Ontwerpresolutie - B9-0250/2019Ontwerpresolutie
B9-0250/2019

ONTWERPRESOLUTIE over de situatie van de Oeigoeren in China (China Cables)

16.12.2019 - (2019/2945(RSP))

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement

Michael Gahler, Isabel Wiseler‑Lima, Željana Zovko, David Lega
namens de PPE-Fractie

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0246/2019

Procedure : 2019/2945(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B9-0250/2019
Ingediende teksten :
B9-0250/2019
Aangenomen teksten :

B9‑0250/2019

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie van de Oeigoeren in China (China Cables)

(2019/2945(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties over China,

 gezien het in 2003 gelanceerde strategisch partnerschap tussen de EU en China, en de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 22 juni 2016 getiteld “Elementen voor een nieuwe strategie van de EU ten aanzien van China” (JOIN(2016)0030),

 gezien de op 24 juni 2013 door de Raad Buitenlandse Zaken aangenomen richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging,

 gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 26 oktober 2018 over de situatie in Xinjiang,

 gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 12 maart 2019 getiteld “EU en China - een strategische visie” (JOIN(2019)0005),

 gezien de gezamenlijke verklaring van de 21e top EU-China van 9 april 2019,

 gezien de in 1995 gestarte dialoog tussen de EU en China over de mensenrechten, en de 37e ronde van deze dialoog op 1 en 2 april 2019 in Brussel,

 gezien artikel 36 van de grondwet van de Volksrepubliek China, waarin het recht van alle burgers op vrijheid van religie en geloof wordt gewaarborgd, en artikel 4 van diezelfde grondwet, waarin de rechten van “minderheidsnationaliteiten” worden bevestigd,

 gezien de slotopmerkingen van de beoordeling van de VN-Commissie voor de uitbanning van rassendiscriminatie betreffende China,

 gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 16 december 1966,

 gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de zogeheten “China Cables” een onderzoek zijn naar de surveillance en de massale internering zonder enige tenlastelegging of vorm van proces van Oeigoeren en andere moslimminderheden in de Chinese provincie Xinjiang, op basis van gelekte vertrouwelijke documenten van de Chinese regering;

B. overwegende dat het internationaal consortium van onderzoeksjournalisten deze geheime documenten heeft ontvangen via een ketting van uitgeweken Oeigoeren; overwegende dat de authenticiteit van de documenten door verschillende vooraanstaande deskundigen is bevestigd;

C. overwegende dat “tienduizenden tot meer dan een miljoen Oeigoeren” gedwongen politieke “heropvoeding” ondergaan in kampen, voor onbepaalde tijd, en willekeurig worden vastgehouden onder het voorwendsel van de strijd tegen terrorisme en religieus extremisme; overwegende dat de behandeling en omstandigheden in de kampen door een aantal voormalige gedetineerden worden beschreven als overvol en onhygiënisch, met voedselgebrek, mishandeling en seksueel misbruik; overwegende dat in sommige heropvoedingskampen naar verluidt fabrieken gevestigd zijn waar goederen voor de export worden vervaardigd;

D. overwegende dat de bevordering en eerbiediging van de universele mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat de kern moeten blijven uitmaken van de langlopende relatie tussen de EU en China, in overeenstemming met het engagement van de EU om deze waarden in haar extern optreden uit te dragen en het feit dat China de intentie uitgesproken heeft zich bij zijn eigen ontwikkeling en in het kader van internationale samenwerking aan deze waarden te zullen houden;

E. overwegende dat de situatie in Xinjiang, waar tien miljoen Oeigoerse moslims en etnische Kazakken wonen, snel is verslechterd sinds de Chinese autoriteiten stabiliteit en controle over Xinjiang tot topprioriteiten hebben verklaard, niet alleen vanwege de periodieke terreuraanslagen die Oeigoeren in Xinjiang plegen of zogenaamd in verband met Xinjiang zouden plegen, maar ook vanwege de strategische positie die de Oeigoerse autonome regio Xinjiang inneemt in het “Belt and Road”-initiatief;

