Procedure : 2019/2956(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0043/2020

Ingediende teksten :

B9-0043/2020

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/01/2020 - 10.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0005

<Date>{10/01/2020}10.1.2020</Date>
<NoDocSe>B9-0043/2020</NoDocSe>
PDF 208kWORD 65k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van een verklaring van de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de Europese Green Deal</Titre>

<DocRef>(2019/2956(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Fredrick Federley</Depute>

<Commission>{Renew}namens de Renew-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0040/2020

B9-0043/2020

Resolutie van het Europees Parlement over de Europese Green Deal

(2019/2956(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2018 getiteld “Een schone planeet voor iedereen – Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie” (COM(2018)0773), en de diepgaande analyse ter begeleiding van die mededeling,

 gezien het milieuactieprogramma van de EU voor de periode tot en met 2020 en haar visie voor 2050,

 gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) het Kyotoprotocol bij het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs,

 gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit,

 gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties (SDG’s),

 gezien het verslag van het Europees Milieuagentschap getiteld “Het milieu in Europa: toestand en vooruitzichten 2020” (SOER 2020), gepubliceerd op 4 december 2019,

 gezien het speciaal verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) over de opwarming van de aarde met 1,5 °C, het vijfde evaluatierapport (AR5) van de werkgroep en het bijbehorende samenvattend verslag, het speciaal verslag van de IPCC over de klimaatverandering en de bodem en het speciaal verslag van de IPCC over de oceanen en de cryosfeer in een veranderend klimaat,

 gezien het verslag over de uitstoot van broeikasgassen van het VN-Milieuprogramma (Emissions Gap Report 2019 ) dat op 26 november 2019 werd gepubliceerd,

 gezien het mondiaal evaluatieverslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het intergouvernementeel platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten van 31 mei 2019,

 gezien de wereldwijde vooruitzichten inzake hulpbronnen (Global Resources Outlook) voor 2019 van het Internationale panel voor hulpbronnen van het Milieuprogramma van de VN,

 gezien het toenemende bewijs voor de dramatische gevolgen van milieuvervuiling voor de menselijke gezondheid, zoals de gegevens van Eurostat over het aantal sterfgevallen ten gevolge van longkanker (1,3 miljoen Europese burgers per jaar),

 gezien de 26e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC die in november 2020 zal plaatsvinden, en het feit dat alle partijen bij het UNFCCC hun nationaal bepaalde bijdragen moeten verhogen, in overeenstemming met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs,

 gezien de 15e Conferentie van de Partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP15) die in oktober 2020 zal plaatsvinden in Kunming, China, gedurende dewelke de partijen het eens zullen moeten worden over een mondiaal kader voor de periode na 2020 om het verlies aan biodiversiteit een halt toe te roepen,

 gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over klimaatverandering – een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs[1],

 gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu[2],

 gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de VN-klimaatconferentie van 2019 in Madrid, Spanje (COP25)[3],

 gezien de conclusies van de Europese Raad van 12 december 2019,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

1. onderstreept dat er dringend actie moet worden ondernomen om de klimaatverandering tegen te houden en milieugerelateerde problemen aan te pakken, en verheugt zich dan ook ten zeerste over de mededeling van de Commissie over de Europese Green Deal; sluit zich aan bij het vaste voornemen van de Commissie om de EU tegen 2050 om te vormen tot een gezondere, duurzame, eerlijke en welvarende samenleving met broeikasgasneutraliteit en met een moderne, hulpbronnenefficiënte en competitieve economie waarin economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen en van de productie van afval; eist dat van de noodzakelijke overgang naar een klimaatneutrale samenleving tegen uiterlijk 2050 een Europees succesverhaal wordt gemaakt;

2. onderstreept dat de Green Deal centraal moet staan in de strategie van Europa voor nieuwe groei en banen; beschouwt de Green Deal als een katalysator voor een maatschappelijke transitie met als kerndoelstellingen klimaatneutraliteit, bescherming van het milieu en ons natuurlijk kapitaal, gebruik van duurzame hulpbronnen, en de gezondheid en levenskwaliteit van de bevolking, en tegelijk voor een welvarende, eerlijke en competitieve economie die iedereen ten gunste komt, in alle regio’s van Europa; is van mening dat de Green Deal moet zorgen voor economische kansen en rechtvaardigheid tussen de generaties;

3. is van mening dat de Green Deal gericht moet zijn op de mens en de gezondheid en het welzijn van de bevolking moet vrijwaren voor milieugerelateerde risico’s en de gevolgen hiervan; is van mening dat de tenuitvoerlegging van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen centraal moet staan in het beleidsvormingsproces van de EU;

4. is van mening dat onderzoek en innovatie en de ontwikkeling van nieuwe schone technologieën essentieel zijn voor het koolstofarm maken van de economie, voor het terugdringen van het verlies aan biodiversiteit en voor het groener maken van de economie; dringt erop aan dat fundamenteel wetenschappelijk onderzoek waar nodig financieel wordt ondersteund; dringt aan op marktgestuurde stimulansen en steun voor investeringen in duurzame baanbrekende technologieën, die ertoe kunnen bijdragen dat de EU een wereldleider en mondiale normbepaler wordt;

5. onderstreept dat, wil de Unie uiterlijk in 2050 broeikasgasneutraliteit bereiken, er aanzienlijke openbare en particuliere investeringen moeten worden gedaan, en beschouwt dit als een cruciale voorwaarde voor het welslagen van de Green Deal; is van mening dat de EU langetermijninvesteerders zekerheid en voorspelbaarheid op het vlak van regelgeving moet bieden, evenals een passend financieel kader en gepaste middelen en stimulansen voor een succesvolle marktgestuurde groene transitie; is van mening dat dit moet gebeuren op een manier die uitgaven en investeringen met het oog op deze transitie aanmoedigt, onder meer met betrekking tot overgangstechnologieën die geleidelijk kunnen worden ontwikkeld en ingezet om de langetermijndoelstellingen van de EU te verwezenlijken;

6. benadrukt dat het Parlement al zijn wetgevende bevoegdheden zal aanwenden om de voorstellen van de Commissie zo te herzien en te wijzigen dat zij alle doelstellingen van de Green Deal ondersteunen, onder meer op het gebied van klimaat, milieu en gezondheid, groei en werkgelegenheid, de bescherming van de interne markt en een evenwichtige ontwikkeling in alle lidstaten;

De klimaatambities van de EU voor 2030 en 2050 verhogen

7. is ingenomen met het aangekondigde voorstel voor een Europese klimaatwet, dat tegen maart 2020 moet worden voorgelegd; is van mening dat een bindende toezegging van de EU voor broeikasgasneutraliteit ten laatste tegen 2050 een krachtig instrument zal vormen om de politieke, economische en technologische krachten die nodig zijn voor de transitie, te mobiliseren; is van mening dat de klimaatwet ook specifieke aanpassingscomponenten moet omvatten en alle lidstaten er met name toe moet verplichten aanpassingsactieplannen aan te nemen;

8. is van mening dat de klimaatwet, om doeltreffend te zijn, een op zichzelf staand stuk wetgeving moet zijn en tussentijdse EU-doelstellingen voor 2030 en 2040 alsook een solide bestuurskader moet omvatten; is van mening dat de klimaatwet technologieneutraal moet zijn en de best beschikbare wetenschappelijke kennis moet weerspiegelen, met als doel de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 graad Celsius, en dat de klimaatwet moet worden geactualiseerd op basis van de ontwikkelingen in het rechtskader van de EU en op basis van de herzieningscyclus zoals bedoeld in de Overeenkomst van Parijs;

9. benadrukt met klem dat de transitie een gedeelde inspanning vereist van alle lidstaten en dat elke lidstaat moet bijdragen tot het bereiken van klimaatneutraliteit in de EU tegen 2050; erkent dat er moet worden toegezien op een eerlijke en kosteneffectieve differentiatie van het decarboniseringstraject tussen de lidstaten, aangezien de lidstaten verschillende uitgangsposities en middelen hebben en dat sommige landen sneller gaan dan andere, maar wijst erop dat de groene transitie een economische en sociale kans moet vormen voor alle regio’s van Europa;

