Procedure : 2021/2524(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0370/2021

Ingediende teksten :

B9-0370/2021

Debatten :

PV 07/07/2021 - 21
CRE 07/07/2021 - 21

Stemmingen :

PV 08/07/2021 - 4
PV 08/07/2021 - 11
CRE 08/07/2021 - 4

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0353

<Date>{30/06/2021}30.6.2021</Date>
<NoDocSe>B9‑0370/2021</NoDocSe>
PDF 188kWORD 57k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B9‑0000/2021</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 136, lid 5, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over een nieuwe EOR voor onderzoek en innovatie</Titre>

<DocRef>(2021/2524(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Cristian‑Silviu Buşoi</Depute>

<Commission>{ITRE}namens de Commissie industrie, onderzoek en energie</Commission>

</RepeatBlock-By>

AMENDEMENTEN

B9‑0370/2021

Resolutie van het Europees Parlement betreffende een nieuwe EOR voor onderzoek en innovatie

(2021/2524(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de vraag aan de Commissie over een nieuwe EOR voor onderzoek en innovatie (O-000031/2021 – B9‑0000/2021),

 gezien de mededeling van de Commissie van 30 september 2020 over een nieuwe EOR voor onderzoek en innovatie (COM(2020)0628),

 gezien de conclusies van de Europese Raad van 1 december 2020,

 gezien het voortgangsverslag van de Europese onderzoeksruimte (EOR) voor de periode 2016-2018,

 gezien het Europees innovatiescorebord van 23 juni 2020,

 gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 oktober 2020 in zaak C-66/18[1],

 gezien de aanbeveling van de Commissie van 11 maart 2005 betreffende het Europese Handvest voor Onderzoekers en betreffende een Gedragscode voor de Rekrutering van Onderzoekers[2],

 gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

 gezien de ontwerpresolutie van de Commissie industrie, onderzoek en energie,

A. overwegende dat de voltooiing van de EOR door het verwezenlijken van het vrije verkeer van onderzoekers en het vrije verkeer van wetenschappelijke kennis en technologie een topprioriteit is voor de Europese Unie;

B. overwegende dat de EOR tot doel had de versnippering van de nationale inspanningen op het gebied van onderzoek en innovatie (O&I) te verhelpen door de verschillen tussen regelgevende en administratieve kaders te verkleinen;

C. overwegende dat de EOR heeft gezorgd voor belangrijke mechanismen om het vrije verkeer van onderzoekers en de uitwisseling van kennistechnologieën en innovatie te waarborgen; overwegende dat de EOR bovendien een gevestigd, bekend kader is dat grensoverschrijdende gezamenlijke O&I-acties tussen onderzoekers van de lidstaten en “EOR-hubs” stimuleert;

D. overwegende dat onderzoek gebaseerd moet zijn op de fundamentele beginselen van wetenschappelijke integriteit en dat de Europese gedragscode voor wetenschappelijke integriteit die is ontwikkeld door de Europese Federatie van Academies van Wetenschappen en Geesteswetenschappen (ALLEA) moet worden beschouwd als een referentie voor de onderzoeksgemeenschap; overwegende dat onafhankelijkheid en objectiviteit essentiële elementen zijn voor het opbouwen en behouden van vertrouwen in de wetenschap;

E. overwegende dat het versnellen van O&I in de Europese Unie en het verbeteren van de samenwerking tussen particuliere en publieke O&I in de lidstaten met het oog op een vroegtijdige marktintroductie en maatschappelijke acceptatie van nieuwe technologische oplossingen en de verbetering van bestaande oplossingen van cruciaal belang is om onze klimaatdoelstellingen te bereiken, om de digitale transitie tot stand te brengen en voor het herstel van de Europese economie; overwegende dat het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid de EU economische kansen biedt; overwegende dat investeren in fundamenteel onderzoek gelijkstaat aan investeren in de toekomst, en overwegende dat de financiering van dergelijk onderzoek niet intrinsiek gekoppeld mag zijn aan economische winstgevendheid; overwegende dat er grote wetenschappelijke doorbraken zijn voortgekomen uit door de overheid gefinancierd onderzoek;

F. overwegende dat O&I als algemene regel het beginsel van technologieneutraliteit moet eerbiedigen; overwegende dat het belangrijk is te benadrukken dat technologische keuzen het bestaande beleidskader moeten respecteren;

G. overwegende dat O&I essentieel is om het herstel van Europa mogelijk te maken, de digitale en groene transities op een sociaal verantwoorde manier te ondersteunen en te versnellen, de duurzaamheid en het concurrentievermogen van de Unie te vergroten en haar veerkracht te versterken;

H. overwegende dat de COVID-19-crisis nadelige gevolgen heeft gehad voor veel jonge onderzoekers die te maken hebben gehad met verslechterende arbeidsomstandigheden en verminderde toegang tot laboratoria en andere essentiële faciliteiten, en als gevolg daarvan minder kansen hebben om hun projecten te voltooien en de kwalificaties te behalen die nodig zijn voor loopbaanontwikkeling;

