Ontwerpresolutie - B9-0125/2019Ontwerpresolutie
B9-0125/2019

ONTWERPRESOLUTIE over de Turkse militaire operaties in het noordoosten van Syrië en de gevolgen daarvan

21.10.2019 - (2019/2886(RSP))

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid
ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement

Malik Azmani, Hilde Vautmans, Petras Auštrevičius, Izaskun Bilbao Barandica, Phil Bennion, Sylvie Brunet, Olivier Chastel, Katalin Cseh, Anna Júlia Donáth, Laurence Farreng, Valter Flego, Luis Garicano, Barbara Ann Gibson, Klemen Grošelj, Christophe Grudler, Bernard Guetta, Svenja Hahn, Martin Hojsík, Karin Karlsbro, Nathalie Loiseau, Karen Melchior, Urmas Paet, Maite Pagazaurtundúa, Frédérique Ries, María Soraya Rodríguez Ramos, Susana Solís Pérez, Marie‑Pierre Vedrenne
namens de Renew-Fractie

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0123/2019

Procedure : 2019/2886(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B9-0125/2019
Ingediende teksten :
B9-0125/2019
Aangenomen teksten :

B9‑0125/2019

Resolutie van het Europees Parlement over de Turkse militaire operaties in het noordoosten van Syrië en de gevolgen daarvan

(2019/2886(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties over Syrië en zijn resolutie van 14 maart 2019 over een Europese sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen[1],

 gezien de relevante verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), met name haar verklaring van 9 oktober 2019 over de recente ontwikkelingen in het noordoosten van Syrië en haar opmerkingen bij aankomst op en tijdens de persconferentie na de bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken van 14 oktober 2019,

 gezien de conclusies van de Europese Raad van 17 oktober 2019 over Turkije,

 gezien de conclusies van de Raad van 14 oktober 2019 over Noordoost-Syrië,

 gezien de toespraak van VV/HV Federica Mogherini tijdens de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 9 oktober 2019 over de situatie in het noorden van Syrië,

 gezien de verklaringen van Rupert Colville, woordvoerder van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, van 11 en 15 oktober 2019 over Syrië,

 gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 14 maart 2017 over elementen voor een EU-strategie voor Syrië (JOIN(2017)0011) en de conclusies van de Raad van 3 april 2017 over een EU-strategie voor Syrië,

 gezien het Handvest van de Verenigde Naties en alle VN-verdragen waarbij Turkije en Syrië partij zijn,

 gezien de relevante resoluties van de VN-Veiligheidsraad, met name resolutie 2254 (2015) van 18 december 2015, en het communiqué van Genève uit 2012,

 gezien resolutie 71/248 van de Algemene Vergadering van de VN van 21 december 2016 tot instelling van een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme ter ondersteuning van het onderzoek naar en de vervolging van de personen die, uit hoofde van internationale wetgeving, verantwoordelijk zijn voor de ernstigste misdrijven die sinds maart 2011 in de Arabische Republiek Syrië zijn gepleegd,

 gezien het Statuut van Rome en de oprichtingsdocumenten van het Internationaal Gerechtshof, en het precedent dat is geschapen door de oprichting van internationale tribunalen zoals het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië, het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda en het Speciale Tribunaal voor Libanon,

 gezien het memorandum over de totstandbrenging van de-escalatiegebieden in de Syrische Arabische Republiek, dat op 6 mei 2017 is ondertekend door Iran, Rusland en Turkije,

 gezien de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen hierbij,

 gezien de conclusies van de Raad van 16 maart 2015 over de regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die uitgaat van IS/Da’esh,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat Turkije, na het besluit van de Amerikaanse president Donald Trump om de Amerikaanse troepen uit het noordoosten van Syrië terug te trekken, op 9 oktober 2019 een militaire operatie is gestart in gebieden waarover de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) het gezag voeren; overwegende dat dit heeft geleid tot een groot aantal slachtoffers onder burgers en militairen aan beide zijden van de grens en, volgens VN-bronnen, de ontheemding van ten minste 300 000 burgers, waaronder 70 000 kinderen; overwegende dat de meeste internationale hulporganisaties zich om veiligheidsredenen gedwongen zagen hun werkzaamheden op te schorten en hun internationale personeel te evacueren; overwegende dat journalisten de regio moesten verlaten vanwege ernstige veiligheidskwesties, waardoor een eerlijke en nauwkeurige berichtgeving over het conflict onmogelijk is;

