Procedure : 2020/2519(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0080/2020

Ingediende teksten :

B9-0080/2020

Debatten :

CRE 29/01/2020 - 23

Stemmingen :

Aangenomen teksten :


<Date>{22/01/2020}22.1.2020</Date>
<NoDocSe>B9‑0080/2020</NoDocSe>
PDF 142kWORD 48k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de in 2019 gewijzigde Indiase wet over het staatsburgerschap</Titre>

<DocRef>(2020/2519(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Scott Ainslie, Hannah Neumann, Ernest Urtasun, Marcel Kolaja, Henrike Hahn, Anna Cavazzini, Klaus Buchner, Alice Kuhnke, Katrin Langensiepen, Reinhard Bütikofer</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0077/2020

B9‑0080/2020

Resolutie van het Europees Parlement over de in 2019 gewijzigde Indiase wet over het staatsburgerschap

(2020/2519(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn vorige resoluties over India,

 gezien de verklaring van VN-deskundigen van 3 juli 2019 over de dreiging van staatloosheid voor miljoenen inwoners van de Indiase deelstaat Assam en over de instabiliteit Assam,

 gezien het in 2004 gelanceerde strategische partnerschap tussen de EU en India,

 gezien de EU-richtsnoeren over de doodstraf, over foltering en over de vrijheid van meningsuiting,

 gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers,

 gezien het mondiaal pact inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie,

 gezien het Verdrag van de Verenigde Naties betreffende de status van staatlozen,

 gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

 gezien het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat met de nieuwe wet over het staatsburgerschap van India (gewijzigd in 2019) wordt beoogd om hindoes, sikhs, boeddhisten, jaïnisten, parsen en christenen die op de vlucht zijn voor vervolging in Afghanistan, Bangladesh en Pakistan en sinds vóór 2014 in India wonen, sneller Indiaas staatsburger te laten worden, maar dat deze tegemoetkoming niet geldt voor moslims; overwegende dat de wet bijgevolg een discriminerend effect zal hebben op het verkrijgen van de Indiase nationaliteit voor bepaalde religieuze groepen en met name moslims;

B. overwegende dat de wet geen melding maakt van de andere buurlanden van India, in het bijzonder Bhutan, Myanmar, Nepal en Sri Lanka, en niet van toepassing is op minderheden zoals de Tamils uit Sri Lanka, momenteel de grootste vluchtelingengroep in India, en de Rohingya uit Myanmar, die volgens de VN de meest vervolgde minderheid ter wereld vormen;

C. overwegende dat de nieuwe wet zal worden beoordeeld door het Indiase Hooggerechtshof; overwegende dat de overheid van Kerala de wet in haar verzoekschrift aan het Hooggerechtshof “een schending van de seculiere aard van de Indiase grondwet” noemt, en de Indiase regering ervan beschuldigt het land te verdelen op basis van religieuze geledingen;

D. overwegende dat er sinds de goedkeuring van de wet massaal protest is gekomen tegen de uitvoering ervan, en dat de Indiase politie hier met overdreven geweld op heeft gereageerd, met als resultaat 27 gemelde sterfgevallen, 175 gewonden en duizenden arrestaties; overwegende dat de autoriteiten ook gebruik hebben gemaakt van uitgaansverboden en beperkingen van het openbaar vervoer om deze vreedzame protesten te verhinderen;

E. overwegende dat de Indiase autoriteiten de internetcommunicatie in verscheidene Indiase deelstaten bijna volledig hebben stilgelegd en zo bijna alle mogelijkheden voor onlinecommunicatie binnen India hebben verbroken en de uitwisseling van informatie over de protesten vrijwel onmogelijk hebben gemaakt; overwegende dat de Indiase autoriteiten ook de internettoegang hebben beperkt in talrijke delen van Noordoost-India en Uttar Pradesh, waar een groot deel van de Indiase moslims woont; overwegende dat het stilleggen van internetcommunicatie een schending inhoudt van het fundamentele recht op toegang tot informatie;

F. overwegende dat het Indiase Ministerie van Informatie en Omroep op 20 december 2019 een verklaring heeft afgegeven met een waarschuwing aan het adres van de televisienieuwszenders om “ervan af te zien inhoud te tonen die anti-nationaal gedrag aanmoedigt”;

