ONTWERPRESOLUTIE over de resultaten van de modernisering van het Verdrag inzake het Energiehandvest
21.11.2022 - (2022/2934(RSP))
ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement
Danuta Maria Hübner, Maria da Graça Carvalho
namens de PPE-Fractie
B9‑0510/2022
Resolutie van het Europees Parlement over de resultaten van de modernisering van het Verdrag inzake het Energiehandvest
Het Europees Parlement,
– gezien het Verdrag inzake het Energiehandvest van 1994,
– gezien het voorstel voor een besluit van de Raad van 5 oktober 2022 betreffende het tijdens de 33e vergadering van de Conferentie over het Energiehandvest namens de Europese Unie in te nemen standpunt COM(2022)0521),
– gezien het voorstel voor een besluit van de Raad van 5 oktober 2022 betreffende het tijdens de 33e vergadering van de Conferentie over het Energiehandvest namens Euratom in te nemen standpunt (COM(2022)0522),
– gezien het in 2017 gestarte moderniseringsproces van het Verdrag inzake het Energiehandvest (EHV) en het tekstvoorstel van de EU daarover,
– gezien de mededeling van de Commissie van 5 oktober 2022 inzake overeenstemming tussen de lidstaten, de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie met betrekking tot de uitlegging van het Verdrag inzake het Energiehandvest (COM(2022)0523),
– gezien het beginselakkoord over het gemoderniseerde ontwerpverdrag inzake het Energiehandvest van 24 juni 2022,
– gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 September 2021 in zaak C-741/19 (prejudiciële beslissing over Republiek Moldavië/Komstroy LLC)[1],
– gezien het mandaat dat in 2017 aan werkgroep III van de VN-Commissie voor internationaal handelsrecht (Uncitral) is gegeven om te werken aan een hervorming van de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten (ISDS),
– gezien de in 2018 door de Raad vastgestelde onderhandelingsrichtsnoeren waarbij de Commissie wordt gemachtigd om namens de EU en in het kader van Uncitral te onderhandelen over een verdrag tot oprichting van een multilateraal gerecht voor de beslechting van investeringsgeschillen, en het daaropvolgende EU-voorstel daarover,
– gezien de politieke beleidslijnen voor de Europese Commissie 2019-2024 getiteld “Een Unie die de lat hoger legt: Mijn agenda voor Europa”,
– gezien de Overeenkomst die op de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering op 12 december 2015 in Parijs is aangenomen (de Overeenkomst van Parijs),
– gezien de handels- en investeringsovereenkomsten die de EU heeft gesloten, met name de “tweede-generatie-overeenkomsten” met Canada, Singapore, Vietnam en Japan,
– gezien de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds[2], die op 1 mei 2021 in werking is getreden, en met name titel II over diensten en investeringen,
– gezien artikel 115 van zijn Reglement,
– gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de Commissie namens de EU en haar lidstaten heeft onderhandeld over een modernisering van het Verdrag inzake het Energiehandvest (EHV) van 1994, waarmee onder meer de investeringsbeschermingsnormen van het EHV en de mechanismen voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten worden hervormd en landen uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt geboden regelgevingsmaatregelen te nemen, bijvoorbeeld om redenen die verband houden met milieubescherming of klimaatactie;
B. overwegende dat de Conferentie over het Energiehandvest (“Conferentie”) tijdens haar 33e vergadering op 22 november 2022 naar verwachting de besluiten in verband met de modernisering van het EHV zal goedkeuren met betrekking tot de inwerkingtreding en voorlopige toepassing van wijzigingen van de tekst van het EHV en veranderingen en/of wijzigingen van de bijlagen daarbij;
C. overwegende dat het aantal stemmen van de EU gelijk is aan het aantal van haar lidstaten die partij zijn bij het EHV; overwegende dat de lidstaten hun stemrecht alleen mogen uitoefenen als de EU haar stemrecht niet uitoefent;
D. overwegende dat de EU-lidstaten die partij zijn bij het EHV de overeenkomst over het gemoderniseerde EHV zullen moeten ratificeren overeenkomstig hun nationale ratificatieregels, los van de ratificatie door de EU, voor de onderdelen van het EHV die onder hun nationale bevoegdheid vallen;
E. overwegende dat Commissievoorzitter Ursula von der Leyen, in aansluiting op eerdere toezeggingen van de Commissie, in haar politieke beleidslijnen voor de volgende Commissie in 2019 heeft toegezegd “altijd voor [te] stellen om handelsovereenkomsten pas voorlopig toe te passen nadat het Europees Parlement daarmee heeft ingestemd”;
