Procedure : 2019/2803(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0233/2019

Ingediende teksten :

B9-0233/2019

Debatten :

PV 17/12/2019 - 15
CRE 17/12/2019 - 15

Stemmingen :

PV 18/12/2019 - 13.9
CRE 18/12/2019 - 13.9

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0104

<Date>{10/12/2019}10.12.2019</Date>
<NoDocSe>B9‑0233/2019</NoDocSe>
PDF 188kWORD 57k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over het EU-initiatief inzake bestuivers</Titre>

<DocRef>(2019/2803(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Mairead McGuinness, István Ujhelyi, Frédérique Ries, Martin Häusling, Luisa Regimenti, Pietro Fiocchi, Kateřina Konečná</Depute>

<Commission>{ENVI}namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid</Commission>

</RepeatBlock-By>

AMENDEMENTEN

B9‑0233/2019

Resolutie van het Europees Parlement over het EU-initiatief inzake bestuivers

(2019/2803(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2018 over het EU-initiatief inzake bestuivers (COM(2018)0395),

 gezien zijn resolutie van 2 februari 2016 over de tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie van de EU[1],

 gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie[2],

 gezien zijn resolutie van 16 januari 2019 over de toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden[3],

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

 gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

A. overwegende dat de Commissie op 1 juni 2018 het EU-initiatief inzake bestuivers heeft gelanceerd naar aanleiding van de verzoeken van het Europees Parlement en de Raad om iets te doen aan de afname van bestuivers;

B. overwegende dat er al veel onderzoek is gedaan naar de redenen voor de daling van het aantal bestuivers; overwegende dat de tenuitvoerlegging van de resultaten van dit onderzoek veel te wensen overlaat;

C. overwegende dat wilde bestuivers een essentiële rol spelen bij gewasbestuiving; overwegende dat honingbijen deze bijdrage ondersteunen;

D. overwegende dat bestuiving door honingbijen louter een aanvulling is op en geen vervanging vormt van bestuiving door een brede waaier aan insectensoorten[4], waaronder solitaire bijen, vlinders, zweefvliegen en kevers;

E. overwegende dat de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (IUCN) er op 11 oktober 2019, naar aanleiding van de escalerende biodiversiteitscrisis, met klem op heeft aangedrongen veel meer te doen voor de instandhouding van soorten, alsook de regeringen wereldwijd heeft gevraagd de daling van het aantal soorten een halt toe te roepen, door de mens veroorzaakte uitstervingen tegen 2030 te voorkomen, en de conservatiestatus van bedreigde soorten te verbeteren, teneinde tegen 2050 tot een significant herstel te komen;

F. overwegende dat bestuivers essentiële directe en indirecte ecosysteemdiensten verrichten, zoals bestuiving, plaagbestrijding, behoud van de bodem- en waterkwaliteit, en verhoging van de schoonheid van het landschap;

G. overwegende dat aanhoudende inspanningen nodig zijn om de erkenning van het belang van bestuivers voor de productiviteit van de landbouw veilig te stellen;

H. overwegende dat in de EU 78 % van de wilde plantensoorten in ieder geval voor een deel afhankelijk zijn van bestuiving door dieren[5];

I. overwegende dat er onvoldoende gegevens en informatie voorhanden zijn over bestuivende insecten, met uitzondering van bijen en vlinders;

J. overwegende dat de term “bestuivers” onder andere betrekking heeft op bijen, zweefvliegen, vlinders, motten, kevers, wespen, onweersvliegjes, zoogdieren zoals vleermuizen, en vogels;

K. overwegende dat gezonde bestuivers essentieel zijn voor de landbouw in de Unie, aangezien 84 % van de gewassoorten[6] en 76 % van de voedselproductie in Europa afhankelijk zijn van bestuiving door bijen; overwegende dat tot 15 miljard EUR van de jaarlijkse landbouwproductie van de EU rechtstreeks aan bestuivers kan worden toegeschreven[7];

L. overwegende dat bestuivers als een van de belangrijkste indicatoren van de gezondheid van ons milieu worden beschouwd; overwegende dat de statistieken en trends in heel Europa – hoewel soms onvolledig – allemaal duiden op een zorgwekkende afname van de bestuiverspopulaties;

