Procedure : 2021/2576(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0179/2021

Ingediende teksten :

B9-0179/2021

Debatten :

PV 09/03/2021 - 23
CRE 09/03/2021 - 23

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0088

<Date>{08/03/2021}8.3.2021</Date>
<NoDocSe>B9-0179/2021</NoDocSe>
PDF 182kWORD 58k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over het Syrische conflict - tien jaar na de opstand</Titre>

<DocRef>(2021/2576(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Nathalie Loiseau, Barry Andrews, Olivier Chastel, Engin Eroglu, Klemen Grošelj, Bernard Guetta, Moritz Körner, Javier Nart, Urmas Paet, Dragoș Pîslaru, Michal Šimečka, Nicolae Ştefănuță, Ramona Strugariu, Hilde Vautmans</Depute>

<Commission>{Renew}namens de Renew-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0177/2021

B9-0179/2021

Resolutie van het Europees Parlement over het Syrische conflict - tien jaar na de opstand

(2021/2576(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties over Syrië, met name die van 15 maart 2018 over de situatie in Syrië[1], van 18 mei 2017 over de EU-strategie voor Syrië[2], van 4 juli 2017 over de bestrijding van mensenrechtenschendingen in de context van oorlogsmisdrijven, en misdrijven tegen de menselijkheid, met inbegrip van genocide[3], van 24 oktober 2019 over de Turkse militaire operaties in het noordoosten van Syrië en de gevolgen daarvan[4], van 10 juli 2020 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2020 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020 - Voortzetting van de steun aan vluchtelingen en gastgemeenschappen in Jordanië, Libanon en Turkije in het kader van de Syriëcrisis[5], en van 17 november 2011 over steun van de EU voor het Internationaal Strafhof: aangaan van uitdagingen en overwinnen van moeilijkheden[6],

 gezien de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen daarbij,

 gezien de eerdere verklaringen van de secretaris-generaal van de VN over Syrië,

 gezien de eerdere verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, waaronder de verklaringen van februari 2020 over humanitaire toegang in Idlib, van 26 september 2019 over Syrië en van 9 oktober 2019 over ontwikkelingen in Noordoost-Syrië,

 gezien de meest recente verklaring van de speciale VN-gezant voor Syrië, Geir O. Pedersen, d.d. 22 januari 2021, gericht aan de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN-Veiligheidsraad),

 gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad 2254 van 18 december 2015 over Syrië en 2533 van 11 juli 2020 tot verlenging van het mechanisme voor de verlening van humanitaire hulp via de grensovergang Bab al-Hawa t/m 10 juli 2021,

 gezien de verklaringen van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad, waarin de krachtige steun van de VN-Veiligheidsraad voor het Verdrag inzake chemische wapens wordt bevestigd,

 gezien de maandelijkse rapporten van de Organisatie voor het verbod van chemische wapens (OPCW) aan de secretaris-generaal van de VN over de vooruitgang bij de afbouw van het Syrische programma voor chemische wapens,

 gezien het tweemaandelijks rapport aan de secretaris-generaal van de VN over de uitvoering van humanitaire resoluties door alle partijen bij het conflict in Syrië,

 gezien resolutie 71/248 van de Algemene Vergadering van de VN van 21 december 2016 tot instelling van een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme ter ondersteuning van het onderzoek naar en de vervolging van degenen die verantwoordelijk zijn voor de meest ernstige misdrijven naar internationaal recht begaan in Syrië sinds maart 2011,

 gezien de rapporten van de VN-Mensenrechtenraad, gepubliceerd door de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie van de VN voor Syrië,

 gezien de EU-strategie voor Syrië, aangenomen op 3 april 2017, en de conclusies van de Raad over de regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die uitgaat van ISIS/Da’esh, aangenomen op 16 maart 2015,

 gezien Uitvoeringsbesluit (GBVB) 2021/30 van de Raad van 15 januari 2021 tot uitvoering van Besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië[7], waarbij de nieuwe Syrische minister van Buitenlandse Zaken werd toegevoegd aan de sanctielijst van de EU en gezien de besluiten van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië,

 gezien de sancties van de VN-Veiligheidsraad in het kader waarvan tegoeden van personen en entiteiten met banden met ISIS/Da’esh en Al Qaida worden bevroren en gezien de relevante uitvoeringsbesluiten van de Raad van de EU,

 gezien de oprichting in 2011 van het secretariaat van het Europees netwerk voor het onderzoek naar en het vervolgen van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven dat is ondergebracht bij Eurojust,

 gezien Gemeenschappelijk Standpunt 2003/444/GBVB van de Raad van 16 juni 2003 betreffende het Internationaal Strafhof[8], het EU-actieplan van 2004 dat gericht is op universele ratificatie en tenuitvoerlegging van het Statuut van Rome en het herziene EU-actieplan van 2011,

