Procedure : 2020/2532(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0422/2020

Ingediende teksten :

B9-0422/2020

Debatten :

PV 17/12/2020 - 3
CRE 17/12/2020 - 3

Stemmingen :

PV 17/12/2020 - 9
PV 17/12/2020 - 15

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0382

<Date>{11/12/2020}11.12.2020</Date>
<NoDocSe>B9‑0422/2020</NoDocSe>
PDF 209kWORD 65k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B9‑0075/2020</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 136, lid 5, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering</Titre>

<DocRef>(2020/2532(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Linda Pereira, Marek Paweł Balt, Nils Torvalds, Pär Holmgren, Petros Kokkalis</Depute>

<Commission>{ENVI}namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid</Commission>

</RepeatBlock-By>

AMENDEMENTEN

B9‑0422/2020

Resolutie van het Europees Parlement over de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering

(2020/2532(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

 gezien de Overeenkomst van Parijs, die op 12 december 2015 is goedgekeurd op de 21e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP21) in Parijs (Overeenkomst van Parijs),

 gezien de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering van april 2013 en de begeleidende werkdocumenten van de diensten van de Commissie,

 gezien het verslag van de Commissie van 12 november 2018 over de uitvoering van de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering (COM(2018)0738),

 gezien het rapport van het Milieuprogramma van de VN van 2018 over de aanpassingskloof,

 gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

 gezien het voorstel van de Commissie van 4 maart 2020 voor een verordening tot vaststelling van een kader voor de totstandbrenging van klimaatneutraliteit en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1999 (Europese klimaatwet) (COM(2020)0080),

 gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “De EU‑biodiversiteitsstrategie voor 2030 – De natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380),

 gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “Een ‘van boer tot bord’-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem” (COM(2020)0381),

 gezien het speciaal verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) over de opwarming van de aarde met 1,5 °C, het vijfde evaluatierapport (AR5) van de werkgroep en het bijbehorende samenvattend verslag, het speciaal verslag van de IPCC over de klimaatverandering en de bodem en het speciaal verslag van de IPCC over de oceanen en de cryosfeer in een veranderend klimaat,

 gezien de mondiale evaluatie van biodiversiteit en ecosysteemdiensten die op 31 mei 2019 is gepubliceerd door het intergouvernementeel platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten (Intergovernmental Science Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services, IPBES),

 gezien Speciaal verslag nr. 33/2018 van de Europese Rekenkamer, getiteld “Bestrijding van woestijnvorming in de EU: een groeiende bedreiging waartegen meer moet worden ondernomen”,

 gezien het richtinggevende verslag van de Global Commission on Adaptation (GCA) van 2019 getiteld “Adapt Now: A Global Call for Leadership on Climate Resilience”,

 gezien het zevende milieuactieprogramma van de EU voor de periode tot en met 2020 en haar visie voor 2050,

 gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s) van de VN,

 gezien zijn resolutie van 16 januari 2020 over de 15e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP15)[1],

 gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal[2],

 gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu[3],

 gezien het op indicatoren gebaseerde verslag van het Europees Milieuagentschap (EEA) van 25 januari 2017, getiteld “Climate change, impacts and vulnerability in Europe 2016”,

 gezien de Indicator Assessment van het EEA van 2 april 2019, getiteld “Economic losses from climate-related extremes in Europe”,

 gezien het verslag van het EEA van 4 september 2019, getiteld “Climate change adaptation in the agriculture sector in Europe”,

 gezien het verslag van het EEA van 4 december 2019, getiteld “The European Environment state and outlook 2020: knowledge for transition to a sustainable Europe”,

 gezien het wetenschappelijk advies van de onafhankelijke groep wetenschappelijke hoofdadviseurs van de Commissie van 29 juni 2020 over de aanpassing aan de effecten van de klimaatverandering op de gezondheid,

 gezien het verslag van het EEA van 8 september 2020, getiteld “Healthy environment, healthy lives: how the environment influences health and well-being in Europe”,

 gezien het VN-kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015-2030,

 gezien Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid[4],

 gezien Verordening (EU) 2020/741 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 2020 inzake minimumeisen voor hergebruik van water[5],

 gezien het adaptatieraamwerk van Cancún,

 gezien het internationaal mechanisme van Warschau voor verlies en schade door klimaatverandering,

 gezien Richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico’s[6],

 gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over de follow-up van het burgerinitiatief “Right2Water”[7],

 gezien Speciaal verslag nr. 33/2018 van de Europese Rekenkamer, getiteld “Bestrijding van woestijnvorming in de EU: een groeiende bedreiging waartegen meer moet worden ondernomen”,

 gezien Speciaal verslag nr. 25/2018 van de Europese Rekenkamer, getiteld: “Overstromingsrichtlijn: vooruitgang bij de beoordeling van risico’s, maar planning en uitvoering moeten beter”,

 gezien de Peseta-verslagen van de Commissie (voorspellingen van de economische effecten van klimaatverandering in sectoren van de EU op basis van een bottom-upanalyse), en met name de Peseta-verslagen III en IV van 2018 en 2020,

 gezien de vraag aan de Commissie over een strategie voor de aanpassing aan klimaatverandering (O-000075/2020B9‑0075/2020),

 gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

 gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

A. overwegende dat de waargenomen klimaatveranderingen reeds verregaande gevolgen hebben voor ecosystemen (en in het bijzonder de biodiversiteit), sociale en economische sectoren (grotere ongelijkheid) en de menselijke gezondheid; overwegende dat het belangrijk is de opkomst van talrijke en vaak onderling verbonden bedreigingen voor ecosystemen en fauna, waaronder verlies en aantasting van habitats, te voorkomen; overwegende dat de gevolgen van klimaatverandering wereldwijd en in de EU nog steeds worden opgetekend, en overwegende dat er verder bewijs is dat de toekomstige klimaatverandering het aantal extreme klimaatgerelateerde gebeurtenissen in veel EU‑regio’s en in derde landen zal doen toenemen en invasies van dragers van besmettelijke ziekten zal veroorzaken die ertoe kunnen dat besmettelijke ziekten die in de EU waren uitgeroeid, opnieuw opduiken; overwegende dat aanpassing aan klimaatverandering niet alleen van economisch belang is voor de EU, maar ook noodzakelijk is voor het welzijn van de burgers;

B. overwegende dat lidstaten, regio’s en sectoren in de EU uiteenlopende gevolgen ondervinden van klimaatverandering en dat dit naar verwachting ook in de toekomst het geval zal zijn; overwegende dat kust- en insulaire gebieden bijzonder kwetsbaar zijn voor de gevolgen van klimaatverandering; overwegende dat het aanpassingsvermogen aanzienlijk verschilt tussen EU-regio’s en dat het aanpassingsvermogen van de insulaire en ultraperifere gebieden van de EU beperkt is; overwegende dat aanpassingsstrategieën ook de aanzet moeten geven tot een overgang naar duurzame ontwikkeling in kwetsbare gebieden, zoals eilanden, voortbouwend op milieuvriendelijke en op de natuur gebaseerde oplossingen; overwegende dat het Middellandse Zeegebied meer te lijden zal hebben onder de effecten van menselijke sterfte als gevolg van hitte, waterschaarste, woestijnvorming, verlies van habitat en bosbranden;

