Procedure : 2019/2886(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0133/2019

Ingediende teksten :

B9-0133/2019

Debatten :

PV 23/10/2019 - 7
CRE 23/10/2019 - 7

Stemmingen :

PV 24/10/2019 - 8.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0049

<Date>{21/10/2019}21.10.2019</Date>
<NoDocSe>B9‑0133/2019</NoDocSe>
PDF 155kWORD 52k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de Turkse militaire operaties in het noordoosten van Syrië en de gevolgen daarvan</Titre>

<DocRef>(2019/2886(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Anna Fotyga, Adam Bielan, Zdzisław Krasnodębski, Assita Kanko, Witold Jan Waszczykowski, Ryszard Czarnecki, Jadwiga Wiśniewska, Ruža Tomašić</Depute>

<Commission>{ECR}namens de ECR-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>


B9‑0133/2019

Resolutie van het Europees Parlement over de Turkse militaire operaties in het noordoosten van Syrië en de gevolgen daarvan

(2019/2886(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in Syrië,

 gezien zijn resolutie van 13 maart 2019 over het voortgangsverslag van de Commissie over Turkije uit 2018[1],

 gezien de EU-strategie voor Syrië, die op 3 april 2017 door de Raad is goedgekeurd,

 gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Syrië,

 gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Da’esh,

 gezien de conclusies van de Raad van 14 oktober 2019 over het noordoosten van Syrië,

 gezien de verklaring van de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 14 oktober 2019 over Bangladesh,

 gezien de verklaring van woensdag 9 oktober 2019 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid (VV/HV) namens de EU over de recente ontwikkelingen in het noordoosten van Syrië,

 gezien het communiqué van de Arabische Liga van 12 oktober 2019 over de militaire operatie van Turkije in het noordoosten van Syrië,

 gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

 gezien het Verdrag van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen hierbij,

 gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 1966,

 gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989 en het bijbehorende Facultatief Protocol inzake de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten van 2000,

 gezien de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging van 1981,

 gezien het VN-Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens,

 gezien het VN-Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens,

 gezien het VN-Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide van 9 december 1948,

 gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de Amerikaanse regering op 6 oktober 2019 heeft aangekondigd dat de Amerikaanse troepen zich zullen terugtrekken uit de Syrische gebieden die aan Turkije grenzen, hetgeen een lang voorbereide operatie van de Turkse strijdkrachten mogelijk maakt; overwegende dat de kosten van de Amerikaanse betrokkenheid in Syrië meer dan 50 miljard USD bedragen, wat de omvang van de Europese steun aanzienlijk overtreft; overwegende dat de meerderheid van de 1 000 Amerikaanse troepen die in Syrië gestationeerd zijn, zich in het noordelijke deel van het land bevindt;

B. overwegende dat de Turkse president Recep Tayyip Erdogan, na de voorafgaande militaire operaties “Euphraatschild” en “Olijftak”, op 9 oktober 2019 het begin heeft aangekondigd van “Operatie Vredeslente” door het Turkse leger en de geallieerde Syrische rebellengroeperingen, om “de totstandbrenging van een terreurcorridor aan de andere zijde van de zuidelijke grens te voorkomen en vrede in het gebied te brengen”; overwegende dat er naar verluidt bezorgdheid bestaat over Syrische rebellengroeperingen die extremistische groepen omvatten, terwijl de Turkse interventie plaatsvindt zonder een mandaat van de VN;

C. overwegende dat Turkije reeds lang heeft gedreigd een operatie te starten op het grondgebied van de Syrische Democratische Strijdkrachten (SGF) om een “veilige zone” van 32 km breed en een lengte van 480 km aan de Syrische zijde van de grens te creëren, en leden van de Koerdische YPG-militie terug te dringen, een organisatie die door Turkije wordt beschouwd als een verlengstuk van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK), een terroristische organisatie die door Turkije, de EU en de VS verboden is; overwegende dat de PKK de afgelopen twee jaar honderden aanvallen op en vijandige acties tegen Turkije heeft gepleegd;

D. overwegende dat, hoewel de SGF vastbesloten waren om hun grondgebied ten koste van alles te verdedigen, de door Turkije geleide strijdkrachten in staat waren de dunbevolkte, voornamelijk Arabische gebieden tussen de steden Tal Abyad en Ras al-Ain te bezetten; overwegende dat de Turkse lucht- en artillerieaanvallen een veel groter gebied hebben getroffen, waaronder voornamelijk Koerdische steden en dorpen in het westen en het oosten;

E. overwegende dat functionarissen van de VS op 13 oktober hebben besloten een begin te maken met de terugtrekking van alle Amerikaanse troepen in het noorden van Syrië, waardoor de SGF ertoe werden aangezet tot een akkoord te komen met het Syrische regime zodat het Syrische leger toegang heeft tot het gebied, zich kan stationeren langs de Syrisch-Turkse grens en de Turkse aanval kan afslaan;