 gezien de conclusies van de vierde conferentie “Supporting the future of Syria and the region”, die in Brussel gehouden werd op 30 juni 2020,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat eind februari 2011 Syrische kinderen in de stad Dara’a door het Syrische regime werden gearresteerd, vastgehouden en gefolterd omdat zij zich door middel van graffiti-teksten op stadsmuren kritisch hadden uitgelaten over president Bashar al-Assad; overwegende dat op 15 maart 2011 in Dara’a en Damascus duizenden Syriërs de straat opgingen en van de regering eisten dat zij democratische hervormingen zou doorvoeren, politieke gevangenen zou vrijlaten, een einde zou maken aan foltering, de mensenrechten en de rechtsstaat zou eerbiedigen, eerlijke en vrije verkiezingen zou organiseren en een eind zou maken aan corruptie; overwegende dat deze volksprotesten zich de jaren daarna uitbreidden naar andere steden in het hele land, van grote steden zoals Homs, Hama, Idlib en volkswijken in Aleppo en Damascus tot kleinere steden zoals al-Hasakah in het noordoosten en Kafr Nabl in het noordwesten;

B. overwegende dat bij de Syrische opstand van 2011 de etnische en religieuze diversiteit van Syrië duidelijk naar voren kwam, omdat aan de opstand werd deelgenomen door leiders uit alle etnische en religieuze groepen en uit alle provincies van het land;

C. overwegende dat het Syrische regime op de legitieme democratische aspiraties van de Syrische bevolking heeft gereageerd door middel van wreed optreden door de Syrische veiligheidstroepen en geallieerde milities onder zijn bevel; overwegende dat volgens het Syrische netwerk voor de mensenrechten sinds maart 2011 meer dan 230 000 burgers zijn gedood, waarvan 88 % door het Syrische regime, 3 % door Russische strijdkrachten, 2 % door Da’esh en 2 % door gewapende oppositiegroepen; overwegende dat meer dan 15 000 burgers zijn doodgemarteld, waarvan 99 % in gevangenissen van het regime; overwegende dat sindsdien meer dan 150 000 burgers onder dwang zijn verdwenen en gevangen zijn genomen, waarvan 88 % door het Syrische regime, 6 % door Da’esh en 3 % door gewapende oppositiegroepen; overwegende dat meer dan 29 500 kinderen zijn gedood, waarvan 78 % door het Syrische regime en Iraanse milities, 7 % door Russische troepen en 3 % door Da’esh; overwegende dat meer dan 28 500 vrouwen zijn gedood, waarvan 77 % door het Syrische regime, 6 % door Russische troepen en 3 % door Da’esh; overwegende dat sindsdien meer dan 3 400 gezondheidswerkers onder dwang zijn verdwenen of gevangen worden gehouden, waarvan 98 % door het Syrische regime;

D. overwegende dat het Syrische regime gebruikmaakt van chemische wapens, scudraketten, conventionele artillerie en luchtbommen, vatenbommen, clusterbommen en brandbommen, en deze inzet in dichtbevolkte wijken, bijvoorbeeld in Homs, Hama en Oost-Aleppo; overwegende dat vreedzame betogers die gewond raakten tijdens beschietingen door Syrische veiligheidstroepen geen medische behandeling kregen, maar in militaire hospitaals en detentiecentra in het hele land werden doodgemarteld, zoals blijkt uit het Caesar-rapport dat Frankrijk in mei 2014 aan de VN-Veiligheidsraad heeft voorgelegd; overwegende dat gezinnen systematisch de mogelijkheid is ontzegd hun doden op begraafplaatsen te begraven; overwegende dat de moordpartijen op honderden mannen, vrouwen en kinderen in steden op het platteland, zoals het bloedbad van Houla in mei 2012, deel uitmaken van de intimidatiestrategie van het Syrische regime, gericht tegen niet-regeringsgezinde personen; overwegende dat de onderzoekscommissie van de VN voor Syrië gemeld heeft dat de Syrische regeringstroepen en milities verkrachting op grote schaal gebruiken als oorlogswapen;

E. overwegende dat de VN via het mandaat van de speciale gezanten van de VN een reeks initiatieven heeft ontplooid om tot een staakt-het-vuren tussen alle partijen te komen en ze ertoe te bewegen gevangenen vrij te laten, de humanitaire toegang tot alle delen van het land te waarborgen, journalisten en ngo’s te beschermen en een inclusieve dialoog aan te gaan om een politieke oplossing te vinden voor het sinds 2011 bestaande conflict;

F. overwegende dat Rusland sinds 2011 zijn veto heeft uitgesproken over 16 resoluties van de VN-Veiligheidsraad, onder meer over het aanhangig maken van een procedure tegen Syrië bij het Internationaal Strafhof (ICC) en over het verbeteren van de toegang voor humanitaire organisaties, en daarbij werd gesteund door China; overwegende dat Iran en Hezbollah het Syrische regime rechtstreeks steun hebben verleend bij de onderdrukking van burgers; overwegende dat Rusland sinds 2015 logistieke, diplomatieke en financiële middelen inzet voor een grootschalige militaire interventie van de Russische luchtmacht ter ondersteuning van het Syrische regime; overwegende dat Turkije sinds 2016 rechtstreeks in Syrië intervenieert met het oog op de bezetting van de noordelijke delen van het land, die voornamelijk bestaan uit Syrisch-Koerdische enclaves;

G. overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten herhaaldelijk heeft gewezen op ernstige schendingen van de mensenrechten in Syrië, met name sinds 2011; overwegende dat journalisten, ngo’s en onafhankelijke internationale organisaties, zoals de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie van de VN voor Syrië, hebben gemeld dat er in Syrië praktijken plaatsvinden die aangemerkt kunnen worden als misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden, foltering en seksueel geweld;

H. overwegende dat de EU en haar lidstaten in 2012 de diplomatieke betrekkingen met het Syrische regime hebben opgeschort; overwegende dat de lidstaten hun ambassades begin 2012 hebben gesloten en dat de EU haar delegatie in Damascus in december 2012 heeft teruggeroepen;

I. overwegende dat de associatieovereenkomst tussen de EU en Syrië, die in 2009 werd ondertekend, in 2011 werd opgeschort; overwegende dat het Syrisch lidmaatschap van de Unie voor het Middellandse Zeegebied is opgeschort;

J. overwegende dat de EU vóór 2011 de grootste handelspartner van Syrië was; overwegende dat de Raad in 2011 sancties heeft vastgesteld tegen personen en entiteiten die betrokken zijn bij de onderdrukking van burgers, met als doel om via onderhandelingen tot een politiek akkoord te komen, en dat deze sancties sindsdien zijn uitgebreid; overwegende dat er op deze sancties uitzonderingen worden gemaakt voor humanitaire hulpverlening;

K. overwegende dat de reactie van het Syrische regime op de opstand heeft geleid tot de vernietiging van de economische en sociale structuren in Syrië; overwegende dat de instorting van het Syrische pond is versterkt door de instorting van de Libanese economie sinds 2019 en de wereldwijde economische gevolgen van de COVID-19-pandemie sinds maart 2020;

L. overwegende dat Syrië onder grote internationale druk in oktober 2013 het Verdrag inzake chemische wapens heeft ondertekend en geratificeerd, na de aanvallen met chemische wapens in het oostelijke deel van Ghouta, een voorstedelijk gebied ten oosten van Damascus, die de omvangrijkste waren die Syrië ooit had uitgevoerd; overwegende dat het onderzoeks- en identificatieteam van de Organisatie voor het verbod van chemische wapens (OPCW) het Syrische regime sindsdien meerdere malen verantwoordelijk heeft gesteld voor de inzet van chemische wapens tegen burgers; overwegende dat de Uitvoerende Raad van de OPCW Syrië in juli 2020 nogmaals formeel heeft gevraagd alle inrichtingen voor de productie van chemische wapens te melden;

M. overwegende dat het aantal vluchtelingen ten gevolge van het conflict begin 2021 op 7 miljoen lag, dat er op dat moment in Syrië meer dan 13 miljoen mensen afhankelijk waren van humanitaire hulp, dat er 6,8 miljoen intern ontheemden waren en dat er meer dan 3 miljoen mensen woonachtig waren in moeilijk te bereiken belegerde gebieden; overwegende dat het zeer belangrijk is dat er aan mensen in nood humanitaire hulp kan worden verleend en overwegende dat 40 % van de Syrische bevolking in niet door de regering gecontroleerde gebieden woont; overwegende dat de COVID-19-pandemie heeft aangetoond dat, naast de algemene gezondheidszorg voor de bevolking, grensoverschrijdende toegang tot Noordwest- en Noordoost-Syrië van cruciaal belang blijft;

N. overwegende dat de gezondheidszorg in Syrië door de aanhoudende aanvallen op gezondheidszorginstellingen ernstig is aangetast, waardoor Syriërs grote problemen hebben om het hoofd te bieden aan de uitdagingen die de COVID-19-crisis met zich meebrengt;   overwegende dat minder dan 64 % van de ziekenhuizen en 52 % van de centra voor eerstelijnsgezondheidszorg in Syrië operationeel is; overwegende dat volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) 70 % van de gezondheidswerkers het land is ontvlucht;

O. overwegende dat het Syrische conflict vanaf het begin gekenmerkt wordt door regelmatige aanvallen op gezondheidszorginstellingen, waarmee het internationaal humanitair recht op flagrante wijze wordt geschonden; overwegende dat, ondanks de COVID-19-pandemie, deze aanvallen in 2020 gewoon doorgingen; overwegende dat het systematische karakter van de aanvallen op de gezondheidszorg in Syrië de afgelopen tien jaar door de internationale gemeenschap steeds vaker wordt erkend, maar dat het regime nog steeds niet krachtig ter verantwoording wordt geroepen; overwegende dat de VN-Veiligheidsraad in resolutie 2139 van 2014 van alle partijen in het conflict verlangt dat zij het “beginsel van medische neutraliteit” eerbiedigen en eist “dat alle partijen medische voorzieningen demilitariseren [...] en geen aanvallen uitvoeren op civiele doelen”; overwegende dat naar aanleiding van de aanneming van resolutie 2286 van de VN-Veiligheidsraad in 2016 specifieke maatregelen ter bescherming van de gezondheidszorg in conflicten over de hele wereld werden versterkt; overwegende dat de secretaris-generaal van de VN een VN-onderzoekscommissie heeft ingesteld, die tussen september 2019 en april 2020 enkele incidenten in Noordwest-Syrië heeft onderzocht;

