Ontwerpresolutie - B9-0260/2020Ontwerpresolutie
B9-0260/2020

    ONTWERPRESOLUTIE over de voorbereiding van de buitengewone top van de Europese Raad, met bijzondere aandacht voor de gevaarlijke escalatie en de rol van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied

    14.9.2020 - (2020/2774(RSP))

    naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie
    ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement

    Stelios Kouloglou, Giorgos Georgiou
    namens de GUE/NGL-Fractie

    Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0260/2020

    Procedure : 2020/2774(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B9-0260/2020
    Ingediende teksten :
    B9-0260/2020
    Stemmingen :
    Aangenomen teksten :

    B9‑0260/2020

    Resolutie van het Europees Parlement over de voorbereiding van de buitengewone top van de Europese Raad, met bijzondere aandacht voor de gevaarlijke escalatie en de rol van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied

    (2020/2774(RSP))

    Het Europees Parlement,

     gezien zijn eerdere resoluties over Turkije, met name die van 24 november 2016 over de betrekkingen tussen de EU en Turkije[1], van 27 oktober 2016 over de situatie van journalisten in Turkije[2], van 8 februari 2018 over de huidige mensenrechtensituatie in Turkije[3] en van 13 maart 2019 over het Commissieverslag 2018 over Turkije[4],

     gezien de conclusies van de Europese Raad over Turkije van 22 maart, 20 juni en 12 december 2019,

     gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over Turkije van 13 juli 2020,

     gezien de desbetreffende verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), en met name de verklaring van 16 augustus 2020 over recente ontwikkelingen in verband met de hervatting van de booractiviteiten van Turkije,

     gezien zijn resolutie van 13 november 2014 over het Turkse optreden dat tot spanningen leidt in de exclusieve economische zone van de Republiek Cyprus[5],

     gezien de verklaring van de landen van de Med7 over Turkije van 10 september 2020,

     gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

    A. overwegende dat er in het begin van de jaren 2000 enorme gasreserves zijn ontdekt in het oostelijke Middellandse Zeegebied, waardoor de landen van de regio ertoe werden aangezet samen te werken en overeenkomsten te ondertekenen om optimaal gebruik te maken van de hulpbronnen, onder meer via onderzoek en boringen in hun exclusieve economische zones (EEZ);

    B. overwegende dat Turkije, ondanks herhaalde oproepen van Cyprus sinds 2004, steeds geweigerd heeft met Nicosia te onderhandelen over een afbakeningsovereenkomst, met als argument dat het de Republiek Cyprus niet erkent en waarbij het de convergenties negeert waaruit blijkt dat koolwaterstoffen het gedeelde erfgoed van beide gemeenschappen in Cyprus zijn; overwegende dat Turkije sinds 2018 onderzoeks- en booractiviteiten uitvoert in de EEZ/op de continentale plaat van Cyprus, hetgeen volstrekt illegaal is;

    C. overwegende dat de Europese Raad de veroordeling door de Europese Unie van de illegale booractiviteiten van Turkije in de EEZ/op de continentale plaat van Cyprus heeft bevestigd; overwegende dat de EU als gevolg hiervan een rechtskader tot stand heeft gebracht voor het opleggen van sancties aan natuurlijke en rechtspersonen die betrokken zijn bij de illegale energiegerelateerde activiteiten van Turkije, dat evenwel beperkt blijft wat de inhoud ervan betreft en niet geldt voor de Turkse staat als zodanig;

    D. overwegende dat de bilaterale besprekingen over afbakening zijn bevroren vanwege spanningen tussen Turkije en Egypte, en dat Turkije niet heeft deelgenomen aan het Gasforum voor het oostelijke Middellandse Zeegebied dat in 2018 plaatsvond in Caïro en waar zelfs de Israëli’s en de Palestijnen samen aan tafel zaten;

    E. overwegende dat Griekenland en Turkije sinds 2002 reeds 59 rondes van verkennende gesprekken hebben gevoerd over de afbakening van hun continentale platen/EEZ’s, waarbij de laatste ronde dateert van maart 2016; overwegende dat Turkije sinds de poging tot staatsgreep en ondanks oproepen van de toenmalige Griekse premier Alexis Tsipras in talloze vergaderingen met president Erdoğan, helaas weigert de gesprekken opnieuw op te starten;

    F. overwegende dat de Europese Raad in zijn conclusies van 12 december 2019 heeft bevestigd dat het Memorandum van overeenstemming tussen Turkije en Libië inzake de afbakening van maritieme rechtsgebieden in de Middellandse Zee een inbreuk vormt op de soevereine rechten van derde staten, niet in overeenstemming is met het zeerecht en geen rechtsgevolgen kan hebben voor derde staten;

    G. overwegende dat Turkije sinds 2004 in verschillende fases unilateraal bij de VN de coördinaten heeft ingediend van wat het als de Turkse continentale plaat/EEZ beschouwt in het oostelijke Middellandse Zeegebied (van Cyprus tot Kreta);

    H. overwegende dat Turkije in juli 2020, na de top van de Europese Raad, een Navtex-waarschuwingsbericht heeft verzonden waarin werd gemeld dat het zijn onderzoeksschip Oruç Reis had uitgestuurd om een booronderzoek uit te voeren op de Griekse continentale plaat in de buurt van het Griekse eiland Kastellorizo en het zuidwesten van Turkije;

