Procedure : 2021/2784(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0428/2021

Ingediende teksten :

B9-0428/2021

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0387

<Date>{08/09/2021}8.9.2021</Date>
<NoDocSe>B9‑0428/2021</NoDocSe>
PDF 149kWORD 50k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van een verklaring van de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over plannen en acties om de overgang naar innovatie te versnellen zonder dieren te gebruiken voor onderzoek, voorgeschreven proeven en onderwijs</Titre>

<DocRef>(2021/2784(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Tilly Metz, Caroline Roose, Francisco Guerreiro, Martin Häusling, Sylwia Spurek, Thomas Waitz, Sarah Wiener</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0425/2021

B9‑0428/2021

Resolutie van het Europees Parlement over plannen en acties om de overgang naar innovatie te versnellen zonder dieren te gebruiken voor onderzoek, voorgeschreven proeven en onderwijs

(2021/2784(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de artikelen 13 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

 gezien Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt[1],

 gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH),

 gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad[2],

 gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden[3],

 gezien Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten[4],

 gezien de conclusies van de Raad van 15 maart 2021, getiteld “EU-strategie voor duurzame chemische stoffen: tijd voor resultaten” (6941/21),

 gezien het verslag van de Commissie van 5 februari 2020 inzake de statistische gegevens over het gebruik van dieren voor wetenschappelijke doeleinden in de lidstaten van de Europese Unie tijdens de jaren 2015-2017 (COM (2020)0016),

 gezien de mededeling van de Commissie van 30 september 2020 over een nieuwe EOR voor onderzoek en innovatie (COM(2020)0628),

 gezien de mededeling van de Commissie van 25 november 2020 over een farmaceutische strategie voor Europa (COM(2020)0761),

 gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019, getiteld “De Europese Green Deal”(COM(2019)0640),

 gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2020, getiteld “Het moment van Europa: herstel en voorbereiding voor de volgende generatie” (COM(2020)0456),

 gezien het beleidsplan en actieprogramma van de Europese Gemeenschap op het gebied van het milieu en de duurzame ontwikkeling “Op weg naar duurzame ontwikkeling” (beter bekend als het vijfde milieuactieprogramma van de EG) van 1993,

 gezien zijn resolutie van 10 juli 2020 over de strategie voor duurzaam gebruik van chemische stoffen[5],

 gezien Speciale Eurobarometer nr. 340 over wetenschap en technologie,

 gezien het tweede tussentijdse verslag inzake de onlineraadpleging over de toekomst van Europa, en de belangrijkste conclusies van de burgerdialogen en burgerraadplegingen,

 gezien de mededeling van de Commissie van 3 juni 2015 over het Europees burgerinitiatief “Stop Vivisectie” (C(2015)3773),

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat in Richtlijn 2010/63/EU betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt, het einddoel is vastgesteld “om de tests op levende dieren [...] volledig door andere procedures te vervangen zodra dit wetenschappelijk mogelijk zal blijken”, en wordt onderstreept dat het gebruik van dieren voor dergelijke doeleinden alleen mag worden overwogen als een alternatief voor dierproeven niet voorhanden is;

B. overwegende dat uit door de Commissie bekendgemaakte gegevens blijkt dat het totale aantal dieren dat voor wetenschappelijke doeleinden is gebruikt, de afgelopen 11 jaar niet merkbaar is gedaald; overwegende dat bovendien uit de in februari 2020 bekendgemaakte gegevens van de Commissie blijkt dat slechts sprake is van een zeer bescheiden afname van het aantal voor het eerst gebruikte dieren, van 9,59 miljoen in 2015 tot 9,39 miljoen in 2017, en dat deze afname over de jaren niet constant is;

C. overwegende dat er in 2017 9,58 miljoen meldingen zijn gemaakt van het gebruik van dieren voor wetenschappelijke doeleinden; overwegende dat het voornaamste doel onderzoek was (69 %), gevolgd door gebruik op grond van regelgeving (23 %) en routineproductie (5 %); overwegende dat de meeste op grond van regelgeving uitgevoerde testen betrekking hadden op medische producten voor mensen (61 %), gevolgd door diergeneesmiddelen (15 %) en industriële chemische stoffen (11 %)[1];

D. overwegende dat dieren nog steeds worden gebruikt in gevallen waarin reeds gevalideerde alternatieven beschikbaar zijn, en dat in een aantal van deze gevallen het gebruik van dieren zelfs is toegenomen;

E. overwegende dat het instrumentarium van dierproefvrije modellen groter is geworden en dat hieruit blijkt dat het mogelijk is ons begrip van ziekten te verbeteren en de ontdekking van doeltreffende behandelingen te bespoedigen; overwegende dat dit instrumentarium bijvoorbeeld nieuwe orgaanchiptechnologie, geavanceerde computersimulaties, 3D-culturen van menselijke cellen en andere moderne modellen en technologieën omvat;

