Procedure : 2019/2950(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0047/2020

Ingediende teksten :

B9-0047/2020

Debatten :

PV 16/01/2020 - 3
CRE 16/01/2020 - 3

Stemmingen :

PV 16/01/2020 - 6.7
CRE 16/01/2020 - 6.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0017

<Date>{13/01/2020}13.1.2020</Date>
<NoDocSe>B9‑0047/2020</NoDocSe>
PDF 147kWORD 51k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B9‑0001/2020</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 136, lid 5, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over instellingen en organen in de economische en monetaire unie: belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid voorkomen</Titre>

<DocRef>(2019/2950(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Irene Tinagli</Depute>

<Commission>{ECON}namens de Commissie economische en monetaire zaken</Commission>

</RepeatBlock-By>


B9‑0047/2020

Resolutie van het Europees Parlement over instellingen en organen in de economische en monetaire unie: belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid voorkomen

(2019/2950(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien artikel 298 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

 gezien Verordening nr. 31 (EEG), 11 (EGA), tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (“het Statuut”), en met name de artikelen 11, onder a), 12, 16 en 17 daarvan[1],

 gezien zijn resolutie van 10 mei 2011 over de kwijting 2009: prestaties, financieel beheer en controle van de agentschappen[2],

 gezien Speciaal verslag nr. 15/2012 van de Europese Rekenkamer getiteld: “Omgang met belangenconflicten bij een selectie van agentschappen van de EU”[3],

 gezien het besluit van de Commissie van 29 juni 2018 betreffende nevenactiviteiten en ‑opdrachten en betreffende beroepsactiviteiten na beëindiging van de dienst (C(2018)4048),

 gezien de persmededeling van de Europese Bankautoriteit (EBA) van 17 september 2019, waarin wordt aangekondigd dat Adam Farkas ontslag neemt als uitvoerend directeur van de EBA, met ingang van 31 januari 2020[4],

 gezien de vraag aan de Commissie over de aanstelling van Adam Farkas, uitvoerend directeur van de EBA, als hoofd van de Vereniging van Financiële Markten in Europa (AFME) (O-000031/2019 – B9-0054/2019) en de antwoorden van de Commissie op 24 oktober 2019[5],

 gezien de antwoorden van de voorzitter van de EBA tijdens een hoorzitting van de Commissie economische en monetaire zaken op 4 november 2019,

 gezien het verslag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van 23 augustus 2010, getiteld “Post-Public Employment: Good Practices for Preventing Conflict of Interest”[6],

 gezien werkdocument 06/2010 van Transparency International, getiteld “Regulating the Revolving Door”[7],

 gezien de ontwerpaanbevelingen van de Europese Ombudsman met betrekking tot het onderzoek naar klacht 775/2010/ANA tegen de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA)[8],

 gezien de brief van de Ombudsman aan de directeur van het Europees Agentschap voor chemische stoffen van 13 juni 2017 over de tenuitvoerlegging van artikel 16 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie[9],

 gezien de brief van de Ombudsman aan de directeur van de EBA van 13 juni 2017 over de tenuitvoerlegging van artikel 16 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie[10],

 gezien het verslag van de Europese Ombudsman van 28 februari 2019 over de openbaarmaking van informatie over voormalig personeel in hoge functies, teneinde het verbod van één jaar op lobbying of belangenbehartiging af te dwingen: SI/2/2017/NF[11],

 gezien zijn resolutie van 12 februari 2019 over de ontwerpverordening van het Europees Parlement inzake het statuut en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van het ambt van de Europese ombudsman (statuut van de Europese Ombudsman)[12],

 gezien de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie 2019-2024[13],

 gezien de vraag aan de Commissie getiteld “Instellingen en organen in de economische en monetaire unie: belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid voorkomen” (O-000048/2019 – B9‑0001/2020),

 gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

 gezien de door de Commissie economische en monetaire zaken ingediende ontwerpresolutie,

A. overwegende dat overeenkomstig artikel 298, lid 1, van het VWEU de instellingen, organen en instanties van de Unie bij de vervulling van hun taken op een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat moeten steunen;