C. overwegende dat koraalriffen en mangroves, die essentiële koolstofputten vormen, door klimaatverandering worden bedreigd;

D. overwegende dat bodemgezondheid een belangrijke factor is voor het beperken van de gevolgen van verwoestijning, omdat de bodem het grootste koolstofreservoir en de ruggengraat van elk ecosysteem en elk gewas is, water vasthoudt en een belangrijke rol speelt bij het vergroten van de weerstand van de samenleving tegen de ecologische veranderingen;

E. overwegende dat de sectoren water, landbouw, visserij, bosbouw en terrestrische en mariene biodiversiteit sterk met elkaar verbonden zijn en ook samenhangen met veranderende patronen van landgebruik en bevolkingsontwikkeling; overwegende dat de gevolgen van klimaatverandering in andere delen van de wereld ook van invloed kunnen zijn op de EU via handel, internationale financiële stromen, volksgezondheid, migratie en veiligheid;

F. overwegende dat het totale energieverbruik in de watersector in de EU aanzienlijk is en efficiënter moet worden om bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de klimaatdoelstellingen van de EU voor 2030 en het bereiken van koolstofneutraliteit tegen 2050;

G. overwegende dat de kaderrichtlijn water geen specifieke bepalingen bevat om de effecten van klimaatverandering aan te pakken; overwegende dat de Commissie in haar mededeling over de Europese Green Deal desalniettemin erkent dat de natuurlijke functies van het grond- en oppervlaktewater moeten worden hersteld;

H. overwegende dat gebouwen in de EU ongeveer 40 % van het energieverbruik voor hun rekening nemen en 36 % van de CO2-emissies veroorzaken, en overwegende dat het dus van cruciaal belang is om die gebouwen grondig te renoveren, ook in gefaseerde vorm, om de EU-doelstelling van broeikasgasneutraliteit in 2050 te verwezenlijken;

I. overwegende dat het EEA de verliezen als gevolg van extreme weersomstandigheden en klimaatgerelateerde verschijnselen in de EU‑28 tussen 1980 en 2017 op 426 miljard EUR heeft geraamd en dat de te verwachten kosten van schade als gevolg van klimaatverandering volgens het EEA hoog zijn, zelfs wanneer de Overeenkomst van Parijs wordt uitgevoerd; overwegende dat deze kosten in aanmerking moeten worden genomen in de kosten-batenanalyse van de uit te voeren maatregelen; overwegende dat klimaatbestendige investeringen de schadelijke effecten van klimaatverandering kunnen beperken en zo de kosten van aanpassing kunnen verlagen; overwegende dat de effecten van klimaatverandering buiten de EU waarschijnlijk op tal van manieren economische, sociale en politieke gevolgen zullen hebben voor de EU, onder andere op het gebied van handel, internationale geldstromen, migratie en veiligheid; overwegende dat de noodzakelijke investeringen voor aanpassing aan klimaatverandering nog niet beoordeeld zijn of in de klimaatcijfers van het meerjarig financieel kader (MFK) opgenomen zijn;

J. overwegende dat klimaatverandering en de gevolgen ervan aanzienlijk kunnen worden beperkt door een ambitieus mondiaal mitigatiebeleid dat verenigbaar is met de mitigatiedoelstelling van de Overeenkomst van Parijs; overwegende dat de huidige toezeggingen voor emissiebeperking niet voldoende zijn om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken en zullen resulteren in een opwarming van de aarde met meer dan 3 °C ten opzichte van de pre-industriële niveaus;

K. overwegende dat aanpassing aan klimaatverandering noodzakelijk is om te anticiperen op en het hoofd te bieden aan huidige en toekomstige negatieve gevolgen van klimaatverandering en om de risico’s op korte, middellange en lange termijn van klimaatverandering te voorkomen of te verminderen; overwegende dat een robuuste aanpassingsstrategie van de EU van fundamenteel belang is om kwetsbare regio’s en sectoren voor te bereiden; overwegende dat gemeenschappelijke internationale inspanningen, onder andere op het gebied van duurzame ontwikkeling, biodiversiteit en risicobeperking bij rampen, beter in de nieuwe strategie moeten worden geïntegreerd;

L. overwegende dat mechanismen voor de financiering van aanpassingsmaatregelen voor het aanpakken van verlies en schade of ontheemding als gevolg van klimaatverandering doeltreffender zullen zijn als vrouwen, ook grassrootsvrouwen, ten volle kunnen deelnemen aan de ontwerpprocedures, besluitvorming en uitvoering; overwegende dat het benutten van de kennis van vrouwen, met inbegrip van lokale en inheemse kennis, tot doorbraken inzake rampenbeheer kan leiden, de biodiversiteit stimuleert, het waterbeheer verbetert, de voedselzekerheid vergroot, verwoestijning voorkomt, bosbescherming verzekert, een vlotte overgang naar hernieuwbare energietechnologieën waarborgt en de volksgezondheid ondersteunt;

M. overwegende dat mensen te maken zullen hebben met gezondheidsrisico’s in verband met klimaatverandering, met name bepaalde kwetsbare groepen (ouderen, kinderen, mensen die buiten werken en daklozen); overwegende dat deze risico’s onder andere bestaan uit een hoger ziekte- en sterftecijfer als gevolg van extreme weersomstandigheden (hittegolven, stormen, overstromingen, natuurbranden) en nieuwe besmettelijke ziekten (waarvan de verspreiding, het verloop en de intensiteit worden beïnvloed door veranderingen in temperatuur, luchtvochtigheid en neerslag); overwegende dat veranderingen in ecosystemen ook het risico op besmettelijke ziekten zouden kunnen doen toenemen;

N. overwegende dat de voorspelde klimaatverandering volgens de Wereldgezondheidsorganisatie tegen 2030 ongeveer 250 000 extra sterfgevallen per jaar zal veroorzaken;

O. overwegende dat het herstel van ecosystemen, zoals bossen, graslanden, veengronden en watergebieden, een gunstig effect heeft op de koolstofbalans van het betreffende landgebruiksysteem en zowel een mitigatie- als een aanpassingsmaatregel is;

P. overwegende dat door te investeren in de preventie van milieurampen de aanpassing aan klimaatverandering op doeltreffende wijze kan worden verbeterd en de frequentie en intensiteit van klimaatgerelateerde extreme weersomstandigheden kunnen worden beperkt;

Q. overwegende dat volgens het speciale verslag van het IPCC van 2019 over klimaatverandering en landgebruik het behoud van koolstofintensieve ecosystemen een onmiddellijk positief effect sorteert wat betreft klimaatverandering; overwegende dat het positieve effect van herstel en andere maatregelen met betrekking tot landgebruiksystemen niet onmiddellijk is;

R. overwegende dat het doel om een goede ecologische toestand van waterlichamen te bewerkstelligen, van cruciaal belang is voor aanpassing, en dat de ecologische toestand van waterlichamen door het veranderende klimaat steeds meer onder druk komt te staan;

