Procedure : 2019/2945(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0248/2019

Ingediende teksten :

B9-0248/2019

Debatten :

PV 18/12/2019 - 19
CRE 18/12/2019 - 19

Stemmingen :

PV 19/12/2019 - 6.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0110

<Date>{16/12/2019}16.12.2019</Date>
<NoDocSe>B9‑0248/2019</NoDocSe>
PDF 161kWORD 51k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van een verklaring van de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de situatie van de Oeigoeren in China (China Cables)</Titre>

<DocRef>(2019/2945(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Reinhard Bütikofer, Saskia Bricmont</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0246/2019

B9‑0428/2019

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie van de Oeigoeren in China (China Cables)

(2019/2945(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in China, in het bijzonder die van 18 april 2019 over China, met name de situatie van religieuze en etnische minderheden[1], die van 12 september 2018 over de stand van de betrekkingen tussen de EU en China[2] en die van 4 oktober 2018 over de massale willekeurige detentie van Oeigoeren en Kazakken in de Oeigoerse Autonome Regio Xinjiang[3],

 gezien de gezamenlijke verklaring van de 21e Top EU-China op 9 april 2019,

 gezien de 37e Mensenrechtendialoog EU-China, gehouden in Brussel op 1 en 2 april 2019,

 gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de EDEO van 12 maart 2019 getiteld “EU-China – Een strategische visie” (JOIN(2019)0005),

 gezien artikel 36 van de grondwet van de Volksrepubliek China, waarin het recht van alle burgers op vrijheid van religie en geloof wordt gewaarborgd, en artikel 4 van diezelfde grondwet, waarin de rechten van “minderheidsnationaliteiten” worden bevestigd,

 gezien de mondelinge verklaringen van de EU betreffende punt 4 tijdens de 39e bijeenkomst van de VN-Mensenrechtenraad van 18 september 2018, en de verklaringen van het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, Finland en Canada betreffende punt 4, waaruit hun bezorgdheid blijkt over de willekeurige detentie van Oeigoeren in “heropvoedingskampen” in Xinjiang,

 gezien de brief van 8 juli 2019, ondertekend door 22 naties en gericht aan de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad en de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, waarin China wordt opgeroepen een einde te maken aan zijn massale detentieprogramma in Xinjiang,

 gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966,

 gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

 gezien de leidende richtsnoeren van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten van 2011,

 gezien de slotopmerkingen van de beoordeling van de VN-Commissie voor de uitbanning van rassendiscriminatie betreffende China,

 gezien de “China Cables”, een onderzoek dat op 24 november 2019 werd gepubliceerd door het Internationaal Consortium van Onderzoeksjournalisten naar het toezicht op en de massale internering zonder enige tenlastelegging of vorm van proces van Oeigoeren en andere moslimminderheden in de Chinese provincie Xinjiang, op basis van gelekte vertrouwelijke documenten van de Chinese regering,

 gezien de aankondiging van de hoge vertegenwoordiger op maandag 9 december 2019 over de start van voorbereidingen voor een mogelijke horizontale sanctieregeling om ernstige schendingen van de mensenrechten aan te pakken; gezien de betreffende resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2019 over een Europese sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen[4],

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de mensenrechtensituatie in China sinds het aantreden van president Xi Jinping in maart 2013 steeds verder achteruitgaat, in die zin dat de regering harder optreedt tegen vreedzaam protest en minder ruimte laat voor de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst, en de rechtsstaat; overwegende dat honderden mensenrechtenactivisten, advocaten en journalisten door de Chinese autoriteiten zijn opgepakt en worden vervolgd;

