Ontwerpresolutie - B9-0412/2021/REV1Ontwerpresolutie
B9-0412/2021/REV1

    ONTWERPRESOLUTIE over de schending van het EU-recht en van de rechten van lhbtiq-burgers in Hongarije als gevolg van de door het Hongaarse parlement aangenomen wetswijzigingen

    6.7.2021 - (2021/2780(RSP))

    naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie
    ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement

    Isabel Wiseler‑Lima, Jeroen Lenaers
    namens de PPE-Fractie
    Iratxe García Pérez, Simona Bonafè, Cyrus Engerer, Juan Fernando López Aguilar, Katarina Barley, Marc Angel
    namens de S&D-Fractie
    Liesje Schreinemacher, Anna Júlia Donáth, Katalin Cseh, Moritz Körner, Sophia in ’t Veld, Ramona Strugariu, Michal Šimečka, Pierre Karleskind
    namens de Renew-Fractie
    Terry Reintke, Gwendoline Delbos‑Corfield, Alexandra Geese, Rosa D’Amato, Rasmus Andresen, Yannick Jadot, Erik Marquardt, Sylwia Spurek, Alice Kuhnke, Saskia Bricmont, Hannah Neumann, Ernest Urtasun, Monika Vana, Eleonora Evi, Katrin Langensiepen, Piernicola Pedicini, Jutta Paulus, Anna Cavazzini, Tineke Strik, Daniel Freund, Sergey Lagodinsky
    namens de Verts/ALE-Fractie
    Malin Björk
    namens de Fractie The Left


    Procedure : 2021/2780(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B9-0412/2021
    Ingediende teksten :
    B9-0412/2021
    Aangenomen teksten :

    B9‑0412/2021

    Resolutie van het Europees Parlement over de schending van het EU-recht en van de rechten van lhbtiq-burgers in Hongarije als gevolg van de door het Hongaarse parlement aangenomen wetswijzigingen

    (2021/2780(RSP))

    Het Europees Parlement,

     gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna “het Handvest” genoemd),

     gezien artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

     gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de bijbehorende jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM),

     gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

     gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) en van het EHRM,

     gezien de mededeling van de Commissie van 12 november 2020, getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gelijkheid van lhbtiq’ers 2020-2025” (COM(2020)0698),

     gezien de mededeling van de Commissie van 24 maart 2021, getiteld “EU-strategie voor de rechten van het kind (2020-2025)” (COM(2021)0142),

     gezien de resultaten van de enquête over de situatie van lhbt-personen in de EU, uitgevoerd door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) in 2019,

     gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting[1] (“de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat”),

     gezien zijn resolutie van 12 september 2018 over een voorstel houdende een verzoek aan de Raad om overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie te constateren dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de Unie berust[2],

     gezien zijn resolutie van 18 december 2019 over openbare discriminatie en haatzaaiende uitlatingen ten aanzien van LGBTI-personen, zoals LGBTI-vrije zones[3],

     gezien zijn resolutie van 16 januari 2020 over hoorzittingen die plaatsvinden in het kader van artikel 7, lid 1, VEU met betrekking tot Polen en Hongarije[4],

     gezien de uitspraak van het HvJ-EU van 3 juni 2021 in zaak C-650/18, houdende verwerping van het beroep dat Hongarije had ingesteld tegen de resolutie van het Parlement van 12 september 2018 die de procedure voor het constateren van een duidelijk gevaar van een ernstige schending, door een lidstaat, van de waarden waarop de Europese Unie berust, in werking had gesteld[5],

     gezien zijn resolutie van 7 oktober 2020 over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten[6],

     gezien zijn resolutie van 11 maart 2021 over het uitroepen van de EU tot vrijheidszone voor LGBTIQ-personen[7],

     gezien zijn resolutie van 24 juni 2021 over de situatie op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in de EU, in verband met de gezondheid van vrouwen[8],

