Procedure : 2020/2764(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0310/2020

Ingediende teksten :

B9-0310/2020

Debatten :

PV 05/10/2020 - 24
CRE 05/10/2020 - 24

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0267

<Date>{02/10/2020}1.10.2020</Date>
<NoDocSe>B9-0310/2020</NoDocSe>
PDF 169kWORD 59k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van vragen met verzoek om mondeling antwoord B9‑0018/2020 en B9‑0019/2020</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 136, lid 5, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de jongerengarantie</Titre>

<DocRef>(2020/2764(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Lucia Ďuriš Nicholsonová</Depute>

<Commission>{EMPL}namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken</Commission>

</RepeatBlock-By>

AMENDEMENTEN

B9-0310/2020

Resolutie van het Europees Parlement over de jongerengarantie

(2020/2764(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 145, 147 en 149 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

 gezien de Europese pijler van sociale rechten (EPSR) die in november 2017 werd afgekondigd door het Parlement, de Raad en de Commissie, en met name beginsel 4 daarvan: “Actieve ondersteuning bij het vinden van werk”,

 gezien de conclusies van de Europese Raad van 17-21 juli 2020,

 gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad[1],

 gezien Verordening (EU) 2015/779 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1304/2013, inzake een aanvullend initieel voorfinancieringsbedrag dat wordt uitgekeerd aan door het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gesteunde operationele programma’s[2],

 gezien Besluit (EU) 2019/1181 van de Raad van 8 juli 2019 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten[3],

 gezien Aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 tot invoering van een jongerengarantie[4],

 gezien Speciale verslagen van de Europese Rekenkamer nr. 3/2015, getiteld “EU-jongerengarantie: eerste stappen genomen, maar uitvoeringsrisico’s in het verschiet”, nr. 17/2015, getiteld “Steun van de Commissie voor jongerenactieteams: heroriëntatie van ESF-middelen verwezenlijkt, maar onvoldoende aandacht voor resultaten” en nr. 5/2017, getiteld “Jeugdwerkloosheid – heeft het EU-beleid een verschil gemaakt? Een evaluatie van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief”,

 gezien werkdocument nr. 4/2015 van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), getiteld “The Youth Guarantee programme in Europe: Features, implementation and challenges” en het verslag van Eurofound, getiteld “Social inclusion of young people” uit 2015,

 gezien de mededeling van de Commissie van 1 juli 2020, getiteld “Ondersteuning van de werkgelegenheid voor jongeren: een brug naar banen voor de volgende generatie” COM(2020)0276),

 gezien het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad inzake “Een brug naar banen – versterking van de jongerengarantie en tot vervanging van de Aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 tot invoering van een jongerengarantie” (COM(2020)0277) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2020)0124),

 gezien de mededeling van de Commissie van 22 mei 2018, getiteld “Jongeren betrekken, verbinden en versterken: een nieuwe EU-strategie voor jongeren (COM(2018) 0269) en de resolutie van de Raad van 15 november 2018 over de EU-strategie voor jongeren 2019-2027[5],

 gezien de mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016, getiteld “Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief” (COM(2016)0646) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0323),

 gezien zijn resolutie van 23 juli 2020 over de conclusies van de buitengewone Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020[6],

 gezien zijn resolutie van 18 januari 2018 over de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de lidstaten[7],

 gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de controle van de uitgaven en het toezicht op de kosteneffectiviteit van de EU-garantieregelingen voor jongeren[8],

 gezien zijn resolutie van 16 januari 2013 over een jongerengarantie[9],

 gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over versterking van de jongerengarantie (O-000058/2020 – B9-0018/2020 en O-000059/2020 – B9‑0019/2020),

 gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

 gezien de door de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken ingediende ontwerpresolutie,

A. overwegende dat de jongerengarantie, sinds zij in 2013 in het leven werd geroepen, kansen voor jongeren heeft gecreëerd en meer dan 24 miljoen jongeren heeft geholpen bij het vinden van werk of deelname aan vervolgopleiding, een leerplaats of een stageprogramma; overwegende dat de jeugdwerkloosheid (leeftijdscategorie 15-24 jaar) die in 2013 een piek bereikte van 24,4 %, in de periode vóór de COVID-19-crisis gemiddeld op 14,9 % lag; overwegende dat dit percentage nog altijd twee keer zo hoog is als het totale werkloosheidspercentage (6,5 %); overwegende dat jongeren oververtegenwoordigd zijn in atypische arbeidsvormen en dat 43,8 % van de jongeren in de EU een tijdelijk contract heeft; overwegende dat achter het jeugdwerkloosheidspercentage enorme verschillen schuil gaan, en dat het werkloosheidspercentage voor jongeren onder 25 jaar in Spanje bijvoorbeeld 40,8 % bedraagt (juni 2020) en in Griekenland 33,6 % (april 2020); overwegende dat te veel jongeren terechtkomen in onzekere banen en te veel jongeren hun eigen regio of land moeten verlaten om behoorlijk werk te vinden;