F. overwegende dat het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie een reeks verslagen heeft opgesteld waarin geavanceerde dierproefvrije modellen op zeven ziektegebieden worden opgesomd en beschreven om de ontwikkeling van deze technologieën te versnellen;

G. overwegende dat het officiële standpunt van de EU erin bestaat dierproefvrije methoden sterk aan te moedigen, maar dat bureaucratische belemmeringen de aanvaarding ervan in de weg staan, dat het gebruik ervan niet naar behoren wordt afgedwongen en de financiering voor de ontwikkeling ervan ontoereikend blijft hetgeen leidt tot een onaanvaardbaar langzame overgang naar het gebruik van dierproefvrije methoden die niet strookt met het streven van de EU;

H. overwegende dat de EU-burgers de beëindiging van het gebruik van dieren voor wetenschappelijke doeleinden voortdurend hebben ondersteund, en dat een verschuiving naar een moderne, voor de mens relevante, dierproefvrije wetenschap op het gebied van onderzoek, voorgeschreven proeven en onderwijs cruciaal zal zijn om op deze zorgen van de burgers in te gaan;

I. overwegende dat binnen de Commissie de directoraten-generaal Milieu (DG ENV), Gezondheid en Voedselveiligheid (DG SANTE), Interne Markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf (DG GROW), Onderzoek en Innovatie (DG RTD) en het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (DG JRC) allemaal bevoegd zijn voor verschillende gebieden van dieronderzoek en dierproeven, maar dat er geen formeel coördinatiemechanisme bestaat dat zorgt voor actieve en coherente inspanningen om het gebruik van dieren volledig te vervangen;

J. overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) strategieën hebben ingevoerd voor een actieve vermindering en vervanging van dierproeven, maar dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) geen verminderings- en vervangingsstrategie heeft; overwegende dat de EFSA ernaar streeft tegen 2027 een groot deel van haar verzoeken om extra gegevens op alternatieve methoden te baseren; overwegende dat het ECHA verklaart dat onmiddellijke gerichte investeringen nodig zijn om doeltreffende, dierproefvrije, voorspellende toxicologische methoden te ontwikkelen en regelgevingsdoelstellingen rechtstreeks te ondersteunen; overwegende dat het gebruik van bestaande alternatieven ter ondersteuning van de invoering van de strategie voor duurzame chemische stoffen moet worden bespoedigd; overwegende dat de toegenomen samenwerking en uitwisseling tussen de EFSA, het EMA en het ECHA over dierproefvrije methoden kan leiden tot een harmonisatie van het streven en de vooruitgang op het stuk van de doeleinden inzake vermindering en vervanging;

K. overwegende dat steeds meer wetenschappelijke publicaties kritisch staan tegenover de validiteit, betrouwbaarheid en voorspellende waarde van dierproeven ten aanzien van de resultaten bij de mens en het begrip van de menselijke fysiologie; overwegende dat dit een van de factoren is voor de hoge percentages slechte resultaten van medicijnen tijdens de therapeutische ontwikkeling;

L. overwegende dat de uitfasering van dierproeven voor cosmetische producten in de EU met duidelijke, in de cosmeticaverordening vastgelegde termijnen de stimulans heeft gevormd voor innovatie in EU-bedrijven op het niveau van de wereldhandel en steun heeft gekregen in de bevolking; overwegende evenwel dat de cosmeticaverordening niet de bescherming van de werknemers of het milieu omvat hetgeen inhoudt dat nog steeds dierproeven worden gebruikt voor ingrediënten die uitsluitend in cosmetica worden gebruikt in verband met deze aspecten; overwegende dat deze inconsistenties de oorspronkelijke politieke bedoeling van die verordening op losse schroeven zetten, te weten een verbod op dierproeven voor cosmetische ingrediënten;

M. overwegende dat de vervanging van dierproeven door geavanceerde dierproefvrije methoden van essentieel belang zal zijn voor het verwezenlijken van de ambitieuze gezondheids- en milieudoelen die de Commissie heeft uiteengezet in NextGenerationEU en de Europese Green Deal, met inbegrip van de strategie voor duurzame chemische stoffen;

1. onderstreept dat de vervanging van dierproeven door betrouwbaardere alternatieve testmethoden en -strategieën noodzakelijk is niet alleen voor het dierenwelzijn, maar ook voor de betere bescherming van de menselijke gezondheid;

2. doet een beroep op de Commissie om een interdepartementale tasforce op te richten teneinde een EU-breed actieplan op te stellen ter bevordering van een actieve en gecoördineerde uitfasering van het gebruik van dieren voor wetenschappelijke doeleinden; dringt erop aan dat lidstaten en betrokken belanghebbenden van deze taskforce deel uitmaken, met inbegrip van belanghebbenden binnen de Commissie, met name DG ENV, DG JRC, DG SANTE, DG GROW, DG CONNECT en DG RTD, alsmede de agentschappen ECHA, EMA en EFSA; dringt erop aan dat het actieplan tegen eind 2022 wordt ontwikkeld en dat hiertoe regelmatige verslaglegging aan het Europees Parlement behoort, alsmede een regelmatige herziening naar gelang van de geboekte vooruitgang;