F. overwegende dat naar verluidt uren nadat een akkoord was bereikt tussen de VS en Turkije, dit akkoord is geschonden door de voortzetting van Turkse artillerieaanvallen op Ras al-Ain, waar sinds de terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit het gebied sprake is van zwaar geweld;

G. overwegende dat op 18 oktober werd gemeld dat VN-inspecteurs voor chemische wapens hadden aangekondigd informatie te zullen verzamelen in verband met beschuldigingen van het gebruik van witte fosfor door de Turkse strijdkrachten tegen burgers, met inbegrip van kinderen; overwegende dat Turkije de beschuldigingen heeft ontkend;

H. overwegende dat, in een poging een Turks offensief in Syrië af te wenden, de Amerikaanse en Turkse strijdkrachten in augustus 2019 waren overeengekomen om een veiligheidsmechanisme in te stellen aan de Syrische zijde van de grens, een gebied dat vrij zou worden gehouden van YPG-strijders;

I. overwegende dat Turkije hoopt tot 2 miljoen van de 3,6 miljoen Syrische vluchtelingen die het land de afgelopen acht jaar heeft opgevangen, te hervestigen in de “veilige zone” die door de huidige militaire operatie is gecreëerd; overwegende dat Turkije adequate zorg en veilig onderdak heeft geboden aan de opgevangen Syrische vluchtelingen;

J. overwegende dat meer dan 160 000 mensen de gebieden zijn ontvlucht waarop de recente Turkse militaire operaties zijn gericht, en overwegende dat misschien meer dan 500 000 mensen zullen moeten vluchten; overwegende dat de meeste van de ontheemde burgers afkomstig zijn uit de steden Ras al Ain en Tal Abyad, waarop de Turkse interventie oorspronkelijk was gericht;

K. overwegende dat naar verluidt de bloedige aanval in het noordoosten van Syrië heeft geleid tot de executie van Koerdische gevangenen en het doden van tientallen ongewapende burgers, onder wie Hevrin Khalaf, de secretaris-generaal van de Future Syria Party, alsook journalisten en leden van de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF); overwegende dat ook aan Turkse zijde doden en gewonden zijn gevallen;

L. overwegende dat Turkije een van de grootste contribuanten is van troepen, apparatuur en inlichtingen aan de NAVO; overwegende dat zijn lidmaatschap van de NAVO vereist dat alle internationale wetten en verdragen worden nageleefd en de verplichtingen uit hoofde van artikel 2 van het NAVO-verdrag worden nagekomen;

M. overwegende dat verschillende EU-lidstaten hebben besloten de wapenexport naar Turkije op te schorten naar aanleiding van de interventie van Turkije in het noordoosten van Syrië;

N. overwegende dat het Amerikaanse Congres naar verwachting een breed pakket van sancties tegen Turkije zal aannemen, met inbegrip van het verminderen van militaire steun, bovenop de sancties die reeds door de Amerikaanse regering zijn opgelegd, zoals sancties tegen Turkse ambtenaren en zijn weigering van militaire samenwerking na de aankoop door Turkije van Russische S-400-luchtdoelsystemen;

O. overwegende dat Turkije een legitiem recht heeft om terrorisme te bestrijden en de veiligheid van zijn grenzen te waarborgen, met inachtneming van de territoriale integriteit van zijn buurlanden; overwegende dat het tegelijkertijd de verantwoordelijkheid heeft ervoor te zorgen dat zijn optreden in overeenstemming is met het internationaal recht en zijn internationale verplichtingen;

P. overwegende dat de internationale coalitie onder leiding van de VS en met betrokkenheid van de regionale partners, waaronder de Koerden, heeft geleid tot de val van de zogenaamde Islamitische Staat en de gevangenneming van duizenden Da’esh-strijders, onder wie vrouwen en kinderen, in het noordoosten van Syrië; overwegende dat Turkije lid blijft van de wereldwijde coalitie tegen Da’esh;

Q. overwegende dat de wereldwijde coalitie tegen Da’esh, naast de militaire campagne in Irak en Syrië, zich ertoe heeft verbonden de financiële en economische infrastructuur van Da’esh aan te pakken, de stroom van buitenlandse terroristische strijders over de grenzen heen te voorkomen, de stabilisering en het herstel van essentiële openbare diensten in gebieden die bevrijd zijn van Da’esh te ondersteunen, en de propaganda van de groep te bestrijden;

R. overwegende dat naar verluidt ongeveer 68 000 mensen die banden hebben met Da’esh worden vastgehouden in het kamp al-Hol in het noordoosten van Syrië, van wie meer dan 94 % vrouwen en kinderen zijn, en 11 000 een buitenlandse nationaliteit hebben; overwegende dat meer dan 12 000 mannen die ervan verdacht worden leden van Da’esh te zijn, in zeven door de SDF beheerde gevangenissen worden vastgehouden, van wie ten minste 4 000 buitenlander zijn;