P. overwegende dat de Golanhoogten Syrisch grondgebied zijn en dat dit gebied sinds 1967 door de staat Israël wordt bezet;

Q. overwegende dat sinds 2009 het Statuut van Rome van het ICC door alle lidstaten geratificeerd is; overwegende dat de Raad in 2011 het secretariaat van het Europees netwerk voor het onderzoek naar en het vervolgen van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven, dat is ondergebracht bij Eurojust, heeft opgericht; overwegende dat de EU in de EU-strategie voor Syrië wordt opgeroepen zich ervoor in te zetten dat verantwoording wordt afgelegd voor in Syrië gepleegde oorlogsmisdaden met het oog op de bevordering van een proces van nationale verzoening en overgangsjustitie;

R. overwegende dat er in 2018, na de publicatie van het Caesar-rapport over het systematisch uithongeren en folteren van tienduizenden vrouwen en mannen in Syrische detentiecentra sinds 2011, voor het eerst een gemeenschappelijk onderzoeksteam (JIT) werd opgericht onder leiding van Franse en Duitse rechtshandhavings- en justitiële autoriteiten, om bij te dragen aan de arrestatie en vervolging van Syrische oorlogsmisdadigers;

1. spreekt zijn steun uit voor het democratisch streven van het Syrische volk dat 10 jaar geleden op 15 maart 2011 in Dara’a, Damascus en de rest van het land vreedzaam demonstreerde voor democratische hervormingen; betuigt eer aan de 500 000 slachtoffers van de onderdrukking en het conflict in Syrië sinds het begin van de volksopstand; is van mening dat de toekomst van Syrië bepaald moet worden door de Syrische bevolking zelf;

2. is ernstig bezorgd over de politieke patstelling van de afgelopen tien jaar en prijst de inspanningen van de speciale gezant van de VN, Geir O. Pedersen, om een politieke oplossing te vinden voor het conflict; deelt de bezorgdheid van de speciale gezant over het gebrek aan enige vorm van vooruitgang; is ook bezorgd over de ineenstorting van de economie en de rampzalige humanitaire crisis waar Syrië mee te kampen heeft;

3. roept Rusland, Iran en Hezbollah op hun troepen, die opereren buiten het VN-mandaat om, terug te trekken van het Syrische grondgebied; spreekt zijn afkeuring uit over de rol die Rusland en Iran spelen doordat zij steun verlenen aan de grove onderdrukking door het Syrische regime van de burgerbevolking, het politieke proces in Syrië overnemen en zich de economische hulpbronnen van het land toe-eigenen;

4. roept Turkije op zijn troepen uit Noord-Syrië terug te trekken, omdat Turkije deze regio op illegale wijze bezet buiten enig VN-mandaat om, en veroordeelt de illegale overbrenging door Turkije van Koerdische Syriërs van bezet Noord-Syrië naar Turkije, om ze daar op te sluiten en te vervolgen, hetgeen in strijd is met de internationale verplichtingen van Turkije uit hoofde van de Verdragen van Genève; is bezorgd dat deze voortdurende overbrengingen door Turkije kunnen uitmonden in etnische zuivering gericht tegen de Syrisch-Koerdische bevolking; benadrukt dat het optreden van Turkije heeft geleid tot een verzwakking van de internationale inspanningen ter bestrijding van Da’esh; veroordeelt met klem de inzet door Turkije van Syrische huurlingen in conflicten in Libië en Nagorno-Karabach, waarmee het land het internationale recht schendt;

5. spreekt zijn steun uit voor resolutie 2254 van de VN-Veiligheidsraad van 2015, waarin een proces voor constitutionele hervorming onder Syrische leiding wordt vastgesteld; betreurt ten zeerste het gebrek aan inzet van het Syrische regime op dit gebied, ondanks de inzet en bereidheid van de Syrische oppositie om met het Syrische regime te onderhandelen over de opstelling van een nieuwe Syrische grondwet;

6. is tegen een normalisering van diplomatieke betrekkingen met het Syrische regime zolang er in het land geen fundamentele vooruitgang valt vast te stellen met een duidelijke, duurzame en geloofwaardige inzet om een inclusief politiek proces mogelijk te maken; is van mening dat de komende presidentsverkiezingen van 2021 in Syrië onder de huidige omstandigheden volkomen ongeloofwaardig zijn voor de internationale gemeenschap;

7. hecht zeer grote waarde aan de religieuze en etnische diversiteit van Syrië; betreurt dat het Syrische regime zich al zeer lang schuldig maakt aan discriminatie van Koerdische Syriërs; betreurt de gerichte aanvallen van het Syrische regime op personen uit de Alawitische gemeenschap die zich kritisch hebben uitgelaten over het regime, zoals de winnaar van de Sacharovprijs van het Europees Parlement Ali Ferzat, vanwege zijn kritiek op president Bashar al-Assad, alsmede de aanvallen van het Syrische regime op 124 christelijke kerken, zoals gedocumenteerd door het Syrische netwerk voor de mensenrechten; veroordeelt ten sterkste de moorden op leden van religieuze minderheden door Da’esh, in het bijzonder de genocide gericht tegen de Yezidi, sjiitische moslims en christenen in 2014-2018; betreurt ten zeerste de vervolging van minderheden door gewapende oppositiegroepen;

