Procedure : 2019/2886(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0129/2019

Ingediende teksten :

B9-0129/2019

Debatten :

PV 23/10/2019 - 7
CRE 23/10/2019 - 7

Stemmingen :

PV 24/10/2019 - 8.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0049

<Date>{21/10/2019}21.10.2019</Date>
<NoDocSe>B9‑0129/2019</NoDocSe>
PDF 151kWORD 49k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de Turkse militaire operaties in het noordoosten van Syrië en de gevolgen daarvan</Titre>

<DocRef>(2019/2886(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Kati Piri, Nacho Sánchez Amor</Depute>

<Commission>{S&D}namens de S&D-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0123/2019

B9‑0129/2019

Resolutie van het Europees Parlement over de Turkse militaire operaties in het noordoosten van Syrië en de gevolgen daarvan

(2019/2886(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de conclusies van de Europese Raad over Turkije, illegale booractiviteiten en de MF17 van 17 oktober 2019,

 gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over Syrië van 14 oktober 2019,

 gezien de verklaring d.d. 9 oktober 2019 van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid namens de EU over de recente ontwikkelingen in het noordoosten van Syrië,

 gezien het akkoord tussen de VS en Turkije van 17 oktober 2019,

 gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 en andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de VN, met inbegrip van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

 gezien de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen hierbij,

 gezien het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en het aanvullende protocol daarbij uit 1967,

 gezien het NAVO-Verdrag van 1949,

 gezien het Verdrag inzake chemische wapens van 1993,

 gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van 14 maart 2017 getiteld “Elementen voor een EU-strategie voor Syrië” (JOIN(2017)0011), en de conclusies van de Raad over Syrië van 3 april 2017, die samen de nieuwe EU-strategie voor Syrië vormen,

 gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Syrië (VNVR), in het bijzonder resolutie 2254 (2015) van 18 december 2015, resolutie 2393 (2017) van 19 december 2017 over toestemming voor grens- en frontlinieoverschrijdende hulpleveranties in Syrië, en resolutie 2401 (2018) van 24 februari 2018 over stopzetting van de vijandelijkheden in Syrië gedurende een periode van 30 dagen om de levering van humanitaire hulp mogelijk te maken,

 gezien resolutie 71/248 van de Algemene Vergadering van de VN van 21 december 2016 over de instelling van een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme ter ondersteuning van het onderzoek naar en de vervolging van de personen die, uit hoofde van internationale wetgeving, verantwoordelijk zijn voor de ernstigste misdrijven die sinds maart 2011 in de Arabische Republiek Syrië zijn gepleegd,

 gezien het Statuut van Rome en de oprichtingsdocumenten van het Internationaal Gerechtshof en van ad-hoctribunalen, zoals het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië, het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda en het Speciale Tribunaal voor Libanon,

 gezien zijn eerdere resoluties over Syrië,

 gezien zijn eerdere resoluties over Turkije,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de president van de Verenigde Staten Donald Trump zich tijdens een telefoongesprek met de Turkse president Tayyip Erdoğan op 6 oktober 2019 niet heeft uitgesproken tegen een Turks offensief in het noordoosten van Syrië, dat enkele dagen eerder door president Erdoğan was aangekondigd; overwegende dat de VS vervolgens aankondigden hun troepen uit de desbetreffende gebieden terug te trekken, waarmee zij in wezen de weg vrijmaakten voor het Turkse offensief; overwegende dat het Turkse leger, na deze aankondiging, op 9 oktober, met de steun van de Syrisch-Arabische milities, stellingen langs de Turks-Syrische grens is begonnen te bombarderen met artilleriegeschut en vanuit de lucht, en met grondtroepen het noordoosten van Syrië is binnengevallen; overwegende dat de VN-Veiligheidsraad tot op heden niet op de crisis heeft gereageerd;

B. overwegende dat de Turkse regering de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) als het belangrijkste doelwit van haar militaire operatie in het noordoosten van Syrië heeft aangeduid; overwegende dat de SDF een belangrijke rol hebben gespeeld in de mondiale coalitie tegen de terroristische organisatie Daesh; overwegende dat de SDF in de oorlog tegen Daesh zo’n 11 000 strijders hebben verloren; overwegende dat de SDF worden geleid door de beschermingseenheden van het Koerdische volk (YPG-militie), die door Turkije wordt beschouwd als een tak van de Koerdische Arbeiderspartij, die op haar beurt op de Turkse en EU-lijst van terroristische organisaties staat;