Algemene opmerkingen

1. benadrukt dat aanpassing voor de Unie als geheel en voor alle landen en regio’s noodzakelijk is om negatieve en onomkeerbare gevolgen van klimaatverandering te minimaliseren, terwijl tegelijkertijd ambitieuze mitigatiemaatregelen moeten worden genomen om te blijven trachten de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C ten opzichte van de pre-industriële niveaus, de mogelijkheden voor klimaatbestendige groei en duurzame ontwikkeling ten volle te benutten en de nevenvoordelen met andere milieubeleidsmaatregelen en ‑wetgeving te maximaliseren; benadrukt in dat verband dat het zich onverminderd committeert aan de mondiale aanpassingsdoelstelling zoals vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs;

2. erkent dat steden en regio’s in de EU nu al te maken hebben met verregaande schadelijke gevolgen van klimaatverandering, zoals extreme neerslag, overstromingen en droogtes, en dat deze verschijnselen milieu-, economische en veiligheidsrisico’s voor lokale gemeenschappen en ondernemingen vormen; is van mening dat in de nieuwe strategie met deze urgentie rekening moet worden gehouden en dat in dit opzicht passende maatregelen moeten worden voorgesteld;

3. stelt voor om de reactieve aard van het solidariteitsfonds van de Europese Unie aan te vullen met proactief geplande aanpassing aan klimaatverandering, teneinde het grondgebied en de inwoners van de EU minder kwetsbaar te maken door het aanpassingsvermogen te vergroten en de gevoeligheid te verkleinen;

4. betuigt zijn steun aan het werk van de Global Commission on Adaptation voor het onder de aandacht brengen van aanpassing;

5. pleit voor hernieuwde en grotere aandacht voor aanpassing; is daarom verheugd dat de Commissie een nieuwe strategie zal presenteren als belangrijk onderdeel van het klimaatbeleid van de EU, en verzoekt haar de strategie onverwijld te presenteren; beschouwt het als een kans om te laten zien dat de EU een wereldleider is bij het opbouwen van mondiale klimaatbestendigheid door middel van meer financiering en het bevorderen van wetenschap, diensten, technologieën en praktijken voor aanpassing; is van oordeel dat de nieuwe strategie integraal deel moet uitmaken van de European Green Deal, met als doel aan een veerkrachtige EU te bouwen door systemen met een groot aanpassings‑ en reactievermogen in een snel veranderend klimaat te creëren en in stand te houden, door duurzame economische ontwikkeling te stimuleren, de levenskwaliteit en de volksgezondheid te waarborgen, water- en voedselzekerheid te garanderen, de biodiversiteit te respecteren en te beschermen, om te schakelen op schone energiebronnen en te zorgen voor klimaat- en sociale rechtvaardigheid; is ingenomen met de versterkte governanceregeling voor aanpassing in het kader van de Europese klimaatwet;

6. is ingenomen met de beoordeling van de Commissie van de huidige EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering van november 2018 en neemt kennis van de conclusies ervan, namelijk dat de brede doelstellingen van de strategie weliswaar nog niet volledig zijn verwezenlijkt, maar dat er wel vooruitgang is geboekt met elk van de afzonderlijke acties; is in dit opzicht van mening dat de in de nieuwe strategie vastgestelde doelstellingen ambitieuzer moeten zijn om de EU beter voor te bereiden op de voorspelde negatieve effecten van klimaatverandering;

7. vraagt dat bij de bouw en renovatie van bestaande infrastructuur, in alle sectoren en in de ruimtelijke ordening, rekening wordt gehouden met de aanpassing aan klimaatverandering, en dat de ruimtelijke ordening, gebouwen, alle relevante infrastructuur en andere investeringen effectief klimaatbestendig worden gemaakt, met name door middel van een voorafgaande toetsing om na te gaan in hoeverre projecten in verschillende scenario’s voor de wereldwijde temperatuurstijging het hoofd kunnen bieden aan klimaateffecten op middellange tot lange termijn, om te weten of zij al dan niet in aanmerking komen voor financiering door de Unie en om ervoor te zorgen dat de EU-middelen efficiënt worden besteed aan duurzame, klimaatbestendige projecten; pleit voor een hervorming van de bouwkundige normen en praktijk in de hele EU om fysieke klimaatgerelateerde risico’s te integreren;

8. benadrukt dat groene infrastructuur bijdraagt tot de aanpassing aan klimaatverandering doordat zij natuurlijk kapitaal beschermt, natuurlijke habitats en soorten in stand houdt en zorgt voor een goede ecologische toestand, goed waterbeheer en voedselzekerheid;

9. betreurt dat de urgentie van het doorvoeren van aanpassingsmaatregelen niet naar behoren aan de orde wordt gesteld in de strategie van 2013; vraagt om een versterkte governance van de nieuwe strategie, de vaststelling van prioritaire gebieden en investeringsbehoeften, met inbegrip van een beoordeling van de mate waarin EU‑investeringen bijdragen tot het verminderen van de algemene klimaatkwetsbaarheid van de Unie, een frequenter evaluatieproces, met duidelijke doelstellingen, een degelijke beoordeling en indicatoren op basis van de meest recente wetenschappelijke gegevens om de vooruitgang bij de uitvoering ervan te meten; erkent de noodzaak om maatregelen en plannen in een wereld met ongekende veranderingen voortdurend te actualiseren; vraagt de Commissie daarom de nieuwe strategie regelmatig te herzien en te actualiseren in overeenstemming met de betreffende bepalingen van de Europese klimaatwet;

10. stelt ook vast dat er minder vooruitgang is geboekt dan verwacht wat betreft het aantal lokale en regionale aanpassingsstrategieën, met verschillen tussen de lidstaten; moedigt de lidstaten aan om regio’s te stimuleren en te helpen om aanpassingsplannen uit te voeren en actie te ondernemen; benadrukt dat aanpassingsstrategieën naar behoren rekening moeten houden met de specifieke territoriale kenmerken en de plaatselijke kennis; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle regio’s van de EU voorbereid zijn om de gevolgen van klimaatverandering aan te pakken door middel van aanpassing; erkent in dit verband de waarde van het Burgemeestersconvenant, dat heeft gezorgd voor meer samenwerking op het gebied van aanpassing op lokaal niveau, en van de nationale klimaat- en energiedialogen op verschillende niveaus, zoals overwogen in de verordening inzake de governance van de energie-unie en klimaatactie; pleit voor een sterkere rol voor aanpassing in het Europees klimaatpact;

11. benadrukt hoe belangrijk het is fysieke klimaatrisico’s te beheersen en pleit ervoor verplichte klimaatrisicobeoordelingen op te nemen in de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering en ook in de nationale aanpassingsplannen;

12. wenst dat overheidsopdrachten een voorbeeldfunctie vervullen voor klimaatvriendelijke materialen en diensten;

13. benadrukt dat het belangrijk is om in de nieuwe strategie de aanpassing aan klimaatverandering in regio’s en steden verder te bevorderen, bijvoorbeeld door wetgevingskaders te bevorderen die ook op regionaal en stedelijk niveau passende aanpassingsstrategieën vereisen, na het nodige overleg met de betrokken belanghebbenden, waaronder het maatschappelijk middenveld, jongerenorganisaties, vakbonden en lokale ondernemingen, en vergezeld van financiële prikkels om te helpen bij de uitvoering ervan; benadrukt dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan het vergroten van de paraatheid en het aanpassingsvermogen van de meest kwetsbare geografische gebieden, zoals kustgebieden, eilanden en ultraperifere regio’s, die in het bijzonder door klimaatverandering worden getroffen als gevolg van natuurrampen en extreme weersomstandigheden; betreurt dat het in de aanpassingsstrategie van de Commissie van 2013 deerlijk ontbrak aan een genderperspectief en dringt aan op een genderperspectief dat ten volle rekening houdt met de kwetsbaarheid van vrouwen en meisjes en ook zorgt voor gendergelijkheid bij deelname;

