Procedure : 2019/2891(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0168/2019

Ingediende teksten :

B9-0168/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/11/2019 - 5.8
CRE 14/11/2019 - 5.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


<Date>{06/11/2019}6.11.2019</Date>
<NoDocSe>B9‑0168/2019</NoDocSe>
PDF 139kWORD 45k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van een verklaring van de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over strafbaarstelling van seksuele voorlichting in Polen</Titre>

<DocRef>(2019/2891(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Jörg Meuthen, Christine Anderson, Gunnar Beck, Annika Bruna, Markus Buchheit, Nicolaus Fest, Joachim Kuhs, Guido Reil, Maximilian Krah</Depute>

<Commission>{ID}namens de ID-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>


B9‑0168/2019

Resolutie van het Europees Parlement over strafbaarstelling van seksuele voorlichting in Polen

(2019/2891(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien het Verdrag inzake de rechten van het kind,

 gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en met name artikel 9 over het recht op geloof en geweten, en gezien de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens,

 gezien de artikelen 2, 67, 83 en 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

 gezien het feit dat het in Polen ontbreekt aan wetgeving op dit gebied,

 gezien de normen voor seksuele voorlichting, ontwikkeld door het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie[1],

 gezien zijn resolutie van 10 december 2013 over seksuele en reproductieve gezondheid en rechten[2],

 gezien de verklaring van de Commissie van 21 oktober 2019 over de strafbaarstelling van seksuele voorlichting in Polen,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de rechten van de mens weliswaar geformuleerd zijn als rechten van individuele personen, maar wel degelijk een belangrijke sociale dimensie hebben, die tot uitdrukking komt binnen het gezin;

B. overwegende dat de Commissie tijdens het debat met het Parlement op 21 oktober 2019 heeft verklaard dat er in Polen momenteel geen wetgeving van kracht is waarin seksuele voorlichting strafbaar wordt gesteld, en dat de lidstaten een exclusieve bevoegdheid hebben als het gaat om hun onderwijsbeleid, en dat dus de lidstaten zelf verantwoordelijk zijn voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel;

C. overwegende dat bij uitgebreide seksuele voorlichting een omstreden, zogenaamde op rechten gebaseerde aanpak met betrekking tot seksuele voorlichting wordt gevolgd, die inhoudt dat kinderen en jongeren niet alleen maar voorlichting krijgen over geslachtsgemeenschap en voortplanting, maar over veel meer onderwerpen;

D. overwegende dat er geen bindende VN-documenten of verdragen zijn waarin het recht op uitgebreide seksuele voorlichting is neergelegd;

E. overwegende dat er geen eenduidige definitie bestaat van wat uitgebreide seksuele voorlichting is en wat daar allemaal precies onder valt;

F. overwegende dat in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) is bepaald dat de afbakening van bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van bevoegdheidstoedeling, dat de uitoefening van die bevoegdheden beheerst wordt door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, en dat bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld, toebehoren aan de lidstaten;

G. overwegende dat in artikel 67 VWEU is bepaald dat de Unie de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten eerbiedigt, en dat daarin tevens is bepaald dat het Hof van Justitie van de Europese Unie de enige instelling is die bevoegd is uitspraak te doen in beroepen wegens schending van de Verdragen door de lidstaten;

H. overwegende dat jongeren zowel thuis als op school zeer gemakkelijk in aanraking kunnen komen met pornografisch materiaal, met name online;

I. overwegende dat de seksualisering van jongens en meisjes in de media gevolgen heeft voor de emotionele en seksuele ontwikkeling van beide geslachten, en ertoe leidt dat genderstereotypen blijven bestaan en dat gendergerelateerd geweld blijft voorkomen;

J. overwegende dat onderwijs een van de beste manieren is om kinderen waarden als vrede, begrip voor de menselijke waardigheid en rechtvaardigheid bij te brengen, en dat dit kan via formele, niet-formele en informele onderwijsmethoden, zowel binnen het gezin als op openbare scholen, en dat het de ouders zijn die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor de scholing van hun kinderen;

1. wijst er nogmaals op, zoals het in zijn cruciale resolutie over seksuele en reproductieve rechten ook reeds deed[3], dat het van oordeel is dat de opstelling en tenuitvoerlegging van beleid op het gebied van seksuele voorlichting op scholen tot de bevoegdheden van de lidstaten behoort;

2. herinnert eraan dat er in Polen momenteel geen wetgeving van kracht is waarin seksuele voorlichting strafbaar wordt gesteld;

