Procedure : 2019/2956(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0046/2020

Ingediende teksten :

B9-0046/2020

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/01/2020 - 10.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


<Date>{10/01/2020}10.1.2020</Date>
<NoDocSe>B9‑0046/2020</NoDocSe>
PDF 194kWORD 63k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van een verklaring van de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de Europese Green Deal</Titre>

<DocRef>(2019/2956(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Marco Zanni, Tom Vandendriessche</Depute>

<Commission>{ID}namens de ID-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>


B9‑0046/2020

Resolutie van het Europees Parlement over de Europese Green Deal

(2019/2956(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 9, 107, 153, 173, 174, 191 en 194,

 gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité, en het Comité van de Regio’s getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019) 0640 final),

 gezien de verklaring van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat milieubescherming - dat wil zeggen afvalbeheer, de bescherming van water tegen verontreiniging, het beheer van waterbronnen, bodembescherming, luchtbescherming en de reductie van verontreinigende emissies in de atmosfeer, de bescherming van de biodiversiteit - niet los staat van de bescherming van het landschap, ook wel het ‘zichtbare milieu’ genoemd, hetgeen verband houdt met alle aspecten van de betrekkingen tussen mens en natuur; overwegende dat antropisering niet noodzakelijkerwijs synoniem is aan een negatieve impact op het milieu;

B. overwegende dat het milieu niet moet worden opgevat als iets dat abstract is en van nature onveranderlijk; overwegende dat het milieu zowel architectonische als milieu-elementen omvat, en uit ecologisch, historisch en artistiek erfgoed bestaat, waarmee het de daadwerkelijke ‘culturele essentie’ van een natie vormt, dat over een periode van eeuwen tot stand is gekomen en zich in voortdurende ontwikkeling bevindt;

C. overwegende dat beleid inzake de bescherming van het milieu alleen doeltreffend kan zijn indien het zich in hoofdzaak richt op de meest verontreinigende aspecten van ons productie- en consumptiemodel; overwegende dat de mondialisering, dat wil zeggen het vrij verkeer van productiefactoren, een zeer krachtige factor is die bijdraagt tot de achteruitgang van het milieu;

D. overwegende dat de CO2-emissies sinds de naoorlogse jaren en tot nu toe voortdurend zijn toegenomen, met een kortstondige onderbreking als gevolg van de economische crisis van 2007-2008; overwegende dat we sinds de jaren zeventig getuige zijn van een relatieve loskoppeling van de CO2-emissies van fossiele brandstoffen en het mondiaal bbp, of, anders gezegd, “een afname van de emissie-intensiteit in plaats van een afname van de emissies in absolute termen, als gevolg van de invloed van de andere macrofactoren, zoals bevolking en reëel inkomen per capita, hetgeen door de toename van de efficiëntie niet kan worden gecompenseerd”[1]; overwegende dat de volledige loskoppeling van economische groei en emissies, dat wil zeggen de theoretische aanname van een “ontwikkelingsmodel met nul-emissies”, in onvoldoende mate rekening houdt met de beperkingen op grond van de wetten van de natuurkunde; overwegende dat het nastreven van “nul-emissies” als model dan ook onhoudbaar is, aangezien dat niet alleen betekent dat we verplicht zouden moeten de-industrialiseren, resulterend in de verarming van de ontwikkelde landen, maar ook dat de arme landen tot een toestand van permanente onderontwikkeling zouden worden veroordeeld en dat ze niet zouden kunnen industrialiseren;

E. overwegende dat het klimaat altijd al aan verandering onderhevig is geweest en dat de mens zich, net als andere levende wezens op aarde nu, telkens met succes aan die veranderingen heeft weten aan te passen; overwegende dat dit blijkt uit het empirische gegeven dat alle indicatoren van veerkracht, mortaliteit, kwetsbaarheid en economisch verlies als gevolg van klimaatverschijnselen aanzienlijk zijn verbeterd, met name voor de armere landen[2];

F. overwegende dat we op grond van de huidige kennis van het klimaatsysteem niet in staat zijn een nauwkeurig onderscheid aan te brengen tussen de antropogene effecten en andere, natuurlijke oorzaken van verandering, of dit onderscheid te kwantificeren; overwegende dat we qua kennis nog ver af zijn van het moment waarop we met voldoende precisie in kaart kunnen brengen in welke mate de verschillende factoren bijdragen aan de toename of de afname van de gemiddelde temperatuur op de planeet;

G. overwegende dat het IPCC een intergouvernementeel orgaan is dat niet aan wetenschappelijk onderzoek doet of zich met het monitoren of verzamelen van gegevens bezighoudt, maar zijn beoordelingen stoelt op een anthologische selectie van collegiaal getoetste wetenschappelijke publicaties en rapporten van grote internationale organisaties;

H. overwegende dat het belangrijk is dat overheidsorganisaties en politieke organen het onderwerp klimaatverandering op rationele en pragmatische wijze benaderen, en zich niet inlaten met een instrumenteel gebruik van wetenschappelijke methoden met als doel het inperken van de ruimte voor openbaar debat en van de door de soevereine grondwetten van de lidstaten gegarandeerde democratische controlemechanismen;