I. overwegende dat vrouwen slechts 24 % van de topposities in het hoger onderwijs in de Europese Unie bekleden; overwegende dat zij nog steeds ondervertegenwoordigd zijn onder promovendi in verschillende wetenschappelijke, technologische, ingenieurs- en wiskundevakken (STEM), met inbegrip van ICT en techniek, maar ook op het gebied van fabricage en constructie;

J. overwegende dat een meer synergetische benadering van andere EU-financieringsprogramma’s en van EU-beleid zou kunnen profiteren van met name O&I‑kwaliteiten die de afgelopen tien jaar in minder presterende landen zijn opgebouwd; overwegende dat hiervoor middelen moeten worden gebundeld ter ondersteuning van activiteiten om de ontwikkeling van menselijk kapitaal en de introductie van innovatieve technologieën en nieuwe bedrijfsmodellen te bevorderen, en het onderhoud en de ontwikkeling van infrastructuur te ondersteunen; overwegende dat een gerichte combinatie van investeringen door de structuurfondsen in het kader van de prioriteiten voor slimme specialisatie met excellente O&I-initiatieven die door het kaderprogramma worden ondersteund, de prestaties van bepaalde regio’s aanzienlijk zou kunnen verbeteren en de EOR als geheel zou kunnen versterken; overwegende dat het in dit verband ook belangrijk is te benadrukken dat het gebruik van onderzoeksinfrastructuren op EU-niveau moet worden geoptimaliseerd en beter gecoördineerd;

K. overwegende dat de inclusieve benadering van de Commissie om de EOR af te stemmen op de Europese onderwijsruimte en het Europese industriebeleid om synergieën tussen deze onderling afhankelijke beleidsmaatregelen te bevorderen, in de EOR, de Europese onderwijsruimte of het industriebeleid eerder tot synergieën zou moeten leiden dan tot grotere complexiteit;

L. overwegende dat de EOR moet bijdragen aan de meervoudige strategieën en internationale verbintenissen van de EU, zoals de kmo- en digitale strategieën, de Europese Green Deal en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN;

M. overwegende dat openheid naar de wereld en internationale samenwerking onontbeerlijk zijn voor een succesvol O&I-beleid van de EU; overwegende dat landen die geassocieerd zijn met het kaderprogramma een integraal onderdeel van de EOR vormen en reeds bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen ervan; overwegende dat het Europese nabuurschap bijzondere aandacht verdient; overwegende dat alle landen die daar in het oosten en het zuiden deel van uitmaken baat moeten hebben bij wetenschappelijke uitwisselingen en samenwerking met de EU-lidstaten;

N. overwegende dat de EOR niet kan worden voltooid zonder gegarandeerde academische vrijheid binnen de Unie en zonder dat de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie met betrekking tot academische vrijheid, de vrijheid om instellingen voor hoger onderwijs op te richten en de vrijheid van ondernemerschap worden gehandhaafd; overwegende dat volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie academische vrijheid niet alleen een individuele dimensie omvat voor zover deze wordt geassocieerd met de vrijheid van meningsuiting, met name op het gebied van onderzoek en van de vrijheid van communicatie, onderzoek en verspreiding van resultaten, maar ook een institutionele en organisatorische dimensie die wordt weerspiegeld in de autonomie van academische instellingen;

Doelstellingen

1. is ingenomen met de mededeling van de Commissie over een nieuwe EOR voor onderzoek en innovatie, waarin de strategische doelstellingen en acties uiteen worden gezet die in nauwe samenwerking met de lidstaten moeten worden uitgevoerd om prioriteit te geven aan investeringen en hervormingen in O&I, de doelstelling van 3 % van het bbp te bereiken, de toegang tot excellentie voor onderzoekers in de hele EU te verbeteren en ervoor te zorgen dat onderzoeksresultaten de wetenschappelijke gemeenschap, de samenleving en de reële economie bereiken, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat door de overheid gefinancierde O&I daadwerkelijk bijdraagt aan het maatschappelijk welzijn;

2. verzoekt de lidstaten een pact voor onderzoek en innovatie in Europa aan te nemen dat de volgende toezeggingen omvat die tegen 2030 moeten zijn nagekomen: de overheidsuitgaven voor O&I op een in de hele EU gecoördineerde wijze verhogen van het huidige gemiddelde niveau van 0,81 % van het bbp tot 1,25 %; de nationale publieke O&O-financiering van gezamenlijke programma’s en de Europese partnerschappen te verhogen van het huidige niveau van iets minder dan 1 % naar 5 %; en gezamenlijk overeenstemming bereiken over de prioritaire gebieden voor EOR-actie (zowel horizontaal als thematisch);