     gezien de mededeling van de Commissie van 30 september 2020, getiteld “Verslag over de rechtsstaat 2020 – De situatie op het gebied van de rechtsstaat in de Europese Unie” (COM(2020)0580),

     gezien zijn resolutie van 24 juni 2021 over het verslag over de rechtsstaat 2020 van de Commissie[9],

     gezien de Hongaarse wet LXXIX van 2021 inzake strenger optreden tegen pedofiele delinquenten en tot wijziging van bepaalde wetten ter bescherming van kinderen (“het wetsvoorstel” en, na afkondiging, “de wet”),

     gezien het onderzoek dat de Europese commissaris voor Gelijkheid op 16 juni 2021 heeft ingesteld naar de overeenstemming van de Hongaarse wetgeving met de Europese wetgeving,

     gezien de brief van de commissarissen voor Justitie resp. Interne Markt aan de Hongaarse minister van Justitie (Ares S(2021) 4587976) over de onverenigbaarheid van het wetsontwerp met verscheidene wettelijke bepalingen van de EU, waaronder artikel 2 VEU over de eerbiediging van de mensenrechten, vrijheid en non-discriminatie,

     gezien de brief die is ondertekend door zeventien staatshoofden en regeringsleiders tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad van juni 2021, waarin zij verklaarden “de strijd tegen discriminatie van de lhbti-gemeenschap voort te zetten”[10],

     gezien de verklaring in de marge van de Raad Algemene Zaken van 22 juni 2021, die door achttien lidstaten gezamenlijk is ondertekend, over de aanneming van het Hongaarse wetsvoorstel[11],

     gezien Aanbeveling CM/Rec(2010)5 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten inzake maatregelen ter bestrijding van discriminatie op grond van seksuele gerichtheid en genderidentiteit, en gezien de door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa vastgestelde normen,

     gezien de verklaring van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa over het wetsvoorstel[12],

     gezien het arrest van het EHRM van 20 juni 2017 in de zaak Bayev e.a./Rusland (verzoekschriften nr. 67667/09 en twee andere)[13],

     gezien de vraag aan de Commissie met verzoek om mondeling antwoord van 22 juni 2021 over de schending van het EU-recht en van de rechten van lhbtiq-burgers in Hongarije als gevolg van de door het Hongaarse parlement aangenomen wetswijzigingen (O-000050/2021),

     gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

    A. overwegende dat het Hongaarse parlement op 15 juni 2021 een wetsvoorstel heeft aangenomen dat in de basis beoogt kinderen te beschermen tegen pedofiele delinquenten, een doelstelling die door alle instellingen en lidstaten binnen de Unie wordt gedeeld en nagestreefd; overwegende dat de wet op 23 juni 2021 is afgekondigd en op 8 juli 2021 in werking zal treden[14]; overwegende dat de wet de rechten en vrijheden van lhbtiq-personen en de rechten van kinderen drastisch en opzettelijk zal beknotten;

    B. overwegende dat Hongarije onlangs in de Raad een aantal verklaringen heeft afgelegd waarin het begrip “gender” in bepaalde teksten wordt uitgelegd als een verwijzing naar geslacht en zodoende het bestaan van gender wordt ontkend, met name met betrekking tot het crisisbeheersingsconcept (CMC) voor een mogelijke niet-uitvoerende militaire EU-missie in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) in Mozambique, de verordening betreffende het Fonds voor een rechtvaardige transitie en de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen, evenals bij andere gelegenheden;

    C. overwegende dat de definities van de wet bewust vaag zijn gehouden om een afschrikkend effect teweeg te brengen; overwegende dat de wet een verbod instelt op het “portretteren en bevorderen van genderidentiteiten die afwijken van het geslacht bij de geboorte, alsook van geslachtsverandering en homoseksualiteit” op scholen, in tv-programma’s en in openbaar beschikbare campagnes op platformen voor personen jonger dan 18 jaar, zelfs voor educatieve doeleinden; overwegende dat dergelijke inhoud krachtens de wet niet mag worden beschouwd als een aankondiging van een openbare dienst of als reclame voor maatschappelijke verantwoordelijkheid, zelfs niet als die bestemd is voor volwassenen; overwegende dat met de nieuwe wet wijzigingen worden aangebracht in de Wet op de kinderbescherming, de Wet gezinsbescherming, de Wet inzake bedrijfsreclame, de Mediawet en de Wet op het openbaar onderwijs;