B. overwegende dat de onlangs gepubliceerde China Cables-documenten, die door het Internationaal Consortium van Onderzoeksjournalisten waren verkregen, een reeks vertrouwelijke richtsnoeren bevatten, die persoonlijk goedgekeurd waren door de hoogste veiligheidsofficier van de regio en die effectief dienen als instructies om de zogeheten “heropvoedingskampen” voor islamitische Oeigoeren en andere minderheden te beheren; overwegende dat het lek ook niet eerder openbaar gemaakte inlichtingenbriefings bevat, waaruit blijkt hoe het Chinese beleid stoelt op een grootschalig systeem voor gegevensverzameling en -analyse, dat kunstmatige intelligentie gebruikt om volledige groepen inwoners van Xinjiang naar detentie te verwijzen; overwegende dat de China Cables-documenten verklaren hoe het systeem massale hoeveelheden persoonlijke gegevens kan verkrijgen via handmatige zoekopdrachten zonder bevelschrift, camera’s met gezichtsherkenning, en andere manieren om potentiële kandidaten voor detentie te identificeren; overwegende dat de documenten ook expliciete instructies bevatten om Oeigoeren met een buitenlandse nationaliteit te arresteren en Oeigoeren uit Xinjiang die in het buitenland wonen op te sporen, in samenwerking met de diplomatieke vertegenwoordigingen van China in derde landen;

C. overwegende dat een van de richtsnoeren “arbeidsdiensten” genoemd wordt, wat suggereert dat gevangenen die een beroepsopleiding volgen in een arbeidsfaciliteit tewerkgesteld worden; overwegende dat onderzoekers en journalisten een georganiseerd systeem van dwangarbeid in de regio ontdekt hebben, met name in de textielsector en bij de productie van consumptiegoederen;

D. overwegende dat de gedetineerden niet officieel worden beschuldigd van strafbare feiten, en dat hun fundamentele wettelijke rechten worden ontnomen en zij tegen hun wil voor onbepaalde tijd worden vastgehouden, wat neerkomt op willekeurige detentie; overwegende dat uit persoonlijke getuigenissen blijkt dat de gevangenen in slechte omstandigheden worden vastgehouden en worden blootgesteld aan fysieke en psychologische foltering, dwangarbeid en politieke indoctrinatie, met als doel hun geloof aan het wankelen te brengen;

E. overwegende dat de Chinese regering een aantal nieuwe wetten heeft aangenomen, in het bijzonder de wet op de staatsveiligheid van 1 juli 2015, de wet terrorismebestrijding, de wet op de cyberveiligheid en de wet op het beheer van overzeese ngo’s, waarin publiek actievoeren en het uitoefenen van vreedzame kritiek op de regering als bedreiging voor de staatsveiligheid worden gekwalificeerd, de censuurregels worden aangescherpt, de monitoring van en de controle op individuen en maatschappelijke groeperingen wordt opgevoerd, en maatregelen vastgesteld zijn om individuen ervan te weerhouden campagne te voeren voor mensenrechten; overwegende dat de regels inzake religieuze vraagstukken die in februari 2018 in werking zijn getreden, neerkomen op inperking van de activiteiten van religieuze groepen en hen dwingen zich meer te conformeren aan het partijbeleid; overwegende dat de nieuwe regels een bedreiging vormen voor personen die in contact staan met religieuze gemeenschappen die in het land geen legale status hebben; overwegende dat religieuze gemeenschappen steeds meer onder druk komen te staan in China;

F. overwegende dat China een enorm staatssysteem voor digitale bewaking heeft opgezet, gaande van preventief toezicht tot de willekeurige verzameling op nationale schaal van biometrische gegevens in een omgeving zonder privacyrechten;

G. overwegende dat de situatie in Xinjiang, waar 10 miljoen islamitische Oeigoeren en etnische Kazakken wonen, op korte tijd sterk achteruit is gegaan sinds de Chinese autoriteiten hun extreem repressief beleid, met name ten aanzien van de Oeigoerse bevolking, een topprioriteit hebben gemaakt;

H. overwegende dat het Parlement in 2019 zijn Sacharovprijs heeft toegekend aan Ilham Toti, een bekende Oeigoerse mensenrechtenverdediger, econoom, en voorvechter van de rechten van de Oeigoerse minderheid in China, die vanwege zijn activisme tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld;

I. overwegende dat er een buitengerechtelijk detentieprogramma is ingevoerd in Xinjiang, op grond waarvan honderdduizenden mensen gedwongen zijn een politieke “heropvoeding” te ondergaan, en dat er een geavanceerd netwerk van indringend digitaal toezicht is ontwikkeld met onder meer technologie voor gezichtsherkenning en verzameling van gegevens, massale inzet van politie en de invoering van strikte beperkingen op religieuze praktijken en op de Oeigoerse taal en gebruiken;