3. onderstreept het sterke verband tussen O&I en ondernemerschap, dat kansen creëert voor het opzetten van nieuwe eenhoorns, startende ondernemingen en kmo’s; herinnert eraan dat het van belang is een digitaal ecosysteem te creëren dat bijdraagt aan de technologische innovatie en de opschaling van kmo’s, voornamelijk via “EOR‑innovatiehubs”;

4. erkent de cruciale rol van universiteiten en academische instellingen bij het creëren van levendige O&I-ecosystemen; wijst op de centrale rol van studenten als de volgende generatie innovatoren in deze ecosystemen;

5. dringt erop aan dat in de context van de EOR de termen “onderzoek” en “innovatie” niet beperkt zijn tot technologische innovatie, maar zijn ingebed als transversale onderwerpen die van brede relevantie zijn voor alle aspecten van de sociale wetenschappen en de geesteswetenschappen en volledig geïntegreerd zijn in alle algemene doelstellingen;

6. is van mening dat de herziening van de EOR een horizontale aanpak moet omvatten voor het versterken van de samenwerking tussen onderzoeksinstellingen, met inbegrip van universiteiten; dringt aan op meer begrotingssteun voor universitaire allianties en op het opstellen van een faciliterend kader waardoor allianties zich flexibel kunnen ontwikkelen; is voorts van mening dat de samenwerking tussen universiteiten niet beperkt moet blijven tot allianties alleen, maar dat er voor universiteiten ook meer financieringsregelingen beschikbaar moeten zijn voor samenwerking buiten de allianties;

7. onderstreept dat het belangrijk is om naast industriële allianties ook synergieën te creëren tussen hoger onderwijs, onderzoeksinstellingen en maatschappelijke organisaties als daadwerkelijke partners in de context van O&I, waarbij de dubbele rol van universiteiten volledig wordt benut; herhaalt in dit verband de noodzaak om gunstige voorwaarden en kansen voor onderzoekers te creëren door gebruik te maken van hoogwaardige onderzoeksinfrastructuur; verzoekt de Commissie te zorgen voor een inclusief ontwerp van deze partnerschappen op basis van transparantie, een evenwichtige vertegenwoordiging van de belanghebbenden en voortdurende openheid, en dergelijke uiteenlopende belanghebbenden voldoende mogelijkheden te bieden om deel te nemen;

8. onderstreept dat alle verzoeken om financiering transparant moeten zijn en ruim van tevoren moeten worden aangekondigd; benadrukt verder dat in de gezamenlijke routekaarten voor industriële technologie beter rekening moet worden gehouden met input van onderaf en inclusieve participatie, en dat niet alleen de industrie als primaire bron van input moet worden genomen, maar dat ook de input van de meest recente state-of-the-art-O&I moet worden aanvaard, alsook die van consumentenorganisaties en sociale partners;

9. verzoekt de lidstaten de “nieuwe EOR” om te zetten in concreet beleid en financieringsacties, teneinde bij te dragen aan de dubbele “groene” en “digitale” transitie, aan de uitvoering van een ambitieuze Europese Green Deal en industriële strategie, aan een veerkrachtig herstel en aan onvervulde medische behoeften; benadrukt het belang van adequate koppelingen binnen en tussen innovatie- en industriële ecosystemen en hun actoren, waaronder de academische wereld, de industrie, de overheid op verschillende niveaus, het grote publiek en het maatschappelijk middenveld in de hele EU, om ervoor te zorgen dat onderzoeksresultaten sneller worden toegepast in de economie en de maatschappij; onderstreept in dit verband de cruciale rol van kmo’s bij het aanpakken van de ontwikkeling van innovatie en technologie, en ook het potentieel van traditionele kmo’s dat nog moet worden ontsloten; benadrukt de rol van de “EOR-hubs” als instrument om de beschikbaarheid van hoogwaardige wetenschap in alle steden en regio’s van de EU te waarborgen, en ook om regio’s met mogelijkheden voor duurzame groei te stimuleren;

10. maakt zich zorgen over het feit dat het proces van verbetering van de kwaliteit van O&I-systemen trager wordt​en binnen de Unie ongelijke vooruitgang vertoont[3];

11. onderstreept de belangrijke rol die O&I tijdens de COVID-19-pandemie hebben gespeeld bij het bedenken van multisectorale en transdisciplinaire oplossingen om de crisis te bedwingen; verwelkomt in dit verband het EORvsCorona-actieplan als voorbeeld van een snel gedefinieerde en goed gerichte actie die samen met de lidstaten wordt ondernomen;