    D. overwegende dat de Poolse president Andrzej Duda in 2018 heeft verklaard dat hij zou overwegen in navolging van Rusland een zogenaamde wet tegen “homopropaganda” uit te vaardigen die lhbtiq-media, -literatuur en -bijeenkomsten, zoals Pride, zou verbieden; overwegende dat de Poolse staatssecretaris van Justitie Michal Wos in juni 2021 heeft aangekondigd dat Polen momenteel werkt aan een wet die erop gericht is “lhbt‑propaganda” te verbieden;

    E. overwegende dat de Tsjechische president Milos Zeman in juni 2021 tijdens een media-interview over de nieuwe anti-lhbtiq-wet in Hongarije vernederende opmerkingen heeft gemaakt over de transgendergemeenschap;

    F. overwegende dat Rusland in 2013 een federale wet heeft ingevoerd “om kinderen te beschermen tegen informatie waarin wordt gepleit voor het ontkennen van traditionele gezinswaarden”, met als doel de normalisering van homoseksualiteit in de media te verbieden; overwegende dat tal van mensenrechtenorganisaties overal ter wereld hebben verklaard dat de Russische wet lhbtiq-jongeren in gevaar brengt;

    G. overwegende dat krachtens artikel 2 VEU eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de waarden zijn waarop de Unie berust;

    H. overwegende dat in de strategie voor gelijkheid van lhbtiq’ers van de Commissie de gemeenschappelijke koers van de Unie voor de bescherming van de rechten van lhbtiq‑personen in alle lidstaten wordt vastgesteld, en dat gelijkheid en non-discriminatie kernwaarden en grondrechten in de EU zijn, die zijn verankerd in haar Verdragen en in het Handvest van de grondrechten;

    I. overwegende dat Commissievoorzitter Ursula von der Leyen de wet “schandalig” heeft genoemd en de bevoegde commissarissen heeft opgedragen zich tot de Hongaarse regering te wenden[15]; overwegende dat de commissarissen voor Justitie resp. Interne Markt de Hongaarse minister van Justitie een brief hebben gestuurd waarin zij stelden dat de wet in strijd is met de volgende rechten: het recht op een privéleven en een familie- en gezinsleven (artikelen 7 en 9 van het Handvest); de vrijheid van meningsuiting en van informatie (artikel 11 van het Handvest); de vrijheid van ondernemerschap (artikel 16 van het Handvest); en non-discriminatie (artikel 21 van het Handvest); overwegende dat de richtlijn audiovisuele mediadiensten[16], de richtlijn inzake elektronische handel[17] en artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) van toepassing zijn op ten minste een aantal van de gereguleerde scenario’s, en dat de artikelen 34 en 36 VWEU ook van toepassing kunnen zijn op en worden geschonden door de betwiste bepalingen van de wet; overwegende dat vóór 30 juni 2021 een antwoord op deze brief wordt verwacht;[18] overwegende dat de Hongaarse minister van Justitie op 1 juli 2021 heeft geantwoord;

    J. overwegende dat achttien lidstaten[19] een verklaring hebben ondertekend waarin de Commissie wordt opgeroepen alle haar ter beschikking staande instrumenten te gebruiken om de volledige naleving van het EU-recht te waarborgen, onder meer door de zaak naar het HvJ-EU te verwijzen;

    K. overwegende dat zeventien staatshoofden en regeringsleiders op 24 juni 2021 een gezamenlijke verklaring hebben aangenomen waarin zij verklaren dat zij zullen blijven strijden tegen de discriminatie van de lhbtiq-gemeenschap en waarin zij de verdediging van de grondrechten van lhbtiq-personen bekrachtigen[20];

