Procedure : 2020/2774(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0258/2020

Ingediende teksten :

B9-0258/2020

Debatten :

PV 15/09/2020 - 6
CRE 15/09/2020 - 6

Stemmingen :

PV 17/09/2020 - 12

Aangenomen teksten :


<Date>{14/09/2020}14.9.2020</Date>
<NoDocSe>B9‑0258/2020</NoDocSe>
PDF 154kWORD 47k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de voorbereiding van de buitengewone top van de Europese Raad, met bijzondere aandacht voor de gevaarlijke escalatie en de rol van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied</Titre>

<DocRef>(2020/2774(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Jérôme Rivière, Thierry Mariani, Peter Kofod, Jaak Madison, Harald Vilimsky, Tom Vandendriessche</Depute>

<Commission>{ID}namens de ID-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>


B9‑0258/2020

Resolutie van het Europees Parlement over de voorbereiding van de buitengewone top van de Europese Raad, met bijzondere aandacht voor de gevaarlijke escalatie en de rol van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied

(2020/2774(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien het Verdrag van Lausanne van 24 juli 1923, en met name de artikelen 38, 39, 40, 41, 42, 43 en 44, betreffende de vrijheid van godsdienst in Turkije en de verbintenis tot non-discriminatie van niet-islamitische bevolkingsgroepen,

 gezien de artikelen 2, 3, 4 en 5 van het Verdrag van Lausanne, waarin de grenzen van de Republiek Turkije definitief worden afgebakend,

 gezien de toetreding van de Republiek Turkije tot de Verenigde Naties op 24 oktober 1945 en de toezegging van Turkije om het Handvest van de Verenigde Naties te eerbiedigen,

 gezien het toetredingsproces van de Republiek Turkije tot de Europese Unie en de opening van de toetredingsonderhandelingen op 17 december 2004,

 gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij Turkije partij is,

 gezien artikel 16 van het Verdrag van Lausanne, waarin de Republiek Turkije verklaart onherroepelijk afstand te doen van alle rechten over gebieden buiten haar grenzen zoals erkend in het betreffende verdrag, met inbegrip van de gebieden die onder het mandaat van de Volkenbond vallen (Syrië, Libanon, Palestina, Transjordanië, Irak);

 gezien het op 2 juli 1985 gepubliceerde verslag van de subcommissie van de VN ter voorkoming van discriminatie en ter bescherming van minderheden, waarin het bloedbad in Armenië als genocide wordt omschreven,

 gezien zijn resolutie van 18 juni 1987 over een politieke oplossing voor de Armeense kwestie[1], waarin de Armeense genocide wordt erkend,

 gezien zijn resolutie van 28 september 2005 over de start van de toetredingsonderhandelingen met Turkije[2], waarin het Turkije oproept om de Armeense genocide te erkennen en deze erkenning “onontbeerlijk” noemt voor toetreding tot de Europese Unie,

 gezien zijn resolutie van 15 april 2015 over de honderdjarige herdenking van de Armeense genocide[3], waarin het nogmaals verklaart de Armeense genocide te erkennen en Turkije oproept dat ook te doen en “in goed vertrouwen een geïntegreerde inventaris op te maken van het Armeense en andere culturele erfgoed dat in de vorige eeuw binnen Turks rechtsgebied werd vernietigd of beschadigd”,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat Turkije regelmatig de soevereiniteit van Griekenland en Cyprus schendt;

B. overwegende dat het Turkse seismische onderzoeksvaartuig Oruç Reis regelmatig voor de kust van Kastellorizo komt, d.w.z. in Griekse territoriale wateren;

C. overwegende dat dit vaartuig, onder begeleiding van militaire vaartuigen, sinds 10 augustus 2020 illegaal onderzoek verricht in het oostelijk deel van de Middellandse Zee;

D. overwegende dat Recep Tayyip Erdoğan, de president van Turkije, in het licht van de internationale kritiek op deze manoeuvres het volgende heeft verklaard: “Zij moeten begrijpen dat Turkije in politiek, economisch en militair opzicht sterk genoeg is om de immorele kaarten en documenten te vernietigen.”;

E. overwegende dat Turkse nationalisten in 1974 het eiland Kastellorizo hebben bezet;

F. overwegende dat Turkije sinds 1974 37 % van het grondgebied van Cyprus illegaal bezet;

G. overwegende dat het Turkse leger het Franse fregat “Courbet”, dat op missie was in verband met het VN-embargo op de levering van wapens aan Libië, driemaal heeft aangestraald;