B. overwegende dat de VS en Turkije op 18 oktober 2019 een onmiddellijk vijfdaags staakt-het-vuren hebben afgekondigd in de grensstreek van Syrië; overwegende dat dit akkoord tijdelijk is, aangezien Turkije niet heeft toegezegd zijn strijdkrachten terug te trekken uit het noorden van Syrië;

C. overwegende dat het staakt-het-vuren betrekking heeft op het gebied tussen Ras al-Ain en Tal Abyad, een gebied aan de Turkse grens dat zich uitstrekt over bijna 120 kilometer, en dat het lot van de andere regio’s onder Koerdische controle niet is besproken;

D. overwegende dat de Europese Raad op 17 oktober 2019 de conclusies van de Raad van 14 oktober 2019 over Noordoost-Syrië heeft onderschreven, waarin het eenzijdige militaire optreden van Turkije in het noordoosten van Syrië – dat onaanvaardbaar menselijk lijden heeft veroorzaakt, de strijd tegen Daʼesh heeft ondermijnd en de Europese veiligheid ernstig in gevaar heeft gebracht – werd veroordeeld;

E. overwegende dat deze eenzijdige militaire operatie van Turkije geen rechtsgrondslag heeft, het conflict in Syrië dat al acht jaar lang woedt alleen maar verergert, nog meer menselijk lijden veroorzaakt en een negatief effect zal hebben op de inspanningen met het oog op een oplossing via onderhandelingen, alsmede op de strijd tegen terrorisme; overwegende dat het civiele conflict in Syrië voortduurt, ondanks diverse internationale inspanningen om een staakt-het-vuren tot stand te brengen en te werken aan een oplossing via onderhandelingen;

F. overwegende dat er specifieke meldingen zijn van moorden, intimidatie, mishandeling, ontvoering, plundering en inbeslagname van huizen van burgers door door Turkije gesteunde gewapende groepen, waarbij burgers die worden beschuldigd van banden met specifieke Koerdische groepen naar verluidt onder dwang uit hun huizen worden gezet of worden gearresteerd bij controleposten door leden van deze groepen; overwegende dat er meldingen zijn van het gebruik van onconventionele wapens tegen burgers, met inbegrip van kinderen; overwegende dat er volgens de VN meldingen zijn van standrechtelijke executies door strijders van de gewapende groep Ahrar al-Sharqiya, een bondgenoot van Turkije; overwegende dat Hevrin Khalaf, een bekende Koerdische vrouwelijke politicus, naar verluidt is gefolterd en geëxecuteerd door strijders van Ahrar al-Sharqiya;

G. overwegende dat er meldingen zijn van grond- en luchtaanvallen van het Turkse leger en aanverwante gewapende groepen die medische voorzieningen hebben geraakt, alsook civiele infrastructuur zoals waterpompstations, dammen, elektriciteitscentrales en olievelden; overwegende dat duizenden mensen het risico lopen dat ze verstoken blijven van adequate toegang tot schoon water;

H. overwegende dat de troepen van Bashar al-Assad na de terugtrekking van de Amerikaanse troepen op 14 oktober 2019 een aantal steden in de regio Rojava zijn binnengevallen, voor het eerst in zeven jaar nadat de Koerdische troepen instemden met een door Rusland bemiddeld akkoord in een poging een Turkse aanval tegen te houden; overwegende dat de precieze details van het akkoord tussen Damascus en de Koerden nog niet duidelijk zijn; overwegende dat er volgens nog niet geverifieerde verslagen van het Russische Ministerie van Defensie Russische troepen patrouilleren aan de frontlinies tussen de Turkse en Syrische strijdkrachten om deze uit elkaar te houden;

I. overwegende dat de inbreuken die tijdens het conflict in Syrië gepleegd zijn door het regime van Assad en zijn bondgenoten, IS/Da’esh en andere terroristische groepen, onder andere bestonden in aanvallen met chemische wapens, aanvallen op burgers, wederrechtelijk doden, foltering en mishandeling, gedwongen verdwijningen, massale en willekeurige arrestaties, collectieve straffen, aanvallen op medisch personeel en het ontzeggen van voedsel, water en medische hulp; overwegende dat deze misdaden neerkomen op oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide en tot nu toe onbestraft zijn gebleven;

J. overwegende dat het offensief onder leiding van Turkije, hoewel een bondgenoot van NAVO-lidstaten, alsook de gevolgen daarvan de inspanningen tenietdoen van de wereldwijde coalitie tegen IS, waarin de SDF momenteel nog steeds een cruciale rol spelen in de strijd tegen de nog actieve IS-strijders; overwegende dat de IS-strijders die in Koerdische kampen werden vastgehouden al zijn losgebroken om de strijd te hervatten en terreur te zaaien, hetgeen met grote voorrang moet worden voorkomen met het oog op de veiligheid in de regio en de EU;