S. overwegende dat een aantal strijders van Da’esh uit deze gevangenissen is kunnen ontsnappen, alsook honderden vrouwen en kinderen uit de kampen waar ze werden vastgehouden, aangezien Koerdische bewakers gedwongen werden hun post te verlaten en de Turkse aanvallen te ontvluchten; overwegende dat ontsnapping van strijders van Da’esh, vrouwen en kinderen een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid van de regio, Europa en de wereld; overwegende dat het risico bestaat dat de recente ontsnappingen Da’esh sterken en tot de wederopstanding van de organisatie in de regio leiden;

T. overwegende dat de betrokkenheid van Rusland in Syrië is bedoeld om het Assad-regime aan de macht te houden en het machtsvacuüm te benutten dat sinds het begin van de burgeroorlog is gecreëerd, hetgeen leidt tot een steeds agressievere Russische rol in de regio;

U. overwegende dat het conflict in Syrië niet met militaire middelen kan worden opgelost en dat er geen sprake kan zijn van een betekenisvol of geslaagd vredesakkoord waarbij president Bashar al-Assad aan de macht blijft;

V. overwegende dat het gebruik van foltering, massale arrestaties en de verregaande verwoesting van bevolkte gebieden in Syrië sinds het begin van het conflict drastisch is toegenomen, waarbij grote aantallen Syriërs ontheemd zijn en gedwongen worden zich verder te verwijderen van de broodnodige humanitaire hulp;

W. overwegende dat het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, dat door alle EU-lidstaten is ondertekend en geratificeerd, bepaalt dat de ernstigste misdaden die de gehele internationale gemeenschap aangaan, met name genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven, niet ongestraft mogen blijven;

X. overwegende dat gerichte acties tegen personen of groepen op religieuze of etnische gronden en aanvallen op burgers die niet aan de vijandelijkheden deelnemen of op personen die humanitaire hulp bieden aan de slachtoffers van het conflict, krachtens het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten verboden zijn; overwegende dat dergelijke acties wellicht oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid zijn;

1. is verheugd over de tijdelijke stopzetting van de operaties van de Turkse strijdkrachten en dringt er bij alle partijen bij de recente vijandelijkheden in Syrië op aan hun toezeggingen na te komen en zich te onthouden van agressieve acties; dringt er bij Turkije op aan zich terughoudend op te stellen en ervoor te zorgen dat “Operatie Vredeslente” in het noordoosten van Syrië beperkt en proportioneel is en de territoriale integriteit van Syrië eerbiedigt;

2. dringt er bij alle partijen bij de recente vijandelijkheden op aan internationale onderhandelingen te beginnen teneinde een permanente oplossing te vinden voor de situatie langs de noordoostelijke grens van Syrië; vraagt dat de autonomie van de Koerdische regio in Syrië gewaarborgd blijft;

3. betreurt de executie van en de moord op onschuldige burgers door alle partijen; is solidair met alle burgers en journalisten die in het conflict verwikkeld geraakt zijn en benadrukt dat hun veiligheid door alle partijen gewaarborgd moet worden;

4. spreekt zijn waardering uit voor de Koerdische strijders die hebben gestreden in de oorlog tegen Da’esh en vele doden en gewonden hebben moeten betreuren, en is van mening dat de autonomie van de Koerdische regio in Syrië moet worden gewaarborgd;

5. benadrukt dat het Syrische conflict dringend moet worden beëindigd; betreurt het falen van herhaaldelijke regionale en internationale pogingen om de oorlog in Syrië te beëindigen ten zeerste, en dringt aan op hernieuwde en intensieve mondiale samenwerking om een vreedzame en duurzame oplossing van het conflict te bewerkstelligen; blijft zich inzetten voor de eenheid, soevereiniteit, territoriale integriteit en onafhankelijkheid van Syrië;

6. benadrukt de dringende behoefte aan informatie in verband met de recente meldingen van het gebruik van witte fosfor in het noordoosten van Syrië; schaart zich onvoorwaardelijk achter de inspanningen van de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens (OVCW) om informatie over de kwestie te verzamelen; veroordeelt met klem het gebruik van chemische wapens, indien dit het geval is;

7. veroordeelt onvoorwaardelijk de aanvallen op de Amerikaanse troepen en roept alle partijen op hun veiligheid te waarborgen; betreurt het besluit van de VS om zijn troepen terug te trekken uit het noordoosten van Syrië, maar merkt op dat de lidstaten geen troepen naar het gebied hebben gestuurd;