J. overwegende dat talrijke betrouwbare verslagen van academici, de pers en gezaghebbende bronnen erop wijzen dat ongeveer een miljoen Oeigoeren en etnische Kazakken willekeurig worden vastgehouden door de Chinese overheid in een netwerk van interneringskampen in het kader van een buitengerechtelijk detentieprogramma in de Oeigoerse Autonome Regio Xinjiang; overwegende dat deze verslagen ook concrete informatie bevatten over de omvang van het systeem en de interne werking van de kampen;

K. overwegende dat de Chinese regering de willekeurige detentie van Oeigoeren en Kazakken in interneringskampen herhaaldelijk ontkend heeft, maar nu toegeeft “centra voor beroepsonderwijs” uit te baten, en deze beschrijft als maatschappelijke programma’s om “beroepsopleidingen” aan te bieden; overwegende dat de regering in een officieel witboek, dat in augustus 2019 openbaar gemaakt werd, de “centra voor beroepsonderwijs” tot een succes uitriep, en verklaarde dat de afwezigheid van terroristische aanslagen in de regio de afgelopen drie jaar een gevolg was van dat beleid; overwegende dat de China Cables-documenten absoluut niet stroken met de beschrijving die de overheid van de kampen geeft, namelijk maatschappelijke programma’s om “beroepsopleidingen” te verstrekken; overwegende dat deze documenten aantonen dat algemene indoctrinatie het hoofddoel van de campagne is;

L. overwegende dat de Chinese regering de verzoeken van de VN-werkgroep inzake gedwongen en onvrijwillige verdwijningen, de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten en andere speciale VN-procedures om onafhankelijke onderzoekers naar Xinjiang te sturen en toegang tot deze kampen te verlenen, stelselmatig heeft afgewezen;

M. overwegende dat Xinjiang een belangrijke regio voor het “Belt and Road”-initiatief is, met ambitieuze productiedoelstellingen voor de toekomst met betrekking tot textiel- en kledingproductie en andere arbeidsintensieve industriële producten; overwegende dat de regering aanzienlijke subsidies geeft aan grote bedrijven om hen aan te moedigen om fabrieken in de regio te vestigen; overwegende dat er ook een steunregeling is om bedrijven uit de oostelijke provincies aan te moedigen om filialen op te richten in Xinjiang; overwegende dat werknemers uit minderheidsgroepen naar fabrieken van deze bedrijven in het oosten worden gestuurd, waardoor producten die het resultaat zijn van gedwongen of onvrijwillige arbeid van etnische groepen uit Xinjiang sterk verweven zijn met de Chinese markt als geheel;

N. overwegende dat vele grote Europese bedrijven zakelijke banden hebben met Xinjiang, onder meer in de productie-, levensmiddelen- en digitale technologiesector; overwegende dat er weinig informatie is over hoe de producten van joint tech ventures worden gebruikt, waardoor er onzekerheid bestaat over het potentiële risico van misbruik door de Chinese autoriteiten met het oog op grootschalig toezicht;

O. overwegende dat Europese bedrijven die in de regio actief zijn direct of indirect medeplichtig kunnen zijn aan de massale mensenrechtenschendingen in Xinjiang; overwegende dat versterkte zorgvuldigheid ten aanzien van de mensenrechten in de toeleveringsketens in deze regio moet helpen om eventuele medeplichtigheid te vermijden; overwegende dat het Parlement herhaaldelijk heeft aangedrongen op een verplichte zorgvuldigheid ten aanzien van de mensenrechten voor Europese bedrijven; overwegende dat de EU reeds wetgeving inzake passende zorgvuldigheid heeft ontwikkeld op het gebied van de zogenaamde “conflictmineralen”, en de nieuwe Commissie overweegt soortgelijke wetgevingsmaatregelen te nemen om de ontbossing in onze waardeketens te stoppen;