12. onderstreept dat de COVID-19-pandemie niet alleen het belang heeft aangetoond van O&I-samenwerking, maar ook van openwetenschapspraktijken en -infrastructuren om snel oplossingen te bieden voor de meest dringende maatschappelijke behoeften; benadrukt dat de EOR een sleutelrol moet spelen bij het bevorderen van open wetenschap en het delen van onderzoeksresultaten, gegevens en infrastructuur, en er ook voor moet zorgen dat alle wetenschappelijke publicaties die voortkomen uit door de overheid gefinancierd onderzoek, standaard worden gepubliceerd in vrij toegankelijke tijdschriften, terwijl onderzoeksresultaten en -gegevens beschikbaar moeten worden gesteld volgens de FAIR-beginselen (findable, access, interoperable, reusable – vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar);

13. benadrukt dat de COVID-19-pandemie de vraag naar betere connectiviteit heeft doen toenemen en daardoor de digitale transitie heeft versneld; betreurt echter dat er onvoldoende rekening is gehouden met het delen van technologie en intellectuele eigendomsrechten;

14. roept op tot het vinden van een evenwicht tussen fundamenteel onderzoek en meer toegepast onderzoek dat leidt tot concrete innovatie in de hele EOR, en onderstreept dat beide van cruciaal belang zijn;

15. benadrukt dat fundamenteel onderzoek verwijst naar de activiteiten van wetenschappers die vraagstukken onderzoeken om kennis op te bouwen, onafhankelijk van economische winstgevendheid of toepasbaarheid op korte termijn;

16. wijst erop dat de nieuwe EOR de dubbele groene en digitale transitie volledig moet omarmen en moet bijdragen aan het versnellen van de O&I-inspanningen op dit terrein door onder meer O&I-investeringen beter op elkaar af te stemmen en te versterken door gebruik te maken van synergieën met de herstel- en veerkrachtfaciliteit, en door de samenwerking tussen particuliere en openbare O&I te verbeteren, niet alleen binnen, maar ook tussen de lidstaten, teneinde de maatschappelijke acceptatie en vroege marktintroductie van innovatieve technologieën en oplossingen te versnellen die van cruciaal belang zijn voor het bereiken van de klimaatdoelstellingen van de EU, alsmede door het aanboren van de grote economische kansen die de dubbele transitie biedt;

Financiering en synergieën

17. benadrukt dat het, gezien het feit dat Europa voor dringende maatschappelijke, ecologische en economische uitdagingen staat die zijn verergerd door de COVID-19-crisis, de hoogste tijd is om de EOR opnieuw in te richten teneinde het herstel van Europa te verwezenlijken en een nieuw sociaal, economisch en ecologisch veerkrachtig model voor de EU op te bouwen; maakt zich daarom zorgen over het trage tempo waarin het nationale beleid en het beleid dat op EU-niveau met de lidstaten is overeengekomen op elkaar worden afgestemd;

18. verzoekt de lidstaten de nationale begrotingen voor O&I te verhogen; is er in dit verband mee ingenomen dat de Raad in zijn conclusies van 1 december 2020 de investeringsdoelstelling van 3 % van het bbp opnieuw heeft bevestigd; betreurt het feit dat de Raad zich in deze conclusies niet heeft verbonden tot de voorgestelde investeringsdoelstelling van 1,25 % van het bbp voor overheidsfinanciering van O&I;

19. herinnert aan het belang van de bijdrage van O&I aan de verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs en aan de doelstellingen van de Europese Green Deal; steunt een algemene verhoging van de nationale begrotingen voor O&I op het gebied van schone-energietechnologieën, waardoor nationale doelstellingen en financieringsstreefcijfers die concrete en relevante trajecten naar 2030 en 2050 aangeven, worden bevorderd;

20. benadrukt het belang van het creëren en optimaal benutten van synergieën tussen Europese financieringsinstrumenten, met name tussen Horizon Europa, Erasmus+, de fondsen voor het cohesiebeleid, NextGenerationEU, het programma voor de interne markt, InvestEU, LIFE+, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en de EU-instrumenten voor externe acties, het partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (Prima), EU4Health en het programma Digitaal Europa, en verzoekt de Commissie de lidstaten duidelijke, eenvoudige en praktische richtsnoeren en gestroomlijnde instrumenten te verstrekken over de beste manier om deze synergieën in de nationale en regionale contexten te verwezenlijken; benadrukt in dit verband het belang van de herstel- en veerkrachtfaciliteit die slimme, duurzame en inclusieve groei zal ondersteunen, met inbegrip van O&I-infrastructuren, en een grote bijdrage zal leveren aan de uitvoering van de “nieuwe EOR”;

21. is van mening dat de herstelplannen en de NextGenerationEU een kans bieden om de kennisdriehoek krachtiger te maken en vaardigheden, onderwijs en onderzoek te versterken; benadrukt de noodzaak van beter gestructureerde banden met de initiatieven ter versterking van de Europese onderwijsruimte en de Europese innovatieruimte; is ingenomen met het plan van de Raad om de versterking van de EOR op te nemen in de nationale herstelplannen;