    L. overwegende dat de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa er bij de leden van het Hongaarse parlement op heeft aangedrongen het wetsvoorstel te verwerpen; overwegende dat zij stelde dat het wetsvoorstel in strijd is met de rechten en identiteit van lhbtiq-personen en dat het ook de vrijheid van meningsuiting en onderwijs van alle Hongaren inperkt[21];

    M. overwegende dat de leiders van de lidstaten van de Raad van Europa volgens Aanbeveling CM/Rec(2010)5 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten inzake maatregelen ter bestrijding van discriminatie op grond van seksuele gerichtheid of genderidentiteit, de verantwoordelijkheid hebben om voorlichting te geven, vooroordelen en discriminatie te bestrijden en zich in te zetten voor de aanvaarding van lhbtiq-personen;

    N. overwegende dat het EHRM in de zaak Bayev e.a./Rusland oordeelde dat wetgeving die de bevordering van homoseksualiteit verbiedt, die ook wel bekendstaat als de “wet tegen homopropaganda”, in strijd was met artikel 10 (vrijheid van meningsuiting) en artikel 14 (verbod op discriminatie) van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en derhalve discriminerend was, en dat deze wetgeving de vooroordelen tegen lhbtiq-personen heeft versterkt, hetgeen onverenigbaar is met de waarden van een democratische samenleving;

    O. overwegende dat het Parlement de lidstaten herhaaldelijk heeft aangespoord om het recht op uitgebreide, wetenschappelijk correcte en onderbouwde, op de leeftijd afgestemde en oordeelvrije seksuele voorlichting en informatie over seks en relaties te garanderen; overwegende dat internationale mensenrechtenorganen[22] zoals de Raad van Europa hebben vastgesteld dat kinderen en jongeren recht hebben op uitgebreide seksuele voorlichting;

    P. overwegende dat in de lhbt-enquête van het FRA wordt benadrukt dat meer dan de helft van de respondenten tijdens hun schooltijd altijd of vaak negatieve opmerkingen of gedragingen heeft gehoord of gezien omdat een andere leerling werd beschouwd als lhbti-persoon; overwegende dat dit aantal stijgt tot 70 % voor respondenten in de leeftijdsgroep 15-17 jaar, wat wijst op de noodzaak van acceptatie en verdraagzaamheid waarvan werk moet worden gemaakt binnen de onderwijscontext;

    De wet, de bepalingen ervan en de schending van het EU-recht

    1. veroordeelt in de krachtigste bewoordingen de door het Hongaarse parlement aangenomen wet, die een duidelijke schending vormt van de waarden, beginselen en wetten van de EU; wijst erop dat de wet in verschillende Hongaarse wetten bepalingen zal opnemen die in strijd zijn met de grondrechten uit hoofde van het Handvest en de Verdragen en de EU-wetgeving inzake de interne markt (de richtlijn audiovisuele mediadiensten en de richtlijn inzake elektronische handel); is van mening dat de wet in strijd is met het gevestigde EU-acquis;

    2. is ingenomen met de door achttien lidstaten ondertekende verklaring waarin de Commissie wordt opgeroepen juridische stappen te ondernemen, en met het feit dat de voorzitter van de Commissie en afzonderlijke commissarissen het wetsvoorstel veroordelen; neemt kennis van de brief aan de Hongaarse minister van Justitie met het verzoek om uiterlijk 30 juni 2021 opheldering en informatie te verschaffen over de genoemde punten; verzoekt de Commissie dit antwoord openbaar te maken;

