Ontwerpresolutie - B9-0217/2020Ontwerpresolutie
B9-0217/2020

    ONTWERPRESOLUTIE over de EU-strategie voor volksgezondheid na COVID-19

    6.7.2020 - (2020/2691(RSP))

    naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie
    ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement

    Alexandr Vondra
    namens de ECR-Fractie

    Procedure : 2020/2691(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B9-0217/2020
    Ingediende teksten :
    B9-0217/2020
    Stemmingen :
    Aangenomen teksten :

    B9‑0217/2020

    Resolutie van het Europees Parlement over de EU-strategie voor volksgezondheid na COVID-19

    (2020/2691(RSP))

    Het Europees Parlement,

     gezien de artikelen 4, 6, 114 en 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

     gezien artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

     gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden[1],

     gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

    A. overwegende dat volksgezondheid niet specifiek aan de orde komt in de oprichtingsverdragen van de Europese Unie, en dat men pas in de jaren 1990 begon met de invoering van een EU-beleid op het gebied van volksgezondheid naar aanleiding van verschillende gezondheidscrises, waaronder boviene spongiforme encefalopathie (BSE);

    B. overwegende dat volksgezondheid overeenkomstig het Verdrag van Lissabon een beleidsterrein is waarop de Unie het optreden van de lidstaten ondersteunt, coördineert of aanvult (artikel 6 VWEU), en dat in dit Verdrag is vastgelegd dat “bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid [wordt] verzekerd”;

    C. overwegende dat de Unie en de lidstaten een gedeelde bevoegdheid hebben voor gemeenschappelijke veiligheidsvraagstukken op het gebied van volksgezondheid (artikel 4 VWEU);

    D. overwegende dat het tweeledige karakter van de bevoegdheden van de Unie op het gebied van volksgezondheid tot uiting komt in de verschillende maatregelen die zij kan nemen overeenkomstig artikel 168 VWEU; overwegende dat zij bijvoorbeeld harmoniserende maatregelen kan aannemen waarbij hoge kwaliteits- en veiligheidseisen worden gesteld aan organen, stoffen van menselijke oorsprong en geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, en ook beschermende maatregelen kan aannemen op veterinair en fytosanitair gebied (artikel 168, lid 4, VWEU); overwegende dat de Europese Unie anderzijds stimuleringsmaatregelen kan vaststellen die gericht zijn op de bescherming en de verbetering van de menselijke gezondheid – met name met het oog op de controle van, de vroegtijdige alarmering bij en de bestrijding van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid – alsook maatregelen die rechtstreeks verband houden met de bescherming van de volksgezondheid ten aanzien van tabak en alcoholmisbruik; overwegende dat harmonisering van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op deze gebieden is uitgesloten (artikel 168, lid 5, VWEU);

    E. overwegende dat de Europese Unie de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van volksgezondheid kan aanmoedigen en steunen via de open coördinatiemethode (artikel 168, lid 2, VWEU);

    F. overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie zich herhaaldelijk heeft uitgesproken over de wijze waarop de EU doelstellingen op het gebied van de volksgezondheid kan nastreven door de integratie van de interne markt, met artikel 114 als rechtsgrond;

    G. overwegende dat in het VWEU ondubbelzinnig wordt erkend dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de bepaling van hun eigen gezondheidsbeleid en voor de organisatie en de verstrekking van gezondheidsdiensten en medische zorg, met inbegrip van het beheer van gezondheidsdiensten en geneeskundige verzorging, alsmede de allocatie van de daaraan toegewezen middelen;

    H. overwegende dat het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA), het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC), het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) uitvoerende agentschappen met belangrijke taken op het gebied van de volksgezondheid zijn;

    I. overwegende dat in Richtlijn 2011/24/EU betreffende de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg is vastgelegd onder welke voorwaarden een patiënt met behoud van het recht op vergoeding naar een andere lidstaat mag reizen om medische zorg te ontvangen;

    J. overwegende dat gezondheidsonderzoek wordt gefinancierd via Horizon 2020 en het toekomstige kaderprogramma Horizon Europa, het EU-gezondheidsprogramma en het komende programma EU4Health, alsook via andere EU-fondsen;

    K. overwegende dat de Europese Unie nog steeds ruimte heeft om binnen de bestaande parameters van de Verdragen een grotere bijdrage te leveren op het gebied van volksgezondheidsbeleid; overwegende dat de volksgezondheidsbepalingen in het kader van de Verdragen nog altijd sterk worden onderbenut wat betreft de verplichtingen die op grond van deze bepalingen kunnen worden vervuld;

