Procedure : 2020/2774(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0266/2020

Ingediende teksten :

B9-0266/2020

Debatten :

PV 15/09/2020 - 6
CRE 15/09/2020 - 6

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0230

<Date>{14/09/2020}14.9.2020</Date>
<NoDocSe>B9‑0266/2020</NoDocSe>
PDF 146kWORD 49k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de voorbereiding van de buitengewone top van de Europese Raad, met bijzondere aandacht voor de gevaarlijke escalatie en de rol van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied</Titre>

<DocRef>(2020/2774(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Nathalie Loiseau, Petras Auštrevičius, Stéphane Bijoux, Vlad‑Marius Botoş, Sylvie Brunet, Dita Charanzová, Olivier Chastel, Ilana Cicurel, Bernard Guetta, Klemen Grošelj, Moritz Körner, Frédérique Ries, Ramona Strugariu, Hilde Vautmans</Depute>

<Commission>{Renew}namens de Renew-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0260/2020

B9‑0266/2020

Resolutie van het Europees Parlement over de voorbereiding van de buitengewone top van de Europese Raad, met bijzondere aandacht voor de gevaarlijke escalatie en de rol van Turkije in het oostelijke Middellandse Zeegebied

(2020/2774(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de conclusies van de Europese Raad over het oostelijke Middellandse Zeegebied van 19 augustus 2020,

 gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en met name zijn verklaring van 20 augustus 2020,

 gezien de verklaringen naar aanleiding van de informele bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken (Gymnich) op 27 en 28 augustus,

 gezien de verklaring van de secretaris-generaal van de NAVO van 3 september 2020,

 gezien de Ajaccio-verklaring naar aanleiding van de zevende top van de zuidelijke landen van de Unie (Med7) van 10 september 2020,

 gezien het Handvest van de Verenigde Naties en alle VN-verdragen waarbij de EU‑lidstaten, waaronder Griekenland en Cyprus, alsook Turkije partij zijn,

 gezien het Statuut van Rome en de oprichtingsdocumenten van het Internationaal Gerechtshof en de precedenten die zijn geschapen door de jurisprudentie van dit hof,

 gezien het NAVO-Verdrag van 1949,

 gezien zijn resolutie van 13 maart 2019 over het Commissieverslag 2018 over Turkije[1], waarin het de Commissie en de Raad aanbeveelt om in overeenstemming met het onderhandelingskader de toetredingsonderhandelingen met Turkije formeel op te schorten,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat Turkije, als gevolg van zijn besluit om in strijd met het internationale recht exploratieschepen onder begeleiding van Turkse marinevaartuigen uit te sturen om binnen de maritieme grenzen van Griekenland en Cyprus op zoek te gaan naar aardgas, de territoriale integriteit van Griekenland en Cyprus heeft geschonden, en bijgevolg ook de territoriale integriteit van de Europese Unie heeft geschonden;

B. overwegende dat de verkennende gesprekken tussen Griekenland en Turkije sinds maart 2016 stilliggen; overwegende dat zowel de Griekse premier als de Turkse president na hun ontmoeting in september 2019 in de Algemene Vergadering van de VN een positieve impuls hebben gegeven om de bilaterale betrekkingen te verbeteren, en in december om de politieke dialoog te hervatten, waarna hoge functionarissen in januari 2020 bijeenkwamen in Ankara en er in februari 2020 in Athene besprekingen werden gevoerd over vertrouwenwekkende maatregelen;

C. overwegende dat Turkije in november 2019 met de Libische regering een memorandum van overeenstemming heeft ondertekend om de gedeelde maritieme grenzen af te bakenen, ook al hebben beide landen geen aangrenzende of tegenoverliggende kusten; overwegende dat deze overeenkomst door een aantal landen in de regio nietig is verklaard; overwegende dat Griekenland op 6 augustus 2020, na 15 jaar onderhandelen, met Egypte een overeenkomst heeft ondertekend om zijn exclusieve economische zone af te bakenen;

D. overwegende dat de Raad op 27 februari 2020 twee leidinggevenden van Turkish Petroleum Corporation (TPAO) op de EU-sanctielijst heeft geplaatst, waardoor hun een reisverbod en bevriezing van tegoeden werd opgelegd, naar aanleiding van de Turkse betrokkenheid bij illegale booractiviteiten in het oostelijke Middellandse Zeegebied zonder toestemming van de Republiek Cyprus; overwegende dat de Raad op 11 november 2019 een rechtskader voor beperkende maatregelen heeft goedgekeurd als reactie op de illegale booractiviteiten van Turkije, nadat de Raad eerder herhaaldelijk zijn bezorgdheid had geuit en de Turkse activiteiten streng had veroordeeld in verscheidene conclusies, met name op 22 maart 2018 en 20 juni 2019;

E. overwegende dat Turkije in februari en maart 2020 logistieke steun heeft verleend om duizenden migranten naar de Griekse grens te sturen en desinformatiecampagnes heeft gevoerd tegen Griekenland en de EU;

F. overwegende dat Turkije op 21 juli heeft besloten exploratieactiviteiten te starten binnen de Griekse maritieme grenzen rond Kastellorizo en de boorplaats Barbaros in de exclusieve economische zone (EEZ) van de Republiek Cyprus;

G. overwegende dat Turkije op 16 augustus 2020 zeventien marineschepen heeft laten uitvaren om zijn exploratieschip Oruç Reis te escorteren in Griekse wateren, en op hetzelfde moment de Turkse vloot heeft gemobiliseerd in de Egeïsche Zee, waarna de Griekse strijdkrachten in de hoogste staat van paraatheid zijn gebracht; overwegende dat een dag later een Grieks en een Turks oorlogsschip per ongeluk in aanvaring zijn gekomen in het gebied;