M. overwegende dat de slechte conservatiestatus van vlinders en hun seminatuurlijke graslandhabitats duidelijk vaststaat, en een goede indicatie geeft van de situatie van wilde bijen, zweefvliegen, motten en andere bestuivers;

N. overwegende dat slechts 56 soorten bestuivers door Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (de habitatrichtlijn)[8] beschermd worden, en dat bij 67 % ervan de beoordeling ongunstig is;

O. overwegende dat het Parlement meerdere proefprojecten en voorbereidende acties heeft geïnitieerd voor nadere studie naar de afname van bestuivers en het ontwikkelen van concrete oplossingen voor het afremmen van de zorgwekkende afname van de bestuiverspopulaties[9];

P. overwegende dat het gebruik van voor bestuivers en hun voedsel schadelijke pesticiden sterk moet worden verminderd, met het oog op een afdoende bescherming en herstel van bestuivers;

Q. overwegende dat het gebruik van sommige pesticiden in verband gebracht is met nadelige milieugevolgen, waaronder hoge risico’s voor tamme en wilde bijen, die zorgen voor de bestuiving van de meeste gewassen in de hele wereld;

R. overwegende dat professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen[10] verplicht zijn gegevens bij te houden betreffende het gebruik van deze middelen gedurende de laatste drie jaar, met vermelding van de naam van het gewasbeschermingsmiddel, het tijdstip en de dosering van de toepassing, alsook het gebied waarin en het gewas waarop het middel is gebruikt;

S. overwegende dat de Unie in april 2018 besloten heeft om het gebruik in de open lucht van de neonicotinoïden imidacloprid, clothianidine en thiamethoxam volledig te verbieden;

T. overwegende dat enkele lidstaten kennis hebben gegeven van uitzonderingen in noodgevallen voor het gebruik van deze neonicotinoïden op hun grondgebied; overwegende dat dergelijke kennisgevingen van goede kwaliteit moeten zijn en openbaar moeten worden gemaakt; overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) tot de slotsom is gekomen dat voor ongeveer een derde van de producten waaraan uitzonderingen in noodgevallen waren toegekend alternatieven voorhanden waren; overwegende dat de EFSA een rol kan vervullen bij het beoordelen van uitzonderingen in noodgevallen[11];

U. overwegende dat is aangetoond dat het gebruik van glyfosaat schadelijk is voor de bacteriën van honingbijen en zo bijdraagt aan de daling van het aantal bestuivers en het verlies van habitats;

V. overwegende dat het EFSA-document met richtsnoeren voor het beoordelen van de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor bijen (EFSA-richtsnoeren betreffende bijen, 2013), met de meest actuele wetenschappelijke methode voor het beoordelen van de risico’s van pesticiden voor Apis mellifera, Bombus spp. en solitaire bijen, niet volledig door de lidstaten wordt onderschreven; overwegende dat deze situatie een ondermijning vormt van de goede toepassing van de goedkeuringscriteria als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009, en dus van een goede bescherming van deze soorten;

W. overwegende dat, afgezien van de gevolgen van insecticiden voor bestuivers, het gebruik van breedspectrumonkruidverdelgingsmiddelen op landschapsschaal, bijvoorbeeld voor de preventie van onkruid of als verdorringsmiddel, de voedselbronnen van bestuivers buiten de bloeiperiodes van de voornaamste gewassen vernietigt en bijdraagt tot het uitsterven van soorten;

X. overwegende dat, ook indien de EFSA-richtsnoeren betreffende bijen van 2013 volledig zouden worden toegepast, vlinders, motten en zweefvliegen nog steeds niet beschermd zouden zijn door de regels voor de goedkeuring van pesticiden;

Y. overwegende dat met elkaar verbonden habitats van bestuivers, zoals bufferstroken, hagen en begroeide wateren, bodemerosie kunnen tegengaan en in het algemeen kunnen bijdragen tot meer biodiversiteit, en in potentie van nut kunnen zijn voor het verbeteren van de kwaliteit van het voedsel dat beschikbaar is voor zowel gedomesticeerde bijen als wilde bestuivers;