P. overwegende dat de EU in haar strategisch kader voor mensenrechten en democratie belooft dat zij de democratie, de rechtsstaat en de “mensenrechten op alle deelterreinen van haar externe optreden, zonder uitzondering”, zal bevorderen en “mensenrechten in het centrum zal plaatsen van haar betrekkingen met alle derde landen, inclusief haar strategische partners”;

Q. overwegende dat de EDEO en de Commissie in de gezamenlijke mededeling “EU-China – een strategische visie” China voor de eerste keer een “systeemrivaal” hebben genoemd die andere bestuursmodellen promoot;

R. overwegende dat in de leidende beginselen van de Verenigde Naties inzake bedrijfsleven en mensenrechten wordt gevraagd dat bedrijven de feitelijke en potentiële mensenrechtenschendingen die verband houden met hun zakelijke praktijken voorkomen en beperken;

1. veroordeelt met klem het buitengewoon repressieve beleid en de mensenrechtenschendingen die door de China Cables-documenten werden onthuld; veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen het feit dat Oeigoeren en etnische Kazakken naar politieke “heropvoedingskampen” worden gestuurd op basis van gegevens die via een systeem van “voorspellend politietoezicht” worden verzameld, onder meer wegens reizen naar het buitenland of veronderstelde te grote religieuze devotie; dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan degenen die naar verluidt worden vastgehouden wegens hun geloofsovertuiging of culturele praktijken en identiteiten, vrij te laten;

2. benadrukt dat gevangenisstraffen of andere ernstige berovingen van de fysieke vrijheid, vervolging van identificeerbare groepen op etnische, culturele of religieuze gronden, en andere onmenselijke daden resulterend in lijden, wanneer gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide aanval op burgers, neerkomen op misdaden tegen de menselijkheid; dringt er bij de Chinese regering op aan de kampen onmiddellijk te sluiten, een einde te maken aan alle vormen van misbruik ten opzichte van de burgerbevolking in Xinjiang, en volledige toegang tot de regio te verlenen aan onafhankelijke internationale onderzoekers, zoals gevraagd door de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten;

3. herhaalt zijn oproep aan de Chinese regering om de Oeigoerse academicus Ilham Tohti, winnaar van de Sacharovprijs 2019, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, evenals alle anderen die gevangen werden genomen louter vanwege de vreedzame uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting, en vraagt dat, in afwachting van hun vrijlating, een einde gemaakt wordt aan de aanhoudende repressie middels detentie en gerechtelijke en andere intimidatie, zodat zij hun activiteiten onbelemmerd kunnen uitvoeren; vraagt China te verzekeren dat deze gevangenen regelmatig en onbelemmerd contact kunnen hebben met hun familie en toegang krijgen tot door henzelf gekozen advocaten; dringt voorts aan op de vrijlating van Eli Mamut, Hailaite Niyazi, Memetjan Abdulla, Abduhelil Zunun en Abdukerim Abduweli, zoals door de EU werd gevraagd tijdens de 36e en 37e ronde van de mensenrechtendialoog tussen de EU en China; dringt ook aan op de onmiddellijke vrijlating van de Zweedse uitgever Gui Minhai en de twee Canadese staatsburgers Michael Spavor en Michael Kovrig;

4. verzoekt de Chinese regering de namen, verblijfplaatsen en huidige status vrij te geven van al diegenen die effectief vermist zijn in Xinjiang;

5. dringt er bij de Chinese regering op aan openlijk de omvang en de ware aard van de detentie van Oeigoeren, Kazakken en andere etnische minderheden in de interneringskampen te erkennen, de te brede definitie van terrorisme in haar wetgeving aan te passen (bijvoorbeeld in de wet terrorismebestrijding van 2015 en de verordening inzake deradicalisering), en een duidelijk onderscheid te maken tussen vreedzaam protest en gewelddadig extremisme;

6. onderstreept de verantwoordelijkheid van China als mondiale mogendheid, en vraagt de autoriteiten in Peking te waarborgen dat het internationale recht, de democratie, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in alle omstandigheden in acht worden genomen, in overeenstemming met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere internationale mensenrechteninstrumenten die China ondertekend of geratificeerd heeft; roept China derhalve op zijn toezegging na te komen en het internationaal recht en de fundamentele beginselen inzake internationale betrekkingen, met een centrale plaats voor de Verenigde Naties, te eerbiedigen, zoals overeengekomen tijdens de 21e top EU-China; herhaalt zijn oproep aan China om het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten te ratificeren en de volledige tenuitvoerlegging ervan te waarborgen, onder meer door een einde te maken aan alle wanpraktijken en de wetgeving waar nodig aan te passen;