B. overwegende dat in artikel 1, lid 68, van Verordening (EU) nr. 1093/2010[14] het volgende is bepaald: “Het Statuut, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden en de regels die gezamenlijk door de instellingen van de Unie zijn vastgesteld ter uitvoering van genoemd Statuut en van genoemde Regeling zijn van toepassing op het personeel van de Autoriteit, met inbegrip van de uitvoerend directeur en de voorzitter”;

C. overwegende dat met name in artikel 16 en artikel 17 van het Statuut van de ambtenaren beginselen zijn bepaald voor ambtenaren die de instellingen verlaten, met inbegrip van bepalingen over de preventie van belangenconflicten;

D. overwegende dat de uitvoerend directeur van de EBA een aanstelling als hoofd van de Vereniging van Financiële Markten (AFME) per 1 februari 2020 heeft aanvaard en hij zijn ontslag heeft gegeven als uitvoerend directeur van de EBA met ingang van 31 januari 2020;

E. overwegende dat de raad van bestuur en de raad van toezicht van de EBA besloten hebben de aanstelling van de uitvoerend directeur van de EBA als hoofd van de AFME te aanvaarden; overwegende dat de raad van toezicht het besluit genomen heeft zijn uitvoerend directeur relatief lichte beperkingen op te leggen, die volgens de EBA het belangenconflict zullen aanpakken dat voortvloeit uit zijn nieuwe functie bij de AFME; overwegende dat deze beperkingen van toepassing zijn op zijn werkzaamheden zolang hij in dienst is bij de EBA, maar ook na zijn uitdiensttreding;

F. overwegende dat de voorzitter van de EBA tijdens een hoorzitting in het Europees Parlement benadrukte dat het moeilijk is beperkingen op te leggen met betrekking tot activiteiten na uitdiensttreding bij de overheid;

G. overwegende dat personen met een leidinggevende functie die bij een toezichthoudende autoriteit uit dienst treden, momenteel geen tijdelijke vergoeding krijgen;

H. overwegende dat belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid en draaideurconstructies een steeds terugkerende bron van zorg zijn, en zijn beoordeeld en geanalyseerd door internationale en EU-organen, met name de Europese Ombudsman en de Europese Rekenkamer;

I. overwegende dat dergelijke draaideurconstructies lobbygroepen de kans geven om regulators te belonen voor hun optreden in het verleden, wat nadelige stimuleringsmaatregelen in de hand werkt;

1. onderstreept het belang van een open, doeltreffende en onafhankelijke Europese administratie voor de EU in haar geheel, met inbegrip van instellingen, organen en agentschappen in de economische en monetaire unie;

2. maakt zich zorgen over het belangenconflict dat is ontstaan als gevolg van de aanstelling van de uitvoerend directeur van de EBA als hoofd van de AFME met ingang van 1 februari 2020; merkt op dat deze overstap zonder afkoelingsperiode na zijn uitdiensttreding bij de overheid een risico vormt, en zowel de reputatie en de onafhankelijkheid van de EBA in gevaar brengt als die van alle EU‑instellingen en het Europese project als geheel;

3. herinnert eraan dat, indien belangenconflicten niet worden aangepakt, niet alleen de handhaving van strenge ethische normen in de Europese administratie in gevaar wordt gebracht, maar ook het recht op behoorlijk bestuur wordt bedreigd, waardoor het voor de goede werking van de interne markt vereiste gelijke speelveld in het gedrang komt;

4. roept op tot de doeltreffende en consequente toepassing van het Statuut van de ambtenaren, met name artikel 16 daarvan, teneinde belangenconflicten te voorkomen, in het bijzonder – maar niet uitsluitend – met betrekking tot hoge ambtenaren; benadrukt dat artikel 16 de EU‑instellingen de mogelijkheid biedt om het verzoek van een gewezen ambtenaar om een specifieke baan aan te mogen nemen, af te wijzen, indien beperkingen niet volstaan om de legitieme belangen van de instellingen te beschermen; benadrukt dat, in het geval van de heer Farkas, het verbod op een rechtstreekse overstap naar de AFME overwogen had kunnen worden uit hoofde van artikel 21, lid 3, onder b), van Besluit C(2018)4048 van de Commissie, aangezien de AFME als een “tegenpartij” kan worden beschouwd;

