Procedure : 2020/2519(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0078/2020

Ingediende teksten :

B9-0078/2020

Debatten :

CRE 29/01/2020 - 23

Stemmingen :

Aangenomen teksten :


<Date>{22/01/2020}22.1.2020</Date>
<NoDocSe>B9‑0078/2020</NoDocSe>
PDF 135kWORD 46k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de in 2019 gewijzigde Indiase wet op het staatsburgerschap</Titre>

<DocRef>(2020/2519(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Michael Gahler, Sandra Kalniete</Depute>

<Commission>{PPE}namens de PPE-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0077/2020

B9‑0078/2020

Resolutie van het Europees Parlement over de in 2019 gewijzigde Indiase wet over het staatsburgerschap

(2020/2519(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn vorige resoluties over India,

 gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

 gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR),

 gezien het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie,

 gezien het mondiaal pact inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie,

 gezien de VN-verklaring van 18 december 1992 over de rechten van personen die behoren tot nationale, etnische, godsdienstige en taalkundige minderheden,

 gezien de grondwet van India,

 gezien het in 2004 gelanceerde strategische partnerschap tussen de EU en India,

 gezien de conclusies van de Raad van 10 december 2018 over een EU-strategie voor India,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat op 9 en 11 december 2019 beide kamers van het Indiase parlement de gewijzigde wet op het staatsburgerschap, ter herziening van de wet op het staatsburgerschap uit 1955, hebben aangenomen;

B. overwegende dat de gewijzigde wet op het staatsburgerschap het naturalisatieproces voor het verkrijgen van het Indiase staatsburgerschap versnelt voor ongedocumenteerde migranten en hindoes, sikhs, boeddhisten, jaïnisten, parsen en christenen, die, behorende tot religieuze minderheden in de buurlanden Afghanistan, Bangladesh en Pakistan, op de vlucht voor vervolging op of vóór 31 december 2014 in India zijn binnengekomen; overwegende dat elke buitenlandse migrant in aanmerking komt voor het Indiase staatsburgerschap na een totale verblijfsduur van 12 jaar;

C. overwegende dat de Indiase regering heeft verklaard dat de wet is gewijzigd om in India rechtszekerheid te scheppen – een vorm van positieve discriminatie – voor leden van vervolgde religieuze minderheden uit de drie voornoemde buurlanden, waar de islam een staatsgodsdienst is;

D. overwegende dat de gewijzigde wet op het staatsburgerschap (CAA) controversieel is en bekritiseerd wordt omdat de wet te selectief zou zijn en moslims uitsluit van mogelijkheden waar andere religieuze groepen gebruik van kunnen maken; overwegende dat de woordvoerder van de Hoge Commissaris van de VN voor de rechten van de mens in een verklaring van 13 december 2019 heeft verklaard dat de CAA een “fundamenteel discriminerend karakter” heeft en dat die de verbintenis van India ten aanzien van gelijkheid voor de wet zoals neergelegd in zijn grondwet en voortvloeiend uit zijn internationale verplichtingen, leek te ondermijnen;

E. overwegende dat Amnesty International India erop heeft gewezen dat geen andere vervolgde minderheden onder de wetswijziging vallen, waaronder moslims zoals de Rohingya in Birma, de Ahmadi’s en Hazaren in Pakistan, en de Bihari in Bangladesh;

F. overwegende dat in reactie op de vaststelling van de CAA in regio’s verspreid over India protesten zijn uitgebroken, met name op universiteitscampussen; overwegende dat naar verluidt 24 mensen om het leven zijn gekomen en dat velen gewond zijn geraakt en gearresteerd na botsingen met de ordehandhaving; overwegende dat er meldingen waren van wijdverbreid hardhandig politieoptreden;

G. overwegende dat critici van mening zijn dat de CAA het seculiere karakter van de staat ondermijnt en in strijd is met de Indiase grondwet, met name met artikel 14, waarin het recht op gelijkheid voor de wet wordt gewaarborgd, en met artikel 15, uit hoofde waarvan iedereen beschermd wordt tegen discriminatie op grond van godsdienst, ras, kaste, geslacht of geboorteplaats;

H. overwegende dat het Hooggerechtshof van India een begin heeft gemaakt met de behandeling van verzoekschriften over de CAA met het oog op de beoordeling van de grondwettigheid ervan en de regering 40 dagen de tijd heeft gegeven om op deze verzoekschriften in te gaan;

I. overwegende dat het strategisch partnerschap tussen de Europese Unie en India is gebaseerd op de gedeelde waarden van democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, de inzet voor een op regels gebaseerde wereldorde en effectief multilateralisme, duurzame ontwikkeling en een gemeenschappelijk belang bij de verdere ontwikkeling van de bilaterale samenwerking, die sinds de topbijeenkomsten tussen de EU en India in 2016 en 2017 verder is verbeterd;

1. uit zijn bezorgdheid over de CAA en de vele negatieve gevolgen daarvan voor het internationale imago en de interne stabiliteit van India;

2. respecteert de poging van de regering van India om de juridische situatie van in India verblijvende religieuze minderheden, die in door moslims gedomineerde buurlanden worden vervolgd, te helpen regulariseren; is echter van mening dat het creëren van een reeks regels voor geselecteerde vervolgde minderheden en een andere, minder gunstige reeks regels voor anderen, contraproductief zal zijn en als discriminerend kan worden beschouwd; herinnert eraan dat een doeltreffend nationaal asiel- en vluchtelingenbeleid billijk en holistisch van karakter moet zijn en van toepassing moet zijn op alle mensen in nood;

3. verzoekt de regering van India de CAA en de gevolgen daarvan te beoordelen in de geest van gelijkheid en non-discriminatie, en in het licht van haar internationale verplichtingen;

4. veroordeelt het geweld en de gewelddadigheden die na de vaststelling van de CAA in verschillende regio’s van India zijn uitgebroken; herinnert aan de bijzondere verantwoordelijkheid van ordehandhavingsdiensten om blijk te geven van terughoudendheid en vreedzaam protest mogelijk te maken;

5. merkt op dat het Hooggerechtshof zich buigt over de CAA en dat de Indiase regering 40 dagen heeft gekregen om te reageren op verzoekschriften; vertrouwt erop dat de uitspraak van het Hooggerechtshof duidelijkheid zal verschaffen over de CAA en de verenigbaarheid daarvan met de grondwet van India en de internationale verplichtingen van India op het gebied van de mensenrechten;

6. verzoekt de HV/VV een constructieve dialoog met India te blijven voeren over alle aspecten van samenwerking, waaronder politieke en mensenrechten;

7. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de president van India, de regering van India, de premier van India en het parlement van India.

 

Laatst bijgewerkt op: 27 januari 2020Juridische mededeling - Privacybeleid