C. overwegende dat de gezondheidsautoriteit van het door Koerden geleide bestuur in Noord-Oost-Syrië op 17 oktober meldde dat sinds het begin van het Turkse offensief in Syrië ten minste 218 burgers, onder wie 18 kinderen, zijn omgekomen; overwegende dat volgens de Turkse autoriteiten sinds 15 oktober in Turkije 18 burgers zijn gedood, terwijl 150 mensen gewond zijn geraakt bij mortieraanvallen die volgens hen door Koerdische strijdkrachten in Syrië zijn uitgevoerd;

D. overwegende dat volgens de Verenigde Naties sinds het begin van het Turkse offensief meer dan 130 000 mensen ontheemd zijn geraakt; overwegende dat Turkije bijna 600 “terroristen” zegt te hebben gedood en dat volgens rapporten van het Syrische observatiecentrum voor de mensenrechten tientallen burgers zijn omgekomen; overwegende dat het Turkse leger en zijn Syrisch-Arabische bondgenoten wreedheden begaan jegens SDF-strijders, lokale politici en activisten, alsook jegens de burgerbevolking;

E. overwegende dat door Turkije gesteunde strijdkrachten naar verluidt witte fosfor bevattende munitie hebben gebruikt; overwegende dat op fotomateriaal en videobeelden uit ziekenhuizen in Tal Tamar en al-Hasakah kinderen te zien zijn met ernstige chemische brandwonden; overwegende dat Turkije deze aantijgingen heeft weersproken; overwegende dat de SDF internationale organisaties hebben opgeroepen deskundigen te sturen om de kwestie te onderzoeken; overwegende dat VN-inspecteurs voor chemische wapens hebben gemeld dat zij naar aanleiding van deze beschuldigingen zijn begonnen met het verzamelen van informatie;

F. overwegende dat honderden Daesh-leden, onder wie EU-burgers, naar verluidt tijdens het Turkse offensief zijn ontsnapt uit de door de SDF bewaakte gevangenissen; overwegende dat onbekend is waar zij zich op dit moment bevinden; overwegende dat de SDF beweren zo’n 10 000 strijders van Islamitische Staat vast te houden;

G. overwegende dat in diverse provincies sinds juli 2019 geloofwaardige meldingen binnenkomen van willekeurige detentie en gedwongen uitzetting van tientallen Syriërs naar het noordoosten van Syrië door de Turkse autoriteiten, hetgeen een schending vormt van de internationale verplichting van Turkije om geen mensen terug te sturen naar een plaats waar zij een reëel gevaar lopen te worden vervolgd, gefolterd, mishandeld of gedood;

H. overwegende dat het creëren van veilige zones in Syrië ernstige zorgen oproept over de veiligheid van mensen die tijdens het conflict ontheemd zijn geraakt en degenen die vanuit Turkije niet konden worden hervestigd; overwegende dat het instellen van dergelijke zones een schending van de rechten van de lokale bevolking zou betekenen, zou leiden tot wezenlijke demografische veranderingen en op lokaal verzet zou stuiten; overwegende dat “veilige zones” in de context van militaire conflicten vaak “oorlogszones” voor burgers worden;

I. overwegende dat de Raad de Turkse operatie heeft veroordeeld en ervoor heeft gepleit een aantal eerste maatregelen te nemen met betrekking tot de wapenverkoop aan Turkije; overwegende dat een aantal EU-lidstaten de verkoop van wapens aan Turkije reeds formeel heeft opgeschort, overeenkomstig de bepalingen van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie;

J. overwegende dat de douane-unie tussen Turkije en de EU in 1995 in werking is getreden en sindsdien ongewijzigd is gebleven; overwegende dat de bilaterale handel als gevolg hiervan meer dan verviervoudigd is; overwegende dat Turkije in 2018 de op vier na grootste handelspartner van de EU was, terwijl de EU voor Turkije veruit de belangrijkste handelspartner en de grootste bron van buitenlandse directe investeringen (BDI’s) vormt; overwegende dat het initiatief om de douane-unie te moderniseren in 2018 door de EU werd opgeschort vanwege de zorgwekkende politieke ontwikkelingen in Turkije;