F. overwegende dat ongeveer 1 500 bilaterale investeringsverdragen die de lidstaten vóór het Verdrag van Lissabon hebben geratificeerd, nog steeds van kracht zijn en het oude model van investeringsbeschermingsregels bevatten, niet het expliciete recht bieden om milieu- en klimaatmitigatiemaatregelen te reguleren of daar uitzonderingen voor te maken, en het niet-hervormde systeem voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten toepassen, zoals ook het geval is bij het bestaande EHV; overwegende dat geen van de nieuwe internationale investeringsovereenkomsten (IIA’s) die gebaseerd zijn op een moderne aanpak waarover de EU sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon heeft onderhandeld, in werking is getreden;
1. is ingenomen met de inspanningen van de EU en haar lidstaten om het moderniseringsproces van het EHV te stimuleren, met name wat betreft het moderniseren van de normen voor investeringsbescherming, met inbegrip van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, het bevorderen van duurzame ontwikkeling en het beperken van de bescherming die wordt geboden voor nieuwe en bestaande investeringen in fossiele brandstoffen;
2. erkent dat over het gemoderniseerde EHV is onderhandeld nadat de EU-lidstaten daar vanaf november 2018 sterk op hadden aangedrongen, teneinde de regels inzake investeringsbescherming te hervormen en het verdrag op de verbintenissen van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs af te stemmen; steunt de inspanningen om het EHV te moderniseren;
3. betreurt de uitkomst van de vergadering van het Comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper) van 18 november 2022; merkt op dat verscheidene lidstaten onlangs hebben aangekondigd voornemens te zijn zich uit het EHV terug te trekken;
4. is bezorgd over het feit dat, ondanks het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Republiek Moldavië/Komstroy LLC, waarin werd bepaald dat de arbitragebepalingen tussen investeerders en staten in het EHV niet van toepassing zijn op geschillen binnen de EU, arbiters de uitspraak herhaaldelijk zijn blijven negeren en geschillen binnen de EU zijn blijven behandelen; merkt op dat er meer dan veertig op het EHV gebaseerde investeringsarbitragezaken binnen de EU lopen; is ingenomen met de wijziging van de clausule inzake regionale organisaties voor economische integratie die in het gemoderniseerde EHV is opgenomen om arbitrage tussen EU-investeerders en -lidstaten te voorkomen; is ervan overtuigd dat de veiligste wettelijke manier om een einde te maken aan geschillen binnen de EU erin bestaat het EHV te moderniseren;
5. neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor een onderlinge overeenkomst over de niet-toepasselijkheid van het EHV op geschillen binnen de EU; herinnert eraan dat een dergelijke onderlinge overeenkomst pas relevant is als alle lidstaten er partij bij zijn; onderstreept dat de onderlinge overeenkomst niet van toepassing zal zijn op andere landen die partij zijn bij het EHV, zoals het Verenigd Koninkrijk, Zwitserland en Japan, waarvan de ondernemingen nog steeds vorderingen tegen EU-lidstaten kunnen instellen, ook al hebben die zich teruggetrokken uit het EHV, zolang de vervalbepaling van kracht is; is er nog steeds van overtuigd dat de veiligste wettelijke manier om een einde te maken aan geschillen binnen de EU erin bestaat het verdrag rechtstreeks te wijzigen, aangezien arbiters er herhaaldelijk voor hebben gekozen hun uitspraken uitsluitend te baseren op de interpretatie van het verdrag in plaats van een holistische benadering te volgen;
6. is ingenomen met het feit dat het moderniseringsproces het verdrag in overeenstemming zal brengen met de Overeenkomst van Parijs; erkent dat de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de EU kan worden geëerbiedigd, aangezien de gemoderniseerde regels de EU en haar lidstaten in staat stellen het vereiste klimaat- en energietransitiebeleid na te streven;
7. is van mening dat de EU een geloofwaardige onderhandelingspartner is geweest bij de EHV-onderhandelingen, met name door haar inspanningen om de rechten en plichten van alle partijen bij het verdrag in het kader van de Overeenkomst van Parijs uitdrukkelijk te bevestigen; is ingenomen met de opname van gemoderniseerde normen voor investeringsbescherming die in overeenstemming zijn met de hervormde aanpak van de EU en het “recht om te reguleren”, met name op het gebied van klimaatactie en de overgang naar schone energie;
