Procedure : 2020/2519(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0079/2020

Ingediende teksten :

B9-0079/2020

Debatten :

CRE 29/01/2020 - 23

Stemmingen :

Aangenomen teksten :


<Date>{22/01/2020}22.1.2020</Date>
<NoDocSe>B9‑0079/2020</NoDocSe>
PDF 148kWORD 48k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de in 2019 gewijzigde Indiase wet op het staatsburgerschap</Titre>

<DocRef>(2020/2519(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Idoia Villanueva Ruiz, Miguel Urbán Crespo, Konstantinos Arvanitis, Manuel Bompard, Younous Omarjee, Stelios Kouloglou, Eugenia Rodríguez Palop, Dimitrios Papadimoulis, Giorgos Georgiou, Niyazi Kizilyürek</Depute>

<Commission>{GUE/NGL}namens de GUE/NGL-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0077/2020

B9‑0079/2020

Resolutie van het Europees Parlement over de in 2019 gewijzigde Indiase wet op het staatsburgerschap

(2020/2519(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

 gezien artikel 15 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM),

 gezien artikel 21 van het EU-Handvest van de grondrechten,

 gezien resolutie 91 (1951) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over Kasjmir,

 gezien het VN-verslag over Kasjmir van 2019,

 gezien het gezamenlijk actieplan voor de uitvoering van het strategisch partnerschap tussen de EU en India, ondertekend in november 2005, en de thematische dialoog over de mensenrechten tussen de EU en India,

 gezien de verklaring van de bijeenkomst op hoog niveau van de Algemene Vergadering van de VN over de rechtsstaat op nationaal en internationaal niveau, en de resolutie die op 30 november 2012 is aangenomen door de Algemene Vergadering (A/RES/67/1),

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de Bharatiya Janata-partij (BJP) in mei 2019 de algemene verkiezingen heeft gewonnen en premier Narendra Modi is begonnen aan zijn tweede termijn, en dat de Indiase regering haar nationalistische oriëntering verder heeft versterkt en nationale en religieuze minderheden discrimineert, intimideert en vervolgt, en elke vorm van oppositie, alsook mensenrechtengroeperingen, mensenrechtenverdedigers en journalisten die kritisch zijn op de regering het zwijgen oplegt;

B. overwegende dat de regering in augustus 2019 de speciale grondwettelijke status van de deelstaat Jammu en Kasjmir heeft opgeheven en deze deelstaat heeft opgesplitst in twee afzonderlijke gebieden die door de federale regering worden bestuurd; overwegende dat de regering extra troepen heeft gestuurd naar de regio, het internet- en telefoonverkeer heeft stilgelegd, en duizenden mensen in preventieve hechtenis heeft gezet, waaronder verkozen leiders, hetgeen internationaal is veroordeeld;

C. overwegende dat nooit uitvoering is gegeven aan resoluties van de Veiligheidsraad waarin is vastgesteld dat er een referendum moet komen zodat alle Kasjmiri kunnen stemmen over de toekomstige status van het gebied;

D. overwegende dat de in 2019 gewijzigde wet op het staatsburgerschap, ter herziening van de wet op het staatsburgerschap uit 1955, op 11 december 2019 door het Indiase parlement is aangenomen om Indiaas staatsburgerschap mogelijk te maken voor hindoes, sikhs, boeddhisten, jaïnisten, parsen en christenen die vóór december 2014 voor vervolging zijn gevlucht uit Pakistan, Bangladesh en Afghanistan; overwegende dat deze gewijzigde wet op het staatsburgerschap geen rekening houdt met moslims en andere personen uit deze landen, noch met Tamil-vluchtelingen uit Sri Lanka, Rohingya-vluchtelingen uit Myanmar of boeddhistische vluchtelingen uit Tibet; overwegende dat door deze wijziging religie voor het eerst een criterium vormt voor staatsburgerschap in de Indiase nationaliteitswetgeving; overwegende dat deze wijziging in strijd is met de seculiere aard van de Indiase grondwet;

E. overwegende dat de gewijzigde wet op het staatsburgerschap in strijd is met de internationale verplichtingen van India om het ontnemen van het staatsburgerschap op grond van ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische oorsprong te voorkomen, zoals bepaald in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en andere mensenrechtenverdragen; overwegende dat de gewijzigde wet op het staatsburgerschap duidelijk in strijd is met artikel 15 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM), waarin is bepaald dat een ieder het recht heeft op een nationaliteit en dat aan niemand willekeurig zijn nationaliteit mag worden ontnomen, noch het recht worden ontzegd om van nationaliteit te veranderen; overwegende dat het Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens de gewijzigde wet op het staatsburgerschap “in essentie discriminatoir” heeft genoemd en hieraan heeft toegevoegd dat het streven van India om vervolgde gemeenschappen te beschermen te prijzen valt, maar dat deze doelstelling moet worden nagestreefd door middel van een niet-discriminatoir en degelijk nationaal asielstelsel;

