkingen tussen de EU en Turkije; is van mening dat onder de huidige omstandigheden geen voorbereidende werkzaamheden voor of stappen in de richting van een modernisering van de douane-unie tussen de EU en Turkije kunnen worden ondernomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten na te gaan of de overeenkomst van 1995 inzake de douane-unie tussen de EU en Turkije kan worden opgeschort; vraagt ook dat de programma’s van Europese financiële instellingen (de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling en de Europese Investeringsbank) in het land opnieuw worden bekeken en acht het noodzakelijk na te denken over de wenselijkheid van een verdere participatie van Turkije in bepaalde regionale organisaties;

7. vraagt de EU gerichte maatregelen, inclusief bevriezing van tegoeden en visumverboden, te nemen tegen de Turkse functionarissen die verantwoordelijk zijn voor de militaire invasie en de daaruit voortvloeiende schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht; herinnert er in dit verband aan dat de het aandringt op een spoedige goedkeuring van een regeling op EU-niveau voor gerichte sancties voor schendingen van de mensenrechten;

8. is verheugd dat verscheidene lidstaten hebben verklaard voornemens te zijn geen vergunningen voor wapenoverdrachten aan Turkije meer af te geven, maar dringt er bij hen op aan ervoor te zorgen dat die opschorting ook geldt voor overdrachten waarvoor reeds een vergunning is afgegeven, met name door Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Finland; is van mening dat de conclusies van de Raad van 14 oktober 2019 niet adequaat zijn wat het wapenexportbeleid van de EU ten aanzien van Turkije betreft, en vraagt de EU en de lidstaten onmiddellijk een echt embargo in te stellen en alle overdrachten van wapens, alsook alle vormen van bijstand en diensten op veiligheids- en militair gebied aan Turkije en andere partijen bij het conflict in Syrië op te schorten;

9. is ontsteld over de zwakke reactie van de secretaris-generaal van de NAVO op de eenzijdige Turkse interventie; is van mening dat de NAVO-leden een krachtig standpunt moeten innemen en moeten overwegen het stemrecht van Turkije in de organisatie op te schorten;

10. benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat er verantwoording wordt afgelegd voor alle schendingen van het internationaal humanitair recht, met inbegrip van de recentste oorlogsmisdaden die tijdens de Turkse invasie zijn begaan; vraagt de EU en haar lidstaten deze schendingen te helpen documenteren en erop aan te dringen dat ze grondig en op onpartijdige wijze worden onderzocht en dat de daders worden vervolgd; vraagt de leden van de VN-Veiligheidsraad deze kwestie nader te onderzoeken en te overwegen om de situatie aan het Internationaal Strafhof voor te leggen;

11. vraagt Turkije ervoor te zorgen dat er verantwoording wordt afgelegd voor schendingen die aan Turkije gelieerde milities hebben begaan; herinnert de Turkse autoriteiten eraan dat zij verantwoordelijk zullen worden gesteld voor alle schendingen die door hun strijdkrachten of aan hen gelieerde milities zijn begaan, met inbegrip van de moord op Hevrin Khalaf en andere standrechtelijke executies;

12. uit zijn ernstige bezorgdheid over het verhoogde risico dat IS-strijders op de loop gaan en dat de jihadistische dreiging weer de kop opsteekt als gevolg van de Turkse inval; dringt er bij de lidstaten op aan al hun onderdanen die momenteel als IS-verdachte worden vastgehouden, alsook hun gezinsleden en kinderen, te repatriëren, voor de nodige reclassering en re-integratie te zorgen en zo nodig vervolging in te stellen in overeenstemming met de internationale normen;

13. verzoekt de lidstaten contact op te nemen met de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor deze kampen en een gecoördineerd beleid uit te werken om uit de EU afkomstige kinderen van strijders van IS of andere als terroristisch bestempelde groeperingen die zich in het noordoosten van Syrië bevinden, actief op te sporen en hen te repatriëren in het licht van het geëscaleerde geweld; betreurt dat de EU-lidstaten tot nog toe geen actie in die zin hebben ondernomen en dat er geen sprake is van coördinatie op EU-niveau; dringt er bij de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) op aan om een proactieve rol te spelen in dit proces;

14. dringt er bij alle betrokken actoren op aan ervoor te zorgen dat alle kinderen in de kampen, met inbegrip van het Al-Hol-kamp, toegang hebben tot humanitaire hulp, diensten en bijstand; vraagt alle partijen en de Syrische regering daarom humanitaire hulpverleners onmiddellijk toegang te verlenen tot de kampen zodat ze essentiële goederen, voedsel, schoon water en medicijnen kunnen leveren;

15. veroordeelt met klem het harde optreden van de Turkse autoriteiten tegen iedereen in het land die kritiek heeft op of vraagtekens plaatst bij de militaire operatie, zoals de arrestatie van meer dan 150 leden van de HDP en het onderzoek naar ruim 500 socialemedia-accounts die worden beschuldigd van het verspreiden van “terroristische propaganda”; veroordeelt ook het harde optreden tegen de persvrijheid en de intimidatie van journalisten die verslag uitbrengen over de militaire operatie; dringt er bij Turkije op aan alle aanklachten in te trekken tegen mensen die worden vastgehouden louter omdat ze hun recht op vrije meningsuiting uitoefenen; verwacht van de EU dat zij het harde optreden in Turkije tegen de vrijheid van meningsuiting en kritiek op de militaire operatie monitort en publiekelijk veroordeelt;