5. vreest dat het vaak niet mogelijk is de voorwaarden te handhaven die met betrekking tot activiteiten na uitdiensttreding bij de overheid worden opgelegd; moedigt de EU-instellingen en -agentschappen bijgevolg aan te overwegen gebruik te maken van de volledige waaier aan instrumenten uit hoofde van artikel 16 van het Statuut van de ambtenaren;

6. heeft twijfels bij het besluit van de raad van toezicht en de raad van bestuur van de EBA om de heer Farkas toe te staan een functie als hoofd van de AFME op te nemen; verzoekt hen dit besluit te herzien;

7. merkt op dat ervaring in de particuliere sector waardevol kan zijn voor ambtenaren, maar ook aanleiding kan geven tot draaideurconstructies, wanneer er een direct verband bestaat tussen de voormalige werkgever en de nieuwe functie in de instelling; onderstreept dat dit de integriteit van de EU‑instellingen kan ondermijnen en het vertrouwen van de burgers kan schaden; wijst daarom op de steeds grotere noodzaak om na te gaan hoe belangenconflicten ook kunnen voortvloeien uit het bekleden van bepaalde functies voorafgaand aan de indiensttreding bij de overheid of voorafgaand aan de benoeming in een functie met regelgevende of uitvoerende bevoegdheden en verantwoordelijkheden, en beveelt aan hier meer aandacht aan te besteden;

8. benadrukt dat belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid en draaideurconstructies een probleem vormen waar alle instellingen, organen en instanties in de EU en in de lidstaten mee kampen; onderstreept dan ook de behoefte aan een uniform wettelijk kader om deze kwesties doeltreffend aan te pakken;

9. neemt kennis van de werkzaamheden op internationaal niveau (OESO) om een geharmoniseerd kader met betrekking tot uitdiensttreding bij de overheid te verzekeren; wijst op EU‑niveau op de werkzaamheden van de Europese Rekenkamer en de Europese Ombudsman in dit verband; merkt op dat een tijdige tenuitvoerlegging van deze aanbevelingen soortgelijke problemen in de toekomst kan voorkomen;

10. benadrukt dat de arbeidservaring die personeelsleden van organen en instellingen van de Unie hebben opgedaan in de particuliere sector waardevol kan zijn voor een regelgevend of toezichthoudend orgaan, maar dat de EU‑instellingen en ‑organen doordrongen moeten zijn van een sterk dienstverleningsethos, om de Europese burgers zo goed mogelijk te dienen;

11. verzoekt de Europese Rekenkamer grondig te analyseren hoe de organen en agentschappen in de economische en monetaire unie situaties met mogelijke belangenconflicten aanpakken; vraagt de Europese Rekenkamer beste praktijken in kaart te brengen;

12. verzoekt de Commissie de huidige praktijk op het gebied van uitdiensttreding bij de overheid op nationaal en EU-niveau te beoordelen, met het oog op de vaststelling van krachtigere maatregelen ter voorkoming van belangenconflicten wanneer hoge ambtenaren van EU‑organen hun functie neerleggen om een baan in de particuliere sector aan te nemen of wanneer personen uit de particuliere sector benoemd worden in een hoge functie in een EU-orgaan; vraagt de Commissie rekening te houden met de bevindingen in dit verband bij de eventuele vormgeving van een geharmoniseerd wettelijk kader voor de voorkoming van belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid;

13. herinnert aan de belofte van de Commissie tijdens het plenaire debat van 24 oktober 2019 om het wettelijk kader inzake uitdiensttreding te herzien; verzoekt de Commissie te voorzien in een geharmoniseerd wettelijk kader ter voorkoming van belangenconflicten na uitdiensttreding bij de overheid, teneinde strenge ethische normen te waarborgen; benadrukt dat de werkwijze van de EU afgestemd moet zijn op de internationale normen; onderstreept dat dezelfde normen toegepast moeten worden op nationaal en op EU‑niveau;