10. dringt aan op een ambitieuzere EU-doelstelling inzake de vermindering van broeikasgasemissies binnen de EU, namelijk een vermindering met 55 % ten opzichte van het niveau van 1990, en vraagt de Commissie met klem om zo spoedig mogelijk een voorstel hiertoe in te dienen, zodat de EU dit streefcijfer ruim vóór de COP26 kan goedkeuren als haar geactualiseerde nationaal bepaalde bijdrage (NDC); vraagt voorts dat dit streefdoel wordt opgenomen in de Europese klimaatwet;

11. is van mening dat de EU een actieve rol moet spelen en blijk moet geven van sterk leiderschap bij de voorbereiding van de COP26, waar de deelnemende partijen de collectieve klimaatverbintenissen moeten optrekken tot het hoogst mogelijke ambitieniveau; is in dit verband van mening dat de EU zo vroeg mogelijk in 2020 een ambitieuzere NDC moet goedkeuren, met als doel andere niet-EU-landen en in het bijzonder grote uitstoters ertoe aan te moedigen hetzelfde te doen; onderstreept in deze context dat er voorafgaand aan de geplande top EU-China in september en de top EU-Afrika overeenstemming moet worden bereikt over een versterkte NDC;

12. benadrukt dat alle sectoren een bijdrage moeten leveren door hun emissies te verminderen; benadrukt dat alle relevante wetgevingsmaatregelen van de EU op het gebied van klimaat en energie tegen juni 2021 moeten worden herzien, met inbegrip van de CO2-emissienormen voor auto’s, bestelwagens en vrachtwagens, om de hogere klimaatambities te kunnen verwezenlijken; is ingenomen met de plannen van de Commissie in dit verband; verzoekt de Commissie eveneens rekening te houden met het feit dat andere bestaande EU-wetgeving ook kan bijdragen tot de klimaatactie, bijvoorbeeld de richtlijn inzake ecologisch ontwerp, de afvalwetgeving van de EU en de maatregelen betreffende de circulaire economie;

13. onderstreept dat de overgang naar klimaatneutraliteit duurzaam moet zijn, met name bij het analyseren van de koolstofcycli in verschillende koolstofputten, opdat er voldoende ruimte voor ontwikkeling is in sectoren die met de putten zijn verbonden en opdat deze putten grotere klimaatvoordelen kunnen opleveren en op lange termijn in stand kunnen worden gehouden of zelfs kunnen worden versterkt;

14. benadrukt dat toekomstige wetgevingsvoorstellen tot uitvoering van de ambitieuzere klimaatdoelstellingen moeten berusten op uitgebreide beoordelingen van de sociaaleconomische gevolgen en de milieu-impact van verschillende opties, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de totale klimaat- en milieu-impact, de noodzaak om koolstoflekkage te voorkomen, de gevolgen voor het internationale concurrentievermogen van EU-bedrijven, kmo’s inbegrepen, de gevolgen voor de werkgelegenheid, en de gevolgen voor de zekerheid van investeringen op lange termijn, en waarbij tegelijkertijd wordt gezorgd voor beleidscoherentie met de reductiedoelstellingen voor broeikasgasemissies;

15. steunt het voornemen van de Commissie om te werken aan een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens, met het oog op een beperking van het risico van koolstoflekkage indien de wereldwijde verschillen in ambitieniveau op klimaatgebied blijven bestaan; beschouwt de ontwikkeling van een dergelijk mechanisme als een onderdeel van een bredere strategie voor een concurrerende koolstofvrije EU-economie; is van mening dat een toekomstig mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens de klimaatambities van de EU moet ondersteunen, een gelijk speelveld moet waarborgen en moet voldoen aan de WTO-regels; is voorts van mening dat dit mechanisme economische stimulansen moet handhaven voor een succesvolle groene transitie en voor koplopers op het gebied van klimaat en de markt voor koolstofarme goederen in de EU moet ondersteunen, en dat het moet zorgen voor een daadwerkelijk beprijzing van koolstof in de EU en tegelijkertijd koolstofbeprijzing in andere delen van de wereld moet aanmoedigen; onderstreept dat een dergelijk mechanisme volledig moet worden afgestemd op het emissiehandelssysteem van de EU (ETS); is van mening dat het mechanisme rekening moet houden met de specifieke kenmerken van elke sector en in bepaalde sectoren geleidelijk zou kunnen worden ingevoerd, waarbij onnodige extra administratieve kosten, met name voor Europese kmo’s, worden vermeden; verzoekt de Commissie om alle mogelijke vormen van koolstofcorrectie aan de grens te onderzoeken, en tegen juni 2021 samen met de geplande herziening van de ETS-wetgeving een volledige effectbeoordeling van alle mogelijkheden uit te voeren, alvorens met een voorstel te komen; herhaalt zijn verzoek om de door het mechanisme gegenereerde inkomsten als eigen middelen toe te wijzen aan de EU-begroting en te oormerken voor klimaatmaatregelen, en merkt op dat een deel van de inkomsten ook zou kunnen worden teruggestort aan de lidstaten;

16. is ingenomen met het geplande voorstel tot herziening van de energiebelastingrichtlijn en is het ermee eens dat de richtlijn het beginsel dat de vervuiler betaalt moet toepassen door middel van een minimumniveau voor koolstofbeprijzing, zij het met volledige inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten op het gebied van het belastingbeleid en zonder zich in deze bevoegdheden in te mengen;

17. kijkt uit naar een nieuwe en ambitieuzere EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering; merkt op dat er publieke en particuliere investeringen moeten worden losgemaakt voor aanpassing aan de klimaatverandering, en pleit voor reële beleidscoherentie in de EU-uitgaven, zodat aanpassing aan de klimaatverandering en klimaatbestendigheid essentiële criteria worden voor EU-financiering, en zodat het potentieel van de EU-middelen ten volle wordt benut voor de opbouw en versterking van de weerbaarheid van gemeenschappen en infrastructuur; is tegelijkertijd van mening dat rampenpreventie, -paraatheid en -respons het voorwerp moeten vormen van een krachtig solidariteitsinstrument, met voldoende middelen; dringt, gezien de groeiende uitdagingen waarmee we worden geconfronteerd, aan op een consistente en toereikende toewijzing van middelen in de EU-begroting en op een bundeling van middelen voor het EU-mechanisme voor civiele bescherming;

18. beklemtoont de rol van de Europese bevolking, lokale gemeenschappen, bedrijven – inclusief kmo’s – en industrie bij het aanpakken van de klimaat- en milieu-uitdagingen en bij het ontwikkelen van duurzamere consumptiepatronen, bedrijfsmodellen en productiemethoden; ondersteunt in deze context de Commissie bij de opstelling van een Europees klimaatpact, en is van mening dat een dergelijk pact een nuttig instrument kan zijn om regionale en lokale gemeenschappen in staat te stellen overgangsmaatregelen vast te stellen, partnerschappen tussen de publieke en private sector tot stand te brengen en goede praktijken over de hele EU te verspreiden; verheugt zich over campagnes voor vrijwillige toezeggingen maar benadrukt dat dergelijke campagnes altijd moeten worden omgezet in echte actie;

Zorgen voor schone, betaalbare en veilige energie

19. benadrukt de belangrijke rol die energie vervult bij de transitie naar een broeikasgasneutrale economie; is van mening dat de coherente en volledige tenuitvoerlegging van het onlangs goedgekeurde pakket “Schone energie voor alle Europeanen” een essentiële eerste stap is om ervoor te zorgen dat de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie worden gehaald; benadrukt tegelijkertijd dat de Unie dringend hogere streefcijfers voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie moet vaststellen, die volledig overeenstemmen met het beginsel “energie-efficiëntie eerst”; onderstreept dat het in het licht van deze vastgelegde klimaatdoelstellingen van cruciaal belang is te zorgen voor een goed functionerende, volledig geïntegreerde energiemarkt in Europa; benadrukt in deze context dat een afdoende gefinancierd Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators nodig is om de regionale samenwerking tussen de lidstaten te versterken en te zorgen voor een competitieve, consumentgerichte, flexibele en niet-discriminerende energiemarkt in de EU;

