Procedure : 2020/2774(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0264/2020

Ingediende teksten :

B9-0264/2020

Debatten :

PV 15/09/2020 - 6
CRE 15/09/2020 - 6

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0230

<Date>{14/09/2020}14.9.2020</Date>
<NoDocSe>B9‑0264/2020</NoDocSe>
PDF 146kWORD 49k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de voorbereiding van de buitengewone top van de Europese Raad, met bijzondere aandacht voor de gevaarlijke escalatie en de rol van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied</Titre>

<DocRef>(2020/2774(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Kati Piri, Tonino Picula, Nacho Sánchez Amor</Depute>

<Commission>{S&D}namens de S&D-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0260/2020

B9‑0264/2020

Resolutie van het Europees Parlement over de voorbereiding van de buitengewone top van de Europese Raad, met bijzondere aandacht voor de gevaarlijke escalatie en de rol van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied

(2020/2774(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties over Turkije, met name die van 24 november 2016 over de betrekkingen tussen de EU en Turkije[1], van 27 oktober 2016 over de situatie van journalisten in Turkije[2], van 8 februari 2018 over de huidige mensenrechtensituatie in Turkije[3], van 13 maart 2019 over het Commissieverslag 2018 over Turkije[4], van 19 september 2019 over de situatie in Turkije, met name de afzetting van verkozen burgemeesters[5], en van 13 november 2014 over het Turkse optreden dat tot spanningen leidt in de exclusieve economische zone van de Republiek Cyprus[6],

 gezien de mededeling van de Commissie van 29 mei 2019 inzake het uitbreidingsbeleid van de EU (COM(2019)0260) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2019)0220),

 gezien Besluit 2020/275 van de Raad van 27 februari 2020 betreffende beperkende maatregelen in het licht van ongeoorloofde booractiviteiten van Turkije in het oostelijk deel van de Middellandse Zee, en de eerdere conclusies van de Raad en de Europese Raad over Turkije,

 gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos), waarbij zowel Griekenland en Cyprus als de Europese Unie partij zijn,

 gezien artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, op grond waarvan de lidstaten de plicht hebben hulp en bijstand te verlenen aan een lidstaat die op zijn grondgebied gewapenderhand wordt aangevallen,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat het oostelijke Middellandse Zeegebied, een gebied dat van strategisch belang is voor de EU en cruciaal is voor vrede en stabiliteit in het gehele Middellandse Zeegebied en het Midden-Oosten, wordt geteisterd door een aantal langdurige en meerlagige geschillen van politieke, economische en geostrategische aard; overwegende dat de geschillen over de omvang van exclusieve economische zones (EEZ’s) en het continentaal plat de laatste tijd zijn geëscaleerd als gevolg van illegale Turkse maatregelen die voortvloeien uit uiteenlopende interpretaties van het zeerecht; overwegende dat aan beide kanten wordt beweerd dat de interpretatie van het zeerecht door de andere partij in strijd is met het internationaal recht en dat de activiteiten van de andere partij illegaal zijn; overwegende dat deze geschillen niet met geweld kunnen worden opgelost, maar door middel van dialoog en samenwerking moeten worden aangepakt en uiteindelijk door de bevoegde rechtbanken moeten worden opgelost middels toepassing van het internationaal recht;

B. overwegende dat de manier waarop Turkije de laatste tijd zijn beweringen doet gelden, onder meer aan de hand van unilaterale maatregelen met een sterke militaire component en beledigingen, onaanvaardbaar en ongepast is voor een kandidaat-lidstaat van de EU; overwegende dat de EU duidelijk en resoluut de belangen van de Europese Unie zal verdedigen, haar onwrikbare steun en solidariteit met Griekenland en Cyprus zal blijven tonen en het internationaal recht zal handhaven;

C. overwegende dat het Turkse leger actief deelneemt aan de illegale exploratie- en booractiviteiten van Turkije in het oostelijk deel van de Middellandse Zee, hetgeen heeft geleid tot een intense en gevaarlijke militarisering van de oostelijke Middellandse Zee, wat een ernstige bedreiging vormt voor de vrede en veiligheid in de hele regio; overwegende dat deze activiteiten van Turkije gepaard gaan met een steeds vijandigere retoriek tegen zowel Griekenland en Cyprus, als andere EU-lidstaten en de EU zelf;

D. overwegende dat Turkije op 20 april 2020 het boorschip Yavuz, vergezeld van een Turks marineschip, de EEZ van Cyprus in heeft gestuurd; overwegende dat Turkije op 30 juli 2020 het seismische onderzoekvaartuig Barbaros, vergezeld van een Turks marineschip en een tweede ondersteunend schip, de EEZ van Cyprus in heeft gestuurd; overwegende dat Turkije op 10 augustus 2020 het onderzoeksvaartuig Oruç Reis, vergezeld van oorlogsschepen, de Griekse wateren in heeft gestuurd om het zeegebied in kaart te brengen voor mogelijke olie- en gasboringen in een gebied waar Turkije ook aanspraak ook maakt; overwegende dat Griekenland hierop heeft gereageerd door zijn eigen oorlogsschepen in te zetten om de Turkse schepen te volgen, en dat daarbij een Grieks en een Turks schip in aanvaring zijn gekomen;