14. onderstreept de noodzaak van betere grensoverschrijdende samenwerking en afstemming wat betreft aanpassing aan klimaatverandering en snelle respons op klimaatrampen; verzoekt de Commissie in dit verband de lidstaten te helpen met het delen van kennis en best practices omtrent de verschillende inspanningen op het gebied van aanpassing aan klimaatverandering op regionaal en lokaal niveau;

15. benadrukt dat de lidstaten, regio’s en steden hun aanpassingsvermogen moeten opbouwen om minder kwetsbaar te worden en de sociale gevolgen van klimaatverandering te verminderen; verzoekt de Commissie en de EU-agentschappen te zorgen voor de nodige capaciteitsopbouw en opleiding, en een kader te scheppen voor een goede uitwisseling van informatie en best practices tussen lokale, subnationale en nationale overheden;

16. benadrukt dat aanpassingsstrategieën ook een verandering van model moeten aanmoedigen in kwetsbare gebieden zoals eilanden, op basis van milieuvriendelijke en op de natuur gebaseerde oplossingen, en de zelfvoorziening moeten verbeteren om te zorgen voor betere levensomstandigheden, met inbegrip van duurzame en lokale landbouw- en visserijpraktijken, duurzaam waterbeheer, een groter gebruik van hernieuwbare energie enz., in overeenstemming met de SDG’s, om hun veerkracht en de bescherming van hun ecosystemen te bevorderen;

17. merkt op dat de effecten van klimaatverandering verder in kaart moeten worden gebracht, bijvoorbeeld wat natuurrampen betreft; is daarom ingenomen met het reeds gestarte Climate-ADAPT-project van de Waarnemingspost voor klimaatverandering en gezondheid van de EU, en moedigt de Commissie aan om het project verder te ontwikkelen en uit te breiden tot andere sectoren;

18. wijst op de belangrijke synergieën en de potentiële wisselwerkingen tussen mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering; benadrukt dat uit de evaluatie van de huidige aanpassingsstrategie naar voren komt dat er in het beleid en de plannen meer aandacht moet worden besteed aan het verband tussen aanpassing en mitigatie; merkt op dat op synergieën gebaseerde benaderingen van deze uitdagingen van essentieel belang zijn, zowel wegens de urgentie van de klimaat- en milieucrises als wegens de noodzaak om de menselijke gezondheid te beschermen en de veerkracht van ecologische en sociale systemen te versterken, waarbij niemand aan zijn lot mag worden overgelaten; benadrukt dat gemeenschappelijke inspanningen weliswaar essentieel zijn om doeltreffende mitigatiemaatregelen te treffen, vanwege de grensoverschrijdende aard van klimaatverandering, maar dat er ook bijzondere aandacht moet uitgaan naar de gevolgen van klimaatverandering en de kosten van aanpassing voor elke regio, met name de regio’s die voor de dubbele uitdaging staan om bij te dragen aan de wereldwijde mitigatie-inspanningen en tegelijkertijd de toenemende kosten van klimaatgerelateerde gevolgen te dragen;

19. meent dat de negatieve effecten van klimaatverandering het aanpassingsvermogen van de lidstaten mogelijk te boven zouden kunnen gaan; is daarom van mening dat de lidstaten en de Unie moeten samenwerken om verlies en schade in verband met klimaatverandering te voorkomen, tot een minimum te beperken en aan te pakken, zoals voorgeschreven in artikel 8 van de Overeenkomst van Parijs; erkent de noodzaak om verdere maatregelen te ontwikkelen om verlies en schade aan te pakken;

20. erkent dat de effecten van klimaatverandering grensoverschrijdend van aard zijn en zich uitstrekken tot bijvoorbeeld handel, migratie en veiligheid; roept de Commissie daarom op ervoor te zorgen dat de nieuwe strategie holistisch is en alle effecten van klimaatverandering omvat;

21. benadrukt dat de EU voorbereid moet zijn op ontheemding als gevolg van klimaatverandering en erkent dat er passende maatregelen nodig zijn ter bescherming van de mensenrechten van bevolkingen die door de effecten van klimaatverandering worden bedreigd;

Op de natuur gebaseerde oplossingen en groene infrastructuur

22. herinnert eraan dat klimaatverandering en de gevolgen daarvan niet alleen mensen treffen, maar ook de biodiversiteit en mariene en terrestrische ecosystemen, en dat klimaatverandering volgens het belangrijke verslag van het IPBES momenteel de op twee na belangrijkste rechtstreekse oorzaak van het wereldwijde verlies aan biodiversiteit is en dat een duurzaam levensonderhoud van wezenlijk belang is voor de mitigatie van de gevaarlijke invloed van de mens op het klimaatsysteem en voor de aanpassing daaraan; vraagt de Commissie en de lidstaten daarom te zorgen voor meer samenhang tussen de uitvoering van de aanpassingsmaatregelen en de maatregelen voor de instandhouding van de biodiversiteit die voortkomen uit de biodiversiteitsstrategie voor 2030;

23. moedigt de ontwikkeling aan van een echt samenhangend en veerkrachtig trans-Europees natuurnetwerk dat bestaat uit ecologische corridors om genetische isolatie te vermijden, migratie van soorten mogelijk te maken en gezonde ecosystemen in stand te houden en te versterken, en tegelijkertijd de ontwikkeling van traditionele maar klimaatbestendige infrastructuur mogelijk te maken;

24. benadrukt dat het belangrijk is duurzame, op de natuur gebaseerde aanpassingsoplossingen te gebruiken, mariene en terrestrische ecosystemen in stand te houden en te beschermen – wat tegelijkertijd kan bijdragen tot de mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering –, de biodiversiteit te beschermen en verschillende vormen van vervuiling te bestrijden; dringt erop aan dat de nieuwe strategie ambitieuze actieplannen omvat voor een intensiever gebruik van dergelijke oplossingen, met adequate financiering, onder meer uit het MFK, InvestEU en de faciliteit voor herstel en veerkracht, en stelt voor om de portefeuilles van beschikbare financiële producten te onderzoeken en de financieringsvoorwaarden te verbeteren teneinde de huidige suboptimale investeringssituatie te verhelpen; vraagt voorts dat er goed gebruik wordt gemaakt van het LIFE-programma, zodat het kan fungeren als katalysator voor innovatie op het gebied van aanpassing en een ruimte om te experimenteren en oplossingen te ontwikkelen en te testen om de Unie beter bestand te maken tegen klimaatrisico’s;