14. verzoekt de Commissie om bij haar beoordeling van het kader inzake uitdiensttreding bij de overheid specifieke risicogebieden vast te stellen waarop mogelijk versterking vereist is, onder meer aan de hand van meer mogelijkheden om het aannemen van een nieuwe baan te verbieden, en om te overwegen de afkoelingsperiode voor hoge ambtenaren te verlengen naargelang van het specifieke geval, teneinde gelijke behandeling in overeenstemming met artikel 15 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te verzekeren; benadrukt dat de vereiste van voorafgaande openbaarmaking van belangenconflicten, als bepaald in artikel 11 van het Statuut van de ambtenaren, ten uitvoer moet worden gelegd op een manier die verzekert dat de potentiële belangenconflicten van een kandidaat aan het licht komen ruim vóór de indiensttreding bij een EU‑orgaan; benadrukt voorts dat alle EU‑organen hun interne regels voor het aanpakken van belangenconflicten op hun website moeten zetten, en dat rekening moet worden gehouden met de aanbevelingen van de Europese Ombudsman van 2017 betreffende de bekendmaking van de jaarlijkse informatie die vereist is uit hoofde van artikel 16, lid 4, van het Statuut van de ambtenaren;

15. verzoekt de Commissie deze herziening uit te breiden tot belangenconflicten voorafgaand aan de indiensttreding bij de overheid, en te overwegen de bestaande maatregelen te versterken, bijvoorbeeld de verplichte afstoting van belangen in ondernemingen die onderworpen zijn aan de autoriteit van de instelling waartoe een recent benoemde ambtenaar behoort of die met die instellingen betrekkingen onderhouden, en ook nieuwe soorten preventieve maatregelen te overwegen, zoals een verplichte wraking bij de behandeling van zaken die een voormalige werkgever uit de particuliere sector betreffen;

16. is van oordeel dat het verbod om een bepaalde nieuwe baan aan te nemen geen schending van het recht op werk vormt indien de betrokken persoon reeds een baan heeft en het verbod voldoende gericht en gerechtvaardigd is;

17. merkt op dat, indien langere afkoelingsperioden worden ingevoerd voor hoge ambtenaren die bij een agentschap uit dienst treden, kan worden overwogen deze ambtenaren een passende tijdelijke toelage toe te kennen; onderstreept dat dergelijke tijdelijke toelagen moeten worden stopgezet wanneer tijdens de afkoelingsperiode een nieuwe baan wordt aanvaard;

18. vraagt de Commissie te oordelen of het passend is dat de betrokken EU‑agentschappen zelf beslissingen nemen met betrekking tot de handhaving van de regels inzake de voorkoming van belangenconflicten en de manier waarop een consequente toepassing van de regels kan worden gewaarborgd; is van oordeel dat het onafhankelijke ethisch orgaan, zoals voorgesteld door Commissievoorzitter Ursula von der Leyen, de meest geschikte instantie is om in de toekomst beslissingen te nemen in verband met belangenconflicten waarbij EU‑personeelsleden betrokken zijn;

19. raadt alle leden van het Europees Parlement en alle vertegenwoordigers van de Europese Commissie en de Raad van de Europese Unie aan om gedurende een periode van twee jaar geen contact meer te hebben met de huidige uitvoerend directeur, als en wanneer hij zijn functie als hoofd van de AFME opneemt; dringt er bij de diensten die permanente toegangspasjes voor de gebouwen van het Parlement (“bruine badges”) afleveren op aan het geval van de heer Farkas grondig te bekijken, en te overwegen hem geen badge toe te kennen gedurende de hierboven genoemde periode (twee jaar), om een potentieel belangenconflict te vermijden;

20. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Rekenkamer, en de Europese Ombudsman.

[1] PB L 45 van 14.6.1962, blz. 1385.

[2] PB L 250 van 27.9.2011, blz. 268.

[12] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0080.

[14] Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

Laatst bijgewerkt op: 15 januari 2020Juridische mededeling - Privacybeleid