    3. neemt kennis van het verzoek van de Commissie om een constructief en loyaal debat met Hongarije; betreurt het echter dat de wet op 23 juni 2021 is afgekondigd, ondanks de tegenwerpingen van internationale organisaties; verzoekt de Commissie onmiddellijk juridische stappen te ondernemen, namelijk door op grond van artikel 258 VWEU een versnelde inbreukprocedure in te leiden tegen Hongarije in verband met de wet; verzoekt de Commissie zo nodig gebruik te maken van alle procedurele instrumenten van het Hof van Justitie, met inbegrip van verzoeken om een versnelde procedure en voorlopige maatregelen, waaronder sancties voor niet-naleving van die maatregelen;

    4. herinnert eraan dat een lidstaat die van mening is dat een andere lidstaat een verplichting uit hoofde van de Verdragen niet is nagekomen, de zaak overeenkomstig artikel 259 VWEU aanhangig kan maken bij het HvJ-EU; verzoekt de lidstaten dit artikel met betrekking tot de wet in werking te laten treden indien de Commissie nalaat te handelen; verzoekt de lidstaten een interstatelijk verzoekschrift in te dienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot de aspecten die niet onder het EU-recht vallen;

    Lopende procedures in het kader van artikel 7, lid 1

    5. benadrukt dat de wet geen op zichzelf staand voorbeeld is, maar veeleer een volgend opzettelijk en vooropgezet voorbeeld van de geleidelijke afbraak van de grondrechten in Hongarije; benadrukt dat georganiseerde, door de staat gesteunde lhbtiq-fobie en desinformatiecampagnes instrumenten zijn geworden voor politieke censuur door de Hongaarse regering, en is van mening dat dit in strijd is met artikel 2 VEU; herinnert eraan dat de Europese Unie is uitgeroepen tot vrijheidszone voor LGBTIQ-personen[23];

    6. wijst erop dat schendingen van de mensenrechten van lhbtiq-personen deel uitmaken van een bredere politieke agenda die leidt tot de afbraak van de democratie en de rechtsstaat, zo ook mediavrijheid, en moeten worden beschouwd als systematische schendingen van artikel 2 VEU; herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 12 september 2018[24] reeds zijn bezorgdheid heeft geuit over het recht op gelijke behandeling en de vrijheid van meningsuiting;

    7. vindt het zeer zorgwekkend dat sinds het Parlement artikel 7, lid 1, in werking heeft gesteld, de situatie op het gebied van de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije verder is verslechterd; wijst op het gebrek aan actie en verantwoordelijkheid van de Raad in dit verband door de jaren heen;

    8. vindt het verheugend dat het Portugese voorzitterschap de eerste hoorzitting sinds 2019 heeft gehouden in het kader van artikel 7, lid 1, over de rechtsstaat in Hongarije, en is ingenomen met de verklaringen van achttien lidstaten waarin de wet wordt veroordeeld; benadrukt echter dat de dialoog tastbare resultaten moet opleveren op het gebied van maatregelen om de uitingen van de verslechtering van de grondrechten in Hongarije actief aan te pakken; herhaalt zijn verzoek aan de Raad om, als vervolg op de hoorzittingen, concrete aanbevelingen te doen aan Hongarije, zoals bepaald in artikel 7, lid 1, VEU, waaronder een aanbeveling om de wet in te trekken, en termijnen vast te stellen voor de uitvoering van die aanbevelingen; verzoekt het Sloveense voorzitterschap in september 2021 een hoorzitting over Hongarije te houden en zo spoedig mogelijk een stemming over de aanbevelingen in te plannen; merkt op dat de mensenrechten van lhbtiq-personen de afgelopen jaren geleidelijk zijn uitgekleed;

    9. herinnert eraan dat de Hongaarse Mediaraad op 2 maart 2021 een gerechtelijke procedure tegen mediagroep RTL Hungary heeft aangekondigd, naar aanleiding van de uitzending van de campagne “Familie is familie”; is van mening dat deze maatregelen censuur van media-inhoud en reclame zijn en derhalve in strijd zijn met de richtlijn audiovisuele mediadiensten; benadrukt dat een aantal omroepen in de EU de Commissie heeft verzocht inbreukprocedures in te leiden[25], samen met organisaties van het maatschappelijk middenveld; verzoekt de Commissie alle haar ter beschikking staande juridische instrumenten te gebruiken om de censuur van materiaal dat in overeenstemming is met de richtlijn audiovisuele mediadiensten, in samenhang met het Handvest, aan te pakken;