Z. overwegende dat veel habitats van bestuivers ondertussen sterk gefragmenteerd zijn, en specifieke soorten steeds meer te lijden hebben onder slecht habitatbeheer en de klimaatverandering;

AA. overwegende dat het bestaan, de instandhouding en het herstel van gebieden met inheemse bloemen, ook in steden, essentieel is voor gezonde populaties van wilde bestuivers;

AB. overwegende dat wilde bestuivers en imkers in Europa vrijwel gratis bestuivingsdiensten verlenen; overwegende dat dit in schril contrast staat met de situatie in andere delen van de wereld, waar bestuiving net zo duur is als andere landbouwproductiemiddelen, zoals zaaigoed, meststoffen en pesticiden;

AC. overwegende dat bestuivers maatschappelijk en cultureel belangrijk zijn in de vorm van geneesmiddelen, producten, kunst en tradities;

AD. overwegende dat deze meestal kosteloze bestuivingsdiensten een aanvulling vormen op die van wilde bestuivers en alleen kunnen worden aangeboden omdat de voornaamste bron van inkomsten voor imkers de verkoop van honing en andere honingbijproducten is; overwegende dat de invoer van namaakhoning een bedreiging vormt voor de economische basis van de bijenteelt in de EU;

AE. overwegende dat de in de EU genomen agromilieumaatregelen niet volstaan om het verlies aan bestuivershabitats en de afname van de kwaliteit van habitats te compenseren; overwegende dat ook de vergroening onvoldoende tot verbetering heeft geleid;

AF. overwegende dat zowel de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid als de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling in hun standpunten over het voorstel voor een verordening inzake de strategische GLB-plannen (COM(2018)0392) op de invoering van een bestuiversimpactindicator hebben aangedrongen;

AG. overwegende dat de invoering van een bestuiversindicator kan bijdragen tot de verbetering van besluitvormingsprocessen, een doeltreffender inzet van publieke middelen, grotere verantwoordingsplicht, en inzicht in de gevolgen van beleid en wetgeving;

AH. overwegende dat overmatige bemesting van gewassen bijdraagt tot een afname van de aantallen bloeiende planten, die een potentiële bron van voedsel vormen voor bestuivers;

AI. overwegende dat de stikstofemissies tot eutrofiëring leiden en voor welig tierende grassen zorgen, die de kruiden en bloemen uit de grasvelden wegdrukken, de kale grond bedekken die veel bestuivers gebruiken om te nesten, en voor schaduw laag bij de grond zorgen, resulterend in een voor veel inheemse soorten ongeschikt koel microklimaat;

Algemene opmerkingen

1. stelt vast dat het EU-initiatief inzake bestuivers een meerwaarde heeft in de vorm van de vaststelling van strategische doelstellingen en een reeks door de EU en de lidstaten te nemen urgente maatregelen om bestuivers te beschermen; juicht het werk toe dat nu reeds op plaatselijk niveau wordt gedaan ter bescherming van de habitats van bestuivers;

2. is echter van oordeel dat in het initiatief onvoldoende aandacht wordt besteed aan de vele oorzaken van de verdwijning van bestuivers, waaronder veranderingen in het landgebruik, verlies van habitats en hun onderlinge verbindingen, intensief landbouwbeheer, gewasbeschermingsmiddelen, milieuvervuiling, de gevolgen van ziekteverwekkers en parasieten zoals de varroamijt, klimaatverandering en invasieve uitheemse soorten[12]; meent dat “Prioriteit II: Aanpak van de oorzaken van de daling van het aantal bestuivers” onverwijld moet worden uitgevoerd;

3. is van mening dat bestuivers onmisbaar zijn voor de handhaving van de biodiversiteit en stelt dat de meeste plantensoorten zich zonder bestuivers niet kunnen voortplanten; onderkent dat de afname van de aantallen bestuivers van invloed is op de kwaliteit en de kwantiteit van de landbouwopbrengsten en het economische rendement voor landbouwers;

4. onderstreept het belang van bestuivers voor de landbouw, de bedreiging voor de voedselproductie als gevolg van de afname van de aantallen bestuivers en de noodzaak snel en verregaande maatregelen te nemen voor de bescherming en het herstel van bestuivers en hun diensten;