I. overwegende dat het veranderen van de EU-doelstelling met betrekking tot de reductie van de emissies van broeikasgassen in 2030 betekent dat alle Europese wetgevingsmaatregelen inzake het klimaat en energie voor de periode 2021-2030, die nog maar net (tijdens de vorige zittingsperiode) zijn vastgesteld, haastje‑repje moeten worden herwerkt; overwegende dat de Commissie en de Raad hiermee rechtstreeks indruisen tegen het door hen zelf geformuleerde voornemen om de markten stabiliteit en zekerheid voor de middellange termijn te bieden;

J. overwegende dat betaalbare toegang tot energie een conditio sine qua non is indien we iedereen van de welvaart willen laten profiteren;

K. overwegende dat de overstap op hernieuwbare energie de kosten van energie heeft opgedreven en de stabiliteit van de bevoorrading heeft aangetast, gezien het feit dat een aantal van die hernieuwbare bronnen niet altijd en niet altijd in dezelfde mate voorhanden zijn;

L. overwegende dat de zwaardere financiële belasting van fossiele brandstoffen en energie, waar enkele regeringen onlangs toe hebben besloten met als argument dat ze de “ecologische transitie” willen stimuleren, op verzet is gestuit van de midden- en de lagere klassen, bij wie het water door de aanhoudende bezuinigingsmaatregelen reeds tot aan de lippen stond, en dat dit verzet zowel in ontwikkelingslanden als in de EU soms in ernstige rellen is uitgemond;

M. overwegende dat het EU-systeem voor de handel in emissies (EU-ETS) het schoolvoorbeeld is van het mislukken van de marktgeoriënteerde mechanismen die in het kader van de toepassing van het Kyoto-protocol en de Overeenkomst van Parijs ontwikkeld en vastgesteld zijn; overwegende dat deze mechanismen - terwijl ze reeds werden toegepast - meerdere keren zijn gecorrigeerd als gevolg van marktfalen, waarbij onder andere het voorstel ter tafel is gekomen om ope legis een koolstofprijs vast te stellen, hetgeen op ontkenning van het concept ‘markt’ als zodanig neerkomt; overwegende dat de EU-ETS niet alleen haar financiële doelstellingen, maar ook haar milieudoelstelling niet heeft gehaald, aangezien ze het verschijnsel “koolstoklekkage” niet heeft voorkomen;

N. overwegende dat producenten in beginsel niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de wijze waarop consumenten met hun producten omgaan; overwegende dat het probleem van afval dat in het milieu terechtkomt in feite een probleem is van het gedrag van burgers, alsook van de doeltreffendheid van de systemen voor het verzamelen en verwerken van afval;

O. overwegende dat meerdere lidstaten er uit besparingsoverwegingen voor hebben gekozen hun afval naar derde landen te exporteren en de aldaar geproduceerde secundaire grondstoffen te herimporteren, in plaats van zelf de infrastructuurvoorzieningen te bouwen die nodig zijn voor het ter plaatse verwerken en recycleren van hun afval;

P. overwegende dat de Commissie de circulaire economie associeert met de “deeleconomie”; overwegende dat de “deeleconomie” niet innovatief of duurzaam is, aangezien ze een bedrijfsmodel is dat stoelt op een maximale reductie van de arbeidskosten en de outsourcing van het ondernemersrisico, alsook op een grootschalig teruggrijpen op een economie met productie voor eigen gebruik;

Q. overwegende dat contingenten en subsidies voor elektrische auto’s niet in overeenstemming zijn met het beginsel van een vrijemarkteconomie, en potentieel een onnodig gevaar inhouden voor onze positie van marktleider in een groot aantal industrieën;

R. overwegende dat strengere emissiereductiedoelstellingen het bezit en het gebruik van een auto duurder zullen maken, waardoor veel gezinnen zich deze vorm van onafhankelijke mobiliteit niet meer zullen kunnen veroorloven; overwegende dat een mogelijk verbod op de verbrandingsmotor zou betekenen dat consumenten hun auto wordt afgepakt;

S. overwegende dat de classificering van elektrische auto’s als “nul-emissievoertuigen” volksverlakkerij is, aangezien het produceren van batterijen en energie niet alleen zelf ook emissies veroorzaakt, maar deze emissies in veel gevallen zelfs hoger zijn dan die van verbrandingsmotoren van de laatste generatie;

T. overwegende dat etiketten op producten de consument informatie moeten geven; overwegende dat het onredelijk is te verwachten dat etiketten op producten een ethisch karakter hebben;

U. overwegende dat het eten van in het wild gevangen vis een vorm van milieubescherming is, aangezien dit het dierlijke eiwit betreft met de laagste koolstofafdruk;

V. overwegende dat aan de visserijsector als belangrijke gebruiker van de mariene ruimte prioriteit moet worden toegekend, aangezien een doeltreffend beleid inzake de bescherming van het mariene milieu buiten de vissers om niet kan slagen;

