Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

 Index 
Debatten
Woensdag 17 januari 2001 - Straatsburg Uitgave PB
1. Gebruik van verarmd uranium in Bosnië en Kosovo ("Balkansyndroom")
 2. Snellereactiefaciliteit
 3. Korea
 4. STEMMING
 5. Prioriteiten van de Raad met het oog op de zitting van de Commissie voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties te Genève
 6. Werkprogramma van het Zweeds voorzitterschap
 7. Vragenuur (Raad)
 8. Burgerluchtvaart
 9. Prioriteiten op het gebied van verkeersveiligheid
 10. Intermodaliteit en intermodaal vrachtvervoer
 11. Tarifering van de vervoersinfrastructuur


  

VOORZITTER: MEVROUW FONTAINE
Voorzitter

(De vergadering wordt om 9.00 uur geopend)(1)

 
  

(1) Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering – Van de Raad ontvangen Verdragsteksten: zie notulen.

1. Gebruik van verarmd uranium in Bosnië en Kosovo ("Balkansyndroom")
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde zijn de verklaringen van de Raad en van de Commissie inzake het gebruik van verarmd uranium in Bosnië en Kosovo.

Ik geef direct het woord aan de fungerend voorzitter van de Raad, de heer Danielsson.

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson, Raad. - (SV) Mevrouw de Voorzitter, geachte afgevaardigden en leden van de Commissie, de berichten over gezondheidsrisico's voor de bevolking en voor personeel van vredesmissies op de Balkan en over eventuele gevolgen van verarmd uranium voor het milieu hebben in Europa tot grote ongerustheid geleid. Die ongerustheid moeten we zeer serieus nemen. Deze kwestie moet worden onderzocht door organisaties en instellingen die competent zijn op dit gebied.

In november van het vorig jaar brachten vertegenwoordigers van het milieuprogramma van de Verenigde Naties (het UNEP) en van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (het IAEA) een bezoek aan Kosovo. Het UNEP werkt al een tijd aan een rapport over de toxicologische en radiologische gevolgen van het gebruik van verarmd uranium op de Balkan. Wij zien uit naar de publicatie van dit rapport, en van het rapport over hetzelfde onderwerp dat de Wereldgezondheidsorganisatie (de WHO) op dit moment aan het samenstellen is.

De kwestie van mogelijke gezondheidsrisico's voor de soldaten die betrokken zijn bij vredesmissies op de Balkan is primair een verantwoordelijkheid van de NAVO en de deelnemende landen. De EU-landen die aan deze missies deelnemen, doen dat op grond van nationale besluiten. Om de grootst mogelijke openheid in dezen te bereiken, wordt er echter van gedachten gewisseld door de relevante besluitvormende organen. Tijdens de Raad Algemene Zaken van 22 januari zal er tijdens de lunch over dit onderwerp worden gediscussieerd.

Dit herinnert ons er ook aan, hoe belangrijk het is dat de milieu- en gezondheidseffecten van militaire crisisbeheersingsmissies worden bediscussieerd, nu de EU bezig is haar vermogen tot crisisbeheersing op te voeren. Dat is een natuurlijk deel van de werkzaamheden van een crisisbeheersingsorganisatie, en die werkzaamheden vinden zowel binnen de NAVO plaats als binnen de WEU en de VN.

De kwestie van eventuele gevolgen van verarmd uranium voor het milieu en de gezondheid vestigt bovendien de aandacht op een heel belangrijke zaak: de algemene milieuproblematiek op de Balkan. De bevolking van Kosovo, Joegoslavië en overige door oorlog getroffen landen op de Balkan zijn blootgesteld aan zware beproevingen, met tragische en langdurige gevolgen. Het is in het belang van Europa om deze gevolgen te boven te komen, in samenwerking met de regeringen in de regio, die alle democratisch zijn en naar vrede streven. Via de hulpprogramma’s steunt de EU de landen in deze regio in hun streven hun milieuproblemen tot een oplossing te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Solana, Raad.(ES) Mevrouw de Voorzitter, geachte leden, het verheugt me ten zeerste dat ik hier de kans krijg een onderwerp te behandelen dat zoals wij allen weten voor het Europees Parlement zeer terecht de allerhoogste prioriteit heeft. Het is niet meer dan billijk dat wij ons bekommeren om de gezondheid van onze militairen, van de burgers van de Balkanlanden en het personeel van de communautaire instellingen, de NGO’s, de internationale organisaties en de lidstaten die actief zijn in de regio. Vandaar dat de gezondheid van al deze mensen ook mij ten zeerste aan het hart gaat.

Ik wil dan ook in de eerste plaats mijn steun betuigen aan al diegenen die kampen met gezondheidsproblemen, aan hun familie en de mensen die een ziekte hebben opgelopen. Dit zijn de feiten en al deze mensen verdienen de best mogelijke zorg. Zij hebben per direct recht op een verklaring voor de situatie waarin zij verkeren en daar zullen wij ons voor honderd procent voor inzetten. Het is eenieders plicht om ervoor te zorgen dat die verklaring er komt.

Mevrouw de Voorzitter, geachte leden, ik sta hier voor u in mijn hoedanigheid van secretaris-generaal van de Raad en als de Hoge Vertegenwoordiger van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie. Ik zal deze door u als zorgelijk ervaren kwesties benaderen vanuit het perspectief van de Raad.

Ik wil vooraleerst nogmaals getuigen van mijn persoonlijke betrokkenheid en die van alle leden van de Raad met de Balkanregio. Ik ben ervan overtuigd dat de Raad alles zal doen wat in zijn macht ligt om de onderste steen boven te krijgen.

Onze lidstaten zijn democratieën, zij hebben niets te verbergen. Wij zullen alles wat wij te weten komen onmiddellijk doorgeven aan het Parlement.

Mevrouw de Voorzitter, geachte leden, er moet worden nagegaan of er verband bestaat tussen het gebruik van deze munitie en de ziektes waarover wij geïnformeerd worden door de troepen en de militairen van de vredesmacht in de Balkan. Bestaat er zo’n verband of verschilt het meegedeelde ziektebeeld in niets van dat van de niet bij dit conflict betrokken soldaten?

Dat is de cruciale vraag waarop wij een antwoord schuldig zijn.

En om tot een duidelijk antwoord te komen, moeten wij zo rationeel mogelijk te werk gaan. Dan dient de volgende stelling zich aan: indien er inderdaad sprake is van een syndroom in de etymologische betekenis van het woord, zouden alle slachtoffers dezelfde symptomen moeten vertonen, symptomen die zich gelijkelijk in de tijd ontwikkelen en tot analoge gevolgen leiden. Dat is namelijk wat wij verstaan onder een syndroom. Naar deze gegevens moeten wij in alle openheid en duidelijkheid op zoek gaan.

Voor al diegenen die de waarheid aan het licht willen brengen, geldt dat hun conclusies gestoeld dienen te zijn op feiten, en niet op louter vermoedens. Om deze feiten te kunnen bestuderen, moeten wij toegang hebben tot alle beschikbare informatie. Ik wil hier nadrukkelijk wijzen op de noodzaak van openheid en transparantie. Zodra wij de feiten boven water hebben, dienen zij op zo’n manier geanalyseerd te worden dat alle hieruit voortvloeiende onderzoeksresultaten bij publicatie rust en vertrouwen inboezemen. Dat zal onze werkwijze zijn.

Deze openheid en transparantie moeten wij ons allen eigen maken. Zij moeten de heersende norm zijn in de lidstaten van de Europese Unie en in het verkeer tussen de lidstaten en het Bondgenootschap en tussen het Bondgenootschap en de partners van de vredesmissie in de Balkan. En, uiteraard, in de contacten tussen de regeringen in de regio.

Vandaar, geachte leden, dat het Politiek en Veiligheidscomité dit onderwerp op 9 januari heeft behandeld. Zoals het fungerend voorzitterschap al zei, hebben de lidstaten bij die gelegenheid beurtelings hun bezorgdheid geuit en de door hen getroffen maatregelen op een rijtje gezet. Men was het er in principe over eens dat het Bondgenootschap, dat de leiding had tijdens de Balkancrisis, de aangewezen instantie is om bij de betrokken landen informatie te verzamelen over het gebruik van verarmd uranium, over de plaatsen waar de militaire contingenten waren gelegerd en over de medische gegevens die binnen deze context beschikbaar zijn.

Zoals u weet, heeft ook de Commissie bij die bijeenkomst de maatregelen toegelicht die zij in petto had en ik ben er dan ook van overtuigd dat de Commissie ons vandaag bij monde van commissaris Wallström of één van haar collega’s zal meedelen welke maatregelen definitief zijn goedgekeurd.

Ik kan u wel zeggen dat ik mij zodra dit onderwerp actueel werd persoonlijk in contact heb gesteld met de secretaris-generaal van het Bondgenootschap. Vanaf dat moment heeft het contact zich ononderbroken voortgezet en zowel zijn medewerkers als de medewerkers van de Raad zien erop toe dat zij elkaar zo mogelijk van de laatste gebeurtenissen op de hoogte houden.

Ik zal u even kort de maatregelen in herinnering brengen die het Bondgenootschap tijdens de vergadering van 10 januari heeft getroffen. Ten eerste heeft men besloten tot een bijeenkomst van nationale, militaire medische deskundigen die zo ideeën, ervaringen, doelstellingen, etcetera kunnen uitwisselen. Ten tweede is er per onmiddellijk een werkgroep opgericht die een spilfunctie heeft bij het verstrekken en uitwisselen van informatie. Belangrijk hierbij is dat deze werkgroep niet alleen openstaat voor NAVO-leden maar ook voor al die landen die op enigerlei wijze betrokken waren bij de vredesmissie.

Ook werd besloten meer overleg te plegen met de landen uit de regio en op 10 januari werd het onderwerp besproken met de heer Goran Svilanovic, de Joegoslavische minister van Buitenlandse Zaken. Hem werd verzekerd dat wij en bovenal het Bondgenootschap alle beschikbare informatie zouden doorspelen.

Bovendien werd afgesproken dat alle informatie betreffende dit onderwerp ter beschikking zal worden gesteld aan het milieuprogramma van de Verenigde Naties. Daarnaast hebben de bondgenoten, zoals u weet, nogmaals geconcludeerd dat er nog altijd geen bewijs is geleverd waaruit blijkt dat de gebruikte munitie significante risico’s meebrengt voor de toentertijd in de Balkan gestationeerde militairen of de burgerbevolking ter plekke.

Het Bondgenootschap heeft ook expliciet gesteld een militaire en geen medische organisatie te zijn, daarmee aangevend – en dat is ook de intentie – dat het bereid is alle noodzakelijke informatie door te geven aan de Europese Unie zodat de hiervoor best geplaatste organisaties, met name de Wereldgezondheidsorganisatie, het programma voor het milieu van de Verenigde Naties en het Internationale Agentschap voor Atoomenergie, de noodzakelijke conclusies kunnen trekken.

Zoals u weet, geachte leden, is het medisch Comité van het Bondgenootschap op maandag 15 januari voor het eerst bijeen gekomen terwijl de recent opgerichte Groep voor informatie-uitwisseling gisteren met de werkzaamheden van start is gegaan. U kent de resultaten van deze eerste discussie. Samen met de gisteren uitgewisselde wetenschappelijke gegevens zijn deze terug te vinden op de Internetsite van het Bondgenootschap.

Ik wil hier nogmaals benadrukken dat de Groep informatie-uitwisseling open staat voor de vijftien lidstaten van de Europese Unie, dit op initiatief van het Bondgenootschap dat maximale openheid garandeert. Zoals het voorzitterschap al terecht aangaf, zal de volgende stap bestaan uit het bestuderen van al het via dit traject verkregen wetenschappelijk materiaal. De voorzitter van de Raad, de heer Persson, heeft al bekend gemaakt dat de Europese ministers van Buitenlandse Zaken zich op 21 januari, tijdens de eerste bijeenkomst van de Raad Algemene Zaken, over dit onderwerp zullen buigen.

Ik ben ervan overtuigd, mevrouw de Voorzitter, geachte leden, dat wij hiermee voldoen aan wat redelijkerwijs van ons verwacht mag worden met betrekking tot het openbaar maken van al die informatie die onontbeerlijk is om tot een eigen, goedgefundeerde conclusie te komen.

U zult zich kunnen voorstellen, geachte leden, dat ik voortdurend in contact sta met de vijftien regeringen van de Europese Unie. Ik zeg u met de hand op het hart dat ik u, indien er ergens een verslag opduikt waarin sprake is van een mogelijk verband, daarvan onmiddellijk op de hoogte zal stellen. Daar kunt u mij op aanspreken. Maar tot op heden heeft de Raad geen enkel wetenschappelijk verslag ontvangen waarin een verband wordt bevestigd tussen deze ziektes en het gebruik van verarmd uranium in munitie. Mocht daar verandering in komen dan zal ik u dat, zoals gezegd, onmiddellijk meedelen.

Ik kan u zeggen dat deze afgelopen dagen en zelfs deze afgelopen uren nieuwe wetenschappelijke rapporten zijn binnengekomen uit verschillende lidstaten. Zo zou ik u bijvoorbeeld willen attenderen op de bijzonder interessante verslagen van het Belgische Comité van het federale agentschap voor nucleaire controle. Bovendien wil ik u niet onthouden dat zowel Spanje als Portugal zo goed als definitieve maatregelen hebben ingediend met betrekking tot de controle op radioactiviteit.

Geachte leden, hiermee heb ik u geschetst wat de Europese Unie momenteel doet, wat zij van plan is te doen en wat zij zal blijven doen in een geest van openheid en goede samenwerking. Het fungerend voorzitterschap heeft dat zojuist ook al gezegd. Tot zover de informatie.

Dan meen ik verder, geachte leden, mevrouw de Voorzitter, dat het niet gepast zou zijn om in een plechtige vergadering als deze voorbij te gaan aan de context waarbinnen deze informatie geplaatst moet worden. En hier, ten overstaan van de vertegenwoordigers van de Europese bevolking, kan ik niet anders dan de door ons gevolgde weg in herinnering brengen en wijzen op de bestaansreden van dit debat. Daar kunnen wij eenvoudigweg niet omheen. De fundamentele oorzaak van dit debat ligt in het feit dat de mensenrechten werden geschonden in Bosnië, iets wat ditzelfde Europees Parlement keer op keer heeft aangeklaagd.

Mevrouw de Voorzitter, ik weet nog heel goed hoe ik als Spaanse minister van Buitenlandse Zaken in 1994 aandachtig kennis nam van de resultaten en conclusies waartoe dit Parlement gekomen was. Het Parlement vond toentertijd de aanhoudende en gewelddadige schendingen van de mensenrechten in Bosnië- Herzegovina ontoelaatbaar en verzocht de ministers van Buitenlandse Zaken van de Unie hiertegen in actie te komen.

(Applaus en protest)

En het staat mij nog duidelijk voor de geest hoe dit Parlement in 1995, toen ik hier in deze zelfde zaal acte de présence gaf als voorzitter van de Europese Raad van ministers, met vuur pleitte voor alstublieft een ingrijpen om rampen te voorkomen. Het leidt geen twijfel dat ons optreden ingegeven werd door de legitieme wens, eigen aan democratische landen, om op te komen voor rechten die elders geschonden worden.

Dat is onze inzet geweest, dames en heren. En ik wil u erop wijzen, geachte leden, …

(Protest en applaus)

met alle respect en sympathie, dat dit Parlement daarna belangrijke resoluties heeft aangenomen over de toestand in Kosovo.

Wij mogen niet vergeten welk traject wij hebben afgelegd. Wij zullen de oorzaken tot het bittere einde blijven bestuderen, want wij zijn de vertegenwoordigers van op democratische leest geschoeide samenlevingen. Maar tegelijkertijd moeten wij in dit algemene debat toch ook stilstaan bij de aanvankelijke oorzaak van dit probleem: de grove schending van de mensenrechten in ons Europa, in de Balkan. Die situatie hebben wij zo goed mogelijk bestreden met alle middelen waarover de Europese Unie en de landen van het Bondgenootschap beschikten.

Tot slot, dames en heren, wil ik even teruggrijpen op de laatste keer dat wij hier in deze zelfde zaal, ik in deze zelfde bank, als één man overspoeld werden door emotie. Dat gebeurde, zoals u ongetwijfeld nog weet, op 5 oktober, toen het parlement van Belgrado onder de voet werd gelopen door de democraten.

Laten wij niet vergeten wat onze bijdrage is geweest. Laten wij niet vergeten wat er is opgebouwd, met als resultaat de Top van Zagreb, waarbij, voor de allereerste keer, de 15 regeringen van de Europese Unie aan tafel zaten met alle regeringen van de Balkanlanden, regeringen die zonder uitzondering democratisch verkozen waren.

Dames en heren, het zal u niet verbazen als ik u zeg dat mijn leven de afgelopen jaren geheel en al in dienst heeft gestaan van het streven naar een meer democratisch Europa, een Europa waarin de mensenrechten worden nageleefd. Ik zal er alles aan doen – en ik zeg dit enigszins geëmotioneerd – om ervoor te zorgen dat dit probleem op een wetenschappelijke en transparante manier benaderd wordt, op een wijze die het algemeen belang dient. En u kunt erop aan dat wij u van alle ontwikkelingen op de hoogte zullen stellen.

Zoals ik al in alle eerlijkheid zei, bestaat er tot op heden geen enkel verband tussen de feiten en de gevolgen. Dat is wat wij te horen krijgen van de wetenschappelijke comités. Maar het kan en mag niet zo zijn dat wij daarmee de zaak als afgedaan beschouwen. Ik herhaal nogmaals dat zowel de Raad als ikzelf absoluut de onderste steen boven willen krijgen, mevrouw de Voorzitter.

Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik twijfel er geen moment aan dat de waarden die ik heb genoemd, namelijk ernst, openheid en oprechtheid, voor ons allen maatgevend zullen zijn.

Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, hartelijk dank voor uw aandacht.

(Applaus en protest)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Alvorens het woord te geven aan mevrouw Wallström, namens de Commissie, heb ik hier een motie van orde van de heer Alavanos. Gezien het feit, mijnheer Alavanos, dat er geen sprake van kan zijn dat de organisatie van ons debat via moties van orde gewijzigd wordt, verzoek ik u - zoals het Reglement bepaalt - mij direct mede te delen op welk artikel van het Reglement u uw motie van orde baseert.

(Nadat de heer Alavanos heeft uitgelegd dat het om artikel 37 van het Reglement gaat, geeft de Voorzitter hem het woord)

 
  
MPphoto
 
 

  Alavanos (GUE/NGL).(EL) Mevrouw de Voorzitter, de Raad of de Commissie kan op grond van artikel 37 van ons Reglement vragen een verklaring te mogen afleggen voor het Europees Parlement. Het is echter de taak van de Voorzitter van het Parlement het debat daarover te organiseren. Dat is dus concreet gesproken uw taak. Dit is nu een openbaar debat dat gevolgd wordt door een geschokte Europese publieke opinie. Daarom hebben wij mijns inziens allen de plicht de Hoge Vertegenwoordiger van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie - die tot kort geleden nog secretaris-generaal van de NAVO was en naar wie, volgens de verklaringen van het Openbaar Ministerie van het Internationaal Strafgerecht in Den Haag aan onder andere de krant La Repubblica, een onderzoek is ingesteld wegens mogelijke misdaden tegen de mensheid – te vragen ons uit te leggen hoe hij als secretaris-generaal van de NAVO het licht op groen heeft kunnen zetten voor een minikernoorlog in de Balkan. Anders zal de publieke opinie ons ervan beschuldigen met hem onder een hoedje te spelen. Bovendien heeft de heer Solana zelf het Europees Parlement medeverantwoordelijk gemaakt. U moet daarop reageren. Hij zei dat ook wij medeverantwoordelijk zijn voor deze minikernoorlog omdat wij hebben aangedrongen op actie in de Balkan.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Ik herinner u eraan dat de organisatie van dit debat afgelopen week tijdens de Conferentie van voorzitters overeengekomen werd.

Ik geef het woord nu meteen aan mevrouw Wallström, namens de Commissie.

 
  
MPphoto
 
 

  Wallström, Commissie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, laat ik, voordat ik op de specifieke kwestie van verarmd uranium inga, de zaak eerst in zijn context plaatsen door iets te zeggen over de milieusituatie op de Balkan en te vertellen wat de Europese Commissie daaraan doet.

Na bijna een decennium van regionale conflicten, gecombineerd met zwakke instellingen, verouderde vervuilende industrie en een nalatenschap van jarenlange ongecontroleerde vervuiling, bevindt het milieu in het Balkangebied zich in ernstig verwaarloosde toestand. In juni 1999 is in een door het Regionaal Milieucentrum in Boedapest voor de Commissie opgesteld rapport een voorlopige beoordeling gegeven van de milieueffecten van het conflict in het Balkangebied. Vervolgens heeft in oktober 1999 de Balkan Task Force van de Verenigde Naties haar beoordeling van de milieuschade als gevolg van het conflict in Kosovo aangeboden.

Bij haar inspanningen iets te doen aan de gezondheids- en milieusituatie op de Balkan heeft de Commissie gekozen voor een tweeledige aanpak. Daarin worden acties om de dringende problemen aan te pakken gecombineerd met steun voor de langere termijn. Onze steun voor de langere termijn heeft tot doel in de landen in de regio, die allemaal potentiële kandidaat-leden van de Unie zijn, een proces van duurzame milieubescherming te verankeren.

Ik wil kort uiteenzetten wat we tot nu toe hebben gedaan. In het kader van het Stabiliteitspact is de Commissie de drijvende kracht geweest achter de ontwikkeling van het Regionaal programma voor herstel van milieuschade. Dit programma biedt een kader waarbinnen milieuacties op de Balkan op regionaal niveau kunnen worden uitgevoerd. Door de verschillende bilaterale donoren en de landen in de regio samen te brengen bieden we een centraal punt voor de coördinatie van anderszins ongelijksoortige en overlappende bilaterale acties.

Teneinde het Regionaal programma voor herstel van milieuschade van de grond te helpen krijgen financiert de Commissie momenteel voor 5 miljoen euro aan maatregelen. Andere donoren hebben nog eens 2,5 miljoen euro toegezegd en weer anderen hebben de intentie geuit nog eens ongeveer 5,8 miljoen euro beschikbaar te willen stellen, wat het totaal op ongeveer 13,3 miljoen euro brengt.

Met deze acties richten we ons op de opbouw van instellingen, op deelname aan de activiteiten van het Europees Milieuagentschap in de regio en op twee vanuit milieuoogpunt kritieke gebieden in Albanië en de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië. Onze bijdrage laat een evenwicht zien tussen enerzijds het leggen van een basis voor milieubescherming voor de lange termijn en anderzijds urgente herstelacties.

Ik kom nu bij het specifieke onderwerp van verarmd uranium en de publieke ongerustheid over de mogelijke gezondheidsrisico's verbonden aan het gebruik van wapens met verarmd uranium in Kosovo en Bosnië voor de lokale bevolking, alsmede voor de internationale manschappen die in de regio dienen of hebben gediend. De Commissie wil natuurlijk ook dat de belangen van haar eigen medewerkers en contractanten die in de regio zijn geplaatst, juist worden beoordeeld.

Laat ik nogmaals benadrukken dat dit een zaak is die tot aanzienlijke publieke ongerustheid heeft geleid, en aan die ongerustheid dient aandacht te worden besteed. Dat kan echter alleen op basis van feiten en door alle beschikbare informatie over deze zaak te verschaffen. Ons parool moet "openheid" zijn. Dat is de reden waarom het van essentieel belang is rationeel en op basis van wetenschappelijk bewijs te werk te gaan.

Wat zijn dan die feiten? Uranium zelf is, zoals u weet, een radioactief, toxisch element dat in verschillende mineralen voorkomt. Verarmd uranium is minder radioactief dan natuurlijk uranium. Als bijproduct van de kernbrandstofcyclus is het ruim voorhanden en het is zeer hard en zelfscherpend. Als zodanig wordt het gebruikt voor het uiteinde van granaten om het doorborend vermogen daarvan te vergroten. Er is momenteel echter geen unaniem aanvaard wetenschappelijk oordeel over de gezondheids- en milieueffecten van verarmd uranium.

Op het moment dat de Balkan Task Force van de VN haar eerste beoordeling van de milieuschade als gevolg van het Kosovo-conflict maakte, had zij nog geen officiële documenten ontvangen die bevestigden dat er tijdens het conflict verarmd uranium was gebruikt. Toen die bevestiging wel werd gegeven, heeft het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) een missie uitgevoerd en in de herfst van het afgelopen jaar onder meer grond-, water- en vegetatiemonsters genomen. We verwachten dat de resultaten van het onderzoek naar deze monsters in maart van dit jaar bekend zullen zijn.

De Commissie heeft wat haar betreft snel gereageerd toen zij met de recente ongerustheid werd geconfronteerd, en heeft verzekerd dat alle acties van de Commissie op het gebied van verarmd uranium worden gebaseerd op gedegen wetenschappelijke kennis. We hebben via bestaande structuren een vergadering van een onafhankelijke groep experts onder het Euratom-Verdrag bijeengeroepen en de deelnemers verzocht hun mening te geven over de mogelijke consequenties van blootstelling aan verarmd uranium voor de gezondheid in het algemeen. De experts worden geacht hun oordeel te baseren op al het beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal. We verwachten het wetenschappelijke oordeel van de onafhankelijke experts binnen een maand te hebben.

In het licht van dit oordeel zal de Commissie opnieuw bekijken of vervolgacties wenselijk zijn, bijvoorbeeld voor ons eigen personeel. We zullen tevens beslissen of het passend is bestaande steunprogramma's op de langere termijn aan te passen om de duurzame ontwikkeling van de regio veilig te stellen.

De Commissie zal natuurlijk ook de lidstaten en internationale autoriteiten uitnodigen informatie over hun bevindingen en hun aanpak te delen en eventueel voorgestelde vervolgacties naar aanleiding van het oordeel van de onafhankelijke wetenschappelijke experts, te bespreken.

De tweeledige aanpak die ik heb uiteengezet, onderstreept de toegevoegde waarde van de bijdrage van de Gemeenschap aan de aanpak van de gezondheids- en milieusituatie in het Balkangebied. De Commissie bevestigt haar toezegging haar middellange- en langetermijnsteun ter verbetering van de milieu- en volksgezondheidsituatie in het Balkangebied te versterken.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Brok (PPE-DE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, de bevolking maakt zich zorgen vanwege het verband dat er lijkt te bestaan tussen dit verarmd uranium in munitie en de gevolgen voor gezondheid en milieu. Tegelijkertijd zijn wij ons ervan bewust dat nog niet bewezen is dat dit verband ook daadwerkelijk bestaat. Dat bewijs is tot nu toe door geen enkel wetenschappelijk onderzoek geleverd, ook niet door de onderzoeken die in Spanje, Italië en andere landen zijn uitgevoerd.

In het kader van wat de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB van de EU, de heer Solana, heeft verklaard, zou ik ook willen opmerken dat deze discussie geen erkenning achteraf van Milosevic is. De inzet van soldaten van de NAVO en de lidstaten van de EU in Bosnië en Kosovo was een actie tegen een oorlogsmisdadiger. Wij zijn nog steeds dank verschuldigd aan deze mensen voor het feit dat zij op deze manier voor de mensenrechten hebben gestreden. Degenen die de politieke en militaire verantwoordelijkheid dragen, verdienen eveneens ons respect. Dat wil ik namens mijn fractie vanaf deze plaats uitdrukkelijk verklaren.