20. verzoekt de Commissie om de lidstaten waar nodig technische ondersteuning en advies te geven met het oog op de herziening door de lidstaten van hun nationale energie- en klimaatplannen, met als doel te garanderen dat deze plannen in overeenstemming zijn met de in de Overeenkomst van Parijs vastgelegde verbintenissen van de EU; dringt aan op een snelle afschaffing van de subsidies voor steenkool en fossiele brandstoffen in de EU en verheugt zich in deze context over de aanstaande herziening van de energiebelastingrichtlijn en van de richtsnoeren inzake staatssteun op het gebied van energie;

21. maakt zich ernstige zorgen over de vertraagde groei van het totale marktaandeel van hernieuwbare energie in de EU; is daarom ingenomen met de aankondiging van de strategie voor offshore-windenergie, die een routekaart moet bevatten voor nauwere samenwerking tussen de lidstaten, en eist dat de desbetreffende wetgeving zal worden herzien; is van mening dat het beleid van de EU specifiek gericht moet zijn op het aanmoedigen van innovatie op het vlak van duurzame energieopslag en schone waterstof, en van het gebruik hiervan, oplossingen moet bieden voor het probleem van het weglekken van methaan, en moet openstaan voor gelijk welke technologie die op rendabele wijze kan bijdragen aan de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU;

22. is ingenomen met de aankondiging dat de Commissie tegen medio 2020 maatregelen zal voorstellen voor slimme integratie, en onderstreept dat verdere integratie van de energiemarkt van de EU een belangrijke rol zal spelen bij het verbeteren van de energievoorzieningszekerheid en het bereiken van een broeikasgasneutrale economie;

23. is ingenomen met de aangekondigde renovatiegolf voor openbare en particuliere gebouwen, zoals scholen en ziekenhuizen, en onderstreept dat de bouwsector een hoog energiebesparingspotentieel bezit en mogelijkheden biedt voor het ter plaatse opwekken van hernieuwbare energie, wat de werkgelegenheid kan stimuleren en kmo’s kan helpen te groeien; is van mening dat een slim en toekomstgericht wetgevingskader essentieel is om te zorgen voor een stabiele en voorspelbare context voor bedrijven in de bouwsector, en verheugt zich daarom over de herziening van de bouwproductenverordening; dringt aan op een strikte handhaving van de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de renovatie van openbare gebouwen overeenkomstig de energie-efficiëntierichtlijn;

24. neemt kennis van de plannen van de Commissie om te overwegen de Europese emissiehandel uit te breiden tot emissies afkomstig van gebouwen en wegvervoer; is van mening dat een rechtstreekse opname van deze emissies in de EU-regeling voor de handel in emissierechten (ETS-regeling) geen haalbare optie is; is van mening dat de voorgestelde maatregel verdere analyse en een effectbeoordeling vereist; benadrukt met klem dat een dergelijk prijsstellingssysteem in geen geval bestaande of toekomstige maatregelen of normen, zoals de CO2-normen voor auto’s, vrachtwagens en woningen of de verordening inzake klimaatactie, mag vervangen of verzwakken, maar dat dit systeem, als het zou worden ingevoerd, de bestaande wetgeving moet aanvullen met als doel de klimaatambities van de EU te versterken middels marktgestuurde en technologisch open maatregelen die innovatie stimuleren;

Het bedrijfsleven mobiliseren voor een schone en circulaire economie

25. beschouwt de overgang naar een koolstofneutrale, uiterst hulpbronnenefficiënte en concurrerende industriële basis in de EU tegen 2050 als een belangrijke uitdaging en een kans, en is ingenomen met de aankondiging dat de Commissie in maart 2020 met een nieuwe industriële strategie en een kmo-strategie zal komen; benadrukt dat het industrieel concurrentievermogen en het klimaatbeleid elkaar onderling versterken en dat de totstandbrenging van een innovatieve en klimaatneutrale industrie het concurrentievermogen van de Europese economie zal waarborgen; vraagt dat de Commissie zich buigt over de mogelijkheid om broeikasgasemissies op te nemen in de richtlijn industriële emissies (RIE);

26. onderstreept dat de industriële strategie en de strategie voor kmo’s duidelijke stappenplannen moeten omvatten betreffende de terbeschikkingstelling van een omvattende waaier aan stimulansen voor innovatie op het vlak van disruptieve technologieën, de toepassing van dergelijke technologieën en het wegnemen van alle regelgevende beperkingen; is van mening dat de strategieën specifiek aandacht moeten besteden aan de uitdagingen van energie-intensieve sectoren, marktgestuurd moeten zijn, moeten openstaan voor uiteenlopende technologische oplossingen, en rekening moeten houden met de beperkingen en behoeften van kmo’s; is van mening dat de steun van de EU aan koplopers op het gebied van klimaat en hulpbronnen technologisch neutraal moet zijn en moet berusten op de recentste wetenschappelijke bevindingen en modellen voor het bereiken van koolstofneutraliteit tegen 2050; onderstreept dat het afvangen en opslaan van koolstof (CCS) in de zware industrie noodzakelijk is om deze industrie klimaatneutraal te kunnen maken;

27. is ingenomen met de plannen van de Commissie voor een ambitieus nieuw actieplan voor de circulaire economie, dat gericht moet zijn op het verminderen van de totale voetafdruk van de EU-productie en -consumptie ten aanzien van milieu en hulpbronnen, en tegelijkertijd sterke stimulansen moet bieden voor innovatie, duurzame ondernemingen en markten voor klimaatneutrale en circulaire producten, met als hoofdprioriteiten hulpbronnenefficiëntie, nulverontreiniging en afvalpreventie; wijst op de sterke synergieën tussen klimaatactie en de circulaire economie, met name in energie- en koolstofintensieve industrieën;

28. verzoekt de Commissie doelstellingen voor te stellen voor de gescheiden inzameling van afval en het verminderen, hergebruiken en recyclen van afval, evenals andere specifieke initiatieven, bijvoorbeeld een uitbreiding van de verantwoordelijkheid van producenten in prioritaire sectoren zoals bedrijfsafval, textiel, plastic, elektronica, de bouw en levensmiddelen; dringt er bij de Commissie op aan maatregelen te ontwikkelen om de markt voor gerecyclede materialen in Europa te ondersteunen, zoals onder meer gemeenschappelijke kwaliteitsnormen en verplichte streefcijfers voor het gebruik van teruggewonnen materialen in prioritaire sectoren waar dit mogelijk is; onderstreept het belang van de ontwikkeling van niet-toxische materiaalcycli door het geleidelijk elimineren van giftige stoffen die in aanraking kunnen komen met de mens en het milieu, met name wanneer er veiliger alternatieven bestaan, en door het bevorderen van onderzoek en innovatie om schonere producten te creëren; verzoekt de Commissie maatregelen te overwegen ten aanzien van importproducten die stoffen of componenten bevatten die in de EU verboden zijn, en eist dat deze niet via recyclingactiviteiten opnieuw als consumptieproducten op de EU-markt kunnen worden gebracht;

29. ondersteunt beleidsmaatregelen voor duurzame producten, zoals een uitbreiding van het bereik van ecologisch ontwerp en wetgeving die producten duurzamer, repareerbaar, herbruikbaar en recyclebaar maakt, en ondersteunt een krachtig werkprogramma voor ecologisch ontwerp vanaf 2020, waarin ook smartphones en andere nieuwe IT-apparatuur zijn opgenomen; dringt aan op wetgevingsvoorstellen om geplande veroudering uit te sluiten; onderschrijft de plannen van de Commissie voor een wetgevingsvoorstel dat moet zorgen voor een veilige, circulaire en duurzame waardeketen voor alle batterijen, en verwacht dat dit voorstel op zijn minst maatregelen omvat inzake ecologisch ontwerp, doelstellingen voor hergebruik en recycling, en duurzame en maatschappelijk verantwoorde bevoorrading;