W. overwegende dat het bosareaal in de EU al enkele eeuwen toeneemt en dat deze toename ook nu nog gaande is, hetgeen er voornamelijk aan toe te schrijven is dat hout steeds minder als brandstof en bouwmateriaal wordt gebruikt, alsook aan het feit dat de afgelopen jaren steeds meer mensen het platteland verlaten;

X. overwegende dat plaatselijke financiering een voorname rol vervult bij het herstellen van de band tussen kapitaal en land;

Y. overwegende dat het milieu een gedeelde bevoegdheid van de Unie is; overwegende dat de Europese milieuwetgeving uit abstracte regels met een ‘one-size-fits-all’ karakter bestaan, die destijds voor alle lidstaten zijn vastgesteld en vervolgens uitsluitend steeds gedetailleerder zijn uitgewerkt, hetgeen haaks staat op de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit; overwegende dat de Europese Green Deal op dezelfde rationalistische en constructivistische benadering stoelt;

1. beklemtoont dat één van de uitdagingen voor de komende tien jaar het reduceren van de lucht-, bodem- en waterverontreiniging is; realiseert zich dat er vergaande maatregelen nodig zijn om iets te doen aan de meest verontreinigende aspecten van onze productie- en consumptiemodellen, te weten de productie van afval, de dispersie van grondstoffen en het inefficiënte gebruik van de geproduceerde energie; beklemtoont dan ook dat het de Europese Green Deal opvat als een kans om wat het milieu betreft terug te keren naar een rationele discussie en te komen tot een verzoening tussen milieubeleid en sociaal beleid;

De klimaatambities van de EU voor 2030 en 2050 verhogen

2. stelt vast dat het aanscherpen van de EU-doelstelling met betrekking tot de reductie van de emissies van broeikasgassen tot 50 of 55 %, zoals voorzien in de Europese Green Deal, zal resulteren in onhoudbare administratieve en financiële lasten voor het bedrijfsleven van de EU, en in een versnelde verplaatsing van Europese bedrijven naar buiten de EU om de productiekosten te drukken, waardoor het concurrentievermogen van de EU verder zal afnemen, de de-industrialisatie zal toenemen en de oneerlijke concurrentie uit derde landen groter zal worden; betreurt het dat deze doelstellingen waarschijnlijk de bijl zullen leggen aan de duurzaamheid van belangrijke economische sectoren in de EU, zoals de staalindustrie; vindt het jammer dat de vaststelling van nieuwe milieuverplichtingen vooralsnog niet gepaard gaat met de introductie van adequate instrumenten om het bedrijfsleven van de EU te beschermen tegen oneerlijke externe concurrentie;

3. vindt dat elke lidstaat zelf moet kunnen beslissen wat - met het oog op het verwezenlijken van de milieudoelstellingen - de meest doeltreffende en geëigende manier is om energieproducten te belasten, rekening houdend met hun eigen energiemix, alsook met hun eigen specifieke geografische, klimatologische en antropogene omstandigheden, en hun sociaal-economische situatie;

4. herhaalt dat belastingen uitsluitend een bevoegdheid van de lidstaten zijn en verwerpt derhalve het idee van een Uniebelasting; verzoekt de Commissie om, in overeenstemming met artikel 194, lid 2, VWEU, een voorstel te presenteren voor het intrekken van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (Voor de EER relevante tekst)[3];

5. verwerpt het voorstel van de Commissie gericht op uitbreiding van de mechanismen voor handel onder een absoluut emissieplafond, zoals EU-ETS, tot andere sectoren; herhaalt dat de EU slechts ongeveer 10 % van alle CO2-emissies in de hele wereld veroorzaakt; beklemtoont derhalve dat het meer zoden aan de dijk zou zetten om de huidige EU-ETS-regeling te vervangen door een met de Wereldhandelsorganisatie (WTO) conform mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens op basis van de koolstofafdruk van de geïmporteerde goederen, dat rekening houdt met de directe emissies, de emissies van de productie van elektriciteit, alsmede de emissies van het gebruik van grondstoffen; vindt dat de Commissie en de lidstaten een dergelijke handelsmaatregel zouden moeten aanvullen met passende stimulansen voor het terughalen van productie uit derde landen naar de lidstaten;

6. geeft aan dat er in de staalsector een keiharde concurrentiestrijd gaande is, aangezien de mondiale overcapaciteit in 2018 ongeveer 500 miljoen ton bedroeg, hetgeen gelijk staat aan ongeveer 25 % van de mondiale staalproductiecapaciteit; stelt vast dat de import van staal in de EU enorm is toegenomen, van 18 miljoen ton in 2013 naar een recordhoeveelheid van 30 miljoen ton in 2018;

7. stelt vast dat de EU, teneinde oneerlijke concurrentie ten koste van de Europese staalsector te voorkomen, maatregelen moet nemen voor het tegengaan van dumping, staatssubsidies en andere steunregelingen in derde landen, in concreto door de toepassing van de handelsbeschermingsinstrumenten te verbeteren; stelt daarnaast vast dat de EU moet inzetten op modernisering van de WTO-regels, met als doel grotere doeltreffendheid bij de aanpak van handelsdistorsies;