(Applaus)

Wij krijgen nu echter te horen dat bij de ontploffing van de gebruikte wapens chemische processen in gang worden gezet waardoor bijvoorbeeld uraanoxide ontstaat, en dat deze processen tot problemen kunnen leiden. Inmiddels hebben wij de afgelopen dagen de beschikking gekregen over de resultaten van onderzoeken door het Pentagon in januari 2000. Daaruit is gebleken dat deze munitie soms ook kleine hoeveelheden plutonium bevat. Dat brengt risico's met zich mee en de soldaten moeten er attent op worden gemaakt dat er in gebieden waar die munitie wordt gebruikt, extra voorzichtigheid is vereist.

Tegen deze achtergrond is het inderdaad noodzakelijk dat wij onderzoeken uitvoeren om uitsluitsel te krijgen. Deze onderzoeken zijn geen teken van zwakte, maar een teken van geloofwaardigheid van democratieën die dergelijke kwesties uitzoeken en niet in de doofpot stoppen. Dat zijn wij verplicht ten opzichte van de betrokken soldaten, de betrokken medewerkers van niet-gouvernementele organisaties en ook ten opzichte van de burgers in dat gebied. Wij moeten vaststellen of er schadelijke gevolgen bestaan voor de gezondheid en het milieu. Als dat niet het geval is, moeten we het sein veilig geven. Als er echter wel sprake is van schadelijke gevolgen, moeten we dergelijke wapens voorgoed afschaffen. In dat verband is het ook noodzakelijk om gedurende de periode dat deze wapens en hun effecten onderzocht worden, alternatieve munitie te gebruiken die net zo functioneel is, maar die geen van de gevreesde schadelijke gevolgen kan veroorzaken.

Ik bedank de heer Solana en ook de Commissie met nadruk dat zij zich bereid hebben verklaard om het Europees Parlement op de hoogte te houden. Daardoor kunnen wij, als de tijd daar is, over deze kwestie een definitief oordeel vellen. Op die manier kunnen wij de veiligheid van onze burgers en soldaten garanderen en de geloofwaardigheid aantonen van een eventuele toekomstige militaire inzet die noodzakelijk is om de mensenrechten te beschermen.

 
  
MPphoto
 
 

  Napoletano (PSE).(IT) Mevrouw de Voorzitter, allereerst dank ik de Commissie, de Raad en de Hoge Vertegenwoordiger voor hun instemming met een debat over dit vraagstuk. Ik wil eveneens de Hoge Vertegenwoordiger geruststellen: wij zijn niet van plan om het debat over de motivatie van de interventie in het voormalig Joegoslavië te heropenen. Achteraf is het gemakkelijk praten en bovendien zou iets dergelijks niet correct zijn, temeer daar de context inmiddels sterk veranderd is. Terwijl wij nu redelijkerwijs kunnen hopen dat deze landen vroeg of laat in de Europese Unie kunnen worden opgenomen, zaten wij tot voor kort nog midden in de nachtmerrie van etnische zuiveringen en terreurdaden waar de nationalistische dictaturen van Izetbegovic, Karadzic, Milosevic zich schuldig aan hebben gemaakt.

Mijns inziens is het een goede zaak dat juist in het Europees Parlement een verantwoord en transparant debat wordt gehouden over de mogelijke relatie tussen het gebruik van munitie met verarmd uranium en het aantal sterf- en ziektegevallen onder de soldaten uit verschillende landen die aan de interventies in Bosnië en daarna Kosovo hebben deelgenomen, waarbij wij ons natuurlijk ook zorgen maken over de mogelijke directe en indirecte gevolgen voor de betrokken bevolkingen. Er zou geen enkele reden tot alarm zijn geweest indien niet de verdenking zou zijn gerezen dat het aantal sterf- en ziektegevallen boven het voor deze leeftijdsgroep geldende gemiddelde lag. Daarom is het noodzakelijk precies na te gaan wat de oorzaken hiervan zijn.

Er zijn reeds talrijke initiatieven op nationaal en internationaal vlak genomen. Wij verzoeken de NAVO dringend deze initiatieven te ondersteunen. Daarbij zou men de hulp moeten inroepen van de Amerikaanse regering. Aangezien enkel wetenschappers ons gerust kunnen stellen, willen wij dat de Raad en de Commissie actief deelnemen aan de coördinatie van deze initiatieven en aan de inlichtingenuitwisseling. Wij zouden zelfs graag willen dat de Commissie een eigen wetenschappelijk onderzoek instelde.

Dan heb ik tot slot nog een opmerking over het moratorium en het voorzorgsbeginsel. Het voorzorgsbeginsel werd ingevoerd voor de levensmiddelensector en wij willen dit niet zo maar overhevelen naar heel het gebied van het buitenlands beleid. Dat zou misschien wat geforceerd zijn, maar wij moeten wel beseffen dat hier een militair probleem een civiel probleem is geworden, een probleem in verband met de bescherming van de gezondheid en het leven, een probleem waarvan de gevolgen zich nog lang na de interventie zullen doen gevoelen. Daarbij gaat het echter niet alleen om het leven en de gezondheid van militairen, maar ook om dat van gewone burgers.

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder (ELDR).(DA) Mevrouw de Voorzitter, de liberale fractie wenst zekerheid en vertrouwen in plaats van onzekerheid. Jonge mannen en vrouwen moeten zekerheid hebben dat hun veiligheid gegarandeerd is wanneer zij zich opgeven voor vredesmissies. Elk risico moet onderzocht worden en elke soldaat die zich zorgen maakt, moet gratis en grondig onderzocht kunnen worden. De burgers die mogelijk aan verarmd uranium zijn blootgesteld, moeten goed gevolgd en eventueel onderzocht worden, ook omdat wij uit deze ervaringen iets kunnen leren. In Kosovo en Bosnië was het immers ten behoeve van de burgers dat wij tussenbeide zijn gekomen en wij hadden daar gegronde morele redenen voor. De onderzoeken moeten grondig en door onafhankelijke deskundigen worden uitgevoerd. Over de methodes en eventuele onbekende factoren moet openheid bestaan. Indien er enige aanleiding is tot ongerustheid, moeten alternatieven voor verarmd uranium worden gezocht en zolang er geen zekerheid is, dient het gebruik ervan eventueel te worden opgeschort. Ik dank de heer Solana voor zijn belofte dat alle informatie openbaar zal worden gemaakt. Wij hopen dat hij de daad bij het woord voegt en zullen hem ter verantwoording roepen als hij zijn belofte niet nakomt. Ik dank hem ook omdat hij ons heeft herinnerd aan onze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de militaire en humanitaire actie, waarvoor wij hier nu zitten. Dankzij deze actie hebben wij resultaten geboekt en de weg geëffend voor de democratie in de Balkan. Wij waren moreel verplicht deze actie te voeren en wij kunnen trots zijn op deze prestatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Lannoye (Verts/ALE). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Raad, mevrouw de commissaris, mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger, ik ben blij dat dit debat eindelijk plaatsvindt.

Wij hebben in april 1999, toen de bombardementen van de NAVO aanvingen, in het kader van de voorgaande wetgeving getracht dit debat aan te gaan. Tevergeefs. Enkele dagen daarna, op 5 mei om precies te zijn, heb ik samen met elf collega’s een brief gestuurd aan de heer Solana, die toen secretaris-generaal van de NAVO was. Wij waren er namelijk zeker van dat dit type wapens werd gebruikt en wilden hem verzoeken dit gebruik te staken, aangezien deze wapens in de toekomst wel eens gezondheidsproblemen bij de bevolking en de militairen zouden kunnen veroorzaken, om nog maar te zwijgen van de onherstelbare vervuiling van het milieu.

Wij hebben hierop indertijd geen reactie ontvangen, hetgeen naar mijn mening wel even benadrukt mag worden. De NAVO heeft een aantal keren slechts mondjesmaat informatie verstrekt. Dat blijkt alleen al uit het feit dat de UNEP-werkgroep eind 1999 verklaarde over onvoldoende informatie te beschikken om te kunnen beoordelen in welke mate het grondgebied van Kosovo door verarmd uranium besmet was.

Wat de heer Solana zojuist zei, namelijk dat men in alle transparantie te werk zou gaan, is nieuw en dit is een goede zaak. Gezien het standpunt dat de NAVO het afgelopen jaar innam ten aanzien van deze bereidheid tot transparantie, heb ik echter mijn twijfels. En wanneer ik de woorden van de huidige NAVO-vertegenwoordigers beluister, nemen deze twijfels nog toe.

Ik wil een aantal punten verhelderen, aangezien dit mij noodzakelijk lijkt. Wij moeten voorzichtig zijn met de bewering dat er een verband moet worden gelegd tussen de gezondheidstoestand van de militairen en het al of niet aanwezig zijn van verarmd uranium, daar dit geen eenvoudige zaak is. Om de slechte gezondheidstoestand van een aantal militairen te verklaren, dienen wij namelijk verschillende parameters in aanmerking te nemen. Factoren die meespelen zijn chemische verontreiniging, een hele reeks aantastingen van het milieu en de leefomstandigheden. Overigens weten wij dat de gevolgen van radioactieve besmetting zich pas na een relatief lange periode manifesteren. Het is dus niet juist om nu al te beweren, zoals sommige wetenschappers op een - naar mijn mening - lichtzinnige wijze doen, dat “er geen verband bestaat”. Daarvoor is het nog te vroeg. Voor sommige militairen zal dit ongetwijfeld opgaan, maar het zou mij verbazen als wij hier een algemene conclusie aan konden verbinden.

Verder wil ik opmerken dat verarmd uranium geen natuurlijke stof is, zoals men ons wil doen geloven, of een stof met een verminderd radioactief gehalte. Het is ongeveer 20% minder radioactief dan natuurlijk uranium. Het is een afvalproduct van de nucleaire industrie en dient als zodanig te worden behandeld. Ik wijs erop dat wij over een Europese richtlijn beschikken die uit 1996 dateert en nog door de lidstaten getransponeerd zou moeten worden. Deze richtlijn bepaalt dat dergelijk afval vanaf een concentratie van 10.000 becquerel per kilo geïsoleerd moet worden. Welnu, hier hebben wij te maken met een concentratie die 4.000 maal zo hoog is. Het is dus volstrekt waanzin dat men dergelijke munitie gebruikt, waardoor deze overal in het milieu verspreid wordt en er onoplosbare deeltjes in de luchtwegen en het spijsverteringskanaal terechtkomen, en dat men doet alsof het bestaan van dit probleem moet worden aangetoond. Er is echter absoluut sprake van een probleem, want anders begrijp ik de Europese richtlijn niet meer. Waarom zou datgene wat voor de Europese bevolking geldt, niet gelden voor de bevoking van Kosovo en Bosnië en voor de militairen?

(Applaus)

Tot slot nog een laatste opmerking, met excuses voor het feit dat ik wat lang van stof ben. Het is nooit zo, mijnheer Solana, dat het doel de middelen heiligt.

(Applaus)

Niemand van ons steunde het beleid van Milosevic. Maar Milosevic en zijn vrienden zijn geen slachtoffer geworden van straling en hebben geen verarmd uranium binnengekregen. Degenen die wel slachtoffer zijn, zijn de lokale bevolking, de militairen en de vertegenwoordigers van de NGO’s.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Wurtz (GUE/NGL). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Raad, mevrouw de commissaris, mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger, met de aanvaarding van het Handvest van de grondrechten een maand geleden, wilden de Vijftien zich doen gelden als een gemeenschap van waarden. Om een dergelijke ambitie geloofwaardig te maken, volstaan teksten alleen niet. Die geloofwaardigheid moet vooral in de praktijk verdiend worden tijdens markante gebeurtenissen en door krachtig politiek optreden, dat ingegeven wordt door ethische principes en waarbij, zo nodig, veel wordt gevraagd van degenen die tot actie overgaan. Pas als men in het nauw wordt gedreven, kan men zijn kwaliteiten bewijzen.

Het is duidelijk dat het Balkansyndroom, tien jaar na de Golfoorlog, zo’n markante gebeurtenis is, die de lidstaten op indringende wijze dwingt hun verantwoordelijkheid te nemen. Als wij deze verantwoordelijkheid volledig op ons nemen, dan betekent dit volgens mij en mijn fractie dat wij op ten minste drie gebieden moedige besluiten moeten nemen. Ten eerste hebben wij met het menselijke aspect van het probleem te maken. Er zijn mensen gestorven, anderen zijn ziek of leven momenteel in angst en maken zich zorgen over de toekomst. Onder deze mensen bevinden zich militairen en veel burgers. Het wrede van sommige wapens is dat zij ook na een oorlog nog voortdurend slachtoffers maken, zonder aanzien des persoons. Op de Balkan hebben wij overduidelijk met een dergelijke situatie te maken.

Het strekte de internationale gemeenschap tot eer dat zij onlangs om die reden het gebruik van op personen gerichte mijnen verbood. In diezelfde geest moet zij nu munitie met verarmd uranium verbieden.

(Applaus)

Het is de plicht van de Europese landen die deze munitie vervaardigen, zoals Groot-Brittannië, Portugal en helaas ook mijn eigen land, Frankrijk, ermee akkoord te gaan de productie, opslag en uiteraard het gebruik van deze munitie - al was het maar bij wijze van proef - te beëindigen. Dit zou overigens slechts betekenen dat zij zich houden aan de beginselen van het Verdrag van Genève uit 1980, waarin alle wapens die ongericht slachtoffers maken verboden worden. Tegelijkertijd moeten wij erkennen dat de slachtoffers het recht hebben op medische zorg en schadevergoeding, dat alle betrokken mensen het recht hebben op besmetting te worden getest en dat het terecht is dat de bodem van alle getroffen gebieden gesaneerd en in de oude staat teruggebracht wordt. Getuigt het nog wel van oprechtheid en eerbiedwaardigheid als wij vandaag de dag beweren dat het gevaar van deze munitie niet is aangetoond, terwijl vele openbare onderzoeken en interne rapporten hiervoor toch overduidelijk het bewijs hebben geleverd? Ik ben oprecht van mening dat dit een achterhoedegevecht is dat niet meer in verhouding staat tot de informatie waarover onze medeburgers momenteel beschikken.

Ten tweede wil ik de democratische uitdaging noemen, waarvoor deze dramatische kwestie ons stelt. Zowel de NAVO als sommige lidstaten hebben zich namelijk, voorzover dat mogelijk was, stelselmatig schuldig gemaakt aan verwijtbaar stilzwijgen, leugens en bewuste verzwijgingen. Aangezien u er in het verleden mee heeft ingestemd in zekere zin een schakelrol te vervullen tussen de verschillende partijen, mijnheer Solana, zal het u toch niet verbazen dat wij u nu om opheldering vragen over de ernstige feiten die beetje bij beetje aan de oppervlakte komen. U heeft zelf gezegd dat eerlijkheid over het verleden en transparantie ten aanzien van de toekomst momenteel absolute vereisten zijn. Maar vanuit dit standpunt denk ik eerlijk gezegd dat noch de lidstaten, noch de NAVO reden hebben zich onschuldig te achten, na hetgeen u zojuist gezegd heeft, mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger.

(Applaus)

Ten derde vinden wij dat deze zware beproeving aanleiding moet zijn om onze opvatting over de verhoudingen tussen de Europese Unie en de NAVO en over de wijze waarop de Europese veiligheid is geregeld, te heroverwegen. Wij vinden dat het hoog tijd wordt dat wij ons - zowel in Europa als elders in de wereld - niet meer laten meeslepen in de uitzichtloze en dramatische situaties waartoe de Amerikaanse strategische opties leiden. Ik denk hierbij aan de afschuwelijke gevolgen die de Golfoorlog voor de Iraakse bevolking en in het bijzonder voor de kinderen had. Ik denk aan de structurele vernietiging van het economische potentieel en het ecologische erfgoed, niet alleen in Joegoslavië, maar ook in de buurlanden - denk maar aan de Donau. Daar komt dan tot slot nog bij dat men toegeeft dat er bij deze conflicten op grote schaal wapens en munitie is gebruikt, waardoor niet alleen ontelbare onschuldige slachtoffers ter plekke werden gemaakt, maar een blijvend gevaar ontstond voor de mensen die de gebombardeerde gebieden betreden. Dit heeft niets te maken met het verdedigen van de mensenrechten, mijnheer Solana. Nee, wat Europa betreft moet het doel de middelen niet heiligen.

Ik ben ervan overtuigd dat deze onderwerpen - in welke vorm dan ook - veel mensen zullen blijven bezighouden. Na de kwestie van vandaag zullen er weer andere komen. Ik hoop dan ook dat steeds meer mensen zich bij onze optiek zullen aansluiten dat verandering noodzakelijk is.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (UEN). - (PT) Mevrouw de Voorzitter, waarde collega's, mijnheer Solana, in dit debat is het meer dan in welk ander parlementair debat dan ook van fundamenteel belang dat de waarheid, de volle waarheid, aan het licht komt. Het merendeel van de landen van de Europese Unie, ongeacht of zij al dan niet tot de NAVO behoren, hebben met hun strijdkrachten en hun veiligheidsdiensten deelgenomen aan de diverse militaire en politiële missies in de Balkan. Zij waren ervan overtuigd dat dit de beste manier was om de burgerbevolking en haar grondrechten te beschermen en de vrede en de democratie te herstellen.

Welnu, in verschillende van deze landen, met name in het mijne, in Portugal, zijn er talloze verontrustende gevallen geregistreerd. Er is reeds één persoon overleden aan leukemie en er zijn andere met stralingen geassocieerde ziektebeelden gediagnosticeerd in soldaten die in Bosnië of Kosovo hebben gediend.

Het is derhalve volkomen gerechtvaardigd dat deze gevallen in medische, wetenschappelijke, militaire en politieke kringen, en dus logischerwijs ook in de publieke opinie, aanleiding tot bezorgdheid hebben gegeven en nog steeds geven. Men vraagt zich terecht af of er een verband bestaat tussen de blootstelling aan het in de gebruikte munitie aanwezige verarmd uranium en de ontwikkeling van de genoemde ziekten. Een dergelijk verband is nog niet bewezen, maar des te belangrijker is het dat op dit punt de waarheid en niets dan de waarheid wordt gesproken, temeer daar er fundamentele menselijke waarden op het spel staan die ons dwingen de legitieme bezorgdheid van de militairen en hun families met respect en open vizier te benaderen.

Ook al omdat de beschikbare wetenschappelijke informatie nog onvolledig is, moet nauwkeurig worden nagegaan of er al dan niet een oorzakelijk verband bestaat tussen het gebruik van munitie met verarmd uranium en de geregistreerde gezondheidsproblemen. Het is overigens tevens onaanvaardbaar dat nog steeds geen uitsluitsel is gegeven over de vraag of de NAVO de regeringen en de militaire overheden van de aan de missies deelnemende landen voldoende heeft ingelicht over de omstandigheden waarin de respectieve strijdkrachten en veiligheidsdiensten aan de militaire en politiële acties deelnamen.

Tot slot nog een laatste reden. Het zou toch volstrekt onbegrijpelijk en zelfs ronduit paradoxaal zijn dat onze landen hebben deelgenomen aan een vredesmissie en een interventie ter verdediging van de mensenrechten in de Balkan, om dan achteraf te moeten vaststellen dat zij daardoor misschien de volksgezondheid en het milieu in de regio ernstig in gevaar hebben gebracht en de bevolking die zij moesten beschermen met een levensgroot probleem hebben opgezadeld. Wij staan hier derhalve voor een vraagstuk dat tot op de bodem moet worden uitgezocht, ongeacht de gevolgen.

Mijnheer Solana, ik dank u voor uw betoog, en met name voor uw openheid. U was secretaris-generaal van de NAVO op het moment dat de controversiële militaire missies werden uitgevoerd en nu bent u verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie. Als u wilt, kunt u dus een enorme bijdrage leveren aan de opheldering van deze kwestie. In dat geval kan het Europees Parlement, tezamen met de regeringen van de lidstaten, bij de NAVO en de overige internationale organisaties de nodige stappen ondernemen om voor dit probleem een afdoende oplossing te zoeken, zowel op wetenschappelijk als op politiek en militair gebied. Dat is wat wij van de Raad en van u verwachten.

 
  
MPphoto
 
 

  Pannella (TDI) . – (IT) Mevrouw de Voorzitter, waarde collega’s, in 1950 was ik twintig jaar. Toen werd in heel de wereld, in Europa, op al onze universiteiten en scholen – men wilde zelfs de kerken binnen, maar dat lukte niet – een heftige campagne gevoerd tegen Ridgway, de “pestgeneraal”. De Amerikanen, de westerse kapitalisten hadden een oorlog ontketend in Korea, een oorlog tegen de rechten van Korea, en heel het communistische apparaat, heel het apparaat van die rechtschapen, brave communisten kwam in het geweer om onze ogen te openen voor Ridgway, voor de pestgeneraal die op de vijftigste parallel – toen was het Atlantisch bondgenootschap nog niet actief in het Verre Oosten – chemische en bacteriologische wapens gebruikte om die gemene kapitalistische maatschappij te verdedigen die de derde wereld en haar eigen proletariaat onderdrukte.

Kameraden communisten, kameraden socialisten, jullie waren het toch die bij de belangrijkste gebeurtenissen in de periode 1950-53 de Stalinprijs van de vrede uitreikten, en een bevende papist aan deze of gene zijde hadden? Doe ons een plezier en geef ons een moratorium op uw zedenpreken achteraf! Waarom moeten jullie altijd en eeuwig om rekenschap vragen? Is het dan nooit genoeg? Misschien was het inderdaad niet nodig geweest Dresden tijdens de tweede wereldoorlog kapot te bombarderen, dat was zelfs crimineel, maar daar gaat het bij jullie niet om. Jullie beginnen pas te roepen als de communistische partij, als jullie pacifisme in het geding is.

Het Europees Parlement heeft nu een resolutie ingediend waarin wordt aangedrongen op een moratorium. Dit is een laf, onvoorzichtig, ondemocratisch en weinig serieus Parlement. Dit Parlement is ondemocratisch omdat het geen rekening houdt met de actie waar de afgevaardigden en de regeringen met aandrang om vroegen toen de situatie zo moeilijk was. Natuurlijk willen ook wij zo snel mogelijk de wetenschappelijke waarheid over deze wapens te weten komen, maar als deze wapens waren gebruikt om de totale verwoesting van Vukovar te voorkomen – en uiteindelijk is Vukovar met de grond gelijk gemaakt - hadden wij tien- ja zelfs honderdduizenden slachtoffers onder Bosniërs, Kosovaren, Serviërs en anderen kunnen voorkomen.

Daarom dank ik u, mevrouw de Voorzitter, en in afwachting van de waarheid, die niettegenstaande onze neiging om de waarheid geweld aan te doen en te schenden aan het daglicht moet worden gebracht…..

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Jackson (PPE-DE).(EN) Mevrouw de Voorzitter, we moeten in dit geval de feiten vaststellen. We hebben van de heer Solana bepaalde verzekeringen gekregen, maar we weten, en vooral onze Italiaanse collega's zullen ons hieraan herinneren, dat het voor hen wier zoon aan leukemie is gestorven, moeilijk is die verzekeringen onvoorwaardelijk te accepteren.

Nu een betere gezondheid en voorspoed ons zo dicht bij onsterfelijkheid lijken te hebben gebracht, accepteren we de dood niet meer zo makkelijk. Ter versterking van de verzekeringen van de heer Solana moeten we nu op zo groot mogelijke schaal en met maximale openheid van de Amerikaanse autoriteiten herhaalde tests aanbieden. Ik ben, met name door mijn collega Lord Inglewood, vertegenwoordiger van de regio Cumbria waar het afvuren van deze wapens wordt getest, gevraagd erop aan te dringen dat bij de uitvoering van deze herhaalde tests aandacht wordt besteed aan de vraag naar het mogelijke effect op de burgerbevolking. Misschien zou de heer Solana, als hij van plan is op dit debat te reageren, willen ingaan op dat punt.

Aan de Balkanoorlog, en natuurlijk ook aan de Golfoorlog, heeft een groot aantal Britse soldaten deelgenomen. Als Britse Conservatief wil ik het volgende zeggen: natuurlijk maken we ons zorgen over de mogelijke gevolgen van het gebruik van verarmd uranium, maar tegen de achtergrond van de verklaring van de heer Solana zijn wij niet van mening dat de NAVO een moratorium van het gebruik van zulke wapens zou moeten aannemen. We moeten vreselijke oorlogen uitvechten tegen vreselijke mensen. Zo'n moratorium zou onze strijdkrachten mogelijk in het nadeel kunnen plaatsen en zou zo meer levens in gevaar kunnen brengen dan de NAVO-strijdkrachten.

Zoals mevrouw Wallström zei: het werkelijke en onmiddellijke gevaar op de Balkan komt van de algemene achteruitgang van het milieu na jaren van verwaarlozing, vervuiling en oorlog. Dat is waar de Europese Unie iets aan zou moeten doen terwijl we de resultaten van de medische tests zeer zorgvuldig in de gaten houden.

Samenvattend wil ik zeggen dat de bijdrage van de heer Wurtz overduidelijk heeft gemaakt dat links voortdurend een agenda heeft die erop is gericht de Europese Unie los te maken van de Verenigde Staten en ertoe zou leiden dat Europa wordt beroofd van alle werkelijke invloed in de wereld.

(Applaus van rechts)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER GERHARD SCHMID
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Roth-Behrendt (PSE). - (DE) Meneer de Voorzitter, geachte collega's, wij voeren op dit moment een zeer merkwaardige en ook cynische discussie. Munitie is bedoeld om mensen te doden en ik ben bijna geneigd om niet deel te nemen aan een discussie over de vraag welk type munitie daarvoor het meest geschikt is. Toch is dat het onderwerp waar het hier vandaag over gaat. Ik wil ook niet aan een debat deelnemen over de vraag welke oorlogen zinvol zijn en welke oorlogen gevoerd zouden moeten worden. Dat is niet de kwestie die vandaag aan de orde is. Wij moeten over een ander onderwerp discussiëren. In het verleden hebben we keer op keer gezegd: Als het noodzakelijk is om wapens te gebruiken, dan moet dat gebeuren met zo min mogelijk effect op en zo min mogelijk schadelijke gevolgen voor het milieu en de gezondheid van de overlevenden. Daar zijn wij het altijd al over eens geweest.

Daarom hebben we in het verleden bijvoorbeeld het gebruik van chemische wapens ook altijd veroordeeld en aan de kaak gesteld. Wij waren het er altijd over eens dat dergelijke wapens niet gebruikt mochten worden, omdat ze het milieu en de gezondheid van mensen voor langere tijd ruïneren en belasten. Tijdens de discussie vandaag over de vraag of munitie met verarmd uranium al dan niet leukemie - bloedkanker - veroorzaakt, hoef ik ook niet van de heer Solana (voor wie ik overigens veel respect heb) te horen of daar al dan niet sluitend bewijsmateriaal voor is. Wij praten niet over sluitende bewijzen. Toen in dit Parlement onze eigen gezondheid en BSE aan de orde was, was ook iedereen het erover eens dat het voorzorgsbeginsel zou moeten gelden, terwijl toen ook nooit het onomstotelijke bewijs is geleverd dat het besmette materiaal de veroorzaker was van een nieuwe variant van de ziekte van Creuzfeldt-Jacob.