H. overwegende dat Turkije een groot deel van het noorden van Syrië bezet, zonder dat de Arabische Republiek Syrië daarom gevraagd of daarmee ingestemd heeft; overwegende dat het centrale punt van deze bezetting Idlib is, het grootste bolwerk van islamistische groeperingen in Syrië; overwegende dat Turkije deze situatie gebruikt om de EU te chanteren;

I. overwegende dat Turkije meer dan 5 000 radicale Syrische islamisten naar Libië heeft gestuurd, en daar nu ook zijn strijdkrachten inzet;

J. overwegende dat Turkije in het kader van operatie Tijgerklauw regelmatig bombardementen uitvoert, zonder dat daarom verzocht werd, vanuit Erbil of Bagdad, en daarbij vele grensdorpen in de buurt van Zakho in gevaar brengt, waarvan sommige door oosterse christenen worden bewoond;

K. overwegende dat de door Turkije met Kosovo en Albanië ondertekende uitleveringsovereenkomsten, die Ankara gebruikt om tegenstanders te bestrijden, in strijd zijn met internationale verdragen inzake het asielrecht in politieke aangelegenheden;

L. overwegende dat Turkije zijn banden met de landen van de Westelijke Balkan, met name Bosnië en Herzegovina, aan het versterken is;

M. overwegende dat Turkije, indien het de bovenhand zou krijgen in de Balkan en in Libië, de twee belangrijkste migratieroutes naar Europa zou controleren, wat op een existentiële bedreiging voor de landen van Europa zou neerkomen;

N. overwegende dat president Erdoğan vaak provocerende uitspraken doet over Europese landen, bijvoorbeeld dat “Frankrijk, in het bijzonder, moet stoppen met het nemen van maatregelen die de spanningen doen toenemen. Zij zullen niets bereiken door zich als bullebakken te gedragen.”;

O. overwegende dat er in Turkije talrijke schendingen van de godsdienstvrijheid hebben plaatsgevonden, zoals de opsluiting van dominee Brunson, het uitblijven van een ernstig onderzoek naar de moorden en aanvallen op christenen in de regio Tur Abdin, bijvoorbeeld de zaak van Şimoni en Hürmüz Diril, en het aanmoedigen van de uitroeiing van de Oud-Syrische cultuur;

P. overwegende dat de Hagia Sophia-basilica en de Chorakerk tot moskeeën zijn omgevormd;

Q. overwegende dat de Turkse regering voortdurend verwijst naar de Ottomaanse dynastie en de val van Constantinopel, terwijl de EU zelden herinnert aan veelzeggende gebeurtenissen zoals de Slag bij Lepanto of het Beleg van Wenen;

R. overwegende dat de AKP, de Turkse regeringspartij, in veel EU-lidstaten afdelingen heeft, die door president Erdoğan worden gebruikt om de Europese regeringen te bedreigen;

S. overwegende dat de “Grijze Wolven”, een gewelddadige militie, ook op Europees grondgebied actief zijn;

T. overwegende dat de Turkse minister van Binnenlandse Zaken op 17 maart 2017 het volgende heeft verklaard: “Als jullie dat willen, kunnen we de deur openzetten voor de 15 000 vluchtelingen per maand die wij anders niet zouden sturen, en dan zullen we jullie naar adem doen snakken.”;

U. overwegende dat president Erdoğan op 10 augustus 2020 het volgende heeft verklaard: “Als het op gevechten zou aankomen, zullen wij niet twijfelen om martelaars op te offeren. (...) De vraag is: zijn zij die zich tegen ons verzetten in het Middellandse Zeegebied en in het Nabije Oosten bereid om dezelfde offers te brengen?”;

V. overwegende dat de EU Turkije 6 miljard EUR heeft verstrekt in het kader van de overeenkomst van 18 maart 2016, 14,5 miljard EUR in het kader van de pretoetreding sinds 2003, en 28,9 miljard EUR in de vorm van investeringen door de Europese Investeringsbank sinds 2000, wat neerkomt op een totaal van meer dan 49 miljard EUR;

W. overwegende dat het Turkse regime de mensenrechten herhaaldelijk heeft geschonden, met name sinds de poging tot staatsgreep in 2016; overwegende dat Turkije sinds 1959 meer dan 3 000 keer veroordeeld is door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; overwegende dat leden van de oppositie willekeurig worden gearresteerd; overwegende dat Ebru Timtik, een Turkse advocaat die van terrorisme werd beschuldigd, op 27 augustus 2020 in de gevangenis overleden is na een hongerstaking van 238 dagen; overwegende dat Turkije zijn Koerdische bevolking slecht behandelt; overwegende dat Havrin Khalaf, een jonge Koerdische politicus, op 13 oktober 2019 werd vermoord door huurlingen in dienst van Turkije;