    L. overwegende dat het alom bekend is dat toegang tot grensoverschrijdende gezondheidszorg en betere coördinatie en bevordering van optimale werkwijzen tussen de lidstaten aanzienlijke voordelen voor de volksgezondheid kunnen opleveren;

    M. overwegende dat de huidige responsmechanismen voor noodsituaties, met inbegrip van Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid, het Uniemechanisme voor civiele bescherming (UCPM) en zijn capaciteitsreserve in het kader van rescEU, tijdens de COVID-19-crisis tot het uiterste op de proef zijn gesteld, waardoor noodmaatregelen onnodig werden vertraagd;

    N. overwegende dat de huidige bevolkingstrends, toegang tot innovatie, betere toegang tot behandelingen voor iedereen, de grote prevalentie van chronische ziekten, e-gezondheid/digitalisering en de duurzaamheid van zorgstelsels ertoe hebben geleid dat er meer aandacht is voor het volksgezondheidsbeleid van de Europese Unie;

    O. overwegende dat circa twee derde van de actieve infectieziekten bij mensen zoönotisch zijn, dat wil zeggen worden overgedragen door dieren;

    P. overwegende dat de uiteenlopende benaderingen voor het verzamelen en analyseren van gegevens met betrekking tot COVID-19 in de EU een EU-brede vergelijking van gegevens lastig maakt;

    Q. overwegende dat de COVID-19-crisis heeft aangetoond hoe belangrijk wetenschappelijk onderbouwde gezondheidsmaatregelen en initiatieven voor preventie en behandeling zijn; overwegende dat preventieve maatregelen evenredig moeten zijn en de beste gezondheidsresultaten moeten waarborgen;

    R. overwegende dat de COVID-19-uitbraak heeft aangetoond dat de coördinatie van onderzoek verder moet worden versterkt met evenredige begrotingssteun voor onder meer de ontwikkeling van vaccins en therapeutische behandelingen, en dat het systeem van de goedkeuring voor geneesmiddelen en/of vaccins dienovereenkomstig moet worden gestroomlijnd, zonder afbreuk te doen aan de waarborgen voor de volksgezondheid;

    S. overwegende dat het voor het behoud van moderne en veilige zorgstelsels van essentieel belang is te blijven investeren in de wetenschap op het gebied van de behandeling van diverse ziekten;

    T. overwegende dat antimicrobiële resistentie een ernstig risico vormt voor het welzijn van mensen in de EU en het milieu, en onder meer gevolgen heeft voor de landbouwsector; overwegende dat de COVID-19-pandemie heeft geleid tot een toenemend gebruik van antibiotica, dat uiteindelijk zal leiden tot hogere bacteriële resistentiepercentages die ook na de pandemie hoog zullen blijven;

    U. overwegende dat het gezamenlijk aanbestedingsmechanisme van de EU tijdens de COVID-19-crisis is ingezet voor de aankoop van persoonlijke beschermingsmiddelen, testkits, ventilatoren en bepaalde geneesmiddelen, maar dat dit mechanisme trager en minder doeltreffend is gebleken dan verwacht;

    V. overwegende dat de COVID-19-crisis de arbeidsomstandigheden voor veel werknemers in Europa heeft gewijzigd en nieuwe vragen over gezondheid en veiligheid op het werk aan de orde heeft gesteld;

    W. overwegende dat tijdens de COVID-19-gezondheidscrisis talloze ad-hocregelingen zijn ingevoerd, waaronder de oprichting van het panel van deskundigen van de Commissie en de vaststelling van nieuwe richtsnoeren voor de behandeling van patiënten en het uitzenden van gezondheidswerkers naar andere lidstaten;

    X. overwegende dat toeleveringsketens voor geneesmiddelen afhankelijk zijn van werkzame farmaceutische bestanddelen of generieke geneesmiddelen die in derde landen worden geproduceerd, en die noodzakelijk zijn voor de vervaardiging van geneesmiddelen, de levering van werkzame farmaceutische bestanddelen en als grondstof; overwegende dat de uitvoerverboden die tijdens de COVID-19-gezondheidscrisis zijn opgelegd, hebben aangetoond dat het niet zonder risico is op deze toeleveringsketens te vertrouwen;

    Y. overwegende dat meer dan 30 miljoen mensen in de EU met een zeldzame en verwaarloosde ziekte leven en beperkte informatie hebben over hun ziekte en rechten, beperkt behandeld kunnen worden en psychisch, sociaal en economisch zeer kwetsbaar zijn;

    Z. overwegende dat de psychische gevolgen van COVID-19 in veel verslagen en onderzoeken worden belicht en dat mensen van alle leeftijden zijn getroffen door de sociale onthouding die langdurig werd opgelegd om de verspreiding van het virus tegen te gaan;

