Ontwerpresolutie - B9-0272/2019Ontwerpresolutie
B9-0272/2019

    ONTWERPRESOLUTIE over het gewelddadige optreden tegen de recente protesten in Iran

    16.12.2019 - (2019/2993(RSP))

    naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid
    ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement

    Kati Piri, Jytte Guteland
    namens de S&D-Fractie

    Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0271/2019

    Procedure : 2019/2993(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B9-0272/2019
    Ingediende teksten :
    B9-0272/2019
    Aangenomen teksten :

    B9‑0272/2019

    Resolutie van het Europees Parlement over het gewelddadige optreden tegen de recente protesten in Iran

    (2019/2993(RSP))

    Het Europees Parlement,

     gezien zijn eerdere resoluties over Iran,

     gezien de conclusies van de Raad van 4 februari 2019 over Iran,

     gezien de verklaring van 8 december 2019 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Josep Borrell Fontelles, namens de EU over de recente protesten in Iran,

     gezien de verklaring van 21 november 2019 van de woordvoerder van de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) over de ontwikkelingen in Iran,

     gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over de EU-strategie ten aanzien van Iran na de sluiting van de nucleaire overeenkomst[1],

     gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers,

     gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, de EU-richtsnoeren inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline,

     gezien het verslag van de bijzondere rapporteur voor de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran van 30 januari 2019,

     gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

     gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966 (IVBPR), waarbij Iran partij is,

     gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

    A. overwegende dat tienduizenden mensen in Iran hun fundamentele recht op vrijheid van vergadering hebben uitgeoefend en hun toenemende economische en politieke grieven hebben geuit; overwegende dat de protesten mogelijk de grootste onlusten in veertig jaar zijn;

    B. overwegende dat de Iraanse veiligheidstroepen, in wat mogelijk hun bloedigste reactie ooit op demonstraties is geweest, volgens internationale mensenrechtenorganisaties zoals Human Rights Watch buitensporige middelen en geweld hebben gebruikt tegen de demonstranten, waarbij meer dan 200 mensen om het leven zouden zijn gekomen en tot 7 000 mensen zouden zijn gearresteerd;

    C. overwegende dat krachtens de Grondbeginselen van de VN inzake het gebruik van geweld en vuurwapens door wetshandhavers, wetshandhavers alleen geweld mogen gebruiken wanneer dat strikt noodzakelijk is en voor zover dat nodig is om een legitiem politiedoel te bereiken;

    D. overwegende dat de Iraanse autoriteiten na het begin van de protesten in Iran een vijfdaagse afsluiting van het internet in het hele land hebben ingesteld, waardoor een onevenredige beperking van de vrijheid van meningsuiting en toegang tot informatie werd opgelegd;

    E. overwegende dat mensenrechtenverdedigers, journalisten, juristen en activisten in Iran wegens hun activiteiten nog altijd het slachtoffer zijn van intimidatie, willekeurige arrestatie, detentie en vervolging; overwegende dat het Iraanse Ministerie van Inlichtingen en Veiligheid evenals andere diensten zijn overgegaan tot een ernstige repressie van het maatschappelijk middenveld;

    F. overwegende dat 77 leden van de hervormingsgezinde oppositie, voornamelijk leden van het Islamic Iran Participation Front, een open verklaring hebben afgelegd waarin zij het buitensporig gebruik van geweld bij het onderdrukken van de protesten veroordelen; overwegende dat sommigen van hen in Iran voor het gerecht zijn gedaagd voor “het verspreiden van propaganda tegen de Islamitische Republiek” en dat twee van hen zijn gearresteerd, namelijk Mohammad Kianoosh Rad en Mehdi Mahmoudian;

    G. overwegende dat bij de Iraanse rechtbanken met regelmaat oneerlijke processen plaatsvinden en regelmatig door foltering verkregen bekentenissen als bewijsmateriaal worden gebruikt;

    1. betreurt het wijdverbreide en disproportionele gebruik van geweld door Iran tegen niet-gewelddadige demonstranten, die uitsluitend hun legitieme eisen uitspreken; benadrukt dat dergelijke acties onaanvaardbaar zijn, en dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan het totale aantal doden en gedetineerden openbaar te maken, transparante onderzoeken uit te voeren naar de beschuldigingen van buitensporig gebruik van geweld, met inbegrip van de rechtstreekse aanvallen van demonstranten door veiligheidstroepen, en alle plegers van geweld ter verantwoording te roepen;

    2. eist dat de autoriteiten alle families in kennis stellen van de locatie waar hun gearresteerde verwanten worden vastgehouden, en ervoor zorgen dat de gevangenen onverwijld worden geïnformeerd over aanklachten tegen hen en onmiddellijk toegang krijgen tot rechtsbijstand en tot hun familieleden;

    3. veroordeelt krachtig het besluit van de Iraanse autoriteiten om de internettoegang tot wereldwijde netwerken te blokkeren, waardoor de communicatie en de vrije uitwisseling van informatie voor Iraanse burgers werd belemmerd; onderstreept dat dergelijke acties een duidelijke schending van de vrijheid van meningsuiting vormen;

    4. benadrukt dat grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering altijd moeten worden geëerbiedigd en roept de Iraanse autoriteiten op hun internationale verplichtingen na te komen, waaronder die in het kader van het IVBPR;

    5. roept de EU, met inbegrip van de VV/HV, op om mensenrechtenkwesties bij de Iraanse autoriteiten te blijven aankaarten in bilaterale en multilaterale fora, met name in het kader van de politieke dialoog tussen de EU en Iran;

    6. verzoekt de lidstaten van de EU in de Mensenrechtenraad van de VN (HRC) een speciale zitting bijeen te roepen om de situatie in Iran te beoordelen, met als doel een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de beschuldigingen van ernstige mensenrechtenschendingen in het land sinds het begin van de protesten, en Iran ertoe op te roepen volledige en onbeperkte toegang te verlenen aan degenen die dit onderzoek verrichten en aan VN-functionarissen, met inbegrip van mandaten voor “speciale procedures”, evenals tot detentiecentra, en om toezicht te houden op de processen in verband met de protesten en de gevolgen daarvan;

    7. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de hoogste leider van de Islamitische Republiek Iran, de president van de Islamitische Republiek Iran en de leden van de Majlis van Iran.

     

    Laatst bijgewerkt op: 18 december 2019
    Juridische mededeling - Privacybeleid