K. overwegende dat de EU-Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije aanzienlijke extra financiering biedt om vluchtelingen in Turkije te steunen, en in het totaal een bedrag van 6 miljard EUR beheert; overwegende dat Turkije, vanwege de ongekende instroom van mensen op de vlucht voor het geweld in Syrië, op dit moment meer dan 3,6 miljoen Syrische vluchtelingen huisvest; overwegende dat Turkije zich op prijzenswaardige wijze inzet om deze vluchtelingen humanitaire en ontwikkelingshulp te bieden;

L. overwegende dat Turkije nog altijd een belangrijke partner van de EU en NAVO-lid is, en een belangrijke rol speelt in de Syrische crisis en de regio; overwegende dat in artikel 1 van het NAVO-Verdrag is vastgelegd dat de partijen bij dit Verdrag zich ertoe verbinden om alle internationale geschillen waarin zij mochten worden gewikkeld met vreedzame middelen te beslechten op zodanige wijze dat de internationale vrede en veiligheid en gerechtigheid niet in gevaar worden gebracht, en zich in hun internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld op enige wijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties;

M. overwegende dat de EU, volgens haar officiële standpunt, blijft hechten aan de eenheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van de Syrische staat; overwegende dat deze doelstellingen uitsluitend kunnen worden gewaarborgd door middel van een daadwerkelijke politieke overgang in overeenstemming met VNVR-Resolutie 2254 en het Communiqué van Genève van 2012, dat het resultaat is van onderhandelingen tussen de Syrische partijen binnen het door de VN geleide proces van Genève;

N. overwegende dat onder auspiciën van de Verenigde Naties door de regering van de Arabische Republiek Syrië en de Syrische onderhandelingscommissie overeen is gekomen om een geloofwaardige, evenwichtige en inclusieve constitutionele commissie op te richten die een politieke oplossing voor de oorlog in Syrië moet bevorderen;

O. overwegende dat het de plicht van de internationale gemeenschap en de afzonderlijke landen is om degenen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van de internationale mensenrechten en het humanitair recht tijdens het conflict in Syrië ter verantwoording te roepen, onder meer door toepassing van het beginsel van universele jurisdictie en het nationaal recht; overwegende dat dit kan worden gedaan op basis van bestaande nationale en internationale rechtsmiddelen, zoals nationale rechtbanken en internationale tribunalen, of nog op te richten internationale gelegenheidstribunalen; overwegende dat niet alleen personen strafrechtelijk ter verantwoording kunnen worden geroepen, maar dat ook landen onder bepaalde voorwaarden kunnen worden vervolgd wegens niet-nakoming van verplichtingen uit hoofde van internationale verdragen en overeenkomsten waarover het Internationaal Gerechtshof rechtsmacht heeft, waaronder het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984 en het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide van 1948;

1. veroordeelt de Turkse invasie in het noordoosten van Syrië krachtig als een schending van het internationaal recht, die een ernstige bedreiging vormt voor de relatieve stabiliteit en veiligheid in de regio, leidt tot massale ontheemding van burgers en kan bijdragen tot een heropleving van Daesh, hetgeen een veiligheidsdreiging blijft voor burgers in Syrië, Turkije, de regio en de EU, maar ook wereldwijd; betreurt het feit dat de Verenigde Staten zich een onbetrouwbare bondgenoot hebben betoond en laakt de manier waarop de VS de terugtrekking van hun troepen uit het noordoosten van Syrië hebben aangekondigd en voltrokken;

2. roept Turkije op onmiddellijk en definitief een einde te maken aan zijn militaire operatie in het noordoosten van Syrië, een permanent staakt-het-vuren af te kondigen en al zijn troepen uit Syrië terug te trekken;

3. erkent en is dankbaar voor de cruciale bijdrage die de SDF, en dan met name vrouwen, hebben geleverd als een bondgenoot in de strijd tegen Daesh; waardeert eveneens het feit dat zij het belang van vrijheid en burgerrechten hebben versterkt in de ontwikkeling van het sociale, politieke en culturele leven in de overwegend Koerdische regio van Syrië;

