Procedure : 2020/2780(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0261/2020

Ingediende teksten :

B9-0261/2020

Debatten :

PV 15/09/2020 - 11
CRE 15/09/2020 - 11

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0240

<Date>{14/09/2020}14.9.2020</Date>
<NoDocSe>B9‑0261/2020</NoDocSe>
PDF 151kWORD 50k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over COVID-19: EU-coördinatie van gezondheidsbeoordelingen en risico-indeling en de gevolgen voor Schengen en de interne markt </Titre>

<DocRef>(2020/2780(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Véronique Trillet‑Lenoir, Nicolae Ştefănuță, Dita Charanzová</Depute>

<Commission>namens de Renew-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0257/2020

B9‑0261/2020

Resolutie van het Europees Parlement over COVID-19: EU-coördinatie van gezondheidsbeoordelingen en risico-indeling en de gevolgen voor Schengen en de interne markt

(2020/2780(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

 gezien artikel 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), alsmede de artikelen 4, 6, 9, 21, lid 1, 67, lid 2, 114, 153, 169 en 191,

 gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 35 en 45,

 gezien Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode)[1],

 gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden[2],

 gezien zijn resolutie van 19 juni 2020 over de situatie in het Schengengebied als gevolg van de COVID-19-pandemie[3],

 gezien zijn resolutie van 10 juli 2020 over de EU-strategie voor volksgezondheid na COVID-19[4],

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de COVID-19-pandemie is verschoven van de beheersfase voor een acuut risico naar de beheersfase voor een chronisch risico;

B. overwegende dat de intensiteit van de verspreiding van het virus sterk verschilt per lidstaat en per regio binnen een land;

C. overwegende dat er nog geen doeltreffend vaccin beschikbaar is;

D. overwegende dat het door de uiteenlopende benaderingen voor het verzamelen en analyseren van gegevens met betrekking tot COVID-19 in de EU moeilijk is om gegevens te vergelijken;

E. overwegende dat de EU-respons op de COVID-19-pandemie tot dusver een gebrek aan coördinatie tussen de lidstaten onderling en met de EU-instellingen heeft aangetoond op het gebied van de coördinatie van de volksgezondheidsmaatregelen, met inbegrip van beperkingen van het verkeer van personen binnen de grenzen en over grenzen heen en de opschorting van andere rechten en wetten;

F. overwegende dat de lidstaten zich hebben georganiseerd zonder overleg, elk op nationaal niveau (barrièremaatregelen, instructies voor isolatie, screening, zorg, territorialisering), hetgeen heeft geleid tot grote verschillen binnen de Europese Unie;

G. overwegende dat veel Europeanen stelselmatig te maken kregen met verschillende regels, waarbij het niet alleen uitmaakte wat hun nationaliteit of woonplaats was, maar ook waar zij naartoe reisden; overwegende dat dit gebrek aan coördinatie tijdens de zomerperiode heeft geleid tot wanordelijke controles en maatregelen aan de grenzen en op luchthavens en in treinstations;

H. overwegende dat de COVID-19-crisis niet alleen grote gevolgen voor de gezondheid heeft gehad, maar ook zeer aanzienlijke negatieve gevolgen voor de grondrechten en voor de economische, wetenschappelijke, toeristische en culturele uitwisselingen;

I. overwegende dat de verlening van gezondheidszorg in de eerste plaats een nationale bevoegdheid is, maar dat volksgezondheid een gedeelde bevoegdheid is van de lidstaten en de EU;

J. overwegende dat de Europese Unie nog steeds mogelijkheden heeft om binnen de bestaande parameters van de Verdragen een grotere bijdrage te leveren op het gebied van volksgezondheidsbeleid; overwegende dat de volksgezondheidsbepalingen van de Verdragen, gelet op de doelstellingen waarvoor zij zouden kunnen worden ingezet, nog grotendeels onderbenut zijn;

K. overwegende dat grensoverschrijdende bedreigingen enkel samen kunnen worden aangepakt en dat dit dus samenwerking en solidariteit binnen de Unie vereist, alsmede een gemeenschappelijke Europese aanpak;

L. overwegende dat het Parlement sinds het begin van de ruimere verspreiding van COVID-19 in de EU, de Commissie en de lidstaten herhaaldelijk heeft verzocht om de vaststelling van geharmoniseerde maatregelen inzake het vrije verkeer van personen en goederen binnen de interne markt; overwegende dat het vrije verkeer van goederen en diensten essentiële pijlers zijn van de vier vrijheden, waarop de goede werking van de interne markt is gebaseerd;