25. benadrukt dat er onderzoek moet worden gedaan naar en verder gebruik moet worden gemaakt van het potentieel van bossen, bomen en groene infrastructuur voor aanpassing aan de klimaatverandering en de verlening van ecosysteemdiensten, bijvoorbeeld bomen in stedelijke gebieden, die extreme temperaturen kunnen afvlakken en andere voordelen bieden, zoals een betere luchtkwaliteit; vraagt dat er meer bomen worden geplant in steden, dat er steun wordt verleend voor duurzaam bosbeheer en dat bosbranden op geïntegreerde wijze worden aangepakt, bijvoorbeeld met de nodige opleiding voor brandweerlieden die betrokken zijn bij de bestrijding van bosbranden, teneinde de bossen van de EU te beschermen tegen vernietiging als gevolg van extreme klimaatverschijnselen; benadrukt dat alle aanpassingsmaatregelen voor herbebossing en landbouw gebaseerd moeten zijn op de meest recente wetenschappelijke kennis en moeten worden uitgevoerd met volledige inachtneming van de ecologische beginselen;

26. merkt op dat een van de prioriteiten van het tweede milieuactieprogramma van de EU van 1977 erin bestond bosgebieden aan te wijzen waarvan de natuurlijke toestand het best bewaard is gebleven en die daarom bijzondere bescherming moeten krijgen; merkt voorts op dat er tot dusver geen actie is ondernomen en dat de EU hiervan ook in de biodiversiteitsstrategie voor 2030 een prioriteit heeft gemaakt; verzoekt de Commissie de toekomstige EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering af te stemmen op de doelstellingen van de biodiversiteitsstrategie van de EU, in het bijzonder wat betreft de strikte bescherming van alle oerbossen en doelstellingen inzake behoud en herstel;

27. wijst op het rol van intacte bosecosystemen[8] bij het ondervangen van milieustressoren, waaronder ook veranderingen in het klimaat, dankzij hun inherente eigenschappen die ze in staat stellen hun aanpassingsvermogen te maximaliseren, zoals evolutionaire lijnen die zich op unieke wijze hebben aangepast om enorme temperatuurschommelingen tussen seizoenen en verstoringen in het landschap in de loop van de tijd te overleven;

28. benadrukt dat er verschillende technologieën bestaan voor het herplanten van bomen; begrijpt dat bouwwerkzaamheden in steden soms de vernieling van groene gebieden met zich mee kunnen brengen, en pleit in deze context voor het herplanten van bomen om ze een nieuw leven te geven op een nieuwe, goed ontworpen plek;

29. vraagt de Commissie en de lidstaten groene infrastructuur te classificeren als behorende tot de categorie van kritieke infrastructuur met het oog op programmering, financiering en investeringen;

30. merkt op dat sommige groene infrastructuurelementen ook onder toenemende hitte en andere storende omstandigheden te lijden hebben en dat we ze, opdat ze niet alleen een fysiek maar ook een fysiologisch verkoelend effect kunnen genereren, van gunstige omstandigheden, grond en vocht moeten voorzien zodat ze in stedelijke gebieden kunnen gedijen; benadrukt daarom de rol van een goede groene stadsplanning die rekening houdt met de behoeften van de verschillende onderdelen van groene infrastructuur, en niet alleen met het planten van bomen;

31. erkent de rol van de oceanen bij de aanpassing aan klimaatverandering en benadrukt de noodzaak om voor gezonde en veerkrachtige zeeën en oceanen te zorgen; herinnert eraan dat in het speciaal verslag van het IPCC getiteld “De oceaan en de cryosfeer in een veranderend klimaat” staat dat klimaatmechanismen afhankelijk zijn van de gezondheid van de oceaan en mariene ecosystemen, die op dit moment de gevolgen ondervinden van de wereldwijde opwarming van het klimaat, vervuiling, overexploitatie van de mariene biodiversiteit, verzuring, zuurstofverlies en kusterosie; benadrukt dat het IPCC er ook op wijst dat de oceaan deel uitmaakt van de oplossing voor mitigatie van en aanpassing aan de effecten van klimaatverandering, en onderstreept dat het noodzakelijk is broeikasgasemissies en vervuiling van ecosystemen te verminderen en natuurlijke koolstofputten te versterken;

32. wijst erop dat de aantasting van kust- en mariene ecosystemen een bedreiging vormt voor de fysieke veiligheid, de economische situatie en de voedselzekerheid van lokale gemeenschappen en de economie in het algemeen, en dat zij daardoor minder goed in staat zijn kritieke ecosysteemdiensten, zoals voedsel, koolstofopslag en zuurstofproductie, te verlenen en op de natuur gebaseerde oplossingen voor aanpassing aan klimaatverandering te ondersteunen;

33. waarschuwt dat bepaalde kustgebieden onder grote druk zouden kunnen komen te staan door de stijging van de zeespiegel en de insijpeling van zeewater in zowel grondwaterlagen aan de kust die voor drinkwaterwinning worden gebruikt als in rioleringen, alsook door extreme weersomstandigheden, die gevolgen kunnen hebben zoals mislukte oogsten, verontreiniging van waterlichamen, schade aan infrastructuur en gedwongen verplaatsing; steunt de ontwikkeling van groene infrastructuur in kuststeden, die vaak dicht bij watergebieden liggen, om de biodiversiteit en kustecosystemen in stand te houden en de duurzame ontwikkeling van de economie, het toerisme en de kustlandschappen te bevorderen, hetgeen ook zal helpen om deze kwetsbare gebieden, die bijzonder zwaar door de stijging van de zeespiegel worden getroffen, klimaatbestendiger te maken;

34. schaart zich achter initiatieven, waaronder de ontwikkeling van stedelijke strategieën en betere ruimtelijke ordening, die beogen het potentieel van daken en andere infrastructuur, zoals parken, stadstuinen, groene daken en muren, luchtfilters, koele bestrating of andere maatregelen die kunnen bijdragen tot verkoeling in warme steden, opvang en hergebruik van regenwater en voedselproductie, en tegelijkertijd de luchtvervuiling verminderen, de levenskwaliteit in steden verbeteren, risico’s voor de menselijke gezondheid beperken en de biodiversiteit, waaronder bestuivers, beschermen; is van mening dat infrastructuur zoals onder andere wegen, parkeerplaatsen, spoorwegen, elektriciteitssystemen en afwateringssystemen biodiversiteits- en klimaatbestendig moet worden gemaakt;

35. erkent dat beoordelingen van het effect van ruimtelijke plannen en stadsontwikkeling op het watersysteem door overheidsinstanties planologische diensten het nodige advies kunnen verstrekken over hoe er kan worden gebouwd zonder problemen voor het watersysteem te veroorzaken; verzoekt de lidstaten deze beoordelingen in hun aanpak op te nemen; verzoekt de lidstaten overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 2007/60/EG over beoordeling en beheer van overstromingsrisico’s overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten op te stellen om de gevolgen van eventuele overstromingen te beperken;

36. wijst erop dat klimaatverandering niet alleen van invloed is op het watervolume, maar ook op de waterkwaliteit, aangezien een zwakkere stroming in waterlichamen ertoe leidt dat schadelijke stoffen die een bedreiging vormen voor de biodiversiteit, de menselijke gezondheid en de drinkwatervoorziening, minder worden verdund; pleit daarom voor beter waterbeheer in stedelijke en plattelandsgebieden, waaronder het creëren van duurzame afwatering door betere ruimtelijke ordening, die natuurlijke waterstromen beschermt en herstelt, en natuurlijke waterretentie om overstromingen en droogtes te helpen matigen, het grondwater te helpen aanvullen en de beschikbaarheid van watervoorraden voor de productie van drinkwater te waarborgen; beklemtoont dat aanpassingsmaatregelen op het gebied van waterbeheer moeten stroken met maatregelen om duurzame en circulaire landbouw te bevorderen, de energietransitie te stimuleren en ecosystemen en de biodiversiteit in stand te houden en te herstellen; pleit in dit verband voor een sterke koppeling tussen het nieuwe actieplan om de vervuiling van lucht, water en bodem tot nul terug te brengen en de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering;

