ONTWERPRESOLUTIE over het Verslag over de rechtsstaat 2022 – Situatie op het gebied van de rechtsstaat in de Europese Unie
22.3.2023 - (2022/2898(RSP))
ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement
Patryk Jaki
namens de ECR-Fractie
B9‑0191/2023
Resolutie van het Europees Parlement over het Verslag over de rechtsstaat 2022 – Situatie op het gebied van de rechtsstaat in de Europese Unie
Het Europees Parlement,
– gezien de artikelen 2, 5 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),
– gezien het advies van de Juridische Dienst van de Raad van 27 mei 2014 over de verenigbaarheid van de mededeling van de Commissie over een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat met de Verdragen;
– gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de Unie gegrondvest is op de waarden van artikel 2 VEU; overwegende dat in artikel 2 VEU aan de Unie geen materiële bevoegdheden worden toegedeeld, maar slechts een aantal waarden worden opgesomd die zowel de instellingen van de Unie als haar lidstaten dienen te eerbiedigen wanneer zij optreden binnen de grenzen van de bevoegdheden die in de Verdragen aan hen zijn toegedeeld, en zonder inbreuk te maken op die grenzen; overwegende dat artikel 2 VEU niet alleen, en zelfs niet in de eerste plaats, van toepassing is op de lidstaten, maar vooral op de Europese Unie; overwegende dat de rechtsstaat voornamelijk betrekking moet hebben op de EU-instellingen;
B. overwegende dat de bevoegdheden van de Unie beperkt zijn door het beginsel van bevoegdheidstoedeling, wat betekent dat bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld, bevoegdheden van de lidstaten blijven;
C. overwegende dat alleen artikel 7 VEU voorziet in een bevoegdheid van de Unie om toezicht te houden op de handhaving van de rechtsstaat als een waarde van de Unie; overwegende dat artikel 7 VEU geen instrument instelt om de procedure die erin wordt beschreven, verder te ontwikkelen of te wijzigen;
D. overwegende dat het ontbreken van een overeengekomen definitie van de rechtsstaat en van één systeem voor de beoordeling van de naleving van de rechtsstaat op EU-niveau dat gelijkelijk wordt toegepast op alle lidstaten, betekent dat het begrip rechtsstaat verschillend wordt geïnterpreteerd van de ene lidstaat tot de andere;
E. overwegende dat het Verslag over de rechtsstaat 2022 aanbevelingen bevat voor elke lidstaat, hoewel de Commissie geen bevoegdheid heeft op dit gebied; overwegende dat aanbevelingen met betrekking tot de rechtsstaat alleen aan de lidstaten mogen worden gericht volgens de procedure van artikel 7, lid 1, VEU;
1. neemt nota van het derde jaarverslag van de Commissie over de rechtsstaat; is van mening dat de Commissie niet bevoegd is om een dergelijk verslag op te stellen;
2. stelt vast dat de rechtsstelsels, het corruptiebestrijdingskader, de pluriformiteit van de media en bepaalde institutionele kwesties met betrekking tot checks-and-balances allemaal deel uitmaken van het jaarlijkse overzicht van de Commissie van de situatie van de rechtsstaat in de lidstaten; merkt op dat de Commissie niet bevoegd is om te bepalen of de situatie in elke lidstaat wijst op een positieve of negatieve trend die als voorbeeld kan dienen voor andere lidstaten;
3. stelt vast dat er geen verbeteringen zijn ten opzichte van eerdere jaarverslagen; merkt op dat de Commissie nog steeds moeite heeft te definiëren wat de rechtsstaat is, aangezien in haar verslag over de rechtsstaat vele verschillende waarden worden beschreven die in artikel 2 VEU worden genoemd;
4. neemt kennis van de monitoring door de Commissie van de onafhankelijkheid, kwaliteit en efficiëntie van de rechtsstelsels van de lidstaten; is van mening dat de organisatie en werking van de overheidsorganen, met name het gerechtelijk apparaat, een van de gebieden is waarop de lidstaten geen bevoegdheden hebben overgedragen aan de EU, maar stelt vast dat de Commissie dit desondanks toch beoordeelt; betreurt de uitbreiding van de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de EU (HvJ-EU), waarmee het vertrouwen in de EU en de beginselen van evenredigheid en loyaliteit, die rechtstreeks voortvloeien uit de Verdragen, worden ondermijnd; veroordeelt het feit dat het HvJ-EU uitspraak doet buiten zijn bevoegdheid;
5. merkt met bezorgdheid op dat het verslag, naast verslaglegging over (objectieve) feiten, ook evaluerende (subjectieve) stellingen bevat, zonder dat deze duidelijk worden afgebakend; hekelt het feit dat de Commissie bij de beoordeling van soortgelijke wettelijke regelingen die van kracht zijn in verschillende lidstaten, vaak oplossingen in sommige lidstaten anders beoordeelt dan identieke oplossingen die reeds bestaan in andere lidstaten; veroordeelt de Commissie vanwege haar ongelijke behandeling van de in haar verslagen beschreven lidstaten;
6. dringt aan op een verslag over de rechtsstaat in de instellingen van de Unie, met inbegrip van misbruik van de bevoegdheden van de EU, lobbying, begunstiging van geselecteerde landen of bedrijven en onaanvaardbare ideologische vooroordelen; betreurt het feit dat het HvJ-EU zijn bevoegdheden uit hoofde van het Verdrag steeds meer overschrijdt en vonnissen velt ultra vires; steunt de toenemende weerstand bij sommige lidstaten om uitvoering te geven aan arresten van het HvJ-EU met als argument dat deze arresten inbreuk maken op hun soevereiniteit of ongrondwettig zijn; is van oordeel dat deze ontwikkelingen in het HvJ-EU een systemische bedreiging vormen voor het voortbestaan van de Unie; is daarom van mening dat in de beoordelingen van de toekomstige jaarverslagen het aanvechten door het HvJ-EU van de juridische structuur en de beginselen van de Unie moet worden aangemerkt als een ernstige schending;
7. benadrukt dat de deelname van de lidstaten aan de jaarlijkse dialoog over de rechtsstaat van de Commissie niet verplicht is; spreekt zijn begrip uit voor de lidstaten die besloten hebben de samenwerking met de Commissie op te schorten, met name vanwege haar methodologische fouten bij de opstelling van de verslagen en haar ongelijke behandeling van verschillende lidstaten;
8. verzoekt de Commissie niet langer op te treden onder het voorwendsel de rechtsstaat en de grondrechten te beschermen om politieke druk uit te oefenen op bepaalde lidstaten om democratisch goedgekeurde maatregelen te wijzigen die vallen onder de bevoegdheid van de lidstaten;
9. benadrukt dat de enige mogelijkheid voor inmenging door de Unie in aangelegenheden in verband met de eerbiediging door de lidstaten van de waarden van de Unie als zodanig artikel 7 VEU is; benadrukt dat artikel 7 VEU volledig en uitputtend is; erkent de leidende rol van de Raad in lopende procedures uit hoofde van artikel 7 VEU;
10. beklemtoont dat tot op heden bij geen enkele lidstaat een schending van de waarden van artikel 2 VEU is vastgesteld en dat zelfs bij geen enkele lidstaat een ernstig risico van schending van deze waarden is vastgesteld; betreurt ten zeerste het feit dat de Raad de stemming ontwijkt waarin in de procedure van artikel 7, lid 1, VEU is voorzien; onderstreept dat deze procedure niet onnodig mag worden verlengd; dringt erop aan dat de Raad een stemming plant en zo de procedure afrondt;
11. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten.