Procedure : 2020/2691(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0220/2020

Ingediende teksten :

B9-0220/2020

Debatten :

PV 08/07/2020 - 21
CRE 08/07/2020 - 21

Stemmingen :

Aangenomen teksten :


<Date>{06/07/2020}6.7.2020</Date>
<NoDocSe>B9‑0220/2020</NoDocSe>
PDF 165kWORD 56k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de EU-strategie voor volksgezondheid na COVID-19</Titre>

<DocRef>(2020/2691(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Petra De Sutter</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0216/2020

B9‑0220/2020

Resolutie van het Europees Parlement over de EU-strategie voor volksgezondheid voor de periode na COVID-19

(2020/2691(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

 gezien de artikelen 4, 6, 9, 114, 153, 169 en 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), in het bijzonder artikel 168 daarvan,

 gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder artikel 35 daarvan,

 gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden[1],

 gezien het manifest van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor een gezond en groen herstel van COVID-19[2],

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat COVID-19 de onderlinge afhankelijkheid van de menselijke gezondheid en de gezondheid van onze planeet, alsmede onze kwetsbaarheden heeft aangetoond; overwegende dat het uitbreken van zoönotische ziektes, die worden overgedragen van dieren op de mens, aangewakkerd wordt door de antropogene klimaatverandering, de vernietiging van de biodiversiteit en de aantasting van het milieu;

B. overwegende dat het WHO-manifest voor een gezond en groen herstel van COVID-19 zes voorschriften bevat voor een gezond en groen herstel:

a. bescherm en behoud de bron van de menselijke gezondheid: de natuur;

b. investeer in essentiële diensten, van water en sanitaire voorzieningen tot schone energie in de gezondheidszorg;

c. zorg voor een snelle en gezonde energietransitie;

d. bevorder gezonde, duurzame voedselsystemen;

e. bouwen gezonde, leefbare steden;

f. stop met het gebruik van belastinggeld voor de financiering van vervuiling;

C. overwegende dat in deze resolutie zal worden gefocust op de beperktere reikwijdte van het volksgezondheidsbeleid als bedoeld in artikel 168 en artikel 114 van het VWEU;

D. overwegende dat door COVID-19 is gebleken dat de Europese Unie niet over voldoende sterke instrumenten beschikt om het hoofd te bieden aan een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid, zoals de verspreiding van een nieuwe besmettelijke ziekte, die per definitie geen grenzen kent;

E. overwegende dat het recht op lichamelijke en geestelijke gezondheid een fundamenteel mensenrecht is; overwegende dat iedereen zonder onderscheid recht heeft op toegang tot moderne en alomvattende gezondheidszorg; overwegende dat universele toegang tot de gezondheidszorg een duurzameontwikkelingsdoelstelling is en dat alle ondertekenaars zich ertoe hebben verplicht deze uiterlijk in 2030 te realiseren;

F. overwegende dat de Europese Unie op het gebied van de volksgezondheid een aanzienlijke bevoegdheid heeft, maar dat de zorgstelsels onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten vallen, waarbij de samenwerking op EU-niveau minimaal is;

G. overwegende dat in artikel 168 VWEU is bepaald dat “[b]ij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie (...) een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid [wordt] verzekerd,” en dat het Hof van Justitie van de Europese Unie herhaaldelijk heeft geoordeeld dat de EU maatregelen op het gebied van de interne markt mag nemen om doelstellingen inzake volksgezondheid na te streven;

H. overwegende dat het vertrouwen van de bevolking in de EU zal afhangen van de bereidheid en mogelijkheid van de Commissie, de EU-agentschappen en de lidstaten om samen te werken met betrekking tot gezondheidskwesties;

I. overwegende dat de EU momenteel producten reguleert die gevolgen hebben voor de volksgezondheid en de resultaten van de gezondheidszorg, waaronder tabak, alcohol, levensmiddelen en chemische stoffen, alsmede farmaceutische en medische hulpmiddelen;

J. overwegende dat er regelgeving en beleidsmaatregelen op EU-niveau bestaan inzake klinische proeven en de coördinatie van gezondheidszorgstelsels, via de richtlijn inzake grensoverschrijdende gezondheidszorg[3]; overwegende dat het voorstel betreffende de evaluatie van gezondheidstechnologie momenteel wordt besproken;

K. overwegende dat gezondheidsonderzoek wordt gefinancierd door het Horizon 2020-initiatief en het aanstaande Horizon Europa-programma, het gezondheidsprogramma en het aanstaande EU4Health-programma, alsmede andere EU-instrumenten;

L. overwegende dat het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA), het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) uitvoerende agentschappen met belangrijke taken op het gebied van de volksgezondheid zijn;

M. overwegende dat de huidige infrastructuur voor de reactie op noodsituaties, met inbegrip van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC), het besluit over grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid[4] en het Uniemechanisme voor civiele bescherming, tijdens de huidige gezondheidscrisis tot het uiterste op de proef is gesteld;

N. overwegende dat professionele zorgverleners aan onaanvaardbaar hoge risico’s zijn blootgesteld en in sommige gevallen gedwongen zijn geweest beslissingen te nemen over wie gezondheidszorg kon krijgen en wie niet;

O. overwegende dat de COVID-19-crisis de arbeidsomstandigheden voor veel werknemers in Europa heeft gewijzigd en nieuwe vragen over gezondheid en veiligheid op het werk aan de orde heeft gesteld;

P. overwegende dat de gezondheidscrisis en de verspreiding van COVID-19 in heel Europa het verschil in capaciteit tussen de gezondheidszorgstelsels in de lidstaten hebben blootgelegd en hebben aangetoond dat lidstaten afhankelijk zijn van buurlanden met voldoende veerkrachtige systemen;

Q. overwegende dat grensoverschrijdende samenwerking essentieel is, met name tijdens een gezondheidscrisis;

R. overwegende dat, bij gebrek aan coördinatie op Europees niveau, de internationale aanleg van voorraden kan leiden tot onevenwichtigheid op de markt en tot een verscherping van de tekorten aan essentiële geneesmiddelen, vaccins en persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) in de mondiale toeleveringsketens;

S. overwegende dat de maatregelen die de EU en de lidstaten nemen tijdens een crisis, de rechten van personen met een handicap moeten eerbiedigen, in overeenstemming met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

T. overwegende dat verschillende benaderingen van het verzamelen van gegevens over COVID-19 in de EU het moeilijk hebben gemaakt om de gegevens op EU-niveau te vergelijken;

U. overwegende dat sommige lidstaten sterk lijden onder de braindrain, doordat hooggekwalificeerde gezondheidszorgprofessionals ervoor kiezen om te werken in lidstaten met betere lonen en voorwaarden dan in eigen land;

V. overwegende dat met succes gezamenlijke aanbestedingen op EU-niveau werden gebruikt voor persoonlijke beschermingsmiddelen, testkits, ventilatoren en bepaalde geneesmiddelen, hoewel het mechanisme niet over de vereiste snelheid en doeltreffendheid bleek te beschikken;

W. overwegende dat de rescEU-capaciteit een voorraad heeft aangelegd van essentiële artikelen zoals maskers, ventilatoren en laboratoriumuitrusting, om deze te kunnen inzetten waar zij het meest nodig zijn;

X. overwegende dat tijdens de COVID-19-gezondheidscrisis diverse ad-hocregelingen zijn ingevoerd, waaronder het panel van deskundigen van de Commissie en richtsnoeren voor de behandeling van patiënten en het uitzenden van gezondheidswerkers naar andere lidstaten;

Y. overwegende dat het verlies van Europese soevereiniteit en onafhankelijkheid in de gezondheidssector verband houdt met de verplaatsing van de productie; overwegende dat de toeleveringsketens voor geneesmiddelen afhankelijk zijn van actieve farmaceutische bestanddelen of generieke geneesmiddelen die worden geproduceerd in derde landen, soms door slechts één fabriek wereldwijd; overwegende dat uit de uitvoerverboden die tijdens de COVID-19-gezondheidscrisis zijn opgelegd, naar voren is gekomen dat het gevaarlijk is om uitsluitend op deze toeleveringsketens te vertrouwen;

Z. overwegende dat de lidstaten tijdens de COVID-19-crisis grotendeels de gevolgen over het hoofd hebben gezien van een virusuitbraak voor de geestelijke gezondheid;

AA. overwegende dat de COVID-19-crisis en andere gezondheidsuitdagingen binnen de grenzen van de EU niet betekenen dat de EU haar verantwoordelijkheid op gezondheidsgebied voor hulpbehoevenden op haar grondgebied en buiten haar grenzen kan negeren;

1. meent dat de tijd is gekomen voor versterkte EU-bevoegdheden op het gebied van volksgezondheid; benadrukt het feit dat het versterken van de samenwerking van de EU op het gebied van gezondheid niet beperkt mag blijven tot een betere crisisparaatheid; benadrukt het feit dat bij het gezondheidsbeleid moet worden gefocust op het algemeen belang;

2. verzoekt de Commissie een “gezondheid op alle beleidsgebieden”-benadering te ondersteunen, waarbij rekening wordt gehouden met de gevolgen van het overheidsbeleid voor de gezondheidsstelsels, de gezondheidsdeterminanten, ongelijkheden en welzijn, en die erop gericht is gezondheidsaspecten horizontaal te integreren in alle relevante beleidsterreinen, zoals landbouw, handel, milieu, klimaat, vervoer en onderzoek;

3. verzoekt de lidstaten met spoed stresstests op hun gezondheidszorgstelsels uit te voeren om na te gaan of zij voorbereid zijn op een mogelijke heropflakkering van COVID-19 of welke toekomstige gezondheidscrisis ook; verzoekt de Commissie deze werkzaamheden te coördineren en gemeenschappelijke parameters vast te stellen;

4. verzoekt de Commissie om, op basis van de resultaten van de stresstests, een voorstel in te dienen voor een richtlijn inzake minimumnormen voor hoogwaardige gezondheidszorg, waarbij de bevoegdheden van de lidstaten op het gebied van het beheer, organisatie en financiering van zorgstelsels worden gehandhaafd, en tegelijkertijd de veiligheid van de patiënt, gedegen werk- en arbeidsnormen voor gezondheidswerkers, en de Europese weerbaarheid tegen pandemieën en andere volksgezondheidscrises worden gewaarborgd;

5. verzoekt de Commissie een Europese index voor de gezondheidszorg op te stellen om de vooruitgang van de gezondheidszorgstelsels in de EU te volgen;

6. verzoekt de Commissie in het kader van het Europees semester indicatoren voor gezondheidszorg op te nemen;

7. acht sterkere gezondheidszorgstelsels in de EU essentieel om de crisisparaatheid te vergroten; is van mening dat hiervoor meer investeringen in de openbare gezondheidszorg en betere arbeidsomstandigheden en opleiding voor gezondheidswerkers nodig zijn;

8. verzoekt de Commissie een voorstel voor een Europees gezondheidsresponsmechanisme voor te stellen waarin de tijdens de COVID-19-gezondheidscrisis vastgestelde werkmethoden worden geformaliseerd, voortbouwend op de maatregelen van de richtlijn grensoverschrijdende gezondheidszorg en het Uniemechanisme voor civiele bescherming; dringt aan op de oprichting van een eenheid voor crisisbeheersing in de gezondheidszorg, die verantwoordelijk zou zijn voor de toepassing van het Europees gezondheidsresponsmechanisme, dat wordt gecoördineerd door het ECDC en wordt geleid door de commissaris voor Gezondheid en de commissaris voor Crisisbeheer, samen met het Europees Geneesmiddelenbureau en het panel van deskundigen; dringt erop aan dat deze eenheid met een noodplan voor pandemieën komt, teneinde een gecoördineerde reactie klaar te hebben;

9. vraagt een versterking van de rescEU-capaciteit, inclusief wat de aanleg van voorraden betreft en de capaciteit van medische noodteams; vraagt de creatie van databanken waarin alle nodige informatie kan worden samengebracht over geneesmiddelenvoorraden, beschikbare bedden op intensieve zorgen en medische apparatuur in de lidstaten; verzoekt de lidstaten en grensregio’s de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van gezondheidszorg te intensiveren en hierbij de administratieve belemmeringen te verwijderen en akkoorden tussen ziekenhuizen aan te moedigen;

10. verzoekt de Commissie te zorgen voor transparantie met betrekking tot de werking van rescEU en de criteria voor de distributie van voorraden; dringt er bij de Commissie op aan richtsnoeren op te stellen om ervoor te zorgen dat nationale initiatieven op het gebied van het aanleggen van voorraden in verhouding staan tot de behoeften en geen onbedoelde gevolgen veroorzaken in de lidstaten;

11. is van mening dat de Unie een beroep moet kunnen doen op de inzet van gezondheidswerkers via het Europees medisch korps, dat is opgericht om in alle lidstaten snelle medische bijstand en expertise op het gebied van de volksgezondheid te bieden;

12. verzoekt de EU in samenwerking met de lidstaten specifieke plannen te ontwikkelen en op te nemen om tijdens een pandemie de toegang tot behandeling en zorg voor chronisch zieke patiënten en personen met een handicap in de EU te handhaven; benadrukt dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan gelijke toegang tot gezondheidszorg, en dat ervoor moet worden gezorgd dat op de gemeenschap gebaseerde zorg- en ondersteuningsdiensten die dagelijks nodig zijn voor personen met een handicap, worden gefinancierd, goed uitgerust zijn en over voldoende personeel beschikken;

13. verzoekt de Commissie, de lidstaten en de mondiale partners te zorgen voor snelle, billijke, gelijke en betaalbare toegang voor iedereen tot toekomstige COVID-19-vaccins en -behandelingen zodra deze beschikbaar zijn;

14. herinnert eraan dat het strategisch belangrijk en waardevol is om te investeren in een in Europa gevestigd netwerk van producenten en leveranciers in ruil voor bindende verplichtingen met betrekking tot kwesties als transparantie, traceerbaarheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de productie en distributie in de gehele toeleveringsketen om te waarborgen dat geneesmiddelen in alle regio’s in gelijke mate verkrijgbaar zijn tegen een redelijke prijs;

15. benadrukt het feit dat alle met publieke middelen gefinancierd onderzoek in het publieke domein moet blijven; verzoekt de Commissie en de farmaceutische bedrijven te zorgen voor volledige transparantie omtrent de resultaten van met publieke middelen gefinancierde O&O, zodat de voorwaarden waaronder octrooien en licenties worden verleend, een rendement op de investeringen in de openbare gezondheidszorg garanderen en overeenkomen met de structuur van de O&O-financiering;

16. roept de EU en de lidstaten op de COVID-19 Technology Access Pool (C-TAP) officieel te ondersteunen en overheidsfinanciering afhankelijk te stellen van deelname aan de pool, waardoor kennis, intellectuele eigendom en gegevens met betrekking tot COVID-19-gezondheidstechnologieën maximaal kunnen worden gedeeld ten behoeve van alle landen en burgers;

17. verzoekt de Commissie en de lidstaten in alle huidige en toekomstige oproepen tot financiering en investeringen collectieve waarborgen in te voeren ten gunste van de burgers, zoals transparantie met betrekking tot publieke bijdragen, toegankelijkheids- en betaalbaarheidsclausules en niet-exclusieve licenties voor de exploitatie van de eindproducten;

18. dringt er bij de lidstaten op aan dwanglicenties op te leggen voor levensreddende geneesmiddelen indien derde landen het vaccin en/of de behandeling of de respectieve kennis niet delen;

19. vraagt de Commissie het stimulerende effect van intellectuele eigendomsrechten op biomedische innovatie in het algemeen tegen het licht te houden en te zoeken naar geloofwaardige en effectieve alternatieven voor exclusieve bescherming ter financiering van medische O&O, zoals de talloze methoden op basis van loskoppeling;

20. dringt aan op aanvullende financiering in Horizon 2020 en Horizon Europa die specifiek bestemd is voor klinische proeven en nieuwe geneesmiddelen die een duidelijke maatschappelijke waarde hebben, waarvan de resultaten openbaar toegankelijk zijn;

21. vraagt dat wordt voorzien in gezamenlijke aanbestedingen op EU-niveau voor de aankoop van COVID-19-vaccins en -behandelingen, en dat systematischer van gezamenlijke aanbestedingen gebruik wordt gemaakt, om te voorkomen dat de lidstaten elkaar beconcurreren en om te zorgen voor gelijke en betaalbare toegang tot belangrijke geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, met name nieuwe innovatieve antibiotica, nieuwe vaccins en geneeskrachtige geneesmiddelen, en geneesmiddelen voor zeldzame ziekten;

22. verzoekt de Commissie het mechanisme voor gezamenlijke aanbestedingen op grond van het besluit over grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid te herzien en een nieuwe verordening voor te stellen om de gezamenlijke aanbestedingen van de EU sneller en doeltreffender te maken in geval van een gezondheidscrisis en om gelijke en betaalbare toegang tot nieuwe behandelingen te waarborgen;

23. verzoekt de Commissie en de lidstaten een nieuw voorstel in te dienen voor een herziening van Richtlijn 89/105/EEG betreffende transparante prijzen[5], om transparantie te garanderen omtrent de O&O-kosten en de lidstaten een gelijkwaardige positie te bieden wanneer zij onderhandelen met producenten over behandelingen die niet gezamenlijk worden aangekocht;

24. dringt aan op de snelle uitvoering van de sterk vertraagde verordening betreffende klinische proeven[6], om de transparantie van de resultaten van klinische proeven te waarborgen en om grotere, grensoverschrijdende klinische proeven mogelijk te maken;

25. vraagt dat met de farmaceutische strategie voor Europa de problemen worden aangepakt in de toeleveringsketens voor geneesmiddelen in de EU en wereldwijd, met inbegrip van wetgevingsmaatregelen, beleidsmaatregelen en stimulansen, om de productie van essentiële actieve farmaceutische ingrediënten (API’s) en geneesmiddelen in Europa aan te moedigen teneinde te allen tijde toelevering en betaalbare toegang te verzekeren, onverminderd de acties die worden ondernomen in het kader van de strategische aanpak van geneesmiddelen in het milieu; is van mening dat de farmaceutische strategie voor Europa geen afbreuk mag doen aan de maatregelen die moeten worden genomen in het kader van de strategische aanpak van geneesmiddelen in het milieu;

26. verzoekt de EU publieke en onafhankelijke toeleveringsketens en laboratoria te creëren die minstens 20 % van de API’s en de essentiële geneesmiddelen kunnen produceren, om te zorgen voor een publiek vangnet op de geneesmiddelenmarkt van de EU; is van mening dat dit de EU weerbaarder kan maken en haar kan helpen de burgers beter te beschermen tegen geneesmiddelentekorten en het harde onderhandelen door de farmaceutische industrie; vraagt dat in elke lidstaat verplichte nationale inventarissen van geneesmiddelen en medische apparatuur worden gecreëerd en dat informatie wordt verstrekt aan de Commissie en het EMA om ervoor te zorgen dat tekorten kunnen worden voorzien en aangepakt;

27. verzoekt de Commissie de wetgeving inzake geneesmiddelen te wijzigen om afwijkingen van gegevens- en marktexclusiviteit mogelijk te maken wanneer er een behoefte bestaat in verband met de volksgezondheid en wanneer een dwang- of overheidslicentie is afgegeven;

