Ontwerpresolutie - B9-0271/2019Ontwerpresolutie
B9-0271/2019

ONTWERPRESOLUTIE over het gewelddadige optreden tegen de recente protesten in Iran

17.12.2019 - (2019/2993(RSP))

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid
ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement

Ernest Urtasun, Katrin Langensiepen, Gina Dowding, Hannah Neumann, Klaus Buchner, Monika Vana, Erik Marquardt, Mounir Satouri
namens de Verts/ALE-Fractie

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0271/2019

Procedure : 2019/2993(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B9-0271/2019
Ingediende teksten :
B9-0271/2019
Aangenomen teksten :

B9‑0271/2019

Resolutie van het Europees Parlement over het gewelddadige optreden tegen de recente protesten in Iran

(2019/2993(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties over Iran, meer bepaald die van 19 september 2019 over Iran, met name de situatie van vrouwenrechtenactivisten en gevangenen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van één van de EU-lidstaten[1], van 14 maart 2019 over Iran, met name de situatie van mensenrechtenactivisten[2], van 13 december 2018 over Iran, met name het geval Nasrin Sotoudeh[3], van 31 mei 2018 over de situatie van gedetineerde personen met een dubbele Iraanse en EU-nationaliteit in Iran[4], van 3 april 2014 over de EU-strategie ten aanzien van Iran[5], van 8 oktober 2015 over de doodstraf[6], en van 25 oktober 2016 over de EU-strategie ten aanzien van Iran na de sluiting van de nucleaire overeenkomst[7],

 gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Josep Borrell Fontelles, namens de EU van 8 december 2019 over de recente protesten in Iran,

 gezien de verklaring van de woordvoerder van de VV/HV van 21 november 2019 over de ontwikkelingen in Iran,

 gezien de EU-richtsnoeren over de doodstraf, over foltering en over de vrijheid van meningsuiting,

 gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers,

 gezien het verslag van de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran van 30 januari 2019,

 gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN van 8 februari 2019 over de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran,

 gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

 gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat op 15 november op meer dan 100 plaatsen in Iran protesten zijn uitgebroken na de aankondiging dat de brandstofprijs met de helft zou toenemen; overwegende dat de Iraanse veiligheidstroepen deze protesten met gewelddadig optreden en het gebruik van buitensporig geweld hebben beantwoord; overwegende dat volgens verslagen van organisaties van het maatschappelijk middenveld, de Iraanse veiligheidstroepen het vuur openden op ongewapende demonstranten die geen onmiddellijke dreiging vormden, en dat zij naar verluidt schoten om te doden;

B. overwegende dat volgens Amnesty International ten minste 304 mensen, waaronder kinderen, tijdens de protesten in Iran zijn gedood, en duizenden demonstranten, alsook journalisten, mensenrechtenactivisten en studenten zijn gearresteerd; overwegende dat de Iraanse veiligheidstroepen nog steeds aanvallen uitvoeren om mensen aan te houden die directe of indirecte banden met de protesten hebben; overwegende dat de Iraanse autoriteiten het officiële dodental niet hebben bekendgemaakt;

C. overwegende dat de Iraanse autoriteiten op 16 november de internetcommunicatie bijna volledig hebben stilgelegd en bijna alle onlinecommunicatie voor mensen in Iran hebben verbroken, en zo de uitwisseling van informatie over het brutale optreden vrijwel onmogelijk hebben gemaakt; overwegende dat het stilleggen van internetcommunicatie een schending van het fundamentele recht op toegang tot informatie inhoudt;

D. overwegende dat veel gevangenen onder dwang zijn verdwenen of willekeurig zijn gearresteerd en geen toegang tot een advocaat van hun eigen keuze hebben gekregen; overwegende dat volgens meldingen van het maatschappelijk middenveld enkele gedetineerden zijn gefolterd of op andere manieren zijn mishandeld;

E. overwegende dat de recente protesten verband houden met de stijging van de brandstofprijzen, en dat de Iraanse autoriteiten beweren dat die stijging nodig was vanwege de negatieve impact van de Amerikaanse sancties op de middelen van het land; overwegende dat het gebruik van economische sancties voor politieke doeleinden volgens de speciale VN-rapporteur voor negatieve gevolgen van eenzijdige dwangmaatregelen voor de eerbiediging van de mensenrechten in strijd is met de mensenrechten en met de internationale gedragsnormen, en dat de extraterritoriale toepassing van unilaterale sancties duidelijk in strijd is met het internationaal recht;

F. overwegende dat de Iraanse regering de afgelopen maanden het recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering hardhandig heeft onderdrukt, onder meer door vreedzame critici op grond van valse aantijgingen tegen de nationale veiligheid gevangen te nemen;

G. overwegende dat er talrijke rapporten zijn over de onmenselijke en vernederende omstandigheden in gevangenissen en het gebrek aan mogelijkheden voor medische verzorging tijdens de detentie om de gevangenen te intimideren, te straffen of te dwingen tot bepaalde handelingen, wat indruist tegen de standaard minimumregels voor de behandeling van gevangenen van de VN; overwegende dat volgens verslagen van organisaties van het maatschappelijk middenveld, het ministerie van Inlichtingen en de Revolutionaire Garde gedetineerden stelselmatig onderwerpen aan langdurige eenzame opsluiting die neerkomt op foltering;