B. overwegende dat gebleken is dat de jongerengarantie heeft gefungeerd als stimulans voor structurele hervormingen in de openbare diensten voor arbeidsvoorziening en de onderwijsstelsels in de lidstaten; overwegende dat de jongerengarantie in de eerste periode echter tamelijk langzaam en fragmentarisch ten uitvoer werd gelegd en dat belanghebbenden en jongeren diverse tekortkomingen met betrekking tot de opzet en de werking in de praktijk onder de aandacht hebben gebracht; overwegende dat de Europese Rekenkamer in Speciaal verslag nr. 5/2017 kritiek heeft geuit op de beperkte vooruitgang die er met betrekking tot de jongerengarantie was geboekt, en tot de conclusie kwam dat de bijdrage van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de jongerengarantie in de vijf bezochte lidstaten op het moment van de controle slechts zeer beperkt was, en dat de jongerengarantie, die ervoor moest zorgen dat alle NEET’s (jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen) binnen vier maanden een deugdelijk aanbod zouden krijgen, drie jaar na de aanneming van de aanbeveling van de Raad nog niet voldeed aan de ten tijde van de lancering ervan gewekte verwachtingen; overwegende dat de Commissie en de lidstaten geleidelijk aanpassingen hebben doorgevoerd en betere richtsnoeren hebben opgesteld met betrekking tot het programma, waardoor de jongerengarantie en YEI belangrijke instrumenten zijn geworden ter bestrijding van jeugdwerkloosheid in de EU;

C. overwegende dat de bestrijding van jeugdwerkloosheid voor zowel het Parlement en de Commissie als de lidstaten een politieke prioriteit is, die ook van belang is in verband met het streven van de Unie naar duurzame groei en hoogwaardige banen en aansluit bij de EPSR;

D. overwegende dat de voorzitter van de Commissie, Ursula von der Leyen, bij de presentatie van haar politieke prioriteiten heeft verklaard dat zij de intentie heeft om de jongerengarantie om te zetten in een permanent instrument ter bestrijding van jeugdwerkloosheid, en dat meer begrotingsmiddelen en regelmatige verslaglegging noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de jongerengarantie in elke lidstaat haar beloftes waarmaakt;

E. overwegende dat de COVID‑19-pandemie heeft geleid tot een ongekende economische en sociale crisis, als gevolg waarvan de werkloosheidscijfers in de EU stijgen en miljoenen mensen dreigen hun baan te verliezen; overwegende dat de jeugdwerkloosheid in de EU in juni 2020 16,8 % bedroeg, maar dat dit percentage naar verwachting flink zal stijgen omdat jongeren vermoedelijk het hardst getroffen zullen worden, net als tijdens de crisis van 2008; overwegende dat hoge jeugdwerkloosheidscijfers nadelige gevolgen hebben voor personen die door werkloosheid getroffen worden, en dat vaak sprake is van het zogenaamde “littekeneffect”; overwegende dat deze nadelige gevolgen met name gevoeld worden door de steeds groter wordende groep langdurig werkloze jongeren en ook door de samenleving in het algemeen, en dat er daarom resolute en gerichte beleidsmaatregelen genomen moeten worden; overwegende dat investeringen in het menselijk kapitaal van jonge Europeanen een bijdrage leveren aan de versterking van de Europese economieën en samenlevingen en deze inclusiever en veerkrachtiger maken; overwegende dat Europa alleen maar concurrerend kan zijn met een gekwalificeerde, creatieve en innovatieve beroepsbevolking;

F. overwegende dat jongeren tijdens een economische crisis onevenredig zwaar getroffen worden[10]; overwegende dat het, om hoge jeugdwerkloosheidscijfers te voorkomen, essentieel is dat er maatregelen genomen worden om de economische crisis ten gevolge van de COVID-19-pandemie aan te pakken; overwegende dat een op de zes jongeren die voor de uitbraak van de COVID-19-pandemie werk hadden, geen werk meer heeft of is ontslagen; overwegende dat het aantal door jongeren gewerkte uren met bijna een kwart is gedaald en dat twee op de vijf jongeren aangeven minder inkomen te hebben, en dat jongeren in de landen met de laagste lonen het vaakst te maken hebben met een daling van het aantal gewerkte uren en inkomen;

G. overwegende dat de lockdownmaatregelen ertoe geleid hebben dat jongeren per direct moesten stoppen met formeel en informeel onderwijs, stages, praktijkplaatsen en leerlingplaatsen en met hun werk, met gevolgen voor hun inkomen, inkomenspotentieel, welzijn en gezondheid, met name hun geestelijke gezondheid; overwegende dat jeugdwerkloosheidsmaatregelen rekening moeten houden met de multidimensionele aard van het probleem;