30. vraagt de Commissie met klem om de EU-maatregelen tegen verontreiniging door kunststoffen, in het bijzonder op zee, nog te verscherpen, en dringt aan op ruimere beperkingen voor plastic wegwerpproducten waar er duurzamere alternatieven bestaan; steunt de ontwikkeling van wetgeving om oververpakking aan te pakken en om ervoor te zorgen dat alle verpakkingen in de EU die niet op een economisch haalbare wijze kunnen worden hergebruikt of gerecycled, ten laatste in 2030 niet meer op de EU-markt mogen worden gebracht, waarbij de voedselveiligheid wordt gevrijwaard; pleit voor maatregelen ter bevordering van de grensoverschrijdende coördinatie van statiegeldsystemen; dringt er bij de Commissie op aan om microplastics op een alomvattende manier aan te pakken, onder meer door de geplande geleidelijke eliminatie van opzettelijk toegevoegde microplastics in praktijk te brengen, en door nieuwe maatregelen te nemen tegen het onbedoelde vrijkomen van plastic deeltjes uit bijvoorbeeld textiel, banden en kunststofkorrels;

31. dringt aan op een groene interne EU-markt, die de vraag naar duurzame producten aanmoedigt aan de hand van specifieke maatregelen zoals een ruimer gebruik van groene overheidsopdrachten en de invoering van een instrument voor de duurzaamheidsscreening van overheidsopdrachten, dat erop gericht is grote openbare infrastructuurprojecten klimaatbestendig te maken en voortbouwt op het reeds bestaande mechanisme voor de vrijwillige voorafgaande beoordeling van grote infrastructuurprojecten; dringt voorts aan op de invoering van een financiëlegarantieregeling waarbij alle relevante EU-instrumenten betrokken zijn, met als doel overheidsaankopers te helpen financiële risico’s bij de aanschaf van zeer innovatieve duurzame producten en diensten te beheren;

32. is van mening dat mondige en goed geïnformeerde consumenten cruciaal zijn voor het welslagen van de Green Deal, en dringt aan op maatregelen om ervoor te zorgen dat consumenten transparante, vergelijkbare en geharmoniseerde productinformatie ontvangen, onder meer via de etikettering van producten, die berust op betrouwbare gegevens en wetenschappelijk bewijs en die hen kan helpen gezondere en duurzamere keuzes te maken, en dat consumenten ingelicht worden over de duurzaamheid en repareerbaarheid en de ecologische voetafdruk van producten; onderstreept de noodzaak om consumenten uit te rusten met doeltreffende, gemakkelijk te begrijpen en afdwingbare hulpmiddelen, die rekening houden met duurzaamheidsaspecten en die voorrang geven aan hergebruik of reparatie boven het weggooien van producten die niet naar behoren functioneren;

33. is van mening dat hernieuwbare materialen een belangrijke rol zullen spelen bij de overgang naar een klimaatneutrale economie, en benadrukt dat er stimulansen moeten worden geboden voor investeringen in de ontwikkeling van een duurzame bio-economie, waarin fossiel-intensieve materialen worden vervangen door hernieuwbare en biogebaseerde materialen, bijvoorbeeld in gebouwen, textiel, chemische producten, verpakkingen, de scheepsbouw en de productie van energie; benadrukt dat dit moet gebeuren op een wijze die duurzaam is en de limieten van het milieu respecteert; erkent dat er voor het duurzaam onderhouden of versterken van een koolstofput op lange termijn speelruimte nodig is om de put op korte termijn te beheren, hetgeen onvermijdelijk resulteert in schommelingen in de koolstofput; wijst op het potentieel van de bio-economie om nieuwe groene banen te creëren, ook in de plattelandsgebieden van de EU, en innovatie te stimuleren; pleit voor de ondersteuning van onderzoek en innovatie op het gebied van duurzame bio-economische oplossingen die ook de unieke biodiversiteit en ecosystemen beschermen; dringt daarom aan op de efficiënte tenuitvoerlegging van de EU-strategie voor de bio-economie, als onderdeel van de Europese Green Deal;

34. herinnert aan de fundamentele rol van digitale technologieën bij de ondersteuning van de groene transitie, met name door de verbetering van hulpbronnen- en energie-efficiëntie, afvalbeheer (inclusief het traceren van chemische stoffen en stoffen), emissiereducties en milieutoezicht; wijst op de klimaatvoordelen van een volledige digitalisering van de transmissie- en distributienetwerken en energiehandelsknooppunten, en op die van vraagresponsprogramma’s die beheerd worden door middel van slimme applicaties;

35. verzoekt de Commissie strategieën te ontwikkelen voor de invoering en financiering van innovatieve digitale technologieën; dringt aan op een herziening van de TEN-E-richtsnoeren om het wetgevingskader af te stemmen op de prioriteit van de ontwikkeling en uitrol van slimme netwerken op alle niveaus van de elektriciteitsdistributie (d.w.z. op het niveau van de EU, de lidstaten en op lokaal niveau), met het oog op een zekere, veilige, duurzame en betrouwbare energievoorziening, en om te voorkomen dat men vastzit aan koolstofintensieve investeringen; benadrukt tegelijkertijd dat de Commissie een methode moet opstellen voor het monitoren en kwantificeren van de toenemende milieu-impact van digitale technologie, waarbij zij ervoor moet zorgen dat de desbetreffende regelgeving geen onnodige bureaucratische lasten met zich meebrengt; is van mening dat een Europese strategie voor een interne gegevensmarkt de belangrijkste doelstellingen en hindernissen moet identificeren die de volledige benutting van het potentieel van digitale technologieën in de weg staan; beveelt aan dat de invoering van digitale technologieën gepaard gaat met opleidingsprogramma’s voor gebruikers en professionals;

De overgang naar duurzame en slimme mobiliteit versnellen

36. kijkt uit naar de komende strategie voor duurzame en slimme mobiliteit; verzoekt de Commissie een plan voor te leggen voor een rechtvaardige overgang naar een klimaatneutrale samenleving, waarin zowel een hoog niveau van vervoersconnectiviteit voor de Europese burgers als het concurrentievermogen van de Europese vervoerssector behouden blijven, en die blijft bijdragen tot de economie van de EU en tot de werkgelegenheid;

37. is ingenomen met het voorstel van de Commissie om multimodaal vervoer te stimuleren, met het oog op een grotere efficiëntie van het vervoer en een terugdringing van de vervoersemissies; is echter van mening dat multimodaliteit alleen door middel van concrete wetgevingsvoorstellen kan worden bereikt; verzoekt de Commissie bovendien de huidige luchtvaartconnectiviteitsindex om te vormen tot een multimodale connectiviteitsindex, waarin het effect van het vervoer op het milieu als een van de relevante factoren wordt beschouwd; benadrukt bovendien dat emissievrij vervoer over zee en over de binnenwateren essentieel is voor de uitbouw van duurzaam multimodaal vervoer;

38. dringt er bij de EU op aan de Europese automobielindustrie actief te ondersteunen bij haar transformatie, onder meer door financiële middelen ter beschikking te stellen voor onderzoek en voor de herstructurering van de productie, en ervoor te zorgen dat de sector in Europa behouden blijft;

39. roept op tot een snelle en resultaatgerichte hervorming van het gemeenschappelijk Europees luchtruim, een herziening van het EU‑spoorwegnet voor goederenvervoer, en de volledige ontwikkeling en invoering van Galileo; verneemt met instemming dat de Commissie voornemens is maatregelen voor te stellen om de interconnectiviteit tussen de weg, het spoor en de binnenvaart te verbeteren, met het oog op een echte modal shift; vraagt de investeringen in de connectiviteit van het EU-spoorwegnetwerk op te drijven, teneinde een EU-brede gelijke toegang tot openbaar spoorvervoer mogelijk te maken;