(Applaus)

Wij hebben onlangs nog over het voorzorgsbeginsel gedebatteerd. Toen hebben we gezegd dat, als er sprake is van een gerechtvaardige bezorgdheid over bepaalde materialen of bepaalde handelwijzen, deze verboden moeten worden zelfs als het onomstotelijke bewijs niet kan worden geleverd. Wij weten op dit moment dat er in ieder geval sprake is van een groter aantal leukemiegevallen. Zolang de wetenschappers het nog niet met elkaar eens zijn, zolang wij nog niet weten welke wetenschapper gelijk heeft, moeten wij afspreken dat deze munitie niet gebruikt mag worden en dat alles onderzocht moet worden wat met deze kwestie verband houdt. Wij moeten vandaag minimaal besluiten om een moratorium op deze munitie in te stellen. Daarnaast moeten wij voor de mensen zorgen die in de betreffende gebieden wonen, niet alleen in het belang van hun eigen gezondheid, maar ook die van hun kinderen!

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Maes (Verts/ALE). - Mijnheer de Voorzitter, deze morgen zag ik op de Duitse televisie een filmpje dat vóór de Golfoorlog gemaakt werd voor het Amerikaanse leger. Letterlijk werd daarin gezegd dat het gevaarlijk is wanneer stof, dat vrijkomt uit de verbranding van verarmd uranium, in het lichaam terechtkomt. Er was dus vóór de Golfoorlog bekend welke risico's er zijn verbonden aan het gebruik. Waren de bondgenoten daarvan op de hoogte vóór de Balkanoorlog en vóór de interventie, die ik hier overigens niet betwist? Waren de regeringen op de hoogte, waren de militairen op de hoogte? Waarom werden de soldaten dan niet gewaarschuwd op deze zelfde manier? Waarom zegt u dan vandaag dat het bondgenootschap geen bewijs ziet voor het risico. Mensen zijn ziek geworden nadat zij op de Balkan waren zoals na de Golfoorlog. Niemand weet hoeveel er nog ziek zullen worden in die gebieden. Wie zal hun morgen een geloofwaardig antwoord verstrekken? Het verbod op het gebruik zal de enige maatregel zijn die het vertrouwen kan herstellen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Fitzsimons (UEN). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de feiten die in Bosnië aan het licht zijn gekomen wijzen met name op een enorme toename van kankergevallen op plaatsen waar tijdens de Balkanoorlog bombardementen hebben plaatsgevonden en waarbij munitie met verarmd uranium is gebruikt. Men gelooft nu dat dit verarmd uranium afkomstig is van de bommenwerpers die tijdens de Balkanoorlog bombardementen hebben uitgevoerd op de buitenwijken van Sarajevo en elders.

De bevolking van de Balkan heeft er recht op om op volledige en ondubbelzinnige wijze te worden ingelicht over de kankerverwekkende gevolgen van het gebruik van granaten met verarmd uranium tijdens de oorlog. Met het oog op de volksgezondheid en de mensenrechten dienen dit Parlement en de Europese Unie alles in het werk te stellen om de feiten boven tafel te krijgen.

Wat een andere, maar aanverwante, kwestie betreft, het volgende. Ik was zeer verontrust te lezen dat het Britse Ministerie van Defensie in de Ierse Zee, bij de Solway Firth tussen Engeland en Schotland, en ook op een schietterrein langs de kust van Cumbria, op slechts zeven mijl afstand van een Britse kerncentrale, granaten met verarmd uranium heeft afgevuurd. Dit verarmde uranium is tot 1995 in Cumbria gebruikt en men gelooft dat er bij de Solway Firth, een inham van de Ierse Zee, wel 1400 granaten met verarmd uranium zijn afgevuurd.

Deze onthullingen hebben mij als lid van het Europees Parlement namens Leinster, dat aan de Ierse Zee ligt, zeer verontrust. Ik verzoek de Britse regering om een uitgebreide verklaring. Ik wil weten of het gebruik van granaten met verarmd uranium in het betreffende gebied mogelijk schadelijke gevolgen heeft voor de volksgezondheid. Het is aan de Britse regering om met een verklaring te komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Gollnisch (TDI). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, de kwestie van de munitie waarin uranium is verwerkt, vormt een nieuw hoofdstuk uit de afschuwelijke oorlog die u tegen Servië heeft gevoerd. Gezien dit schandaal, mijnheer Solana, komen uw woorden over transparantie twee jaar te laat. U denkt toch niet dat wij gek zijn? Gelooft u dat de Verenigde Staten u uw gang laten gaan, terwijl het veertig jaar duurde voordat wij inzage kregen in films, documenten en aantallen slachtoffers van de experimenten die zij met hun eigen soldaten hebben uitgevoerd op schepen die radioactief besmet waren na de proefexplosies op Bikini?

Wij weten in ieder geval dat u zich niets heeft aangetrokken van het voorzorgsbeginsel, waarover men ons hier voortdurend aan het hoofd zeurt. Wij weten dat uw woordvoerder, de heer Shea, de pers weliswaar glimlachend te woord stond, maar ondertussen het gebruik van deze munitie niet ter sprake bracht, zoals commissaris Wallström zojuist zei. Wij weten ook dat het percentage van onze soldaten dat aan leukemie lijdt, abnormaal hoog is. Indien er een oorzakelijk verband zou worden vastgesteld, zou u verantwoordelijk zijn voor oorlogsmisdaden. Want wij hebben het nu steeds alleen over militairen, alsof uranium onderscheid zou kunnen maken tussen militairen en burgers.

Eerlijk gezegd, beste collega’s, kunt u als u de waarheid wilt weten, daar beter zelf naar op zoek gaan. En wacht dan niet tot de heer Solana, in zijn functie van Europese Hoge Vertegenwoordiger, zichzelf, in zijn voormalige functie van secretaris-generaal van de NAVO, veroordeelt.

 
  
MPphoto
 
 

  Zappalà (PPE-DE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, wij bespreken vandaag een zeer belangrijk onderwerp. Eigenlijk zouden wij daaraan heel veel tijd en heel veel denkwerk moeten besteden. Wij laten ons echter meeslepen door een golf van emoties, en emoties zijn een slechte raadgever voor het politieke werk waar wij ons mee moeten bezighouden. Wij zijn immers geen technici.

Enkele collega’s spraken in dit verband reeds over het voorzorgsbeginsel. Ik moet u zeggen dat ik daar bezwaren tegen heb. Wij zijn nu weliswaar geconfronteerd met de gekkekoeienziekte, maar ik geloof niet dat iemand het in zijn hoofd zou halen om te zeggen dat wij absoluut geen vlees meer mogen eten, van welk dier dan ook. Concrete wetenschappelijke gegevens ontbreken immers.

Zoals mevrouw de commissaris zojuist al zei – en ik ben het roerend met haar eens – moeten wij nagaan hoe de milieusituatie in dat gebied voordien was, en natuurlijk moeten wij ook precies nagaan wat de gevolgen zijn van het gebruik van die wapens voor de volksgezondheid. Ik moet hier echter wel erop wijzen dat verarmd uranium ook in talrijke andere, civiele sectoren wordt gebruikt, en daar moeten wij zeer zeker grote aandacht aan besteden.

Wij moeten ook beseffen dat als men onverhoeds krachtige standpunten inneemt, het risico op paniek groot is, zowel bij de mensen die naar dat gebied worden gestuurd als bij degenen die daartoe het besluit moeten nemen. Mijns inziens moeten wij dit probleem heel nauwkeurig onderzoeken. In ieder geval moeten wij onze dankbaarheid jegens de NAVO bevestigen voor hetgeen zij gedaan heeft en zal doen. Wij gaan niet akkoord met een eventueel moratorium.

 
  
MPphoto
 
 

  Sakellariou (PSE). - (DE) Meneer de Voorzitter, geachte dames en heren, wij voeren dit debat vandaag vanwege het feit dat wij ons over bepaalde mensen zorgen maken. Die bezorgdheid betreft niet alleen de soldaten - onze soldaten - ter plekke, maar ook de miljoenen burgers in Joegoslavië en Kosovo. Het gaat er vandaag niet om dat wij vaststellen of de oorlog in Kosovo al dan niet gerechtvaardigd was. Dat zou een verkeerd debat zijn. Waar het wel om gaat - en wat dat betreft ben ik het met de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB eens - is dat wij uiterst zorgvuldig en nauwkeurig onderzoeken of er een verband bestaat tussen de geconstateerde ziektegevallen en de soorten munitie die verarmd uranium bevatten en die gebruikt zijn bij de bombardementen tijdens de oorlogen in Joegoslavië en Kosovo en ook in Bosnië.

Als wij zo'n onderzoek willen, zullen wij enkele belangrijke beginselen in acht moeten nemen zodat wij in ieder geval, als gekozen vertegenwoordigers van de volkeren in Europa, de geloofwaardigheid terugwinnen die het Bondgenootschap door eerdere, soortgelijke gebeurtenissen kwijtgeraakt is. Nauwkeurige en onafhankelijke onderzoeken door internationale deskundigen met behulp van alle beschikbare wetenschappelijke methoden hebben de hoogste prioriteit.

In de tweede plaats hebben we behoefte aan een heel ander voorlichtingsbeleid. In dat verband gaat mijn dank uit naar de Raad en de Commissie, maar met name naar de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB, omdat zij toegezegd hebben dat het Parlement de beschikking krijgt over alle relevante informatie.

Tot slot moeten wij in de derde plaats met onmiddellijke ingang om een moratorium vragen op alle wapens en munitie van dit type totdat alle resultaten bekend zijn van de onderzoeken die wij hebben ingesteld, zodat wij daarna op een verantwoorde manier besluiten kunnen nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lagendijk (Verts/ALE). - Voorzitter, het is de nachtmerrie van alle politici om verwikkeld te raken in een debat tussen wetenschappers, waarbij velen wel en sommigen niet een relatie leggen tussen het gebruik van verarmd uranium en het verhoogde aantal doden. Het politiek debat dreigt op die manier een wetenschappelijk debat te worden. Ik vind dat wij de taak van de politici boven water moeten houden. Die is wat mij betreft tweevoudig.

Ten eerste: de verantwoordelijkheid van de Europese Unie is de verantwoordelijkheid voor de lokale bevolking. Het is aan de lidstaten om de verantwoordelijkheid te nemen voor hun soldaten. Het zou in mijn ogen de verantwoordelijkheid van ons, de Europese Unie, moeten zijn om ons zorgen te maken over de lokale bevolking daar.

De tweede verantwoordelijkheid is dat wij niet in de val moeten lopen om alle verklaringen alleen te richten op het gebruik van verarmd uranium. Het kan zeker zo zijn dat er andere oorzaken zijn voor het verhoogde aantal doden. Ik vind dan ook dat er een allesomvattend onderzoek moet komen naar alle afwijkingen die zich daar ter plekke en in de nationale legers voordoen.

Ten slotte, wat mij buitengewoon irriteert is dat de heer Solana en ook een aantal collega's een link leggen en een fout maken met betrekking tot doel en middelen. De link tussen de oorlog en de gebruikte middelen. Ik was vóór ingrijpen in de oorlog, maar ik ben tegen het nemen van onverantwoordelijke risico's.

 
  
MPphoto
 
 

  Morillon (PPE-DE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, wij moeten terughoudend en waakzaam zijn bij de behandeling van de kwestie van de toxiciteit van granaten met een kern van verarmd uranium, en de effecten hiervan op militairen en burgers die hiermee in Irak, Bosnië-Herzegovina en Kosovo in aanraking zijn gekomen.

Zoals gezegd is terughoudendheid geboden. Ondanks de onderzoeken die zijn uitgevoerd heeft men namelijk nog geen enkel verband kunnen vaststellen tussen het gebruik van deze wapens en de gevallen van leukemie die na deze operaties ontdekt werden. Dit verband werd evenmin aangetoond, moet u weten, tijdens het langdurige proces waarin deze wapens ontwikkeld en getest werden.

Uiteraard moet er een einde komen aan alle onzekerheid. Wij kunnen dan ook alleen maar blij zijn dat er op alle niveaus onderzoeksstructuren worden ingesteld, zowel in de lidstaten als binnen de NAVO en de Europese Unie. Toch moet de grote beroering die na de onthullingen van de afgelopen weken ontstond, er niet toe leiden dat wij ons op het hellende vlak van een overdreven behoedzaamheid begeven, juist nu de Unie zich inspant, mevrouw Roth-Berendt, de exacte grenzen van het voorzorgsbeginsel vast te stellen, om zodoende elk misbruik hiervan te voorkomen.

De granaten met een kern van verarmd uranium die in onze verschillende landen liggen opgeslagen, zijn momenteel de meest geschikte wapens om pantsers te doorboren, daar het gebruik van hollepuntkogels en granaten met een wolfraamkern, gezien de technologisch zeer geavanceerde bepantsering, inefficiënt is. U moet er rekening mee houden dat het ontwikkelen van nieuwe wapens nog vele jaren zal vergen.

Moeten wij in die tussentijd onze defensie opofferen op grond van angsten waarvan niet is vastgesteld dat ze terecht zijn? Dat lijkt mij niet. Daarom zal ik mij tegen het verzoek om een moratorium - dat in punt 6 van de compromisresolutie ter sprake komt - verzetten, wanneer wij hierover in ons Parlement stemmen.

Toch heeft het onderhavige debat volgens mij een verdienste. Dat is dat het aantoont, voor zover dat al nodig was, dat wij de gedachte aan een schone oorlog uit ons hoofd moeten zetten. Ik heb dit idee altijd al als een illusie beschouwd, en zelfs als iets pervers. Een oorlog zal altijd vuil zijn, want het doel ervan is immers een aanslag op het menselijk leven te plegen. Uitsluitend indien alle andere middelen om inbreuken op de menselijke vrijheid en waardigheid te beteugelen of te voorkomen, gefaald hebben, kan oorlog als een geringer kwaad worden beschouwd. Jazeker, mijnheer Solana, dat was zowel in Irak als in Kosovo het geval.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Sacconi (PSE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, wij hebben een bijzondere verantwoordelijkheid jegens twee groepen: de jongeren, en hun gezinnen, die zich zo verdienstelijk maken in de militaire acties in Bosnië en Kosovo, en de volkeren van de Balkan waarvoor deze vredesinitiatieven bestemd zijn.

Er zijn nog geen onomstotelijke bewijzen voor de directe of indirecte band tussen het gebruik van munitie met verarmd uranium en de steeds talrijker wordende gevallen van leukemie. Het is echter wel meer dan waarschijnlijk dat die band bestaat, en de verspreiding van de ziektegevallen wekt in ieder geval onze grootste bezorgdheid. Daarom moet absoluut gezorgd worden voor coördinatie van alle noodzakelijke wetenschappelijke onderzoeken. Wij moeten duidelijkheid krijgen over de gevolgen van het gebruik van dat soort munitie voor de gezondheid en het milieu. In afwachting van uitsluitsel daarover zouden wij echter het voorzorgsbeginsel moeten toepassen. Ik geloof niet dat daarvoor ooit een betere reden is geweest dan nu, en daarom is de invoering van een moratorium een urgente en absoluut noodzakelijke maatregel.

 
  
MPphoto
 
 

  Laschet (PPE-DE). - (DE) Meneer de Voorzitter, geachte collega's, wij krijgen dagelijks, zelfs bijna elk uur nieuwe informatie over allerlei mogelijke risico's. Daarom is het een zeer goede zaak dat deze kwestie vandaag in dit Parlement aan de orde is. Ik bedank de Hoge Vertegenwoordiger omdat hij ons beloofd heeft alle informatie en volledige openheid van zaken te geven. Het is voor ons zelf natuurlijk ook een nieuwe ervaring om op deze manier te debatteren over kwesties met betrekking tot het veiligheids- en defensiebeleid. We hebben echter juist hier een kans om iets te bereiken op het gebied van het Europese veiligheids- en defensiebeleid omdat we in een andere situatie verkeren dan de individuele lidstaten, waar in dit soort zaken regeringen en opposities tegenover elkaar staan. Anders dan in dit Parlement is het in Duitsland bijvoorbeeld zo dat de rood-groene regering middels haar minister van Defensie dergelijke gevaren bagatelliseert.

Als Europees Parlement hebben wij nu de kans om op basis van de feiten duidelijkheid en informatie te krijgen. Dat is een heel goede zaak. Een negatief effect is echter - en dat is ook in dit debat weer gebleken - dat wij terugkijkend ook nog even willen afrekenen met de Golfoorlog en de Kosovocrisis. Mijnheer Wurtz, als u in dit verband verwijst naar het Handvest van de grondrechten en de hogere beginselen van Europa, dan moet ik u erop attenderen dat op het moment dat de Europese grondrechten in het geding waren - toen er sprake was van etnische zuiveringen, van gedwongen verhuizingen en terreur in de Balkanstaten - uw fractie aan de zijlijn stond en tekortgeschoten is. Dat is ook iets wat in een dergelijk debat aan de orde moet komen.

Wij eisen dat er relevante informatie verzameld wordt en dat de informatie die in de lidstaten voorhanden is, op Europees niveau in samenwerking met de VN - met de ter zake deskundige instellingen van de Verenigde Naties - in samengevatte vorm aan dit Parlement overgelegd wordt. Bij een gewelddadig conflict is het altijd verplicht om aan te tonen dat de gebruikte middelen het doel rechtvaardigen. Daarom hebben we ook behoefte aan informatie over en onderzoek naar wapensystemen die minder schadelijk zijn dan de systemen die vandaag aan de orde zijn. In het kader van het Europees veiligheids- en defensiebeleid kan het Europees Parlement door het leveren van constructieve bijdrages invulling geven aan zijn verantwoordelijkheid op dat gebied.

 
  
MPphoto
 
 

  Katiforis (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, Hoge Vertegenwoordiger, het mandaat dat u had om op te treden in Joegoslavië, was geen mandaat tot het gebruik van wapens die tegen het geweten van de mens indruisen en waarvan de gezondheidsrisico’s, zoals die nu zijn geconstateerd, destijds bij militaire leiders bekend waren.

Het spijt me het te moeten zeggen maar het zou laf en smakeloos zijn om in dit Parlement naar medeplichtigen op zoek te gaan nu u verontrust bent door de gedane onthullingen en de onthullingen die nog zullen volgen.

 
  
  

(EL)Mijnheer de Voorzitter, wij zijn ongerust over de nasleep van deze bombardementen in het Balkangebied. Wij zijn ongerust over de soldaten die daar naar toe zijn gestuurd, en over de bewoners van de door de bommen getroffen gebieden. Wij dringen derhalve aan op een uitgebreid milieuonderzoek in heel het Balkangebied. De publieke opinie maakt zich, tenminste in mijn land, grote zorgen, veel meer dan u in deze zaal denkt.

In de gezamenlijke ontwerpresolutie wordt eveneens aangedrongen op een moratorium….

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Trakatellis (PPE-DE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, ik beperk mij tot drie opmerkingen, want veel is al gezegd.

Ten eerste wil ik de heer Solana zeggen dat er in 1999, toen wij samen met andere collega’s probeerden te weten te komen of in Kosovo verarmd uranium was gebruikt, alsmaar om de waarheid heen werd gedraaid. Er is toen een vraag gesteld aan mevrouw Wallström en zij antwoordde daar letterlijk op dat het gebruik van verarmd uranium nog niet was bevestigd. Ik heb de desbetreffende handelingen van het Parlement hier voor mij liggen.

Ten tweede is verarmd uranium een gevaarlijke en schadelijke stof, vooral wanneer het in bommen wordt gebruikt. Als deze bommen ontploffen, ontstaat uraniumoxide in dampvorm die zich als een wolk verspreidt en ingeademd kan worden. Bovendien is uraniumoxide gemakkelijk oplosbaar en kan het via het water in de voedingsketen terechtkomen. Wij moeten wel beseffen dat als een stof schadelijk is, hij ook schade veroorzaakt als je er mee in contact komt, zelfs in geringe doses, en daarom moet een grondig epidemiologisch onderzoek worden ingesteld in zowel het Golfgebied als Bosnië en natuurlijk in Kosovo, ofschoon de resultaten daar eventueel pas later aan het licht zullen komen.

Stel ten derde, mijnheer Solana, dat wij samen met u tot de slotsom komen dat er reden is tot onderzoek en de waarheid aan het daglicht moet komen. Moeten wij dan niet het voorzorgsbeginsel toepassen? Als iemand tegen mij zegt: “Kijk, wij moeten een onderzoek instellen, want het kan best zijn dat uw huis instort”, wat moet ik dan doen: blijf ik dan thuis en wacht ik de resultaten af, of vertrek ik meteen? Dit lijkt mij nogal elementair! Bovendien geloof ik nooit dat verarmd uranium het enige wapen is van de NAVO. De NAVO heeft nog veel meer wapens in haar arsenaal die zij op succesvolle wijze kan inzetten.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Myller (PSE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, ons is hier nu van verschillende kanten verzekerd dat gegevens openlijk verstrekt en zaken openlijk behandeld gaan worden. Tot nu toe heeft het aan die openheid ontbroken. Het is logisch dat wij als basis van ons handelen over informatie moeten beschikken, maar ik ben het eens met de ideeën die hier over het toepassen van het voorzorgsbeginsel zijn geuit. Het volgende punt op de agenda is de snelle-reactiefaciliteit. In dat verband moet men een duidelijk standpunt innemen over hoe wij met de gezondheid van de mensen omgaan, ook al zouden wij geen direct verband zien met bijvoorbeeld leukemie. Het is zeer goed mogelijk dat er zich op de lange termijn andere negatieve gevolgen, bijvoorbeeld met betrekking tot het drinkwater, voordoen. Moeten wij ervan uitgaan dat wij juist handelen door conflicten op te lossen, terwijl we voor de burgerbevolking veel zorg en onveiligheid in de toekomst creëren?

 
  
MPphoto
 
 

  Titley (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik vind het ietwat bizar om te spreken over het voorzorgsbeginsel met betrekking tot wapens, die tenslotte allemaal bedoeld zijn om de gezondheid te schaden. Het probleem is natuurlijk dat je het woord “uranium” maar hoeft te laten vallen om een uitbarsting van - ik kan het niet anders noemen - massahysterie te ontketenen.

De ziekte- en sterfgevallen moeten natuurlijk worden onderzocht en ik verwelkom de actie die de NAVO daartoe heeft ondernomen, maar we dienen tot een oordeel te komen op grond van de feiten en de feiten zijn duidelijk. Er bestaat geen verband tussen verarmd uranium en de ziektegevallen. Als we kijken naar een onderzoek onder veteranen van de Golfoorlog dat in de Verenigde Staten is uitgevoerd, en de resultaten vergelijken met die van het onderzoek van de referentiegroep, blijkt er tussen de twee groepen geen verschil te zijn wat betreft sterftecijfers, ziektecijfers of het aantal gevallen van kanker. We dienen ons te baseren op wetenschappelijke feiten en daarom zou het niet juist zijn nu een moratorium in te stellen, terwijl er geen wetenschappelijk aantoonbaar verband tussen de twee bestaat.

Er zijn genoeg andere kwesties in verband met de Balkanoorlog die moeten worden onderzocht, zoals onontplofte clusterbommen en de milieuschade waarop de Commissie heeft gewezen, maar laten we de feiten niet uit het oog verliezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Solana, Raad.(ES) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats wil ik alle leden die het woord gevoerd hebben, bedanken voor de wijze waarop zij dit gedaan hebben. Uit de eerlijkheid die zij aan de dag legden, blijkt ondubbelzinnig dat wij allen eensgezind wensen dat deze situatie wordt opgehelderd. Want het staat buiten kijf dat wij ons allen moeten bekommeren om het leed van de mensen die ziek zijn of dat in de toekomst zullen worden. Ik beloof u daarom nogmaals dat ik alle informatie zal vrijgeven. U kunt echter niet van mij verwachten dat ik u inlicht over zaken die buiten mijn bevoegdheden liggen of waarvan ik zelf niet op de hoogte ben.

Het betreft hier een onderwerp dat automatisch valt onder de verantwoordelijkheid van de regeringen en dat betekent dat wij afhankelijk zijn van de informatie die wij van de regeringen afzonderlijk krijgen. Zoals ik in mijn eerste interventie al zei, houd ik contact met de regeringen en de organisaties die actief bij dit onderwerp betrokken zijn en ik garandeer u nogmaals, ook namens de Raad, dat wij u in alle openheid alle informatie zullen verstrekken waarover wij beschikken. Het is logischerwijs wat lastig om u informatie te geven die wij zelf niet hebben.

In de tweede plaats zou ik willen benadrukken dat wij bij de wetenschappelijke analyses, zoals enkelen onder u al opmerkten, inderdaad alle variabelen open moeten laten. Wij mogen ons niet beperken tot een paar gegeven parameters en aldus het risico lopen andere, voor de gezondheid schadelijke factoren buiten beschouwing te laten. Ik heb dan ook met instemming geluisterd naar de Commissie en naar die leden die pleitten voor een analyse van alles wat schade kan berokkenen aan het milieu. Ook ik ben wetenschappelijk geschoold: ik ben zelfs fysicus. Ik ga u niet vervelen met mijn – toch al schaarse – kennis van toen. Maar het lijkt mij belangrijk om, geconfronteerd met dit probleem, het hoofd koel te houden. Wij moeten wachten tot wij over alle benodigde informatie beschikken om de gevolgen te kunnen overzien. Ik kan u verzekeren dat alle betrokken landen en internationale organisaties momenteel hun uiterste best doen om een oplossing te vinden voor dit probleem. Met de grootst mogelijke spoed wordt relevante informatie verzameld.

Er is vandaag enorm veel gezegd, de ene opmerking nog interessanter dan de andere. Niets is aan mijn aandacht ontsnapt maar ik kan niet puntsgewijs reageren omdat er nauwelijks vragen zijn gesteld. Ik wil wel een aantal zaken ophelderen, om misverstanden te voorkomen. Tegen de vertegenwoordigers van de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie zou ik, oprecht en respectvol, het volgende willen zeggen. De brief die ik in mei van hun ontving, heb ik, zoals ik ze al eerder vertelde, voorgelegd aan alle regeringsleiders en ministers van de Unie. Er is weliswaar geen schriftelijk maar wel een mondeling antwoord gegeven op de brief. U weet dat de regeringen echter besloten hebben om door te gaan op de ten tijde van de brief reeds ingeslagen weg. Denkt u dus vooral niet dat uw brief is veronachtzaamd. Er is wel degelijk aandacht aan besteed, alleen kozen de regeringen voor een andere koers. Maar neemt u alstublieft van mij aan dat elke brief van welk parlementslid dan ook, zeer serieus wordt genomen.

Ik zou twee welhaast persoonlijke opmerkingen willen maken. In de eerste plaats ben ik uitstekend in staat het doel van de middelen te onderscheiden. Ik zou niet graag zien dat mij het tegendeel wordt verweten. Ik zie glashelder wat doel is, en wat middel. En ik weet heel goed hoe belangrijk het doel is en dat het bereiken van het doel sterk afhangt van de gebruikte middelen. De middelen en de kennis van de middelen veranderen mettertijd. De ene keer krijgen wij te horen dat een middel inzetbaar is en de volgende keer blijkt het achterhaald te zijn. Wij moeten ervoor zorgen dat wij tijdens het besluitvormingsproces beschikken over de meest actuele informatie. Nogmaals, voor alle duidelijkheid: ik verwar het doel niet met de middelen. Ik heb dat nooit gedaan en ben het ook niet van plan.