7. spreekt zijn teleurstelling uit over het feit dat de 37e ronde van de dialoog tussen de EU en China over de mensenrechten geen wezenlijke resultaten heeft opgeleverd; betreurt voorts dat de Chinese delegatie op 2 april niet heeft deelgenomen aan de voortzetting van de dialoog waarbij van gedachten zou worden gewisseld met maatschappelijke organisaties; betreurt het dat dringende mensenrechtenkwesties tijdens de EU-China-top van 9 april wederom slechts een marginale rol speelden; betreurt voorts dat de interparlementaire vergadering van de EU en China, die gepland was in november, niet is doorgegaan;

8. betreurt het dat de aanpak en de gebruikte instrumenten van de EU tot nu toe niet hebben geleid tot concrete vooruitgang op het vlak van de mensenrechten in China, en dat de toestand onder het premierschap van Xi Jinping enkel verslechterd is; dringt er bij de nieuwe Commissie op aan de bezorgdheden over de mensenrechten in al haar beleidsmaatregelen te integreren, en een holistische EU-strategie te ontwikkelen en uit te voeren, teneinde concrete vooruitgang op het gebied van de mensenrechten in China te kunnen boeken, waarbij de sluiting van de kampen in Xinjiang, de vrijlating van politieke gevangenen en het creëren van meer ruimte voor maatschappelijke organisaties absolute prioriteiten moeten zijn; herhaalt zijn oproep om de mensenrechtenkwesties op een zinvolle manier aan de orde te stellen, zowel tijdens privégesprekken als publiekelijk in alle vergaderingen op hoog niveau met Chinese ambtenaren, en deze discussie niet enkel in het kader van de mensenrechtendialoog tussen de EU en China te voeren;

9. doet een beroep op de Raad, de EDEO en de Commissie om ervoor te zorgen dat de samenwerking tussen de EU en China stoelt op het universele karakter van de mensenrechten, op de door beide zijden aangegane internationale verbintenissen op het gebied van de mensenrechten en op de toezegging vorderingen te zullen maken bij het bereiken van de hoogste norm voor bescherming van de mensenrechten;

10. verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, alsook de instellingen van de Europese Unie, deze kwestie openlijk aan te kaarten bij de Chinese regering in bilaterale vergaderingen en op internationale fora, en de toenemende mensenrechtenschendingen in China publiekelijk te veroordelen;

11. verneemt met instemming dat de voorzitter van de Europese Raad op de meest recente top tussen de EU en China verklaard heeft dat de mensenrechten – vanuit het standpunt van de EU – even belangrijk zijn als economische kwesties, en verzoekt de Commissie, de EDEO en de Raad om meer te doen om de mensenrechtenkwestie in de algemene betrekkingen met China aan te pakken; is van mening dat, wanneer op een top tussen de EU en China niet in voldoende krachtige bewoordingen over de mensenrechten wordt gesproken, de Raad, de EDEO en de Commissie consequent moeten weigeren dit onderwerp op te nemen en een aparte mededeling over dit onderwerp moeten opstellen, waarin de situatie op een zinvolle manier wordt beoordeeld en wordt uitgelegd waarom geen akkoord kon worden bereikt over krachtigere formuleringen;

12. herhaalt zijn verzoek aan de EU en de lidstaten om het voortouw te nemen tijdens de volgende zitting van de Mensenrechtenraad van de VN over een resolutie tot instelling van een onderzoeksmissie naar Xinjiang, vooraleerst door met algemene instemming gezamenlijke verklaringen met gelijkgestemde derde landen te steunen en proactief alle diplomatieke kanalen te gebruiken om snel de steun van de leden van de Mensenrechtenraad te krijgen;