40. is ingenomen met het voorstel van de Commissie om slimme systemen voor verkeersbeheer en mobiliteit te ontwikkelingen als een oplossing voor de dienstverlening, met name in stedelijke gebieden; verzoekt de Commissie de ontwikkeling van innovatieve toepassingen, nieuwe technologieën, nieuwe zakelijke modellen en nieuwe opkomende en innovatieve mobiliteitssystemen in heel Europa te ondersteunen; dringt er bij de Commissie op aan steden met hun praktische ervaring en knowhow te betrekken bij de discussie over de tenuitvoerlegging van toekomstig mobiliteitsbeleid op EU‑niveau;

41. is van oordeel dat de EU het beginsel “de vervuiler betaalt” eerlijk moet toepassen op alle vervoerswijzen en schonere vormen van vervoer moet stimuleren; is van mening dat de inkomsten uit belastingen of heffingen op vervoer moeten worden geoormerkt om de sector bij deze transitie te helpen bij de vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor deze kosten;

42. is ingenomen met het voornemen van de Commissie om de maritieme sector in de EU-regeling voor de emissiehandel op te nemen; is van oordeel dat deze opneming gebaseerd moet zijn op een effectbeoordeling die ook het concurrentievermogen van marktdeelnemers en bedrijven in de EU en mogelijke verschuivingen tussen vervoerswijzen omvat; benadrukt dat de EU een hoog ambitieniveau met betrekking tot de vermindering van broeikasgasemissies in de maritieme sector moet verdedigen, zowel op internationaal als op EU‑niveau, maar dat nieuwe EU‑maatregelen het internationale concurrentievermogen van schepen onder EU‑vlag niet mogen ondermijnen; is van oordeel dat bij het nemen van EU‑maatregelen rekening moet worden gehouden met eventuele toekomstige bindende maatregelen op mondiaal niveau binnen de Internationale Maritieme Organisatie, en dat vermeden moet worden dubbele regelgeving voor de sector te creëren; is van mening dat EU‑maatregelen en internationale maatregelen hand in hand moeten gaan;

43. steunt de voorgestelde maatregelen om de emissies in de luchtvaartsector terug te dringen, de EU‑ETS in overeenstemming met de klimaatambitie van de EU te versterken, en de toewijzing van gratis emissierechten aan luchtvaartmaatschappijen te beperken; verzoekt de EU daarnaast ook deel te nemen aan de ontwikkeling van de koolstofcompensatie- en -verminderingsregeling voor de internationale luchtvaart (CORSIA), en de bepalingen daarvan te versterken; benadrukt voorts de behoefte aan dringende investeringen in onderzoek naar nieuwe technologieën om de scheepvaart en de luchtvaart koolstofvrij te maken, en in de ontwikkeling van emissievrije en groene schepen op basis van eco-componenten, beter afval- en waterbeheer, en aandrijvingstechnologieën;

44. verzoekt de Commissie voorstellen te doen voor gecoördineerde maatregelen inzake de belasting van de luchtvaart in de lidstaten, teneinde achterhaalde belastingvrijstellingen af te schaffen, het beginsel “de vervuiler betaalt” toe te passen en een gelijk speelveld tussen de verschillende vervoerswijzen te verzekeren, waarbij onbedoelde negatieve ecologische, economische of sociale gevolgen moeten worden vermeden;

45. is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de richtlijn betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en de TEN‑T‑verordening te herzien; benadrukt in dit verband dat de Commissie een sterkere coördinatie tussen de lidstaten bij de organisatie van het volledige vervoersnetwerk moet bevorderen, bijvoorbeeld door de huidige kloof tussen de nationale vervoersplannen te overbruggen; onderstreept dat de Commissie resultaatgerichte wetgevingsmaatregelen moet aannemen om te verzekeren dat de lidstaten het TEN-T-netwerk binnen de overeengekomen termijnen voltooien, en dat prioriteit moet worden gegeven aan grensoverschrijdende trajecten en de uitrol van infrastructuur voor duurzame alternatieve brandstoffen; benadrukt dat de ontwikkeling van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen gestimuleerd moet worden om het potentieel van emissiearme en emissievrije voertuigen en schepen optimaal te benutten; onderstreept dat prioriteit moet worden gegeven aan de ondersteuning van emissievrij openbaar vervoer en fiets- en voetgangersinfrastructuur, met name in stedelijke gebieden;

46. kijkt uit naar de komende voorstellen van de Commissie voor strengere emissienormen voor luchtverontreinigende stoffen voor verbrandingsmotoren (Euro 7) en voor herziene emissienormen voor CO2 voor auto’s en bestelwagens, om vanaf 2025 voor een traject naar emissievrije mobiliteit te zorgen; verzoekt de Commissie levenscyclusbeoordelingsmethoden te ontwikkelen; herinnert aan de diepgaande analyse in het kader van de mededeling van de Commissie getiteld “Een schone planeet voor iedereen –Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie”, die uitwees dat, volgens de scenario’s om in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, vanaf 2040 alle nieuwe auto’s die in de EU in de handel worden gebracht emissievrij zullen moeten zijn; roept op tot een coherent beleidskader en een overgangsregeling om deze ontwikkeling te ondersteunen; merkt op dat een herziening van de typegoedkeuringsrichtlijn nodig zal zijn om de lidstaten die besluiten het voortouw nemen toe te staan strengere maatregelen te nemen op nationaal niveau;

47. is ingenomen met de plannen van de Commissie om luchtverontreiniging veroorzaakt door maritiem vervoer en luchtvaart aan te pakken, onder meer door de toegang van de meest vervuilende schepen tot havens in de EU te reguleren en te voorzien in maatregelen om de verontreiniging van aangemeerde schepen in havens aan te pakken; benadrukt dat de ontwikkeling van emissievrije havens die gebruikmaken van hernieuwbare energie gestimuleerd moet worden; onderstreept dat de invoering van emissiebeheersgebieden, waarin is voorzien in het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (het Marpol‑Verdrag), en de snelheidsverlaging voor schepen relevante en eenvoudig toe te passen oplossingen zijn om de emissies terug te dringen;

“Van boer tot bord”: de ontwikkeling van een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem

48. is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een “van boer tot bord”-strategie om een duurzamer voedselbeleid te creëren door de inspanningen te bundelen die geleverd worden om de klimaatverandering te bestrijden, het milieu te beschermen en de biodiversiteit te behouden, met de ambitie te verzekeren dat de inwoners van Europa over betaalbaar, hoogwaardig en duurzaam voedsel kunnen beschikken, dat boeren en vissers een behoorlijk loon krijgen en dat het concurrentievermogen van de landbouwsector gewaarborgd is; merkt op dat EU-burgers van oordeel zijn dat “het zorgen voor veilig, gezond en hoogwaardig voedsel” voor alle consumenten een topprioriteit van het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid moet zijn; is ingenomen met het voornemen van de Commissie om nieuwe manieren uit te proberen om consumenten, met name de jongeren onder hen, betere informatie te bieden;

49. wijst op het potentieel van investeringen in duurzame praktijken in landbouwbedrijven, zoals precisielandbouw, biologische landbouw, agro-ecologie, agrobosbouw, een verhoogd dierenwelzijn en preventie van menselijke en dierlijke ziekten, met inbegrip van duurzaam bosbeheer, afvang en benutting van koolstof, en een beter nutriëntenbeheer, om de doelstellingen van de Green Deal te bereiken; benadrukt dat landbouwers gestimuleerd moeten worden om over te stappen op deze praktijken en mee te gaan in de transitie, die op een eerlijke, tijdige en economisch haalbare manier zal zorgen voor meer klimaat-, milieu- en biodiversiteitsvoordelen; merkt op dat de landbouw en de werkzaamheden van landbouwers en spelers in de voedselvoorzieningsketen van cruciaal belang zal zijn om de doelstellingen van de “van boer tot bord”-strategie te verwezenlijken; herinnert aan de belangrijke rol van gezond voedsel om hart- en vaatziekten en kanker te bestrijden;