8. onderstreept dat in een tijd waarin een versnelling van de wereldwijde investeringen in schone energie nodig is, een gemoderniseerd EHV het noodzakelijke rechtskader zou bieden om Europese energiebedrijven ertoe aan te zetten te investeren in hernieuwbare energie in andere landen die partij zijn bij het verdrag, waaronder veel ontwikkelingslanden, die afhankelijk zullen zijn van een sterke mobilisering van particuliere investeringen voor de overgang naar een schone economie;
9. onderschrijft het standpunt van de EU dat bescherming van investeringen in fossiele brandstoffen moet worden uitgesloten; is bezorgd over het feit dat als het gemoderniseerde EHV niet wordt aangenomen, alle lidstaten die deel blijven uitmaken van het EHV, bestaande en nieuwe investeringen in fossiele brandstoffen zullen blijven beschermen zonder een tijdshorizon voor de geleidelijke afschaffing van deze bescherming; is ingenomen met de voorgestelde uitzondering voor fossiele brandstoffen waarin het gemoderniseerde verdrag voorziet; merkt op dat nieuwe investeringen in fossiele brandstoffen in het kader van een gemoderniseerd EHV vanaf 15 augustus 2023 niet langer zullen worden beschermd en dat voor bestaande investeringen in fossiele brandstoffen een uitfaseringstermijn van tien jaar zal gelden, die zal ingaan zodra de EU het gemoderniseerde EHV voorlopig toepast; merkt op dat in het gemoderniseerde EHV 2040 als einddatum is vastgesteld, wanneer alle investeringen in fossiele brandstoffen niet langer beschermd zijn voor partijen bij het verdrag die voor de uitzondering hebben gekozen; merkt op dat partijen bij het verdrag die zich uit het EHV terugtrekken voordat de modernisering van kracht wordt, gebonden zullen blijven aan de vervalbepaling van twintig jaar, waarbij investeringen in fossiele brandstoffen beschermd zullen blijven uit hoofde van niet-gemoderniseerde ISDS-bepalingen; vestigt de aandacht op het feit dat er tegen Italië, hoewel het zich op 1 januari 2015 uit het EHV heeft teruggetrokken, na zijn terugtrekking nog zeven zaken zijn aangespannen in het kader van het mechanisme voor geschillenbeslechting van het EHV, waarvan de laatste in 2020;
10. is zeer bezorgd over het gebrek aan samenhang in het beleid van sommige lidstaten inzake IIA’s; stelt met bezorgdheid vast dat sommige lidstaten blijven onderhandelen over bilaterale investeringsverdragen die geen moderne normen voor investeringsbescherming bevatten in overeenstemming met de hervormde aanpak van de EU en waarin investeringen in fossiele brandstoffen nog steeds worden beschermd en niet wordt verwezen naar hun verplichtingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs; dringt er bij de lidstaten op aan een internationaal investeringsbeleid te voeren dat in overeenstemming is met het gemoderniseerde beleid van de EU; verzoekt de Commissie de lidstaten geen toestemming te verlenen om bilaterale investeringsovereenkomsten te sluiten die niet stroken met het hervormde investeringsbeleid van de EU;
11. steunt de lopende onderhandelingen in werkgroep III van Uncitral, waarin de EU en haar lidstaten streven naar de oprichting van het multilateraal investeringsgerecht (MIC), dat het bevoegde gerechtelijke orgaan zou worden voor de beslechting van internationale investeringsgeschillen; merkt op dat het MIC een belangrijke afwijking van het ISDS-systeem zou vormen; wijst erop dat het MIC, zodra het is opgericht, rechtstreeks van toepassing zal zijn op alle lopende bilaterale en multilaterale investeringsovereenkomsten – met inbegrip van het EHV – van de landen die zich erbij hebben aangesloten; herinnert eraan dat het MIC-systeem krachtens artikel 30, lid 3, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 1969 daarom voorrang zal hebben op ISDS-mechanismen; verzoekt de Commissie de onderhandelingen van werkgroep III van Uncitral zo spoedig mogelijk met succes af te ronden;
12. is daarom van mening dat de goedkeuring en ratificatie van de wijzigingen van het EHV de voorkeur verdienen boven een terugtrekking van de EU, met name gezien de gevolgen van de in het EHV vastgelegde vervalbepaling van twintig jaar;
13. verzoekt de Commissie en de EU-lidstaten als partijen bij het verdrag de goedkeuring van de modernisering van het EHV op 22 november te steunen en het gemoderniseerde EHV te ratificeren;
14. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.