4. neemt kennis van het akkoord tussen de VS en Turkije van 17 oktober 2019 over een tijdelijk staakt-het-vuren; verwerpt evenwel de bepalingen waarin de Turkse bezetting van de “veilige zone” in het noordoosten van Syrië wordt gerechtvaardigd; spreekt bovendien de ernstige zorg uit dat het akkoord niet alleen voorziet in de ontheemding van de lokale bevolking van Koerden, jezidi’s en Asyrriërs, alsook van Turkmeense, Armenische, Arabische en andere minderheden, maar ook in hun hervestiging in overwegend Arabische gebieden, hetgeen zou leiden tot nieuwe spanningen en de veiligheid van de burgerbevolking in gevaar zou brengen; benadrukt nogmaals dat er een algehele politieke oplossing voor het Syrische conflict moet worden gevonden, op basis van de erkenning van de eenheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van de Syrische staat, met volledige eerbiediging van de rechten van alle etnische en religieuze onderdelen van de Syrische samenleving, binnen het kader van de resolutie 2254 van de VN-Veiligheidsraad en het communiqué van Genève uit 2012, waarover door de Syrische partijen werd onderhandeld in het kader van het door de VN geleide proces van Genève en dat de basis vormt voor een daadwerkelijke politieke transitie;

5. is in dit verband ingenomen met de oprichting van de constitutionele commissie en de inspanningen van Geir O. Pedersen, de speciale gezant van de secretaris-generaal van de VN voor Syrië, die een geloofwaardige, evenwichtige en inclusieve basis zouden moeten bieden voor een politiek proces tussen Syriërs zonder inmenging van buitenaf; dringt erop aan de SDF bij dit proces te betrekken; herinnert eraan dat er geen duurzame militaire oplossing van het conflict is, en verzoekt alle partijen zich volledig aan de resoluties van de VN-Veiligheidsraad te houden, waarin wordt aangedrongen op onmiddellijke beëindiging van de vijandelijkheden, opheffing van alle belegeringen, volledige en onbelemmerde toegang voor humanitaire hulp in het hele land, en bescherming van humanitaire hulpverleners door alle partijen;

6. wijst de plannen van Turkije om langs de grens in het noordoosten van Syrië een zogenaamde veilige zone in te richten, krachtig van de hand; benadrukt dat het gedwongen overbrengen van Syrische vluchtelingen of intern ontheemde personen naar dit gebied een ernstige schending zou vormen van het vastgelegde internationaal vluchtelingenrecht, het internationaal humanitair recht en het beginsel van non-refoulement; herinnert eraan dat een eventuele terugkeer van vluchtelingen veilig, vrijwillig en waardig dient te gebeuren, en dat een dergelijke terugkeer onder de huidige omstandigheden volstrekt ondenkbaar is; benadrukt dat de EU geen stabilisatie- of ontwikkelingshulp aan deze gebieden mag bieden;

7. dringt er bij de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, op aan om, zo lang de Turkse militaire operatie in Syrië voortduurt, in de Raad voor te stellen dat alle EU-lidstaten overgaan tot een onmiddellijke en volledige opschorting van vergunningen voor wapenuitvoer naar Turkije en andere partijen in het conflict in Syrië waartegen geloofwaardige beschuldigingen van ernstige schendingen van het internationaal recht zijn geuit, ook voor goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik, overeenkomstig Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad; is ingenomen met het feit dat sommige lidstaten deze maatregel reeds hebben genomen;

8. dringt er bij de Raad op aan individuele en gerichte restrictieve maatregelen te nemen, met name de bevriezing van tegoeden en inreisverboden voor de EU, jegens alle personen of entiteiten die verantwoordelijk zijn voor of betrokken zijn bij grove mensenrechtenschendingen in het kader van de militaire operatie in het noordoosten van Syrië, of die deze schendingen hebben ondersteund, gefinancierd of een rol hebben gespeeld bij het plannen, aansturen of verordenen ervan;

9. dringt er bij de Raad op aan om, met het oog op een afschrikkende werking teneinde een escalatie in het noordoosten van Syrië te voorkomen, de handelspreferenties in het kader van de overeenkomst over landbouwproducten op te schorten, en als laatste redmiddel, de douane-unie tussen de EU-en Turkije op te schorten;