50. verzoekt de Commissie een analyse te maken van de bijdrage die de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) levert aan de doelstellingen van de EU inzake milieu-, klimaat- en biodiversiteitsbescherming en aan de traditionele landbouwmethoden, teneinde het GLB in overeenstemming te brengen met de doelstellingen die in de Europese Green Deal bepaald zijn, rekening houdend met de noodzaak om een gelijk speelveld in Europa te handhaven en een sterke, veerkrachtige en duurzame landbouwproductie mogelijk te maken; verzoekt de lidstaten in hun strategische GLB‑plannen klimaatmaatregelen tot een ecologische topprioriteit voor de landbouw te maken, en roept de Commissie op om in dit verband kordaat te zijn bij de beoordeling van de strategische plannen; benadrukt het belang van een op resultaten gebaseerde en gerichte aanpak in het kader van het nieuwe uitvoeringsmodel, met een verdere vereenvoudiging en meer transparantie over concrete resultaten en doelstellingen op het gebied van toegevoegde waarde; is van oordeel dat het noodzakelijk is landbouwers te helpen om de transitie naar duurzamere vormen van landbouw te maken, onder meer via onafhankelijke landbouwbedrijfsadviesdiensten, en pleit er in dat verband voor het GLB te voorzien van een begroting die overeenstemt met de milieuambities van de EU;

51. onderstreept het verband tussen de “van boer tot bord”-strategie en de strategie om alle verontreiniging tot nul terug te dringen; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om de druk van bestrijdingsmiddelen op het milieu en op de gezondheid aan te pakken en om het gebruik en de risico’s van chemische bestrijdingsmiddelen, evenals het gebruik van meststoffen en antibiotica, aanzienlijk te beperken, onder meer door middel van wetgevingsmaatregelen; dringt aan op een EU-strategie voor het vinden van wetenschappelijk onderbouwde duurzame alternatieven voor gevaarlijke gewasbeschermingsmiddelen; vraagt bijzondere aandacht te besteden aan de bescherming van bestuivers, en roept de Commissie en de lidstaten op te zorgen voor een volledige en snelle tenuitvoerlegging van de richtsnoeren van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) inzake bijen en gewasbeschermingsmiddelen;

52. benadrukt het potentieel van de Europese landbouw om bij te dragen tot de circulaire economie, een versterkte biodiversiteit en de bevordering van het duurzame gebruik van hernieuwbare grondstoffen; is ingenomen met het feit dat in de “van boer tot bord”-strategie ook aandacht besteed wordt aan de voordelen van nieuwe technologieën, zoals digitalisering, civiele ruimteprogramma’s en diensten met betrekking tot U‑Space, en aan innovatie en wetenschappelijke ontdekkingen, die kunnen leiden tot een aanzienlijke vermindering van de administratieve rompslomp in het kader van het GLB en een verhoging van de efficiëntie, een verbeterd gebruik van hulpbronnen en meer ecologische duurzaamheid, en tegelijkertijd ook economische voordelen voor de sector; wijst op de rol van geïntegreerde gewasbescherming, en dringt aan op de toepassing daarvan door alle landbouwers;

53. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan meer te doen om voedselverspilling tegen te gaan; roept op tot een bindende EU-brede reductiedoelstelling van 50 % tegen 2030, op basis van een gemeenschappelijke methodologie;

54. vraagt de Commissie visserij- en aquacultuurproducten in haar “van boer tot bord”‑strategie op te nemen, met het oog op de versterking van de duurzame waardeketen in de visserijsector (van visserij tot consumptie); verzoekt de Commissie met een voorstel te komen om de traceerbaarheid van visserijproducten te verbeteren, met inbegrip van de vermelding van de oorsprong op de verpakking van visconserven en de afwijzing van producten die het mariene milieu schaden of aantasten;

55. vraagt de Commissie zo snel mogelijk een nieuwe strategie voor dierenwelzijn te presenteren die de weg effent voor een kaderwet voor dierenwelzijn;

Behoud en herstel van ecosystemen en biodiversiteit

56. dringt er bij de EU op aan de bescherming van de natuur op te voeren door middel van een ambitieuze biodiversiteitsstrategie voor 2030, die gericht op het tot staan brengen en ombuigen van het biodiversiteitsverlies in Europa en wereldwijd, met inbegrip van specifieke acties voor Europese overzeese gebieden;

57. onderstreept dat de strategie zowel ambitieuze, afdwingbare wettelijke maatregelen moet omvatten om de bescherming van kwetsbare ecosystemen op te voeren, als alomvattende maatregelen om de oorzaken van het verlies aan biodiversiteit aan te pakken; benadrukt dat beleidscoherentie op zowel nationaal als EU-niveau essentieel is voor een succesvol beleid om de natuur en de biodiversiteit te beschermen, en roept de Commissie en de lidstaten op om de visserij- en landbouwsubsidies te herstructureren, teneinde ecologische maatregelen te stimuleren en volledige overeenstemming met de biodiversiteitsdoelstellingen van de EU te waarborgen; vraagt ook in uitgebreide handhavingsmechanismen te voorzien;

58. verzoekt de Commissie in de biodiversiteitsstrategie de doelstelling op te nemen om gevaarlijke chemische stoffen geleidelijk af te schaffen en deze doelstelling te koppelen aan de strategie voor een niet-toxisch milieu;

59. verzoekt de Commissie zo snel mogelijk met een voorstel te komen voor een Europees rechtskader om een einde te maken aan de ontbossing als gevolg van de verkoop van bepaalde producten in de EU;

60. verzoekt de Commissie om een nieuwe ambitieuze EU‑bosstrategie te presenteren waarin terdege erkend wordt dat Europese bossen een belangrijke en multifunctionele rol hebben in de strijd tegen klimaatverandering en biodiversiteitsverlies, en ook een belangrijke sociale, economische en ecologische functie; benadrukt dat het grootste klimaatpotentieel van bossen kan worden benut door duurzaam bosbeheer vanuit een langetermijnperspectief te bekijken, teneinde koolstofopslag en koolstofputten op lange termijn te verzekeren; herinnert aan de noodzaak van maatregelen om de illegale houtkap in Europa te bestrijden;

61. benadrukt dat de illegale en niet-duurzame handel in wilde dieren en planten een belangrijke oorzaak van biodiversiteitsverlies is; onderstreept dat het actieplan tegen de illegale handel in wilde dieren en planten uit 2016 in 2020 afloopt; dringt er bij de Commissie op aan de bepalingen daarvan te vernieuwen, deze volledig op te nemen in de biodiversiteitsstrategie voor 2030, en te zorgen voor toereikende financiering; verzoekt de Commissie om samenwerking met partnerlanden een essentieel onderdeel van de strijd tegen criminaliteit in verband met wilde dieren en planten en de achteruitgang van de biodiversiteit te maken;

Duurzame zeeën en oceanen

62. dringt er bij de Commissie op aan de Green Deal ook een blauw kantje te geven en de oceanen als een integraal en essentieel onderdeel in de Green Deal op te nemen; vraagt de Commissie de ecosysteemdiensten die oceanen leveren volledig te erkennen door een actieplan voor oceanen en aquacultuur te ontwikkelen, dat concrete maatregelen omvat die samen een geïntegreerde strategische visie op maritieme beleidskwesties vormen, met inbegrip van transport, innovatie en kennis, biodiversiteit, blauwe economie, emissies en governance;

63. verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor een herziening van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), met het doel de biomassa van de visbestanden tot een hoger niveau dan de maximale duurzame opbrengst op te bouwen, duurzame zout- en zoetwateraquacultuursystemen te ontwikkelen, en een effectief, geïntegreerd en op het ecosysteem gebaseerd beheerssysteem in te voeren dat rekening houdt met alle factoren die gevolgen hebben voor de visbestanden en het mariene ecosysteem, met inbegrip van klimaatverandering en verontreiniging;