13. roept de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap nogmaals op onmiddellijk een einde te maken aan de uitvoer en technologieoverdracht van goederen en diensten die door China worden gebruikt om zijn systeem van cyberbewaking en voorspellende methode voor het opstellen van profielen te verbeteren; is ernstig bezorgd over het feit dat China systematisch hoogwaardige bewakingstechnologieën uitvoert naar autoritaire staten overal ter wereld en regelmatig opleidingen en technische bijstand verstrekt met betrekking tot het gebruik van deze technologieën; verzoekt de Raad in dit verband tot een gemeenschappelijk standpunt te komen over de hervorming van de verordening inzake tweeërlei gebruik op grond van dringende nationale veiligheids- en mensenrechtenoverwegingen; benadrukt dat het Parlement het voorstel van de Commissie over strenge uitvoercontroles op al dan niet in de lijst opgenomen technologieën voor cybertoezicht verder heeft ontwikkeld en versterkt;

14. roept alle academische en onderzoeksinstellingen die met China samenwerken op om de vrijheid van wetenschap en onderzoek volledig te garanderen;

15. maakt zich grote zorgen over de meerlagige regelingen voor gedwongen en onvrijwillige arbeid in Xinjiang en de gevolgen daarvan voor de mondiale toeleveringsketens;

16. roept de Europese ondernemingen die actief zijn in Xinjiang, of die betrokken zijn bij activiteiten die rechtstreekse gevolgen hebben in de provincie, op om de situatie ter plaatse openlijk te veroordelen; vraagt alle Europese ondernemingen die actief zijn in Xinjiang om hun werkzaamheden ter plaatse tijdelijk op te schorten wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat zij door hun activiteiten medeplichtig zijn aan de mensenrechtenschendingen door China in Xinjiang; dringt er bij hen op aan een robuust stelsel van zorgvuldigheidseisen op het gebied van de mensenrechten in te stellen, aan de hand van processen om hun impact op de mensenrechten in hun toeleveringsketen en bij hun activiteiten te identificeren, te voorkomen, te beperken en er verantwoordelijkheid voor te nemen, overeenkomstig de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten; roept de EU bovendien op om bindende wetgeving met betrekking tot zorgvuldigheid inzake mensenrechten te ontwikkelen voor alle ondernemingen in de EU; vraagt de voorzitter van het Europees Parlement te overwegen om, indien Europese bedrijven de komende drie maanden geen maatregelen in dit verband nemen, hun toegangsbadges tot het Europees Parlement af te nemen;

17. is diep bezorgd over de meldingen van toezicht en bedreigingen, met inbegrip van doodsbedreigingen, ten aanzien van de etnische Oeigoeren die EU-burger of inwoner van de EU zijn; verzoekt de Commissie en alle EU-lidstaten deze meldingen onverwijld te onderzoeken, de bescherming van de leden van de diaspora van Xinjiang te waarborgen, de asielaanvragen van Oeigoeren en andere etnisch-Turkse moslims te bespoedigen en waar nodig de nationale wetgeving in te roepen; is in dit verband verheugd over het besluit van Duitsland en Zweden om de terugkeer van alle etnische Oeigoeren, Kazakken of andere etnisch-Turkse moslims naar China op te schorten, gezien het risico op willekeurige detentie, foltering en andere vormen van mishandeling waarmee zij in het land zouden worden geconfronteerd;

18. verneemt met instemming dat de hoge vertegenwoordiger onlangs aankondigde van start te gaan met de voorbereidingen voor een mondiale sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen, en verzoekt de EU dit proces te bespoedigen en snel de voorbereidingen voor dit instrument aan te vatten, zoals voorgesteld door het Europees Parlement in zijn resolutie van 14 maart 2019, en daarbij het Europees Parlement te betrekken;

19. herhaalt zijn verzoek aan de Raad om gerichte sancties vast te stellen tegen Chen Quanguo, secretaris van de communistische partij van de Oeigoerse autonome regio Xinjiang, en andere functionarissen die verantwoordelijk zijn voor de repressie;

20. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van de Volksrepubliek China.

 

[1] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0422.

[2] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0343.

[3] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0377.

[4] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0215.

Laatst bijgewerkt op: 18 december 2019Juridische mededeling - Privacybeleid