10. dringt er bij de VN-Veiligheidsraad op aan snel alle beschikbare instrumenten aan te wenden om getroffen burgers te beschermen;

11. dringt er bij de Turkse autoriteiten en andere bij het conflict betrokken partijen op aan zich te houden aan het internationaal humanitair recht, wat betekent dat de betrokken actoren alle voorzorgsmaatregelen moeten nemen om burgerdoden te voorkomen, alle vermeende onrechtmatige aanvallen moeten onderzoeken, ontheemden voldoende ondersteuning moeten bieden, en moeten waarborgen dat grondtroepen bewoners die ervoor kiezen in het gebied te blijven niet intimideren, willekeurig gevangen nemen of mishandelen, en de veiligheid van humanitaire hulpmedewerkers moeten garanderen;

12. spreekt zijn krachtige veroordeling uit over de standrechtelijke executie van Hevrin Khalaf, een bekende Koerdische vrouwelijke politica, naar verluidt door strijders van een aan Turkije gelieerde groep, Ahrar al-Sharqiya; dringt aan op een onderzoek naar deze moord en andere standrechtelijke executies, en eist dat degenen die voor deze misdaden verantwoordelijk zijn ter verantwoording worden geroepen;

13. is uiterst bezorgd over de beschuldigingen ten aanzien van het gebruik van witte fosfor tegen burgers door Turkse troepen en/of aan hen gelieerde groeperingen, hetgeen volgens internationaal recht verboden is; staat volledig achter het werk van de Organisatie voor het verbod van chemische wapens (OPCW), die een onderzoek naar het mogelijk gebruik van witte fosfor is begonnen; dringt erop aan dat degenen die verantwoordelijk zijn worden berecht;

14. roept de Turkse autoriteiten op journalisten en mensenrechtenbeschermers niet te straffen voor het innemen van een kritisch standpunt in hun verslaggeving over het verloop van de militaire operatie, en zich te onthouden van represailles tegen bijvoorbeeld democratisch gekozen Koerdische burgemeesters, en politici en vreedzame activisten in Turkije zelf;

15. dringt er bij alle partijen, inclusief Turkije, op aan om samen met de Syrische regering en de Koerdische strijdkrachten, ongehinderde toegang te verschaffen aan lokale en internationale humanitaire organisaties;

16. dringt er bij de EU-lidstaten op aan noodplannen op te stellen voor veiligheidsdreigingen als gevolg van de mogelijke terugkeer van buitenlandse Daesh-strijders, en deze personen overeenkomstig de internationale normen te berechten voor de wreedheden die zij hebben begaan; wijst voorts op de humanitaire plicht om de kinderen van EU-onderdanen veilig te repatriëren;

17. is ingenomen met de steun van de EU voor lopende humanitaire hulp aan de buurlanden van Syrië, met name Turkije, die nog steeds miljoenen vluchtelingen opvangen; vindt het onaanvaardbaar dat president Erdoğan vluchtelingen als wapen gebruikt en hen inzet als chantagemiddel tegen de EU; dringt er bij de lidstaten op aan zich krachtiger in te zetten voor het delen van verantwoordelijkheden, om zo de vluchtelingen die de oorlogsgebieden in Syrië ontvluchten, in staat te stellen om bescherming te vinden in de direct aangrenzende regio, door middel van hervestiging, de opzet van humanitaire corridors en humanitaire toelatingsregelingen, en door te zorgen voor eenvoudigere gezinshereniging en flexibelere visumregels; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan te zorgen voor extra financiering voor de Koerdische regionale regering van Irak, om haar te helpen de instroom van vluchtelingen vanuit Syrië het hoofd te bieden;

18. erkent dat Turkije legitieme veiligheidszorgen heeft, maar benadrukt eens te meer dat deze moeten worden aangepakt met politieke en diplomatieke middelen, niet met militair optreden, en in overeenstemming met het internationaal humanitair recht;

19. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de speciale gezant voor Syrië van de VN/de Arabische Liga, en alle bij het conflict in Syrië betrokken partijen.

 

Laatst bijgewerkt op: 23 oktober 2019Juridische mededeling - Privacybeleid