    I. overwegende dat Turkije na een tussenkomst van het Duitse voorzitterschap heeft toegezegd de verkennende gesprekken opnieuw te zullen opstarten en het onderzoeksschip Oruç Reis een maand lang niet naar het gebied te sturen; overwegende dat Turkije niettemin is teruggekomen op deze toezegging, met als argument dat Griekenland intussen een afbakeningsovereenkomst had ondertekend met Egypte (hetgeen volledig in overeenstemming was met het VN-Verdrag inzake het recht van de zee); overwegende dat de Oruç Reis op 10 augustus 2020 is uitgevaren en tot op vandaag de Griekse soevereine rechten onder Kastellorizo voortdurend heeft geschonden door onderzoeksactiviteiten uit te voeren, onder begeleiding van 17 oorlogsschepen en 2 hulpschepen in het gebied; overwegende dat op hetzelfde moment de Turkse vloot is gemobiliseerd in de Egeïsche Zee; overwegende dat Turkije bovendien heeft aangekondigd dat het in september 2020 onderzoek zal verrichten in gebieden tot aan de westkust van Kreta die op basis van de overeenkomst tussen Griekenland en Egypte zijn afgebakend als Griekse zone;

    J. overwegende dat Turkije dreigementen en acties die schadelijk zijn voor de goede nabuurschapsbetrekkingen moet vermijden en de soevereiniteit en rechtsbevoegdheid van de EU-lidstaten over hun territoriale wateren en luchtruim moet eerbiedigen, evenals hun soevereine rechten, waaronder met name het recht om natuurlijke hulpbronnen op te sporen, te ontginnen, te beschermen en te beheren, in overeenstemming met het EU-recht en het internationale recht, alsook met het VN-Verdrag inzake het recht van de zee;

    K. overwegende dat in het VN-Handvest is bepaald dat staten zich ertoe moeten verbinden om alle internationale geschillen waarin zij verwikkeld raken te beslechten met vreedzame middelen op zodanige wijze dat de internationale vrede en veiligheid en gerechtigheid niet in gevaar worden gebracht, en zich in hun internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld op enige wijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties;

    1. spreekt zijn scherpe veroordeling uit van de unilaterale Turkse illegale booractiviteiten die tot een gevaarlijke escalatie hebben geleid, een ernstige schending vormen van het internationale recht en de stabiliteit en veiligheid in de regio als geheel ondermijnen;

    2. neemt kennis van de eerdere conclusies van de Europese Raad over Turkije van 22 maart en 20 juni 2019; bevestigt opnieuw de conclusies van de Europese Raad van 17-18 oktober 2019 over Turkse illegale booractiviteiten in de EEZ van Cyprus;

    3. neemt kennis van de conclusies van de Europese Raad van 12 december 2019 over het illegale Memorandum van overeenstemming tussen Turkije en Libië inzake de afbakening van maritieme rechtsgebieden in de Middellandse Zee, dat een inbreuk vormt op de soevereine rechten van derde staten, niet in overeenstemming is met het zeerecht en geen rechtsgevolgen kan hebben voor derde staten;

    4. betuigt zijn solidariteit met het Griekse en Cypriotische volk;

    5. verzoekt de VV/HV het duidelijke standpunt van de EU over te brengen aan de Turkse autoriteiten;

    6. dringt er bij de VV/HV en het Duitse voorzitterschap op aan de dialoog met de Turkse autoriteiten op te voeren met het oog op een snelle de-escalatie van de situatie en de hervatting van verkennende gesprekken, teneinde de kwestie op te lossen voor het Internationaal Gerechtshof;

    7. verzoekt de Raad om tegen Turkije passende robuuste en gerichte maatregelen vast te stellen, die echter geen nadelige gevolgen mogen hebben voor het maatschappelijk middenveld of voor mensen die reeds zwaar zijn getroffen door de economische crisis in het land; benadrukt dat deze sancties moeten worden toegepast zolang Turkije geen einde maakt aan zijn provocerende activiteiten in de EEZ’s/op de continentale platen van Griekenland en Cyprus en zijn oorlogsschepen en andere schepen niet terugtrekt;

    8. verzoekt de Raad overeenstemming te bereiken over een EU-breed wapenembargo tegen Turkije;

    9. wijst nogmaals op de ernst van de gevolgen van een verdere escalatie en destabilisering in de regio, zowel voor de regio zelf als voor de EU, die een toename van veiligheidsrisico’s, humanitaire crises en migratiestromen zullen veroorzaken, alsook op de zware economische en sociale gevolgen van een wapenwedloop tussen Griekenland en Turkije; verzoekt de Commissie de EU in al haar aspecten voor te bereiden om zo goed mogelijk te kunnen reageren op alle situaties die zich kunnen voordoen en het Europees Parlement op de hoogte te stellen van de gevolgen van verdere escalatie en destabilisering in de regio;

    10. betreurt dat de toenemende escalatie van de spanningen de vooruitzichten voor een hervatting van rechtstreekse gesprekken over een alomvattende oplossing voor het probleem Cyprus op de helling zet, terwijl dit nog steeds de meest doeltreffende weg is met betrekking tot de vooruitzichten voor de afbakening van de EEZ’s tussen Cyprus en Turkije;

    11. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Verenigde Naties en Turkije, en te zorgen voor een Turkse vertaling van deze tekst.

    Laatst bijgewerkt op: 16 september 2020
    Juridische mededeling - Privacybeleid