F. overwegende dat de Chinese regering herhaaldelijke verzoeken van de VN-werkgroep inzake gedwongen en onvrijwillige verdwijningen, de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten en andere speciale VN-procedures om onafhankelijke onderzoekers naar Xinjiang te sturen, stelselmatig heeft afgewezen;

G. overwegende dat de Amerikaanse Senaat op 11 september 2019 de Wet over de mensenrechten van de Oeigoeren heeft goedgekeurd; overwegende dat de minister van Buitenlandse Zaken hierin wordt opgeroepen om krachtens de wereldwijde Magnitski-wet visum- en economische sancties te overwegen tegen ambtenaren van de Volksrepubliek China die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen in Xinjiang;

H. overwegende dat de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken in 2019 is toegekend aan de Oeigoerse professor economie Ilham Tohti, die op 23 september 2014 tot levenslang werd veroordeeld voor vermeend separatisme, nadat hij in januari van hetzelfde jaar was gearresteerd; overwegende dat zeven van zijn voormalige studenten ook werden aangehouden en werden veroordeeld tot gevangenisstraffen gaande van drie tot acht jaar voor vermeende collaboratie met de heer Tohti; overwegende dat Ilham Tohti separatisme en geweld altijd heeft verworpen en heeft gestreefd naar verzoening op basis van respect voor de Oeigoerse cultuur;

1. is ernstig bezorgd over de geloofwaardige berichten over de behandeling van Oeigoeren en andere minderheden in Xinjiang, met inbegrip van massale opsluitingen en surveillance;

2. dringt er bij de Chinese regering op aan onmiddellijk een einde te maken aan de willekeurige detentie, zonder enige vorm van tenlastelegging, proces of veroordeling voor strafbare feiten, van leden van de Oeigoerse en andere moslimminderheden in Xinjiang, alle kampen en detentiecentra te sluiten en gedetineerden onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten;

3. verzoekt de Chinese regering om Ilham Tohti, winnaar van de Sacharovprijs, onmiddellijk vrij te laten en hem toe te staan de prijs in het Europees Parlement in ontvangst te nemen;

4. roept de Chinese autoriteiten op om journalisten en internationale waarnemers, waaronder de hoge commissaris voor de mensenrechten van de VN en de mandaathouders van de speciale procedures van de VN-mensenrechtenraad, vrije, betekenisvolle en ongehinderde toegang tot de provincie Xinjiang te geven;

5. roept de Chinese regering op om alle gegevens van verdwenen personen in Xinjiang aan hun familieleden te openbaren;

6. benadrukt dat producten, als zij worden geproduceerd in heropvoedingskampen, van de EU-markt moeten worden geweerd;

7. is ingenomen met de Amerikaanse Wet over de mensenrechten van de Oeigoeren; dringt er bij de Raad op aan te overwegen gerichte sancties vast te stellen jegens Chinese functionarissen die verantwoordelijk zijn voor het harde optreden in de Oeigoerse autonome regio Xinjiang;

8. wijst erop dat de EU tijdens de 37e ronde van de mensenrechtendialoog tussen de EU en China het systeem van politieke heropvoedingskampen in Xinjiang als een zorgwekkende ontwikkeling ter sprake heeft gebracht;

9. roept China op om het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten dat het in 1998 heeft ondertekend, te ratificeren en gevolg te geven aan de aanbevelingen van de mensenrechtenorganen van de VN;

10. verzoekt de EDEO de goede praktijken van de interreligieuze dialoog als instrument in zijn communicatiestrategie ten aanzien van derde landen op te nemen en bemiddeling in conflictsituaties voor de bescherming van religieuze minderheden en de vrijheid van godsdienst en overtuiging te bevorderen;

11. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van de Volksrepubliek China.

Laatst bijgewerkt op: 18 december 2019
Juridische mededeling - Privacybeleid