H. overwegende dat jongeren met een beperking bijzonder zwaar door de pandemie getroffen zijn en nu nog meer risico lopen op sociaaleconomische uitsluiting; overwegende dat het noodzakelijk is om gerichte maatregelen vast te stellen om hun integratie op de arbeidsmarkt te ondersteunen en ervoor te zorgen dat zij toegang hebben tot goede dienstverlening, zonder discriminatie en zonder (financiële) belemmeringen;

I. overwegende dat jongeren een grotere kans lopen om ontslagen te worden omdat zij vaker werkzaam zijn in de informele economie, vaker atypisch werk verrichten, vaker geen of weinig sociale bescherming genieten, en minder werkervaring hebben;

J. overwegende dat jongeren oververtegenwoordigd zijn in atypische arbeidsvormen, zoals platformwerk of werk op oproepbasis, en dat deze arbeidsvormen minder baanzekerheid bieden en minder of geen toegang tot sociale bescherming, waardoor jongeren een grotere kans lopen om tijdens een crisis zoals de COVID-19-pandemie werkloos te raken en vervolgens geen toegang te hebben tot sociale bescherming;

K. overwegende dat het van belang is om te wijzen op het verschil tussen werkloosheidscijfers en cijfers met betrekking tot inactiviteit, omdat daarmee een beter inzicht verkregen wordt in het effect van de crisis op jongeren, omdat een stijging van het aandeel inactieven kan resulteren in een statistische daling van het aantal werklozen; overwegende dat in diverse lidstaten het aantal inactieven meer is gestegen dan het aantal werklozen, doordat mensen tijdens de crisis gestopt zijn met het zoeken naar een baan en doordat overheden arbeidsmarktmaatregelen hebben vastgesteld, zoals werktijdverkortingsregelingen en ontslagverboden;

L. overwegende dat contracten tegen lage lonen, atypische arbeidscontracten, schijnzelfstandigheid, een gebrek aan elementaire sociale zekerheid en leeftijdsdiscriminatie deel uitmaken van de arbeidsomstandigheden van miljoenen jongeren; overwegende dat het percentage inactieve jongeren in de meeste lidstaten is toegenomen en overwegende dat de genderkloof onder NEET’s in deze periode eveneens is toegenomen; overwegende dat bij veel jongeren periodes van werk en werkloosheid of inactiviteit zich afwisselen en dat het veel jongeren niet lukt om te ontsnappen aan een situatie van onzeker of atypisch werk; overwegende dat jongeren meer kans lopen dan anderen om hun werk te verliezen als gevolg van automatisering;

M. overwegende dat vrouwen, en met name jonge vrouwen, het slachtoffer zijn van meervoudige discriminatie, omdat zij én jong én vrouw zijn, hetgeen veroorzaakt wordt door een zorgwekkende onevenwichtige situatie op de arbeidsmarkt;

N. overwegende dat de pandemie kan leiden tot meer ongelijkheid in de samenleving en tot verdieping van de digitale kloof, die in de EU als geheel en in de lidstaten nog altijd een ernstig probleem vormt; overwegende dat het gebrek aan goede breedbandtoegang en toegang tot passende IT-apparatuur voor jongeren in het algemeen, maar ook in het kader van onderwijs op afstand en telewerken, kan leiden tot nog meer ongelijkheid, uitsluiting en discriminatie;

O. overwegende dat tijdens de vorige crisis is gebleken dat als er voor jongeren geen mogelijkheden zijn om een goede stage te lopen of baan te vinden - op basis van een schriftelijke overeenkomst en met goede arbeidsomstandigheden, zoals een leefbaar loon, beroepsoriëntatie en loopbaanbegeleiding en mogelijkheden voor bijscholing - het gevaar zeer aanzienlijk is dat zij zich genoodzaakt voelen om onzekere banen te accepteren, moeten emigreren om werk te vinden of zich moeten inschrijven voor opleiding of scholing terwijl zij in feite op zoek zijn naar echt werk;

P. overwegende dat een van de belangrijkste tekortkomingen van de jongerengarantie is dat jongeren vaak geen deugdelijk aanbod wordt gedaan; overwegende dat stages die in het kader van de jeugdgarantie worden aangeboden niet alleen betaalde stages moeten zijn, maar ook beperkt moeten zijn in duur en niet vele malen verlengd moeten kunnen worden, om te voorkomen dat jongeren oneindig lang stage lopen en als goedkope of zelfs gratis arbeidskrachten worden misbruikt, zonder dat zij sociale bescherming genieten of pensioen opbouwen; overwegende dat uit onderzoek blijkt dat jongeren van de huidige generatie hun eerste echte baan vinden als ze dertig zijn;

Q. overwegende dat jongeren van de huidige generatie hoogopgeleid zijn; overwegende dat scholing, omscholing en bijscholing niet de oplossing vormen voor het gebrek aan banen voor jongeren; overwegende dat het scheppen van hoogwaardige en duurzame banen wel van belang is om jongeren een zekere toekomst te bieden;