    10. vindt het uiterst zorgelijk dat de achteruitgang van de mediavrijheid ertoe leidt dat minderheden, onder wie lhbti-personen, vaker als zondebok worden aangewezen en als doelwit worden gebruikt;

    11. herinnert eraan dat de basiswet (grondwet) van Hongarije in december 2020 is gewijzigd om expliciet te stellen dat de moeder een vrouw is en dat de vader een man is en dat Hongarije het recht van kinderen beschermt om hun identiteit te bepalen in overeenstemming met hun geboortegeslacht, alsook hun recht op onderwijs volgens de grondwettelijke identiteit van het land en het waardesysteem dat is gebaseerd op de christelijke cultuur; merkt op dat het familierecht weliswaar een nationale bevoegdheid is, maar dat een dergelijke wijziging van de grondwet in combinatie met de vervolgwetgeving, waaronder de wet, meteen leidt tot een beperktere bescherming van de waarden als bedoeld in artikel 2 VEU; merkt op dat de Commissie van Venetië een advies heeft aangenomen over de grondwetswijzigingen die het Hongaarse parlement in december 2020 heeft aangenomen[26];

    12. herinnert eraan dat de Commissie van Venetië op 18 juni 2013 advies CDL‑AD(2013)022-e over het verbod op zogenaamde “propaganda voor homoseksualiteit” heeft aangenomen gezien de recente wetgeving in een aantal lidstaten van de Raad van Europa;

    13. herinnert eraan dat het Hongaarse parlement wetgeving heeft aangenomen die adoptie beperkt tot gehuwde stellen, waarbij adoptie de facto wordt verboden voor personen die een relatie hebben met iemand van hetzelfde geslacht, en voor alleenstaande en niet‑getrouwde personen, tenzij de minister van Gezinsbeleid daarvoor bijzondere toestemming verleent; benadrukt dat deze laatste voorwaarde een lid van de regering de mogelijkheid biedt om unilaterale besluiten te nemen op dit vlak;

    14. herinnert eraan dat de goedkeuring van artikel 33 van de Omnibuswet van 2020 de facto een verbod inhoudt op de wettelijke gendererkenning van transgenders en interseksuelen in Hongarije, waardoor hun recht op privacy wordt geschonden en zij worden blootgesteld aan discriminatie, hetgeen ernstige psychologische gevolgen kan hebben en hun recht om actief deel te nemen aan het maatschappelijk middenveld mogelijk beperkt; merkt op dat de nationale autoriteit voor gegevensbescherming en vrijheid van informatie een advies heeft uitgebracht over artikel 33, waarin wordt gesteld dat dit in strijd is met artikel 5, lid 1, punt d), van de algemene verordening gegevensbescherming[27]; wijst erop dat de Commissie tot dusver geen actie heeft ondernomen om deze kwestie aan te pakken; verzoekt de Commissie de zaak te onderzoeken en zo nodig gerechtelijke stappen te ondernemen; merkt op dat, hoewel het constitutioneel hof van Hongarije[28] delen van de wet ongrondwettig heeft bevonden, de overheid dit besluit nog steeds niet heeft uitgevoerd en aanvragen blijft afwijzen, zelfs indien deze vóór de inwerkingtreding van de wet zijn ingediend; merkt op dat dit een schending van de rechtsstaat vormt;

    15. veroordeelt het besluit van een consumentenbeschermingsautoriteit in Boedapest[29] om uitgevers te gelasten disclaimers af te drukken op kinderboeken waarin regenbooggezinnen voorkomen, aangezien deze boeken “gedragingen bevatten die onverenigbaar zijn met traditionele genderrollen”;