22. onderstreept het belang van samenwerking, vanaf de ontwerpfase van projecten tussen de academische wereld, onderzoeksinstellingen en de industrie om de wetenschap en innovatieve technologieën en oplossingen die gericht zijn op het delen van middelen en complementaire voordelen te bevorderen, en om samen technologische innovatieprojecten te voltooien teneinde producten, diensten of processen te creëren die klaar zijn voor de markt, en het welzijn te vergroten; moedigt in de context van de “nieuwe EOR” wederzijdse uitwisselingen en meer samenwerking tussen verschillende actoren aan met als doel de onderwijservaring te verbeteren, het proces van kennisoverdracht te versnellen, het bewustzijn te vergroten en oplossingen te bieden om sociale, ecologische en economische uitdagingen het hoofd te bieden;

23. benadrukt het potentieel van een multidisciplinaire en multistakeholderbenadering van ecosystemen, waarbij de creatieve en culturele sterke punten en troeven van Europa worden gecombineerd; wijst op de synergievoordelen die voortkomen uit het samenbrengen van verschillende sectoren en wetenschappelijke disciplines, waaronder kunst, design en creatieve gebieden, sociale wetenschappen en geesteswetenschappen;

24. erkent de rol die de particuliere sector speelt bij het verbeteren van onze O&I-vermogens, het opschalen van nieuwe innovaties en het stimuleren van het concurrentievermogen en de duurzaamheid van Europa; onderstreept dat een aanzienlijk maatschappelijk effect kan worden bereikt, onder meer door de toepassing van de nieuwste onderzoekskennis bij startende en gevestigde bedrijven en binnen de industrie; wijst op de noodzaak om de strategische langetermijnsamenwerking tussen de academische wereld en het bedrijfsleven te versterken om doelstellingen van algemeen belang te bevorderen en om de kennisdriehoek te integreren teneinde betere maatschappelijke resultaten te behalen; benadrukt dat de industrie en kmo’s een belangrijke rol kunnen spelen door een bijdrage te leveren aan langetermijninvesteringen en bij het overbruggen van de “vallei des doods”, en verzoekt de Commissie na te gaan hoe synergieën tussen openbare en particuliere O&I‑investeringen beter kunnen worden benut, ook met betrekking tot opleiding, vaardigheden en de ontwikkeling van onderzoeksactiviteiten;

25. herhaalt in de context van de “nieuwe EOR” hoe belangrijk het is om het bestaande kader voor intellectuele eigendom toe te passen en het komende eenheidsoctrooi en alle daarvoor noodzakelijke flexibiliteit te ondersteunen om een evenwicht te vinden tussen de handhaving van effectieve intellectuele-eigendomsrechten en het streven naar innovatie; wijst op de mogelijke rol van het aanstaande eenheidsoctrooi bij het stroomlijnen van procedures en het verminderen van de administratieve lasten voor Europese innovatoren;

De kloof verkleinen

26. is van mening dat een van de sleutels tot het succes van aanzienlijk verhoogde overheidsuitgaven voor O&I gelegen is in de integratie van de verschillende Europese, nationale en particuliere financieringsstromen, met inbegrip van de convergentie van financiering via Horizon Europa, de herstel- en veerkrachtfaciliteit, de EU-cohesiefondsen en nationale O&O-financiering;

27. verzoekt om een ambitieus Horizon Europa-pakket “Verbreding van de deelname en versterking van de EOR”, dat samenwerking tussen de lidstaten ondersteunt om een evenwichtige toegang tot excellentie te realiseren;

28. verzoekt de lidstaten om, rekening houdend met het herstel van de pandemie, zo spoedig mogelijk de “nieuwe EOR” te steunen met nationale hervormingen en middelen ter aanvulling van de EU-financieringsinstrumenten door het invoeren van nieuwe instrumenten, met name het gedeelte over “Verbreding van de deelname aan en versterking van de Europese Onderzoeksruimte” in het kader van Horizon Europa, wat zal helpen de O&I-prestatiekloof te verkleinen en ongelijkheden tussen verschillende landen en regio’s te verminderen; wijst in dit verband op de noodzaak om investeringen en hervormingen in O&I aan te pakken; is ingenomen met de oprichting van het “EOR‑forum voor transitie” en het toekomstige pact voor O&I; merkt op dat het succes van het pact zal afhangen van brede steun binnen de sector en verzoekt daarom het Parlement en de belanghebbenden bij het ontwikkelingsproces van het pact te betrekken;

29. erkent de belangrijke rol van regionale overheden bij het bevorderen van O&I-beleid, alsmede het belang van regionale O&I-ecosystemen; verzoekt de Commissie en de lidstaten een meerlagige vorm van bestuur te omarmen waar regionale en lokale overheden deel van uitmaken, om regionale ecosystemen en “EOR-hubs” te versterken;

30. onderstreept de noodzaak om te zorgen voor synergieën tussen de “EOR-hubs” en andere O&I-gerelateerde hubs, zoals de innovatiehubs van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT), de digitale-innovatiehubs en netwerken, zoals onder meer de digitale-innovatiehubs voor artificiële intelligentie, en het Enterprise Europe Network;