E. overwegende dat Turkije op 31 augustus 2020 zijn exploratie in het oostelijke Middellandse Zeegebied door de Oruç Reis heeft verlengd tot 12 september 2020; overwegende dat het Navtex-waarschuwingsbericht dat Turkije stuurde, betrekking heeft op een gebied dat zich op het Griekse continentaal plat bevindt; overwegende dat deze activiteiten van Turkije tot een aanzienlijke verslechtering van de betrekkingen tussen Griekenland en Turkije hebben geleid;

F. overwegende dat de Grote Nationale Assemblee van Turkije op 8 juni 1995 officieel heeft verklaard dat elk optreden van Griekenland om zijn territoriale wateren uit te breiden tot 12 zeemijl in de Egeïsche Zee – zoals erkend door het UNCLOS – een casus belli zou zijn; overwegende dat deze verklaring nog steeds geldt en onlangs door de Turkse regering werd herhaald;

G. overwegende dat VV/HV Josep Borrell actief optreedt in de regio, samen met het Duitse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie, en dat de VV/HV werkt aan oplossingen om de situatie aan te pakken door middel van een dialoog tussen Turkije, Griekenland en Cyprus; overwegende dat Turkije zich moet onthouden van unilaterale acties om de dialoog te doen vorderen;

H. overwegende dat ook de NAVO verschillende initiatieven voor dialoog tussen de partijen heeft voorgesteld; overwegende dat Griekenland en Turkije op initiatief van de secretaris-generaal van de NAVO zijn overeengekomen technische besprekingen aan te knopen bij de NAVO om mechanismen voor militaire deconflictering in te stellen en het risico op incidenten en ongevallen in het oostelijke Middellandse Zeegebied te beperken;

I. overwegende dat Turkije het Unclos, dat deel uitmaakt van het EU-acquis, niet heeft ondertekend; overwegende dat Turkije een memorandum van overeenstemming inzake de afbakening van maritieme rechtsgebieden met Libië heeft ondertekend, wat illegaal is en indruist tegen het Unclos en het internationaal recht; overwegende dat Griekenland op 6 augustus 2020 een overeenkomst over een EEZ met Egypte heeft ondertekend; overwegende dat de aankondiging van de overeenkomst tussen Griekenland en Egypte ertoe heeft geleid dat Turkije de verkennende gesprekken waarover een dag eerder een akkoord was bereikt, heeft afgelast;

J. overwegende dat in november 2019 een kader voor beperkende maatregelen is ingesteld als reactie op de illegale booractiviteiten van Turkije in het oostelijk deel van de Middellandse Zee, nadat de Raad herhaaldelijk uiting had gegeven aan zijn bezorgdheid over de booractiviteiten en deze in verschillende conclusies, waaronder de conclusies van de Europese Raad van 22 maart 2018 en 20 juni 2019, krachtig had veroordeeld;

K. overwegende dat de Raad op 27 februari 2020 twee personen op de lijst heeft geplaatst van degenen op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn als reactie op de ongeoorloofde booractiviteiten van Turkije in de oostelijke Middellandse Zee; overwegende dat deze personen verantwoordelijk zijn voor of betrokken zijn bij het plannen, aansturen en uitvoeren van de offshore-exploratie van koolwaterstoffen in de oostelijke Middellandse Zee, die niet door Cyprus zijn toegestaan; overwegende dat deze beperkende maatregelen een reisverbod in de EU en een bevriezing van tegoeden omvatten;

L. overwegende dat tijdens een informele bijeenkomst van de Raad (Gymnich) op 28 augustus 2020 werd opgeroepen tot verdere gerichte sancties tegen Turkije als de spanningen in de regio niet worden opgelost; overwegende dat deze beperkende maatregelen zullen worden besproken tijdens de buitengewone top van de Europese Raad op 24 en 25 september 2020;

1. roept Turkije op zich terughoudend op te stellen, de situatie te de-escaleren en af te zien van verdere illegale exploratie- en booractiviteiten in het oostelijk deel van de Middellandse Zee; betreurt ten zeerste dat de dreiging van casus belli die Turkije in 1995 tegen Griekenland heeft uitgesproken, nog steeds geldt, en dringt erop aan op dat deze wordt ingetrokken; verwerpt het gebruik van bedreigingen en beledigende taal jegens lidstaten en de EU als onaanvaardbaar en ongepast voor een kandidaat-lidstaat van de EU;

2. is groot voorstander van een terugkeer naar de dialoog tussen de partijen, als enige manier om de huidige situatie te boven te komen; beschouwt de terugtrekking van militaire en verkennende vaartuigen uit de betwiste wateren als een noodzakelijk gebaar van goede wil om deze dialoog mogelijk te maken; is ernstig bezorgd over het feit dat in het huidige extreem gespannen klimaat van toenemende militarisering elk opzettelijk of toevallig incident kan leiden tot een echt conflict dat ernstige gevolgen kan hebben voor alle betrokken partijen;