    16. spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de steeds beperktere ruimte voor niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) in Hongarije, met inbegrip van lhbtiq-ngo’s; is ingenomen met het arrest van het HvJ-EU in zaak C-78/18[30], waarin wordt verklaard dat bij Wet nr. LXXVI van 2017 inzake de transparantie van organisaties die steun uit het buitenland ontvangen, discriminerende en ongerechtvaardigde beperkingen zijn ingevoerd op buitenlandse donaties aan maatschappelijke organisaties, hetgeen in strijd is met de verplichtingen met betrekking tot het vrije verkeer van kapitaal, de eerbiediging van het privéleven, de bescherming van persoonsgegevens en de vrijheid van vereniging; wijst op de intrekking van die wet, maar maakt zich zorgen over nieuwe beperkingen voor de financiering van het maatschappelijk middenveld in Hongarije, zoals selectieve audits door de nationale rekenkamer en de verplichting om alle donoren op te geven in verslagen van algemeen nut die openbaar toegankelijk zijn; is van mening dat dergelijke beperkingen noch noodzakelijk noch evenredig zijn en niet in overeenstemming zijn met de jurisprudentie van het HvJ-EU of met de conclusies van het verslag over de financiering van verenigingen dat de Commissie van Venetië tijdens haar 118e plenaire vergadering van 15 en 16 maart 2019 heeft aangenomen;

    17. verklaart alles in het werk te zullen stellen om de rechten van het kind in de EU en daarbuiten te verdedigen; is van mening dat de bevordering van verdraagzaamheid, acceptatie en diversiteit, in plaats van de bevordering van lhbtiq-fobie en haat, moet dienen als leidend beginsel voor het waarborgen van de eerbiediging van de belangen van het kind; is in dat verband van mening dat het in verband brengen van seksuele gerichtheid en genderidentiteit met pedofilie of aanvallen op de rechten van het kind een duidelijke poging is om mensenrechtentaal in te zetten als instrument om discriminerend beleid tot stand te brengen; is van mening dat dit in strijd is met internationale mensenrechtenbeginselen en -normen;

    18. vindt het bezwaarlijk dat de wet lijkt op de Russische wet inzake lhbt-propaganda uit 2013, die ernstige schade heeft toegebracht aan de lhbtiq-gemeenschap in Rusland; verzoekt de Commissie verder onderzoek te doen naar de financiering van anti-lhbtiq-campagnes in de EU, die duidelijk een bedreiging vormen voor de democratie en de nationale veiligheid in de EU;

    Maatregelen die de Commissie moet nemen

    19. herhaalt zijn oproepen aan de Commissie en de Raad om nu eindelijk te onderkennen dat onverwijld actie moet worden ondernomen ter verdediging van de waarden zoals bedoeld in artikel 2 VEU, en toe te geven dat een lidstaat geen wijzigingen aan zijn wetgeving, inclusief de bepalingen van zijn grondwet, kan aanbrengen op een wijze die tot een verminderde bescherming van die waarden leidt[31]; wijst erop dat dit verboden is krachtens de Verdragen, zoals onlangs uitgelegd door het HvJ-EU in zaak C-896/19[32];

    20. is van mening dat de wet rechtstreeks indruist tegen de strategie voor gelijkheid van lhbtiq’ers van de Commissie; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de strategie in alle lidstaten van de EU op gelijke wijze wordt uitgevoerd;

    21. verzoekt de Raad en de Commissie de horizontale discriminatierichtlijn, die al meer dan tien jaar in de Raad geblokkeerd is, met spoed te deblokkeren[33];

    22. wijst erop dat er nog geen passende reactie is gekomen op het initiatief van het Parlement in verband met het instellen van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, dat door een interinstitutioneel akkoord tussen het Parlement, de Commissie en de Raad zou worden geregeld; verzoekt de Commissie en de Raad om onverwijld in onderhandeling te treden met het Parlement over een interinstitutioneel akkoord overeenkomstig artikel 295 VWEU;