31. steunt initiatieven die gericht zijn op het verder vergroten van investeringen in vaardigheden, onderzoek en innovatie in de lidstaten die volgens het Europees innovatiescorebord nog steeds als bescheiden en gematigde innovators worden beschouwd; is ingenomen met de reeds bestaande initiatieven om de kloof waarmee deze lidstaten worden geconfronteerd te overbruggen, met inbegrip van het regionaal innovatieprogramma van het EIT;

32. benadrukt dat de EOR prioriteit moet geven aan toegang tot excellentie, de mobiliteit van onderzoekers en het vrije verkeer van kennis, inclusiviteit moet bevorderen en kansen moet verspreiden over het hele grondgebied van Europa, de banden en synergieën tussen verschillende O&I-gemeenschappen moet versterken, en zo moet bijdragen aan het volledige gebruik van het Europese O&I-potentieel; benadrukt dat de EOR door prioriteit te geven aan excellentie een centrale rol kan spelen bij het verkleinen van de ongelijkheden binnen de Unie en kan helpen de nog bestaande onderzoekskloof te overbruggen;

33. benadrukt dat maatschappelijke behoeften en belangen centraal moeten staan bij O&I en dat de betrokkenheid van burgers, lokale gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld derhalve essentieel is voor de nieuwe EOR om de maatschappelijke acceptatie te vergemakkelijken en zodoende een groter maatschappelijk effect en meer vertrouwen in de wetenschap te bewerkstelligen; roept derhalve op tot meer wetenschapscommunicatie- en bewustmakingscampagnes, en tot nauwe betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de eindgebruikers vanaf het begin van de O&I‑processen, met inbegrip van representatieve organisaties van groepen die een hoger risico op uitsluiting lopen, zoals personen met een handicap en andere ondervertegenwoordigde groepen in de samenleving, teneinde ernstige kwesties in verband met hun uitsluiting in O&I aan te pakken en ervoor te zorgen dat de daaropvolgende ontwikkelde technologieën en innovaties inderdaad de samenleving dienen en niet andersom;

34. is ingenomen met de plannen van de Commissie om de toegang tot excellentie-instellingen en -infrastructuur voor onderzoekers uit de hele EU te verbeteren; onderstreept echter de behoefte aan meer gerichte steun om de O&I-kloof in de Unie te dichten;

35. onderstreept het belang van het terugdringen van versnippering bij de toegang tot onderzoeksgegevens en erkent in de context van de “nieuwe EOR” het belang van de Europese openwetenschapscloud, die gericht is op het samenbrengen van institutionele, nationale en Europese belanghebbenden, initiatieven en data-infrastructuren om een inclusief ecosysteem voor open wetenschap in de EU te ontwikkelen; vraagt erom dat deelname aan initiatieven op het gebied van open wetenschap en gegevensuitwisseling wordt ondersteund door de Europese infrastructuur voor gegevensuitwisseling te verbeteren en het gebruik van gegevensnormen te bevorderen;

Loopbanen

36. benadrukt hoe belangrijk het is vrouwen en meisjes in staat te stellen een loopbaan in een STEM-vak te beginnen en verzoekt de lidstaten en de Commissie maatregelen op te stellen om voor vrouwen de voorwaarden voor het nastreven van een onderzoeksloopbaan te verbeteren en het lekkende-pijpleidingeffect te verminderen; dringt erop aan de werkgelegenheidskansen voor jonge onderzoekers en ondervertegenwoordigde groepen aantrekkelijker te maken, mede in het licht van de cruciale bijdrage van vrouwen aan wetenschappelijke en O&O-activiteiten, en tegelijkertijd de loonkloof tussen mannen en vrouwen in de sector te verkleinen; stimuleert de lidstaten en de onderzoeksorganisaties, waaronder universiteiten, om flexibele arbeidsvoorwaarden en -regelingen voor zowel vrouwen als mannen in O&I te ondersteunen, met inbegrip van steun voor een gelijke verdeling van zorgtaken, en de prestatiebeoordeling voor onderzoekers opnieuw te bezien teneinde gendervooroordelen te elimineren; dringt verder aan op een betere integratie van de genderdimensie in de O&I-inhoud en op een betere verzameling van uitgesplitste gegevens en resultaten;

37. spreekt zijn waardering uit voor het ERA4You-initiatief van gerichte mobiliteitsmaatregelen ter ondersteuning van onderzoekers in lidstaten met lage O&I‑prestaties om te leren en excellentie te ontwikkelen en om de mobiliteit van onderzoekers tussen het bedrijfsleven en de academische wereld te bevorderen;

38. neemt kennis van de lancering van het EOR-forum voor transitie om de lidstaten te ondersteunen bij de coördinatie en prioritering van nationale O&I-financiering en -hervormingen;