X. overwegende dat de Turkse president nauwe betrekkingen onderhoudt met organisaties die door de EU als terroristen zijn erkend; overwegende dat president Erdoğan in augustus 2020 een ontmoeting heeft gehad met de voorzitter van het politieke bureau van Hamas, Ismael Haniyeh, en de delegatie die hem vergezelde; overwegende dat Ankara steun heeft geboden aan en een objectieve alliantie is aangegaan met de Moslimbroederschap in Egypte, vóór de val daarvan in 2013; overwegende dat veel leden van de Moslimbroederschap die in eigen land veroordeeld zijn, toevlucht vinden in Turkije;

1. verzoekt de Commissie en de Raad de onderhandelingen over de toetreding van Turkije tot de EU onvoorwaardelijk en definitief te beëindigen, aangezien Turkije geen Europees land is, niet handelt in overeenstemming met Europese waarden, met name wat betreft het behouden van een vreedzaam Europa, en bijgevolg geen lid van de Europese Unie mag worden;

2. verzoekt de Commissie en de Raad alle financiering voor Turkije stop te zetten, zowel in verband met het pretoetredingsproces als in het kader van het huidige en toekomstige MFK, de EU-faciliteit voor vluchtelingen en het actieplan EU-Turkije inzake migratie; verzoekt de EU voorts geen EIB-leningen meer aan Turkije te verstrekken;

3. is van mening dat de EU economische en politieke vergeldingsmaatregelen moet nemen als reactie op de onaanvaardbare agressie van het Turkse regime, en stelt daarom voor het besluit betreffende de douane-unie, dat op 1 januari 1996 in werking is getreden, voor een verlengbare periode van zes maanden te schorsen;

4. vraagt de Europese Unie te eisen dat Turkije een deel van de uitgekeerde bedragen terugbetaalt, zowel in verband met het pretoetredingsproces als in het kader van het akkoord over migranten, als compensatie voor de schade die lidstaten zoals Cyprus en Griekenland hebben geleden;

5. stelt voor dat Turkije voortaan wordt uitgesloten van de vergaderingen van de Noord-Atlantische Raad, totdat het ophoudt de bepalingen van het NAVO‑Verdrag te schenden; verzoekt de NAVO de juridische mogelijkheden te onderzoeken om een staat die partij is uit te sluiten;

6. verzoekt de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten om alle huidige vormen van agressie door Turkije te veroordelen en hun onvoorwaardelijke steun en solidariteit ten aanzien van Griekenland en Cyprus uit te spreken met betrekking tot hun strijd om hun territoriale integriteit te beschermen en hun inspanningen om het Europese continent in brede zin te verdedigen, met inachtneming van de soevereiniteit van de lidstaten inzake buitenlands en veiligheidsbeleid;

7. dringt er bij de Commissie op aan haar krachtige steun uit te spreken voor Griekenland en Cyprus, die alleen het hoofd moeten bieden aan de aanvallen van Turkije; verzoekt alle lidstaten deze landen te ondersteunen, zelfs met militaire hulp, en bij te dragen aan een versterkte controle aan de buitengrenzen van de Unie aldaar, met eerbiediging van de soevereiniteit van de lidstaten op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid;

8. veroordeelt met klem het totale stilzwijgen en gebrek aan solidariteit van de Commissie met Griekenland en Cyprus, alsook met Frankrijk toen Turkije militaire agressie uitoefende tegen een Frans marineschip;

9. betreurt de situatie van de godsdienstvrijheid in Turkije, waar minderheden, met name christelijke minderheden, steeds vaker worden aangevallen en gemarginaliseerd;

10. verzoekt de lidstaten alle gezamenlijke operaties met Turkije in het Midden-Oosten en in de Arabische wereld stop te zetten;

11. verzoekt de lidstaten hun waakzaamheid ten aanzien van in Europa aanwezige Turkse invloedrijke groeperingen te versterken; dringt erop aan toezicht te houden op de activiteiten van milities die de belangen van het Turkse regime dienen, met name via culturele en religieuze structuren; spoort alle lidstaten aan om Turkse AKP-militanten die op hun grondgebied aanwezig zijn naar Turkije terug te sturen;

12. vraagt de Commissie de toegang van Turkije tot de EU-markt te beperken;

13. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de voorzitter van de Europese Raad en het fungerend voorzitterschap van de Raad.

 

[1] PB C 190 van 20.7.1987, blz. 119.

[2] PB C 227E van 21.9.2006, blz. 163.

[3] PB C 328 van 6.9.2016, blz. 2.

Laatst bijgewerkt op: 16 september 2020Juridische mededeling - Privacybeleid