8. spreekt zijn bezorgdheid uit over de toenemende spanningen in Iraaks Koerdistan, dat de afgelopen paar jaar meer stabiliteit heeft gekend dan Syrië, en waar Syrische vluchtelingen een veilig toevluchtsoord hebben gevonden;

9. herinnert de internationale gemeenschap aan de ernst en de omvang van de mensenrechtenschendingen in Syrië, waaraan alle partijen in het conflict zich schuldig maken; wijst op de zware verantwoordelijkheid die op het Syrische regime rust doordat het heeft besloten de vreedzame protesten te beantwoorden met zware onderdrukking met gruwelijke middelen; herinnert aan het belang van het Caesar-rapport en de door Frankrijk in 2014 aan de VN-Veiligheidsraad gepresenteerde bevestiging van de betrouwbaarheid van de foto’s van 11 000 geïdentificeerde gevangenen die tussen 2011 en 2013 zijn doodgehongerd en doodgemarteld in detentiecentra en militaire ziekenhuizen rond Damascus;

10. veroordeelt krachtig de moord op 550 internationale en Syrische journalisten door het Syrische regime en op tientallen journalisten door Da’esh en andere gewapende groeperingen; roept het Syrische regime op tot onmiddellijke vrijlating van de 400 journalisten die volgens het Syrische netwerk voor de mensenrechten momenteel worden vastgehouden;

11. veroordeelt in de krachtigste bewoordingen het gebruik van verkrachting als oorlogswapen tegen vrouwen, zowel door het Syrische regime en zijn milities, zoals gedocumenteerd door het Internationaal Onafhankelijk Comité van de VN, als door Da’esh tegen Yezidi- en sjiitische vrouwen; herinnert eraan dat vrouwen een belangrijke rol hebben gespeeld in de opstand van 2011 en dat het van fundamenteel belang is om vrouwen op te nemen op alle niveaus van de politieke, economische en justitiële machtsstructuren in Syrië, ook in de overgangsjustitie;

12. veroordeelt met kracht de aanvallen op humanitaire werkers door alle partijen, in het bijzonder door het Syrische regime en Da’esh; wijst erop dat het Syrische regime bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor het gericht doden op humanitaire werkers sinds 2011, maar dat ook Rusland een zeer zware verantwoordelijkheid draagt, bijvoorbeeld voor zijn bombardement van 21 veldhospitaals van Artsen zonder Grenzen in oktober 2015;

13. spreekt nogmaals in de meest krachtige bewoordingen zijn veroordeling uit van de Russische luchtaanvallen waarbij 6 900 burgers, waaronder 2 000 kinderen, om het leven zijn gekomen en waarbij gebruik werd gemaakt van clustermunitie, vacuümbommen en langeafstandsraketten, gericht tegen onafhankelijke mediacentra, ziekenhuizen en humanitaire infrastructuur, waaronder 207 medische faciliteiten, zoals gemeld door het Syrische netwerk voor de mensenrechten en Syrische organisaties voor civiele bescherming, zoals leden van de humanitaire organisatie de Witte Helmen; veroordeelt de pogingen van Rusland om het imago van de Witte Helmen te bezoedelen door middel van een agressieve en aanhoudende desinformatiecampagne op social media; veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen de betrokkenheid van Russische militaire vliegtuigen bij de chemische aanvallen door het Syrische regime, zoals bij de chemische aanval van Khan Sheikhoun in april 2017, waarna Russische vliegtuigen onmiddellijk het enige ziekenhuis bombardeerden waar de slachtoffers behandeld werden; betreurt de aanvallen door Israël op Syrisch grondgebied;

14. dringt bij het Syrische regime aan op de onmiddellijke vrijlating van de onterecht opgesloten 130 000 politieke gevangenen, waaronder vrouwen, mannen en kinderen die door Syrische veiligheidstroepen onder dwang zijn verdwenen; spreekt zijn krachtige veroordeling uit van het systematisch gebruik van foltering, onmenselijke behandeling en seksueel geweld en de afschuwelijke omstandigheden waarin de gedetineerden worden vastgehouden, zonder toegang tot een civiele rechter, een advocaat of medische zorg en zonder dat zij contact mogen hebben met hun familie; benadrukt dat hen het recht op een eerlijk proces wordt ontzegd, dat informatie in verband met hun arrestatie wordt achtergehouden en dat foltering wordt gebruikt om valse bekentenissen af te dwingen; dringt er bij de Syrische autoriteiten op aan om erkende internationale humanitaire ngo’s en controlerende organisaties zonder uitzondering onmiddellijke en onbelemmerde toegang te bieden tot detentiecentra zonder dat deze organisaties hier vooraf toestemming voor hoeven te vragen;