    AA. overwegende dat urgentie actie moet worden ondernomen met betrekking tot de gezondheids- en zorgbehoeften van ouderen;

    BB. overwegende dat kanker wereldwijd de op een na belangrijkste doodsoorzaak is, en ieder jaar naar schatting 9,6 miljoen levens eist; overwegende dat bijna iedere familie in de EU door deze ziekte wordt getroffen;

    CC. overwegende dat, ondanks de inspanningen om het geneesmiddelenbewakingssysteem in de EU te versterken, verdere verbeteringen nodig zijn met betrekking tot de veiligheid van patiënten, en met name de leesbaarheid van bijsluiters, die duidelijk, gemakkelijk te ontcijferen en feitelijk zouden moeten zijn;

    DD. overwegende dat vaccinatievrees en de gevolgen hiervan voor de volksgezondheid een groeiend probleem vormen; overwegende dat er meer duidelijkheid nodig is over de voordelen en risico’s van immunisatie in het kader van de organisatie en uitvoering van vaccinatieprogramma’s in de lidstaten;

    1. is ingenomen met de invoering van meer flexibiliteit in de regelgeving tijdens de huidige crisis om tekorten te beperken en het verkeer van geneesmiddelen tussen de lidstaten te vergemakkelijken, zoals de aanvaarding van verschillende verpakkingsformaten, een hergebruiksprocedure waardoor houders van een vergunning voor het in de handel brengen een erkenning kunnen krijgen in een andere lidstaat, verlenging van de geldigheidsduur van certificaten voor goede fabricagemethoden, verlenging van de vervaltermijnen en het gebruik van diergeneeskundige middelen; verzoekt de Commissie, het EMA en de nationale regelgevingsautoriteiten strikt toezicht te houden op het gebruik van deze oplossingen, te waarborgen dat de veiligheid van patiënten niet in het gedrang komt, en deze oplossingen beschikbaar te houden in geval van spanningen of tekorten; is in dit verband ook verheugd over de recente verlenging van de toepassingsdatum van de verordening medische hulpmiddelen;

    2. verzoekt de Commissie om de paraatheid van elke lidstaat op het gebied van epidemieën te beoordelen, en de solidariteit in de gehele EU-27 te handhaven, in volledige overeenstemming met artikel 168 VWEU;

    3. staat positief tegenover het voorstel EU4Health op te starten en steunt een beter gefinancierd, op zichzelf staand EU-gezondheidsprogramma, dat over de capaciteit beschikt om toekomstige pandemieën en bedreigingen van de gezondheid het hoofd te bieden, en zegt toe dit programma spoedig ten uitvoer te leggen; merkt op dat EU4Health investeringen zal stimuleren in kritieke gezondheidsinfrastructuur, instrumenten, structuren, procedures en laboratoriumcapaciteit, waaronder instrumenten voor bewaking, modellering, prognose, preventie en beheer van uitbraken;

    4. is ingenomen met de onlangs door de Commissie voorgestelde vaccinatiestrategie van de EU;

    5. herinnert aan het “één gezondheid”-beginsel, waarin rekening wordt gehouden met het feit dat de gezondheid van mens, dier en milieu met elkaar verbonden zijn en dat ziekten kunnen worden overgedragen van mensen op dieren en omgekeerd; benadrukt de noodzaak van een “één gezondheid”-benadering voor pandemieën en gezondheidscrises in zowel de sector voor menselijke geneeskunde als de veterinaire sector;

    6. dringt erop aan de rescEU-capaciteit te vergroten, ook wat betreft het aanleggen van voorraden en de capaciteiten van medische noodteams;

    7. verzoekt de Commissie met klem een Europees gemeenschappelijk gezondheidsprotocol voor te stellen, volledig in overeenstemming met artikel 168 VWEU, om te zorgen voor een coherente respons op EU-niveau met onder meer richtsnoeren voor klinische diagnose en meer algemeen voor patiëntenzorg;

    8. dringt bij de Commissie aan op het herstel van het European Network for Highly Infectious Diseases (EuroNHID), een gecofinancierd netwerk van deskundigen van nationale of regionale centra voor de behandeling van zeer besmettelijke ziekten die gespecialiseerd zijn in het beheer daarvan;

    9. verzoekt de Commissie een gestandaardiseerd algoritme voor therapeutische behandeling te ontwerpen op basis van de eigen modellen van de lidstaten voor eerdere preventieve maatregelen;