Ik wil ook reageren op de beschuldiging dat ik het Parlement zou vragen medeplichtig te worden. Een dergelijk verzoek zou niet in me opkomen, nu niet en nooit niet. U vertegenwoordigt de wil van de volkeren van de Europese Unie en u draagt verantwoordelijkheid voor uw daden. Wat ik doe, en ik meen dat dat mijn plicht is, is herinneren aan de momenten, jaren geleden of maanden geleden, waarop wij het met elkaar eens waren. Dat is iets anders dan het Parlement gebruiken, of medeplichtig maken. Ik zal te allen tijde herhalen dat ik mijn eigen verantwoordelijkheden draag. Ik doe dat al mijn leven lang en zal dat blijven doen. Ik heb het niet nodig om anderen medeplichtig te maken. Wat wel nodig is, is dat ook u uw verantwoordelijkheden op zich neemt. Ik draag die van mij, u moet die van u dragen. En ik kan niet ontkennen dat de door het Parlement aangenomen resoluties mij aan het denken zetten. Toen ik voorzitter was van de Europese Raad van ministers hechtte ik belang aan deze resoluties en datzelfde geldt voor de huidige regeringsleiders en staatshoofden van de Europese Unie. Dat is heel wat anders dan medeplichtigheid zaaien. Dat is verantwoordelijkheid delen zoals verantwoordelijke Europeanen, wat wij allen zijn, dat doen. Wij moeten kunnen delen en collectief verantwoordelijkheid dragen.

Dat was het. Ik wil u bedanken en zeggen dat ik de 31e terugkom voor een debat over het Midden-Oosten. Verder blijf ik tijdens de plenaire vergadering beschikbaar voor een verdere behandeling van dit zo belangrijke onderwerp. Want onze geloofwaardigheid staat op het spel, evenals ons vermogen om de crisis in de Europese Unie te beteugelen. Weet dan ook, dames en heren, dat u altijd op mij kunt rekenen. Ik ben in ieder geval van goede wil, al heb ik de wijsheid zeker niet in pacht.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Wallström, Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ook ik dank alle leden van het Europees Parlement voor hun verklaringen. Zij onderstrepen dat we de angst en de zorgen van allen die aan symptomen en ziekten lijden, serieus moeten nemen, dat we alle beschikbare informatie moeten verzamelen en dat we ook de gezondheidsrisico’s voor de lange termijn dienen te bestuderen.

Ik verzeker u dat de Commissie alles wat binnen haar macht en haar bevoegdheid ligt, zal doen om een gezonde wetenschappelijke basis voor deze kwestie op te zetten en we zullen natuurlijk nauw samenwerken met andere nationale en internationale instellingen die zich hiermee bezighouden: de NAVO, het UNEP, het IAEA en de Wereldgezondheidsorganisatie.

De inspanningen van de Commissie zullen worden opgenomen in ons bredere steunprogramma in de Balkan met betrekking tot de volksgezondheid en het milieu. Alle gevolgen moeten namelijk samen worden bekeken. Wij zijn ook blij dat we het Europees Parlement op de hoogte kunnen houden van onze vorderingen bij het opzetten van een solide wetenschappelijke onderbouwing van de gevolgen van het gebruik van verarmd uranium. We zullen graag verslag aan u komen uitbrengen en natuurlijk zijn we altijd bereid uw vragen te beantwoorden.

 
  
MPphoto
 
 

  Eriksson (GUE/NGL). - (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik wil alleen even van de gelegenheid gebruik maken om commissaris Wallström en anderen te vragen om hier in de Vergadering hun respectieve moedertalen te gebruiken, in het geval van mevrouw Wallström dus het Zweeds.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Dank u, geachte collega, maar krachtens het Handvest van de grondrechten is de Europese Unie een vrij land. Iedereen mag dus zelf beslissen in welke taal hij spreekt.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Cox (ELDR). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, het gaat om een beroep op het Reglement. Ik heb de tekst van de gezamenlijke ontwerpresolutie bekeken. Ik verzeker Lord Bethell, die staat vermeld als ondertekenaar namens de liberale fractie, dat hij van harte welkom is binnen onze fractie. Ik wil niet onvermeld laten hoe blij we zijn dat vandaag een nieuw lid namens ons tekent.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Goed, wij zullen voordat de stemming plaatsvindt duidelijkheid verschaffen over de fractie waartoe Lord Bethell behoort.

Ik heb overeenkomstig artikel 37 lid 2 van het Reglement zes ontwerpresoluties ontvangen en een gezamenlijke ontwerpresolutie die door zes fracties ondertekend is(1).

Het debat is gesloten.

De stemming vindt vandaag om 12.00 uur plaats.

 
  
MPphoto
 
 

  Van Orden (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, het gaat om een beroep op het Reglement. Misschien kunnen we dit misverstand meteen de wereld uit helpen. Lord Bethell is en blijft zonder meer lid van de Britse Conservatieve fractie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Mijnheer Van Orden, dat kan ik uitsluitend accepteren als u over een schriftelijke volmacht van Lord Bethell beschikt waaruit blijkt dat u bevoegd bent om namens hem verklaringen af te leggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Wurtz (GUE/NGL). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, aangezien wij het hier over de gezamenlijke resolutie over het Balkansyndroom hebben, wil ik even opmerken dat mijn naam en die van mijn fractie bij vergissing op deze gezamenlijke resolutie staan vermeld.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Mijnheer Wurtz, ik heb uitdrukkelijk gezegd dat het een gezamenlijke ontwerpresolutie betreft die door zes fracties ondertekend is en niet door zeven. Ik weet heel goed hoe gevoelig uw fractie op dit punt is en daarom heb ik het aantal fracties met nadruk genoemd!

 
  

(1) Zie notulen.


2. Snellereactiefaciliteit
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het verslag (A5-0392/2000) van de heer Newton Dunn namens de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid over een verordening van de Raad tot instelling van de Snellereactiefaciliteit (COM(2000) 119 – C5­0272/2000 – 2000/0081(CNS)).

 
  
MPphoto
 
 

  Newton Dunn (ELDR), rapporteur. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit voorstel gaat over geld voor een onmiddellijke, niet-militaire reactie van de EU op crisissituaties. Dat valt onder de eerste pijler - zoals dat in EU-jargon heet - en wordt aangestuurd door de Commissie. Het is geen militaire, snellereactiemacht, die natuurlijk tot de tweede pijler behoort en wordt aangestuurd door de Raad.

Er is mij echter op allerlei manieren gevraagd hoe ik de soldaten, tanks en vliegtuigen van de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid denk te gaan inzetten. Er is mij gevraagd of we gebruik zullen maken van marinebases op Cyprus en of we ook een conferentie Canadese soldaten zullen toespreken. Laat het duidelijk zijn dat dit niets met de militaire snellereactiemacht te maken heeft: het betreft een financiële faciliteit waarmee de Commissie zeer snel op crisissituaties kan reageren.

Hoewel de Commissie het geld zo snel als nodig is beschikbaar zal stellen, behoudt het Parlement, zijnde de helft van de begrotingsautoriteit, zijn controlerende functie. We zullen over het geld stemmen en we zijn benieuwd naar de verslagen van de Commissie waarin wordt aangegeven waaraan het geld is besteed. We verwachten dat de Commissie het gebruikt om op crisissituaties te reageren en het besteedt aan het kopen van medicijnen, het inhuren van artsen of verpleegkundigen en het charteren van vliegtuigen voor het vervoer van de medicijnen, verpleegkundigen of politieagenten - of wat ook maar nodig is - naar de crisisgebieden binnen Europa of daarbuiten.

De EU heeft in het verleden terecht kritiek gekregen vanwege de trage reactie op crisissituaties. We slaagden er niet in onmiddellijk te reageren wanneer de nood het hoogst was. Dit voorstel maakt deel uit van de prijzenswaardige inspanningen van commissaris Patten om het hulpprogramma van de EU, dat, op zijn zachtst gezegd, niet helemaal naar wens functioneert, te verbeteren.

Ik hoop van harte dat het Parlement dit voorstel steunt. Ik kom hier nog op terug. We zouden het zeer op prijs stellen als de commissaris in zijn reactie op dit debat zou willen aangeven wat voor crisissituaties hij in gedachten heeft - hoewel we daar zelf natuurlijk ook zo onze ideeën over hebben.

Verschillende collega’s die het verslag hebben gelezen, hebben mij gevraagd waarom er zoveel amendementen zijn als het zo’n goed voorstel is. Het oorspronkelijke voorstel van de Commissie is van april vorig jaar, maar daarna is er niets gebeurd. Kennelijk heeft het Franse voorzitterschap de zaak zonder enige verklaring geblokkeerd. Daarom heb ik toen een vraag ingediend voor het vragenuur. Ik wilde een verklaring en toen kwamen de Fransen en de Commissie tot mijn verbazing opeens bij elkaar om over het opheffen van de blokkade te onderhandelen, maar misschien was dat toeval. Ze kwamen met een alternatieve tekst maar, het spijt me het te moeten zeggen, de Raad heeft nooit het fatsoen gehad het Parlement op de hoogte te brengen van de nieuwe versie van de tekst. De vele amendementen in mijn verslag zijn dus bedoeld om het oorspronkelijke voorstel te amenderen en ons in de gelegenheid te stellen commentaar te leveren op de nieuwe compromistekst die we hebben weten te bemachtigen, hoewel die ons officieel nooit is aangeboden.

Het Parlement heeft hiervan slechts één lezing, en dat is een van de democratische tekorten waar tijdens de Top in Nice niets aan is gedaan. Er zou natuurlijk sprake moeten zijn van een medebeslissingsprocedure, maar dat is niet het geval. We konden evenwel dreigen onze enige lezing te gebruiken om de zaak tegen te houden - zoals bij de befaamde isoglucose-kwestie een paar jaar geleden - en als wij ons advies achterhouden, kan er verder niets worden gedaan. In feite hebben we dus vetorecht.

Maar gelukkig heeft de parlementaire commissie dit voorstel uitvoerig bestudeerd en draagt het ook haar steun weg. Vandaar de vele amendementen die de commissie heeft voorgesteld.

Ten slotte - zonder verder in detail op de amendementen in te gaan - ben ik blij te kunnen mededelen dat de commissie de amendementen nagenoeg unaniem heeft goedgekeurd. Alleen de Britse Conservatieven stemden tegen. Ze zullen ongetwijfeld nog toelichten waarom. Deze partij heb ik destijds de rug toegekeerd omdat ze volledig anti-Europees was geworden. Ik hoop van harte dat we toch op hun steun voor dit voorstel kunnen rekenen en dat ze voor zullen stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Haug (PSE), rapporteur voor advies van de Begrotingscommissie. - (DE) Meneer de Voorzitter, geachte collega's, de Begrotingscommissie is blij met de Snellereactiefaciliteit zoals voorgesteld door de Commissie. Wij steunen dit communautaire mechanisme dat bedoeld is om middelen te verschaffen voor niet met gevechten samenhangende activiteiten in het kader van de crisisbeheersing en conflictpreventie. Het is een goede zaak dat de Europese Unie een bijdrage levert aan de instandhouding of het herstellen van de openbare orde en aan het bevorderen van de dialoog, de verzoening en de bemiddeling bij schendingen van de mensenrechten en bij de preventie van dergelijke misstanden.

Dit kan allemaal echter uitsluitend gerealiseerd worden indien die Snellereactiefaciliteit ook daadwerkelijk tot een snelle reactie in staat is. Wat de implementatie betreft, geven wij daarom ook uitdrukkelijk steun aan het voorstel van de Commissie voor de comitologie, met inbegrip van de instelling van een adviescomité. De nadruk ligt daarbij op 'advies'.

Door de jaren heen heeft de Commissie een strategie van "communautarisering" gevolgd, overigens met rugdekking van het Parlement. Dat wil zeggen dat er een geleidelijke overheveling plaatsvond van activiteiten van het GBVB, dat is dus de tweede pijler, naar de communautaire pijler. Deze trend wordt met het huidige voorstel voor een Snellereactiefaciliteit voortgezet. Tot zo ver is er geen probleem. De benodigde kredieten moeten echter binnen rubriek vier van de financiële vooruitzichten worden gevonden. Hoe krap de financiële situatie in de rubriek "buitenlandse zaken" echter is, weten alle collega's al zeker sinds twee begrotingsronden. Op dit slagveld hebben we iedere keer grote aanvaringen met de Raad gehad over de begroting. Er hoeft geen waarzegger aan te pas te komen om te voorspellen dat er dit jaar weer iets soortgelijks zal gebeuren.

Dat is ook de reden dat we twee verzoeken hebben neergelegd bij de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken. In de eerste plaats zouden de Commissie en de Raad in een gezamenlijk verslag kenbaar moeten maken hoe zij de verantwoordelijkheden onderling willen verdelen en vooral hoe zij deze activiteiten denken te financieren. In de tweede plaats hebben wij gevraagd een overweging in de tekst op te nemen waarin duidelijk wordt gesteld dat de kredieten voor de Snellereactiefaciliteit in het kader van rubriek 4 gefinancierd moeten worden. Indien dat niet mogelijk is, zou de financiering plaats moeten vinden door middel van een herziening van de financiële vooruitzichten. Bovendien zijn wij van mening dat het Parlement over elke te financieren actie geraadpleegd moet worden. De rapporteur en de ten principale bevoegde commissie hebben deze begrotingsaspecten overgenomen. Wij zijn hen daar zeer dankbaar voor!

 
  
MPphoto
 
 

  Oostlander (PPE-DE). - Mijnheer de Voorzitter, de Europese Commissie heeft een reeks van bevoegdheden die van belang zijn voor een civiele bijdrage aan het onder controle houden van situaties die dreigen uit de hand te lopen. Diezelfde bevoegdheden kunnen worden benut in de fase van stabilisering na een gewelddadig conflict, om te verhinderen dat opnieuw zaken uit de hand lopen. Het gaat daarbij naast het gebruikelijke hulppersoneel ook om monitoren, de inzet van bestuursambtenaren, van opleiders en van politie. Het gaat over projecten en over hulpverleningsbeleid dat specifiek gericht is op stabilisering van een bepaalde regio.

Het aanbrengen van politieke en organisatorische samenhang tussen al deze civiele middelen in de vorm van een snelle-reactiefaciliteit juichen wij van harte toe. Zo kan de verantwoordelijkheid van de Europese Unie voor de internationale rechtsorde veel beter gestalte krijgen dan voorheen. Bovendien geeft het de Commissie en de bevoegde commissaris de mogelijkheden om op dit gebied ook duidelijk met eigen initiatieven en voorstellen te komen.

De wisselwerking tussen de rapporteur en de Commissie heeft onzes inziens tot een uitstekende resolutie geleid. Met name is vermeden overbodige, de besluitvorming vertragende structuren te handhaven of in te voeren. De rapporteur wijst terecht op de nodige financiering van deze faciliteit en de noodzaak van een goed opgeleide eenheid voor financiële leiding en uitvoering.

Op enkele punten prefereert mijn fractie de Commissietekst boven de amendementen van de rapporteur. Zo vind ik bijvoorbeeld de opsomming van voorbeelden en doelen in artikel 1, lid 1, waartoe de snelle-reactiefaciliteit dient, erg nuttig.

Het verslag vermeldt de duidelijke betrokkenheid van het Europees Parlement in het beleid. Gezien de ook in de toekomst versplinterde inzet door de lidstaten pleit het verslag terecht voor een systeem van informatie-uitwisseling. Wie weet of op den duur ook nog verdergaande coördinatie en sturing mogelijk is.

Wij leren door vallen en aarzelend opstaan. Bosnië-Herzegovina en Kosovo zijn belangrijke voorbeelden waarin heel veel dingen fout gingen en waarin langzaam ook geleerd werd. De reactiefaciliteit is wat dat betreft een enorme stap vooruit. Wij hopen natuurlijk dat zij zo weinig mogelijk gebruikt hoeft te worden, maar dat is een vrome wens. Wij weten in de politiek dat het goed is om deze mogelijkheid achter de hand te hebben. Complementair aan de snelle inzetbare militaire eenheid die onder de heer Solana valt.

Wij denken dat in de toekomst met name de civiele mogelijkheden van de Europese Unie de belangrijkste zullen zijn bij vredes- en ordehandhaving, en natuurlijk is dat ook wenselijk. Want ook wij, net als iedereen, streven ernaar om civiele middelen voor militaire te laten gaan, maar dat hoeven wij in deze omgeving niet al te hard te zeggen, gezien de grote aarzeling als het nodig is ook militaire middelen te gebruiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Wiersma (PSE). - Voorzitter, ik wil beginnen met complimenten aan collega Newton Dunn, die ons zo bekwaam door die ingewikkelde voorbereiding van het verslag heeft geleid in de Commissie buitenlandse zaken en ook nu weer. Als voorbeeld en teken daarvan kan ik vaststellen dat er maar één amendement is ingediend voor de plenaire op zijn verslag. Onze fractie zal dat amendement overigens steunen.

Het voorstel voor de instelling van een snelle-reactiefaciliteit waarmee snel geldmiddelen kunnen worden vrijgemaakt, heeft de volle steun van mijn fractie. Het past bij onze nadrukkelijke voorkeur om bij dreigende conflictsituaties eerst civiele instrumenten in te zetten. Dit is de tweede concrete stap in dat verband na het formuleren van het vereiste van een snel inzetbare politiemacht. Wij wachten met spanning op een uitgewerkt voorstel voor een totaalpakket met zogenaamde "headline goals" op dit gebied.

Wij willen evenwicht tussen de EU-inspanningen op de terreinen van civiel en militair crisismanagement. De EU moet in noodsituaties snel kunnen reageren met een breed en goed afgestemd scala aan instrumenten. Voor de snelle-reactiefaciliteit worden daarom eenvoudige procedures voorgesteld. Comitologie kan vermeden worden door binnen het gemeenschapskader te blijven. Dat beperkt weliswaar theoretisch het aantal landen waar het instrument kan worden toegepast, maar wij zien geen praktische problemen. Waar is de Europese Unie niet actief?

Daar waar de Commissie formeel voorstelt, en wij begrijpen dat, om de faciliteit in te zetten om de implementatie van EU-programma's te waarborgen, willen wij graag de term EU-beleid toegevoegd zien. Dat vergroot de reikwijdte.

Om de effectiviteit niet te belemmeren, hebben wij voorgesteld niet vooraf financiële grenzen af te bakenen noch tijdslimieten op te nemen in het reglement. De snelle-reactiefaciliteit moet van nature flexibel zijn.

Wij zouden de Commissie willen vragen in het begin vooral veel en vaak te evalueren en daarover aan ons Parlement te rapporteren. Wij zijn daarbij ook zeer benieuwd naar hoe de faciliteit zich gaat verhouden tot het ECHO-programma. Wij hebben het hier over een nieuw instrument en van zijn kinderziektes kunnen wij leren.

Ten slotte zou ik graag vragen of er in de toekomst nog een discussie mogelijk is met de commissaris over eventuele scenario's voor inzet, want wij praten nu theoretisch over instrumenten, maar wij moeten ook in de toekomst praten over de praktische toepassingen en daarvoor zal een scenariodiscussie, denk ik, zeer gewenst zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Van den Bos (ELDR). - Voorzitter, de wereld verwacht steeds meer van Europa als het ergens fout gaat, en terecht. Wij beschikken over de middelen, de organisatie en intentie om te helpen in noodsituaties en van Amerika onder Bush heeft vooral Afrika in dit opzicht heel weinig te verwachten.

Daarom juich ik het voorstel van de Commissie toe om een snellereactiemechanisme op te zetten naast de militaire eenheid en ter aanvulling op ECHO. Dit nieuwe mechanisme zal zeker in een behoefte voorzien, zozeer zelfs dat de vraag spoedig het aanbod aan hulp zal kunnen overtreffen. De voor dit jaar beschikbare middelen vind ik een belediging van de serieuze opzet van de SRM. Zelfs als het bedrag in latere jaren wordt verdubbeld of verdrievoudigd blijft het een lachertje in verhouding tot de vele acties die onder het nieuwe concept kunnen vallen. Het gaat om snel besluiten, optreden en financieren. De indrukwekkende lijst van operaties, uit het overigens uitstekende verslag-Newton Dunn, wekt daarom wel enige verbazing. Daar staan vele belangrijke taken in die eigenlijk geen spoedeisend karakter hebben, zoals onderwijs geven, verkiezingen waarnemen of mijnen opruimen. Kan de commissaris ons duidelijkheid verschaffen over wat volgens hem de actieradius zal moeten zijn, ook in het licht van de beperkte financiële mogelijkheden.

De opzet van de SRM spreekt mij aan, een eerste-pijlerconstructie onder verantwoordelijkheid van de Commissie. Het is van het grootste belang dat ons Parlement er volledig bij betrokken wordt. Worden wij tijdig op de hoogte gebracht van voorgenomen acties? Er wordt veel gesproken over competentieproblemen en rivaliteit tussen de heren Patten en Solana, een taakverdeling militair en civiel tussen de regeringen en de Commissie is op papier heel goed mogelijk, maar zou in de praktijk best wel eens tot grote problemen kunnen leiden. Kan de commissaris ons op dit punt geruststellen? Europees politiek, militair en civiel optreden moet goed gecoördineerd worden, ook dat verwacht de wereld terecht van ons.

 
  
MPphoto
 
 

  Schroedter (Verts/ALE). - (DE) Meneer de Voorzitter, sinds Amsterdam heeft de Unie zich trots opgeworpen als het brandweerkorps van Europa in crisissituaties. Het probleem daarbij is alleen dat zij niet eens beschikte over de emmers voor het bluswater. Via het Fonds voor snelle reactie heeft de Unie die emmers sinds kort kunnen aanschaffen en daar ben ik echt blij mee. Ik had echter graag gezien dat die brandweer ook brandslangen aangeschaft zou hebben. Een aantal collega's heeft ook al benadrukt dat de financiële middelen in dit Fonds ontoereikend zijn, en brandslangen zijn nu eenmaal duur. Het Fonds voor snelle reactie is desondanks een verbetering, hoewel ik er nog één keer duidelijk op wil wijzen dat het zeer eenzijdig gestructureerd is, omdat het zich uitsluitend richt op maatregelen achteraf. De maatregelen vooraf, de preventieve maatregelen, zijn echter veel belangrijker. Voor dat doel is een politiemacht alleen niet voldoende. Daarom verwachten wij ook dat er een Europese Eenheid voor openbare veiligheid gefinancierd zal worden waar het Parlement in zijn resolutie van 1999 ook om verzocht heeft. Wij verzoeken de heer Solana om achter dit soort zaken meer vaart te zetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Marset Campos (GUE/NGL).(ES) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats wil ik de heer Newton Dunn feliciteren met zijn verslag en met de soepelheid waarmee de Commissie buitenlandse zaken allerhande suggesties heeft overgenomen. Wij vinden dat de Commissie een belangwekkend initiatief heeft genomen. Alhoewel onze fractie, de Confederale Fractie Europees Unitair Links/Noords Groen Links, begrijpelijkerwijs geen unaniem standpunt inneemt over dit onderwerp zijn wij toch in meerderheid vóór deze Snellereactiefaciliteit. Wij menen dat dit belangrijke mechanisme het onderwerp moet zijn van een Europees communautair beleid en dat het zwaartepunt van de Europese bijdrage aan de vrede veel nadrukkelijker bij conflictpreventie dient te liggen.

Vandaar dat wij de voorkeur hadden gegeven aan meer financiële armslag en meer coördinatie om de verschillende programma’s beter op elkaar af te stemmen. Bovendien hadden wij liever meer gedeelde verantwoordelijkheid gezien in geval van een – soms helaas noodzakelijk - militair ingrijpen, een ingrijpen dat wellicht voorkomen kan worden indien de voorafgaande fasen worden gerealiseerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Belder (EDD). - Mijnheer de Voorzitter, de discussie over de snelle-reactiefaciliteit, begint langzamerhand slepend te worden. Nog steeds zijn de lidstaten het niet eens over de invulling van dit mechanisme. Naar verluidt zal het ook nog wel even duren voordat overeenstemming wordt bereikt en dat terwijl het hier gaat om zeer beperkte financiële gevolgen voor de lidstaten. Ze hoeven hun bijdrage aan het externe beleid van de Unie niet te verhogen, maar moeten slechts goedkeuring geven aan het faciliteren van verschuivingen binnen de bestaande middelen. Uit de moeizame onderhandelingen blijkt andermaal dat hoge idealen over een extern beleid van de Unie, in de praktijk stuklopen op stevige posities van de nationale lidstaten.

Het wegnemen van de geografische beperking van door de Unie gecreëerde programma’s mag er niet toe leiden dat de Europese Unie naar willekeur overal ter wereld gaat ingrijpen. Ik ben dan ook verheugd over de concretiseringen die in het verslag van de Commissie buitenlandse zaken zijn aangebracht op dit voorstel. Bij dit mechanisme gaat het nadrukkelijk om acties in het kader van Europese programma’s. Daar waar de uitvoering van die programma’s door crises in gevaar komt, kan dit mechanisme hulp bieden.

Echter, op een ander punt deel ik de conclusies van het verslag niet. Ik wil namelijk, in tegenstelling tot de rapporteur, vasthouden aan het crisiscomité uit het Commissievoorstel. Op die manier voorkomen we dat voldoende draagvlak in de lidstaten voor acties ontbreekt. Bovendien zorgen we voor de nodige coherentie tussen acties van de Unie en van de lidstaten. Niet onbelangrijk, na alle kritiek die het externe optreden van de Unie de afgelopen jaren heeft moeten doorstaan.

Ook bij de suggesties die gedaan worden in de toelichting om de rechtsgrondslag van deze verordening te veranderen, heb ik mijn bedenkingen. Artikel 308 is het enige artikel waarop dit voorstel gebaseerd kan worden. Bovendien vraag ik me af of het toevoegen van artikel 179 de snelheid van dit mechanisme bevordert. Medebeslissing door het Parlement lijkt mij onnodig vertragend werken. Wel moeten we achteraf de Commissie ter verantwoording kunnen roepen over de gebruikmaking van dit mechanisme

 
  
MPphoto
 
 

  Sichrovsky (NI). - (DE) Meneer de Voorzitter, de achterliggende gedachte van het voorstel voor een verordening voor de oprichting van een Snellereactiefaciliteit is zonder meer toe te juichen, maar de vraag is of de praktische uitvoering ervan niet zal struikelen over bureaucratische horden en conflicten op het gebied van bevoegdheden en invloed. Tot nu toe heeft de Europese Unie in het kader van crisisbeheersing en conflictoplossing geen erg overtuigende rol gespeeld. Dit lijkt echter niet veroorzaakt te worden door een gebrek aan personele of financiële middelen. Het is eerder een probleem dat te maken heeft met de manier van beheer, met de planning en coördinatie van de verschillende ideeën en maatregelen. De intentieverklaring om hieraan bij de conflictoplossing en crisispreventie meer aandacht te besteden, moet echter als een belangrijke stap in de goede richting worden beschouwd. Tot nu toe heeft de EU via financiële middelen voor een deel geweldige resultaten bereikt bij het verbeteren van de situatie in crisisgebieden. Geld kan echter niet altijd als vervanging dienen voor politieke intenties en politieke invloed. Als de EU in de toekomst een grotere rol zou willen spelen, moet ook de politieke wil aanwezig zijn om zich meer te bemoeien met de noodzakelijke maatregelen.

