Procedure : 2020/2893(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0414/2020

Ingediende teksten :

B9-0414/2020

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/12/2020 - 9

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0367

<Date>{09/12/2020}9.12.2020</Date>
<NoDocSe>B9‑0414/2020</NoDocSe>
PDF 205kWORD 57k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 112, leden 2 en 3, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MIR604 (SYN-IR6Ø4-5) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad</Titre>

<DocRef>(D069147/02 – 2020/2893(RSP))</DocRef>


<Commission>{ENVI}Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid</Commission>

Verantwoordelijke leden: <Depute>Tilly Metz

Günther Sidl, Anja Hazekamp, Eleonora Evi, Sirpa Pietikäinen</Depute>


B9‑0414/2020

Resolutie van het Europees Parlement over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MIR604 (SYN-IR6Ø4-5) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad

(D069147/02 – 2020/2893(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MIR604 (SYN‑IR6Ø4-5) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D069147/02),

 gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders[1], en met name artikel 11, lid 3, en artikel 23, lid 3,

 gezien de stemming van 26 oktober 2020 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd,

 gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren[2],

 gezien het advies dat op 2 juli 2009 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) werd goedgekeurd en op 21 juli 2009 werd gepubliceerd[3],

 gezien het met redenen omkleed advies dat op 25 september 2019 door de EFSA werd goedgekeurd en op 7 november 2019 werd gepubliceerd[4],

 gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde organismen (“ggo’s”)[5],

 gezien artikel 112, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

 gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

A. overwegende dat bij Beschikking 2009/866/EG van de Commissie[6] een vergunning werd verleend voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MIR604; overwegende dat de aanvraag ook betrekking heeft op het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit genetisch gemodificeerde mais MIR604 voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder, met uitzondering van de teelt;

B. overwegende dat de houder van de vergunning, Syngenta Crop Protection NV/SA, namens Syngenta Crop Protection AG op 26 juli 2018 bij de Commissie overeenkomstig de artikelen 11 en 23 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een aanvraag heeft ingediend tot verlenging van die vergunning;

C. overwegende dat de EFSA op 2 juli 2009 een gunstig advies uitbracht met betrekking tot de eerste vergunningsaanvraag, dat op 21 juli 2009 werd gepubliceerd;

D. overwegende dat de EFSA op 25 september 2019 een gunstig advies uitbracht met betrekking tot de aanvraag tot verlenging van de vergunning, dat op 7 november 2019 werd gepubliceerd;

E. overwegende dat de genetisch gemodificeerde mais MIR604 ook kan worden gebruikt voor de productie van diervoeder en levensmiddelen, zoals zetmeel, stroop en olie[7];

F. overwegende dat de genetisch gemodificeerde mais MIR604 werd gemodificeerd met het oog op de productie van mCry3A, een insectendodend synthetisch eiwit (ook bekend als “Bt-toxine”), met grotere toxiciteit (dan dat van de natuurlijke bacterie waarvan het is afgeleid) voor de bestrijding van de maiswortelkever en andere soortgelijke coleopteraplagen voor mais, zoals de maiswortelboorder; overwegende dat de genetisch gemodificeerde mais MIR604 bovendien werd gemodificeerd met het fosfomannose-isomerase-gen (PMI-gen) uit Escherichia coli (E. coli), dat het PMI‑enzym codeert als een selecteerbare merker;

G. overwegende dat de combinatie van de twee genetische sequenties werd afgeleid via meerdere transformatiestappen, maar dat er geen beoordeling werd verricht van de lijnen met één ouderplant, hetgeen een inbreuk vormt op Uitvoeringsverordening (EU) nr. 503/2013 van de Commissie[8];

H. overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 is bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders geen negatieve effecten mogen hebben op de menselijke gezondheid, de diergezondheid of het milieu, en wordt vereist dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit alle desbetreffende bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking neemt;

Bezorgdheid van de lidstaten over de adviezen van de EFSA

I. overwegende dat de lidstaten tijdens de overlegperiode in verband met de eerste vergunningsaanvraag tal van kritische opmerkingen over het ontwerpadvies van de EFSA hebben ingediend[9]; overwegende dat in die kritische opmerkingen onder meer bezorgdheid werd geuit dat een toename van de allergene werkzaamheid die toe te schrijven is aan het mCry3A-eiwit in levensmiddelen en diervoeders die uit de genetisch gemodificeerde mais MIR604 geproduceerd zijn niet uit te sluiten valt, dat de gegevens uit veldproeven niet toereikend kunnen worden geacht voor vrijgave op de markt, dat de richtsnoeren van de OESO voor proeven niet werden gevolgd in de toxicologische studies die worden aanbevolen door de EFSA, en dat het voedingsonderzoek bij ratten en pluimvee met de gehele genetisch gemodificeerde MIR604-maisplant die bedoeld was om de toxicologische veiligheid aan te tonen, geen gebruik maakte van toxicologische eindpunten;