H. overwegende dat er geen onafhankelijke mechanismen bestaan om de verantwoordingsplicht binnen de rechterlijke macht te waarborgen, en dat er ernstige zorgen blijven bestaan over de politisering van rechters, met name degenen die de revolutionaire rechtbanken voorzitten; overwegende dat gerechtelijke intimidatie wordt gebruikt als middel om mensenrechtenactivisten het zwijgen op te leggen;

I. overwegende dat de EU beperkende maatregelen heeft genomen in verband met schendingen van de mensenrechten, waaronder het bevriezen van tegoeden en visumverboden voor personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten, en een verbod op de uitvoer naar Iran van apparatuur die voor binnenlandse repressie zou kunnen worden gebruikt en van apparatuur voor het toezicht op telecommunicatie; overwegende dat deze maatregelen regelmatig worden geactualiseerd en van kracht blijven;

1. veroordeelt in de krachtigste bewoordingen het aanhoudende hardhandig optreden tegen demonstranten; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan het recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering te eerbiedigen en maximale terughoudendheid te betrachten bij de aanpak van de protesten, overeenkomstig de toepasselijke internationale normen; benadrukt dat de Iraanse autoriteiten het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij Iran partij is, volledig moeten naleven;

2. roept de Iraanse autoriteiten op de betogers onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, evenals de mensenrechtenactivisten en journalisten die momenteel vastzitten; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan ervoor te zorgen dat er snel een onpartijdig en onafhankelijk onderzoek wordt verricht naar de schendingen van de mensenrechten sinds het begin van de protesten, met inbegrip van beschuldigingen van slechte behandeling in gevangenissen, en dat de verantwoordelijken ter verantwoording worden geroepen;

3. veroordeelt het besluit van de Iraanse autoriteiten om de internettoegang tot wereldwijde netwerken te blokkeren, waardoor de communicatie en de vrije uitwisseling van informatie voor Iraanse ingezetenen werd belemmerd; onderstreept dat dergelijke acties een duidelijke schending van de vrijheid van meningsuiting vormen;

4. verzoekt de Iraanse autoriteiten te waarborgen dat alle gedetineerden recht hebben op een eerlijke rechtsbedeling en een eerlijk proces, met inbegrip van het recht zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat naar eigen keuze;

5. benadrukt dat de Iraanse autoriteiten de veiligheid en het fysieke en psychologische welzijn van alle gedetineerden moeten garanderen en hun passende medische zorg moeten verstrekken; verzoekt de Iraanse autoriteiten alle beschuldigingen van slechte behandeling tijdens detentie te onderzoeken en de daders te berechten;

6. wijst eens te meer op het belang van de spoedige instelling van een EU-delegatie in Teheran, wat onder meer de capaciteit van de EU zou versterken om ter plaatse op de mensenrechtensituatie toe te zien en met haar Iraanse tegenhangers en het lokale maatschappelijk middenveld samen te werken;

7. verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) in het kader van de dialoog op hoog niveau tussen de EU en Iran te blijven hameren op de eerbiediging van de mensenrechten;

8. verzoekt de EU en haar lidstaten dringend om een bijzondere zitting van de VN-Mensenrechtenraad te vragen om te zorgen voor gedegen toezicht op het harde optreden van Iran tegen demonstranten, en tijdens die zitting voor te stellen dat er een onafhankelijk onderzoek wordt verricht naar de beschuldigingen van ernstige mensenrechtenschendingen en dat de bevindingen en aanbevelingen van dit onderzoek aan de Mensenrechtenraad worden voorgelegd;

9. dringt bij de Iraanse autoriteiten aan op een vaste uitnodiging tot alle speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad en op proactieve samenwerking; dringt er met name op aan te waarborgen dat de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran toegang krijgt tot het land;

10. herhaalt zijn volledige steun aan de winnaars van de Sacharovprijs, Nasrin Sotoudeh en Jafar Panahi; betreurt dat Nasrin Sotoudeh nog steeds gevangen zit, met een straf van 33 jaar en 148 zweepslagen, en dringt aan op haar onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan het reisverbod op te heffen dat sinds 2010 op Jafar Panahi rust;

11. hekelt de gevolgen van secundaire sancties van de VS en benadrukt dat de extraterritoriale toepassing van sancties in strijd is met het internationaal recht; verzoekt de VV/HV een horizontaal initiatief te lanceren om verschillende manieren te onderzoeken om de EU minder kwetsbaar te maken voor secundaire sancties van derde landen;

12. herhaalt, ondanks de ernstige schendingen van de mensenrechten in de afgelopen weken, zijn volledige steun voor het gezamenlijk alomvattend actieplan (JCPOA) als een cruciaal element om de proliferatie van kernwapens te beëindigen, tot regionale stabiliteit te komen en de internationale vrede te versterken; betreurt de laatste aankondigingen dat Iran opnieuw uranium gaat verrijken; dringt er bij Iran op aan alle maatregelen terug te draaien die niet stroken met het JCPOA, en dringt er bij alle partijen op aan de voorwaarden van de overeenkomst volledig na te leven, onder meer werk maken van de in de overeenkomst opgenomen economische voordelen;

13. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Islamitische Raadgevende Vergadering, de regering van de Islamitische Republiek Iran en het kabinet van de hoogste leider van de Islamitische Republiek Iran.

 

Laatst bijgewerkt op: 18 december 2019
Juridische mededeling - Privacybeleid