R. overwegende dat werkgelegenheidsprogramma’s kunnen bijdragen aan het terugdringen van werkloosheid maar geen vervanging vormen van bredere inspanningen ter bevordering van flexibeler arbeidsmarkten; overwegende dat belemmeringen op de arbeidsmarkt zeer schadelijke gevolgen hebben voor jongeren, leiden tot meer werkloosheid en ervoor zorgen dat nieuwe generaties kwetsbaar zijn; overwegende dat uit onderzoek[11] is gebleken dat er enerzijds behoefte is aan actief arbeidsmarktbeleid en anderzijds aan socialebeschermingsstelsels die gebaseerd zijn op de armoederisicodrempel, om te voorkomen dat met de maatregelen alleen maar bereikt wordt dat banenkansen van de ene naar de andere subgroep kwetsbare personen worden overgeheveld, zonder dat dat per saldo iets oplevert;

S. overwegende dat de lidstaten in de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten van 2019 worden opgeroepen om de jeugdwerkloosheid en de kwestie van NEET’s aan te pakken door voortijdig schoolverlaten te voorkomen en de overgang van school naar werk structureel te verbeteren, onder meer door volledige uitvoering van de jongerengarantie;

T. overwegende dat het voorstel voor een aanbeveling van de Raad inzake de versterking van de jongerengarantie voortbouwt op de ervaring die is opgedaan en de lessen die zijn geleerd tijdens de uitvoering van de jongerengarantie sinds 2013, en tot doel heeft een groter aantal jongeren te bereiken door de leeftijdsgroep uit te breiden naar alle jongeren onder de 30 jaar, en hen te ondersteunen bij de ontwikkeling van vaardigheden en het opdoen van werkervaring binnen een gemoderniseerd stelsel van beroepsonderwijs en -opleiding;

U. overwegende dat de jongerengarantie gedurende de volgende programmeringsperiode 2021-2027 zal worden gefinancierd via het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+), dat tegenwoordig het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief omvat, het belangrijkste financieringsprogramma van de jongerengarantie; overwegende dat het herstelinstrument voor de Europese Unie via de faciliteit voor herstel en veerkracht en React-EU aanvullende ondersteuning zal bieden voor werkgelegenheidsmaatregelen ten behoeve van jongeren; overwegende dat investeringen in onderwijs en opleiding, afgestemd op de gelijktijdige digitale en groene transitie, worden gefinancierd via het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling; overwegende dat de lidstaten, als zij daartoe een verzoek indienen en als zij aan bepaalde criteria voldoen, middelen kunnen verkrijgen uit het instrument voor technische ondersteuning, om de voorbereidings- en uitvoeringsfase van structurele hervormingen op het gebied van onder meer onderwijs- en opleidings- en arbeidsmarktbeleid te financieren;

1. is ingenomen met het voorstel voor een aanbeveling van de Raad inzake versterking van de jongerengarantie en met het voornemen van de Commissie om structurele verbeteringen door te voeren op basis van de lessen die zijn geleerd tijdens de financiële crisis van 2008 en de uitvoering van dit instrument; herinnert eraan dat aanbevelingen van de Raad niet verbindend zijn voor de lidstaten; herinnert eraan dat niet alle lidstaten de aanbeveling van de Raad hebben opgevolgd, hetgeen ertoe leidt dat jongeren achterblijven; is van oordeel dat de jongerengarantie niet langer vrijwillig moet zijn, maar een bindend karakter moet krijgen; verzoekt de Commissie nogmaals om een voorstel in te dienen voor een jongerengarantie die bindend is voor alle lidstaten;

2. wijst erop dat een multidimensionale aanpak op het gebied van de bestrijding van jeugdwerkloosheid, met inbegrip van actief en passief arbeidsmarktbeleid en effectieve toegang tot maatregelen ter bevordering van sociale inclusie en tot sociale voorzieningen, gezondheidszorg en huisvesting voor jongeren, noodzakelijk is om de kwaliteit en duurzaamheid van deze acties te waarborgen;

3. wijst erop dat een versterkte jongerengarantie de tekortkomingen van de eerdere aanpak, die gebaseerd was op de inzetbaarheid van jongeren op de arbeidsmarkt, moet verhelpen en gericht moet zijn op het uitstippelen van een traject dat bedoeld is om binnen een redelijke termijn hoogwaardige en vaste banen te waarborgen voor alle betrokken jongeren; herinnert eraan dat de jongerengarantie structurele onzekere dienstverbanden bij jongeren, met name in de vorm van atypisch werk dat samengaat met zeer lage lonen, een gebrek aan sociale bescherming, een gebrek aan werkzekerheid, schijnzelfstandigheid en een situatie waarin echte banen vervangen worden door onzekere vormen van arbeid, moet voorkomen;