15. herhaalt zijn standpunt dat de personen die verantwoordelijk zijn voor deze misdaden moeten worden vervolgd, onder meer door lidstaten van de EU indien dit niet gebeurt door middel van andere internationale of nationale processen van overgangsjustitie; onderstreept dat de oplossing van deze kwesties van cruciaal belang is voor degenen die door enige partij in het conflict zijn opgesloten of gedwongen zijn verdwenen, en dat dit een fundamenteel element vormt van een toekomstig proces voor het bereiken van vrede;

16. verwelkomt het feit dat op 24 februari 2021 aan het gerechtshof van Koblenz in Duitsland voor het eerst een Syrische veiligheidsofficier is veroordeeld wegens medeplichtigheid aan misdaden tegen de menselijkheid;

17. veroordeelt krachtig de 16 veto’s die Rusland in de VN-Veiligheidsraad, gesteund door China, heeft uitgesproken tegen het aanhangig maken van een procedure tegen Syrië bij het ICC; herinnert eraan dat het ICC de voornaamste gerechtelijke instantie moet blijven voor de internationale berechting van genocide, misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden of daden van agressie;

18. benadrukt dat Da’esh nog altijd actief is in de regio en nog niet is verslagen; spreekt zijn bezorgdheid uit over de problemen met het verkrijgen en bewaren van bewijzen van de misdaden die door Da’esh zijn gepleegd; roept de EU en haar lidstaten op ondersteuning te bieden aan inspanningen ter plaatse om die misdaden te documenteren en de bewijzen ervan te bewaren; verwelkomt de vervolging van ingezetenen van de EU en derde landen die zich bij Da’esh hebben aangesloten;

19. waardeert de inspanningen die de lidstaten van de EU sinds 2019 hebben verricht om te zorgen voor brede internationale steun voor het waarborgen van financiering op lange termijn binnen de algemene begroting van de VN voor een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme ter ondersteuning van het onderzoek naar en de vervolging van degenen die verantwoordelijk zijn voor de ernstigste misdrijven naar internationaal recht begaan in Syrië sinds maart 2011 (IIIM);

20. verwelkomt de ondersteuning die het Frans-Duitse gemeenschappelijke onderzoeksteam (JIT) biedt voor de vervolging van de misdaden tegen de menselijkheid die zijn gedocumenteerd in het Caesar-rapport; is ingenomen met de internationale aanhoudingsbevelen die beide landen in 2018 hebben uitgevaardigd voor de aanhouding van drie hoge officieren van de veiligheidsdiensten; prijst de rol die lokale Syrische ngo’s spelen bij het verifiëren, documenteren, verzamelen en beschermen van bewijsmateriaal van misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, alsook de aanvullende rol die ngo’s, zoals de Commission for International Accountability and Justice, spelen bij het bijstaan van de Europese wetshandhavings- en justitiële autoriteiten bij de vervolging van oorlogsmisdadigers die op het grondgebied van de EU-lidstaten aanwezig zijn; roept de EU te zorgen voor meer juridische training voor Syriërs, zodat ze ingezet kunnen worden in de strijd tegen straffeloosheid;

21. verzoekt de Commissie een actieplan van de EU ter bestrijding van straffeloosheid te presenteren, met een specifiek onderdeel gericht op Syrië; benadrukt dat met dit actieplan moet worden gestreefd naar een betere coördinatie en harmonisatie van de inspanningen van de lidstaten en van de middelen die zij inzetten om oorlogsmisdadigers in de EU te vervolgen; is van mening dat overgangsjustitie een essentiële rol speelt bij het waarborgen van vrede op de lange termijn;

22. roept de EU op een speciaal Europees fonds op te richten ten behoeve van slachtoffers van misdaden tegen de menselijkheid in Syrië;

23. dringt er bij de lidstaten op aan de coördinatie van middelen op het gebied van justitie, politie en immigratie te verbeteren door de ontwikkeling van gezamenlijke rechtsgebieden, teneinde de onderlinge justitiële samenwerking tussen de lidstaten te versoepelen en vervolging te vergemakkelijken; benadrukt dat de lidstaten die over meer middelen beschikken hun deskundigen en tolken ter beschikking moeten stellen om ervoor te zorgen dat onderzoeken efficiënter en doeltreffender kunnen verlopen, terwijl elke lidstaat ernaar moet streven een speciale aanklager voor de vervolging van deze misdaden aan te wijzen, teneinde de justitiële coördinatie vlotter te laten verlopen;

24. verzoekt de lidstaten op EU-niveau automatisch informatie uit te wisselen over verdachten van oorlogsmisdaden uit hoofde van artikel 1F van het Verdrag van Genève; is van mening dat er ook op nationaal niveau nauwer moet worden samengewerkt tussen immigratie-autoriteiten en openbare aanklagers met betrekking tot personen die worden verdacht van oorlogsmisdaden;

25. dringt bij alle lidstaten van de EU aan op volledige samenwerking in de strijd tegen straffeloosheid; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het gebrek aan samenwerking van sommige lidstaten bij de vervolging van Syrische oorlogsmisdadigers;