J. overwegende dat de lidstaten tijdens de overlegperiode in verband met de aanvraag tot verlenging van de vergunning opnieuw tal van kritische opmerkingen over het ontwerpadvies van de EFSA hebben ingediend[10]; overwegende dat in die kritische opmerkingen onder meer de bezorgdheid werd geuit dat de door de aanvrager toegepaste monitoringaanpak niet geheel overeenstemt met de voorschriften in bijlage VII bij Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad[11], noch met de aanbevelingen van de EFSA, dat de bewering als zou de genetisch gemodificeerde mais MIR604 even veilig zijn als conventionele mais niet werd onderbouwd, en dat de voorgestelde algemene bewaking van verwachte nadelige gevolgen onvoldoende is uitgewerkt, alsook de opmerking dat de Unie het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit (VBD) heeft geratificeerd, waardoor duidelijk is dat zowel uitvoerende als invoerende landen internationale verantwoordelijkheid dragen in verband met de biologische diversiteit;

Ongeldige toxiciteitsonderzoeken

K. overwegende dat voor de onderzoeken naar acute toxiciteit en de afbraak in verteringsvloeistoffen gebruik werd gemaakt van mCry3A en PMI-eiwitten, geproduceerd in een recombinante E. coli-stam;overwegende dat zowel het mCry3A-eiwit als het PMI-eiwit geproduceerd in E. coli-bacteriën verschilt van de eiwitten die worden geproduceerd door de genetisch gemodificeerde plant[12], wat twijfel doet rijzen over de geldigheid van deze toxiciteitsonderzoeken; overwegende dat verschillende lidstaten dit punt van zorg naar voren hebben gebracht[13];

L. overwegende dat er, algemeen genomen, weinig betekenis kan worden gehecht aan toxicologische proeven die zijn verricht met geïsoleerde eiwitten, gezien het feit dat de effecten van het eiwit in combinatie met de plant zelf niet in aanmerking worden genomen;

M. overwegende dat bijvoorbeeld sommige planten, waaronder mais, op natuurlijke wijze proteïnaseremmers (PI) aanmaken die, zoals reeds is aangetoond, de afbraak van Bt‑toxines vertragen; overwegende dat dit leidt tot een veel hogere toxiciteit van het Bt‑toxine wanneer het samen met het plantenweefsel wordt opgenomen dan wanneer het toxine afzonderlijk wordt opgenomen; overwegende dat een onderzoek dat in 1990 werd verricht door wetenschappers bij Monsanto heeft uitgewezen dat zelfs de aanwezigheid van buitengewoon lage PI-niveaus de insectendodende werkzaamheid van Bt-toxines tot een factor 20 versterkte[14]; overwegende dat de EFSA deze wisselwerking nooit heeft beoordeeld of vermeld in haar risicobeoordelingen van genetisch gemodificeerde Bt-planten;

N. overwegende dat is aangetoond dat factoren die de toxiciteit van Bt-eiwitten versterken ook van invloed kunnen zijn op de selectiviteit ervan[15]: als de werkzaamheid van het Bt-toxine op doelorganismen wordt verhoogd, kan ook de selectiviteit ervan worden verlaagd en is het mogelijk dat een bredere groep niet-doelorganismen er vatbaar voor wordt; overwegende dat er tot dusver geen systematisch onderzoek is verricht, maar dat verschillende onderzoeken wijzen op de effecten van PI in combinatie met Bt-toxines op niet-doelinsecten[16];

O. overwegende dat het risico van hogere toxiciteit voor mensen en zoogdieren, ten gevolge van de wisselwerking tussen PI’s en Bt-toxines in genetisch gemodificeerde planten onbekend is;

Vragen in verband met de adjuvans-capaciteit van Bt

P. overwegende dat uit een aantal studies blijkt dat bijwerkingen zijn geconstateerd, namelijk dat blootstelling aan Bt-eiwitten een effect kan hebben op het immuunsysteem en dat sommige Bt-eiwitten wellicht adjuvans-eigenschappen[17] hebben, hetgeen betekent dat zij de allergene eigenschappen van andere eiwitten waarmee ze in contact komen, kunnen versterken;