28. verzoekt de Commissie en de lidstaten bijkomende actie te ondernemen ten aanzien van de verantwoordelijkheden van de houders van vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen met betrekking tot de verplichtingen inzake continue bevoorrading als vastgesteld in artikel 81 van Richtlijn 2001/83/EG; verzoekt de Commissie de verplichtingen toe te lichten in richtsnoeren, en een toename van de mededinging en de continuïteit van de voorziening voor vaccins en essentiële geneesmiddelen te bevorderen;

29. verzoekt de Commissie het effect te beoordelen van de parallelhandel op het tekort aan geneesmiddelen in de lidstaten, inclusief een vermindering van de tekorten, en de problemen adequaat aan te pakken, inclusief mogelijke illegale toepassingen van quotaregelingen voor de levering als middel om wetgeving in te voeren om parallelexport te verbieden, door de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat geneesmiddelen tijdig alle patiënten in de EU bereiken;

30. vraagt een herziening van Verordening (EG) nr. 141/2000[7] inzake weesgeneesmiddelen met het oog op omkering van de bewijslast voor de exclusiviteitsperiode van tien jaar, zodat de houder van de vergunning voor het in de handel brengen van het geneesmiddel moet aantonen dat het product niet rendabel genoeg is om de O&O-kosten te dekken;

31. verzoekt de Commissie gerichte richtsnoeren op te stellen voor de richtlijn overheidsopdrachten[8] met betrekking tot de gunning van opdrachten aan de farmaceutische sector; vraagt dat deze richtsnoeren gebaseerd zijn op de “economisch voordeligste inschrijving”, zodat de aanbestedende instantie rekening kan houden met criteria voor kwalitatieve, technische en duurzaamheidsaspecten van de inschrijving, naast de prijs;

32. verzoekt de Commissie een herzien mandaat voor het ECDC voor te stellen om zijn begroting te verhogen en de personeelsbezetting en bevoegdheden aanzienlijk uit te breiden, zodat het Centrum te allen tijde een geavanceerde bescherming van de volksgezondheid kan bieden, ook tijdens epidemieën;

33. dringt aan op een grotere rol voor het Europees Geneesmiddelenbureau bij het toezicht op en het vermijden van tekorten aan geneesmiddelen en bij de coördinatie van het ontwerp en de goedkeuring van klinische proeven van de EU tijdens crises;

34. vraagt dat de rol van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk wordt versterkt, om ervoor te zorgen dat gezondheidswerkers niet in gevaar worden gebracht;

35. vraagt dat de gezondheidsrichtsnoeren van de EU worden aangescherpt en in sommige gevallen verplicht worden gesteld, bijvoorbeeld het EU-actieplan tegen antimicrobiële resistentie en het EU-actieplan voor vaccinatie, die moeten worden uitgebreid met bindende maatregelen, om het gebruik van antibiotica voor menselijk gebruik te beperken tot het hoogst nodige, en een EU-vaccinatiekaart voor de burgers; vraagt dat de ECDC-richtsnoeren voor de COVID-19-gezondheidscrisis verplicht worden gesteld, bijvoorbeeld wat de methoden voor het registreren van overlijdens en genezingen betreft;

36. verzoekt de Commissie om, in overleg met het maatschappelijk middenveld, de oprichting voor te stellen van een Europese ruimte voor gezondheidsgegevens waarmee wordt voorzien in de behoeften van de patiënten en die het Europese kader voor gegevensbescherming volledig eerbiedigt, teneinde de standaardisering, de uitwisseling van gegevens en de vaststelling en bevordering van internationale normen voor gezondheidsgegevens te verbeteren; benadrukt het feit dat digitale gezondheid moet bijdragen tot een betere gezondheid voor iedereen en niet mag leiden tot meer ongelijkheid;

37. benadrukt het feit dat het, om het risico van toekomstige epidemieën te beperken, nodig is om verder te gaan dan vroegtijdige opsporing en de bestrijding van ziekte-uitbraken, en om het risico te verkleinen bij de bron;

