Procedure : 2021/2711(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0317/2021

Ingediende teksten :

B9-0317/2021

Debatten :

PV 09/06/2021 - 11
CRE 09/06/2021 - 11

Stemmingen :

PV 10/06/2021 - 9

Aangenomen teksten :


<Date>{04/06/2021}4.6.2021</Date>
<NoDocSe>B9‑0317/2021</NoDocSe>
PDF 133kWORD 45k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de situatie van de rechtsstaat in de Europese Unie en de toepassing van de verordening inzake conditionaliteit (2020/2092)</Titre>

<DocRef>(2021/2711(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Nicolas Bay, Jaak Madison, Harald Vilimsky, Gerolf Annemans, Laura Huhtasaari, Nicolaus Fest, Teuvo Hakkarainen</Depute>

<Commission>{ID}namens de ID-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>B9‑0317/2021


Resolutie van het Europees Parlement over de situatie van de rechtsstaat in de Europese Unie en de toepassing van de verordening inzake conditionaliteit (2020/2092)

(2021/2711(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de artikelen 2, 4, 5, 7 en 15 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

 gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie van 8 juni 2021 over de situatie van de rechtsstaat in de Europese Unie en de toepassing van de verordening inzake conditionaliteit (2020/2092)

 gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting[1],

 gezien Advies nr. 1/2018 van de Europese Rekenkamer over het voorstel van 2 mei 2018 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten,

 gezien de conclusies van de Europese Raad van 11 december 2020,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de Unie gegrondvest is op de volgende waarden: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten; overwegende dat de Unie tevens de gelijkheid van de lidstaten onder de Verdragen moet eerbiedigen, alsook hun nationale identiteiten en hun eigen wettelijke, grondwettelijke en culturele tradities;

B. overwegende dat de lidstaten een gemeenschappelijke, maar geen uniforme visie delen, en verder overwegende dat hun samenwerking primair stoelt op het beginsel van subsidiariteit en onderling vertrouwen, maar ook rekening houdt met de divergerende nationale specificiteiten;

C. overwegende dat het vereiste van de rechtsstaat, dat onder andere betrekking heeft op de in het recht vastgestelde grenzen, de controle van onafhankelijke en onpartijdige rechtbanken, transparante, controleerbare, democratische en pluralistische wetgevingsprocessen, en rechtszekerheid, in gelijke mate van toepassing moet zijn op de Europese instellingen en op de autoriteiten van de lidstaten;

D. overwegende dat de onafhankelijkheid van de rechtspraak onder andere veronderstelt dat het gerechtelijk orgaan in kwestie zijn gerechtelijke functies - zowel onder de toepasselijke regels als in de praktijk - met volledige autonomie kan uitoefenen, zonder onderworpen te zijn aan enige hiërarchische relatie of subordinatie aan enige persoon, en zonder van welke bron dan ook orders of instructie te krijgen;

1. beklemtoont dat de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting op dit moment onderwerp vormt van een zaak voor het Hof van Justitie van de Europese Unie, en derhalve noch definitief noch juridisch bindend is, zoals aangegeven door de Europese Raad in zijn conclusies van 11 december 2020;

2. geeft aan dat wetgeving op objectieve en onpartijdige wijze, in plaats van politiek georiënteerd, moet worden toegepast, en dat dit van toepassing moet zijn op alle lidstaten; stelt vast dat er in de lidstaten legio voorbeelden zijn van politieke inmenging in de benoeming van rechters, waaronder van rechters bij de hoge raad of hun equivalent, en van een gebrek aan onafhankelijkheid van het gerechtelijk apparaat;

3. vindt het zorgwekkend dat de Commissie een enkele definitie van de rechtsstaat wenst te ontwikkelen, voorbijgaand aan de verschillende grondwettelijke tradities van de lidstaten; is van oordeel dat deze wens een politieke instrumentalisering van de rechtsstaat vertegenwoordigt, die erop gericht is democratisch verkozen regeringen te ondermijnen en de standaardisering van levenswijzen middels het recht in de hele Europese Unie op te leggen;

4. beklemtoont dat de procedure als bedoeld in artikel 7, lid 1, VEU de enige legitieme procedure is in het geval van beschuldigingen van inbreuken op de rechtsstaat; geeft aan dat alleen de Raad op dit moment gemachtigd is te handelen in de lopende procedures;

5. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

[1] PB L 433I van 22.12.2020, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 7 juni 2021Juridische mededeling - Privacybeleid