M. overwegende dat de door de lidstaten genomen maatregelen, met inbegrip van de controles aan de binnengrenzen, van invloed zijn op de rechten en vrijheden van personen zoals die zijn verankerd in het recht van de Unie; overwegende dat de door de lidstaten of de Unie genomen maatregelen altijd in overeenstemming moeten zijn met de grondrechten; overwegende dat deze maatregelen noodzakelijk, evenredig, tijdelijk en van beperkte omvang moeten zijn;

N. overwegende dat solidariteit tussen de lidstaten niet facultatief is, maar een uit het Verdrag voortvloeiende verplichting, en deel uitmaakt van onze Europese waarden;

O. overwegende dat ongecoördineerde beperkingen van het vrije verkeer van personen binnen de EU de interne markt sterk fragmenteren;

P. overwegende dat de Commissie reeds een aantal maatregelenpakketten, mededelingen en strategieën heeft goedgekeurd, waaronder het recente voorstel voor een aanbeveling van de Raad betreffende een gecoördineerde benadering van de beperking van het vrije verkeer in reactie op de COVID-19-pandemie van 4 september 2020 (COM(2020)0499);

Q. overwegende dat de Raad deze aanbeveling moet goedkeuren en de nodige maatregelen moet vaststellen om ervoor te zorgen dat de lidstaten hun besluiten en acties om de verspreiding van het virus te stoppen of te beperken coördineren;

R. overwegende dat de terugkeer naar een volledig functionerend Schengengebied van het grootste belang is om het beginsel van vrijheid van verkeer te waarborgen als een van de belangrijkste verworvenheden van de Europese integratie en als belangrijkste voorwaarde voor het economisch herstel van de EU na de COVID-19-pandemie;

S. overwegende dat het Europees Parlement, als medewetgever en enige rechtstreeks door de Europese burgers verkozen instelling, volledig en als essentiële deelnemer betrokken moet worden bij alle discussies over coördinatie op EU-niveau om deze gezondheidscrisis aan te pakken;

T.  overwegende dat de EU geen lering lijkt te hebben getrokken uit de beginperiode van de crisis; overwegende dat er geen gemeenschappelijk Europees gezondheidsbeleid is, maar slechts een samentelling van nationale beleidsmaatregelen;

1. wijst met klem op de noodzaak van een gedeeld en gecoördineerd gezondheidsbeheer om deze pandemie doeltreffend te bestrijden;

2. wijst erop dat het belangrijk is de burgers gerust te stellen met betrekking tot de onderlinge consistentie van de maatregelen die worden genomen in verschillende lidstaten;

3. herinnert eraan dat het vrije verkeer van burgers van de Unie een grondrecht is dat is verankerd in de EU-Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de EU;

4. benadrukt dat dit recht alleen kan worden beperkt om specifieke en beperkte redenen van algemeen belang, namelijk de bescherming van de openbare orde en de openbare veiligheid; herinnert eraan dat in de bepalingen van de Schengengrenscode uitdrukkelijk wordt gesteld dat een bedreiging voor de volksgezondheid een reden kan zijn om toegang te weigeren aan de buitengrens en herinnert er voorts aan dat in de code – en in de Schengenuitvoeringsovereenkomst – geen melding wordt gemaakt van volksgezondheid als reden voor de herinvoering van controles aan de binnengrenzen;

5. benadrukt het feit dat deze beperkingen moeten worden toegepast in overeenstemming met de Schengengrenscode en de algemene beginselen van het EU-recht, met name evenredigheid en non-discriminatie;

6. wijst erop dat controles aan de binnengrenzen een laatste redmiddel zijn en herinnert eraan dat de lidstaten moeten nagaan of andere maatregelen even geschikt of beter geschikt zijn om de doelstelling te realiseren; dringt er bij de lidstaten op aan de mogelijkheid te erkennen om minimale gezondheidscontroles en/of evenredige politiecontroles op te leggen als een beter alternatief voor de invoering van controles aan de binnengrenzen en alleen maatregelen te nemen die strikt noodzakelijk, gecoördineerd en evenredig zijn;

7. acht het van essentieel belang om de binnengrenzen van de EU open te houden voor goederen en om alle andere vrijheden van verkeer binnen de EU en de Europese Economische Ruimte te handhaven, aangezien een sluiting van de binnengrenzen nadelige gevolgen kan hebben voor de interne markt;

8. dringt er bij de lidstaten op aan om, als zij reisbeperkingen of controles aan de binnengrenzen invoeren, uitsluitend noodzakelijke, gecoördineerde en evenredige maatregelen te nemen, en dit pas te doen na zorgvuldige evaluatie van de doeltreffendheid ervan om het volksgezondheidsprobleem aan te pakken, en volgens dezelfde methodologie voor het verzamelen van gezondheidsgegevens en met gebruikmaking van dezelfde criteria om het risico van de pandemie te beoordelen en te monitoren;