5. benadrukt dat het belangrijk is om een holistische aanpak te volgen en het effect van de bestaande beleidsmaatregelen te evalueren, om zo de verdwijning van bestuivers in de Unie op doeltreffende wijze tegen te gaan; beklemtoont dat bij de bescherming van bestuivers in het algemeen, zowel tamme als wilde bestuivers, het voorzorgsbeginsel in acht moet worden genomen;

6. benadrukt dat de diversiteit van bestuivers wereldwijd moet worden beschermd, met inbegrip van (in Europa) ongeveer 2 000 wilde bijensoorten en andere insecten zoals vliegen, kevers, motten en vlinders;

7. benadrukt dat zowel in plattelands- als in stedelijke gebieden maatregelen ter stimulering van de biodiversiteit moeten worden bevorderd, aangezien de gezondheid en overleving van bestuivers afhankelijk is van soortenrijke habitats met diverse en continu aanwezige voedselbronnen, zoals nectar en pollen, in voldoende hoeveelheden, alsook van habitats om te nesten, te paren en te overwinteren;

8. spoort de Commissie aan het EU-initiatief inzake bestuivers en de resultaten ervan in te passen in de ontwikkeling van de EU-biodiversiteitsstrategie voor de periode na 2020, en de doelstellingen van het initiatief om te zetten in een volwassen en over voldoende middelen beschikkend actieprogramma voor bestuivers;

Biodiversiteit en landbouwpraktijken

9. benadrukt dat het stimuleren van de biodiversiteit en daarmee het creëren van kwalitatief hoogwaardige habitats voor bestuivers op landbouwgrond als centrale doelstelling moet worden opgenomen in het toekomstige gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), dat in het bijzonder gericht moet zijn op het in stand houden van landbouwgebieden met een hoge natuurwaarde en het creëren van nieuwe natuurgebieden, op het terugdringen van het gebruik van pesticiden en minerale meststoffen, en op het bevorderen van polyculturen en gewasrotatie;

10. merkt op dat de afbouw van de afhankelijkheid van pesticiden een van de hoofddoelstellingen is van Richtlijn 2009/128/EG inzake het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen[13]; onderstreept dat de lidstaten in hun uit hoofde van deze richtlijn aangenomen nationale actieplannen plannen voor de reductie van pesticiden moeten opnemen, met heldere doelen, ijkpunten en termijnen, en dat het terugdringen van pesticiden een “gemeenschappelijke indicator” moet worden voor het meten van succes; is van oordeel dat bij de aanstaande herziening van Richtlijn 2009/128/EG voor de hele EU geldende verplichte doelstellingen voor de reductie van het gebruik van pesticiden moeten worden opgenomen;

11 verzoekt de Commissie de herziene nationale actieplannen die uit hoofde van Richtlijn 2009/128/EG aangenomen zijn tegen het licht te houden en alle mogelijke maatregelen te nemen om te waarborgen dat de lidstaten zich daadwerkelijk inspannen voor het halen van de doelen wat de reductie van het gebruik van pesticiden betreft, en voor monitoring zorgen;

12. verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat landbouwers via nationale en regionale systemen voor landbouwadvisering hoogwaardig advies krijgen over hoe zij de biodiversiteit en bestuivers kunnen beschermen en bevorderen;

13. herhaalt dat bestuiving cruciaal is voor de landbouwproductie en is derhalve van mening dat steun in het kader van de eerste pijler van het GLB niet tot verzwakking of het verlies van bestuivingsdiensten mag leiden; verzoekt de Commissie strategische plannen alleen goed te keuren indien hiermee in het conditionaliteitselement en in de ecoregelingen onder de eerste pijler naar behoren rekening is gehouden;

14. beklemtoont dat een groot aantal nationale programma’s voor plattelandsontwikkeling reeds maatregelen voor het bevorderen van biodiversiteit en het ondersteunen van bestuivers omvat; merkt op dat om dergelijke programma’s voort te zetten en uit te breiden er in eerste instantie voldoende financiële middelen voor de tweede pijler van het GLB ter beschikking moeten worden gesteld; beklemtoont dat daarbij met de diversiteit van de regio’s en habitats, alsook met de vele verschillende soorten bestuivers, rekening moet worden gehouden, in die zin dat voor een nationale en een regionale aanpak moet worden gekozen;