4. is verheugd dat de versterkte jongerengarantie een bredere leeftijdsgroep, jongeren van 15 tot 29 jaar oud, zal beslaan en dat een persoonlijkere en gerichtere aanpak zal worden gevolgd voor zowel jongeren die tijdelijk geen onderwijs of opleiding volgen en niet werken als jongeren die langere tijd in deze situatie zitten; is tevens ingenomen met de inspanningen om de jongerengarantie inclusiever te maken en om alle vormen van discriminatie te voorkomen, waaronder discriminatie van kansarme en kwetsbare groepen, raciale en etnische minderheden, migranten en vluchtelingen, jongeren met een handicap en jongeren die wonen in afgelegen, plattelands- of achtergestelde stedelijke gebieden of overzeese gebieden en insulaire regio’s; uit zijn bezorgdheid over de onevenwichtigheid op de arbeidsmarkt, waarbij vrouwen in het algemeen, en jonge vrouwen in het bijzonder, het slachtoffer zijn van meervoudige discriminatie, omdat zij én jong én vrouw zijn; wijst erop dat de Commissie in het kader van de aanpak van de genderkloof ook aandacht moet besteden aan de behoeften van jonge vrouwen;

5. is ingenomen met de integratie van een genderdimensie in de jongerengarantie; merkt echter op dat de genderkloof bij NEET’s de afgelopen jaren is toegenomen en dat het hebben van een gezin voor vrouwen nog steeds een belemmering is voor de toegang tot de arbeidsmarkt; dringt er bij de lidstaten op aan om bindende maatregelen ten uitvoer te leggen ter voorkoming van discriminatie bij de aanwerving op grond van gender of de gezinssituatie van de kandidaat;

6. wijst erop dat NEET’s onderverdeeld kunnen worden in diverse subgroepen, zoals jongeren met een handicap, jonge thuislozen, jonge Roma en jonge migranten en vluchtelingen, die allemaal hun eigen behoeften hebben en op maat gesneden diensten aangeboden zouden moeten krijgen, zoals, in het geval van jongeren met een handicap, betaalbare woonruimte en een inkomen dat voldoende is om de kosten in verband met de handicap te kunnen voldoen; wijst in dit verband op het belang van nauwkeurige gegevens en goede manieren om deze subgroepen in kaart te brengen en op het belang van vaststelling van een gedifferentieerde aanpak ten aanzien van jongeren die langere tijd niet werken en geen onderwijs of opleiding volgen en die vaak een kansarme sociaaleconomische achtergrond hebben en onder meer te maken hebben met intersectionele discriminatie op het gebied van onderwijs en werkgelegenheid, en voor wie er doeltreffende outreachprogramma’s moeten worden opgezet; benadrukt dat de jongerengarantie, om deze doelgroepen te bereiken, ingebed moet worden in een coherente reeks maatregelen op het gebied van sociaal beleid en welzijn, onder meer inzake werkloosheidsuitkeringen, minimumloon, kinderopvang, gezondheidsvoorzieningen, passende, betaalbare en toegankelijke steun op het gebied van huisvesting en psychologische ondersteuning, om de toegang van alle jongeren tot deze regeling te waarborgen; vindt het belangrijk dat discriminatie van jongeren om welke reden dan ook in het kader van de jongerengarantie actief bestreden wordt;

7. is ingenomen met de aanbeveling aan de lidstaten om hun systemen voor vroegtijdige waarschuwing te versterken, om jongeren die zonder opleiding, werk of stage dreigen te raken in kaart te kunnen brengen; is ervan overtuigd dat preventieve maatregelen, zoals het beoordelen van vaardigheden en loopbaan- en beroepskeuzebegeleiding, die erop gericht zijn vroegtijdige schoolverlaters te helpen bij het vinden van een baan of het volgen van onderwijs voordat zij werkloos worden, indien op de juiste wijze uitgevoerd, en het aanbieden van inclusief en niet-discriminerend regulier onderwijs, op de langere termijn kunnen leiden tot een vermindering van het aantal NEET’s;

8. steunt het idee om de vaardigheden, en met name de digitale vaardigheden, van alle NEET’s die zich voor de jongerengarantie inschrijven te beoordelen, alsmede het voorstel om de digitale vaardigheden, taalvaardigheden en zachte sociale vaardigheden van jongeren te verbeteren door middel van voorbereidende opleidingen en om bij- en omscholing gericht op groene vaardigheden, ondernemersvaardigheden en vaardigheden op het gebied van financieel en loopbaanbeheer te vergemakkelijken door middel van geïndividualiseerde loopbaanbegeleiding en -oriëntatie; wijst in dit verband op het belang van informele en niet-formele vaardigheden; pleit ervoor om op het moment waarop de digitale vaardigheden van NEET’s worden beoordeeld, ook te kijken of zij beschikken over een computer en een goede internetverbinding; is voorts van mening dat jongeren die zich inschrijven voor de jongerengarantie gesteund moeten worden bij de ontwikkeling van sociale en transversale vaardigheden, zodat zij beter kunnen omgaan met veranderingen en in staat zijn om in te spelen op de snel veranderende arbeidsmarkt; gelooft dat dergelijke op maat gesneden opleidingen erop gericht moeten zijn discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden te voorkomen; denkt dat praktijkplaatsen in dit kader een belangrijke rol kunnen spelen, omdat jongeren zich door middel van een praktijkplaats kunnen voorbereiden op werk in beroepen waar de vraag naar personeel groot is, waarmee wordt bijgedragen aan de duurzame integratie van jongeren op de arbeidsmarkt;