39. merkt op dat de verspreiding van talent en de O&I-mogelijkheden van lidstaat tot lidstaat sterk verschillen; is van mening dat de Commissie en de lidstaten moeten streven naar circulatie van talent als een evenwichtige circulaire beweging van onderzoekers, om zo het probleem van de “braindrain” aan te pakken; is van mening dat voor het bereiken van een dergelijk evenwicht actie op Europees niveau is vereist door middel van beleidsmaatregelen en instrumenten;

40. benadrukt het belang van stimuleringsregelingen ter bevordering van de mobiliteit van onderzoekers (ERASMUS+, Marie Skłodowska-Curie-acties, Europese Onderzoeksraad); herinnert in dit verband aan de studie over steunmaatregelen voor onderzoekers om terug te keren naar de Unie en naar hun land van herkomst binnen de Unie, waarin wordt voorzien door Horizon Europa, wat een nuttig instrument kan zijn om de noodzaak aan te tonen van maatregelen ter bevordering van de terugkeer van onderzoekers;

41. verzoekt de Commissie verdere instrumenten en maatregelen te ontwikkelen om dit doel te bereiken, zoals de EOR-hubs en ERA4You, de verbredingsmaatregelen en ondersteunende instrumenten, teneinde hervormingen in de nationale O&I-stelsels vorm te geven en door te voeren, onder meer door middel van steun uit de beleidsondersteuningsfaciliteit van Horizon;

42. is ingenomen met het initiatief om een instrumentarium te ontwikkelen ter ondersteuning van onderzoeksloopbanen; betreurt het feit dat de Commissie van plan is deze pas tegen 2024 aan te nemen en vraagt om een spoedige goedkeuring ervan om de mobiliteit te vergroten, competenties en vaardigheden te ontwikkelen, gerichte opleidingscursussen aan te bieden en de inzetbaarheid te verbeteren;

43. verzoekt de Commissie de hardnekkige belemmeringen te identificeren en weg te nemen waarmee onderzoekers worden geconfronteerd wanneer zij overwegen naar andere Europese landen en regio’s te verhuizen, met inbegrip van niet-onderzoeksgerelateerde belemmeringen zoals sociale zekerheid, pensioenen en personeelsbeleid dat te maken heeft met erkennings- en beloningssystemen, alsmede kinderopvangvoorzieningen en het evenwicht tussen werk en privéleven; verzoekt daartoe de Commissie en de nationale agentschappen om samen te werken en het verzamelen en de vergelijkbaarheid van informatie over de werving en mobiliteit van onderzoekers en loopbaanontwikkelingspatronen te verbeteren;

44. ondersteunt het plan van de Commissie om voort te bouwen op het pan-Europese pensioenfonds voor onderzoekers (RESAVER) en een overkoepelend loopbaankader voor onderzoekers te ontwikkelen om grens- en sectoroverschrijdende mobiliteit verder te bevorderen, de vergelijkbaarheid en transparantie met betrekking tot loopbaanmogelijkheden te verbeteren en hoogopgeleid talent uit derde landen beter aan te trekken;

45. is ervan overtuigd dat onderzoekers een van de belangrijkste bronnen vormen van onderzoekssystemen, innovatie en duurzame groei en dat zij adequate voorwaarden moeten krijgen om hun werk te kunnen doen; is tevens van mening dat werkgevers en financiers ervoor moeten zorgen dat de arbeidsvoorwaarden voor onderzoekers de flexibiliteit en autonomie bieden die essentieel worden geacht voor succesvolle onderzoeksprestaties, zowel vrouwelijke als mannelijke onderzoekers in staat moeten stellen gezin en werk te combineren, en de toegang tot infrastructuur, rekenkracht en kansen moeten verbeteren; roept op tot het systematisch erkennen van de kansen die worden geboden door de virtuele mobiliteit van onderzoekers;

46. benadrukt de essentiële rol van vaardigheden; is van mening dat “kennis voorop stellen” een van de cruciale pijlers van de nieuwe EOR is; onderstreept de rol van universiteiten bij het bevorderen van een leven lang leren, het aanleren van vaardigheden en omscholing om de kansen voor alle werknemers te vergroten en te voldoen aan de vaardigheidsbehoeften van de arbeidsmarkt als gevolg van de groene en digitale transitie, en in het leveren van een bijdrage aan een snel herstel van de COVID-19-crisis;

47. verzoekt de Commissie samen te werken met de lidstaten om beleid en procedures vast te stellen die een beter beheer van onderzoeksloopbanen kunnen ondersteunen, onzekerheid kunnen verminderen, inclusie en diversiteit kunnen bevorderen en uiteindelijk de kwaliteit van de geproduceerde wetenschap kunnen verhogen;