G. overwegende dat de Bharatiya Janata-partij sinds haar aantreden een agenda van sterk Hindoe-nationalisme heeft gevolgd, met verwoestende gevolgen voor de islamitische minderheid in India; overwegende dat berichtgeving die de Indiase moslims afschildert als terroristen of als een gemeenschap die de hindoes wil uitroeien, zich de afgelopen jaren heeft verveelvoudigd in India; overwegende dat de Indiase regering zich niet uitspreekt over veel van de haatmisdrijven tegen moslims; overwegende dat moslims volgens het Pew Research Center de op een na meest vervolgde religieuze groep ter wereld zijn;

H. overwegende dat de wet is vastgesteld in de context van de invoering door de Indiase regering van een nationale procedure voor controle van het staatsburgerschap, in de vorm van een nationaal burgerregister; overwegende dat uit verklaringen van de regering blijkt dat de invoering van dit nationale burgerregister tot doel heeft moslims hun burgerschapsrechten te ontnemen en tegelijkertijd die van hindoes en andere niet-moslims veilig te stellen; overwegende dat alleen personen die kunnen bewijzen dat zij of hun voorouders vóór 24 maart 1971 in India zijn komen wonen, in het burgerregister worden opgenomen; overwegende dat er als gevolg hiervan in Assam bijna twee miljoen mensen staatloos zijn geworden en nu dus in detentiekampen kunnen terechtkomen of het land kunnen worden uitgezet; overwegende dat deze ontwikkelingen het klimaat van vreemdelingenhaat kunnen verergeren en de religieuze onverdraagzaamheid en discriminatie in het land kunnen aanwakkeren;

I. overwegende dat de 200 miljoen moslims die in India leven, als gevolg van de wet en de nationale procedure voor controle van het staatsburgerschap ofwel hun Indiase nationaliteit zullen moeten aantonen, ofwel staatloos zullen worden;

J. overwegende dat de Indiase regering naar verluidt Rohingya-moslimvluchtelingen heeft teruggestuurd naar Myanmar, hetgeen een schending inhoudt van het beginsel van non-refoulement; overwegende dat verscheidene topleden van de Indiase regering hebben beweerd dat de Rohingya betrokken zijn bij misdadige en illegale activiteiten, waardoor de gemeenschap verder wordt gestigmatiseerd;

K. overwegende dat er onder de huidige regering harder wordt opgetreden tegen de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering, en dat vreedzame critici op aantijging van staatsondermijning, smaad en terrorisme worden gevangen genomen; overwegende dat de Indiase autoriteiten in 2018 en 2019 meerdere aanvallen hebben uitgevoerd op de woningen van activisten en academici die openlijk kritiek leverden op de regering en opkwamen voor de mensenrechten;

1. is uitermate bezorgd over de goedkeuring van de in 2019 gewijzigde wet over het staatsburgerschap, die discriminerend is; dringt er bij de Indiase autoriteiten op aan de in de wet opgenomen bepalingen onmiddellijk te wijzigen, overeenkomstig de internationale mensenrechtennormen; verzoekt de Indiase autoriteiten ervoor te zorgen dat alle plannen voor controle van het staatsburgerschap voldoen aan de internationale mensenrechtennormen; maakt zich grote zorgen over het feit dat de huidige wet samen met een actualisering van het nationale burgerregister kan leiden tot een staatloosheidscrisis van ongeziene omvang; waarschuwt voor het toenemende nationalisme dat door de regering van Narendra Modi is aangewakkerd en onder meer heeft geresulteerd in een opflakkering van religieuze onverdraagzaamheid en de stigmatisering van moslims;

2. veroordeelt in de krachtigste bewoordingen het hardhandige optreden tegen demonstranten; dringt er bij de Indiase autoriteiten op aan het recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering te eerbiedigen en maximale terughoudendheid te betrachten bij de aanpak van de protesten, overeenkomstig de toepasselijke internationale normen; benadrukt dat de Indiase autoriteiten het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij India partij is, volledig moeten naleven;