Q. overwegende dat de EFSA erkent dat de adjuvans-werking van Cry1Ac[18] bewezen is, maar concludeert dat, aangezien mais niet behoort tot de meest voorkomende allergene voedingsmiddelen, het adjuvans-effect van Cry-eiwitten, dat na de intragastrische of intranasale toediening van hoge doses wordt waargenomen, wellicht geen bezorgdheid zal wekken in verband met de allergene eigenschappen ervan[19]; overwegende, echter, dat de EFSA geen rekening houdt met het feit dat mais PI produceert[20] en dat moet worden aangenomen dat de Bt-eiwitten veel langzamer afbreken als dit wordt ingenomen met het plantenmateriaal dan wanneer het afzonderlijk wordt ingenomen; overwegende dat dit verschil ook de adjuvans-capaciteit kan verhogen en dat onderzoeken die geïsoleerde eiwitten gebruiken daardoor ongeldig zijn; overwegende dat er geen empirische onderzoeken zijn verricht naar de daadwerkelijke immunogeniteit van het Bt-toxine dat door de genetisch gemodificeerde plant wordt aangemaakt; overwegende dat de afbraak in verteringsvloeistoffen werd getest met behulp van het geïsoleerde Bt-eiwit;

Bt-gewassen: effecten op niet-doelorganismen en verhoogde resistentie

R. overwegende dat het gebruik van Bt-gewassen leidt tot de voortdurende blootstelling van de doel- en niet-doelorganismen aan Bt-toxines, in tegenstelling tot het gebruik van insecticiden, waarbij de blootstelling uitsluitend tijdens het sproeien en enige tijd daarna plaatsvindt; overwegende dat mCry3A-eiwitten zijn aangetroffen in alle delen van de genetisch gemodificeerde mais MIR604, behalve in het stuifmeel[21];

S. overwegende dat het mCry3A-gen zoals dat tot expressie is gebracht door de genetisch gemodificeerde mais MIR604 werd gewijzigd teneinde de toxiciteit voor de doelinsecten te verhogen[22], maar dat in de risicobeoordeling geen effecten op niet-doelorganismen werden geëvalueerd; overwegende dat een lidstaat opmerkt dat het oorspronkelijke Cry3A-toxine werkzaam is tegen Chrysomelidae[23], en dat daarom nadelige gevolgen voor Chrysomelidae die niet tot de doelsoort behoren als minimumvereiste moeten worden opgenomen in de risicobeoordeling, en dat, aangezien de invoer, het vervoer en de verwerking van MIR604-mais kunnen leiden tot de toevallige aanwezigheid of vrijgave van MIR604-mais in het milieu, de mogelijke nadelige gevolgen van de genetisch gemodificeerde mais voor niet-doelorganismen in aanmerking moeten worden genomen[24];

T. overwegende dat de aanname als zouden Bt-toxines één enkele doelspecifieke werking vertonen niet langer correct kan worden geacht en dat effecten op niet-doelorganismen niet langer kunnen worden uitgesloten[25]; overwegende dat is gemeld dat een toenemend aantal niet-doelorganismen op verschillende manieren getroffen blijken te zijn; overwegende dat in een recent overzicht 39 collegiaal getoetste publicaties zijn opgenomen die melding maken van aanzienlijke schadelijke effecten van Bt-toxines op tal van soorten “buiten het bereik”[26];

U. overwegende dat combinatorische effecten zoals de combinatie met PI sterk kunnen bijdragen tot de toxiciteit van Bt-toxines; overwegende dat de kwestie van de selectiviteit vooral relevant is voor synthetische Bt-toxines, zoals mCry3A, die een lagere selectiviteit kunnen vertonen in combinatie met een hogere toxiciteit; overwegende dat de EFSA nog steeds van mening is dat Bt-toxines slechts op een beperkt aantal niet-doelorganismen een effect hebben, en daarbij geen rekening houdt met mogelijke combinatorische effecten; overwegende dat een groter aantal niet-doelorganismen aan Bt-toxines kan worden blootgesteld via weglekken, afvalstoffen en mest;

V. overwegende dat bij de risicobeoordeling de ontwikkeling van resistentie tegen het mCry3A-eiwit in de doelplaagorganismen niet in beschouwing werd genomen, wat mogelijk zou leiden tot het gebruik van minder milieuveilige gewasbeschermingsmiddelen of tot hogere doses en een groter aantal toepassingen ervan op het genetisch gemodificeerde gewas in het land waar dit wordt geteeld; overwegende dat het Amerikaanse Bureau voor milieubescherming voorstelt om veel van de huidige Bt-maishybriden, evenals enkele Bt-katoenvariëteiten, in de komende drie tot vijf jaar geleidelijk af te bouwen, wegens de toename van resistentie tegen insecten in deze gewassen[27];