37. verzoekt de lidstaten en de Commissie Richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid volledig ten uitvoer te leggen om de kwaliteit van stroomopwaarts gelegen wateren te verbeteren; merkt op dat maatregelen voor het stroomopwaarts vasthouden en onttrekken van water uit waterlichamen gevolgen hebben voor de stroomafwaarts gelegen waterlichamen – ook over de grenzen heen – en dat hierdoor de economische ontwikkeling van stroomafwaarts gelegen gebieden kan worden belemmerd en de beschikbaarheid van drinkwatervoorraden kan worden beperkt; vraagt om coherente beleidsmaatregelen in alle regio’s om ervoor te zorgen dat ten minste een goede ecologische toestand van waterlichamen in de EU wordt bewerkstelligd, en onderstreept dat het van cruciaal belang is ervoor te zorgen dat het ecologisch debiet in overeenstemming is met de kaderrichtlijn water en dat de verbindingen tussen zoetwaterecosystemen aanzienlijk verbeteren;

38. verzoekt de Commissie en de lidstaten hergebruik van water verder te ondersteunen om te voorkomen dat er conflicten ontstaan bij de toewijzing van water voor verschillende doeleinden, en tegelijkertijd te garanderen dat er voldoende watervoorraden beschikbaar zijn voor de productie van drinkwater, wat van essentieel belang is om het mensenrecht op water te waarborgen;

39. merkt op dat het energieverbruik in de watersector hoog ligt; verzoekt de Commissie energie-efficiënte maatregelen te overwegen, alsook de mogelijkheid om gezuiverd afvalwater te gebruiken als een ter plaatse beschikbare bron van hernieuwbare energie; merkt op dat de huidige richtlijn inzake de behandeling van stedelijk afvalwater sinds de aanneming ervan in 1991 niet is herzien; verzoekt de Commissie de richtlijn inzake de behandeling van stedelijk afvalwater te herzien zodat zij op positieve wijze bijdraagt aan de verwezenlijking van de klimaat- en milieudoelstellingen van de Unie;

Aanpassingsmaatregelen en coherentie

40. benadrukt dat de aanpassing aan klimaatverandering moet worden geïntegreerd met alle relevante beleidsgebieden van de EU met het oog op een duurzamere toekomst, zoals landbouw en voedselproductie, bosbouw, vervoer, handel, energie, milieu, waterbeheer, gebouwen, infrastructuur, industrieel, maritiem en visserijbeleid, cohesiebeleid, lokale ontwikkeling en sociaal beleid, en dat de nevenvoordelen met die beleidsgebieden moeren worden gemaximaliseerd, en benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat andere initiatieven van de Europese Green Deal stroken met de maatregelen voor aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering;

41. verzoekt de Commissie de klimaat- en milieueffecten van alle relevante wetgevings- en begrotingsvoorstellen grondig te beoordelen en ervoor te zorgen dat deze volledig stroken met het doel om de opwarming van de aarde te beperken tot minder dan 1,5 °C;

42. betreurt dat het EU-beleid in de periode 2014-2020 klimaat- en milieuonvriendelijke subsidies toeliet die een rol hebben gespeeld in de verminderde veerkracht van ecosystemen in de EU; dringt erop aan dat de toepasselijke regels op alle beleidsterreinen een dergelijk gebruik van openbare middelen voorkomen;

43. vraagt de Commissie de komende renovatiegolf op ambitieuze wijze aan te pakken en passende initiatieven te nemen met het oog op gefaseerde en grondige renovaties met een sterke nadruk op kostenefficiëntie; is in dit verband verheugd over de ambitie van Commissievoorzitter Ursula von der Leyen om een “Europees Bauhaus” op te richten dat ingenieurs, architecten en ander personeel uit de bouwsector samenbrengt, zoals zij heeft aangekondigd in haar toespraak over de staat van de Unie op 16 september 2020 in het Europees Parlement;

44. wenst dat de nieuwe strategie strookt met wereldwijde maatregelen en overeenkomsten zoals de Overeenkomst van Parijs, de SDG’s en het Verdrag inzake biologische diversiteit; verzoekt de Commissie in de nieuwe strategie maatregelen vast te stellen die buiten de EU aanpassing bevorderen en faciliteren, met name in de minst ontwikkelde landen en kleine eilandstaten die het zwaarst door de klimaatverandering en de stijging van de zeespiegel worden getroffen, en in het kader van haar extern optreden meer technische bijstand te verlenen aan en best practices te delen met ontwikkelingslanden;

45. vraagt dat in het kader van de nieuwe aanpassingsstrategie aanpassingsoplossingen worden bevorderd en ontwikkeld samen met derde landen, in het bijzonder in de delen van de wereld die het meest kwetsbaar zijn en het zwaarst door klimaatverandering worden getroffen; wijst daarnaast op de noodzaak van effectieve en gerichte capaciteitsopbouw in ontwikkelingslanden, de verspreiding van technologieën voor aanpassing aan klimaatverandering en de verantwoordelijkheden in alle delen van de toeleveringsketens;

46. vraagt de Commissie snel passende maatregelen te nemen om woestijnvorming en bodemdegradatie tegen te gaan – problemen waar de meeste landen in de Unie al mee worden geconfronteerd en die zijn opgedoken als twee van de meest zichtbare gevolgen van klimaatverandering – en een methodologie en indicatoren te ontwikkelen om de omvang ervan te beoordelen; benadrukt ook dat er iets moet worden gedaan aan bodemafdekking; herinnert aan de bevindingen van het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer getiteld “Bestrijding van woestijnvorming in de EU: een groeiende bedreiging waartegen meer moet worden ondernomen”, met name de noodzaak om het EU-wetgevingskader voor bodembeheer uit te breiden, meer werk te maken van de toezegging van de lidstaten om de bodemdegradatie in de EU uiterlijk in 2030 tot nul terug te brengen, en de onderliggende oorzaken van woestijnvorming, in het bijzonder niet-duurzame landbouwpraktijken, beter aan te pakken; betreurt dat het op dit gebied ontbreekt aan een specifiek beleid en optreden van de EU; verzoekt de Commissie daarom in het kader van de aanpassingsstrategie een EU-strategie ter bestrijding van woestijnvorming voor te stellen; dringt aan op voldoende financiering voor de bestrijding van woestijnvorming en bodemdegradatie;

47. erkent dat klimaatverandering ongelijke effecten heeft en dat de ongunstige effecten niet alleen per lidstaat, maar ook en vooral ook per regio zullen verschillen, waardoor hun behoeften aan aanpassingsmaatregelen verschillend zullen zijn; verzoekt de Commissie daarom richtsnoeren voor de lidstaten en de regio’s op te stellen om hen te helpen hun aanpassingsmaatregelen zo doeltreffend mogelijk te richten;

48. onderstreept de noodzaak om de paraatheid en het aanpassingsvermogen van geografische gebieden die sterk aan klimaatverandering zijn blootgesteld, zoals de insulaire en ultraperifere regio’s van de EU, te verbeteren;