3. roept de Indiase autoriteiten ertoe op de betogers en mensenrechtenactivisten die momenteel vastzitten, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; dringt er voorts op aan dat zij onverwijld zorgen voor een onpartijdig en onafhankelijk onderzoek naar de schendingen van de mensenrechten sinds het begin van de protesten, en naar de meldingen van slechte behandeling van gevangenen en het buitensporige gebruik van geweld, en eist dat de verantwoordelijken aansprakelijk worden gesteld;

4. benadrukt dat de wet het beginsel van gelijkheid voor de wet dat in de Indiase grondwet is vastgelegd, ondermijnt en de verplichtingen van India uit hoofde van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van rassendiscriminatie, waarbij het land partij is, op de helling zet;

5. veroordeelt het besluit van de Indiase autoriteiten om de internettoegang tot internationale netwerken te blokkeren, en op die manier de communicatie en de vrije uitwisseling van informatie voor Indiase ingezetenen te belemmeren; onderstreept dat dergelijke acties een duidelijke schending van de vrijheid van meningsuiting vormen;

6. vraagt de Indiase autoriteiten ervoor te zorgen dat personen die uit het burgerregister in Assame zijn geschrapt en personen wier zaak nog aanhangig is bij een rechtbank voor vreemdelingen, niet verstoken blijven van overheidsuitkeringen waarop Indiase staatsburgers recht hebben;

7. dringt er bij de Indiase autoriteiten op aan een vaste uitnodiging te verstrekken met betrekking tot alle speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad, en proactief aan deze procedures mee te werken; verzoekt hen met name ervoor te zorgen dat de speciale rapporteur van de VN voor Minderheidsvraagstukken toegang krijgt tot alle gegevens inzake actuele vormen van racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante vormen van onverdraagzaamheid, en vrijheid van godsdienst of overtuiging;

8. betreurt het feit dat de ondervoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) sinds de goedkeuring van de wet niet publiekelijk uiting heeft gegeven aan zijn bezorgdheid over de wet en over het buitensporige gebruik van geweld door de Indiase veiligheidstroepen, zelfs niet na zijn laatste bezoek aan het land; verzoekt de VV/HV een openbare verklaring af te leggen waarin hij oproept tot een aanpassing van de wet aan de internationale mensenrechtennormen en het hardhandige optreden tegen demonstranten veroordeelt;

9. roept de Europese Dienst voor extern optreden, de Commissie en de lidstaten ertoe op de mensenrechten als een van de prioritaire actiegebieden in het stappenplan voor de Actieagenda EU-India 2025 te beschouwen; verwacht dat de wet en de situatie in Kasjmir tijdens de top tussen de EU en India, die plaatsvindt op 13 maart 2020, aan de orde zullen worden gesteld;

10. bekritiseert in uiterste mate het privébezoek van een groep van ten minste 22 leden van het Europees Parlement aan India en Kasjmir waarbij zij niet publiekelijk hebben gepleit voor toegang voor de speciale procedures van de VN, noch de mensenrechtenschendingen in het gebied aan de kaak hebben gesteld; laakt het gebruik van dit bezoek als een manier om de nationalistische agenda van premier Modi en de mensenrechtenschendingen die onder zijn gezag worden uitgevoerd, te legitimeren; benadrukt dat de leden krachtens het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 15 april 2013 verplicht zijn hun deelname aan door derden georganiseerde evenementen te melden indien hun reis- en verblijfkosten door een derde worden betaald of terugbetaald; herinnert eraan dat de leden hun verklaring in dergelijke gevallen ten laatste moeten indienen op de laatste dag van de maand die volgt op de laatste dag van hun deelname aan het evenement; betreurt dat vijf leden die aan dit bezoek hebben deelgenomen, niet aan deze verplichting hebben voldaan; verzoekt zijn Voorzitter om overeenkomstig artikel 8 van de gedragscode passende maatregelen te nemen en de zaak voor te leggen aan het Raadgevend Comité;

11. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de president van India, de regering van India, de premier van India en het parlement van India.

Laatst bijgewerkt op: 27 januari 2020Juridische mededeling - Privacybeleid