W. overwegende dat beweerd werd dat het gebruik van Bt-gewassen leidt tot een daling van het gebruik van insecticiden, maar dat in een recente studie die in de Verenigde Staten werd gepubliceerd[28], wordt geconcludeerd dat in verschillende analyses van de invloed van Bt-gewassen op patronen in verband met het pesticidegebruik blijkbaar geen rekening is gehouden met zaadbehandelingen en daardoor de vermindering van het insecticidegebruik (vooral “per bewerkte oppervlakte”) in verband met Bt-gewassen mogelijk hebben overschat; overwegende dat in dezelfde studie wordt geconcludeerd dat zaadbehandelingen met neonicotinoïden vaak worden gebruikt in combinatie met Bt-mais en -sojabonen, dat dit gebruikspatroon onbedoelde gevolgen kan hebben, namelijk resistentie tegen doelplagen, uitbraken van niet-doelplagen en verontreiniging met nadelige gevolgen die doorwerken in de natuurlijke fauna, en dat sommige van die gevolgen reeds zichtbaar zijn; overwegende dat de Unie het gebruik van drie neonicotinoïden in openlucht heeft verboden, inclusief als zaadomhulsel, wegens de impact ervan op bijen en andere bestuivers[29];

Ondemocratische besluitvorming

X. overwegende dat de stemming van 26 oktober 2020 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 geen advies heeft opgeleverd, wat betekent dat er voor het verlenen van een vergunning geen gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten werd gevonden;

Y. overwegende dat de Commissie inziet dat het problematisch is dat vergunningsbesluiten voor ggo’s nog altijd door de Commissie worden goedgekeurd zonder de steun van een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten, hetgeen voor productvergunningen als geheel uitzonderlijk is, maar voor de besluitvorming inzake vergunningen voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders de norm is geworden;

Z. overwegende dat het Parlement tijdens zijn achtste zittingsperiode in totaal 36 resoluties heeft aangenomen waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het op de markt brengen van ggo’s voor gebruik als levensmiddelen en diervoeders (33 resoluties) en tegen de teelt van ggo’s in de Unie (drie resoluties); overwegende dat het Parlement tijdens zijn negende zittingsperiode tot op heden elf resoluties heeft aangenomen waarin bezwaar wordt gemaakt tegen deze kwesties; overwegende dat er voor geen van deze ggo’s een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten werd gevonden voor het verlenen van een vergunning; overwegende dat de Commissie zich bewust is van de democratische tekortkomingen, het gebrek aan steun van de lidstaten en de bezwaren van het Parlement, maar evenwel vergunningen blijft verlenen voor ggo’s;

AA. overwegende dat de Commissie krachtens Verordening (EU) nr. 182/2011 kan besluiten geen vergunning te verlenen voor een ggo wanneer in het comité van beroep geen steun van een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten is gevonden[30]; overwegende dat in dit opzicht geen wetswijziging nodig is;

1. is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie de in Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2. is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, aangezien het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad[31] zijn vastgesteld de basis te leggen voor de waarborging van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument, met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3. verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4. is ingenomen met het feit dat de Commissie, in een schrijven van 11 september 2020 aan de leden van het Parlement, eindelijk de noodzaak erkende rekening te houden met duurzaamheid wat betreft vergunningsbesluiten voor ggo’s[32]; is echter zeer teleurgesteld dat de Commissie op 28 september 2020 de invoer van een andere genetisch gemodificeerde sojaboon toestond[33], ondanks bezwaar van het Parlement en een meerderheid van lidstaten die tegenstemden;

5. roept de Commissie op met de grootste spoed vooruitgang te boeken wat betreft de ontwikkeling van duurzaamheidscriteria, met volledige betrokkenheid van het Parlement; verzoekt de Commissie informatie te verstrekken over hoe en wanneer dit proces zal worden doorlopen;

6. dringt er nogmaals bij de Commissie op aan tijdens de vergunningsprocedure rekening te houden met de verplichtingen van de Unie krachtens internationale overeenkomsten, zoals de Overeenkomst van Parijs, het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN;

7. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om geen vergunningen meer te verlenen voor ggo’s, of ze nu voor teelt of voor gebruik als levensmiddel en diervoeder zijn bedoeld, indien de lidstaten geen advies in het comité van beroep overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Verordening (EU) nr. 182/2011 hebben uitgebracht;

8. verzoekt de EFSA eindelijk de substantiële verschillen tussen oorspronkelijke Bt‑eiwitten en de Bt-eiwitten die tot expressie komen door synthetische transgenen in genetisch gemodificeerde gewassen te aanvaarden, en haar risicobeoordelingen uit te breiden teneinde volledig rekening te houden met alle wisselwerkingen en combinatorische effecten tussen Bt-toxines, genetisch gemodificeerde planten en de onderdelen ervan, residuen van besproeiing met de complementaire herbiciden, het milieu en de effecten voor de gezondheid en de voedselveiligheid;

9. verzoekt de EFSA niet langer genoegen te nemen met toxiciteitsstudies op basis van geïsoleerde eiwitten die wellicht een andere structuur en andere biologische gevolgen hebben dan de eiwitten die door de plant zelf worden aangemaakt, en te verlangen dat alle proeven worden verricht met weefsel van de genetisch gemodificeerde plant;

10. verzoekt de EFSA ervoor te zorgen dat gegevens afkomstig van veldproeven of broeikassen een voldoende breed bereik van agronomische en milieuomstandigheden bestrijken om de effecten op de genexpressie en de samenstelling van de plant te kunnen beoordelen van alle stressfactoren die tijdens de teelt te verwachten vallen;

11. verzoekt de EFSA ervoor te zorgen dat de gegevens afkomstig van veldproeven of broeikassen een voldoende breed bereik van verschillende variëteiten bestrijken om de effecten van uiteenlopende genetische achtergronden op de genexpressie en de samenstelling van de plant te kunnen beoordelen;

12. verzoekt de EFSA gegevens op te vragen over de effecten van de consumptie van levensmiddelen en diervoeders die zijn afgeleid van genetisch gemodificeerde planten op het darmmicrobioom;

13. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

 

[1] PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.

[2] PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

[3] Wetenschappelijk advies van het EFSA-panel voor genetisch gemodificeerde organismen betreffende de aanvraag (met referentie EFSA-GMO-UK-2005-11) van Syngenta Seeds S.A.S., namens Syngenta Crop Protection AG, voor het in de handel brengen van de insectenresistente genetisch gemodificeerde mais MIR604, voor gebruik als levensmiddel en diervoeder, invoer en verwerking uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1829/2003, EFSA Journal 2009;7(7):1193, https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/1193

[4] Wetenschappelijk advies van het EFSA-panel voor genetisch gemodificeerde organismen, getiteld “Assessment of Genetically Modified Maize MIR604 for Renewal Authorisation under Regulation (EC) No 1829/2003 (application EFSA‐GMO‐RX‐013)”, EFSA Journal 2019;17(11):5846; https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/5846

[5] Tijdens de achtste zittingsperiode nam het Parlement 36 resoluties aan waarin bezwaar werd gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor ggo’s. Bovendien heeft het Parlement tijdens de negende zittingsperiode de volgende resoluties aangenomen:

– resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MZHG0JG (SYN-ØØØJG-2), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0028);

– resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde sojabonen A2704-12 (ACS‑GMØØ5-3) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0029);

– resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 × DAS-40278-9, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de transformatiestappen MON 89034, 1507, MON 88017, 59122 en DAS-40278-9, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0030);

– resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen LLCotton25 (ACS-GHØØ1-3) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0054);

– resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde sojabonen MON 89788 (MON-89788-1) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0055);

– resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MON 89034 × 1507 × NK603 × DAS-40278-9 en subcombinaties MON 89034 × NK603 × DAS-40278-9, 1507 × NK603 × DAS-40278-9 en NK603 × DAS-40278-9 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0056);

– resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × 1507 × 5307 × GA21 en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie, vier of vijf van de “events” Bt11, MIR162, MIR604, 1507, 5307 en GA21, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003;

van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen Teksten, P9_TA(2019)0057);

– resolutie van het Europees Parlement van 14 mei 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0069);

– resolutie van het Europees Parlement van 11 november 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × MIR162 × NK603 en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de transformatiestappen MON 87427, MON 89034, MIR162 en NK603, en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1111 van de Commissie, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0291);

– resolutie van het Europees Parlement van 11 november 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde sojabonen SYHT0H2 (SYN-ØØØH2-5), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0292);

– resolutie van het Europees Parlement van 11 november 2020 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 87460 × MON 89034 × MIR162 × NK603, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de transformatiestappen MON 87427, MON 87460, MON 89034, MIR162 en NK603, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0293).