H. overwegende dat Turkije er na bemiddelingspogingen van Duitsland mee heeft ingestemd zijn exploratieschip Oruç Reis vóór 23 augustus terug te trekken en de gezamenlijke verkennende gesprekken met Griekenland te hervatten; overwegende dat Turkije zijn schip en vloot pas op 12 september heeft teruggetrokken, en dat het mandaat van de illegale missie ervan dus werd verlengd;

I. overwegende dat Turkije het exploratieschip Oruç Reis op 12 september eindelijk het bevel gaf om terug te keren;

J. overwegende dat Griekenland sinds januari 2020 meer dan 600 schendingen van zijn luchtruim door de Turkse luchtmacht heeft geregistreerd boven gedemilitariseerde Griekse eilanden in de Egeïsche Zee; overwegende dat Turkije heeft geprobeerd de NAVO-defensieplannen van Polen en de Baltische staten te blokkeren;

K. overwegende dat een Frans marineschip op 10 juni uiterst vijandig werd bejegend door Turkse oorlogsschepen toen het in het kader van de NAVO-operatie Sea Guardian verzocht een Turks vaartuig dat verdacht werd van schending van het VN-wapenembargo tegen Libië te inspecteren;

L. overwegende dat Frankrijk op 12 augustus, ter ondersteuning van Griekenland en Cyprus, twee marineschepen en gevechtsvliegtuigen heeft ingezet in het gebied, en op 26 augustus samen met Griekenland, Cyprus en Italië heeft deelgenomen aan militaire oefeningen;

M. overwegende dat de Europese Unie en haar lidstaten de verantwoordelijkheid hebben het internationale recht te handhaven, met inbegrip van het Verdrag van Montego Bay inzake het recht van de zee en de gerelateerde jurisprudentie inzake zeegrenzen, ongeacht het feit dat Turkije het verdrag niet heeft geratificeerd;

N. overwegende dat Griekenland en Cyprus hebben herhaald bereid te zijn een beroep te doen op de rechtsmacht van het Internationaal Gerechtshof;

O. overwegende dat de EU met voorsprong de belangrijkste handelspartner van Turkije is en de voornaamste bron van buitenlandse directe investeringen in het land; overwegende dat het initiatief om de douane-unie te moderniseren in 2018 werd opgeschort; overwegende dat de gesprekken over sectorale partnerschappen tussen de EU en Turkije pas kunnen worden hervat na een de-escalatie van de spanningen in het oostelijke Middellandse Zeegebied;

P. overwegende dat Turkije een belangrijke partner blijft voor de EU en tevens lid van de NAVO blijft; overwegende dat in artikel 1 van het NAVO-Verdrag is vastgelegd dat de partijen bij dit Verdrag zich ertoe verbinden om alle internationale geschillen waarin zij verwikkeld raken met vreedzame middelen te beslechten op zodanige wijze dat de internationale vrede en veiligheid en gerechtigheid niet in gevaar worden gebracht, en zich in hun internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld op enige wijze die onverenigbaar is met de beginselen van de Verenigde Naties;

1. betuigt zijn volledige solidariteit met Griekenland en Cyprus;

2. spreekt zijn scherpe veroordeling uit van de Turkse militaire en civiele interventie binnen de EU-zeegrenzen van de EU-lidstaten Griekenland en Cyprus in het oostelijke Middellandse Zeegebied, waarmee de veiligheid en stabiliteit van de regio ernstig in gevaar worden gebracht en het internationale recht wordt geschonden;

3. is verheugd over het besluit van Turkije van 12 september om zijn exploratie- en marineschepen onmiddellijk terug te trekken uit het gebied binnen de EU-zeegrenzen; eist dat Turkije de gesprekken met Griekenland en Cyprus hervat en vertrouwenwekkende maatregelen neemt; eist dat Turkije zich anders tot het Internationaal Gerechtshof wendt om openstaande territoriale kwesties op te lossen, zoals wordt gevraagd door Griekenland en Cyprus;

4. verwerpt ten stelligste de unilaterale verklaring van de Turkse minister van Buitenlandse Zaken dat de maritieme gebieden van Griekenland en Cyprus moeten worden beschouwd als onderdeel van het Turkse grondgebied op grond van hun ligging op dezelfde continentale plaat als Turkije;

5. is verheugd over de aanhoudende bemiddelingspogingen van Duitsland om de situatie te doen de-escaleren;

6. veroordeelt de voortdurende dreigementen van de Turkse regering ten aanzien van Griekenland, Cyprus en de EU-lidstaten, evenals zijn desinformatiecampagnes tegen de EU;

7. wijst erop dat het Parlement reeds stappen heeft ondernomen om de financiering uit hoofde van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) aan Turkije te verminderen, vanwege de aanzienlijke achteruitgang van de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat in het land;

8. roept de Raad ertoe op om tijdens zijn bijeenkomst van 24 september alle passende middelen waarover de Europese Unie beschikt aan te wenden om te reageren op de agressieve acties van Turkije; verzoekt de Raad sneller werk te maken van de uitbreiding van de EU-sanctielijst met aanvullende vermeldingen op basis van voorstellen die reeds op tafel liggen, teneinde deze zo snel mogelijk te kunnen goedkeuren, en verzoekt de Raad een lijst op te stellen van aanvullende beperkende maatregelen, zoals een alomvattend wapenembargo in het geval dat de Turkse regering onvoldoende vooruitgang boekt om de dialoog aan te gaan en geen einde maakt aan de Turkse unilaterale activiteiten;

9. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de EU‑lidstaten, de Verenigde Naties en Turkije, en te zorgen voor een Turkse vertaling van deze tekst.

[1] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0200.

Laatst bijgewerkt op: 16 september 2020Juridische mededeling - Privacybeleid