Voorwaarden om onderzoek mogelijk te maken

48. is van mening dat de Unie moet worden uitgerust met infrastructuur en apparatuur van wereldklasse om O&I-activiteiten uit te voeren, industrieën en kmo’s te ondersteunen en het innovatiepotentieel te ontsluiten om de Europese beleidsdoelstellingen te verwezenlijken;

49. erkent het belang van de routekaart van het Europees Strategieforum voor onderzoeksinfrastructuren voor de ontwikkeling van O&I-infrastructuren, die een belangrijke pijler van de EOR vormen, en onderstreept het belang van de ontwikkeling van nieuwe pan-Europese infrastructuren;

50. verzoekt de betreffende instellingen jonge onderzoekers te ondersteunen door hun adequate voorwaarden en kansen te bieden en dringend noodzakelijke maatregelen te nemen, zoals het verlengen van de looptijd van subsidies en projecten, het aanpassen van deadlines en het verbeteren van de toegang tot faciliteiten;

51. verzoekt om het bevorderen van nieuw en bestaand talent en om te voorzien in een centraal punt voor uitwisseling en interactie voor onderzoekers in alle stadia van hun loopbaan, op alle gebieden van artificiële intelligentie, aangezien dit gebied een belangrijke motor is geworden voor innovatie, toekomstige groei en concurrentievermogen en van cruciaal belang is bij het aanpakken van de grote uitdagingen waarmee de samenleving wordt geconfronteerd, zoals klimaatverandering, energie en mobiliteit, voedsel en natuurlijke hulpbronnen, gezondheid en inclusieve samenlevingen; benadrukt dat het van belang is de ontwikkeling van “EOR-hubs” in de hele EU te bevorderen, die de toegang tot deze instrumenten vergroten en bijdragen tot het verkleinen van de vaardigheidskloof op dat gebied;

52. benadrukt dat het van cruciaal belang is snel een Europese openwetenschapscloud te ontwikkelen op basis van de FAIR-beginselen; maakt zich zorgen over de trage vooruitgang in de richting van deze doelstelling; dringt er bij de Commissie op aan de opschaling van de Europese openwetenschapscloud tot een vertrouwde O&I‑gegevensruimte te versnellen; herinnert eraan dat het van belang is alle initiatieven met betrekking tot het delen van gegevens met elkaar te verbinden, zoals die met betrekking tot de totstandbrenging van Europese gegevensruimten voor gezondheid, energie, productie, mobiliteit, landbouw, financiën, vaardigheden en overheidsdiensten;

Beginselen

53. onderstreept dat de EOR niet kan worden voltooid zonder dat de academische vrijheid binnen de Unie wordt gegarandeerd; is ingenomen met het beginsel van academische vrijheid als fundamentele pijler in de nieuwe EOR;

54. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de EOR de eerbiediging van de academische vrijheid in alle Europese landen bevordert, teneinde wetenschappelijke excellentie te garanderen, en in overeenstemming met artikel 13 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

55. benadrukt de noodzaak om ethische praktijken en fundamentele ethische beginselen te respecteren, en ook ethische normen, zoals gedocumenteerd in de verschillende nationale, sectorale of institutionele gedragscodes; herinnert eraan dat het van belang is de beginselen die zijn vastgelegd in artikel 19 van het Horizon Europa-kaderprogramma inzake ethiek, toe te passen op EU-onderzoeksprogramma’s;

56. benadrukt de noodzaak om burgers te betrekken bij de ontwikkeling van nieuwe kennis en innovatie voor onze samenleving; verzoekt de Commissie de dialoog met de samenleving te versterken, het bewustzijn te vergroten en actieve deelname in alle stadia van wetenschappelijk onderzoek te bevorderen, en zodoende burgers in staat te stellen samen oplossingen uit te werken, bij te dragen aan ideeën en een constructieve houding te ontwikkelen ten aanzien van wetenschap en de missie daarvan; verzoekt de betreffende instellingen bijzondere aandacht te besteden aan de mogelijkheden om jongeren en studenten te engageren;

Mondiale dimensie

57. benadrukt dat internationale samenwerking een belangrijk onderdeel is waardoor de EOR kennisuitwisseling en vaardigheden kan versterken en de O&I-kwaliteiten kan verbeteren;

58. onderstreept dat de hervorming van de EOR en de actualisering van de strategische benadering van de EU en de lidstaten van internationale samenwerking buiten de EOR hand in hand moeten gaan; dringt daarom aan op een actualisering van de mededeling van de Commissie uit 2012 over internationale samenwerking op het gebied van O&I, die een nieuwe benadering van de samenwerking met lage- en middeninkomenslanden moet omvatten;

°

° °

59. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en aan de Raad, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

 

[1] Arrest van 6 oktober 2020, Europese Commissie vs. Hongarije, C-66/18, EU:C:2020:792.

[2] PB L 75 van 22.3.2005, blz. 67.

[3] Zie het EOR-voortgangsverslag 2018.

Laatst bijgewerkt op: 6 juli 2021Juridische mededeling - Privacybeleid