8. beklemtoont dat de Unie het beginsel van wederkerigheid moeten toepassen in situaties waarin derde landen de toegang tot openbare aanbestedingen weigeren, en verder de naleving van de regels inzake buitenlandse directe investeringen moet controleren en toezicht moet uitoefenen op nieuwe vrijhandelsovereenkomsten, en, in voorkomend geval, reeds bestaande vrijhandelsovereenkomsten moet herzien, teneinde de toegang tot markten voor en de duurzame ontwikkeling van het bedrijfsleven van de EU te garanderen;

9. stelt vast dat de toename van de kolenproductie in China alleen al in potentie de inspanningen van de EU gericht op een reductie van de CO2-emissies teniet kan doen;

10. verzoekt de Commissie en de lidstaten zich in hun beleid en bij wetgevingsmaatregelen te concentreren op aanpassing aan de klimaatverandering, in plaats van op een utopiaanse bestrijding ervan;

Zorgen voor schone, betaalbare en veilige energie

11. geeft aan dat de kosten van de productie van energie omgekeerd evenredig zijn aan de mogelijkheid van het garanderen van welvaart voor iedereen;

12. geeft aan dat de doelstelling van het koolstofvrij maken van het energiesysteem, mét waarborgen voor een ononderbroken en betaalbare bevoorrading, middels het bevorderen van een grootschaliger gebruik van hernieuwbare energie alléén niet kan worden verwezenlijkt;

13. betreurt het dat de verzekeringen van de Commissie betreffende de eerbiediging van technologieneutraliteit en exclusieve nationale prerogatieven aangaande de energiemix door de feiten worden tegengesproken; stelt in dit verband vast dat de energie-Unie in de huidige vorm betekent dat het energiebeleid van de lidstaten in de handen van de Commissie wordt gecentraliseerd, waar wij ons tegen verzetten;

Het bedrijfsleven mobiliseren voor een schone en circulaire economie

14. is in beginsel van oordeel dat de circulaire economie een meerwaarde kan opleveren, op voorwaarde dat ze wordt gebruikt voor het op elkaar afstemmen van het milieu- en het sociaal beleid, dat wil zeggen indien wordt ingezet op het plaatselijk produceren van goederen met een geringe milieu-impact en het aanzwengelen van een grotere interne vraag; verwerpt in dit kader het voorstel van de Commissie voor de ontwikkeling van een EU-model voor het gescheiden inzamelen van afval, hetgeen onder andere indruist tegen de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit;

15. geeft aan dat ook EU-wetgeving (denk aan die inzake voedselhygiëne en productveiligheid) bijdraagt tot de productie van onnodige verpakking en dus afval; verzoekt de Commissie de bestaande wetgeving te vereenvoudigen in plaats van voorstellen te doen voor nog meer juridisch bindende vereisten extra erbovenop;

16. stelt vast dat de timing van de campagne in het kader waarvan het in de EU geproduceerde en gebruikte plastic gestigmatiseerd wordt, samenvalt met de crisis in verband met de recyclage van afval - en met name plastic - in die lidstaten die over onvoldoende capaciteit op het gebied van afvalverwerking en -recyclage beschikken; verzoekt de Commissie en de lidstaten, met het oog op meer succes bij het verwezenlijken van de doelstelling van het reduceren van de hoeveelheden afval die in het milieu terechtkomen, meer de nadruk te leggen op bewustmaking van de bevolking, alsook op vergroting van de doeltreffendheid van de afvalverzamelings- en verwerkingssystemen;

17. wijst er eens te meer met klem op dat klein wijdverspreid particulier eigendom één van de voornaamste factoren is voor emancipatie en het reduceren van ongelijkheid, en een pijler van de westerse nationale democratieën vormt; is van oordeel dat de “deeleconomie” daarentegen zou kunnen resulteren in de concentratie van eigendom in particuliere oligopolieën, waarmee goederen en diensten uitsluitend binnen het bereik zouden komen van de kleine groep mensen die zich deze kunnen veroorloven; verzoekt de lidstaten op zo kort mogelijke termijn alle wet- en regelgevingsmaatregelen vast te stellen die nodig zijn voor het op gelijke voet plaatsen van de activiteiten van onlineplatforms en de “deeleconomie” enerzijds en de corresponderende activiteiten van de traditionele economie anderzijds;

Op energie- en hulpbronnenefficiënte wijze bouwen en renoveren

18. acht het van cruciaal belang door te gaan met de inspanningen gericht op een efficiënter energiegebruik; vindt het in dit verband overigens belangrijk te wijzen op de Jevons-paradox, die luidt dat ‘efficiëntie’ niet hetzelfde is als ‘besparing’, aangezien het aan een groter aantal mensen ter beschikking stellen van dezelfde hoeveelheid energie in een algemene afname van de energie-intensiteit leidt, en niet tot een afname van de energieconsumptie in absolute termen; verzoekt de Commissie een voorstel te presenteren voor de vervanging, in Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG[4], van de doelstellingen voor energieverbruik, uitgedrukt in een absolute waarde, door doelstellingen voor energie-intensiteit;