16. vraagt alle door Rusland geleide diplomatieke initiatieven de inspanningen van de VN om tot een politieke oplossing te komen, niet te ondermijnen; bevestigt in dit verband eens te meer dat het door de VN geleide proces van Genève de voornaamste rol moet blijven toekomen, en steunt de inspanningen van de speciale afgezant van de VN, Geir Pedersen, gericht op een daadwerkelijke politieke transitie in overeenstemming met de resoluties van de VN-Veiligheidsraad; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan om te pleiten voor een sterkere rol van de VN in het proces dat moet leiden tot vrede en stabiliteit in Syrië; herhaalt dat het belangrijk is dat, zoals ook staat in resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad, vrouwen deel uitmaken van het proces voor het oplossen van het conflict; benadrukt ook dat het belangrijk is om het Syrische maatschappelijk middenveld en alle etnische en religieuze minderheden te betrekken bij de gesprekken over de toekomst en de bestuursstructuur van Syrië;

17. is verheugd dat er onlangs een grondwettelijk comité is opgericht dankzij de bemiddeling van de VN en andere actoren; dringt er bij alle partijen op aan zich te blijven inzetten voor een politieke oplossing van het Syrische conflict; herinnert eraan dat er geen duurzame militaire oplossing voor het conflict bestaat, en verzoekt alle partijen zich volledig aan de resoluties van de VN-Veiligheidsraad te houden, waarin wordt aangedrongen op onmiddellijke beëindiging van de vijandelijkheden, opheffing van alle belegeringen, volledige en onbelemmerde toegang voor humanitaire hulp in het hele land, en bescherming van humanitaire hulpverleners door alle partijen;

18. blijft het onthutsend vinden dat de mensenrechtenactivist en laureaat van de Sacharovprijs Razan Zaitouneh, die naar verluidt in december 2013 in Douma door de gewapende groepering Jaysh al-Islam werd ontvoerd, nog altijd vermist is; dringt aan op de oprichting van een EU-taskforce voor het opvoeren en coördineren van de inspanningen om haar te vinden en vrij te krijgen;

19. is ingenomen met de steun van de EU voor lopende humanitaire hulp aan de buurlanden van Syrië, met name Turkije, die nog steeds miljoenen vluchtelingen opvangen; vraagt de lidstaten evenwel zich krachtiger in te zetten voor het delen van verantwoordelijkheden, zodat vluchtelingen die de oorlogsgebieden in Syrië ontvluchten, ook buiten de directe buurlanden bescherming kunnen vinden, door de hervestigingsregeling van de EU te versterken, humanitaire toelatingsregelingen in te stellen, gezinshereniging eenvoudiger te maken en flexibelere visumregels in te voeren; benadrukt dat de financiering in het kader van de verklaring van de EU en Turkije alleen de belangen en behoeften van de vluchtelingen mag dienen;

20. vraagt de EU en haar lidstaten het beginsel van non-refoulement strikt te eerbiedigen, Syrische vluchtelingen niet naar Turkije terug te sturen zolang zij het risico lopen naar het noordoosten van Syrië te worden gedeporteerd, en zich publiekelijk uit te spreken tegen de gedwongen terugkeer van Syriërs die zich momenteel in de buurlanden van Syrië bevinden;

21. betreurt ten zeerste dat de daders van ernstige misdrijven tijdens het Syrische conflict, met name het Assad-regime, nog steeds straffeloosheid genieten; is van mening dat het feit dat er geen verantwoording wordt afgelegd, een voedingsbodem is voor verdere wreedheden en het lijden van de slachtoffers nog verergert; benadrukt daarom dat alle daders ter verantwoording moeten worden geroepen, onder meer door de toepassing van universele rechtsmacht, en dat de slachtoffers schadeloos moeten worden gesteld; herinnert de lidstaten er ook aan dat zij uit hoofde van het internationaal recht verplicht zijn ervoor te zorgen mensen die zich op hun grondgebied bevinden en ervan worden verdacht wreedheden te hebben gepleegd, worden gearresteerd en opgesloten;

22. herinnert eraan dat alle maatregelen ter bestrijding van IS en andere bewegingen die door de VN-Veiligheidsraad als terroristische groeperingen zijn aangemerkt, strikt in overeenstemming moeten zijn met het internationaal recht; herinnert de lidstaten en hun bondgenoten eraan dat ze bij hun deelname aan internationale inspanningen van de coalitie en hun militaire samenwerking met de conflictpartijen moeten zorgen voor transparantie, verantwoordingsplicht en volledige inachtneming van het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten;

23. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de speciale gezant voor Syrië van de VN/de Arabische Liga, en alle bij het conflict in Syrië betrokken partijen.

[1] PB C 162 van 10.5.2019, blz. 119.

Laatst bijgewerkt op: 23 oktober 2019Juridische mededeling - Privacybeleid