3. betuigt zijn nadrukkelijke steun voor Richtlijn 2010/63/EU en de geboekte vooruitgang, met name de hierin opgenomen normen voor huisvesting en verzorging, alsmede de strikte rapportagevoorschriften inzake het aantal en de ernst van de procedures, maar benadrukt dat de richtlijn, in het licht van de langzame vooruitgang, moet worden versterkt door een actieplan ter vervanging en vermindering vergezeld van concrete doelstellingen;

4. onderstreept dat dit actieplan ambitieuze, maar haalbare doelstellingen moet omvatten, vergezeld van indicatoren, zoals ook het geval is op andere beleidsterreinen van de EU, en gebruik moet maken van de statistische databank van de EU ALURES als referentiepunt; dringt aan op duidelijke streefcijfers die in het kader van de overkoepelende doelstelling inzake vermindering en vervanging moet worden vastgesteld;

5. benadrukt dat het actieplan concrete en gecoördineerde acties moet bevatten die leiden tot een absolute vermindering van het aantal dieren dat voor wetenschappelijke doeleinden wordt gebruikt, en die op de lange termijn moet worden gehandhaafd;

6. beklemtoont dat het plan onder meer voorstellen moet bevatten voor een betere tenuitvoerlegging en handhaving van de bestaande voorschriften; herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 13 van de Reach-verordening de voorschriften inzake de testmethoden moeten worden geactualiseerd zodra dierproefvrije methoden beschikbaar worden;  verzoekt de Commissie haar toezegging inzake de groepering van stoffen en de aanwending van algemene risicobeoordelingen volledig na te komen als belangrijke middelen om de menselijke gezondheid beter te beschermen en dierproeven terug te dringen; dringt er bij de Commissie op aan, in overleg met de betrokken agentschappen, met name het ECHA en de EFSA, reductiedoelstellingen vast te stellen door middel van een proactievere tenuitvoerlegging van de huidige regelgeving inzake de veiligheid van chemische stoffen en andere producten, en de reductiedoelstellingen te ondersteunen door gebruik te maken van een volledig verbonden en interoperabele EU-databank inzake de veiligheid van chemische stoffen;

7. benadrukt dat het actieplan mechanismen moet omvatten om te zorgen voor de preferentiële en toereikende financiering en het gebruik van dierproefvrije methoden in alle onderzoeks- en innovatie-initiatieven van de EU; onderstreept in dit verband het belang van de missie inzake kanker van Horizon Europa en het Europees partnerschap voor de beoordeling van chemische risico’s;

8. onderstreept dat de lopende inspanningen voor een betere coördinatie van het onderzoeks- en innovatiebeleid van de lidstaten, alsmede de uitvoering van Horizon Europa, mogelijkheden bieden om dierproeven in de gehele EU sneller terug te dringen, met name in het kader van door de EU gefinancierde acties; onderstreept dat de huidige verdieping van de Europese onderzoeksruimte de uitfasering van het gebruik van dieren als prioritaire actie op de lange termijn moet omvatten, met name in het kader van de uitvoering van strategische doelstelling 1 (Prioriteit toekennen aan investeringen en hervormingen) en strategische doelstelling 3 (Vertalen van O&I-resultaten naar de economie);

9. dringt er bij de Commissie op aan samen met de lidstaten te werken aan de opneming van een reeks acties om onderzoekers, technici en deskundigen in veiligheidsbeoordeling bekend te maken met, op te leiden en bij te scholen in het gebruik van geavanceerde dierproefvrije modellen, en het bewustzijn omtrent gevalideerde, dierproefvrije modellen te verbeteren onder degenen die betrokken zijn bij de beoordeling van projectvoorstellen en de toewijzing van financiële middelen;

10. onderstreept dat het actieplan moet stroken met het streven van de Commissie inzake het terugdringen van de vervuiling tot nul ten behoeve van een gifvrij milieu, met inbegrip van lucht, water en bodem, en het beschermen van de gezondheid en het welzijn van de burgers tegen milieugerelateerde risico’s en gevolgen;

11. verzoekt de Commissie dierproefvrije methoden in internationale fora te propageren en de ontwikkeling en toepassing van dierproefvrije methoden in de wereld aan te moedigen;

12. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

[1] PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33.

[2] PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

[3] PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

[4] PB L 342 van 22.12.2009, blz. 59.

[5] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0201.

[1] Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad: verslag uit 2019 inzake de statistische gegevens over het gebruik van dieren voor wetenschappelijke doeleinden in de lidstaten van de Europese Unie tijdens de jaren 2015-2017, blz. 16 (COM (2020)0016),

https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52020DC0016&from=NL

Laatst bijgewerkt op: 12 september 2021Juridische mededeling - Privacybeleid