3. stelt zich op het standpunt dat ouders het recht en de plicht hebben om hun kinderen op te voeden en voor te lichten en dat met name het geven van seksuele voorlichting een recht is dat voorbehouden is aan de ouders, en dat seksuele voorlichting altijd onder nauwlettend toezicht van de ouders gegeven moet worden, of dat nu thuis is of op school;

4. is van oordeel dat het recht van ouders om hun kinderen voor te lichten in alle gevallen waarin ouders, docenten en schoolbesturen samenwerken geëerbiedigd moet worden, met name in het kader van samenwerkingsverbanden die bedoeld zijn om ouders inspraak te geven in het functioneren van scholen en in de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van onderwijsbeleid;

5. is van oordeel dat moeders en vaders erkenning verdienen voor de inspanningen die zij binnen het gezin verrichten, en dat deze inspanningen op waarde geschat moeten worden omdat zij van groot belang zijn voor gezin en samenleving;

6. herinnert eraan dat personen die verantwoordelijk zijn voor het onderwijs aan en de zorg voor kinderen altijd de belangen van het kind voorop moeten stellen;

7. herinnert de lidstaten eraan dat ouders de nodige steun moeten krijgen om hun onderwijstaken naar behoren te kunnen uitvoeren;

8. wijst erop dat ouders en andere familieleden vooral zo’n belangrijke toezichthoudende taak hebben omdat kinderen al heel jong toegang hebben tot pornografisch materiaal en materiaal waarin de menselijke waardigheid niet wordt geëerbiedigd, met name via internet; benadrukt daarom dat seksuele voorlichting moet aansluiten bij de natuurlijke emotionele ontwikkeling van jongeren, en dat al het mogelijke moet worden gedaan om ervoor te zorgen dat de relaties die jongeren aangaan met personen van het andere geslacht gekenmerkt worden door wederzijds respect; dringt er bij de lidstaten op aan om voorlichtingscampagnes te ontwikkelen die zich richten op ouders en andere volwassenen die met kinderen en jongeren werken, om hen meer inzicht te geven in de schadelijke gevolgen van pornografie voor pubers;

9. veroordeelt de ongepaste aanbeveling die het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie in samenwerking met de Duitse BZgA (federaal centrum voor gezondheidsvoorlichting) heeft gedaan inzake voorlichting over masturbatie bij kinderen tot vier jaar; pleit meer in het algemeen voor meer terughoudendheid en een kritischer blik ten aanzien van genderstudies, die de theoretische basis vormen voor dergelijke publicaties; is bezorgd over de recente berichten over manipulatie van dergelijke studies voor politieke doeleinden;

10. wijst erop dat de lidstaten, door toepassing te geven aan uitzonderingen uit hoofde van de openbare orde, hun eigen fundamentele waarden, zoals zij die hebben neergelegd in hun materieel familierecht en hun onderwijswetgeving, kunnen beschermen en zo kunnen voorkomen dat er buitenlandse concepten worden geïmporteerd die in hun binnenlandse rechtsorde niet bestaan of zelfs illegaal zijn, en dus kunnen voorkomen dat er twee rechtsordes naast elkaar bestaan, de nationale rechtsorde en de EU-rechtsorde, met alle risico’s van dien, zoals overloopeffecten en omgekeerde discriminatie;

11. herinnert eraan dat ouders of wettelijke voogden van kinderen - krachtens het leerstuk van de openbare orde - de vrijheid hebben om ervoor te zorgen dat hun kinderen onderwijs krijgen dat in overeenstemming is met hun eigen overtuigingen, en dat kinderen niet tegen de wil van hun ouders of wettelijke voogden gedwongen mogen worden lessen seksuele voorlichting bij te wonen, en dat de belangen van kinderen altijd voorop moeten staan en dat hun lichamelijke en geestelijke gezondheid en welzijn gewaarborgd moeten worden;

12. verzoekt de instellingen, organen en instanties van de EU derhalve om het EU-recht te eerbiedigen en om op dit beleidsterrein geen maatregelen te treffen waarmee een nieuwe uitlegging zou worden gegeven aan de bestaande rechtsgrondslag;

13. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van de Republiek Polen, de Raad en de Commissie.

[1] https://www.bzga-whocc.de/en/publications/standards-in-sexuality-education/.

[2] PB C 468 van 15.12.2016, blz. 66.

[3] PB C 468 van 15.12.2016, blz. 66.

Laatst bijgewerkt op: 11 november 2019Juridische mededeling - Privacybeleid