8. benadrukt dat de trans-Atlantische gemeenschap verenigd moet blijven in de strijd tegen Da’esh en dat de geboekte vooruitgang in de strijd tegen deze barbaarse islamistische terreurgroep niet in gevaar mag worden gebracht;

9. is van mening dat er een risico bestaat dat de acties van Turkije de regio verder destabiliseren, de spanningen doen toenemen en meer menselijk leed veroorzaken, onder meer door het leven van onschuldige burgers in gevaar te brengen en de internationale campagne tegen Da’esh te bedreigen en te ondermijnen;

10. geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de mogelijkheid dat Da’esh-strijders bevrijd worden of ontsnappen uit de gevangenissen waarin zij momenteel worden vastgehouden, met inbegrip van de ontsnapping van vrouwen en kinderen van Da’esh uit kampen, aangezien dit een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid van de regio, Europa en de rest van de wereld;

11. neemt kennis van het besluit van diverse lidstaten om de wapenexport naar Turkije op te schorten;

12. begrijpt dat de miljoenen vluchtelingen die momenteel in Turkije onderdak vinden uiteindelijk moeten worden gerepatrieerd, maar herinnert Turkije eraan dat de vestiging van voornamelijk Arabische vluchtelingen in Koerdische gebieden van de “veilige zone” ernstige veranderingen kan teweegbrengen in de etnische samenstelling van het gebied en kan leiden tot langdurige spanningen en gevolgen;

13. betreurt de dreigementen van de Turkse president Recep Tayyip Erdogan om “de poorten te openen en 3,6 miljoen vluchtelingen naar Europa te sturen”;

14. betreurt dat, ondanks aankondigingen, de vrijwillige terugkeer van ontheemde Syriërs naar hun plaats van herkomst of andere door hen gekozen plaatsen in Syrië niet heeft plaatsgevonden in overeenstemming met het internationaal recht en in coördinatie met de betrokken VN-agentschappen;

15. benadrukt dat er geen Europese financiële middelen kunnen worden ingezet om de door het Assad-regime gecontroleerde instellingen te versterken of de kosten van andere actoren die dit misdadige regime ondersteunen, te herfinancieren;

16. veroordeelt Rusland voor het herhaaldelijk gebruikmaken van zijn veto tegen resoluties van de VN-Veiligheidsraad die gericht zijn op beëindiging van het conflict in Syrië en voor zijn steun aan het regime van Assad; veroordeelt in dit verband de rechtstreekse betrokkenheid van Rusland in Syrië, onder meer via luchtaanvallen, en de levering van wapens, waaronder raketten, aan het regime van Assad;

17. merkt op dat Rusland, zonder dat Turkije zich daartegen verzet, een beleid voert dat erop gericht is Turkije uit het NAVO-bondgenootschap los te weken en de betrekkingen van Turkije met de EU te verzwakken; benadrukt dat Turkije deel moet blijven uitmaken van het NAVO-bondgenootschap;

18. geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat Turkije, als NAVO-bondgenoot, Russische raketverdedigingssystemen heeft aangeschaft in strijd met de regels van de NAVO; steunt in dit verband het besluit van de Amerikaanse regering om Ankara uit het F-35-programma te schrappen;

19. uit zijn bezorgdheid over het feit dat Rusland en Iran de crisis verder zullen uitbuiten door gebruik te maken van de gevolgen van deze instabiliteit voor de regionale energiemarkt, waardoor Rusland en Iran hun marktaandeel snel zullen kunnen vergroten en de productiemiddelen zullen kunnen manipuleren om de regionale en mondiale energiemarkten verder te beïnvloeden;

20. dringt aan op meer sancties tegen handelswaar en olie afkomstig uit Syrië, die worden verkocht via door Rusland of Iran gecontroleerde strijdkrachten die worden gesteund door het regime van Assad;

21. toont zich ernstig bezorgd over de pogingen van Iran om een corridor over land tot stand te brengen die loopt van Teheran via Bagdad en Damascus naar Beiroet aan de Middellandse Zee, met de bedoeling een brug te vormen tussen Iran en zijn Hezbollah-bondgenoten in Libanon, hetgeen een reële en ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid van Israël;

22. waarschuwt dat de instabiliteit in Syrië zal leiden tot een toename van de internationale smokkel en de diefstal van cultureel erfgoed die kunnen worden gebruikt om terroristische activiteiten in de regio te financieren;

23. waarschuwt dat Syrië, de Koerden, Rusland en Iran allemaal uitgebreide propaganda voeren om de westerse samenlevingen te overtuigen van hun standpunten en hun belangen te behartigen;

24. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de NAVO, de regering en de Grote Nationale Vergadering van Turkije, de regering en de Raad van vertegenwoordigers van Irak, de regionale regering van Koerdistan en de regering en het parlement van de Russische Federatie.

[1] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0200.

Laatst bijgewerkt op: 23 oktober 2019Juridische mededeling - Privacybeleid