19. acht het, gezien de moeilijke situatie van de overheidsfinanciën en het contraproductieve monetaire en fiscale beleid dat wordt gevoerd, bovenmatig ambitieus nu het startsein te geven voor de wenselijk beschouwde grootschalige renovatie van publieke en particuliere gebouwen;

20. verzoekt de Commissie met klem de emissies van gebouwen niet in de EU-ETS op te nemen, en op de begunstigden van financiering voor renovatieprojecten niet het concept ‘schaalvoordelen’ toe te passen; beklemtoont dat deze twee maatregelen niet in lagere CO2-emissies en in energie-efficiëntie zullen resulteren, maar ertoe zullen leiden dat vastgoed voornamelijk terechtkomt in de handen van particuliere oligopolieën, die op de financiële markten voor CO2 kunnen opereren en weten hoe ze toegang moeten krijgen tot de gecompliceerde financiële instrumenten van de EU, wat het ontstaan van vastgoedbubbles in de hand zal werken en het nu reeds waarneembare verschijnsel van de verjaging van de middenklasse uit het centrum van onze grote steden zal bespoedigen;

De overgang naar duurzame en slimme mobiliteit versnellen

21. herhaalt dat bij de gedwongen elektrificatie onvoldoende rekening wordt gehouden met de milieu-, sociaal-economische en geopolitieke impact; beklemtoont dat zolang als batterijen niet dezelfde energie-intensiteit (in MJ/kg) hebben als de huidige fossiele brandstoffen elektrische mobiliteit niet méér is dan een proefballonnetje of een ‘greenwashing’-operatie voor de welgestelden; verzoekt de Commissie het “Europe on the Move”-pakket aan een grondige toetsing te onderwerpen, teneinde voor technologieneutraliteit te zorgen en te garanderen dat alle technologieën met de beste kosten-batenverhouding vrij gebruikt kunnen worden op een ‘level playing field’;

22. herhaalt dat restrictieve doelstellingen met betrekking tot het reduceren van de CO2-emissies zeer nadelige gevolgen zouden hebben voor het concurrentievermogen van het bedrijfsleven van de EU, dat zich geconfronteerd ziet met steeds meer concurrentie van derde landen die niet dezelfde milieunormen hanteren als de Unie;

23. stelt vast dat de toename van het verkeer van goederen en personen als gevolg van de marktgeoriënteerde maatregelen die de EU de afgelopen jaar heeft genomen, in aanzienlijke mate heeft bijgedragen tot meer verontreiniging, en dat we behoefte hebben aan een ander economisch model en aan doeltreffender vervoersmodi, met name voor de lange afstanden;

24. betreurt elke belastingverhoging voor de burgers van de EU die gericht is op het stoppen met en het uitfaseren van het gebruik van bestaande voertuigen, teneinde de overstap te kunnen maken naar nieuwere en minder vervuilende auto’s, aangezien dit neerkomt op de vernietiging van perfect bruikbaar kapitaal en consumptiegoederen; geeft aan dat zowel burgers, als kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) als gevolg van hun precaire financiële situatie vaak niet in staat zijn hun wagenpark te vernieuwen, en dat aan deze groepen geen bijkomende lasten moeten worden opgelegd die hun economische situatie verder verslechtert; herhaalt dat de voorkeur moet worden gegeven aan mechanismen die stimuleren in plaats van penaliseren;

25. wijst er nog maar eens op dat, wat de sector vervoer betreft en binnen het kader van de zeer restrictieve doelstelling van het met 30 % beperken van de CO2-emissies van nieuwe zware voertuigen tegen 2030 (in combinatie met een intermediaire doelstelling van een reductie van 15 % tegen 2025), de geplande transitie naar e-mobiliteit er niet inzit indien niets wordt gedaan aan het tekort aan oplaadpunten in het Europese wegennet voor voertuigen die alternatieve vormen van energie gebruiken;

26. beklemtoont dat de Commissie bij de herziening van Richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten[5] rekening moet houden met de behoeften van de lidstaten, in de wetenschap dat de drie voorgaande pogingen om tot nieuwe wetgeving te komen als gevolg van de buitensporige financiële en juridische vereisten die aan de lidstaten werden gesteld, alsook vanwege de noodzaak om in deze sector voor een betere bescherming van de sociale rechten en het concurrentievermogen te zorgen, niet de gewenste resultaten hebben opgeleverd;

27. betreurt dat met het project voor het gemeenschappelijke Europese luchtruim (Single European Sky) onvoldoende progressie wordt geboekt, en dat het concept van functionele luchtruimblokken niet is geïmplementeerd, hetgeen tot een gereduceerde efficiëntie en hogere kosten voor de luchtvaartsector heeft geleid;

28. beklemtoont dat op het vlak van geautomatiseerde en onderling verbonden multimodale mobiliteit te allen tijde de hoogste prioriteit moet worden toegekend aan het garanderen van de veiligheid, het behoud van banen, gegevensbescherming, en aansprakelijkheids- en ethische kwesties;