Ik ben hier slechts als vertegenwoordiger van een klein land, maar ik kan u verzekeren dat juist Oostenrijk, vanwege zijn lange traditie van neutraliteit en ongebondenheid, veel ervaring heeft op het gebied van politieke bemiddelingsactiviteiten en crisisinterventie en daardoor ook door de conflictpartners dienovereenkomstig wordt geaccepteerd. Misschien moet daarom juist op dit terrein meer rekening worden gehouden met de ervaringen van de kleinere landen binnen de EU. Bij crisisbeheersing en bemiddelingspogingen draait het in eerste instantie niet om enorme financiële middelen en grote, opgeblazen organisaties, maar veel meer om het vertrouwen dat het bemiddelingsaanbod wekt bij de strijdende partijen. Op dit gebied is de EU tot nu altijd in gebreke gebleven.

Wij hebben een probleem met ons imago onder strijdende partijen in de talloze crisishaarden in de wereld. Dat probleem kan niet alleen opgelost worden met nieuwe afdelingen en financiële herzieningen. Wat wij daarvoor ook nodig hebben, is de ondubbelzinnige intentie om een grotere verantwoordelijkheid te dragen op het gebied van bemiddeling en crisisinterventie.

 
  
MPphoto
 
 

  Van Orden (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zie dat de commissaris in gesprek is met de heer Brok, maar ik hoop desondanks dat hij naar mij luistert. Dit Parlement heeft de Commissie gevraagd om meer efficiëntie in het financieel beheer en de administratieve procedures, zodat in crisissituaties of situaties waarin mensenlevens op het spel staan externe hulp kan worden geboden en programma’s, zoals mijnopruimingsacties, met spoed kunnen worden gerealiseerd. Het lijkt ons dat dit het motief was dat ten grondslag lag aan het voorstel van de heer Patten inzake de Snellereactiefaciliteit. Ik hoop dat dit inderdaad het geval is en ik zou de commissaris willen vragen dit te bevestigen.

Het is jammer dat de term “Snellereactiefaciliteit” is gebruikt voor iets wat uiteindelijk toch een procedurele kwestie, een financieel instrument, is. Het wordt gemakkelijk verward met “Snellereactiemacht”; in de media zijn deze twee zaken ook door elkaar gehaald en dit gebeurde deze week zelfs in het zittingsnieuws van het Parlement. Misschien kan de Commissie de titel beter wijzigen in “Snellefinancieringsfaciliteit”, of iets van die strekking.

We steunen het principe zoals ik het heb beschreven, maar er zijn wel een paar ongelukkige elementen ingeslopen. Ten eerste wordt niet naar de faciliteit verwezen in het kader van het GBVB en de externe eerste-pijleracties van de Commissie zelf, maar is deze in het kader van het gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid geplaatst. We hebben al vele malen onze bedenkingen geuit over de vraag of de EU zich in militaire kwesties moet mengen, en die bedenkingen zijn door de ontwikkelingen in Nice niet weggenomen. Dit is echter een op zichzelf staande kwestie. We moeten de financiële faciliteit van de Commissie niet verwarren met deze defensiekwesties.

Ten tweede loopt door het hele voorstel een rode draad van politieke correctheid. Zo sta ik ervan te kijken dat de strijd tegen gender-discriminatie onder de categorie crisisbeheersing valt en dus het gebruik van de Snellereactiefaciliteit in gang kan zetten.

Ten derde, en dat is voor ons van groter belang, heeft de heer Newton Dunn, de rapporteur, een amendement ingediend ten behoeve van een van zijn eigen stokpaardjes, namelijk de oprichting van een Europese Eenheid voor openbare veiligheid, met andere woorden, een Europese gendarmerie of gewapende politiemacht. Dat is de voornaamste reden dat we dit verslag niet kunnen goedkeuren.

We willen geen Europees leger en al helemaal geen Europese politiemacht. We willen wel dat de Commissie haar externe hulpverlening op een meer doeltreffende wijze uitvoert en we verwelkomen maatregelen ter bevordering hiervan.

 
  
MPphoto
 
 

  Carrilho (PSE). - (PT) Mijnheer de Voorzitter, het Europees Parlement heeft steeds gepleit voor de versterking van de niet-militaire interventiecapaciteit van de Europese Unie. Daarom juichen wij het voorstel van de Raad toe en steunen wij het verslag van de heer Newton Dunn, dat de oorspronkelijke tekst verbetert. Het gaat hier om thema's die onder de eerste pijler vallen. Zoals u weet, wordt er echter in het kader van de tweede pijler een militaire Snellereactiefaciliteit voorbereid die met de uitvoering van Petersbergtaken en dergelijke zal worden belast. Verwacht wordt dat deze taken in derde landen ten uitvoer zullen worden gelegd waar ook de niet-militaire Snellereactiefaciliteit zal moeten optreden. Hoe zal dit in zijn werk gaan? In welke gevallen? Hoe moeten wij ons die relatie voorstellen? En hoe zal een en ander gecoördineerd worden? Als u het mij vraagt, had ook dit aspect in het document aan bod moeten komen. Dat was ongetwijfeld bijzonder nuttig geweest. Als lid van dit Parlement zou ik het overigens bijzonder appreciëren als de barrières tussen de verschillende bevoegdheidssferen werden opgeheven, zodat binnen de Europese Unie een betere samenwerking tot stand kan komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Titford (EDD). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, mijn partij onderkent ten volste dat de ontwikkelde landen middelen dienen vrij te maken voor internationale crisissituaties en dat er in dergelijke situaties snel en effectief moet kunnen worden opgetreden. In dit kader is het voorstel van de Commissie zinvol, aangezien het voorziet in de mechanismen die nodig zijn om op crisissituaties te kunnen reageren.

We zijn evenwel van mening dat, als we zowel snel als effectief willen reageren, onze inspanningen werkelijk op internationale schaal gepland, gefinancierd en uitgevoerd moeten worden, waarbij de middelen en de capaciteiten van de gehele vrije wereld moeten worden benut, ook de technische potentie en de goodwill van de Verenigde Staten.

De mechanismen waarmee dit kan worden gerealiseerd bestaan reeds in de hoedanigheid van de Verenigde Naties en de diverse VN-instanties. Hoewel deze instanties niet volmaakt zijn en altijd wel voor verbetering vatbaar zullen blijven, hebben zij veel goeds gedaan en veel lijden verlicht. Als we het optreden in crisissituaties in de toekomst verder willen verbeteren, kunnen we het beste via deze instanties blijven werken en erop toezien dat middelen op een verstandige en efficiënte wijze worden aangewend. De Commissie heeft met haar voorstel simpelweg het wiel opnieuw uitgevonden en laat zo de politieke ambities van de Europese Unie prevaleren boven de behoeften van mensen in nood.

Mensen in crisissituaties hebben net zoveel aan een Europese Snellereactiefaciliteit als een vis aan een fiets. We kunnen deze prachtige plannen beter laten varen en in plaats daarvan de bestaande instanties, die beter presteren dan de EU ooit zal doen, steunen en verder ontwikkelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hume (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, in het kader van dit debat verwelkom ik het voorstel van het Zweedse Ministerie van Buitenlandse Zaken dat ik zojuist onder ogen heb gekregen, namelijk een voorstel voor een doelgericht actieplan voor conflictpreventie. Zoals ik al eerder heb gezegd moeten we als Europese Unie in de conflictgebieden immers een vredesfilosofie uitdragen, en er niet alleen legers heen sturen.

De Europese Unie is het beste voorbeeld van conflictoplossing in de hele wereldgeschiedenis en we zijn geneigd dat te vergeten. Kijk maar naar de vorige eeuw: in de eerste helft van die eeuw vond het ergste conflict plaats dat de wereld ooit had gezien: twee wereldoorlogen met miljoenen slachtoffers. Wie had ooit kunnen voorspellen dat diezelfde volkeren in de tweede helft van die eeuw in de Europese Unie zouden samenkomen?

Ik weet uit eigen ervaring dat de beginselen die ten grondslag liggen aan de Europese Unie conflicten waar ook ter wereld tot een oplossing kunnen brengen. Denkt u daarom niet dat het een zeer positief en verstandig voorstel is om binnen de Europese Unie een instantie op te zetten die zich daarmee bezig houdt? Met andere woorden, de Commissie dient te beschikken over een departement van vrede en verzoening en een commissaris voor vrede en verzoening die vooraf naar conflictgebieden gaat en daar de beginselen van conflictoplossing toepast, met name die beginselen die ten grondslag liggen aan de Europese Unie zelf.

 
  
MPphoto
 
 

  Howitt (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, tot mijn spijt heb ik tijdens het debat parlementsleden uit mijn eigen regio in het Verenigd Koninkrijk horen zeggen dat ze zich tegen dit verslag zullen uitspreken. Ik steun de Snellereactiefaciliteit van harte en dat doe ik als lid van de Commissie ontwikkelingssamenwerking van het Parlement.

In de week waarin 600 mensen zijn omgekomen bij de aardbeving in El Salvador moet de Europese Unie in staat zijn sneller te handelen dan het geval was in 1998 toen de orkaan Mitch in datzelfde land huishield. Om te beginnen verzoek ik commissaris Patten ons bij het afsluiten van dit debat te verzekeren dat de faciliteit ter ondersteuning van de ontwikkelingsdoelstellingen van de EU zal worden benut voor crisissituaties overal ter wereld en niet alleen in onze eigen achtertuin.

Ten tweede wil ik graag weten hoe hij zo’n belofte kan doen terwijl de Commissie jaar in jaar uit voorstelt interventiemaatregelen in Midden- en Oost-Europa en voormalig Joegoslavië te financieren ten koste van de begrotingslijnen die bestemd zijn voor de ontwikkelingslanden.

Ten derde verzoek ik hem in detail aan te geven wat het operationele verband is tussen de Snellereactiefaciliteit en de bekostiging van ECHO en uit te leggen waarom hij niet tegelijkertijd met voorstellen is gekomen om onze humanitaire ondersteuning als onderdeel van het hervormingsprogramma te bespoedigen. Hij weet dat wij dat programma steunen.

Ten slotte wil ik weten of hij onze overtuiging deelt dat ontwikkeling de beste vorm van conflictpreventie is en of hij bereid is het ontwikkelingsprogramma van de EU te verbeteren om te voorkomen dat er in volgende jaren interventiemaatregelen moeten worden getroffen.

 
  
MPphoto
 
 

  Patten, Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben blij in de gelegenheid te zijn te reageren op het uitstekende verslag van de heer Newton Dunn over de Snellereactiefaciliteit. De heer Newton Dunn is zowel een vriend als een collega van mij. Vroeger waren we zelfs stamgenoten, voordat hij van het reservaat afdwaalde. Ik hoop dat het een tijdelijke dwaling is. De auteur kennende, verbaast dit uitstekende verslag mij echter in het geheel niet.

De Snellereactiefaciliteit, zoals die in het verslag wordt genoemd, noemen we nu natuurlijk het snellereactiemechanisme om verwarring te voorkomen met de snellereactiemacht, waarover ik geen enkele zeggenschap heb. Ik herhaal dit nog maar eens voor de lezers van bepaalde delen van de pers in het land dat ik het beste ken. En speciaal voor de opiniepagina van The Daily Telegraph wijs ik erop dat “geen enkele zeggenschap” ontkennend is en niet bevestigend.

Ik wijs erop dat ik wel degelijk heb geluisterd naar de toespraak van mijn vriend, de heer Van Orden. Het was wat ik noem spijkers op laag water zoeken. Zijn voornaamste bezwaar betrof, meen ik, amendement 9 en, zoals ik zo meteen zal toelichten, daar zijn wij tegen. Maar als er verwarring bestaat over wat we proberen te bewerkstelligen, komt dit deels door wat enkele personen die het met mijn geachte collega eens zijn, over deze voorstellen hebben gezegd.

Als Conservatieven zoals mijn geachte vriend hier niet mee instemmen, stel ik de niet geheel retorisch bedoelde vraag waar ze dan in hemelsnaam ooit wel mee zullen instemmen. Toen ik nog voorzitter was van de partij waartoe mijn geachte collega behoort, geloofden wij in een versnelling van de financiële ondersteuning. We geloofden zelfs dat we de bureaucratische rompslomp konden verminderen. Ik vraag me dus af waar mijn geachte collega en zijn collega’s tegenwoordig dan nog wel in geloven. Ik denk dat het wenselijk is verder te kijken dan de opiniepagina van The Daily Telegraph als het gaat om een belangrijk onderwerp zoals dit.

Het is mijn verantwoordelijkheid erop toe te zien dat de Commissie in geval van crisissituaties snel en effectief kan reageren, niet alleen zelfstandig maar ook, en dat ligt waarschijnlijk meer voor de hand, als onderdeel van een EU-brede reactie op crisissituaties zoals die waarbij de snellereactiemacht van de Europese Unie kan worden ingezet. De les van de afgelopen jaren is duidelijk. Op crisissituaties reageren betekent erg vaak dat er een breed spectrum van hulpmiddelen moet worden ingezet. Soms zijn dit militaire middelen, vaak beleidsmiddelen en programma’s waarvoor de Commissie verantwoordelijk is of waarbij zij is betrokken, variërend van handelsbeleid tot humanitaire hulp, van waarnemers bij verkiezingen tot ondersteuning in het veld bij douanemissies en grensbeheer, ondersteuning van de onafhankelijke media, enzovoorts.

In het verleden zijn we maar al te vaak niet in staat gebleken snel of efficiënt genoeg op ontwikkelingen in de echte wereld te reageren, bijvoorbeeld op de Balkan, of moesten we ons in Brussel door een wirwar van procedures heen worstelen, waardoor functionarissen niet in staat waren al hun energie te benutten voor de uiteindelijke taak in het veld. Dat was helaas mijn indruk toen ik deze functie op mij nam. We proberen deze gebreken te verhelpen. Feitelijke gebeurtenissen brengen de zwakke punten aan het licht, theoretische modellen niet.

Sinds ik commissaris ben, heb ik veel gedaan om de hulpverlening in de praktijk te verbeteren. Ik denk dat we voortgang hebben geboekt, zoals onze reactie op de recente gebeurtenissen in Servië mijns inziens heeft aangetoond. Daar overkwam de Commissie iets hoogst ongebruikelijks; we werden door de overheid aldaar en door andere donorlanden geprezen om de snelheid waarmee we ter plekke waren. Maar dit gebeurt nog te zelden en om de hulpverlening te krijgen waar die nodig is, moeten onze functionarissen nog altijd een kluwen van bureaucratie ontrafelen.

We zijn het onze functionarissen en degenen die we proberen te helpen verplicht ervoor te zorgen dat ze hun werk naar behoren kunnen doen. Daar is het bij dit voorstel over een snellereactiemechanisme om begonnen, net zoals de bredere hervormingen van onze externe hulpprogramma’s over de hele wereld bedoeld zijn om het hulpprogramma van de Europese Unie een uitstekende reputatie te doen verwerven, die nog verdiend is ook. Het snellereactiemechanisme stelt ons in staat in geval van bestaande of dreigende crisissituaties snel EU-gelden vrij te maken en te besteden. In de ontwerpverordening die door de Raad wordt behandeld komen de amendementen naar voren die het Parlement heeft aangevoerd. We willen maximale flexibiliteit, zowel in geografisch als bureaucratisch opzicht, bijvoorbeeld zonder ingewikkelde comitologie-regels, zodat rechtstreeks informatie aan de Raad en het Europees Parlement kan worden verstrekt en het besluitvormingsproces zoveel mogelijk kan worden vereenvoudigd.

Onze doelstelling is het snellereactiemechanisme aan het begin van een crisis in te zetten tot het reguliere communautaire programma, of dat nu CARDS is of TACIS of wat dan ook, op gang komt. Interventies op grond van het mechanisme zullen qua tijd beperkt zijn en telkens maximaal 12 miljoen euro bedragen.

Voor ik verder op de amendementen inga, wil ik eerst reageren op een paar punten die tijdens het debat naar voren zijn gekomen.

Zowel de heer Newton Dunn als de heer Wiersma - die kort na hem aan het woord was - verzocht mij voorbeelden te geven van situaties waarbij het inzetten van het snellereactiemechnisme zinvol is. Een van de eerste problemen waarmee ik te kampen had toen ik commissaris werd, was hoe er snel olie aan de democratisch bestuurde gemeenten in Servië kon worden geleverd. Om eerlijk te zijn, het vergde het uiterste van onze bestuurlijke creativiteit om dat voor elkaar te krijgen. We hebben het zo weten te regelen dat de Europese Rekenkamer, naar ik meen, tevreden was terwijl de hulp zeer snel ter plaatse was. Het enige andere donorland dat er in verband met de complexiteit van de opdracht bij betrokken was, was Noorwegen, dat zeer op mijn waardering kan rekenen, maar het was een moeilijke opgave. Het zou eenvoudiger zijn geweest als we dit mechanisme tot onze beschikking hadden gehad.

Er zijn mij vragen gesteld over conflictpreventie. Ik ben het van harte eens met de heer Hume. Mijn geachte collega, mijn geachte vriend, zou ik zelfs willen zeggen, hoewel we niet tot dezelfde partij behoren, weet meer van conflictpreventie dan de meesten van ons samen. Het belangrijkste bij conflictpreventie is dat het snel en effectief moet zijn, en ik herhaal het woord “snel”.

De heer Howitt vroeg mij op de man af of ik geloof dat ontwikkelingshulp de beste vorm van conflictpreventie is. Natuurlijk geloof ik dat. Verstandig gebruikte ontwikkelingshulp in combinatie met een royale en verstandige houding ten opzichte van de handelsrelaties tussen landen is veruit de meest effectieve manier om conflicten het hoofd te bieden, iets wat Martin Wolf onlangs op bewonderenswaardige wijze uiteenzette in een uitstekend artikel in The Financial Times, waarin hij de bevindingen van een aantal academische studies van conflicten in Afrika en andere samenlevingen op een rij zette. Ik ben het daar dus mee eens, maar de Commissie komt een dezer maanden met een mededeling over conflictpreventie waarin we proberen een paar vindingrijke ideeën die in de Commissie en daarbuiten zijn ontwikkeld ten aanzien van conflictpreventie, te combineren. De voortschrijdende mondialisering heeft ook haar schaduwzijde, en daarom zal conflictpreventie steeds vaker op de agenda staan van de ministers van Buitenlandse Zaken en Veiligheid.

Maar wat betreft het bieden van assistentie en de middelen om conflictpreventie te kunnen realiseren, wil ik één punt naar voren brengen. Het is voor de Commissie geen kwestie van een begroting plunderen om het geld elders te kunnen inzetten. De Commissie beschikt slechts over het geld dat door de begrotingsautoriteit beschikbaar wordt gesteld, geld dat door de Raad en het Parlement beschikbaar wordt gesteld. Ik ben van mening, en dat zal ik volgende week maandag in de Raad Algemene Zaken nog eens herhalen, dat de Commissie te lang heeft toegestaan dat andere instanties nalaten prioriteiten te stellen. De Commissie heeft een politiek odium op zich geladen omdat zij zelf wel prioriteiten stelt. Ik denk dat we het Parlement en de ministers veel meer moeten betrekken in de discussie over de relatie tussen onze politieke en ontwikkelingsprioriteiten en onze externe uitgaven overal ter wereld. Als we slechts een beperkte hoeveelheid geld te besteden hebben, en dat zal voorlopig, zolang er een minister van Financiën is, ook wel zo blijven, zullen we immers altijd weer zeer moeilijke keuzen moeten maken tussen verschillende prioriteiten en de gemaakte keuzen zullen niet iedereen zinnen.

Maar ik ben het eens met wat het geachte parlementslid opmerkte over ontwikkelingshulp en met zijn opvatting dat die in de eerste plaats dient te zijn gericht op verlichting van de armoede.

Ik wil nu graag stilstaan bij de voorgestelde amendementen. Van de 38 amendementen die zijn ingediend, neemt de Commissie er 34 over, deels ongewijzigd, deels met kleine veranderingen. Dit geeft aan hoe dicht onze opvattingen over deze kwestie bij elkaar liggen.

We hebben moeite met vier amendementen. Ten eerste amendement 9: in het eerste deel wordt gesproken over de noodzaak de Snellereactiefaciliteit te ondersteunen door middel van grote civiele doeleinden. We verwelkomen dit inzicht, maar we kunnen niet akkoord gaan met de oprichting van de Europese Eenheid voor openbare veiligheid die in het tweede deel van het amendement wordt voorgesteld. Dit gaat de opdracht van de Commissie duidelijk te boven. Ik hoop dat mijn geachte vriend, de heer Van Orden, daar notitie van heeft genomen en dat die nachtmerrie in ieder geval uit de weg is.

Amendement 14 voegt een nieuwe overweging toe aan de financiële grondgedachte achter de begrotingslijn die voor het mechanisme en de begrotingsvoorziening is opgesteld. Dit amendement lijkt voort te komen uit een eerder misverstand inzake het hele mechanisme dat later in debatten in het Europees Parlement is opgehelderd. Het is duidelijk geen kwestie van activiteiten of begrotingen bij het GBVB weghalen of opties die onder die pijler vallen bij een communautair kader inlijven. Het mechanisme is voor honderd procent een communautair instrument en dat geldt ook voor de begroting ervoor.

Wij kunnen amendement 28 niet goedkeuren, omdat de “Gemeenschap” niet de begrotingsautoriteit is. Alleen de begrotingsautoriteit is gerechtigd de jaarlijkse financiële begrotingsvoorzieningen vast te stellen.

Ten slotte nog dit: de Commissie zou op zich niet tegen amendement 29 zijn geweest, maar omwille van het compromis hebben we de eis van de Raad ingewilligd om de duur van de operaties te beperken, gezien de aanzienlijke flexibiliteit die in andere opzichten is gerealiseerd.

Zoals de geachte parlementsleden zullen begrijpen, zijn dit niet bepaald fundamentele verschillen. Dat komt omdat onze doelstellingen in principe hetzelfde zijn, dat wil zeggen de effectiviteit aanzienlijk vergroten, onze reactie in crisissituaties verbeteren. En ik herhaal, dat is waar het bij dit mechanisme om draait. Ik verwelkom de steun die verreweg de meeste parlementsleden het tot dusverre hebben verleend. Ik hoop van harte dat het ook deze week op de steun van de geachte parlementsleden kan rekenen, want, net als u, wil ik het mechanisme zo snel mogelijk in werking laten treden.

Het gaat hier om de geloofwaardigheid en de effectiviteit van de Europese Unie over de hele wereld. Nogmaals, als er parlementsleden zijn die deze zaak niet steunen, vraag ik me sterk af waar de Europese Unie volgens hen dan wel voor bedoeld is.

(Applaus)

 
  
  

VOORZITTER: MEVROUW LIENEMANN
Ondervoorzitter

De Voorzitter. Ik dank u, mijnheer de commissaris.
Het debat is gesloten.
De stemming vindt vandaag om 12.00 uur plaats.

 

3. Korea
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde zijn de volgende mondelinge vragen:

- B5-0560/2000, van de heer Brok, namens de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid, aan de Raad, over de Democratische Volksrepubliek Korea;

- B5-0825/2000, van de heer Brok, namens de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid, aan de Commissie, over de Democratische Volksrepubliek Korea.

 
  
MPphoto
 
 

  Brok (PPE-DE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, geachte collega's, sta mij toe wat nader in te gaan op deze vraag van de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid. Ik wil met name aandacht besteden aan de ervaringen die onze collega, de heer Santer, en ook andere collega's hebben opgedaan tijdens hun reis in Noord-Korea. Ik ben van mening dat de Europese Unie hier een grotere rol zou moeten spelen dan tot nu toe het geval is geweest en dat ons beleid zich niet uitsluitend zou moeten richten op de steun aan het KEDO-programma. Het is zonder meer te betreuren dat er geen gecoördineerd optreden ten opzichte van Korea heeft plaatsgevonden nu acht lidstaten de diplomatieke betrekkingen inmiddels weer hebben hersteld.

De ontwikkelingen in het afgelopen jaar op het Koreaanse schiereiland waren bijzonder interessant, met name vanwege de toenadering tussen Noord- en Zuid-Korea en de wederzijdse gezinsherenigingen die daardoor mogelijk zijn geworden. Wij moeten ons echter blijven realiseren dat dit gebied nog steeds een potentiële crisisregio van grote betekenis is. Aan de andere kant dient zich nu de politieke kans aan om een duurzame vredesregeling te bewerkstelligen. Daarom is het noodzakelijk dat de Europese Unie als internationaal acteur op een multipolair toneel op dit vlak actie onderneemt.

Daarbij moeten wij uitgaan van een beleid dat op democratie en respect voor de mensenrechten in Noord-Korea is gericht en daardoor wezenlijk kan bijdragen aan verdere verbetering van de verstandhouding tussen de beide Korea's. Die betere verstandhouding heeft er na de ontmoeting tussen de beide presidenten toe geleid dat voor de eerste keer weer over een eenwording van beide landen wordt gesproken.

Een dergelijk beleid moet ook de mogelijkheid bieden om meer informatie te krijgen over kwesties op het gebied van de voedselvoorziening en gezondheidssystemen in Noord-Korea. In dat verband zou er ook een duidelijker beeld moeten ontstaan over de manier waarop relevante hulpmaatregelen in een politiek concept geïntegreerd kunnen worden om niet alleen de huidige situatie te verbeteren, maar misschien ook de noodzakelijke ontwikkeling in gang te zetten die kan bijdragen aan een duurzame vrede in deze regio. Een duurzame vrede is uiteraard ook wereldwijd van belang. Als wapenleverancier speelt Noord-Korea namelijk een belangrijke rol in de huidige wereld. In combinatie met de ontwikkeling van moderne massavernietigingswapens en draagraketten zou dit land best in staat kunnen zijn om uit te groeien tot een grote bedreiging voor andere delen van het Aziatische continent en zelfs daarbuiten.

Ik ben van mening, mevrouw de Voorzitter, dat we daarom op deze terreinen verbeteringen moeten bewerkstelligen om de proliferatie van kernwapens tegen te gaan en zo een bijdrage te leveren aan de stabiliteit in deze wereld.

Ik hoop dat onze ontwerpresolutie op uw steun kan rekenen en dat de Raad en de Commissie samen met het Europees Parlement een gecoördineerde aanpak ontwikkelen zodat we, ook in ons eigen belang, onze bijdrage in dat gebied kunnen leveren.

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson, Raad. - (SV) Mevrouw de Voorzitter, geachte afgevaardigden, tijdens de bijeenkomst die van 25 tot 27 november vorig jaar in Pyongyang plaatsvond in het kader van de politieke dialoog, wees de Europese trojka met nadruk op de belangrijkste onderdelen van de richtlijnen met betrekking tot de Democratische Volksrepubliek Korea - richtlijnen die waren goedgekeurd door de Raad tijdens zijn vergaderingen op 9 oktober en op 20 november.

Staat u mij toe om in het kort de drie belangrijkste van deze richtlijnen te noemen. Ten eerste gaat het om de steun van de Unie voor de inspanningen om tot een waarachtige vrede tussen de twee Koreaanse staten te komen. Ten tweede is het belangrijk dat de Democratische Volksrepubliek Korea verantwoord handelt inzake de non-proliferatie van kernwapens en stopt met de export van raketten. Ten derde moet de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties worden geëerbiedigd.

Wat het aanknopen van diplomatieke betrekkingen met de Democratische Volksrepubliek Korea betreft, werd de Raad het er op 20 november vorig jaar over eens dat de partijen die hierin geïnteresseerd zijn, onderling overleg zullen plegen en de Raad zullen informeren over hun discussies met Pyongyang.