    10. verzoekt de Commissie en de lidstaten een op de bescherming van medisch personeel gericht EU-register te ontwikkelen om de uitwisseling van ideeën, informatie en optimale werkwijzen te vergemakkelijken; pleit bovendien voor de invoering van een meer gestandaardiseerd EU-behandelingsalgoritme op basis van de eigen modellen van de lidstaten voor preventieve acties, met het oog op de ontwikkeling van gemeenschappelijke testnormen en de invoering van meer gestructureerde en gecoördineerde quarantainemaatregelen, aanvullende richtsnoeren voor veilige quarantainevoorzieningen en richtsnoeren voor uniforme isolatiemaatregelen;

    11. wijst op de noodzaak van een publiek-privaat expertisenetwerk van referentieziekenhuizen bij grote volksgezondheidscrises die zich bezighouden met het onderzoek naar en de behandeling van via de lucht en door vectoren overdraagbare besmettelijke ziekten;

    12. verzoekt de Commissie, de lidstaten en de mondiale partners van de EU te zorgen voor betaalbare toegang tot COVID-19-vaccins en -behandelingen zodra deze beschikbaar zijn;

    13. pleit voor het gebruik van gezamenlijke aanbestedingen op EU-niveau voor de aankoop van COVID-19-vaccins en -behandelingen, en voor een regelmatiger gebruik van gezamenlijke aanbestedingen om concurrentie binnen de lidstaten te voorkomen; pleit bovendien voor het gebruik van gezamenlijke aanbestedingen om te zorgen voor gelijke en betaalbare toegang tot belangrijke geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, met name nieuwe innovatieve antibiotica, nieuwe vaccins en curatieve geneesmiddelen, en geneesmiddelen voor zeldzame ziekten;

    14. verzoekt de Commissie het gezamenlijk aanbestedingsmechanisme in het kader van Besluit nr. 1082/2013/EU te herzien en te overwegen een nieuwe verordening voor te stellen om gezamenlijke aanbestedingen tijdens gezondheidscrises sneller en doeltreffender te maken, en zo te zorgen voor gelijke en betaalbare toegang tot nieuwe behandelingen;

    15. dringt aan op de volledige uitvoering van de sterk vertraagde verordening betreffende klinische proeven, om de transparantie van de resultaten van klinische proeven te waarborgen en om grotere, grensoverschrijdende klinische proeven mogelijk te maken;

    16. pleit voor een brede farmaceutische strategie voor de EU om de problemen in de Europese en mondiale farmaceutische toeleveringsketens aan te pakken; meent dat deze strategie wetgevingsmaatregelen, beleidsmaatregelen en stimulansen moet omvatten om de productie van essentiële werkzame farmaceutische bestanddelen en geneesmiddelen in Europa aan te moedigen en de toelevering en betaalbare toegang te allen tijde te waarborgen; dringt erop aan dat in elke lidstaat nationale inventarissen van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen worden opgesteld en dat deze informatie aan de Commissie en het EMA wordt verstrekt, zodat op eventuele tekorten kan worden geanticipeerd en deze kunnen worden verholpen;

    17. verzoekt de Commissie te onderzoeken en vast te stellen welke administratieve belemmeringen een doeltreffende en proactieve crisisrespons van de lidstaten in de weg staan; is van oordeel dat deze belemmeringen kunnen worden verholpen door gerichte richtsnoeren op te nemen in de richtlijn overheidsopdrachten; stelt dat deze richtsnoeren gebaseerd moeten zijn op de criteria voor de economisch meest voordelige inschrijving;

    18. herinnert eraan dat de modelleringsgegevens van het ECDC een belangrijke rol spelen waar het de verwachte ontwikkeling van de pandemie in elke lidstaat betreft voor het voorkomen van tekorten, aangezien deze voor overheden en producenten van cruciaal belang zijn voor het voorspellen van de vraag naar medische producten en dus voor het uitvoeren van de nodige planning om de productiecapaciteit te verhogen en een toereikende distributie te waarborgen;

    19. verzoekt de Commissie een herzien mandaat voor het ECDC voor te stellen, zodat het te allen tijde een evenredige en hoogwaardige bescherming van de volksgezondheid kan bieden; dringt aan op een grotere rol voor het Europees Geneesmiddelenbureau bij het toezicht op en het vermijden van tekorten aan geneesmiddelen, zodat het klinische trials in fase I en fase II kan uitvoeren en het hoofd kan bieden aan tekorten aan essentiële geneesmiddelen voor intensivecareafdelingen als gevolg van de grotere vraag, met name in het geval van een grote volksgezondheidscrisis;