26. steunt ten volle de Europese inspanningen die sinds september 2020 onder leiding van Nederland worden geleverd om bij het Internationaal Gerechtshof (ICJ) een rechtszaak tegen Syrië aan te spannen wegens de schending door dat land van het VN-Verdrag tegen foltering;

27. roept de lidstaten op om tijdens de komende OPCW-conferentie in het voorjaar van 2021 te verzoeken om schorsing van het lidmaatschap van Syrië van de OPCW wegens vervalsing van bewijs van het gebruik van chemische wapens; geeft nogmaals uiting aan zijn ontsteltenis over en veroordeling van de 336 gedocumenteerde chemische aanvallen van het Syrische regime waarbij burgers werden gebombardeerd met chloorgas, sarin en zwavelmosterdgas;

28. veroordeelt met klem de nieuwe wetten van het Syrische regime uit hoofde waarvan in het buitenland wonende Syriërs hun privébezit wordt ontnomen; is van oordeel dat dit beleid indruist tegen het langetermijnbelang van Syrië inzake het streven naar vrede en nationale eenheid;

29. geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid over het aanhoudende lijden van het Syrische volk, tien jaar na het begin van het conflict; is met name bezorgd over het feit dat de humanitaire behoeften in Syrië alleen al in het afgelopen jaar met een vijfde zijn toegenomen, en dat nog eens 4,5 miljoen Syriërs nu te kampen hebben met voedselonzekerheid, terwijl 90 % onder de armoedegrens leeft; is van oordeel dat de toegang tot humanitaire hulp een centrale prioriteit van de EU in Syrië moet blijven en dat de toegenomen behoeften een grotere financiële en politieke reactie van de EU vereisen; merkt op dat resolutie 2533 van de VN-Veiligheidsraad inzake de grensovergang bij Bab al Hawa in juli 2021 moet worden verlengd; is van oordeel dat er niet kan worden vertrouwd op de levering van humanitaire hulp over de grenzen van door strijdende partijen bezette gebieden heen aan de mensen die momenteel afhankelijk zijn van grensoverschrijdende levering; herinnert eraan dat 2,4 miljoen Syriërs voor hun overleven van deze grensovergang afhankelijk zijn en dat het niet openhouden van deze grensovergang gedurende ten minste nog eens 12 maanden ernstige en levensbedreigende gevolgen zou hebben; veroordeelt het optreden van leden van de VN-Veiligheidsraad die hebben getracht de toegang tot humanitaire hulp uit politieke overwegingen te beperken; dringt er bij alle leden van de VN-Veiligheidsraad op aan de verlenging van resolutie 2533 te steunen om een verergering van de humanitaire crisis te voorkomen en te zorgen voor uitbreiding en ondersteuning van hulpverlening over de grenzen van door strijdende partijen bezette gebieden heen, overeenkomstig de humanitaire beginselen; wijst erop dat het van belang is dat het openblijven van de grensovergangen Bab al-Salam en Yarubiyah onmiddellijk opnieuw wordt toegestaan, overeenkomstig resolutie 74/169 van de Algemene Vergadering van de VN, om ervoor te zorgen dat de hulp de noodlijdende bevolking in zowel het noordwesten als het noordoosten via de kortste routes bereikt;

30. roept de internationale gemeenschap op zo snel mogelijk iets te doen aan de ongekende humanitaire nood van het Syrische volk binnen en buiten Syrië; moedigt de EU als organisator van de vijfde donorconferentie voor Syrië in Brussel aan om andere internationale donoren ertoe te bewegen de steun voor de gezondheidssector van het plan voor humanitaire hulp aan Syrië (HRP) op te voeren door middel van een ruimere en flexibele meerjarenfinanciering die de behoeften van de bevolking op de lange termijn dekt; roept de internationale donoren op specifiek te investeren in programma’s voor het herstel, de wederopbouw en de verbetering van beschadigde of vernielde medische faciliteiten, naast andere civiele infrastructuurvoorzieningen die schade hebben geleden;

31. dringt er bij de VN-Veiligheidsraad op aan om in komende VN-resoluties en bij officieel overleg uitdrukkelijk op te roepen tot de bescherming van gezondheidswerkers; roept de EU-lidstaten in dit verband op politieke en operationele steun te verlenen aan door de VN geleide initiatieven die ervoor moeten zorgen dat verantwoording wordt afgelegd en aan onderzoeken ter handhaving van het internationaal humanitair recht;

32. benadrukt, in de aanloop naar de vijfde donorconferentie van 29-30 maart in Brussel, hoe belangrijk het is dat de toezeggingen voor humanitaire hulp voor Syriërs, binnenlandse ontheemden en vluchtelingen, alsook voor gemeenschappen die getroffen zijn door de crisis in de regio, niet alleen worden nagekomen, maar dat de toegezegde bedragen zelfs worden verhoogd; wijst op het feit dat de EU en haar lidstaten de grootste humanitaire donoren zijn die hebben gedoneerd voor de aanpak van de humanitaire crisis in Syrië, met donaties die sinds 2011 zijn opgelopen tot 20 miljard EUR; is ernstig bezorgd dat de Britse regering voornemens zou zijn om haar hulpbijdragen aanzienlijk te verminderen, in die zin dat de bijdrage voor Syrië verlaagd zou worden met 67 % en die voor Libanon met 88 %;