K. overwegende dat de grote meerderheid van de duizenden Europese kinderen van IS-strijders zich momenteel bevinden in drie verschillende kampen in het noordoosten van Syrië, namelijk al-Hol, al-Roj en Ain Issa, die zwaar getroffen zijn door het Turkse offensief;

L. overwegende dat de gedwongen ontheemding van mensen, onder meer met het oog op demografische veranderingen, een duidelijke schending van het internationaal humanitair recht vormt en tot demografische en etnische veranderingen kan leiden; overwegende dat het opwerpen van obstakels voor de veilige, onbelemmerde en aanhoudende verstrekking van humanitaire hulp, evacuatie en medische zorg tevens een schending vormt van het internationaal humanitair recht en van diverse resoluties van de VN-Veiligheidsraad; overwegende dat de VN-Veiligheidsraad er ondanks de eensgezindheid van de EU niet in is geslaagd tot een akkoord te komen; overwegende dat Rusland de afgelopen jaren tegen 14 resoluties van de VN-Veiligheidsraad zijn veto heeft uitgesproken en een actieve rol heeft gespeeld om de inhoud van deze resoluties te beperken;

M. overwegende dat in het akkoord tussen de VS en Turkije van 17 oktober 2019 over een tijdelijk staakt-het-vuren geen rekening wordt gehouden met de werkelijke situatie ter plaatse; overwegende dat het ontstaan van nieuwe spanningen en bedreigingen kan leiden tot een ondermijning van de veiligheid van de burgerbevolking na het staakt-het-vuren van 120 uur;

N. overwegende dat het de verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap en de afzonderlijke landen is om degenen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van de internationale mensenrechten en het humanitair recht tijdens het conflict in Syrië ter verantwoording te roepen, onder meer door de toepassing van het beginsel van universele jurisdictie en het nationaal recht; overwegende dat dit ofwel voor bestaande nationale en internationale rechterlijke instanties, ofwel voor nog op te richten internationale ad-hoctribunalen kan plaatsvinden;

O. overwegende dat de EU zich krachtig blijft inzetten voor succes bij de onderhandelingen onder auspiciën van de speciale gezant van de VN voor Syrië, het zogenoemde proces van Genève; overwegende dat de secretaris-generaal van de VN op 23 september 2019 in de marge van de Algemene Vergadering van de VN meedeelde dat er een akkoord was bereikt over de oprichting van een grondwettelijk comité, dat nu wellicht niet meer bijeen kan komen als gevolg van het eenzijdige militaire optreden van Turkije;

P. overwegende dat als gevolg van de situatie in Syrië en het ontbreken van een alomvattende, daadwerkelijke en inclusieve politieke omslag de EU-strategie voor Syrië nog steeds niet ten volle kan worden uitgevoerd, met name wat de aanzienlijke bijstand betreft die de EU kan bieden bij de heropbouw van het land; overwegende dat bij de wederopbouw van Syrië een bottom-upbenadering moet worden gevolgd en dat ervoor moet worden gezorgd dat lokale actoren, met uitzondering van bekende terroristische groepen, hun lot in eigen handen nemen; overwegende dat de EU op 18 februari 2019 de derde Brusselse conferentie over de ondersteuning van de toekomst van Syrië en de regio heeft gehouden; overwegende dat alle donoren hun toezeggingen moeten nakomen;

Q. overwegende dat de EU lovenswaardige inspanningen levert als het aankomt op het verlenen van humanitaire hulp en het uitstippelen van een toekomst voor Syrië; overwegende dat de EU nooit onvoorwaardelijke steun mag verlenen aan de wederopbouw van een Syrië dat wordt bestuurd en gecontroleerd door Assad en zijn bondgenoten Rusland en Iran; overwegende dat niet mag worden toegestaan dat Assad, Turkije, Rusland en Iran hun ogen sluiten voor de economische gevolgen van hun militaire interventies; overwegende dat alle inspanningen op het gebied van wederopbouw gericht moeten zijn op vrede en aflegging van verantwoording;

R. overwegende dat de Raad, gezien de situatie in Syrië, een reeks beperkende maatregelen heeft genomen tegen personen die verantwoordelijk zijn voor de onderdrukking van de burgerbevolking in Syrië en personen en entiteiten die banden met hen hebben; overwegende dat de VS sancties heeft opgelegd aan Turkse ministeries en hoge regeringsfunctionarissen als reactie op het militaire offensief van het land in het noorden van Syrië; overwegende dat sommige lidstaten een wapenembargo hebben ingesteld tegen Turkije;