De Raad heeft herhaalde malen geëist dat de Democratische Volksrepubliek haar verplichtingen krachtens het Non-proliferatieverdrag volledig nakomt en ophoudt met alle productie, tests en export van raketten en rakettechniek. De Unie heeft de Democratische Volksrepubliek ook aangemaand om het Verdrag inzake een volledig verbod op kernproeven te ondertekenen en te ratificeren. Verder heeft de Unie aan de Democratische Volksrepubliek Korea meegedeeld dat zij concrete maatregelen naar aanleiding van deze vraagstukken verwacht.

In alle contacten met de Democratische Volksrepubliek Korea heeft de Unie met nadruk gewezen op haar grote ongerustheid over de ernstige schendingen van de mensenrechten die in het land plaatsvinden, over het aantal politieke gevangenen, over het ontbreken van nationale wetgeving en over de weigering van de Koreaanse autoriteiten om samen te werken volgens internationale mechanismen ter verdediging van mensenrechten. Er is geëist dat er verbeteringen komen op deze gebieden.

Wij zullen het belang van deze problemen blijven benadrukken. De Unie is verheugd over het besluit van de Democratische Volksrepubliek om haar rapportage volgens het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voor het jaar 2000 te hervatten, en de Unie hoopt dat het land nu een nuttige en constructieve dialoog voert met de VN-Comité voor de rechten van de mens, op basis van haar eigen rapport.

Wat maatregelen betreft, heeft de Raad de Commissie aangemaand om een begin te maken met de behandeling van het verzoek om technische steunmaatregelen die kunnen worden genomen in de sectoren die een hoge prioriteit hebben. De Raad en de Commissie zullen zo snel mogelijk onderzoeken welke maatregelen mogelijk zijn om de Europese markt voor Noord-Koreaanse producten te openen. Er zullen studies worden verricht naar de uitvoerbaarheid van maatregelen op de gebieden waaraan een hoge prioriteit wordt toegekend. De Europese Unie zal zich inspannen om het politiek overleg met de Republiek Korea uit te breiden. De inspanningen van dit land voor een toenadering tussen de beide Koreaanse staten hebben de volle steun van de Unie. Het is ook belangrijk om gebieden vast te stellen voor gemeenschappelijke maatregelen, onder andere betreffende technische steun aan en economische samenwerking met de Democratische Volksrepubliek Korea.

 
  
MPphoto
 
 

  Patten, Commissie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik ben blij met deze gelegenheid een en ander over dit bijzonder belangrijke onderwerp te zeggen. De recente gebeurtenissen op het Koreaanse schiereiland zijn van groot belang voor ons allen in Europa en voor de bijdrage die wij leveren om de verzoening op het Koreaanse schiereiland te bevorderen, om de Noord-Koreaanse regering en maatschappij als het ware niet langer in de kou te laten staan. Deze inspanningen bevestigen dat voor Europa een mondiale rol is weggelegd, die enigszins vergelijkbaar is met de rol die Japan in de Balkan heeft gespeeld, namelijk de stabiliteit bevorderen. Ook wij hebben verantwoordelijkheden buiten ons eigen werelddeel.

Tijdens de Raad Algemene Zaken van 9 oktober en 20 november jongsleden zijn afspraken gemaakt over de manier waarop de Europese Unie de recente ontwikkelingen op het Koreaanse schiereiland het best kan benaderen. Deze benaderingswijze is er, zoals ik al aangaf, op gericht het verzoeningsproces tussen de twee Korea’s te steunen om zo vrede en stabiliteit op het Kreaanse schiereiland te bewerkstelligen. De Commissie zal op grond van deze benaderingswijze haar steun aan Noord-Korea voortzetten en overweegt die steun uit te breiden. De laatste jaren is er in totaal zo’n 275 miljoen euro aan steun besteed - waaronder de bijdrage aan de Organisatie voor energieontwikkeling op het Koreaanse schiereiland (KEDO).

Uitbreiding van de steun dient echter te worden afgestemd op door de DVK geboekte vooruitgang op terreinen die ons en, dat weet ik, de leden van dit Parlement de meeste zorg baren. Eerbiediging van de mensenrechten, bijvoorbeeld; non-proliferatie; toegang tot externe hulpverlening voor de bevolking; betere werkomstandigheden voor NGO’s - een punt waar ik de minister van Buitenlandse Zaken van de DVK in Bangkok afgelopen zomer op heb gewezen - en het openstellen van de economie van de DVK en de daarvoor noodzakelijke structurele hervorming.

Deze benadering is eind november tijdens het bezoek van de Trojka van hoge ambtenaren aan Pyongyang onder de aandacht van de Noord-Koreaanse autoriteiten gebracht. Ik begrijp dat mijn diensten het Parlement volledig van deze kwestie op de hoogte houden. Het Parlement toont sinds enige tijd een actieve belangstelling voor dit onderwerp.

De aan de DVK geleverde humanitaire en voedselhulp - ongeveer 200 miljoen euro sinds 1993 - zal worden voortgezet. De Commissie heeft onlangs nog een nieuw voedselzekerheidsprogramma voor 2000 aangenomen waarmee 20 miljoen euro is gemoeid. Ik wijs erop dat er sprake is van een verschuiving van gewone voedselhulp naar meer structurele vormen van voedselhulp en met name de levering van grondstoffen en technische ondersteuning om de landbouwproductie te verhogen. Het tenuitvoerlegging van in 2000 goedgekeurde humanitaire projecten zal zeker tot de zomer van dit jaar duren.

Humanitaire hulp - voornamelijk medicijnen, water, sanitaire voorzieningen en winterkledij - zal op een meer selectieve basis worden gecontinueerd, maar op een niveau dat aansluit bij de werkelijke humanitaire behoefte. We hebben ook de mogelijkheid de hulpverlening uit te breiden als de autoriteiten van de DVK verdere vooruitgang boeken, met name als het gaat om de toegankelijkheid voor de meest kwetsbare bevolkingsgroepen en de verbetering van de werkomstandigheden voor niet-gouvernementele organisaties.

Bovendien overweegt de Commissie mogelijke maatregelen op het vlak van technische ondersteuning en handel, die geleidelijk zouden kunnen worden uitgebreid als Noord-Korea vorderingen boekt op de terreinen die ik eerder noemde. Een eerste aanzet zou een algemene verhoging van 60% van het textielquotum kunnen zijn en voor enkele categorieën producten een verhoging van 50%.

Binnenkort gaat een groep deskundigen op onderzoeksreis om een taxatie te maken van de behoeften en om vast te stellen op welke terreinen proefprojecten op het gebied van technische ondersteuning gewenst zijn. Eén terrein waarvoor dat zeker zal gelden heeft de bijzondere belangstelling van de heer Ford, namelijk de kwestie van de energiesector in Noord-Korea, die voor de economische toekomst van Noord-Korea van groot belang is.

Wat betreft het aangaan van diplomatieke betrekkingen tussen de Europese Unie en de DVK, denkt de Commissie momenteel na over het juiste moment waarop zij, in nauwe samenwerking met de lidstaten, deze stap zou kunnen zetten.

Ten slotte nog dit: de inspanningen van Nobelprijswinnaar president Kim Dae-jung ten behoeve van verzoening op dit schiereiland getuigen duidelijk van een vooruitziende blik. Maar het is ook duidelijk dat president Kim Dae-jung zeer realistisch is over wat op de korte termijn haalbaar is. Ik geloof niet dat hij qua tempo en de nagestreefde ontwikkelingen enige illusies koestert.

Het is van belang dat we onze blik op de toekomst gericht houden en daar naartoe blijven werken. We kunnen ons laten inspireren door president Kim Dae-jung, een van de grote staatslieden van deze tijd. Ik hoop dat de Europese Unie door zijn aanmoediging een rol zal blijven spelen in het bevorderen van vrede en welvaart op het Koreaanse schiereiland, de regio en ook de rest van de wereld. Als we de DVK zouden blijven isoleren en als de DVK hierin zou berusten, zouden de gevolgen niet te overzien zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Santer (PPE-DE). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, de resolutie aangaande Noord-Korea, waarover het Parlement nu de stemming voorbereidt, heeft een politiek belang van de eerste orde. Niet alleen zal het Europees Parlement zelf zo zijn standpunt bepalen ten opzichte van de noordelijke helft van het Koreaanse schiereiland, maar het zal daarmee ook de nieuwe richtlijn voor alle Europese instellingen vastgesteld hebben, die uit dit standpunt voortvloeit. In mijn hoedanigheid van voorzitter van de ad-hoc commissie welks bezoek aan Noord-Korea tot het opstellen van de resolutie heeft geleid, wil ik u graag deelgenoot maken van drie fundamentele overwegingen.

De eerste is het aanbreken van een nieuw tijdperk in de bilaterale betrekkingen tussen de twee Korea's, dat wordt gemarkeerd door de toenaderingspolitiek, bijgenaamd de sunshine policy, van president Kim Dae-jung, die een eerste krachtig gebaar gemaakt heeft met zijn historische bezoek aan Pyongyang in juni 2000. Europa heeft de taak de inspanningen van het gehele Koreaanse volk en van de politieke leiders van het schiereiland te ondersteunen, om stabiliteit en een duurzame vrede in Korea te bereiken. In dat kader moet onze Koreaanse politiek worden bezien en moeten de actiepunten ervan worden vastgesteld.

Ten tweede is Korea de laatste natie ter wereld die verdeeld blijft door een muur. Na Duitsland en Jemen, bespeurt Korea nu een perspectief tot samenwerking om zijn binnenlandse muur te slechten. Europa, dat door de twee Koreaanse staten om hulp wordt gevraagd om ze te begeleiden bij het vaststellen van nieuwe economische en politieke betrekkingen op het schiereiland, moet de handschoen opnemen en de Koreanen de weg wijzen naar integratie na een lange en moeilijke periode van verdeeldheid. Het Europese model van het geleidelijk opbouwen van een ruimte zonder grenzen kan hier bij uitstek als voorbeeld dienen. Nogmaals, het is onze politieke verantwoordelijkheid alle denkbare hulp te verlenen aan een Korea dat zich langzaam herstelt van zijn historische scheuring.

Tenslotte wil ik u, meer in het bijzonder wat Noord-Korea betreft, graag zeggen dat de confrontaties en het isolement definitief naar het verleden moeten worden verwezen. De Noord-Koreaanse leiders lijken bereid tot openheid en tot een dialoog met Zuid-Korea, de Verenigde Staten, Europa en Japan, en hoewel we hen uiteindelijk op hun daden moeten beoordelen, ben ik er van overtuigd dat een Europese politiek die bestaat uit een constructieve en kritische dialoog, aanzienlijk zal bijdragen tot veranderingen in de Democratische Volksrepubliek Korea, veranderingen die de hele wereld ten goede zullen komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ford, Glyn (PSE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil graag zeggen dat we de laatste drie jaar enorme vooruitgang hebben geboekt op het gebied van betrekkingen met de DVK. We hebben nu drie interparlementaire delegatievergaderingen gehad en in de resolutie worden de Koreanen opnieuw voor een bezoek uitgenodigd om de dialoog voort te zetten. We hebben gezien hoe de Europese Commissie een ontwikkeling heeft doorgemaakt. Er is een tijd geweest dat we niet eens in gesprek waren met de Noord-Koreanen en nu hebben we zelfs een ECHO-vertegenwoordiger in Pyongyang. Eerst waren er vijf lidstaten met diplomatieke betrekkingen, nu zijn er, naar ik begrijp, dertien landen bezig diplomatieke betrekkingen aan te knopen met de DVK.

Ik zou heel graag zien dat ook de Europese Unie diplomatieke betrekkingen met de DVK aanging. Zoals de heer Patten aangaf, we geven geld aan het KEDO-project, we geven humanitaire hulp en voedselhulp en we hopen ook nog andere vormen van structurele ondersteuning te kunnen geven, in totaal voor 275 miljoen euro. Het is idioot dat dit gebeurt terwijl er geen politieke dialoog mogelijk is. Er is behoefte aan een dialoog over mensenrechten, een dialoog over wapenverkoop, een dialoog over economische ontwikkeling.

De realiteit is dat er een ernstige economische crisis is ontstaan door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, door een reeks natuurrampen en doordat het land niet in staat is gebleken de overstap te maken van de zeer arbeidsintensieve zware industrieën van het verleden naar de nieuwe lichte industrieën. Waarnemers schatten dat de voedselcrisis die hiervan het gevolg is, 3 miljoen slachtoffers heeft geëist, dat is één op de acht inwoners. Momenteel exporteert Noord-Korea uitsluitend grondstoffen en wapens.

Als we een oplossing kunnen vinden, helpen we de bevolking van de DVK zichzelf te helpen door het bieden van voedselhulp en ondersteuning bij het opnieuw opzetten en verder opbouwen van de landbouw, mijnbouw en niet-nucleaire energieprojecten. En als we onszelf ervoor inzetten de noodzakelijke export van militair materieel stop te zetten, dwingen we de nieuwe regering-Bush er wellicht toe de plannen voor een nationaal raketverdedigingssysteem - dat een bedreiging voor de wereldvrede en de stabiliteit vormt - in heroverweging te nemen. Ik wil president Kim Dae-jung van Zuid-Korea feliciteren met zijn zonneschijnbeleid waardoor normalisatie van de betrekkingen tussen de twee Korea’s mogelijk wordt en ik verwelkom de positieve reactie hierop van Kim Jong Il.

De weg vooruit leidt via dialoog. Europa moet deze weg niet alleen volgen omdat hij samenvalt met het huidige beleid van Zuid-Korea, maar ook omdat het de juiste weg is. Wij hebben het voordeel dat wij Japan of de Verenigde Staten niet zijn en dat we als eerlijke onderhandelaars in dit gevaarlijke deel van de wereld kunnen optreden.

 
  
MPphoto
 
 

  Gawronski (PPE-DE).(IT) Mevrouw de Voorzitter, de hoop die werd gewekt door de topontmoeting in juni tussen de twee Kims, tussen de Kim van het noorden en die van het zuiden, lijkt in rook op te gaan. Van optimisme is niet veel meer te bekennen. Noord-Korea heeft zelfs moeite om de weinige, voor het merendeel symbolische verplichtingen op militair gebied na te komen. Het houdt de hereniging van de door de oorlog uit de jaren ’50 uit elkaar gedreven gezinnen tegen en lijkt niet veel te voelen voor het tegenbezoek van Kim Jong II aan Seoel. Dit bezoek was weliswaar voor het komend voorjaar gepland, maar wij weten nog niet of dit ook inderdaad zal plaatsvinden en zo ja, wanneer.

President Clinton heeft besloten af te zien van een bezoek aan Noord-Korea, ofschoon hij die reis dolgraag wilde maken om zijn presidentschap met een historisch gebeuren te kunnen afsluiten. Dit besluit zal misschien een lange pauze teweegbrengen in het openingsproces van dit land naar buiten toe. Desalniettemin zie ik optimisme om mij heen. Ik zie dat de Europese landen elkaar staan te verdringen – de heer Brok sprak hier zojuist ook al over – om het stalinistisch regime van Pyongyang te leren kennen. Daarbij sluiten zij kennelijk de ogen voor hetgeen in dat land gebeurt, en voor de tragische schendingen van de mensenrechten daar.

Natuurlijk moeten wij de toenadering tussen de twee Korea’s bevorderen; natuurlijk moeten wij de Noord-Koreanen helpen en voorkomen dat zij van honger omkomen, zoals de heer Ford zojuist al zei. Daaraan moeten wij echter wel heel strikte voorwaarden verbinden. Wij moeten namelijk de garantie hebben dat de hulp ook echt naar de hulpbehoevenden gaat en niet naar het paranoïde en wispelturige regime dat maar al te graag zijn toevlucht neemt tot nucleaire chantage om zijn voortbestaan te kunnen garanderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson, Raad. - (SV) Mevrouw de Voorzitter, ik wil de geachte afgevaardigden dankzeggen voor de waardevolle bijdragen die hier zijn geleverd in deze discussie over het belangrijke probleem van de relatie tussen de Unie en de Democratische Volksrepubliek Korea. Ik wil alleen nog enige korte afsluitende opmerkingen maken.

Het is verheugend dat men het binnen de Unie thans eens is geworden over de wenselijkheid van een betere coördinatie inzake het aanknopen van diplomatieke betrekkingen met de Democratische Volksrepubliek Korea. Een deel van de lidstaten van de Unie, waaronder mijn eigen land, heeft altijd diplomatieke betrekkingen met de Democratische Volksrepubliek Korea onderhouden, andere landen hebben onlangs besloten om diplomatieke betrekkingen aan te knopen, terwijl weer een andere groep nog wacht met dat besluit.

Persoonlijk geloof ik dat diplomatieke aanwezigheid van grote betekenis is. Twintig jaar geleden was ik zelf in de gelegenheid dienst te doen in Pyongyang en ik weet wat het betekent om direct met de werkelijkheid in dit land geconfronteerd te worden.

Ik wil u ook herinneren aan de uitspraak van de Zuid-Koreaanse president Kim Dae Jung tijdens zijn bezoek aan Stockholm, nadat hij in Oslo de Nobelprijs voor de vrede had ontvangen. Hij verzocht toen openlijk om meer interesse van de Europese Unie voor de situatie op het Koreaanse schiereiland. Ik vind dat we zijn verzoek serieus moeten nemen. Wij moeten erop voorbereid zijn om op dit soort verzoeken te kunnen ingaan, wanneer de juiste gelegenheid zich voordoet. Het is van belang dat wij het binnen de Unie eens zijn over wat wij moeten doen wanneer wij onze houding tegenover dergelijke maatregelen bepalen. Wij moeten overeenstemming bereiken over de mate waarin we reële vorderingen kunnen maken met onze inzet, en het is uiteraard ook belangrijk dat de omstandigheden in de Democratische Volksrepubliek Korea van dien aard zijn dat het zinvol is om iets te doen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Mijnheer de minister, ik dank u.

Ik deel u mee dat ik een ontwerpresolutie heb ontvangen, overeenkomstig artikel 42, lid 5, van het Reglement.(1)

Het debat is gesloten.

De stemming vindt plaats om 12.00 uur.

Ik stel voor de zitting te onderbreken. Wij hervatten de zitting om 12.00 uur voor de stemming.

(De zitting wordt om 11.45 uur onderbroken en om 12.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER PODESTA
Ondervoorzitter2(2)

Agenda: zie notulen

 
  

(1) Zie notulen
(2)2


4. STEMMING
  

Verslag zonder debat (A5-0007/2001) van de heer McCartin, namens de Commissie visserij, over het voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2791/1999 van de Raad van 16 december 1999 tot vaststelling van controlemaatregelen voor het gebied waarop het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan van toepassing is (COM(2000)686 – C5-0584/2000 – 2000/0280(CNS))

(Het Parlement neemt de wetgevingsresolutie aan)

Verslag zonder debat (A5-0386/2000) van de heer Goodwill, namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en milieubescherming, over de tenuitvoerlegging van richtlijn 91/676/EEG inzake nitraten (2000/2110(INI)

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag zonder debat (A5-0387/2000) van de heer Sjöstedt, namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en milieubescherming, over de tenuitvoerlegging van richtlijn 92/43/EEG inzake habitats (2000/2111(INI))

 
  
  

- Vóór de stemming over amendement 5

 
  
MPphoto
 
 

  Liese (PPE-DE). - (DE) Meneer de Voorzitter, onze fractie heeft het verslag-Sjöstedt in de Commissie milieubeheer niet gesteund. Wij zouden echter wel onze steun aan dit verslag geven als de amendementen 5 en 6 aangenomen worden. Wij hebben daarover gesprekken gevoerd met de andere fracties. Naar wat ik gehoord heb, zouden ook andere fracties hun steun aan amendement 5 geven, mits daar twee tekstuele veranderingen in worden aangebracht. De eerste verandering heeft slechts betrekking op de vertaling vauit het Duits naar het Engels. In het Duits staat er: "fordert eine Überprüfung der FFH-Richtlinie". Dat is in het Engels foutief met review vertaald. De correcte vertaling is examination. In dit geval gaat het dus alleen om een taalkundige aanpassing.

De tweede wijziging betreft echter een mondeling amendement. Wij verzoeken om het woord "rechtszekerheid" in amendement 5 te vervangen door het woord "duidelijkheid". In de Engelse versie zou dan de term legal certainty vervangen moeten worden door het woord clarification. Ik verzoek u om van dit mondeling amendement nota te nemen en amendement 5 met deze mondelinge wijziging in stemming te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sjöstedt (GUE/NGL), rapporteur. - (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik ben bereid de zojuist voorgestelde wijzigingen in amendement 5 te steunen, omdat het voorstel met deze wijzigingen aanzienlijk beter wordt dan de oorspronkelijke versie. Ik roep de afgevaardigden op om akkoord te gaan met de mondelinge wijzigingen die de heer Liese namens de PPE-Fractie heeft voorgesteld.

 
  
  

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag zonder debat (A5-0379/2000) van de heer Bowe, namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid, over de tenuitvoerlegging van richtlijn 96/59/EG betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB’s/PCT’s) (2000/2112(INI))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A5-0367/2000) van de heer Cunha, namens de Commissie visserij, over het voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van de voorwaarden waaronder aan Guinee-Bissau financiële steun op visserijgebied wordt toegekend (8263/2000 – C5-0361/2000 – 1998/0355(CNS))

(Het Parlement neemt de wetgevingsresolutie aan)

 
  
  

Verslag (A5-0360/2000) van de heer Van den Bos namens de Commissie ontwikkelingssamenwerking, over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van een samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Volksrepubliek Bangladesh (7595/1/1999 – COM(1999)155 – C5-0356/2000 – 1999/0086(CNS))

(Het Parlement neemt de wetgevingsresolutie aan)

Verslag (A5-0392/2000) van de heer Newton Dunn, namens de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid, over het voorstel van een verordening van de Raad tot instelling van de Snellereactiefaciliteit (COM(2000)119 – C5-0272/2000 – 2000/0081(CNS))

- Vóór de stemming

 
  
MPphoto
 
 

  Newton Dunn (ELDR), rapporteur. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag een technisch mondeling amendement op amendement 28 voorstellen. Mijn verontschuldigingen voor het feit dat ik dit detail niet in de commissie heb opgemerkt.

Amendement 28 luidt nu: “De Gemeenschap stelt elk jaar het totale maximumbudget vast voor het financieren van acties uit hoofde van deze verordening.” Zoals commissaris Patten tijdens het debat aangaf, is het niet de “Gemeenschap” die het maximumbudget vaststelt, maar de begrotingsautoriteit. Ik zou graag mondeling willen voorstellen dat we het woord “Gemeenschap” schrappen en in plaats daarvan “begrotingsautoriteit” invoegen, zodat het amendement dan luidt: “De begrotingsautoriteit stelt elk jaar het totale maximumbudget vast voor het financieren van acties uit hoofde van deze verordening.”

 
  
  

(Het Parlement neemt de wetgevingsresolutie aan)

Verslag (A5-0338/2000) van mevrouw Oomen-Ruijten, namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, over grensarbeiders (2000/2010(INI))

- Na paragraaf 2

 
  
MPphoto
 
 

  Manders (ELDR). - Voorzitter, ik wil graag een kennelijke verschrijving herstellen door een mondeling amendement. Ik vraag: er is weggevallen vóór het woord "werklandprincipe", woon- of werklandprincipe, want ik kan natuurlijk niet de keuze bepalen die de Commissie moet maken, dat moet zij zelf doen. Maar ik wil toevoegen "woon- of werklandprincipe", twee keer.

 
  
  

- Vóór amendement 6

 
  
MPphoto
 
 

  Van Lancker (PSE). - Voorzitter, er is een akkoord met de rapporteur, mevrouw Oomen-Ruijten, om bij paragraaf zes eens gekomen aan amendement twee, dit amendement twee te zien als een toevoeging bij de originele paragraaf. Dit betekent dus dat indien twee goedgekeurd wordt, ook nog de originele paragraaf in stemming gebracht zal moeten worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Oomen-Ruijten (PPE-DE), rapporteur. - Voorzitter, in die zin, dat wij eerst op amendement zes en dan op de originele paragraaf twee stemmen, omdat het dan logischer in elkaar zit.

 
  
  

- Na de stemming over amendement 6

 
  
MPphoto
 
 

  Oomen-Ruijten (PPE-DE). - Voorzitter, wat ik nu zou willen is dat in elk geval nog over de paragraaf gestemd wordt.

 
  
  

- Na de stemming over paragraaf 6

 
  
MPphoto
 
 

  Oomen-Ruijten (PPE-DE). - Voorzitter, voor de helderheid: waarover nu gestemd is, is: "verzoekt de Commissie de lidstaten aan te bevelen in hun bilaterale overeenkomsten aandacht te besteden aan de complicaties die worden veroorzaakt doordat belastingheffing en sociale zekerheidsstelsels niet op elkaar aansluiten in het geval van grensarbeiders." Als dat nu maar de originele tekst is.

 
  
  

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Ontwerpresolutie (B5-0038/2001) van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbescherming, over een bevredigende tenuitvoerlegging van de milieurichtlijnen

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A5-0357/2000) van de heer Parish, namens de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, over de situatie en de vooruitzichten van jonge landbouwers in de Europese Unie (2000/2011(INI))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A5-0365/2000) van de heer Varela Suanzes-Carpegna, namens de Commissie visserij, over het gemeenschappelijk visserijbeleid en de uitdaging van de globalisering van de economie (2000/2027(INI))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A5-0333/2000) van de heer Gallagher, namens de Commissie visserij, over het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de toepassing van de communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur in de periode 1996/1998 (COM(2000)15 – C5-0109/2000 – 2000/2069(COS))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A5-0332/2000) van de heer Poignant, namens de Commissie visserij, over het verslag van de Commissie over de door de Commissie in 1998-1999 georganiseerde regionale hoorzittingen inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid na 2002 (COM(2000)14 – C5-0110/2000 – 2000/2070(COS))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Gezamenlijke ontwerpresolutie ((1)) over het gebruik van verarmd uranium in Bosnië en Kosovo

 
  
MPphoto
 
 

  Bethell (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, u zei dat ik de ontwerpresolutie namens de liberale fractie had getekend. Ik wil er echter met klem op wijzen dat dit een vergissing moet zijn. En als het geen vergissing is, is het de liberale fractie die mij een streek heeft geleverd.

(Applaus)

Ik ben een geboren Conservatief en dat zal ik ook wel altijd blijven.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Daar twijfelden wij niet in het minst aan. De diensten hebben zich vergist.

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder (ELDR). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil ook graag even duidelijk maken dat ik nog steeds geen Lord ben, ook al is mijn voornaam Bertel.

(Gelach)

 
  
  

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Ontwerpresolutie (B5-0037/2001) van de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid, over de betrekkingen tussen de Europese Unie en de Democratische Volksrepubliek Korea

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

STEMVERKLARINGEN

- Verslag-Sjöstedt (A5-0387/2000)

 
  
MPphoto
 
 

  Krivine en Vachetta (GUE/NGL), schriftelijk. - (FR) Het verslag dat wordt voorgelegd door Jonas Sjöstedt van de GUE/NGL fractie, over de bescherming van de natuurlijke habitats in Europa lijkt ons buitengewoon belangrijk, in het bijzonder voor Frankrijk. Dat is inderdaad één van de landen waar de tenuitvoerlegging van de meer dan acht jaar oude habitatrichtlijn en de meer dan 20 jaar oude vogelrichtlijn, alsmede het instellen van het netwerk Natura 2000, de grootste vertraging hebben opgelopen, zoveel dat ze nu weer echt ter discussie staan. Wel, hoe meer de tijd voortschrijdt en hoe meer (semi)-natuurlijke milieus vernietigd worden, des te moeilijker wordt het de ecosystemen in al hun rijkdom en diversiteit te behouden of te herstellen.