33. prijst de rol die de buurlanden hebben gespeeld door solidariteit te betonen en steun te bieden aan de Syrische vluchtelingen in Libanon, Jordanië, Turkije en Irak; dringt er bij de EU-lidstaten op aan de humanitaire hulpprogramma’s in de gastlanden voor vluchtelingen en de programma’s voor binnenlandse ontheemden in Syrië te blijven financieren; dringt er bij de EU-lidstaten op aan alle nodige financiering en steun te verstrekken om ervoor te zorgen dat alle Syrische vluchtelingenkinderen in de gastlanden niet alleen toegang hebben tot basisonderwijs, maar ook tot voortgezet onderwijs; dringt er bij alle gastlanden op aan alle nodige maatregelen te nemen om dit te bereiken en alle administratieve of wettelijke belemmeringen hiervoor weg te nemen; moedigt de gastlanden aan zich te richten op toegang tot werkgelegenheid, gezondheidszorg en onderwijs, en op het verkrijgen van identiteitsdocumenten, wat waardoor de zelfredzaamheid van vluchtelingen verbeterd kan worden;

34. doet een beroep op alle lidstaten om principiële humanitaire hulp te steunen, zonder de betrekkingen met het Syrische regime te normaliseren; waarschuwt dat geen financiële middelen van de EU, direct dan wel indirect, in de algemene wederopbouw van Syrië geïnvesteerd moeten worden, zonder dat het Syrische regime een geloofwaardig politiek proces op gang brengt; betreurt de plannen van het Russische, Iraanse, Chinese en Turkse bedrijfsleven om te profiteren van de verwoesting van Syrië; is fel gekant tegen elke vorm van normalisatie door enige EU-lidstaat; veroordeelt met klem de bezoeken van leden van het Europees Parlement aan het Syrische regime, en benadrukt dat deze leden het Europees Parlement niet vertegenwoordigen;

35. roept de lidstaten op de sancties tegen personen en entiteiten die betrokken zijn bij de onderdrukking in Syrië te handhaven; benadrukt dat onbedoelde negatieve gevolgen van sancties moeten worden voorkomen door uitzonderingen op de sancties mogelijk te maken voor principiële humanitaire acties, en dat het van belang is samen met de VS problemen in verband met over-compliance binnen het bankwezen aan te pakken;

36. herinnert alle lidstaten van de EU eraan dat Syrië geen veilig land is om naar terug te keren; is van oordeel dat elke terugkeer veilig, vrijwillig, waardig en op basis van goede informatie moet plaatsvinden, in overeenstemming met het door de EU ingenomen standpunt; roept alle EU-lidstaten op niet over te gaan tot het ontnemen van de beschermde status aan bepaalde categorieën Syriërs, en, indien zij een dergelijk beleid reeds voeren, dit ongedaan te maken; dringt er bij Libanon, Turkije en alle landen in de regio op aan de deportatie van Syriërs tegen hun wil terug naar Syrië op te schorten;

37. geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid over de verslechterende humanitaire, gezondheids- en veiligheidssituatie in kampen zoals Al Hol in Rojava (Autonome regio van Noord- en Oost-Syrië); acht het noodzakelijk dat alle EU-onderdanen die in die kampen worden vastgehouden, door een rechtbank worden berecht; is geschokt door de moord op een medewerker van Artsen zonder Grenzen op 24 februari 2021, die in het kamp Al Hol werkte, en waaruit eens te meer blijkt dat het geweld en de onveilige leefomstandigheden in het kamp een zware tol eisen van de mensen die daar verblijven;

38. roept de lidstaten op bescherming te bieden aan minderjarige staatsburgers die gevangen zitten, bijvoorbeeld wegens veiligheidsgerelateerde misdrijven of het hebben van banden met gewapende groeperingen;

39. verzoekt de lidstaten de terugkeer van dergelijke kinderen naar hun land van herkomst te vergemakkelijken met het oog op rehabilitatie, re-integratie en/of vervolging, in voorkomend geval, met volledige inachtneming van het internationaal recht;

40. spreekt zijn bezorgdheid uit over de wederopleving van Da’esh in het noordoosten; steunt de inspanningen die de wereldwijde coalitie tegen Da’esh levert; benadrukt het belang van een blijvende, langdurige betrokkenheid van de VS bij de coalitie;

41. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de regeringen van de lidstaten.

 

 

[1] PB C 162 van 10.5.2019, blz. 119.

[2] PB C 307 van 30.8.2018, blz. 117.

[3] PB C 334 van 19.9.2018, blz. 69.

[4] Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0049.

[5] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0195.

[6] PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 115.

[7] PB L 12 I van 15.1.2021, blz. 3.

[8] PB L 150 van 18.6.2003, blz. 67.

Laatst bijgewerkt op: 10 maart 2021Juridische mededeling - Privacybeleid