49. erkent dat de schadelijke effecten van klimaatverandering in het bijzonder arme en benadeelde groepen in de samenleving zullen treffen, aangezien zij een beperkter aanpassingsvermogen hebben en sterker afhankelijk zijn van klimaatgevoelige hulpbronnen; beklemtoont dat bij inspanningen voor aanpassing aan klimaatverandering aandacht moet worden besteed aan het verband tussen klimaatverandering en de uiteenlopende sociaal-economische bronnen van kwetsbaarheid, waaronder armoede en genderongelijkheid;

50. vraagt dat de socialebeschermingsstelsels worden versterkt om de meest kwetsbare regio’s en mensen te beschermen tegen de negatieve effecten van klimaatverandering, en dat kwetsbare groepen in kaart worden gebracht bij de formulering van rechtvaardig aanpassingsbeleid op alle relevante bestuursniveaus;

51. benadrukt dat aanpassingsmaatregelen moeten worden geselecteerd op grond van een analyse met meerdere criteria, waaronder doelmatigheid, doeltreffendheid, de financiële kosten, samenhang met mitigatie, het stedelijk perspectief enz.; verzoekt de Commissie een definitie van klimaatbestendigheid te formuleren om ervoor te zorgen dat alle maatregelen effectief en doelgericht zijn;

52. wijst op het risico van slechte aanpassing aan klimaatverandering en de kosten daarvan; vraagt de Commissie daarom indicatoren te ontwikkelen om te meten of de Unie op voorspelde effecten gebaseerde streefcijfers voor aanpassing haalt;

53. moedigt de ontwikkeling aan van gemeenschappelijke methoden en benaderingen om de doeltreffendheid van aanpassingsacties te monitoren en te evalueren, maar erkent dat de effecten van klimaatverandering en aanpassingsacties lokaal en contextspecifiek zijn;

Financiering

54. vraagt dat de financiering op alle bestuursniveaus wordt verhoogd en dat er publieke en private investeringen in aanpassing worden aangetrokken; herinnert aan zijn standpunt, waarin wordt gevraagd dat in het volgende MFK voor de periode 2021-2027 en in Next Generation EU 30 % van de uitgaven aan klimaat besteed worden en 10 % aan biodiversiteit, wat moet bijdragen aan zowel klimaatmitigatie als aanpassing aan de klimaatverandering; vraagt dat klimaatbestendigheid wordt beschouwd als een belangrijk criterium bij alle relevante EU-financiering; is van oordeel dat de Europese Investeringsbank (EIB) als klimaatbank ook maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering moet financieren[9]; verzoekt de EIB, als klimaatbank van de EU, de EU passende financiering te verstrekken voor aanpassing aan de klimaatverandering en zich in haar Climate Bank Roadmap te verbinden tot een hoger ambitieniveau voor aanpassing, en pleit voor meer stimulansen voor kmo’s, die een belangrijke rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van innovatieve duurzame oplossingen voor aanpassing; benadrukt dat het volgende MFK en het herstelfonds niet mogen leiden tot meer druk op, minder onderlinge verbondenheid tussen en overexploitatie van ecosystemen, aangezien alleen een duurzaam gebruik van de natuur de Unie in staat zal stellen zich aan te passen aan de gevaarlijke invloed van de mens op het klimaatsysteem en die te mitigeren[10]; vraagt om passende financiële steun voor de uitvoering van de doelstellingen inzake bescherming en herstel van de EU-biodiversiteitsstrategie; onderstreept dat de financiering van aanpassing aan de klimaatverandering inclusief en genderresponsief moet zijn;

55. betreurt dat de methode van de EU voor het meten van klimaatfinanciering geen onderscheid maakt tussen mitigatie en aanpassing en dat het moeilijk na te gaan was welke middelen aan klimaat zijn toegewezen, aangezien deze classificatie meer als boekhoudinstrument werd gebruikt en niet zozeer als hulpmiddel bij de beleidsplanning; vraagt dat het systeem voor het toewijzen van middelen aan klimaatactie beleidsspecifiek wordt gemaakt en in monitoringcriteria voorziet die vergelijkingen tussen EU-fondsen mogelijk maken, waarbij in alle EU-begrotingsinstrumenten een onderscheid wordt gemaakt tussen mitigatie en aanpassing;

56. pleit voor een beter gebruik van het solidariteitsfonds van de EU als mechanisme voor een “betere wederopbouw” dat ook stimulansen verschaft voor aanpassing en vooruitziende planning;

57. erkent dat aanpassing kosten met zich meebrengt; merkt evenwel op dat niets doen naar verwachting veel meer kosten tot gevolg zal hebben; benadrukt dat het belangrijk is om in aanpassing te investeren, aangezien preventieve maatregelen niet alleen levens redden en het milieu beschermen, maar ook kosteneffectiever kunnen zijn; wijst op het preventiebeginsel en verzoekt de Commissie benaderingen te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de kosten die voortvloeien uit het niet nemen van aanpassingsmaatregelen, niet worden doorgerekend aan het grote publiek, en dat het beginsel “de vervuiler betaalt” wordt gehandhaafd, zodat de verantwoordelijkheid voor aanpassing bij de vervuiler wordt gelegd; vraagt de EU en de lidstaten ervoor te zorgen dat openbare investeringen klimaatbestendig zijn en tegelijkertijd stimulansen te geven voor groene en duurzame private investeringen die als katalysator werken voor systemische veranderingen; is van mening dat het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” uitdrukkelijk in de nieuwe aanpassingsstrategie moet worden vermeld, met name om negatieve effecten op de biodiversiteit en slechte aanpassing te voorkomen;

58. is ingenomen met het voorstel van de Commissie om het toepassingsgebied van het solidariteitsfonds van de EU uit te breiden naar noodsituaties in verband met de volksgezondheid zoals pandemieën;

Bewustmaking, kennis en onderzoek op het gebied van aanpassing

59. onderstreept het belang van bewustmaking over de gevolgen van klimaatverandering, zoals extreme weersomstandigheden, onder meer voor de gezondheid, en over de noodzaak alsook de voordelen van aanpassing, niet alleen onder beleidsmakers, maar ook door middel van passende en doorlopende voorlichting en educatie op alle leeftijden en op alle levensgebieden; betreurt in dit opzicht dat er is bezuinigd op de begroting van belangrijke programma’s zoals EU4Health en Erasmus;

60. erkent dat de prioritaire kenniskloven niet zijn gedicht en dat er nieuwe kloven zijn ontstaan; vraagt de Commissie verdere kenniskloven, ook met betrekking tot kritieke sectoren, in kaart te brengen en te dichten met het oog op een onderbouwde besluitvorming, door instrumenten zoals Climate-ADAPT en de kennis- en innovatiegemeenschap “klimaat” van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT Climate-KIC) verder te ontwikkelen; benadrukt in dit verband het belang van een betere uitwisseling van kennis tussen de lidstaten, die tot nog toe ontoereikend is, en een betere coördinatie rond kwesties zoals internationale stroomgebieden, bescherming tegen overstromingen, bouwvoorschriften en bouwen in zones met een potentieel hoog risico; vraagt de Commissie een analyse- en modelleringsforum inzake aanpassing op te zetten om modellen voor effecten van klimaatverandering en aanpassing beter te benutten voor beleidsontwikkeling;