9. spoort de lidstaten aan om ervoor te zorgen dat jongeren die zich inschrijven voor de jeugdgarantie hoogwaardige, gevarieerde en op maat gesneden banen, scholingsmogelijkheden, leerlingplaatsen of stages aangeboden krijgen, en dat aanbiedingen voor een baan in overeenstemming zijn met de relevante beginselen van de EPSR en dat het recht op een eerlijke en gelijke behandeling wat betreft arbeidsvoorwaarden gewaarborgd wordt, inclusief het recht op een werkomgeving die aansluit bij de behoeften van personen met een handicap, toegang tot sociale bescherming en opleiding en een proeftijd van een redelijke duur, waarbij misbruik van atypische arbeidsovereenkomsten niet toegestaan is; vindt het uiterst belangrijk dat er in het kader van de versterkte jongerengarantie geen enkel aanbod wordt gedaan dat bijdraagt aan sociale dumping, loondumping, armoede onder werkenden of onzeker werk onder jongeren; herhaalt dat stages deel zouden kunnen uitmaken van beroepsopleidingen; wijst er nogmaals op dat stageovereenkomsten schriftelijke, juridisch bindende overeenkomsten moeten zijn, waarin de taken van de stagiair worden omschreven en waarin een behoorlijke stagevergoeding wordt gegarandeerd; is van mening dat de jongerengarantie ten doel moet hebben jongeren naar een baan te leiden en dat stages niet in de plaats mogen komen van banen;

10. is er voorstander van een garantie in het kader waarvan jongeren die hun onderwijs en/of opleiding tijdens de COVID-19-crisis hebben afgerond, onderdelen van hun stage en/of leerlingplaats opnieuw mogen doen, zelfs nadat zij hun diploma hebben behaald en/of gestopt zijn met hun stage en/of leerlingplaats, als die geannuleerd of verkort moest worden of op enige andere wijze niet volledig was vanwege maatregelen in verband met de COVID-19-crisis, zodat eventuele lacunes in hun onderwijs en/of opleiding kunnen worden opgevuld;

11. vindt het belangrijk dat in de aanbeveling van de Raad duidelijke en bindende kwaliteitscriteria en -normen voor aanbiedingen worden opgenomen en verzoekt de Commissie om een kwaliteitskader te ontwikkelen voor de jongerengarantie; is ervan overtuigd dat een dergelijk kader het programma zal versterken en het tot een doeltreffender instrument zal maken voor een succesvolle transitie op de arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie om bestaande Europese instrumenten, zoals het kwaliteitskader voor stages en het Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen, te herzien en kwaliteitscriteria voor aanbiedingen aan jongeren in te voeren, onder meer om een billijke beloning voor stagiairs en jongeren die een praktijkplaats of leerlingplaats hebben te waarborgen, alsmede toegang tot sociale bescherming, duurzame werkgelegenheid en sociale rechten; benadrukt dat dergelijke criteria ervoor kunnen zorgen dat het programma er daadwerkelijk toe bijdraagt dat jongeren de overstap kunnen maken naar een stabiele en kwalitatief goede baan en dat zowel vrouwelijke als mannelijke jongeren in allerlei sectoren kansen geboden krijgen die leiden tot langetermijnzekerheid, sociale bescherming en gelijke en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, en die niet bijdragen tot een toename van onzekere banen; verzoekt de lidstaten en de Commissie om programma’s te ontwikkelen ter ondersteuning van ondernemerschap, met name op gebieden waar er sprake is van een zwakke industriële basis;

12. spoort de Commissie en de lidstaten aan om beste praktijken op het gebied van sociale investeringen uit te wisselen, ter bevordering van een inclusievere maatschappij en een beter evenwicht tussen economische en sociale ontwikkeling; wijst erop dat een actief arbeidsmarktbeleid en socialebeschermingsstelsels beide van belang zijn om te voorkomen dat met de maatregelen alleen maar bereikt wordt dat banenkansen van de ene naar de andere subgroep kwetsbare personen en met name NEET’s worden overgeheveld, zonder dat dat per saldo iets oplevert; dringt er bij de Commissie op aan om onderzoek te doen naar het verband tussen onzeker werk en een gebrek aan sociale bescherming bij jongeren;