1. veroordeelt krachtig de eenzijdige militaire interventie van Turkije in het noordoosten van Syrië en roept Turkije op zijn militaire interventie onmiddellijk en definitief te beëindigen; benadrukt dat het ontstaan van nieuwe fronten in Syrië niet in het belang van de Turkse veiligheid is en waarschuwt voor een verdere verslechtering van de humanitaire crisis in Syrië; verlangt de volledige eerbiediging van het humanitair recht, inclusief de bescherming van burgers;

2. veroordeelt krachtig de gemelde schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht die tijdens dit conflict zijn begaan, niet alleen de schendingen die naar verluidt zijn begaan door de door Turkije gesteunde strijdkrachten, maar ook de schendingen die zijn begaan door de strijdkrachten van het regime van Assad met de steun van zijn bondgenoten Rusland en Iran en door op de VN-lijst geplaatste terroristische organisaties;

3. verzoekt de VV/HV het standpunt van de EU aan de Turkse autoriteiten mee te delen en de basis te leggen voor een krachtige en alomvattende reactie van de EU op deze crisis; dringt er bij haar op aan een dialoog aan te gaan met de Turkse autoriteiten om te zorgen voor een snelle de-escalatie van de situatie en het vinden van een duurzame oplossing voor de crisis; benadrukt dat de EU zich, in samenwerking met haar internationale partners, op alle mogelijke opties moet beraden, waaronder droppings van hulpgoederen vanuit de lucht, humanitaire corridors en de instelling van no-flyzones op basis van een resolutie van de VN-Veiligheidsraad;

4. wijst nogmaals op de ernstige gevolgen die verdere escalatie en destabilisatie in de regio met zich meebrengen, zowel voor de regio zelf als voor de EU, waaronder toenemende veiligheidsrisico’s, humanitaire crises en migratiestromen; dringt er daarom bij de Commissie op aan de EU in al haar facetten voor te bereiden om zo goed mogelijk te reageren op elke situatie die zich kan voordoen en het Europees Parlement in kennis te stellen van de mogelijke gevolgen van verdere escalatie en destabilisatie in de regio;

5. is ingenomen met het besluit van diverse lidstaten om de verlening van wapenuitvoervergunningen aan Turkije te stoppen; wijst met name nogmaals op de noodzaak van een strikte toepassing door alle lidstaten van de regels die zijn vastgelegd in Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad[2] betreffende wapenuitvoer, met inbegrip van de strikte toepassing van criterium 4 inzake regionale stabiliteit; dringt er bij de VV/HV op aan een initiatief te lanceren om Turkije een alomvattend EU-wapenembargo op te leggen, gezien de ernstige beschuldigingen van schendingen van het internationaal humanitair recht;

6. betreurt dat de Raad Buitenlandse Zaken het op 14 oktober 2019 niet eens kon worden over een EU-wapenembargo tegen Turkije, waarvoor Duitsland en Frankrijk zich hard hebben gemaakt;

7. herinnert de verantwoordelijken voor de huidige militaire operatie eraan dat zij krachtens het internationaal recht verantwoordelijk zijn voor de misdaden waaraan zij zich in Syrië schuldig maken, en dat degenen die deze misdaden plegen, of het nu gaat om staten of individuen, ter verantwoording zullen worden geroepen; herinnert aan de verplichting om het internationaal recht strikt na te leven; dringt aan op de vaststelling van een EU-strategie voor het afleggen van rekenschap voor de in Syrië gepleegde misdaden;

8. verzoekt de Raad een reeks gerichte sancties en een visumverbod op te leggen aan Turkse functionarissen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen tijdens de huidige militaire interventie van Turkije, alsmede een vergelijkbaar voorstel in te dienen voor de Turkse functionarissen die verantwoordelijk zijn voor de onderdrukking van de grondrechten in Turkije; verzoekt alle lidstaten met klem volledig uitvoering te geven aan Besluit 2013/255/GBVB van de Raad[3] betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, en in het bijzonder de vermogens van de in dat besluit genoemde personen te bevriezen en de toegang te beperken van de personen die voordeel hebben van of steun verlenen aan het Assad-regime;