15. verzoekt de Commissie en de lidstaten gehoor te geven aan het verzoek van het Parlement betreffende de opname van een bestuiversindicator in het GLB;

16. benadrukt dat in 18 EU-lidstaten de verkoop van pesticiden[14] tussen 2016 en 2017 is gestegen; stelt bezorgd vast dat wat de categorie overige insecticiden[15] betreft, de verkoop in 9 van de 13 landen waarvoor uitgesplitste gegevens voorhanden waren, in 2017 was gestegen in vergelijking met 2016, en dat het initiatief inzake bestuivers deze trend niet relevant acht;

17. onderstreept dat de lidstaten daarom in hun strategische plannen in het kader van het GLB biodiversiteitsmaatregelen als doelstellingen moeten opnemen, en dat het terugdringen van pesticiden en het vergroten van de biodiversiteit “gemeenschappelijke indicatoren” moeten worden voor het meten van succes;

18. beklemtoont dat de te ontwikkelen indicator betreffende de diversiteit en de omvang van de bestuiverspopulaties het mogelijk zal maken het succes van het GLB op dit gebied in kaart te brengen;

19. benadrukt dat, overeenkomstig Richtlijn 2009/128/EG inzake het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, eerst niet-chemische methoden voor de bestrijding van plagen moeten worden ingezet, om bestuivers te beschermen;

20. verzoekt de Commissie stelselmatig advies in te winnen bij de EFSA in gevallen waarin de lidstaten een noodtoelating voor een op neonicotinoïden gebaseerd gewasbeschermingsproduct afgeven, overeenkomstig artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009;

21. verzoekt de Commissie met het oog op een minimumnorm voor kennisgevingen van noodtoelatingen voor het gebruik van pesticiden de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1107/2019 effectief toe te passen en te handhaven, en ervoor te zorgen dat de lidstaten volledige, gedetailleerde toelichtingen verstrekken en de desbetreffende kennisgevingen openbaar maken; is ingenomen met de rol van de EFSA bij het beoordelen van deze toelatingen wegens noodgevallen;

22. beklemtoont dat professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen minstens drie jaar lang het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, alsook het gebied en de dosis waarin en het tijdstip waarop zij worden gebruikt, nauwkeurig moeten registreren; merkt op dat de relevante geregistreerde gegevens op verzoek ter beschikking moeten worden gesteld van de bevoegde instantie, teneinde de naleving van de randvoorwaarden te controleren en na te gaan hoe succesvol het GLB is in het terugdringen van het gebruik van pesticiden in de hele EU;

23. vraagt de Commissie en de lidstaten bewustzijn te creëren en financieringsactiviteiten in dit verband te stimuleren; wijst erop dat gemeenschappelijke instrumenten en modellen voor de ontwikkeling van strategieën en plannen voor bestuivers op basis van bestaande beste praktijken een impuls zullen geven aan de vaststelling van aanvullende maatregelen op nationaal, regionaal en lokaal niveau;

24. verzoekt de Commissie en de lidstaten zo snel mogelijk volledig goedkeuring te hechten aan de EFSA-richtsnoeren inzake bijen van 2013, waaronder aan de vereisten met betrekking tot chronische en larventoxiciteit, alsook die betreffende andere soorten dan honingbijen;

25. verzoekt de Commissie de EFSA te vragen richtsnoeren voor het gebruik van pesticiden op te stellen met pregoedkeuringstests, ter bescherming van vlinders, motten en zweefvliegen;

26. benadrukt dat de aanwezigheid van habitats voor bestuivers zorgt voor een hogere productiviteit van landbouwgrond;

27. verzoekt de Commissie bij het vaststellen van de doelstellingen van het GLB grenzen te stellen aan de doelstelling om de productiviteit te verhogen, en om de intensieve landbouw te reguleren en het gebruik van vergroenende maatregelen te bevorderen die de habitat van bestuivers kwalitatief en kwantitatief verbeteren en iets doen aan het steeds homogener worden van het Europese landschap;