13. steunt ten volle de doelstelling om de sociaaleconomische situatie van jongeren te verbeteren door middel van een goede uitvoering van de versterkte jongerengarantie; herhaalt zijn standpunt dat de betaling in verhouding moet staan tot het verrichte werk, de vaardigheden en de ervaring van de betrokken persoon, en stagiairs en jongeren die een leerlingplaats of praktijkplaats hebben op de arbeidsmarkt maar niet in het kader van een onderwijsprogramma in staat moet stellen om rond te komen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om in samenwerking met het Parlement en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel suggesties te doen voor invoering van een gemeenschappelijk rechtsinstrument om een billijke beloning voor stages, praktijkplaatsen en leerlingplaatsen op de EU-arbeidsmarkt te waarborgen; is tegen het fenomeen van onbetaalde praktijkplaatsen, stages en leerlingplaatsen, omdat dit een vorm van uitbuiting van jongeren is en een schending inhoudt van hun rechten;

14. dringt erop aan dat er tijdens de programmeringsperiode 2021-2027 meer financiering beschikbaar wordt gesteld voor de jongerengarantie, door de begroting van het ESF+ te verhogen en door middel van passende thematische concentraties; benadrukt dat lidstaten waarin het aantal NEET’s in 2019 boven het EU-gemiddelde lag, in het gewijzigde Commissievoorstel inzake ESF+ van 28 mei 2020 worden verplicht om ten minste 15 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe te wijzen aan gerichte maatregelen en structurele hervormingen gericht op de bevordering van werkgelegenheid, beroepsonderwijs en -opleidingen voor jongeren, en met name in het kader van de uitvoering van de jongerengarantie; betreurt dat de Europese Raad in zijn conclusies van 21 juli 2020 dit bedrag aanzienlijk heeft verlaagd naar 10 % en daarmee volledig ingaat tegen de ambitie van de Unie om te investeren in jongeren;

15. herinnert aan zijn standpunt in eerste lezing, vastgesteld op 4 april 2019, dat de aanvullende eis bevat dat alle lidstaten, niet alleen lidstaten met een NEET-percentage dat boven het gemiddelde van de Unie ligt, tijdens de programmeringsperiode 2021-2027 ten minste 3 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer moeten investeren in de aanpak van de jeugdwerkloosheid, met name in het kader van de uitvoering van de jeugdgarantie;

16. verzoekt de lidstaten en de Commissie om na te denken over het feit dat het percentage NEET’s de enige factor is bij de besluitvorming over de toewijzing van middelen; wijst erop dat dit percentage weliswaar aangeeft hoeveel jongeren niet werken en geen onderwijs of opleiding volgen, maar geen betrekking heeft op de zeer vele jongeren die onvrijwillig in deeltijd werken, die hun eigen land hebben verlaten om een behoorlijke baan te vinden, die zwart werken of die weliswaar werk hebben maar nog altijd in armoede leven;

17. spoort de lidstaten aan om zich ten volle in te zetten voor de volledige uitvoering van de jongerengarantie; benadrukt dat de financiering van de Unie een aanvulling vormt op de nationale begrotingen en daar niet voor in de plaats komt;

18. herinnert eraan dat een versterkte jeugdgarantie een belangrijke rol kan spelen bij het ondersteunen van de lidstaten om in het kader van de Europese Green Deal te investeren in het scheppen van banen in een klimaatneutrale, energie-efficiënte en circulaire economie en om te zorgen voor geschoolde arbeidskrachten voor deze banen, zodat jongeren, en met name jongeren uit kansarme groepen, niet achterblijven als het gaat om de transitie naar een klimaatneutrale economie;

19. wijst er nogmaals op dat het noodzakelijk is dat het doeltreffend gebruik van financiering wordt vergroot; verwacht dat de gestroomlijnde regels inzake programmering en tenuitvoerlegging in het kader van ESF+ zullen zorgen voor minder administratieve kosten voor begunstigden, onder meer vanwege eenvoudiger rapportageregelingen; verwacht van de lidstaten dat zij op zorgvuldige wijze middelen zullen uitgeven aan jeugdprogramma’s waarmee de werkgelegenheid voor jongeren wordt bevorderd;

20. wijst erop dat er voor zoveel mogelijk synergie moet worden gezorgd tussen de jongerengarantie en andere EU-fondsen en -instrumenten op dit gebied, waaronder de faciliteit voor herstel en veerkracht, de Europese kindergarantie, Erasmus+, InvestEU, Horizon Europa en het Fonds voor een rechtvaardige transitie, onder meer in de context van React-EU en de nationale herstelplannen; verzoekt de lidstaten in dit verband om in hun plannen voor herstel en veerkracht en in het kader van React-EU prioriteit te geven aan steun voor de werkgelegenheid van jongeren; dringt er bij de lidstaten op aan om gebruik te maken van de middelen uit het SURE-instrument ter ondersteuning van maatregelen voor jongeren die stage lopen of een praktijkplaats hebben, zoals maatregelen inzake inkomenssteun of arbeidstijdverkorting;

21. vindt het zeer belangrijk dat de Commissie haar toezicht op de uitvoering van de jongerengarantie versterkt en haar verslaglegging verbetert, waaronder het toezicht op begunstigden van de jongerengarantieregeling en de aard van de aanbiedingen, om ervoor te zorgen dat voldaan wordt aan het nieuwe kader van kwaliteitsnormen in het kader van de versterkte jongerengarantie en dat de begunstigden van de jongerengarantie ook daadwerkelijk permanent werk vinden;