29. merkt op dat wat in de regel met ‘duurzame mobiliteit’ wordt aangeduid tegenwoordig in feite, in het meest gunstige scenario, neerkomt op de delokalisatie van emissies van het centrum naar de periferie (d.w.z. van rijkere naar armere wijken); beklemtoont dat dit in het ‘worst-case’scenario in de praktijk tot meer verontreinigende emissies kan leiden;

30. wijst er in het bijzonder op dat de overheidsinitiatieven gericht op het bevorderen van het gebruik van particuliere vervoermiddelen middels een huurconstructie haaks staan op de doelstellingen van sociale en territoriale cohesie, aangezien zij een bijkomend voordeel opleveren voor stadsbewoners, die reeds over een breder vervoersaanbod beschikken;

31. wijst eens te meer op de onontbeerlijke rol van het plaatselijk openbaar vervoer voor de sociale en territoriale cohesie; geeft aan dat de liberalisering van de vervoersmarkt, in combinatie met de door de begrotingsdiscipline ingegeven verlaging van de overheidssubsidies en -investeringen, er onvermijdelijk toe heeft geleid dat het aanbod zich daar heeft geconcentreerd waar de vraag het grootst is (d.w.z. in stedelijke gebieden); betreurt het dat hierdoor hele regio’s geen verbinding meer hebben met stadscentra, hetgeen de inwoners van die regio’s dwingt van particuliere vervoermiddelen gebruik te maken; acht het onzinnig om de “deeleconomie” te zien als een manier om iets te doen aan de tekortkomingen van het plaatselijke openbaar vervoer;

32. geeft aan dat indien we erin zouden slagen de huidige onvermijdbare dagelijkse mobiliteit van het platteland naar de stad en vice versa, een gevolg van de verstedelijking, te reduceren dit een belangrijke bijdrage zou leveren aan het verminderen van de verontreiniging en de CO2-emissies;

“Van boer tot bord”: de ontwikkeling van een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem

33. geeft aan dat contraproductieve monetaire en begrotingsbeleidsmaatregelen, en de standaardisering van de voedselproductie wereldwijd, de kwaliteit van wat we eten niet ten goede komen, maar deze juist ongunstig beïnvloeden;

34. stelt vast dat “Van boer tot bord” een oneerlijk beeld schetst van de primaire sector, waarbij boeren en vissers tot klimaatbeschermers worden gereduceerd; stelt daarnaast vast dat er sprake is van een verontrustende ethische dimensie, in het kader waarvan het dagelijkse handelen en de leefwijze van individuen nauwlettend worden gecontroleerd;

35. verzoekt de Commissie een voorstel te presenteren voor een herziening van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004[6] van de Commissie, teneinde te komen tot een situatie waarin op de etiketten op levensmiddelen uitsluitend relevante informatie wordt verstrekt, en de verstrekking zo geschiedt dat de consument niet wordt misleid; beklemtoont dat de verstrekte informatie onder andere betrekking moet hebben op de ingrediënten (waaronder hun herkomst en de aanwezigheid van GGO’s), allergenen, de voedingswaarden, en de plaats waar de levensmiddelen geproduceerd en verpakt zijn; verzoekt de Commissie dan ook er vanaf te zien om dubbelzinnige, misleidende en willekeurig discriminerende etiketinformatie - zoals de verkeerslichten, de Nutri-Score en de CO2-afdruk - in de hele EU verplicht te stellen;

36. beklemtoont dat meer moet worden gedaan om de voedselbevoorradingsketen beter te beheren, teneinde een culturele paradigmaverschuiving naar een meer plaatselijke benadering teweeg te brengen; verzoekt de Commissie zich actief in te zetten voor en werk te maken van een EU-voedselketen die beoogt onze landbouw en visserij in stand te houden, in plaats van voedsel te gebruiken als pasmunt in onderhandelingen over handelsovereenkomsten;

Behoud en herstel van ecosystemen en biodiversiteit

37. merkt op dat we behoefte hebben aan een gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) dat landbouwers die de biodiversiteit beschermen, beloont, en dat een dergelijk systeem eenvoudig moet zijn; geeft aan dat de bescherming van het rurale landschap en de preventie van erosie en hydrogeologische instabiliteit op de lijst moeten worden gezet van milieu-acties waar met de middelen van het GLB financiering aan kan worden toegekend;

38. verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem concretere maatregelen te nemen voor het aanpakken van marien zwerfvuil en plastic in zee;