Het handhaven en verrijken van de biodiversiteit (en dus van de verscheidenheid van de ecosystemen) zijn geen marginale problemen, maar een politieke kwestie van de eerste orde: dit heeft immers algemene gevolgen voor onze levensomstandigheden (met inbegrip van de klimaatsverandering). Het gaat er niet om her en der "reservaten" te creëren waar soorten beschermd worden als in een museum, maar deze zorg te integreren in het totale beleid van de Gemeenschap en van de lidstaten. De tenuitvoerlegging van de habitatrichtlijn en de vogelrichtlijn moet nu snel, algemeen en effectief zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Maes en Staes (Verts/ALE), schriftelijk. - De VU&ID-europarlementsleden Nelly Maes en Bart Staes hebben de amendementen van de ELDR- en PPE-fracties m.b.t. de habitat-richtlijn niet gesteund. Wij beschouwen deze amendementen als een poging de bestaande habitat-richtlijn uit te hollen. De VU&ID-europarlementsleden wijzen erop dat de bestaande habitat-richtlijn de overheid voldoende mogelijkheden biedt om op te treden daar waar de uitvoering van bestaande projecten mogelijkheden biedt om op te treden waar de uitvoering van bestaande projecten wordt belemmerd door de habitat-bepalingen. Artikel 6, lid 4 van richtlijn 92/43/EEG stelt immers: "Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies voor de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de lidstaat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algemene samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen." De VU&ID-europarlementsleden stelden de Commissie ondertussen een parlementaire vraag met het verzoek om verstrekking van een overzicht van alle notificaties die de Commissie terzake sinds de inwerkingtreding van de richtlijn hebben bereikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Savary (PSE), schriftelijk. - (FR) Ik ben het helemaal eens met de habitatrichtlijn en de doelstellingen ervan: de bescherming van het bijzonder of bedreigd natuurlijk erfgoed van de landen van de Unie.

Dit erfgoed en zijn biologische en genetische diversiteit vormen het kostbaarste goed op de aarde en we moeten inderdaad toezien op bescherming, voortplanting en overdracht daarvan aan de komende generaties.

Niettemin heb ik tegen het verslag-Sjöstedt gestemd om twee wezenlijke redenen. Ten eerste: het introduceert een onaanvaardbare chantage, met betrekking tot de financiële middelen die worden toegekend aan onze landen, door in lid 11 de tenuitvoerlegging van de habitatrichtlijn in zijn huidige staat als voorwaarde voor toekenning te stellen.

Als het er nu alleen maar om ging er voor te waken dat de Europese fondsen geen projecten financieren die deze bijzondere ecosystemen vernietigen, had ik dat aanvaard en goedgekeurd, maar het is onaanvaardbaar en zonder precedent dat men een bepaald beleid van de Unie als voorwaarde stelt voor een ander beleid, en dat een pakket voorwaarden op milieugebied zwaarder weegt dan voorwaarden op bijvoorbeeld sociaal gebied.

Ten tweede: deze resolutie geeft niet duidelijk aan wat het begrip "verstoring" inhoudt, en het juridische gedeelte, dat bewust vaag is gehouden, kan er toe leiden dat er weer een oorlog over de jacht uitbreekt, die dan eindigt met een verbod op traditionele en populaire jachtpartijen, daar waar de vogelrichtlijn en het subsidiaire recht van de lidstaten die toestaan.

Juist omdat de Unie welbewust deze dubbelzinnigheid in stand houdt, is het moeilijk voor sommige landen hun lijsten voor Natura 2000 te publiceren en in alle rust en zonder weerstand van hun eigen landbouwers de habitatrichtlijn toe te passen, terwijl iedereen het er over eens is dat de doelstellingen ervan nobel zijn.

 
  
  

- Verslag-Cunha (A5-0367/2000)

 
  
MPphoto
 
 

  Fatuzzo (PPE-DE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, ik was deze zomer op vakantie in Guinee-Bissau en zoals altijd heb ik een praatje gemaakt met een oude gepensioneerde van dat land…o nee, pardon, ik vergis mij, met een visser van Guinee-Bissau, die dolgraag vroeg of laat met pensioen zou willen gaan. Toen hij hoorde dat ik de vertegenwoordiger was van de Partij van de Gepensioneerden in Italië, stortte hij zijn hart bij mij uit en zei: “Ik ga de zee op om te vissen; ik werk wanneer ik daartoe maar de kans krijg, en ik hoop van ganser harte nog vele dagen te kunnen werken om vroeg of laat van mijn pensioen te kunnen genieten. Helaas komen echter ook vissersboten uit de Europese Unie naar onze zee om te vissen en daardoor heb ik niet genoeg werk om voor mijn pensioen te kunnen zorgen. Ik krijg ook geen cent te zien van de financiële steun van de Europese Unie want die gaat naar de regering van Guinee-Bissau”.

Daarom heb ik voor dit verslag gestemd, in de hoop weliswaar op een betere toekomst voor deze mensen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bordes, Cauquil en Laguiller (GUE/NGL), schriftelijk. - (FR) Dit verslag en zijn amendementen gaan over financiële steun aan Guinee Bissau op visserijgebied. Wij hebben er voor gestemd, en wel uit solidariteit met de bevolking, in het bijzonder de vissers van dat land, maar wel onder veel voorbehoud.

Ten eerste omdat de visserijakkoorden tussen de Europese Unie en derde landen tot doel hebben - dat staat uitdrukkelijk in andere verslagen - de visvoorraad van de Unie te sparen en, zodoende, de bevissing van de zeeën van andere landen te doen toenemen. Ten tweede omdat we niet weten hoe die steungelden zullen worden besteed en wat precies de bestemming ervan is. Jammer genoeg zijn veel van die hulpgelden te vaak alleen maar commissie aan de Europese bedrijven die in die landen investeren. Verder verdwijnen die steungelden ook vaak in de zakken van de lokale bestuurders.

Ondanks dat alles zal dit geld, dat geacht wordt de lokale bevolkingsgroepen te helpen, uiteindelijk daar toch minder slecht besteed worden dan het geld dat hier wordt verstrekt aan werkgevers die hun mensen ontslaan.

 
  
  

- Verslag-Van den Bos (A5-0360/2000)

 
  
MPphoto
 
 

  Fatuzzo (PPE-DE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, na twee weken verblijf in Guinee-Bissau ben ik naar Bangladesh gevlogen. Ik ben daar echter niet lang gebleven, want u weet dat dit land niet zo rijk is. Ook daar ben ik op een oude man afgegaan. Toen hij vernam dat ik de vertegenwoordiger was van de Partij van de Gepensioneerden in Italië, vroeg hij mij: “Wat is dat, een pensioen?”. In Bangladesh zijn de mensen, mijnheer de Voorzitter, helaas zo arm dat zij niet eens weten wat het woord “pensioen” inhoudt! Toen heb ik tegen mijzelf gezegd: “Fatuzzo, denk eraan, als het verslag-Van den Bos in stemming wordt gebracht, stem je voor, maar vergeet niet ook aan te dringen op controle en toezicht, want de hulp die met deze overeenkomst aan de bevolking van Bangladesh wordt gegeven, moet er ook toe kunnen dienen dat een gepensioneerde een pensioenuitkering van de staat gegarandeerd krijgt”.

 
  
MPphoto
 
 

  Bordes, Cauquil en Laguiller (GUE/NGL), schriftelijk. - (FR) De Commissie ontwikkelingssamenwerking is verheugd dat de groei van de exportsector van Bangladesh drie maal de groei van het BBP van dat land bedraagt. Maar de uitvoer wordt, kunnen we wel zeggen, geheel gerealiseerd door grote, meest westerse, bedrijven die zich in dat land hebben gevestigd.

Het is zeker dat deze bedrijven zich verrijken ten koste van de onderbetaalde arbeiders van dit land, met inbegrip van kinderen, maar daardoor redt Bangladesh zich nog niet uit de onderontwikkeling of de werkende bevolking uit de ellende.

Het verslag dringt aan op "het vergroten van de doelmatigheid en het concurrentievermogen van de particuliere sector" op de wereldmarkt. Dat geeft duidelijk aan ten gunste van wie het de "infrastructurele bottlenecks" wil verwijderen, in het bijzonder "de vervoers- en energie-infrastructuur", en ook streeft naar "het doelmatig maken van het financiële stelsel" of naar "het creëren van een transparante en verantwoording verschuldigde institutionele omgeving", een mooie uitdrukking om, binnen de heersende corruptie, maatregelen te treffen tegen datgene wat de westerse investeerders in de weg staat.

In deze situatie heeft het voorstel om Europese fondsen vrij de maken voornamelijk tot doel de gebreken van de staat Bangladesh te compenseren en de Europese instellingen te laten opdraaien voor de kosten van infrastructuur die ten nutte komt van de grote multinationals, zodat die maximale winst kunnen halen uit een bevolking die tot de armste op aarde behoort.

 
  
MPphoto
 
 

  Collins (UEN), schriftelijk. - (EN) Ik sluit mij graag aan bij onze collega’s in de Commissie ontwikkelingssamenwerking door het voorstel van de Europese Commissie voor een nieuwe samenwerkingsovereenkomst met Bangladesh alle steun te geven.

Deze nieuwe overeenkomst is een verder bewijs van onze voortdurende wens nauwere betrekkingen met Bangladesh aan te gaan. Ik hoop dat de overeenkomst ook de regering van Bangladesh de ruimte zal bieden de inspanningen voor de verdere ontwikkeling van SAARC op te voeren om zo de economische groei te bevorderen en werkgelegenheid in de regio te creëren.

Het verslag van de heer Van den Bos en de resolutie Miranda bevatten een beschrijving van de voornaamste kenmerken van de economie van Bangladesh en de vele uitdagingen waarvoor de regering, de regeringsinstellingen, de politici en de bevolking worden gesteld.

Bangladesh is een van de armste ontwikkelingslanden. Bijna de helft van de bevolking van 127 miljoen mensen leeft onder de armoedegrens. Er heerst voortdurend gevaar voor overstromingen en cyclonen. Desalniettemin is de levensstandaard de afgelopen 25 jaar licht gestegen. De economische hervormingen van de jaren negentig hebben geleid tot een behoorlijke groei van het BBP, dat tussen 1994 en 1999 met gemiddeld 4,8% is gestegen.

Bangladesh is zeer afhankelijk van buitenlandse hulp. Met haar aandeel van 17% van alle steun is de EU is een belangrijke verschaffer van hulp. De EU is ook de grootste handelspartner van Bangladesh. In 1998 ging 45% van de export van Bangladesh naar de EU. Bangladesh heeft een actieve handelsbalans ten opzichte van de EU. Sinds 1976 heeft de EU bijna één miljard euro beschikbaar gesteld voor door de EU gefinancierde projecten: 660 miljoen euro voor voedsel en humanitaire hulp; 185 miljoen euro voor armoedebestrijding en landbouw.

Ik onderschrijf de doelstellingen van de door de EU gefinancierde programma’s van harte: ertoe bijdragen dat inkomens stijgen en de voedselvoorzieningen voor de armen veiligstellen; de toegang van de armste vrouwen en kinderen tot kwalitatief hoogstaande en openbare medische dienstverlening verbeteren; de toegang van deze kinderen tot onderwijs verbeteren. Deze zaken zijn van fundamenteel belang voor de toekomst van Bangladesh.

Ik was bijzonder verheugd dat Bangladesh zich in 1984 heeft aangesloten bij het programma voor de afschaffing van kinderarbeid van de Internationale arbeidsorganisatie en dat sindsdien “substantiële vooruitgang” is geboekt. Ik verwelkom deze inspanningen en zie verdere vooruitgang op dit gebied tegemoet. Ik sta volledig achter de hoofddoelstellingen van de overeenkomst, dat wil zeggen, steun voor duurzame economische ontwikkeling, met name voor de armste bevolkingsgroepen, vrouwen en kinderen.

De resolutie van de Commissie ontwikkelingssamenwerking benadrukt het belang van de komende algemene verkiezingen in Bangladesh in november dit jaar. De Europese Unie dient positief te reageren op de uitnodigingen van zowel de regering als de oppositie om verkiezingswaarnemers te sturen, zoals bij de algemene verkiezingen in 1996 en 1991. Ik hoop dat de leden van het Europees Parlement deel van het team zullen uitmaken.

 
  
  

- Verslag-Newton Dunn (A5-0392/2000)

 
  
MPphoto
 
 

  Gahrton (Verts/ALE). - (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik heb weliswaar gestemd tegen amendement 9 over de oprichting van een Europese Eenheid voor openbare veiligheid, maar ik heb toch voor het verslag in zijn geheel gestemd, omdat ik het een goede zaak vind dat het Europees Parlement nogmaals vaststelt dat de EU de voorkeur moet geven aan een civiele crisisbeheersing. Dit is een belangrijke constatering, die niet vaak genoeg herhaald kan worden.

Op grond hiervan stel ik vast dat men, in elk geval in de toelichting, de eenstemmige aanbeveling van het Europees Parlement voor de oprichting van een Europees Civiel Vredeskorps noemt. Ik vind het heel goed dat dit herhaald wordt. Ook dit kan niet genoeg herhaald worden.

Helaas hebben Finland, Portugal en Frankrijk er tijdens hun voorzitterschap voor gekozen om de eenstemmige aanbeveling van het Europees Parlement te negeren. Daarom vind ik dat er zich een schitterende gelegenheid voordoet voor het Zweedse voorzitterschap om een initiatief te nemen. Ik ben meermalen in de gelegenheid geweest om dit rechtstreeks naar voren te brengen bij onze minister van Buitenlandse Zaken, mevrouw Lindh en onze minister-president, de heer Persson. Maar helaas lijkt het erop dat de Zweedse regering niet goed heeft begrepen wat een Civiel Vredeskorps inhoudt, en denkt zij dat andere maatregelen die worden genomen op hetzelfde neerkomen als een Civiel Vredeskorps. Het is betreurenswaardig dat de regering het verslag niet goed wil bestuderen en het standpunt van het Europees Parlement niet respecteert, en in ieder geval niets doet.

Ik hoop dat dit een misverstand is tussen mij en de Zweedse regering. Hoewel wij hierover vele malen hebben gediscussieerd, kunnen er immers misverstanden ontstaan. Daarom wil ik van de gelegenheid gebruik maken om de Zweedse regering nogmaals aan te sporen. Als voorzitter van de Raad moet Zweden, indien het serieus meent dat de EU geen militaire supermacht moet zijn maar een vredesfactor, er onmiddellijk voor zorgen dat er een initiatief wordt genomen conform de aanbeveling van het Europees Parlement inzake een Civiel Vredeskorps.

 
  
MPphoto
 
 

  Fatuzzo (PPE-DE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, wat is dat voor een ding: “Snellereactiefaciliteit”? Ik moest daaraan denken toen ik mij in het ziekenhuis een gips liet aanleggen. Ik zag toen namelijk hoe een dokter met een hamer tegen de zieke knie van een patiënt aan tikte en het been van de patiënt vanzelf omhoog wipte. Toen ik hier echter naartoe kwam en de documenten van deze morgen inzag, drong het tot mij door dat de Snellereactiefaciliteit iets heel anders was, namelijk een belangrijk financieel initiatief waarmee Europa onmiddellijk en razendsnel kan optreden om de vrede te herstellen daar waar deze in gevaar is. Dit is zeker een lovenswaardig streven en daarom heb ik ook voor gestemd, maar ik ben wel van mening dat wij een beetje over onze eigen schaduw heen springen: wij hebben immers nog geen echt verenigd Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Bonde, Krarup en Sandbæk (EDD), schriftelijk. – (DA) Wij stemmen voor het verslag, omdat wij het idee van een niet-militaire aanpak van crisissituaties goedkeuren. Terzelfder tijd onderstrepen wij echter dat het onmogelijk is de gewenste civiele acties te scheiden van de ongewenste militaire acties. Daarnaast wensen wij dat de initiatieven via internationale organisaties zoals de VN, de Raad van Europa of de OVSE verlopen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bordes, Cauquil en Laguiller (GUE/NGL), schriftelijk. - (FR) Omdat een snel politieoptreden, net als oorlog, de voortzetting van de politiek met andere middelen is, en omdat we niet meer vertrouwen hebben in de politiek van de Unie dan in die van de lidstaten, zijn we tegen elke vorm van militair of politieoptreden van de Europese Unie, waar dan ook.

Het verslag noemt het voorbeeld van de Balkan. Maar een "onafhankelijke" interventiemacht van Europese politie zou niet beter zijn dan die welke optreedt onder het vaandel van de Verenigde Naties, dat wil zeggen de Verenigde Staten. Hij zou nog het meest de positie in de regio verstevigen van de grote industriële ondernemingen, die loeren naar de markt van de wederopbouw van hetgeen de NAVO-bommenwerpers hebben vernietigd.

De wens dat "de Snellereactiefaciliteit niet geografisch beperkt zal zijn" is een aankondiging van boevenstreken van voormalige koloniale machten in Afrika en elders, zoals Frankrijk die heeft uitgehaald om dictators te beschermen die de bevolking niet meer wilde, of zoals Groot-Brittannië die op het ogenblik uithaalt in Sierra Leone.

Dientengevolge hebben wij tegen de vorming van de Snellereactiefaciliteit gestemd, zoals wij ook tegen elk budget dat daaraan besteed zal worden zullen stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ducarme (ELDR), schriftelijk. - (FR) We moeten verheugd zijn dat het voorstel van de Raad geheel in de lijn past van de conclusies van de Europese Raden van Keulen, Helsinki en Feira, die de Unie hadden verzocht "het instrumentarium voor het niet-militaire beheer van crises te verbeteren en doelmatiger te gebruiken".

De Unie heeft grote ervaring en de nodige middelen om, op zeer korte termijn, operaties op te zetten, zoals toezicht op de verkiezingen, grensbewaking en opleiding en uitrusting van politie. We moeten dit potentieel beter uitbuiten, temeer daar de Unie tot nu toe niet in staat is geweest snel genoeg te reageren en de financieringsmechanismen voor dergelijke operaties niet soepel genoeg waren.

De Europese Commissie voorziet geen geografische beperking voor de Snellereactiefaciliteit (SRF). Zij voorziet daarentegen wel dat de operaties van korte duur moeten zijn. Als de gebeurtenissen vragen om een langduriger optreden, dienen de middelen die nu beschikbaar zijn, zoals de thematische programma's, ingezet te worden.

In het kader van het MEDA-programma bijvoorbeeld, zal de SRF in het bijzonder ingezet worden voor de opleiding van immigratiefunctionarissen en de samenwerking bij de bestrijding van het terrorisme.

 
  
MPphoto
 
 

  Korakas (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) De ontwerpverordening betreffende de instelling van een Snellereactiefaciliteit is in feite niets meer en niets minder dan een kader voor de uitvoering van weliswaar niet militaire, maar niettemin imperialistische, politieke en economische acties waar dan ook ter wereld. De leidinggevende kringen in de EU willen een mechanisme waarmee zij snel over de noodzakelijke menselijke en financiële hulpbronnen kunnen beschikken en rechtstreeks kunnen optreden. Zij willen met dit optreden echter niet per se moeten wachten tot er zich “crises” voordoen (vraag: waarom zeggen de auteurs van deze tekst ons eigenlijk niet wat het begrip “crisis” precies inhoudt?), maar daartoe reeds overgaan als bezorgdheid rijst over een eventuele bedreiging of aantasting van de zogenaamde hulp- en samenwerkingsprogramma’s met deze landen. Degenen die achter deze ontwerpverordening schuil gaan, maken van hun ware bedoelingen trouwens geen geheim: zij willen dat de voorgestelde maatregelen worden aangevuld met een (uiteraard gewapende) Europese macht voor openbare veiligheid, opdat de eerbiediging van de “wet en de openbare orde” overal kan worden gegarandeerd.

De Commissie buitenlandse zaken is zelfs nog “roomser” dan de Commissie met haar amendementen tot afschaffing van het maximum van 12 miljoen euro per interventie, van het raadgevend crisiscomité en de tijdslimiet van 9 maanden per interventie.

De Europese afgevaardigden van de Communistische Partij van Griekenland zullen dit beleid van de EU onverdroten aan de kaak stellen. Met dit beleid wil men de derde landen politiek en economisch afhankelijk maken en de volksbeweging de kop indrukken.

Wij zijn niet alleen tegen een imperialistische snelle - of langzame - reactiefaciliteit, in welke vorm dan ook, maar wij zullen ook daadkrachtig ijveren voor de totstandkoming van een ijzersterk front van de volkeren van deze landen. Daarmee zullen zij elk imperialistisch plan tot onderwerping kunnen verijdelen en de plaats veroveren die hen in een nieuwe, rechtvaardige internationale verdeling toekomt.

 
  
MPphoto
 
 

  Krivine en Vachetta (GUE/NGL), schriftelijk. - (FR) Met de beslissing de kern van een Europees leger op te richten heeft de Top van Nice een nieuw hoofdstuk geopend in de geschiedenis van de EU. Twintig jaar lang heeft de EU getracht bij de bevolking populair te worden door te doen alsof zij aan een sociaal Europa bouwde. Nu dat mislukt, en ten gevolge van de Balkanoorlog, gooit ze het nu over een andere boeg. Ze geeft nu openlijk toe dat haar doel is een grootmacht Europa op te bouwen die "zijn belangen overal in de wereld zal verdedigen". Ze loopt openlijk te koop met haar imperialistische karakter. Dat zal ze in goed overleg met de Verenigde Staten doen in het kader van de NAVO. In de toekomst zal de EU, door haar diplomatieke en militaire krachten te bundelen, proberen te optimaliseren wat haar lidstaten gedurende de hele vorige eeuw afzonderlijk hebben gedaan. Dit alles wordt gebracht onder het mom van het "handhaven" of "opleggen" van de vrede en van "humanitaire operaties".

Zowel binnen als buiten de NAVO, gedomineerd door de Verenigde Staten, probeert de EU ons dit project te "verkopen" in naam van de "autonomie van Europa" ten opzichte van de Verenigde Staten. Wij hebben geen behoefte aan euromilitarisme: wij zijn net zo radicaal tegen dit Europese leger als we altijd tegen dat van de NAVO zijn geweest. Want het eerste gevolg zal een drastische verhoging van de militaire begroting zijn, die onvermijdelijk hand in hand gaat met het opvoeren van de militaristische propaganda. Het wetenschappelijk en technologisch onderzoek zal naar de militaire sector worden overgebracht. Een toenemend gedeelte van de begrotingen van de lidstaten zal worden overgeheveld naar de militaire sector, met als doel een Europese militaire industrie op te richten (EADS, Dassault, BAE), die in staat is de Verenigde Staten de loef af te steken. De arbeiders hebben niets te winnen en alles te verliezen bij deze "nieuwe" gooi van de Unie naar een Europees imperium.

 
  
MPphoto
 
 

  Nobilia (UEN), schriftelijk. – (IT) Het staat buiten kijf dat de instelling van een Snellereactiefaciliteit wenselijk is. De drie instellingen hebben trouwens reeds hun instemming hiermee betuigd. Ofschoon wij achter de beoogde doelstellingen staan, moeten wij toch een aantal opmerkingen maken over het voorstel van de Raad.

De eerste opmerking is van principiële aard: de in het onderhavige voorstel vermelde taken zijn in feite niet anders te definiëren dan als taken van internationale politie. De rapporteur breekt daar zelfs ondubbelzinnig een lans voor.

Ons inziens zou een voorstel in die richting ook zeker een onderzoek waard zijn, mits daarvoor een andere rechtsgrondslag wordt gekozen. Met name zal dan ook moeten worden gezorgd voor een institutioneel bestel in de Gemeenschap dat anders is dan hetgeen bij de laatste intergouvernementele Top van Nice uit de bus is gekomen.

Wij geloven dat met de Snellereactiefaciliteit in feite wordt gestreefd naar snelle en duurzame verwezenlijking of handhaving van de efficiëntie van de communautaire beleidsvormen en programma’s.

Deze eerste indruk wordt onder meer bevestigd door de formulering van de taakgebieden. Hierin is weliswaar sprake van hoog gegrepen doelstellingen, maar wij weten niet wat deze in de praktijk inhouden. Als men duidelijk had gemaakt op welke gebieden, naast de reeds onder de communautaire regelgeving vallende gewone interventies, de Snellereactiefaciliteit ingezet moet worden, zodra zich spoedvereisende omstandigheden voordoen, was dat voldoende geweest.

Het is verder nogal paradoxaal dat voor informatie over de inzet van de faciliteit niet de regeringen van de landen in aanmerking komen waarbinnen deze faciliteit zal worden ingezet. Het is toch vreemd dat zij hiervan worden uitgesloten; zij zijn immers de geadresseerden van de beschermingbehoevende beleidsvormen en programma’s.

Tot slot kan men er bezwaar tegen aantekenen dat het Europees Parlement pas zo laat is geïnformeerd en dat enkel de raadplegingsprocedure wordt toegepast. Wij hopen dat in de toekomst het aantal onder de medebeslissing vallende vraagstukken zal worden uitgebreid en dringen er bij de Commissie op aan dat, als zich in zowel geografisch als politiek opzicht bijzonder belangrijke gevallen voordoen, het Parlement hiervan onverwijld op de hoogte wordt gesteld.

Dit gezegd zijnde, betuigen wij onze steun voor het werk van de rapporteur en stemmen wij voor.

 
  
MPphoto
 
 

  Van Orden (PPE-DE), schriftelijk. - (EN) De afgelopen anderhalf jaar hebben de Britse Conservatieven een beroep gedaan op de Commissie om een efficiëntere financiële leiding en administratieve procedures te realiseren, zodat in crisissituaties of levensbedreigende situaties snel externe ondersteuning en programma’s, bijvoorbeeld mijnopruimingsacties, kunnen worden geboden. Met deze doelstellingen voor ogen steunen ze de voorstellen en daarom verwelkomen ze het initiatief van de Commissie voor een Snellereactiefaciliteit (of Snellereactiemechanisme), ondanks de verwarrende benaming en enkele overbodige politiek correcte onderdelen.

Ze maken fundamenteel bezwaar tegen de amendementen die ertoe strekken dit voorstel te gebruiken om tot oprichting van een “Europese Eenheid voor openbare veiligheid” te komen. Dit concept voor een soort Europese gendarmerie heeft verstrekkende gevolgen en staat helemaal los van het voorliggende voorstel van de Commissie.

Wij zijn bereid het voorstel van de Commissie te steunen zonder deze amendementen (9 of 39), maar zullen ons van stemming onthouden als ze in het voorstel worden opgenomen.

 
  
  

- Verslag-Oomen-Ruijten (A5-0338/2000)

 
  
MPphoto
 
 

  Fatuzzo (PPE-DE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, als vertegenwoordiger van de Partij van de Gepensioneerden moet ik absoluut het woord voeren over dit verslag; daar kom ik gewoon niet onderuit. Daarin staat een regeling voor de pensioenen en ziektezorg van grensarbeiders en arbeiders die in een andere regio werken dan waar zij wonen en waar zij tijdens andere momenten in hun leven werken. Een gepensioneerde die aan de grens tussen Italië en Zwitserland woont en onder deze regeling zou vallen, vroeg mij het volgende: “Klopt het dat iemand die in een ander land van de Europese Unie werkt een pensioensverhoging krijgt?” “Was dat maar waar”, antwoordde ik. “Dan zou ik gelukkig zijn en jij met mij, want je zou in een ander Europees land meer en beter werken. Ik zal daartoe hoe dan ook een voorstel doen als ik een stemverklaring afleg over het verslag-Oomen-Ruijten”.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreasen, Busk, Haarder, Jensen en Riis-Jørgensen (ELDR), schriftelijk. – (DA) De Deense liberale leden vinden het belangrijk dat de hinderpalen voor het vrije verkeer van werknemers uit de weg worden geruimd. Daarom steunen wij dit initiatiefverslag, waarin oplossingen worden voorgesteld voor de problemen die het gevolg kunnen zijn van verschillende sociale en fiscale systemen. Wij vinden het echter niet wenselijk een richtlijn op te stellen, die de lidstaten verplicht het effect van nieuwe wetgeving voor grensarbeiders te evalueren.