[6] Beschikking 2009/866/EG van de Commissie van 30 november 2009 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MIR604 (SYN-IR6Ø4-5) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 314 van 1.12.2009, blz. 102).

[7] EFSA-advies 2009, blz. 11.

[8] Uitvoeringsverordening (EU) nr. 503/2013 van de Commissie van 3 april 2013 betreffende vergunningaanvragen voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 641/2004 van de Commissie en (EG) nr. 1981/2006 van de Commissie (PB L 157 van 8.6.2013, blz. 1).

[11] Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1).

[12] EFSA-advies 2009, blz. 12.

[14] MacIntosh, S.C., Kishore, G.M., Perlak, F.J., Marrone, P.G., Stone, T.B., Sims, S.R., Fuchs, R.L., “Potentiation of Bacillus thuringiensis insecticidal activity by serine protease inhibitors”, Journal of Agricultural and Food Chemistry 1990, 38, blz. 1145-1152.

[15] Zie bijvoorbeeld Then, C., “Risk assessment of toxins derived from Bacillus thuringiensis - synergism, efficacy, and selectivity”, Environmental Science and Pollution Research 2010, 17, blz. 791–797, https://doi.org/10.1007/s11356-009-0208-3

[16] Zie bijvoorbeeld Han, P., Niu, C.Y., Lei, C.L., Cui, J.J., Desneux, N., “Quantification of toxins in a Cry1Ac + CpTI cotton cultivar and its potential effects on the honey bee Apis mellifera L.”, Ecotoxicology 2010, 19, blz. 1452-1459, https://doi.org/10.1007/s10646-010-0530-z; Babendreier, D., Kalberer, N.M., Romeis, J., Fluri, P., Mulligan, E., Bigler, F., “Influence of Bt-transgenic pollen, Bt-toxin and protease inhibitor (SBTI) ingestion on development of the hypopharyngeal glands in honeybees”, Apidologie 2005, 36(4), blz. 585-594, https://doi.org/10.1051/apido:2005049; en Liu, X.D., Zhai, B.P., Zhang, X.X., Zong, J.M., “Impact of transgenic cotton plants on a non-target pest, Aphis gossypii Glover”, Ecological Entomology, 30(3), blz. 307-315, https://doi.org/10.1111/j.0307-6946.2005.00690.x

[17] Voor een overzicht zie Rubio Infante, N., Moreno-Fierros,L., “An overview of the safety and biological effects of Bacillus thuringiensis Cry toxins in mammals”, Journal of Applied Toxicology, mei 2016, 36(5),
blz. 630-648, http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/jat.3252/full

[18] Cry1Ac is een van de weinige Bt-toxines die uitvoerig zijn onderzocht door de EFSA.

[19] EFSA-advies 2009, blz. 16.

[20] Zie verklaring in overweging M.

[21] EFSA-advies 2009, blz. 8.

[22] EFSA-advies 2009, blz. 7.

[23] Een keverfamilie, algemeen bekend onder de naam bladhaantjes.

[25] Zie bijvoorbeeld Hilbeck, A., Otto, M., “Specificity and combinatorial effects of Bacillus thuringiensis Cry toxins in the context of GMO environmental risk assessment”, Frontiers in Environmental Science 2015, 3:71, https://doi.org/10.3389/fenvs.2015.00071

[26] Hilbeck, A., Defarge, N., Lebrecht, T., Bøhn, T., “Insecticidal Bt crops - EFSA’s risk assessment approach for GM Bt plants fails by design”, RAGES 2020, blz. 4, https://www.testbiotech.org/sites/default/files/RAGES_report-Insecticidal%20Bt%20plants.pdf

[28] Douglas, M.R., Tooker, J.F., “Large-Scale Deployment of Seed Treatments Has Driven Rapid Increase in Use of Neonicotinoid Insecticides and Preemptive Pest Management in U.S. Field Crops”, Environmental Science and Technology 2015, 49, 8, blz. 5088-5097, https://pubs.acs.org/doi/10.1021/es506141g

[30] Overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Verordening (EU) 182/2011 “kan” de Commissie de vergunning alsnog verlenen indien in het comité van beroep geen steun van een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten is gevonden. Zij hoeft dit niet te doen.

[31] Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

Laatst bijgewerkt op: 14 december 2020Juridische mededeling - Privacybeleid