64. benadrukt de behoefte aan versterking van de financiële middelen en de capaciteit om de mariene kennis inzake biodiversiteit, klimaat en vervuiling te verbeteren, teneinde de impact van bepaalde activiteiten op mariene ecosystemen en de toestand van de visbestanden beter te begrijpen en passende actieplannen met het oog op aanpassing en beperking op te zetten;

65. dringt aan op een voorstel om een bindende doelstelling vast te leggen om het netwerk van beschermde mariene gebieden op EU‑niveau met ten minste 30 % uit te breiden in de biodiversiteitsstrategie voor 2030, teneinde de bescherming van de oceanen te verbeteren;

66. roept op tot een voorstel inzake de ontwikkeling van de duurzame blauwe economie, met inbegrip van hernieuwbare energie, duurzaam toerisme en duurzame industrie;

67. benadrukt dat de rol van de EU als wereldleider op het gebied van oceaangovernance bevorderd moet worden, met inbegrip van de handelsdimensie, door te stimuleren dat een internationaal mechanisme ter bescherming van de biodiversiteit en de mariene ecosystemen in gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht wordt ingevoerd en dat een nultolerantiebeleid ten aanzien van illegale visserij wordt gehanteerd; wijst op de noodzaak om de bijdrage van de EU tot het Decennium van oceaanwetenschappen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties te vergroten, teneinde meer te doen op het gebied van oceaanwetenschap en voor de verwezenlijking van de SDG’s;

Streven om vervuiling tot nul terug te brengen voor een gifvrij milieu

68. is ingenomen met de plannen van de Commissie voor een actieplan om de vervuiling van lucht, water en bodem tot nul terug te brengen, dat ook de verontreiniging van land naar water moet aanpakken en verscherpt toezicht moet omvatten;

69. benadrukt de talrijke bijkomende voordelen die een klimaatneutrale samenleving voor de volksgezondheid zal opleveren, als gevolg van het herstel van de biodiversiteit en de vermindering van luchtverontreiniging en blootstelling aan verontreinigende stoffen, zowel met betrekking tot het algemene welzijn van de Europese burgers – onder meer door een betere werkomgeving en aldus een betere gezondheid op het werk – als in de vorm van het voorkomen van gezondheidskosten en druk op ziekteverzekerings- en gezondheidsstelsels;

70. verzoekt de Commissie onverwijld met een ambitieuze sectoroverschrijdende strategie voor een niet-toxisch milieu te komen; benadrukt dat deze strategie richtsnoeren voor de snelle vervanging van zeer zorgwekkende stoffen en andere gevaarlijke chemische stoffen, met inbegrip van hormoonontregelende stoffen, moet omvatten, de gecombineerde effecten van chemische stoffen moet bestrijden en Europese innovaties inzake veilige en duurzame chemische stoffen moet ondersteunen; dringt aan op betere monitoring van en meer onderzoek naar gevaarlijke chemische stoffen en farmaceutische producten in het milieu;

71. dringt er bij de Commissie op aan uiterlijk in juni 2020 ambitieuze wetgevingsvoorstellen te presenteren om de aanwezigheid van hormoonontregelende stoffen in cosmetica, speelgoed en voedselverpakkingen te beperken, en deze door veiligere alternatieven te vervangen, alsook een actieplan op te zetten dat voorziet in een breed kader met doelstellingen en termijnen om de blootstelling van burgers aan hormoonontregelende chemische stoffen te beperken;

72. verzoekt de Commissie het niveau van de bescherming van de luchtkwaliteit te verhogen, in lijn met de WHO-richtsnoeren, en dringt aan op een beter toezicht op de luchtverontreiniging in de lidstaten, door robuuste en geharmoniseerde metingsmethoden toe te passen en de toegang tot informatie voor Europese burgers te vergemakkelijken;

Het financieren van de Europese Green Deal en het waarborgen van een rechtvaardige transitie

73. ondersteunt wat op tafel ligt voor het investeringsplan voor een duurzaam Europa om de investeringskloof te helpen dichten; onderstreept dat het plan rekening moet houden met de ervaringen van eerdere programma’s (het “plan-Juncker”) en nadruk moet leggen op investeringen met een Europese meerwaarde; wijst erop dat dit ook financiering moet omvatten voor een eerlijke transitie in alle regio’s van de EU; is ingenomen met de maatregelen die de investeringskloof in de EU dichten, bijvoorbeeld via InvestEU;

74. is ingenomen met het nieuwe beleid inzake kredietverstrekking voor energie en de nieuwe strategie voor klimaatactie en ecologische duurzaamheid die de Europese Investeringsbank (EIB) op 14 november 2019 heeft aangenomen en beschouwt deze als een belangrijke stap; is erover verheugd dat de EIB de rol van Europese klimaatbank op zich neemt, waarbij zij de helft van haar activiteiten op klimaatactie en ecologische duurzaamheid richt tegen 2025, haar steun voor projecten met fossiele brandstoffen stopzet tegen 2021 en al haar financieringsactiviteiten in overeenstemming brengt met de beginselen en doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs tegen 2020; moedigt de EIB aan een actieve rol te spelen bij de ondersteuning van projecten die van invloed zijn op voor een eerlijke transitie cruciale beleidsgebieden, zoals onderzoek, innovatie en digitalisering, de toegang van kmo’s tot financiering, en sociale investeringen en vaardigheden;

75. benadrukt de behoefte aan steun voor een rechtvaardige transitie; is van oordeel dat een goed opgezet en behoorlijk gefinancierd mechanisme voor een rechtvaardige transitie, dat een fonds voor een rechtvaardige transitie omvat, een belangrijk economisch instrument zal zijn om deze transitie mogelijk te maken en ambitieuze klimaatdoelstellingen te halen zonder de sociale gevolgen uit het oog te verliezen; is van oordeel dat het mechanisme niet mag neerkomen op een loutere netto-overdracht aan nationale regeringen, maar concreet werknemers en bedrijven in van fossiele brandstoffen afhankelijke regio’s moet helpen om de transitie naar de schone economie van de toekomst te maken, onder meer door middel van bijscholing en omscholing, teneinde werknemers voor te bereiden en bij te scholen met het oog op nieuwe arbeidskansen, -vereisten en -vaardigheden; benadrukt echter dat middelen alleen deze transitie niet kunnen verwezenlijken, en dat deze niet tot gevolg mogen hebben dat de koplopers worden ontmoedigd; benadrukt met klem dat de rechtvaardige transitiefinanciering afhankelijk moet worden gesteld van concrete maatregelen voor het koolstofarm maken van de economie, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs, in het bijzonder de uitfasering van steenkool en de transformatie van op fossiele brandstoffen gebaseerde economische regio’s;

76. wijst erop dat de energietransitie sociaal duurzaam moet zijn en de energiearmoede in de armste regio’s van de EU niet mag verergeren; is van oordeel dat gemeenschappen die energiearmoede bestrijden de nodige instrumenten moeten krijgen om deel te nemen aan de groene transitie door middel van onderwijs en door langetermijninvesteringen te stimuleren;

77. verzoekt de Commissie de financiering voor technische bijstand en adviesdiensten te verhogen om de complexiteit van de procedures voor projectbeheer aan te pakken; herinnert eraan dat het van belang is dat de middelen eerlijk geografisch verdeeld zijn in de EU;

78. dringt aan op de vaststelling van een bindend streefdoel voor de uitgaven voor biodiversiteit en een ambitieuze doelstelling inzake klimaatmainstreaming, die verder gaan dan het niveau van de beoogde uitgavenpercentages, zoals uiteengezet in zijn standpunt over het meerjarig financieel kader (MFK) 2012-2027[4];

79. eist dat de Commissie ervoor zorgt dat in geen geval EU-financiering aangewend wordt voor welke beleidsmaatregel dan ook die indruist tegen de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de andere milieudoelstellingen van de EU;