28. verzoekt de Commissie en de lidstaten het gebruik van weidegrond en weidehabitats, inclusief met bomen en struiken begroeide weiden en andere agribosbouwsystemen, te bevorderen als een kritieke voorwaarde voor het creëren van nest-, broed- en overwinteringssubstraten voor bestuivers, in combinatie met de instandhouding van gemeenschappen van grasland met een hoge natuurwaarde voor begrazing en andere traditionele vormen van extensieve landbouw;

29. beklemtoont in dit verband dat gewasrotatie, het gebruik van sterke variëteiten, en machinaal wieden/biologische bestrijding van plaagorganismen zullen bijdragen tot herstel van de habitats van bestuivers, terwijl grote arealen met monoculturen juist tot een afname van de aantallen bestuivers leiden;

30. verzoekt de Commissie en de lidstaten ondersteuning te geven aan groene infrastructuurvoorzieningen, die mozaïeken van habitats en functionele onderlinge verbindingen voor bestuivers in plattelands- en stedelijke gebieden creëren en herstellen;

31. roept de Commissie en de lidstaten op om een goed onderhoud van heggen te stimuleren en het concept van bufferstroken, gras- c.q. bloemstroken langs waterwegen en gebieden met overblijvende planten te bevorderen als maatregelen om de biodiversiteit te stimuleren, teneinde biopesticiden, habitats voor bestuivers, en gebieden waarin bestuivers naar voedsel kunnen zoeken, te beschermen en erosie beter tegen te gaan in plattelands-, semistedelijke en ook stedelijke gebieden;

32. verzoekt de lidstaten te werken aan een zo vroeg mogelijke opname op de Unielijst van soorten die een gevaar vormen voor bestuivers, snel te reageren op controles en dergelijke soorten te elimineren, de waakzaamheid te vergroten, en beperkende maatregelen te nemen wanneer verspreidingen zijn geconstateerd;

33. verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen om de druk op bestuivers als gevolg van de braaklegging van landbouwgrond te verminderen;

34. beklemtoont dat doeltreffende bioveiligheidsmaatregelen moeten worden getroffen voor potplanten en aarde vooraleer deze over grotere afstanden worden vervoerd, en dat overheden die met het beheer van groene ruimten belast zijn, aangespoord moeten worden plaatselijke planten te gebruiken, hetgeen de gunstige effecten voor bestuivers maximaliseert en het risico van de verspreiding van invasieve soorten zo veel mogelijk beperkt;

35. verzoekt de Commissie het EU-ecolabel toe te kennen aan bestuiversvriendelijke potplanten waarop de plaats van herkomst vermeld staat, die in een duurzame houder zitten, waarvoor geen turf wordt gebruikt, en die geen insecticiden bevatten;

36. verzoekt de Commissie en de lidstaten de bijenteeltsector te ondersteunen door strengere invoercontroles uit te voeren om de invoer van namaakhoning te voorkomen en door voor honingmengsels etikettering met de vermelding van de oorsprong (de naam van elk land) verplicht te stellen;

37. dringt aan op de bevordering en ontwikkeling van bestuivershabitats in stedelijke gebieden;

Onderzoek, opleiding en toezicht

38. wijst met betrekking tot honingbijen (Apis mellifera) in het bijzonder op het belang van onderzoek naar de oorzaken van het verontrustende verschijnsel dat de levensverwachting van bijenkoninginnen afneemt;

39. beklemtoont dat het onderzoeksluik van het initiatief geen aandacht besteedt aan de op resultaten gebaseerde regelingen met een monitoringelement, die nuttig zouden kunnen zijn aangezien ze gedeeltelijk in de monitoringbehoeften voorzien en landbouwers relevante stimulansen bieden; geeft aan dat dergelijke regelingen in proefprojecten kunnen worden ingepast en onder verschillende financiële instrumenten en beleidsterreinen van de EU, waaronder het GLB, kunnen worden opgeschaald;