9. wijst erop dat het Europees Centrum voor ziektepreventie -bestrijding (ECDC) nog steeds wijst op verschillen in gegevensverzameling en -rapportage door de lidstaten; betreurt dat dit gebrek aan harmonisatie ons verhindert een duidelijk en volledig beeld te krijgen van de verspreiding van het virus in Europa;

10. merkt op dat elke lidstaat gevolg heeft gegeven aan de aanbeveling van zijn eigen wetenschappelijke raad, met slechts beperkte coördinatie met de andere lidstaten of de Commissie;

11. verzoekt de Commissie een gemeenschappelijke methode te bevorderen voor het verzamelen van gezondheidsgegevens en het tellen en rapporteren van het aantal sterfgevallen;

12. dringt er bij de lidstaten op aan dezelfde definitie vast te stellen voor een positief geval van COVID-19 en voor een overlijden door COVID-19;

13. erkent het belang van het incidentiecijfer om de verspreiding van het virus te kunnen beoordelen, maar dringt erop aan dat bij de beoordeling van de situatie ook rekening wordt gehouden met andere gezondheidscriteria, zoals het aantal positieve tests, het aantal ziekenhuisopnames en de ic-bezetting;

14. onderstreept dat dergelijke gemeenschappelijke gezondheidscriteria de lidstaten en de Commissie in staat zullen stellen het epidemiologische risico op EU-niveau gezamenlijk te analyseren;

15. is van mening dat het ECDC in staat moet zijn het risico op verspreiding van het virus adequaat en efficiënt te evalueren en wekelijks een bijgewerkte kaart van het risico te publiceren op basis van een gemeenschappelijke kleurcode, opgesteld op basis van de door de lidstaten verzamelde en verstrekte informatie;

16. steunt de kleurcode die de Commissie heeft voorgesteld in haar laatste voorstel voor een aanbeveling van de Raad; is van mening dat de voorgestelde drempels (groen, oranje, rood en grijs) het verkeer binnen de EU zullen vergemakkelijken en de informatie voor de burgers transparanter en beter voorspelbaar zullen maken;

17. is zeer ingenomen met de door de Commissie voorgestelde regionale aanpak; is van mening dat het in kaart brengen van risico’s door het ECDC niet alleen op nationaal niveau, maar ook op regionaal niveau moet worden gedaan; verzoekt de lidstaten daarom aan het ECDC de door regionale overheden verzamelde gegevens te verstrekken;

18. herinnert eraan dat het ECDC de lidstaten heeft aanbevolen minimale basismaatregelen te nemen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, zoals hygiënemaatregelen, fysieke afstand houden en beperking van bijeenkomsten, gebruik van mondkapjes in bepaalde omstandigheden, thuiswerken, uitgebreide tests, isolatie van positief geteste personen, quarantaine van nauwe contacten en bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen;

19. verzoekt de lidstaten bovenstaande aanbevelingen van het ECDC op te volgen en een gemeenschappelijk kader van gezondheidsmaatregelen vast te stellen die overheidsinstanties in getroffen gebieden moeten nemen om de pandemie een halt toe te roepen;

20. is van oordeel dat overheden aanvullende maatregelen moeten overwegen en deze moeten delen als het aantal besmettingen toeneemt, waaronder maatregelen ter beperking van het aantal verplaatsingen door de bevolking, ter vermindering van het aantal contacten per persoon en ter voorkoming van massabijeenkomsten, met bijzondere aandacht voor hoogrisicogebieden, sluiting van scholen of de aanbeveling om thuis te blijven;

21. is van mening dat een dergelijk kader het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en tussen de getroffen gebieden zou versterken, waardoor een reactie in de vorm van restrictieve maatregelen kan worden voorkomen; verzoekt de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan de specifieke kenmerken van grensoverschrijdende regio’s en aan te dringen op samenwerking op lokaal en regionaal niveau;

22. is van mening dat overheidsinstanties in het geval van een actieve grensoverschrijdende verspreidingszone gezamenlijk gezondheidsmechanismen moeten opzetten voor directe coördinatie en uitwisseling van informatie;

23. benadrukt dat een gecoördineerde toepassing van gezondheidsmaatregelen aan weerszijden van de grenzen van groot belang lijkt om de consistentie en efficiëntie ervan en het draagvlak onder de bevolking te waarborgen;

24. dringt aan op de vaststelling en tenuitvoerlegging van een gemeenschappelijke teststrategie in alle lidstaten, met name in grensoverschrijdende regio’s;

25. is van mening dat de lidstaten het eens moeten worden over het minimumaantal tests dat per dag moet worden uitgevoerd op basis van de kleur van de getroffen zone;