38. gelooft sterk in de aanpak op basis van “één gezondheid”, met een koppeling tussen menselijke gezondheid, diergezondheid en bescherming van het milieu; is van oordeel dat het aanpakken van de klimaatverandering, de aantasting van het milieu, het verlies aan biodiversiteit en niet-duurzame voedselproductie essentieel is voor de bescherming van de menselijke gezondheid;

39. dringt er bij de EU en de lidstaten op aan een beroep te doen op het intergouvernementeel platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten om een grondige wetenschappelijke evaluatie te verrichten van het verband tussen pandemieën zoals COVID-19, Influenza A/H1N1, MERS en SARS die worden veroorzaakt door ziekteverwekkers die overgaan van dier op mens, en de achteruitgang van de biodiversiteit, de ontbossing en andere veranderingen in het landgebruik, teneinde de beleidsmakers te informeren over biodiversiteitsstrategieën waarmee het risico op dergelijke zoönoses tot een minimum kan worden beperkt;

40. benadrukt het feit dat prioriteit moet worden gegeven aan preventie, die zowel de gezondheid van de burgers als de nationale begrotingen voor gezondheidszorg ten goede komt;

41. verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om gezondheidsdeterminanten als roken, alcoholgebruik, slechte voeding, luchtverontreiniging, blootstelling aan gevaarlijke chemicaliën en ongelijkheden op het gebied van gezondheid aan te pakken, teneinde de gezondheidsresultaten te verbeteren;

42. dringt erop aan dat de Europese referentienetwerken worden uitgebreid met besmettelijke en zoönotische ziekten;

43. verzoekt de Commissie een strategie te ontwikkelen voor een “veerkrachtig Europa”, bestaande uit een kaart voor risicobeoordeling en opties voor het garanderen van goed beheer en investeringen in gezondheidszorgstelsels en reacties op pandemieën op Europees niveau, met inbegrip van veerkrachtige toeleveringsketens in de EU;

44. dringt aan op een gecoördineerde, op samenwerking gebaseerde en open benadering op het gebied van onderzoek, met een grotere rol voor de Commissie bij de coördinatie van onderzoek op het gebied van gezondheid, teneinde dubbel werk te voorkomen en het onderzoek te richten op resultaten, onder andere de geneesmiddelen, vaccins, medische hulpmiddelen en apparatuur die nodig zijn;

45. vraagt de oprichting van een Europese Onderzoeksraad voor de ontwikkeling en uitvoering van een routekaart voor gezondheidsonderzoek en het koppelen van de nieuw verworven kennis aan een pan-Europees gezondheidsbeleid;

46. is ten zeerste verheugd over de verhoging van de begroting die wordt voorgesteld voor het nieuwe EU4Health-programma;

47. dringt er bij de Commissie op aan een verdere actualisering voor te stellen van het strategisch kader van de EU voor gezondheid en veiligheid, inclusief wetgeving inzake het recht om onbereikbaar te zijn, een nieuwe richtlijn inzake werkgerelateerde spier- en skeletaandoeningen en een nieuwe richtlijn inzake geestelijk welzijn op de werkplek, om angst, depressie en burn-out te erkennen als beroepsziekten;

48. vraagt een EU-actieplan 2021-2027 inzake geestelijke gezondheid, waarbij evenveel aandacht wordt besteed aan de biomedische en psychosociale aspecten van een slechte geestelijke gezondheid; 

49. verzoekt de EU volledig met de WHO en andere internationale organen samen te werken om besmettelijke ziekten te bestrijden, universele gezondheidszorg voor iedereen te realiseren en de gezondheidsstelsels wereldwijd te versterken;

50. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

[1] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.

[3] PB L 88 van 4.4.2011, blz. 45.

[4] PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1.

 

[5] PB L 40 van 11.2.1989, blz. 8.

[6] PB L 158 van 27.5.2014, blz. 1.

 

[7] PB L 18 van 22.1.2000, blz. 1.

[8] PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.

 

Laatst bijgewerkt op: 8 juli 2020Juridische mededeling - Privacybeleid