40. verzoekt de Commissie en de lidstaten meer financiering ter beschikking te stellen voor fundamenteel en toegepast onderzoek naar bestuivers en de ontwikkeling van behandelingswijzen van nieuwe ziekten, parasieten en virussen die bestuivers aanvallen, en te investeren in versterking en uitbreiding van de pool van taxonomische deskundigen, waaronder middels het EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie; vindt dat meer de nadruk moet worden gelegd op veldonderzoek en andere bestuivers dan honingbijen en vlinders;

41. verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor de stelselmatige en gestandaardiseerde monitoring onder natuurlijke omstandigheden van wilde bestuivers en de belangrijkste bedreigingen waar zij mee worden geconfronteerd, teneinde inzicht te krijgen in de omvang van hun afname en de oorzaken ervan, en een volledig beeld te krijgen van de doeltreffendheid van de desbetreffende Europese en nationale maatregelen;

42. verzoekt de Commissie en de lidstaten in de strategische plannen in het kader van het GLB voldoende financiering ter beschikking te stellen voor de monitoring van wilde bestuivers, teneinde robuuste gegevens te verzamelen voor het ontwikkelen van een GLB-bestuiversindicator, in overeenstemming met de toezegging in kwestie in het EU‑initiatief inzake bestuivers;

43. meent dat eco-innovatie[16] in de landbouwsector moet worden ondersteund en dat samenwerking met de academische wereld en met onderzoekers uit verschillende gebieden moet worden aangemoedigd, teneinde steun te verlenen aan de ontwikkeling van pesticiden met een laag risico die onschadelijk zijn voor bestuivers;

44. verzoekt de Commissie en de lidstaten ondersteuning te geven aan burgerwetenschap, met bijzondere aandacht voor het registreren en monitoren van bestuivers, alsmede het opleiden van imkers, zodat de Unie op niet-invasieve wijze, namelijk via de ontwikkeling van indicatoren voor de vitaliteit van bijenkolonies, toezicht kan houden op de bijenpopulatie;

°

° °

45. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

[1] PB C 35 van 31.1.2018, blz. 2.

[2] PB C 356 van 4.10.2018, blz. 38.

[3] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0023.

[4] Garibaldi, L. A. e.a. Wild Pollinators Enhance Fruit Set of Crops Regardless of Honey Bee Abundance, 2013.

[5] Potts, S. e. a., Status and Trends of European Pollinators. Key Findings of the STEP Project, Pensoft Publishers, Sofia, 72 blz.

[6] Potts, S. e. a., Status and Trends of European Pollinators. Key Findings of the STEP Project, Pensoft Publishers, Sofia, 72 blz.

[7] Gallai, N. e. a., Economic Valuation of the Vulnerability of World Agriculture Confronted with Pollinator Decline, Ecological Economics 68:3, blz. 810-821.

[8] PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.

[9] Met name de EU-monitoring en indicatoren voor bestuivers, de milieumonitoring van het gebruik van pesticiden met behulp van honingbijen, het in kaart brengen van de biodiversiteit met behulp van de Red list index, en de ontwikkeling van een toolbox voor landbouwers met geïntegreerde gewasbeschermingspraktijken uit de hele Europese Unie.

[10] Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

[12] Potts, S.G. e. a., (2016): The Assessment Report of the Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services on Pollinators, Pollination and Food Production, Secretariat of the Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services, Bonn, Duitsland, 552 blz.

[13] Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71).

[14] Er zijn gegevens van Eurostat voor de categorie insecticiden en acariciden; er bestaan verder gegevens voor uiteenlopende categorieën van insecticiden (pyrethroïden, gechloreerde koolwaterstoffen, organophosphaten, carbamaten en oximo-carbamaten, en overige insecticiden). Beschikbaar op http://appsso.eurostat.ec.europa.eu/nui/submitViewTableAction.do

[15] Met inbegrip van neonicotinoïden.

[16] Door de Commissie gedefinieerd als elke innovatie die resulteert in een significante stap in de richting van de verwezenlijking van de doelstelling van duurzame ontwikkeling, door het verkleinen van de impact van onze productiemethoden op het milieu, het vergroten van de milieudrukbestendigheid van de natuur, of een efficiënter en meer verantwoord gebruik van de natuurlijke hulpbronnen.

Laatst bijgewerkt op: 13 december 2019Juridische mededeling - Privacybeleid