F. overwegende dat alle landen verplicht zijn de mensenrechten van alle personen, zonder onderscheid, te eerbiedigen; overwegende dat het staatsburgerschap, als juridische band tussen een persoon en een bepaald land, in de praktijk een essentiële voorwaarde blijft voor de uitoefening en bescherming van het hele scala aan mensenrechten;

G. overwegende dat in de verklaring van de bijeenkomst op hoog niveau van de Algemene Vergadering van de VN over de rechtsstaat op nationaal en internationaal niveau en de resolutie die op 30 november 2012 is aangenomen door de Algemene Vergadering is gesteld dat alle personen, instellingen en organen, zowel openbare als particuliere, met inbegrip van de staat zelf, zich dienen te houden aan eerlijke, billijke en rechtvaardige wetten en zonder enig onderscheid recht hebben op gelijke bescherming voor de wet;

H. overwegende dat de gewijzigde wet op het staatsburgerschap een gevaarlijke verschuiving betekent in de manier waarop het staatsburgerschap in India wordt vastgesteld, en zal leiden tot de grootste staatloosheidscrisis ter wereld en enorm menselijk leed;

I. overwegende dat de vaststelling van deze wetgeving heeft geleid tot grootschalige protesten in India; overwegende dat er grote demonstraties zijn geweest in de hoofdstad, New Delhi, en in Bombay, Calcutta, Bangalore en Haiderabad; overwegende dat de gewijzigde wet op het staatsburgerschap oude vijandigheden in Tripura opnieuw heeft aangewakkerd; overwegende dat burgers in Assam, Uttar Pradesh en andere noordoostelijke deelstaten van India gewelddadige demonstraties hebben gehouden tegen de gewijzigde wet op het staatsburgerschap, omdat zij vrezen dat ze hun politieke rechten, cultuur en landrechten zullen verliezen als vluchtelingen en immigranten Indiaas staatsburgerschap krijgen, en dat de wet zal leiden tot nog meer migranten uit Bangladesh; overwegende dat betogers hebben geëist dat het Indiase staatsburgerschap wordt toegekend aan moslimvluchtelingen en -immigranten;

J. overwegende dat betogers in heel India kritiek hebben geuit over de nieuwe wet omdat deze in hun ogen moslims discrimineert en dus in strijd is met de grondwet; overwegende dat burgers eisen dat de wijziging wordt teruggedraaid en er geen nationaal staatsburgerschapsregister wordt ingevoerd; overwegende dat burgers vrezen dat moslimburgers in India stateloos zullen worden en in detentiekampen zullen worden geplaatst; overwegende dat betogers de autoritaire handelswijze van de Indiase regering, het hardhandige optreden van de politie op universiteiten en de onderdrukking van protesten hebben veroordeeld;

K. overwegende dat de Indiase overheid op de protesten heeft gereageerd door een avondklok in te stellen, het internetverkeer stil te leggen, mensenrechtenactivisten vast te zetten en, naar verluidt, mensen te folteren;

L. overwegende dat veel regeringsleiders trachten de betogers in diskrediet te brengen, terecht te wijzen en te bedreigen, in plaats van de zorgen van de bevolking te adresseren, herstelpogingen te ondernemen, de veiligheidsdiensten op te roepen met terughoudendheid op te treden en de daders ter verantwoording te roepen;

M. overwegende dat de protesten hebben geleid tot de dood van meerdere betogers, en dat bij de protesten betogers en politieagenten gewond zijn geraakt en openbare en particuliere eigendommen zijn beschadigd; overwegende dat verschillende deelstatelijke overheden personen die protesteerden tegen de gewijzigde wet op het staatsburgerschap hebben gearresteerd of verbodsmaatregelen tegen hen hebben genomen in het kader van sectie 144 en 149 van het wetboek van strafvordering; overwegende dat er met geweld en beperkende maatregelen die de rechten van betogers om te worden gezien en gehoord schenden, is opgetreden tegen betogers; overwegende dat veel mensen in detentie zijn gezet en dat van veel mensen de internetverbinding is geblokkeerd;

N. overwegende dat bij de nationale protesten tegen de gewijzigde wet op het staatsburgerschap de meeste doden zijn gevallen in de deelstaat Uttar Pradesh, waaronder een kind van acht jaar oud in Benares; overwegende dat naar verluidt meer dan 22 betogers zijn overleden aan schotwonden; overwegende dat de families van de slachtoffers hun verdriet hebben geuit over het feit dat ze geen autopsierapport kunnen krijgen en dat er geen proces-verbaal kan worden opgesteld op het politiebureau; overwegende dat de processen-verbaal over de rellen gedetailleerd zijn en hebben geleid tot meerdere arrestaties en compenserende maatregelen;

O. overwegende dat er geloofwaardige meldingen zijn van betogers die in detentie in India zijn gefolterd;

P. overwegende dat bepaalde deelstaten hebben aangekondigd dat ze de gewijzigde wet op het staatsburgerschap niet zullen invoeren, en dat bepaalde deelstaten, zoals Kerala, de nieuwe wet op het staatsburgerschap voor de rechter aanvechten;