    20. verzoekt de Commissie het gemeenschappelijk memorandum van overeenstemming tussen het ECDC, het EMA, het ECHA en de EFSA te actualiseren met het oog op de verdere ontwikkeling van gegevensuitwisseling, samenwerking en wederzijds begrip tussen deze instanties en, waar passend, van gezamenlijke projecten;

    21. spoort het ECDC, het EMA, het Europees Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties en in voorkomend geval de EFSA ertoe aan de kanalen voor communicatie en samenwerking op het gebied van databewaking te verbeteren, en het potentieel van kunstmatige intelligentie daarbij op een verantwoorde manier te benutten; gelooft dat geanonimiseerde gegevens die ter beschikking staan van telecomaanbieders en/of mondiale satellietnavigatiesystemen gebruikt zouden kunnen worden bij de ontwikkeling van programma’s voor vroegtijdige waarschuwing voor pandemieën, om de verspreiding van infecties op te sporen, te lokaliseren en te conceptualiseren, naar het voorbeeld van de propriëtaire software als dienst van het bedrijf BlueDot;

    22. roept de Commissie en de lidstaten op een digitaal uitwisselingsplatform voor zorgverleners op te zetten om epidemiologische gegevens te verzamelen, evenals wetenschappelijk onderbouwde aanbevolen werkwijzen en waarschuwingen voor risico’s of belemmeringen, zoals tekorten aan geneesmiddelen en beschermingsmiddelen;

    23. verzoekt de Commissie een ad-hocteam op te stellen om nota te nemen van de door lidstaten en derde landen opgedane ervaringen met het beheren van ziekte-uitbraken en van de lessen die zij hebben geleerd; merkt op dat verschillende landen van de ASEAN (Associatie van Zuidoost-Aziatische staten) al beschikken over een buitengewone hoeveelheid kennis op dit gebied, als gevolg van de SARS-coronavirusuitbraak in 2003;

    24. is van oordeel dat nauwer moet worden samengewerkt met derde landen op het gebied van de uitwisseling van kennis en optimale werkwijzen met betrekking tot de paraatheid en respons van gezondheidsstelsels;

    25. dringt aan op een gecoördineerde, op samenwerking gebaseerde en open benadering op het gebied van onderzoek, met een grotere rol voor natuurwetenschappen, en op een resultaatgerichte insteek van onderzoek, ook omtrent de levenscycli en reproductieprocessen van nieuwe ziekteverwekkers, behandelingen, geneesmiddelen en gerichte preventieve maatregelen;

    26. verzoekt de Commissie nationaal beleid aan te vullen, in overeenstemming met artikel 168 VWEU, door op EU-niveau optimale werkwijzen uit te wisselen voor de preventie en bestrijding van kanker, de op een na grootste doodsoorzaak binnen de EU, die goed is voor 26 % van alle sterfgevallen en een steeds grotere belasting vormt voor de nationale zorgstelsels; meent dat het hangende Europees plan voor kankerbestrijding van de Commissie financiering zou moeten aantrekken voor onderzoek naar doeltreffende behandelingsmethoden;

    27. verzoekt de Commissie en de lidstaten de aanzet te geven tot verder gezamenlijk optreden op het gebied van niet-overdraagbare gezondheidskwesties, en gezamenlijke voorstellen en aanbevelingen uit te werken met het oog op een betere ondersteuning op EU-, nationaal en lokaal niveau;

    28. pleit voor verbeterde toegang tot de best beschikbare deskundigheid voor patiënten die aan zeldzame en verwaarloosde ziekten lijden;

    29. staat achter het recht van ouderen om zelf te beslissen over hun zorg, met inbegrip van de optie om met thuiszorg in hun eigen huis te blijven wonen of waar nodig toegang te krijgen tot hoogwaardige zorg in een verpleegtehuis;

    30. pleit voor een actieplan voor gezond ouder worden, om de kwaliteit van leven van ouderen te verbeteren;

    31. merkt op dat de COVID-19-pandemie heeft geleid tot onzekerheid in het dagelijks leven van burgers als gevolg van langdurige sociale onthouding en beperkte toegang tot de natuurlijke omgeving en tot sportterreinen en -faciliteiten in de open lucht; verzoekt de lidstaten met klem te beantwoorden aan de gezondheidsrisico’s die gepaard gaan met lockdownmaatregelen, onder meer door goede geestelijke gezondheid en welzijn te bevorderen, om te voorkomen dat deze pandemie uitgroeit tot een crisis voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid;

    32. verzoekt de Commissie met een actieplan voor geestelijke gezondheid voor de periode 2021-2027 te komen;

    33. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

    Laatst bijgewerkt op: 8 juli 2020
    Juridische mededeling - Privacybeleid