80. vraagt dat een mechanisme wordt ingevoerd dat een goede coördinatie, coherentie en consistentie tussen alle beschikbare EU-beleidsmaatregelen en -financieringsinstrumenten waarborgt, teneinde overlappingen te vermijden en de synergieën en complementariteit van de verstrekte financiering te versterken, en duurzame particuliere en publieke investeringen aan te trekken, waardoor de financiële steun voor de Europese Green Deal maximaal benut en gemainstreamd wordt;

81. steunt de invoering van een pakket nieuwe, doelgerichte groene eigen middelen, die de groene transitie zullen bevorderen en faciliteren; wijst daarom op de voorstellen van de Commissie in dit verband;

82. is ingenomen met het voornemen van de Commissie om de nieuwe vaardighedenagenda en de jongerengarantieregeling te actualiseren om de inzetbaarheid in de groene economie te vergroten; benadrukt voorts dat de vaardigheden en het aanpassingsvermogen van werknemers op de arbeidsmarkt van cruciaal belang zijn voor de transitie naar een groene economie; moedigt de lidstaten aan te investeren in onderwijs- en opleidingsstelsels die een snelle bij- en omscholing mogelijk maken, waardoor de transitie van laaggeschoolde arbeiders in banen in krimpende sectoren naar banen met een hogere toegevoegde waarde in opkomende sectoren gefaciliteerd kan worden;

83. verzoekt de EU ondersteuning te bieden aan de lidstaten wat hun maatregelen inzake beroepsopleidingen betreft, bijvoorbeeld door een dialoog en partnerschappen tussen de overheid en de particuliere sector te ontwikkelen, aangezien investeringen om beter te kunnen voldoen aan de vraag naar nieuwe vaardigheden vereist zijn met het oog op een groenere economie en de tendens tot digitalisering;

Onderzoek mobiliseren en innovatie stimuleren

84. benadrukt dat wereldwijd toonaangevend onderzoek en innovatie van fundamenteel belang zijn voor de toekomst van Europa, essentieel zijn voor de verwezenlijking van de Europese milieu- en klimaatdoelstellingen, en tegelijkertijd economisch concurrentievermogen en welvaart waarborgen; herhaalt dat het EU-beleid wetenschappelijke excellentie en participatieve wetenschap moet ondersteunen, de samenwerking tussen de academische wereld en het bedrijfsleven moet versterken, innovatie en empirisch onderbouwde beleidsvorming moet bevorderen, en internationale samenwerking op dit gebied moet stimuleren, onder meer door de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen met het oog op de versterking van vaardigheden in verband met de groene transitie in de nieuwe beroepen die met die transitie gepaard gaan bij werknemers, leerkrachten en jongeren;

85. benadrukt dat de EU haar vlaggenschipprogramma’s voor civiele ruimtevaart, te weten Copernicus en Galileo, en het Agentschap van de EU voor het ruimtevaartprogramma moet behouden en verder uitbouwen, aangezien deze waardevolle bijdragen leveren aan milieumonitoring en gegevensverzameling; benadrukt dat alle diensten van Copernicus op het gebied van klimaatverandering zo spoedig mogelijk volledig operationeel moeten worden teneinde te zorgen voor een continue stroom van noodzakelijke gegevens voor effectieve mitigatie- en aanpassingsmaatregelen op het gebied van klimaatverandering;

86. onderstreept het belang van het opdrachtgerichte programma Horizon Europa 2021-2027, dat de mogelijkheid biedt om een breed scala aan actoren, waaronder de Europese burgers, te betrekken bij het aanpakken van de urgente mondiale kwestie van de klimaatverandering, en om over te gaan tot meer samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie, met het oog op de verwezenlijking van de Europese Green Deal;

“Niet schaden” – Duurzaamheid integreren in alle beleidsmaatregelen van de EU

87. is ingenomen met de vergroening van het Europees semester; onderstreept dat het Europees semester, zoals het momenteel functioneert, niet mag worden afgezwakt; is van oordeel dat de SDG’s van de VN in het Europees semester moeten worden opgenomen, en dat de macro-economische focus op de huidige doelstellingen van het Europees semester behouden moet blijven; steunt daarom de opname van de SDG’s in het semester, gekoppeld aan de verplichting voor lidstaten om nationale plannen in te dienen om de SDG’s te bereiken; verzoekt de Commissie voorts om te voorzien in beoordelingen van de samenhang tussen de begrotingen van de lidstaten en de geactualiseerde klimaatdoelstellingen van de EU;

88. is ingenomen met de toezegging van de Commissie om ervoor te zorgen dat alle EU-maatregelen bijdragen aan het bereiken van een groene toekomst, onder meer door middel van groene begrotingsinstrumenten, en om de richtsnoeren voor betere regelgeving dienovereenkomstig bij te werken; dringt er bij de Commissie op aan gestructureerde effectbeoordelingen uit te voeren van alle toekomstige voorstellen om te verzekeren dat deze in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de EU inzake het klimaat, het milieu en de volksgezondheid, alsook verschillende trajecten te beoordelen om de doelstellingen van de Green Deal te bereiken; verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen bij de volledige en correcte tenuitvoerlegging van de huidige en toekomstige milieu- en klimaatwetgeving in de lidstaten, en ervoor te zorgen dat er gevolgen zijn in geval van niet-naleving;

89. benadrukt dat handel een belangrijk instrument is om duurzame ontwikkeling te bevorderen en de klimaatverandering te helpen bestrijden; is van oordeel dat de Green Deal ervoor moet zorgen dat alle internationale handelsovereenkomsten krachtige en afdwingbare hoofdstukken inzake duurzame ontwikkeling bevatten, die volledig in overeenstemming zijn met de internationale verplichtingen en met name de Overeenkomst van Parijs; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om de naleving van de Overeenkomst van Parijs als essentiële clausule in alle toekomstige uitgebreide handelsovereenkomsten op te nemen;

90. wijst op de grote ecologische en klimatologische voetafdruk van het verbruik van de EU in derde landen; verzoekt de Commissie een doelstelling te ontwikkelen om de mondiale voetafdruk van het verbruik en de productie van de EU te verminderen, met respect voor de grenzen van onze planeet;

91. benadrukt dat de EU financiële en technische bijstand moet bieden om de ontwikkelingslanden te helpen bij de groene transitie, bijvoorbeeld door middel van ontwikkelingsprojecten;

De EU als wereldleider

92. onderstreept dat de EU als grootste interne markt ter wereld normen kan vaststellen met betrekking tot de mondiale waardeketens, en is van oordeel dat de EU haar ambitieniveau moet verhogen door nieuwe normen voor duurzame groei vast te stellen, en haar economisch gewicht in de schaal moet leggen om internationale normen te ontwikkelen die in overeenstemming zijn met de milieu- en klimaatambities van de EU; is van mening dat de EU daarbij open en aantrekkelijke Europese en mondiale markten voor duurzame producten moet ondersteunen;

93. wijst erop dat er bij de COP25 in Madrid geen consensus bereikt kon worden om het mondiale klimaatambitieniveau te verhogen, en is van oordeel dat dit aantoont dat er een groeiende behoefte is aan leiderschap van de EU op het wereldtoneel; is van mening dat de EU dus haar inspanningen voor klimaatdiplomatie en haar bilaterale betrekkingen met de partnerlanden zal moeten opvoeren, vooral met het oog op de COP26 in Glasgow;

94. verzoekt de Commissie het initiatief te nemen voor een internationale overeenkomst om de verspreiding van antimicrobiële resistentie en de toename van besmettelijke ziekten te bestrijden; verzoekt de Commissie en de lidstaten het risico op een tekort aan geneesmiddelen op passende wijze aan te pakken;

 

°

° °

95. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

 

 

 

[1] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0217.

[2] Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0078.

[3] Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0079.

[4] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0449.

Laatst bijgewerkt op: 14 januari 2020Juridische mededeling - Privacybeleid