9. wijst erop dat het Parlement zich de afgelopen jaren proactief heeft ingezet voor een beperking van de middelen voor het instrument voor pretoetredingssteun II (IPA) vanwege bezorgdheid inzake een gebrek aan eerbiediging van de mensenrechten; concludeert dat de stappen die de Turkse autoriteiten recentelijk hebben ondernomen in strijd zijn met de Europese waarden; verzoekt de Commissie alle voor Turkije bestemde IPA-middelen te bevriezen en afhankelijk te maken van de toekomstige handelswijze van Turkije, en er zo op toe te zien dat er geen (toekomstige) EU-middelen worden gebruikt om de lopende militaire operatie te financieren of de gedwongen terugkeer van Syrische vluchtelingen naar de zogenaamde “veilige zone” te faciliteren;

10. is zeer bezorgd over berichten dat honderden IS-gevangenen, onder wie veel buitenlandse strijders, ontsnappen uit kampen in het noorden van Syrië als gevolg van het Turkse offensief, wat het risico op een heropleving van IS vergroot; dringt er bij de VV/HV op aan om de Turkse autoriteiten te vragen om opheldering omtrent en verificatie van de toezegging die de Turkse president heeft gedaan in zijn brief aan Wall Street Journal van 14 oktober 2019, namelijk dat geen enkele IS-strijder het noordoosten van Syrië zal verlaten, en om informatie in te winnen over het Turkse beleid ter zake; verzoekt de nationale inlichtingen- en veiligheidsdiensten waakzaamheid te betrachten met betrekking tot de mogelijke terugkeer van buitenlandse strijders en hun gezinnen;

11. is bezorgd over de dramatische situatie en het lot van Europese kinderen van IS-strijders in het noorden van Syrië; verzoekt de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan de situatie en behoeften van deze kinderen teneinde ervoor te zorgen dat hun grondrechten worden geëerbiedigd; verzoekt de lidstaten het belang van het kind voorop te stellen bij alle beslissingen met betrekking tot kinderen;

12. betreurt ten zeerste dat herhaalde regionale en internationale pogingen om de oorlog te beëindigen hebben gefaald en dringt aan op hernieuwde en intensieve mondiale samenwerking om tot een vreedzame en duurzame oplossing voor het conflict te komen, in overeenstemming met resolutie 2254 van de VN-Veiligheidsraad en het communiqué van Genève uit 2012;

13. verzoekt de lidstaten de VN-Veiligheidsraad nogmaals te vragen een resolutie aan te nemen die hem in staat stelt gericht te handelen, met als uiteindelijk doel een door de VN geleide veiligheidszone in het noorden van Syrië ten behoeve van de mensen die daar wonen;

14. spreekt nogmaals zijn steun uit voor de inspanningen van de wereldwijde coalitie tegen Da’esh, waarvan Turkije deel uitmaakt; onderstreept dat de coalitie en de Syrische partnertroepen aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt in het offensief om Da’esh in Syrië te verslaan, maar is bezorgd dat deze vooruitgang wordt ondermijnd door het eenzijdige militaire optreden van Turkije; verzoekt de VS zich te kwijten van zijn verantwoordelijkheden in de coalitie, rekening houdend met het belang van de strijd tegen Da’esh;

15. eist de eerbiediging van het recht van etnische en religieuze groepen en minderheden in Syrië, en van alle verdrevenen, om waardig, gelijk en veilig te blijven wonen in, of terug te keren naar, hun historische en traditionele vaderland;

16. onderkent de indrukwekkende solidariteit die Jordanië, Libanon en Turkije ten aanzien van vluchtelingen hebben betoond, en roept de EU en haar lidstaten op financiële steun te blijven verlenen om in de dringende behoeften van vluchtelingen en hun gastgemeenschappen te voorzien; benadrukt dat erop moet worden toegezien dat er geen EU-middelen worden gebruikt om de lopende militaire operatie te financieren of de gedwongen terugkeer van Syrische vluchtelingen naar de zogenaamde “veilige zone” te faciliteren; onderstreept dat het beginsel van non-refoulement volledig in acht moet worden genomen; verwerpt de verklaringen van president Erdogan waarmee hij de EU bedreigt met een toevloed van vluchtelingen;

17. herinnert aan de aanbeveling in zijn resolutie van 13 maart 2019 over het Commissieverslag 2018 over Turkije[4] aan de Commissie en de Raad van de Europese Unie om, overeenkomstig het onderhandelingskader, de toetredingsonderhandelingen met Turkije formeel op te schorten en in het kader van alle politieke betrekkingen tussen de EU en Turkije voorwaarden te stellen inzake de eerbiediging van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten;

18. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Verenigde Naties, Turkije, de leden van de Internationale Steungroep voor Syrië en alle partijen die betrokken zijn bij het conflict, en ook te zorgen voor vertaling van deze tekst in het Arabisch en het Turks.

Laatst bijgewerkt op: 23 oktober 2019
Juridische mededeling - Privacybeleid