61. wijst op de vele innovaties die de basis vormen voor projecten en maatregelen voor aanpassing aan klimaatverandering, zoals technologische ontwikkeling, digitale diensten enz., en benadrukt dat de EU de ontwikkeling en toepassing van dergelijke initiatieven moet steunen;

62. benadrukt dat het belangrijk is om via het programma Horizon Europa en andere financieringsmechanismen steun te verlenen voor onderzoek en innovatie op het gebied van aanpassing aan klimaatverandering, op de natuur gebaseerde oplossingen, groene technologieën en andere oplossingen die kunnen bijdragen aan de strijd tegen klimaatverandering en extreme weersverschijnselen; herinnert ook aan het potentieel van Horizon Europe om de klimaatbestendigheid van de EU-burgers te bevorderen en zo bij te dragen aan aanpassing, ook door middel van maatschappelijke transformatie; betreurt in dit verband dat er massaal is bezuinigd op de budgetten voor onderzoek en innovatie, en met name op programma’s zoals Horizon Europa, aangezien deze bezuinigingen het concurrentievermogen van de EU op het vlak van baanbrekende technologieën en oplossingen voor mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering zal verminderen; herinnert aan de fundamentele rol die onderzoekers spelen bij de bestrijding van de opwarming van de aarde en benadrukt in dit verband het belang van nauwe wetenschappelijke samenwerking tussen internationale partners; merkt op dat het Europees Partnerschap voor innovatie in de landbouw (EIP-AGRI) een belangrijk hulpmiddel kan zijn voor de ontwikkeling van nieuwe technologieën en praktijken voor aanpassing aan klimaatverandering in agrovoedingssystemen;

63. benadrukt dat het belangrijk is de aanpassingsmaatregelen te baseren op de meest recente wetenschappelijke kennis en toegankelijke gegevens; neemt in dit verband nota van het werk dat reeds is verricht in het kader van EU-programma’s zoals Copernicus, en benadrukt dat het verzamelen van meer gegevens een belangrijke rol kan spelen om zo correct mogelijke voorspellingen te maken; dringt aan op meer onderzoek en ontwikkeling om innovatieve oplossingen voor aanpassing te vinden en op gerichte steun voor digitale innovaties die de kracht van de digitalisering benutten voor duurzame transformatie;

64. merkt op dat de gevolgen van klimaatverandering voor de gezondheid zullen toenemen en dat deze gevolgen volgens het verslag van het Europees Milieuagentschap (EMA) over gezondheid en klimaatverandering en de Lancet Countdown nu pas in overweging worden genomen; benadrukt daarom dat het belangrijk dat is de gevolgen van klimaatverandering voor de menselijke gezondheid verder worden bestudeerd, en dringt aan op investeringen in onderzoek op dit gebied, sectoroverschrijdende samenwerking op het gebied van risicobeoordeling en ‑bewaking, meer bewustmaking en capaciteit in de gezondheidssector, ook op lokaal niveau, en uitwisseling van best practices en de meest recente kennis over de risico’s van klimaatverandering voor de menselijke gezondheid via EU-programma’s zoals Horizon Europa en het LIFE-programma; vraagt dat de gegevens die worden verzameld, worden gebruikt als input voor de Europese ruimte voor gezondheidsdata;

65. verzoekt de Commissie in haar strategie rekening te houden met de noodzaak om ervoor te zorgen dat de lidstaten over klimaatbestendige gezondheidsstelsels beschikken die in staat zijn te anticiperen en te reageren op de gevolgen van klimaatverandering voor de gezondheid, met name die van de meest kwetsbaren, door de gezondheidsgemeenschap ten volle te betrekken bij het ontwerpen van de instrumenten voor aanpassing; benadrukt dat het hierbij moet gaan om preventieprogramma’s, plannen voor aanpassingsmaatregelen en bewustmakingscampagnes over de gevolgen van klimaatverandering voor de gezondheid, zoals sterfte, letsel, het verhoogde risico op door voedsel en water overgedragen ziekten als gevolg van extreme temperaturen, overstromingen en branden, alsmede de gevolgen van verstoorde ecosystemen, die risico’s inhouden op ziektes, veranderde pollenseizoenen en allergieën; verzoekt de Commissie ook de nodige middelen uit te trekken voor het onderhoud en de verdere ontwikkeling van het surveillancenetwerk voor vectorziekten en de entomologische surveillance, en voor de correcte tenuitoerlegging daarvan in de lidstaten;

Vroegtijdige waarschuwing en snelle reactie

66. vraagt dat in de nieuwe strategie meer aandacht wordt besteed aan crisispreventie, paraatheidsplanning, beheer en rampenbestrijding, ook bij pandemieën, met gebruikmaking van alle mogelijke synergieën met het versterkte Uniemechanisme voor civiele bescherming en met actieve betrokkenheid van EU-agentschappen zoals het EMA en het Europees Centrum voor ziektebestrijding en ‑preventie (ECDC); is van mening dat de lidstaten de opstelling van deze crisisparaatheidsplannen via het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties moeten coördineren met het Uniemechanisme voor civiele bescherming van de Unie; verzoekt de Commissie om richtsnoeren voor noodsituaties door hittegolven in steden op te stellen en de uitwisseling van best practices tussen de lidstaten te bevorderen;

67. dringt er bij de lidstaten op aan adequate preventie- en snellereactieplannen te ontwikkelen voor klimaatrampen zoals hittegolven, overstromingen en droogte, waarin rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de regio’s, zoals grens- of kustgebieden, en die mechanismen voor grensoverschrijdende actie omvatten waarbij gedeelde verantwoordelijkheden en solidariteit tussen de lidstaten en met derde landen worden gewaarborgd; wijst erop dat er een aanpassingsstrategie moet worden vastgesteld voor gebieden en steden die aan de gevolgen van klimaatverandering zijn blootgesteld, op basis van een nieuwe, innovatieve ecosysteembenadering van risicopreventie en ‑beheersing, met name door uitwijkgebieden, retentiegebieden voor hoogwater, natuurlijke beschermingen en, ingeval die essentieel zijn, kunstmatige beschermingen in kaart te brengen;

68. verzoekt de nationale, regionale en lokale overheden systemen voor vroegtijdige waarschuwing op te zetten en passende instrumenten voor te bereiden om te reageren op extreme weersomstandigheden en andere negatieve gevolgen van de klimaatverandering, alsmede op pandemieën;

°

° °

69. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie.

 

[1] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0015.

[2] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.

[3] Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0078.

[4] PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.

[5] PB L 177 van 5.6.2020, blz. 3.

[6] PB L 288 van 6.11.2007, blz. 27.

[7] PB C 316 van 22.9.2017, blz. 99.

[8] Watson, J. E. M. et al.: “The exceptional value of intact forest ecosystems”, Nature, Ecology and Evolution, vol. 2, nr. 4, Macmillan Publishers Limited, London, 2018.

[9] Resolutie van het Europees Parlement van 23 juli 2020 over de conclusies van de buitengewone Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020, Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0206.

[10] IPBES, Global Assessment Report on Biodiversity and Ecosystem Services, 2019.

Laatst bijgewerkt op: 16 december 2020Juridische mededeling - Privacybeleid