Streven om vervuiling tot nul terug te brengen voor een gifvrij milieu

39. beklemtoont dat de klimaatmaatregelen niet altijd consistent geweest zijn met de doelstelling van het reduceren van verontreiniging (denk aan Dieselgate, e-mobiliteit, bepaalde biobrandstoffen en bepaalde biomassa’s); stelt vast dat door er abusievelijk vanuit te gaan dat de emissies van broeikasgassen eerst moeten worden aangepakt om de verontreiniging van de planeet te verminderen, het redden van het klimaat nu veel zwaarder weegt dan het redden van het milieu; beklemtoont dat dit de reden is dat enorm veel geld gespendeerd is voor het reduceren van de CO2-emissies, ongeacht de verwaarloosbaarheid van de resultaten, terwijl deze middelen op veel betere wijze ten behoeve van het milieu gebruikt hadden kunnen worden, aangezien het reduceren van de verontreiniging ook goed is voor het klimaat;

40. geeft nog maar eens aan dat het milieu niet doeltreffend kan worden beschermd met een wetgevingsbenadering van het type ‘one-size-fits-all’ die geen rekening houdt met de plaatselijke geografische, klimatologische en antropogene omstandigheden;

Het nastreven van groene financiering en investeringen en het waarborgen van een rechtvaardige transitie

41. stelt bezorgd vast dat de Commissie opnieuw gebruik wil maken van precies die financiële instrumenten waarvan we weten dat ze ondeugdelijk zijn; beklemtoont dat de EU-fondsen, op grond van hun intrinsieke kenmerken, ongeschikt zijn voor de door de Commissie in kaart gebrachte financieringsbehoeften; stelt vast dat het mechanisme voor een rechtvaardige transitie gepresenteerd wordt als een doorslag van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG), waarvan we weten dat het niets anders is dan een vorm van stervensbegeleiding voor de werknemers die als gevolg van de de-industrialisering hun baan zijn kwijtgeraakt: merkt verder op dat, wat het investeringsplan voor een duurzaam Europa betreft, vaker teruggegrepen zou gaan worden op financiële engineering op basis van het model van het mislukte plan-Juncker;

42. beschouwt volledig ontwikkelde, niet-systemische regionale banken het instrument bij uitstek voor een rechtvaardige ecologische transitie in overeenstemming met de regionale wensen en omstandigheden;

De nationale begrotingen vergroenen en de juiste prijssignalen afgeven

43. geeft aan dat de Europese Green Deal, door niet af te wijken van de bestaande regels inzake begrotingsdiscipline (die in feite niet met de vermeende klimaatramp te rijmen is) en door uitvoering te geven aan de gerichte versoepeling van de richtsnoeren inzake staatssteun, onvermijdelijk een zoveelste subsidie zal worden voor de transformatie van industriesectoren in een aantal lidstaten;

44. betreurt het dat de Commissie zich bemoeit met het begrotingsbeleid van de lidstaten, naast het beleid op andere terreinen, en vindt dit ongepast; wijst in dit verband op het risico dat de Europese Green Deal alleen op papier een New Deal wordt en dat hij, naar analogie van hetgeen de Democraten in de VS destijds zeiden, gezien zou kunnen worden als een lik groene verf voor het oppoetsen van het imago van de EU;

45. geeft aan dat duurzaamheid ontworpen is om te fungeren als de externe rem bij uitstek op nationale democratieën; geeft in dit verband aan dat elk programma voor industriële ontwikkeling en het scheppen van werkgelegenheid waarop de externe rem van het klimaat is toegepast, aan de rem zelf ten prooi is gevallen; dringt erop aan deze rem in het kader van de Europese Green Deal om te vormen; beklemtoont dan ook dat de Europese Green Deal zich met het oog op het reduceren van de verontreiniging en het creëren van meer werkgelegenheid eerst en vooral moet richten op industriële ontwikkeling en banen, teneinde de kwaliteit van het milieu te verbeteren;

Onderzoek mobiliseren en innovatie stimuleren

46. spoort de Commissie en de lidstaten aan onderzoek en ontwikkeling (O&O) in cruciale sectoren, zoals de opslag van energie, energie-efficiëntie en de recyclage van grondstoffen, verder uit te bouwen en te bevorderen;

47. geeft aan dat de EU-instrumenten voor onderzoek en innovatie, zoals Horizon Europa, een daadwerkelijke (en niet uitsluitend papieren) inclusie van micro- en kleine ondernemingen moeten bewerkstelligen; betreurt het dat een aantal micro- en kleine ondernemingen als gevolg van de buitensporige en vaak onrealistische selectiecriteria vooralsnog geen toegang tot de financiële instrumenten van de EU heeft;

Onderwijs en opleiding activeren

48. herinnert de Commissie eraan dat onderwijs en opleiding uitsluitend een bevoegdheid van de lidstaten zijn; verzoekt de lidstaten in de sector relevante technisch-wetenschappelijke scholen en beroepsopleidingen een systeem van prijzen te ontwikkelen en toe te passen voor innovatieve projecten gericht op een betere bescherming van het milieu;

49. betreurt het dat de Europese Green Deal niet aan een effectbeoordeling is onderworpen om vast te stellen of hij sociale en werkgelegenheidseffecten op de productiesectoren van de EU zal hebben en zo ja, welke; vindt het daarnaast jammer dat er geen concrete strategie is geformuleerd voor het doorgeven en verbeteren van de vaardigheden van de werknemers in de EU, of voor het vaststellen van de juridische en economische kaders van de vermeende markt van groene banen; wijst er wat het leren van nieuwe vaardigheden betreft op dat het een illusie is te denken dat het volgen van een opleiding alleen volstaat om van een metaalarbeider een (groene) start-up te maken;