22. wijst erop dat een betere gegevensverzameling essentieel is om de duurzame integratie van begunstigden op de arbeidsmarkt en een efficiënt gebruik van de jongerengarantie te waarborgen; spoort de Europese Rekenkamer aan om follow-upverslagen op te stellen over de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie; acht het in dit verband belangrijk dat de Commissie onderzoek doet naar het verband tussen jongeren in banen zonder sociale bescherming en onzeker werk;

23. benadrukt dat sterkere partnerschappen en een doeltreffende coördinatie tussen aanbieders van de jongerengarantie en relevante belanghebbenden, zoals regionale en lokale autoriteiten, sociale partners (werkgevers en vakbonden), onderwijs- en opleidingsinstellingen, jongerenwerkers, organisatoren van solidariteits- en maatschappelijke activiteiten, handels- en ambachtskamers, jongerenorganisaties en andere maatschappelijke organisaties, waaronder ngo’s die werken met kansarme personen, van essentieel belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de jongerengarantie en de verbetering van de toegang tot stabiele en duurzame banen, en dat het van belang is dat de lidstaten op dit gebied beste praktijken uitwisselen; pleit voor betrokkenheid van deze belanghebbenden bij het ontwerp, de uitvoering en de evaluatie van de jongerengarantie, om de doeltreffendheid ervan te waarborgen; dringt er bij de lidstaten op aan om de participatie van deze partijen, met name jongerenorganisaties, in alle fasen van het beheer van de jongerengarantie en daarmee samenhangende EU-financieringsinstrumenten op Europees, nationaal en lokaal niveau, te versterken; is van mening dat in het kader van de partnerschappen duidelijk de structuren en mechanismen moeten worden vastgesteld voor een zinvolle deelname aan de besluitvorming, onder meer met het oog op transparante informatie-uitwisseling;

24. is ervan overtuigd dat gerichte bewustmakingscampagnes in een toegankelijke vorm, onder meer voor personen met een handicap, en jongerenvriendelijke communicatiekanalen een beslissende rol kunnen spelen bij het bereiken van jongeren en jongerenorganisaties en het onder de aandacht brengen van het initiatief, en dat het met name zinvol is om in dit kader aandacht te schenken aan vroegtijdige schoolverlaters; benadrukt dat er zoveel mogelijk financiering rechtstreeks naar jongeren moet gaan; wijst erop dat outreachprogramma’s alleen maar succesvol zijn als er voldoende financiële en personele middelen beschikbaar worden gesteld, met name voor openbare diensten voor arbeidsvoorziening, die een belangrijke rol spelen bij het daadwerkelijk bereiken van NEET’s, maar nog altijd lijden onder de gevolgen van de bezuinigingen die werden doorgevoerd na de vorige financiële crisis; dringt er in dit verband bij de lidstaten op aan te investeren in hun openbare diensten voor arbeidsvoorziening, om ervoor te zorgen dat zij in dit verband kunnen beschikken over voldoende personele middelen en over voldoende financiële middelen ten behoeve van scholing van het personeel en apparatuur;

25. verzoekt de Commissie om na te denken over de totstandbrenging van een EU-webportaal dat specifiek gewijd is aan stages en leerlingplaatsen in de EU en dat alle bestaande EU-initiatieven samenbrengt op een zichtbaar, toegankelijk en gebruikersvriendelijk platform; is van mening dat aan dit portaal voldoende ruchtbaarheid moet worden gegeven via passende kanalen, zodat het onder de aandacht kan worden gebracht van jonge Europeanen, onderwijsinstellingen en bedrijven in de hele EU; is van mening dat het portaal jong talent moet aanzetten om zich te richten op de gebieden waar zij het meest nodig zijn, jongeren moet wijzen op specifieke behoeften op de arbeidsmarkt, de toegang tot aansluitende leermogelijkheden moet bevorderen, de algemene inzetbaarheid van jongeren binnen de EU moet verbeteren en moet bijdragen aan de bestrijding van jeugdwerkloosheid en het aanleren van ontbrekende vaardigheden;

26. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

[1] PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.

[2] PB L 126 van 21.5.2015, blz. 1.

[3] PB L 185 van 11.7.2019, blz. 44.

[4] PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1.

[5] PB C 456 van 18.12.2018, blz. 1.

[6] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0206.

[7] PB C 458 van 19.12.2018, blz. 57.

[8] PB C 346 van 27.9.2018, blz. 105.

[9] PB C 440 van 30.12.2015, blz. 67.

[10]The impact of the economic crisis on euro area labour markets” Maandbericht van de Europese Centrale Bank van oktober 2014, blz. 49-68.

Laatst bijgewerkt op: 6 oktober 2020Juridische mededeling - Privacybeleid