    23. herhaalt zijn standpunt over de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat, die op 1 januari 2021 in werking is getreden en in al haar onderdelen rechtstreeks toepasselijk is in de Europese Unie en al haar lidstaten voor alle middelen van de EU-begroting, inclusief de middelen die sindsdien via het EU-herstelinstrument zijn toegewezen;

    24. herinnert eraan dat de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat een duidelijke definitie van de rechtsstaat geeft die nauw verband houdt met de andere waarden van de Unie, waaronder de grondrechten en non-discriminatie; is van mening dat door de staat gesteunde discriminatie van minderheden rechtstreekse gevolgen heeft voor de selectie van de projecten waaraan de lidstaten EU-middelen besteden, en derhalve rechtstreekse gevolgen hebben voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie; verzoekt de Commissie onmiddellijk de procedure als bedoeld in artikel 6, lid 1, van de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat in te leiden;

    25. is van mening dat er ernstige twijfel bestaat over de capaciteit van de Hongaarse autoriteiten om EU-middelen op niet-discriminerende wijze en in overeenstemming met het Handvest te beheren; roept de Commissie op de aanneming van de wet te beoordelen in verband met de horizontale randvoorwaarde waarmee wordt gegarandeerd dat Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visa[34] (verordening gemeenschappelijke bepalingen) in overeenstemming is met het Handvest; verzoekt de Commissie de maatregelen te nemen waarin de verordening gemeenschappelijke bepalingen voorziet met betrekking tot uitgaven in verband met de desbetreffende fondsen en erop toe te zien dat de partnerschapsovereenkomst en programma’s voor Hongarije voor de periode 2021-2027 niet worden goedgekeurd totdat volledige naleving van de horizontale randvoorwaarde in verband met de naleving van het Handvest is gewaarborgd, zoals bepaald in de artikelen van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen; herinnert eraan dat elke handeling van de Commissie die niet in overeenstemming is met het EU-recht kan worden aangevochten bij het HvJ-EU;

    26. uit zijn ernstige bezorgdheid over de verenigbaarheid van het ontwerp van het Hongaarse herstel- en veerkrachtplan met Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit[35] en met het Handvest; verzoekt de Commissie en de Raad alle in het ontwerp van het Hongaarse herstel- en veerkrachtplan geschetste maatregelen zorgvuldig te analyseren en het plan alleen goed te keuren indien wordt vastgesteld dat het niet bijdraagt tot de tenuitvoerlegging van de wet en er vervolgens toe leidt dat de EU-begroting actief bijdraagt aan schendingen van de grondrechten in Hongarije;

    27. wijst erop dat lhbtiq-rechten mensenrechten zijn; herhaalt zijn oproep aan de lidstaten, met name Hongarije, om ervoor te zorgen dat de bestaande wetgeving inzake onderwijs en informatie die beschikbaar is voor minderjarigen volledig in overeenstemming is met de grondrechten die zijn verankerd in het EU-recht en het internationaal recht, en om te zorgen voor toegang tot uitgebreide seksuele en relationele voorlichting die wetenschappelijk correct, onderbouwd, op de leeftijd afgestemd en oordeelvrij is; herinnert eraan dat de gepubliceerde informatie een weerspiegeling moet vormen van de diverse seksuele gerichtheden, genderidentiteiten, genderexpressies en geslachtskenmerken, teneinde desinformatie op basis van stereotypen of vooroordelen tegen te gaan; verzoekt de Commissie al het nodige te doen om erop toe te zien dat de grondrechten in Hongarije worden geëerbiedigd; verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten zich uit te spreken tegen lhbtiq-fobe haatzaaiende uitlatingen, met name van regeringen en politici;

    °

    ° °

    28. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad, de Commissie en het Comité van de Regio’s.

     

    Laatst bijgewerkt op: 12 juli 2021
    Juridische mededeling - Privacybeleid