Een groene eed: "berokken geen schade"

50. juicht het toe dat de Commissie toezegt elk voorstel voor wetgeving en gedelegeerde handelingen vergezeld te laten gaan van een rapport waarin staat hoe de inachtneming van het beginsel “berokken geen schade” wordt gegarandeerd; verzoekt de Commissie zowel vooraf, als achteraf grondige beoordelingen van de milieu- en de sociaal-economische effecten door te voeren, en hiervan af te zien indien de beoordelingen uitsluitend tot doel hebben de juistheid van een op voorhand gekozen oplossing te bekrachtigen;

De EU als wereldleider

51. stelt vast dat een fase van minder globalisering begonnen is; beklemtoont in dit verband dat de EU er goed aan zou doen de Europese Green Deal aan te grijpen om zich tijdig op dit nieuwe economische en geopolitieke scenario voor te bereiden, in plaats van dogmatisch en uitsluitend om het concept van de soevereine staat naar de prullenbak te verwijzen aan multilateralisme vast te houden;

52. geeft aan dat de Europese Green Deal als kans moet worden gezien om iets te doen aan de rol die de wereldhandel speelt bij de verontreiniging; verzoekt de EU een strategie te ontwikkelen die primair inzet op binnenlandse productie en niet op het importeren van dezelfde goederen uit derde landen aan de andere kant van de wereld; dringt dan ook aan op een zorgvuldige herziening van de handelsstrategie van de EU, in het bijzonder wat betreft de aspecten die verband houden met de handel met derde landen met minder strenge normen, dit alles gericht op een ‘level playing field’;

53. beklemtoont dat Afrika geen industriële basis heeft, en dat er in Afrika ook nauwelijks sprake is van onderlinge economische betrekkingen; benadrukt dat het hieraan toe te schrijven is dat Afrika door de gesel van de emigratie wordt getroffen, en dat tegelijkertijd Chinese bedrijven op dit continent steeds vastere voet aan de grond krijgen; betreurt in dit kader het gebrek aan visie van de EU;

54. onderkent dat de klimaatverandering soms rampzalige natuurlijke gevolgen heeft, zoals natuurrampen, de stijging van de zeespiegel, extreme weersomstandigheden, woestijnvorming en watertekorten, die mensen ertoe brengen huis en haard te verlaten; waarschuwt dat deze natuurlijke gevolgen bijdragen tot politieke instabiliteit en economische problemen, die op hun beurt vluchtelingencrisissen kunnen veroorzaken; beklemtoont dat deze crisissen niet alleen de regio’s in kwestie destabiliseren, maar ook de EU; beklemtoont dat er geen universele definitie van ‘klimaatvluchteling’ bestaat en verzoekt de EU hier haar gedachten over te laten gaan, en steun en bijstand te verlenen aan de plaatselijke en regionale hulporganisaties die vluchtelingen opvangen die het slachtoffer zijn van de klimaatverandering;

Tijd om met elkaar in actie te komen: een Europees klimaatpact

55. wijst op de overeenkomsten tussen het Europees klimaatpact en het grand débat national dat de Franse president Emmanuel Macron heeft gelanceerd bij wijze van halfslachtige reactie op de gewelddadige straatprotesten van de gele hesjes, die het uitvloeisel waren van de experimentele toepassing van bepaalde ecologische transitiemaatregelen; beklemtoont dat vergelijkbare maatregelen ook onderdeel van de Europese Green Deal uitmaken;

56. geeft aan dat het concept burgervergaderingen ook bij de pogingen gericht op het tot stand brengen van consensus over ecologische transitiemaatregelen reeds op grote schaal is toegepast; vreest dat dergelijke vergaderingen vaak worden gemanipuleerd om een vantevoren geformuleerde uitkomst te bereiken, in de zin dat de deelnemers de indruk wordt gegeven dat zij daaraan een bijdrage hebben geleverd;

57. beklemtoont dat het van het allergrootste belang is de milieucriminaliteit te bestrijden; beklemtoont evenwel dat elke lidstaat zijn eigen regels inzake toegang tot de rechter moet vaststellen;

 

°

° °

58. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Europese Raad, de Raad, en de parlementen van de lidstaten.

[1] Quadrio Curzio, A., Pellizzari, F., Zoboli, R. Innovazione tecnologica, scarsità relativa, investimenti. Enciclopedia degli idrocarburi, Rome, Istituto della Enciclopedia Italiana, IV, 14 (2007).

[2] Formetta G., Feyen, L. Empirical evidence of declining global vulnerability to climate-related hazards. Global Environmental Change, 57, 01920 (2019).

[3] PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51.

[4] PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1.

[5] PB L 368 van 17.12.1992, blz. 38.

[6] PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18.

Laatst bijgewerkt op: 14 januari 2020Juridische mededeling - Privacybeleid