26. wijst erop dat vergelijkbaarheid van testresultaten ervoor moet zorgen dat de landen elkaars testresultaten erkennen;

27. verzoekt de lidstaten om de resultaten van COVID-19-tests die in andere lidstaten door gecertificeerde gezondheidsinstanties zijn uitgevoerd, te erkennen;

28. verzoekt de lidstaten en de Commissie overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke quarantaineperiode, rekening houdend met het advies van het ECDC;

29. verzoekt de lidstaten een gemeenschappelijk protocol vast te stellen voor de monitoring van asymptomatische patiënten, alsmede maatregelen met betrekking tot de isolatie van patiënten die positief zijn getest op COVID-19;

30. is ingenomen met het gebruik door de burgers van traceringsformulieren voor passagiers (Passenger Locator Forms); is van mening dat een digitale versie van de traceringsinformatie moet worden gebruikt om de verwerking te vereenvoudigen, waarbij gelijke toegang voor alle Europeanen gewaarborgd moet zijn;

31. verzoekt de Commissie en de lidstaten zich te baseren op het advies van een Europese wetenschappelijke adviesraad;

32. dringt aan op de oprichting van een COVID-19-taskforce onder leiding van de Commissie; is van mening dat elke lidstaat in deze taskforce vertegenwoordigd moet zijn en een contactpunt van zijn nationale leidinggevenden moet aanwijzen; stelt voor dat de belangrijkste doelstelling van de taskforce erin bestaat regelmatig aanbevelingen te verspreiden die op Europees en nationaal niveau worden voortgestuurd; is van mening dat het Parlement een permanent evaluatiemandaat moet hebben om het werk van deze taskforce te beoordelen;

33. onderstreept dat de door het ECDC vastgestelde gemeenschappelijke methodologie en criteria en de door het ECDC ontwikkelde kaarten een gecoördineerde aanpak van de eigen besluitvormingsprocessen van de lidstaten moeten vergemakkelijken en ervoor moeten zorgen dat alle besluiten van de lidstaten consistent en goed gecoördineerd zijn;

34. herinnert eraan dat verstrekking van duidelijke, tijdige en volledige informatie aan de bevolking van cruciaal belang is om de gevolgen van eventuele beperkingen van het vrije verkeer zo klein mogelijk te houden en om voorspelbaarheid, rechtszekerheid en naleving door de burgers te waarborgen;

35. herinnert eraan dat tijdens de COVID-19-pandemie verscheidene kritieke bedrijfstakken, zoals de voedingsmiddelen-, farmaceutische en zorgsectoren, en hun toeleveringsketens ernstig werden ontwricht;

36. is van mening dat de snelle terugkeer naar een volledig functionerend Schengengebied van het grootste belang is en dringt er bij de lidstaten met klem op aan om samen met het Parlement, de Raad en de Commissie een herstelplan voor het Schengengebied op te stellen, waarin maatregelen worden uiteengezet om terug te keren naar een volledig werkend Schengengebied zonder binnengrenstoezicht, en met op zo kort mogelijke termijn door te voeren noodplannen, om te voorkomen dat de tijdelijke controles aan de binnengrenzen op middellange termijn semipermanent worden;

37. wijst erop dat tijdelijke reisbeperkingen voor alle niet-essentiële reizen vanuit derde landen naar het Schengengebied zijn ingevoerd; benadrukt dat alle besluiten tot weigering van toegang aan de buitengrenzen in overeenstemming moeten zijn met de bepalingen van de Schengengrenscode, met name wat betreft de eerbiediging van de grondrechten, zoals vastgelegd in artikel 4;

38. steunt krachtig de oproep van de Commissie aan de lidstaten om zich te verzetten tegen nationale maatregelen om de uitvoer van persoonlijke beschermingsmiddelen of andere belangrijke medische instrumenten binnen de EU te verbieden;

39. onderstreept het feit dat de Commissie moet optreden om verstoringen van de interne markt als gevolg van de COVID-19-pandemie te remediëren, rekening houdend met maatregelen op het gebied van openbare veiligheid en volksgezondheid, en economisch herstel moet aanmoedigen om de veerkracht van de interne markt te versterken en voorbereid te zijn in het geval van een nieuwe crisis;

40. verzoekt de Commissie en de nationale autoriteiten om tijdens en na de crisis proactief toezicht te houden op de markt om schade voor consumenten als gevolg van de COVID-19-situatie te voorkomen en hen te helpen hun uit het EU-recht voortvloeiende rechten uit te oefenen;

41. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

[1] PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1.

[2] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.

[3] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0175.

[4] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0205.

Laatst bijgewerkt op: 16 september 2020Juridische mededeling - Privacybeleid