Q. overwegende dat er handelsbesprekingen lopen tussen de EU en India;

1. uit zijn diepe bezorgdheid over het feit dat India de juridische gronden heeft gecreëerd om miljoenen moslims hun grondrecht op gelijke toegang tot staatsburgerschap te ontnemen; vreest dat de gewijzigde wet op het staatsburgerschap, in combinatie met het nationaal staatsburgerschapsregister, kan worden gebruikt om veel moslimburgers stateloos te maken;

2. herinnert de Indiase regering aan haar verplichtingen in het kader van de VN-Verklaring over de rechten van personen die deel uitmaken van nationale of etnische, religieuze of taalkundige minderheden uit 1992, waarin is vastgelegd dat landen het bestaan en de identiteit van religieuze minderheden op hun grondgebied dienen te beschermen en hiertoe passende maatregelen dienen te nemen; herinnert de Indiase regering eraan dat de overheid ervoor moet zorgen dat mensen die behoren tot een minderheid, met inbegrip van religieuze minderheden, hun mensenrechten in volledige gelijkheid voor de wet kunnen uitoefenen zonder gediscrimineerd te worden, en veroordeelt met klem de schending van deze internationaal erkende beginselen door India;

3. roept de regering en het parlement van India dringend op hun gedane belofte om de bescherming van vluchtelingen en migranten, ongeacht hun religie, volledig te waarborgen, na te komen;

4. dringt er bij de Indiase autoriteiten op aan constructieve gesprekken te voeren met de betogers en hun eis om de gewijzigde wet op het staatsburgerschap in te trekken, in overweging te nemen;

5. betuigt zijn solidariteit met de nationale staking op 7 januari; merkt op dat meer dan 250 miljoen werkenden de straat op zijn gegaan om te demonstreren voor sociale zekerheid voor iedereen, en tegen de privatisering van overheidsbedrijven en de gewijzigde wet op het staatsburgerschap; veroordeelt het buitensporige geweld bij het hardhandige optreden tegen de protesten; benadrukt dat burgers het recht hebben om te protesteren; roept de Indiase regering op een geloofwaardig, onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de beschuldigingen van buitensporig geweld door politieagenten tegen betogers;

6. roept de Indiase autoriteiten op om te stoppen met het criminaliseren van protesten, de onevenredige beperkingen op het recht op vrijheid van meningsuiting en vreedzame vereniging op te heffen, een einde te maken aan de willekeurige blokkeringen en ervoor te zorgen dat alle mensenrechten worden beschermd;

7. veroordeelt de foltering en opsluiting van minderjarigen en vreedzame betogers en de gevangenneming van personen die kritisch zijn op de regering;

8. dringt er bij de Indiase overheid op aan bezoeken van de speciale procedures van de VN toe te staan, met name van de speciale VN-rapporteur voor de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting, de speciale VN-rapporteur voor het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging, en de speciale VN-rapporteur inzake buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies;

9. roept de EU en de lidstaten op alle vormen van geweld bij de aanhoudende protesten tegen de gewijzigde wet op het staatsburgerschap te veroordelen, met inbegrip van het vermeende doden van betogers door politieagenten en het buitensporige geweld door de politie, dat in sommige gevallen is bevestigd door Amnesty International India;

10. verzoekt de EU en de lidstaten de tenuitvoerlegging van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Kasjmir te bevorderen; vraagt zowel India als Pakistan om zich te beraden over de enorme voordelen voor mens, economie en politiek die de oplossing van dit conflict met zich mee zou brengen; uit zijn diepe bezorgdheid over de toenemende spanningen tussen India en Pakistan, beide kernwapenstaten, die verder zijn aangewakkerd door de omstreden besluiten van de Indiase regering inzake Kasjmir en staatsburgerschap; keurt het af dat India de status van Kasjmir unilateraal heeft gewijzigd; verzoekt beide staten om uitvoering te geven aan de aanbevelingen uit het verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (UNHCR) inzake Kasjmir;

11. dringt er bij de EU en de lidstaten op aan om de omstreden nieuwe wet op het staatsburgerschap ter sprake te brengen tijdens hun gesprekken en onderhandelingen met hun Indiase partners, en dringt erop aan dat elke EU-handelsovereenkomst met India een krachtige bepaling inzake mensenrechten moet omvatten met een doeltreffend uitvoerings­ en opschortingsmechanisme;

12. roept de Indiase autoriteiten op onmiddellijk een onpartijdig onderzoek in te stellen naar de beschuldigingen van foltering en mishandeling van vreedzame betogers;

13. verzoekt de EU en haar lidstaten alle bilaterale en multilaterale ontmoetingen aan te wenden om er bij de Indiase autoriteiten op aan te dringen om mee te werken aan een constructieve mensenrechtendialoog en een einde te maken aan de onderdrukking van individuen en organisaties die zich inzetten voor de mensenrechten;

14. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van India, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, alsook aan de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO).

 

Laatst bijgewerkt op: 28 januari 2020Juridische mededeling - Privacybeleid