3. veroordeelt de illegale activiteiten van Turkije op het continentaal plat/de EEZ’s van Griekenland en Cyprus, waardoor de soevereine rechten van deze EU-lidstaten worden geschonden; dringt er bij Turkije op aan zich in te zetten voor de vreedzame beslechting van geschillen en zich te onthouden van unilaterale en illegale maatregelen of bedreigingen, die immers negatieve gevolgen kunnen hebben voor de betrekkingen van goed nabuurschap; roept Turkije op zich meer in te spannen om een oplossing te vinden voor openstaande bilaterale vraagstukken, met inbegrip van niet nagekomen wettelijke verplichtingen en onopgeloste conflicten over land- en zeegrenzen en geschillen over het luchtruim met zijn naaste buren, overeenkomstig de bepalingen van het Handvest van de VN en het internationaal recht; herhaalt zijn oproep aan de Turkse regering om het Unclos, dat deel uitmaakt van het EU-acquis, te ondertekenen en te ratificeren; roept alle betrokken partijen op tot overeenstemming te komen en, indien zij niet onderling tot een akkoord kunnen komen, een beroep te doen op de relevante internationale rechtbanken om hun tegenstrijdige vorderingen uit hoofde van het internationaal recht op te lossen; herinnert eraan dat zowel Griekenland als Cyprus reeds aan Turkije hebben gevraagd de zaak te verwijzen naar de bevoegde internationale rechtbanken, maar dat Turkije het voorstel niet heeft aanvaard;

4. roept Turkije, als kandidaat-lidstaat van de EU, op het zeerecht en de soevereiniteit van de EU-lidstaten Griekenland en Cyprus over hun territoriale wateren volledig te eerbiedigen, evenals al hun soevereine rechten in hun maritieme zones, met inbegrip van de rechten in verband met de prospectie en exploitatie van natuurlijke hulpbronnen, zoals het recht om bilaterale overeenkomsten betreffende hun EEZ’s te sluiten, in overeenstemming met het EU-acquis en het internationaal recht; dringt er bij Turkije op aan een einde te maken aan de herhaaldelijke schendingen van het Griekse luchtruim en de Griekse en Cypriotische territoriale wateren, en de territoriale integriteit van al zijn buurlanden te eerbiedigen;

5. is ingenomen met de inspanningen van de EU, met name van VV/HV Josep Borrell en het Duitse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie, en van andere internationale instellingen zoals de NAVO, om oplossingen te zoeken door middel van een dialoog tussen Turkije, Griekenland en Cyprus; roept alle partijen op tot een echt collectief engagement, om te goeder trouw te onderhandelen over de afbakening van EEZ’s en het continentaal plat, met volledige inachtneming van het internationaal recht en het beginsel van goed nabuurschap; steunt het voorstel voor een multilaterale conferentie over het oostelijke Middellandse Zeegebied waaraan alle betrokkenen deelnemen, om een platform te bieden voor het beslechten van geschillen door middel van dialoog; betreurt dat Turkije de verkennende gesprekken tussen Turkije en Griekenland heeft afgelast naar aanleiding van de maritieme overeenkomst tussen Griekenland en Egypte, die op 6 augustus 2020 werd gesloten;

6. drukt zijn ernstige bezorgdheid uit en onderstreept de negatieve gevolgen die de illegale exploratie- en booractiviteiten van Turkije in het oostelijk deel van de Middellandse Zee hebben voor alle betrekkingen tussen de EU en Turkije, met inbegrip van de status van kandidaat-lidstaat, alsook de negatieve gevolgen die deze en andere acties in het kader van het huidige buitenlands beleid van Turkije hebben voor de stabiliteit van de hele regio;

7. verzoekt de Raad om, bij gebrek aan significante vooruitgang in de betrekkingen met Turkije, een lijst van verdere sancties op te stellen, die zal worden besproken tijdens de buitengewone top van de Europese Raad op 24 en 25 september 2020; is stellig van mening dat deze sancties geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de bevolking van Turkije, voor onze steun aan het onafhankelijke maatschappelijk middenveld in Turkije of voor vluchtelingen die in Turkije verblijven;

8. verzoekt de VV/HV, zolang Turkije doorgaat met zijn huidige illegale unilaterale acties in het oostelijke Middellandse Zeegebied, die ingaan tegen de soevereiniteit van EU-lidstaten (in het bijzonder Griekenland en Cyprus) en het internationaal recht, en zolang Turkije geen dialoog aangaat op basis van internationaal recht, in de Raad voor te stellen dat alle EU-lidstaten overgaan tot de opschorting van vergunningen voor wapenuitvoer naar Turkije, overeenkomstig Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/CFSP[7];

9. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de president, de regering en het parlement van Turkije.

 

[1] PB C 224 van 27.6.2018, blz. 93.

[2] PB C 215 van 19.6.2018, blz. 199.

[3] PB C 463 van 21.12.2018, blz. 56.

[4] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0200.

[5] Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0017.

[6] PB C 285 van 5.8.2016, blz. 11.

[7] PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.

Laatst bijgewerkt op: 16 september 2020Juridische mededeling - Privacybeleid