 
  
MPphoto
 
 

  Blak, Lund en Thorning-Schmidt (PSE), schriftelijk. – (DA) De Deense sociaal-democraten stemmen voor het verslag Oomen-Ruijten over de situatie van grensarbeiders in de Europese Unie. Wij doen dit omdat dit verslag aandacht besteedt aan de vele ernstige problemen waarmee grensarbeiders geconfronteerd worden. Met enige wilskracht van de Raad kan het grootste deel van deze problemen opgelost worden. Hoewel het op de intergouvernementele conferentie in Nice niet gelukt is op dit gebied meerderheidsbesluiten in te voeren, willen wij met onze stem vandaag een krachtig signaal aan de Raad geven om hem ertoe aan te zetten verordening 1408 grondig te herzien en te vereenvoudigen.

Wij zijn van mening dat de coördinatieregels eenvoudig en gemakkelijk te volgen moeten zijn. Daarom zijn wij tegen een nieuwe richtlijn die nieuwe procedures aan verordening 1408 toevoegt. In het kader van het debat hebben wij gezegd dat wij de ideeën betreffende de financiering van sociale zekerheidsstelsels met belastinggeld niet kunnen steunen. Daarnaast wil ik onderstrepen dat gezondheidsuitgaven, bijvoorbeeld voor een ziektebehandeling, naar onze mening niet vergeleken kunnen worden met gewone vormen van dienstverlening en dat de verantwoordelijkheid daarvoor bij de lidstaten moet blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Bordes, Cauquil en Laguiller (GUE/NGL), schriftelijk. - (FR) Dit verslag beperkt zich voornamelijk tot algemene beschouwingen, maar doet geen voorstellen voor concrete beslissingen. Zelfs waar een positieve maatregel wordt voorgesteld zoals "de toegang van afhankelijke gezinsleden van grensarbeiders en post-actieve grensarbeiders en van hen afhankelijke gezinsleden uit te breiden tot voorzieningen en verstrekkingen in de gezondheidszorg..", wordt slechts aan de Raad gevraagd "nu met spoed tot een standpunt te komen". Hoewel wij deze vraag ondersteunen, hebben wij ons van stemming over het verslag onthouden.

De arbeiders van de Unie zouden allemaal dezelfde sociale voorzieningen moeten genieten, die voor elk van de onderdelen (ziekteverzekering, pensioen, kinderbijslag) afgestemd zouden moeten worden op de praktijk van het land waar ze voor de arbeider het gunstigst zijn.

Om de situatie van de grensarbeiders te verbeteren zouden zij en hun gezinnen voorlopig voor elk van die sociale voorzieningen de keuze moeten kunnen hebben tussen het woonland en het werkland, al naar gelang de situatie die voor hen het gunstigst is.

 
  
MPphoto
 
 

  Grosch (PPE-DE), schriftelijk. - (DE) Indien we praktische oplossingen willen voor het probleem van de in totaal 420.000 grensarbeiders, moeten we de interne markt en het daaraan inherente vrije verkeer van personen tastbaar en herkenbaar maken voor de mensen. Ik ben dan ook erg blij dat in het verslag van mevrouw Oomen-Ruijten een aantal van deze problemen en hun oorzaken aan de orde komt. Bovendien stelt zij tegelijkertijd ook maatregelen voor om deze ongelijkheden tussen de fiscale en socialezekerheidssystemen voor de betrokkenen tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.

De strijdigheden tussen de wetgeving van de individuele lidstaten en het beginsel van het vrije verkeer van personen worden met name veroorzaakt door het feit dat verordening 1408/71 achterhaald is. Door de vele wijzigingen kan deze verordening de betrokken werknemers geen rechtszekerheid meer bieden. Door de ontoereikende coördinatie worden de grensarbeiders vaak met nadelige gevolgen geconfronteerd op het gebied van sociale uitkeringen, werkloosheid, pensioenvoorzieningen en gezondheidszorg.

Met name wat de gezondheidszorg betreft, ben ik blij met de initiatieven van een aantal partijen in deze sector om "exporteerbare" diensten aan te bieden die specifiek afgestemd zijn op de situatie van de grensarbeiders. Net als in de gezondheidszorg en de sociale zekerheid, zijn er ook op het gebied van de belastingwetgeving talrijke rechtsonzekerheden ontstaan die niet gecorrigeerd konden worden door de bilaterale belastingverdragen. Hierdoor zijn er zowel voor de grensarbeiders als voor de lokale overheden ongelijkheden ontstaan die in de afzienbare toekomst alleen nog maar via een pan-Europese coördinatie van de belastingsystemen gecorrigeerd kunnen worden.

Dat is ook de reden om steun te geven aan het voorstel van mevrouw Oomen-Ruijten om door middel van een richtlijn de lidstaten te verplichten bij wijzigingen in hun sociale of fiscale wetgeving niet alleen de gevolgen voor de grensarbeiders te onderzoeken, maar ook de benodigde compensatiemaatregelen te treffen. Ondanks talrijke aanbevelingen van het Europees Parlement voor harmonisatie van de sociale en fiscale wetgeving en ondanks concrete voorstellen van de Commissie ter actualisering en vereenvoudiging van verordening 1408/71, zijn het juist de ministers van de lidstaten die dit noodzakelijke hervormingsproces in de Raad blokkeren en daardoor de realisering van de interne markt voor personen tegenhouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Lulling (PPE-DE), schriftelijk. - (DE) Het verslag over de situatie van de grensarbeiders zoals gepresenteerd door de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken is gebaseerd op de prijzenswaardige intentie om grensarbeiders niet te discrimineren op het gebied van de arbeidsvoorwaarden en hun sociale zekerheid en om op dat vlak de nog aanwezige problemen op te lossen. Dat willen we allemaal.

Het is echter overdreven om, zoals in de toelichting bij dit verslag gebeurt, te beweren dat de interne markt - waarvan een van de essentiële kenmerken het vrije verkeer van werknemers is - voor het dagelijkse leven van de grensarbeiders een absolute schijnvertoning is. Dat is niet in overeenstemming met de werkelijkheid en dat geldt ook voor diverse andere beweringen in de resolutie, die trouwens ook aanbevelingen bevat die in elk geval wat de 85.000 grensarbeiders in Luxemburg betreft, open deuren intrappen.

Het klopt gewoonweg niet dat afhankelijke partners en/of gezinsleden van de voorzieningen en verstrekking in het werkland uitgesloten zijn.

Uiteraard bestaan er verschillen tussen de particuliere en openbare systemen. Dat geldt echter ook voor niet-grensarbeiders.

Natuurlijk bestaan er verschillende systemen op het gebied van de oudedagsvoorzieningen. Die systemen verschillen niet alleen van lidstaat tot lidstaat, maar zelfs ook binnen individuele lidstaten. Ik zou ook een hoger pensioen krijgen als ik in de openbare sector had gewerkt. Dat is geen specifiek grensarbeidersprobleem.

Uiteraard bestaan er per lidstaat verschillen met betrekking tot de pensioenopbouw en de bijbehorende bijdragen en ten aanzien van de pensioenleeftijd. De grensarbeiders die in Luxemburg werken, zijn blij met die verschillen omdat onze oudedagsvoorziening veel ruimer is dan in de landen waar ze vandaan komen, zoals België, Frankrijk en Duitsland.

Als in Luxemburg bepaalde elementen van het socialezekerheidsstelsel "gefiscaliseerd" worden, leidt dat nog niet tot ongelijkheden. De grensarbeiders kunnen namelijk sowieso aanspraak maken op de betreffende voorzieningen, bijvoorbeeld op het gebied van de ziektekostenverzekering; voorzieningen overigens die zelfs in Frankrijk en België beschikbaar zijn.

In de resolutie wordt afkeurend gesproken over het feit dat er in de lidstaten geen helder onderscheid bestaat tussen sociale bijstand en sociale verzekeringen. Daar gaat het toch ook niet om. Sociale bijstand is geen typisch grensarbeidersprobleem, want grensarbeiders zijn werknemers die niet aangewezen zijn op sociale bijstand.

Ik begrijp ook niet wat de detacheringsperiode met grensarbeiders te maken heeft. Voor werknemers die door hun werkgever tijdelijk in een andere lidstaat worden gedetacheerd, bestaat een aparte richtlijn die weer niet op grensarbeiders van toepassing is.

Uit de vonnissen van het Europese Hof van Justitie in de zaken Kohl en Decker is duidelijk gebleken dat inwoners van alle lidstaten, dus ook grensarbeiders, gebruik kunnen maken van de gezondheidszorg in een andere lidstaat. Ook hier trapt het verslag alleen maar open deuren in.

Ik hecht er waarde aan om dat hier duidelijk aan de orde te stellen. Het is namelijk niet de eerste keer dat het Europees Parlement in een verslag over de grensarbeiders ondoordachte eisen lanceert. Tijdens het debat over het verslag-Lancker in 1998 heb ik de stelling dat grensarbeiders principieel gediscrimineerd worden, reeds ontkracht. Toentertijd heeft deze Belgische socialiste het hemeltergende voorstel gedaan om een compensatiefonds in het leven te roepen voor de salarisderving van grensarbeiders.

Het is voor grensarbeiders van belang dat er niet getornd wordt aan het principe dat loonbelasting en sociale premies in het werkland betaald moeten worden. Aan deze randvoorwaarde moet namelijk worden voldaan zodat grensarbeiders van dezelfde sociale voorzieningen kunnen profiteren als de werknemers en hun partners en/of gezinsleden in het werkland.

Zo is het in Luxemburg en zo zou het overal moeten zijn. Niet meer en niet minder!

 
  
  

- Resolutie over de milieurichtlijnen (B5-0038/2001)

 
  
MPphoto
 
 

  Isler Béguin (Verts/ALE), schriftelijk. - (FR) Het feit dat de richtlijnen aangaande de instandhouding van de natuurlijke habitats, het wegwerken van PCB's en PCT's en de bescherming van het water tegen nitraatvervuiling onvoldoende worden uitgevoerd in de lidstaten, wil geenszins zeggen dat die richtlijnen slecht zijn en dat ze veranderd moeten worden, zoals sommigen in dit Parlement ons trachten te doen geloven.

Deze richtlijnen beantwoorden geheel en al aan de wens van de Europese burgers, die meer respect voor hun leefmilieu eisen en arbitrage door de Europese instellingen. De talrijke klachten en verzoekschriften die door de Commissie verzoekschriften zijn geregistreerd aangaande milieudelicten en inbreuk op deze richtlijnen getuigen van deze verwachtingen.

Dat die richtlijnen slechts gedeeltelijk worden uitgevoerd, komt in feite doordat de lidstaten de gevolgen ervan niet goed hadden voorzien toen ze werden aangenomen. Ze waren zich niet bewust van de kosten, noch van de soms fundamentele beleidswijzigingen die deze richtlijnen met zich mee brengen. Dat geldt evenzeer voor de habitatrichtlijn als voor de nitraatrichtlijn, die beide een herziening vereisen van het landbouwbeleid en de ruimtelijke ordening, vervuilend en slecht voor het milieu als die zijn.

Het instellen van de habitatrichtlijn heeft tot doel een Europees netwerk van bijzondere natuurlijke milieus duurzaam te beschermen en dat te onttrekken aan toekomstige herinrichtingen, om zodoende conflicten over gebruik en teloorgang van de desbetreffende leefmilieus te voorkomen. Het is evident dat deze doelstellingen zeer slecht zijn gepresenteerd in de lidstaten, waardoor soms hevige conflicten tussen eigenaars en gebruikers van de betrokken gebieden zijn ontstaan. Toch zijn er, daar waar er wel sprake is geweest van echt overleg, snel resultaten geboekt, waarbij de habitatrichtlijn juist de mogelijkheid biedt tot ondersteuning van een beheer dat het erfgoed respecteert, met voldoende compensatie.

Deze habitatrichtlijn is absoluut vernieuwend op het gebied van ruimtelijke ordening en natuurbescherming, omdat ze voorziet in het beheer van bijzondere natuurgebieden maar het tegelijkertijd mogelijk maakt ze zodanig te gebruiken dat het grondgebied kan worden opgewaardeerd. Daarom moet de Europese Unie alles in het werk stellen om de tenuitvoerlegging van deze richtlijn te ondersteunen.

Zij moet in geen geval wijken voor de belangen van bepaalde groepen die de geest van de richtlijn zouden vernietigen.

De Commissie moet als hoedster van de verdragen enerzijds doortastend optreden naar de lidstaten opdat die deze richtlijnen uitvoeren, en anderzijds standvastig blijven tegenover de pogingen deze richtlijnen al te wijzigen voordat ze hun deugdelijkheid geheel hebben kunnen bewijzen, in het bijzonder op het gebied van de watervervuiling door nitraten en van de bescherming en opwaardering van de bijzondere natuurgebieden.

Daarom steunt de Groene fractie in grote lijnen de aangeboden verslagen, en in het bijzonder het verslag-Sjöstedt, dat bij zal dragen aan een betere toepassing van de habitatrichtlijn.

Wij hebben ons echter van stemming onthouden, en wel omdat de pogingen om het verslag op de valreep fundamenteel te wijzigen door afzwakking en wijziging van de habitatrichtlijn volgens ons niet van respect getuigen voor de richtlijnen die wij goedkeuren.

 
  
  

- Verslag-Parish (A5-0357/2000)

Fatuzzo (PPE-DE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, ik hoop dat u nog een tikkeltje aandacht over hebt - ik weet trouwens dat u altijd een en al aandacht bent - om naar deze stemverklaring over het verslag-Parish te luisteren waarin gesproken wordt over jonge landbouwers. Ik wil wijzen op het belang van de door de jonge landbouwers geproduceerde melk en op het belang van de ondersteuning van dit product op dit voor de landbouw zo moeilijke moment. Ik kan mij nog heel goed een film van Federico Fellini uit de jaren ’60 herinneren, met Anita Ekberg als hoofdrolspeelster. Zij was toen te zien op een groot reclamebord waarop zij de mensen uitnodigde melk te drinken. Herinnert u zich Anita Ekberg nog? Door haar overdadige rondingen was zij de ideale actrice om de Italianen aan de melk te krijgen. Ik zou vandaag echter hetzelfde beroep willen doen op de Europese burgers. Laten zij melk drinken, dan kunnen de boeren hun door de gekkekoeiencrisis bedreigde melk afzetten en verkopen!

 
  
MPphoto
 
 

  Konrad (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte dames en heren, aan de orde is het verslag-Parish over de toekomst van jonge landbouwers in de Europese Unie. Ook nu weer worden nieuwe subsidies geëist, de zogenaamde installatiesteun. Ik heb het verslag afgewezen, daar het de indruk wekt dat alles in orde is. In feite is er helemaal niets in orde. Door de BSE-crisis staat het hele agrarische systeem op de helling. Wij besteden het luttele bedrag van bijna honderd miljard Duitse marken per jaar aan de landbouw. Dat is altijd nog de helft van de Europese begroting. We beginnen ons nu echter af te vragen wat wij voor dat geld terugkrijgen. Varkenspest, hormoonkalveren, dioxinekippen en nu ook nog de BSE-epidemie.

Ik geloof dat wij langzaam maar zeker walgen van de voedselketen die wij tot stand hebben gebracht; misschien walgen we ook wel van onszelf! In plaats van met grassen en granen voederen wij de koeien met kadavers van huiskatten, kooiratten en andere dieren. Volgens mij is dat precies het element dat ook in de huidige discussie betrokken moet worden. De vervuiling en fecalisering van ons voedsel is het logische gevolg van een waanzinnig landbouwbeleid, waaraan zonder twijfel op dit moment een einde moet komen. Wij moeten een principiële discussie over dat beleid voeren zodat dergelijke planeconomische subsidies in de toekomst niet meer verstrekt worden. Dat is ook precies de boodschap die wij de jonge landbouwers moeten geven. Daarover moeten we met hen discussiëren, zodat duidelijk wordt dat ze zich zonder subsidies op de markt staande zullen moeten houden. Daar wordt in dit verslag op geen enkele manier aandacht aan besteed. Daarom moet het ook niet aangenomen worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Alavanos (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling gaat de goede kant uit. Er is echter meer financiële steun nodig om jonge mensen de kans te geven zich als boer te vestigen en de leegloop van het platteland tegen te gaan. De vestiging van jonge landbouwers is een belangrijk instrument om verlate gebieden, kleine eilanden en uitstervende traditionele gemeenschappen nieuw leven in te blazen. Met de toepassing van de nieuwe technologie, zoals internet, kan men nieuwe voorwaarden creëren in die gebieden en deze niet alleen in cultureel, technisch en menselijk opzicht, maar ook qua arbeidsomstandigheden aantrekkelijker maken.

Een belangrijk punt ontbreekt echter in het verslag van de Commissie landbouw. De intensieve landbouw en veeteelt, waarvan de gekkekoeienziekte het resultaat is, heeft de sector in een uitzichtloze situatie doen belanden. Daarom moet jonge landbouwers de gelegenheid worden geboden alternatieve, biologische landbouw te bedrijven en gezinsbedrijven op te richten.

 
  
MPphoto
 
 

  Andersson, Färm, Hedkvist Petersen, Hulthén, Hans Karlsson en Theorin (PSE), schriftelijk. - (SV) Wij Zweedse sociaal-democraten zijn verheugd over veel van de maatregelen die de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling voorstelt om de situatie van jonge landbouwers te verbeteren.

Wij vinden echter dat de steun voor de landbouw sterk moet worden verlaagd en zijn daarom tegen de verhoging van die steun zoals die wordt voorgesteld in de punten 7, 11 en 14 van het verslag-Parish.

 
  
MPphoto
 
 

  Bordes, Cauquil en Laguiller (GUE/NGL). (FR) Wij willen de jonge landbouwers zonder geld de helpende hand toesteken. De uitgaven die ze moeten doen zijn immers bijzonder groot. Wij denken hierbij onder meer aan de kosten voor aanschaf van een landbouwbedrijf en van materiaal.

Wij hebben voor dit verslag gestemd, maar willen desondanks een aantal bedenkingen uiten. Zo wordt er in het verslag geen garantie geboden dat de steun niet grotendeels, of zelfs geheel, ten goede komt aan de kinderen van rijke eigenaren van landbouwbedrijven en dat de allerarmsten niet opnieuw over het hoofd worden gezien. Wij willen ons bij voorbaat uitspreken tegen het misbruik dat van deze fondsen gemaakt zal worden ten gunste van de kinderen van rijke eigenaren van landbouwbedrijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Collins (UEN), schriftelijk. - (EN) Ik ben van mening dat onze Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling een zeer evenwichtig verslag heeft samengesteld dat onze instemming verdient. Als vertegenwoordiger van een plattelandsdistrict ben ik maar al te goed op de hoogte van de zorgen van de boeren over de toekomst van de landbouw in Ierland. Het klinkt ongeloofwaardig, maar het is echt waar dat de boeren in Ierland, waar landbouw al heel lang de economische basis van het land vormt, zich thans beginnen af te vragen of hun zonen en dochters de familietraditie nog wel zullen kunnen voortzetten.

Het verslag van de heer Parish komt op precies het juiste moment en het onderzoek naar “De toekomst van de jonge landbouwers in de Europese Unie”, dat hij begin vorig jaar door onafhankelijke consultants heeft laten uitvoeren, biedt een zeer zinvolle kijk op de hele kwestie.

De jonge landbouwers zijn van wezenlijk belang voor de toekomst van de landbouw. Zij vervullen een zeer belangrijke rol bij het maatschappelijke leven in dorpen en plattelandsgemeenschappen, zijn verantwoordelijk voor een veelheid aan activiteiten en maken deel uit van plaatselijke instellingen. Door het landschap te onderhouden helpen de landbouwers bij het in stand houden van een gezond en welvarend platteland.

In Ierland biedt het nationaal ontwikkelingsplan voor 2000-2006 een gamma van ondersteunende maatregelen voor aankomende landbouwers, waaronder een nieuwe, verbeterde regeling voor vestigingssteun waarmee de overname van boerenbedrijven door jongere landbouwers wordt aangemoedigd en waarmee jonge landbouwers worden ondersteund bij het opzetten van een bedrijf. Er is zo’n 30 miljoen pond voor deze regeling nodig en ik hoop dat de Commissie spoedig haar goedkeuring zal geven.

Daarnaast bestaat er een uitgebreide reeks belastingmaatregelen om de kosten bij de eigendomsoverdracht van landbouwbedrijven te beperken. Enkele van deze stimulerende maatregelen betreffen de fiscale voorraadaftrek, belasting op grondtransacties, vermogensbelasting en successierecht.

Het is duidelijk dat de voor de aankomende landbouwers beschikbare ondersteuning gekoppeld aan de regeling voor vervroegde pensionering zeer zinvol is. Deze maatregelen zullen ertoe bijdragen dat land in een eerder stadim en op meer efficiënte wijze aan jongere landbouwers wordt overgedragen.

Veel jonge landbouwers die een boerenbedrijf overnemen, moeten flinke investeringen doen om de productiviteit te optimaliseren en het bedrijf economisch levensvatbaar te houden.

In dit opzicht is op grond van het nationaal ontwikkelingsplan zo’n 230 miljoen pond vrijgemaakt voor investeringen binnen het bedrijf. Onder deze investeringsprogramma’s vallen landbouwafvalbeheer, verbetering van de hygiënenormen voor zuivelproducenten en huisvestings- en transportfaciliteiten voor alternatieve ondernemingen.

Deze regelingen zullen toegankelijk zijn voor een groter aantal deeltijd- en voltijdlandbouwers, waaronder jonge, opgeleide landbouwers, en zullen de levensvatbaarheid van vele boerenbedrijven veiligstellen. De regelingen zullen met name gericht zijn op jonge landbouwers.

Ook dient vermeld te worden dat deze regelingen duidelijk gericht zijn op de bescherming van het milieu. Dit zal bij de toekomstige ontwikkelingen van de Ierse en de Europese landbouw een grote rol spelen.

Tot slot is het van groot belang dat we ons op Europees niveau toeleggen op het veiligstellen van een toekomst voor de Europese landbouw. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid is een Europees succesverhaal en dat moet vooral zo blijven. Onze jonge landbouwers en duurzame, milieuvriendelijke landbouwpraktijken hebben de toekomst. Deze doelstellingen verdienen alle mogelijke steun.

 
  
MPphoto
 
 

  Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. - (PT) De situatie en de toekomst van de jonge landbouwers zijn sterk afhankelijk van de situatie en de toekomst van de landbouw in de EU. Het is algemeen bekend dat het boerenbedrijf en het platteland er slecht aan toe zijn. De huidige achteruitgang is grotendeels te wijten aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid. De concentratie van de landbouwgrond, de intensivering en de progressieve verticalisering van de landbouwproductie werken de ontvolking en de leegloop van het platteland in de hand. Dit blijkt uit de evolutie van de werkgelegenheid en het aantal landbouwbedrijven. De cijfers wijzen op een daling van respectievelijk 22% en 20% sinds 1990.

De jonge landbouwers zorgen ervoor dat de landbouwsector gerenoveerd wordt. Met hen staat of valt het voortbestaan van de landbouw in de regio's van de EU. In het afgelopen decennium is het aantal landbouwbedrijven dat wordt gerund door boeren tot 35 jaar met maar liefst 28% gedaald, hetgeen de toch al zo sombere situatie nog uitzichtlozer maakt.

Het is derhalve van fundamenteel belang dat er speciale communautaire steunmaatregelen ten behoeve van jonge landbouwers ten uitvoer worden gelegd, ofschoon de enige afdoende oplossing in wezen bestaat in een diepgaande inhoudelijke wijziging van het GLB. Het verslag-Parish, waarmee ik over het geheel genomen en ondanks het gebrek aan samenhang kan instemmen, gaat evenwel niet voldoende in op deze broodnodige beleidswijzigingen. Het beperkt zich tot het bestaande kader. Desalniettemin zijn er drie door mij ingediende amendementen goedgekeurd die ik bijzonder belangrijk acht, te weten:

- de noodzaak om te ijveren voor een duurzame landbouw van uitstekende kwaliteit die veilige producten met een hoge meerwaarde levert door steun te verlenen aan de biologische landbouw en de autochtone rassen, de benaming van oorsprong te verbeteren en steunmechanismen in het leven te roepen voor regionale producten van een bijzondere kwaliteit;

- versterking van de fondsen voor plattelandsontwikkeling en de structuurfondsen ter ondersteuning van de totstandkoming en de instandhouding van een grootschalig net van overheidsdiensten, infrastructuur en dynamisering van de lokale plattelandsmarkten;

- de noodzaak om de wetgeving inzake jonge boeren te vereenvoudigen en te bundelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lulling (PPE-DE), schriftelijk. - (DE) Dit debat over een verslag over de situatie en vooruitzichten van jonge landbouwers in de Europese Unie is juist nu, met het oog op de BSE-crisis, van bijzondere betekenis.

De gebeurtenissen die zich in de meeste lidstaten voltrekken sinds deze crisis zo hysterisch werd opblazen, dragen er zeker niet toe bij dat jonge mensen in de landbouw actief willen blijven. Zij zien al helemaal geen toekomst meer op het platteland waar zij, zoals het zo fraai in ons verslag wordt omschreven, een belangrijke rol zouden moeten vervullen in het sociale leven van dorpen en landelijke gemeenschappen, vanwege hun bijdragen aan de bevordering en instandhouding van het landschap en aan de economische, sociale en milieubehoeften van het platteland.

Gezien deze vertrouwenscrisis, die met name bij de consumenten is uitgebroken, moeten wij ons meer dan ooit zorgen maken over de toekomst van de landbouw in de Europese Unie. De sterkste teruggang (28%) heeft sowieso al plaatsgevonden onder landbouwers tot de leeftijd van 35 jaar, en het aantal jonge landbouwers in verhouding tot het totale aantal landbouwers daalt in bijna elke lidstaat. Ons verslag bevat alle van belang zijnde en juiste conclusies en de bijbehorende maatregelen. Het hangt van de verwezenlijking van die maatregelen af of nog voldoende jonge mensen een toekomst in de landbouw zien.

Niet alleen de EU-Commissie, maar ook de Raad en alle lidstaten zouden zich de aanbevelingen in het verslag zeer ter harte moeten nemen, tenminste als zij willen voorkomen dat er in de Europese Unie een ontvolking van het platteland plaatsvindt, dat het land onvruchtbaar wordt en dat de economie in de landelijke gebieden verslechtert. Dit zou onvermijdelijk gepaard gaan met een verergering van de sociale en culturele problemen.

Wij hebben in de EU een duurzame landbouw nodig die kwaliteitsproducten levert. Wij moeten de benamingen van de oorsprong van onze kwaliteitsproducten zoals wijn, ook in de WTO verdedigen en waarborgen. Onze toekomst in de EU, evenals de uitvoer naar derde landen, ligt in handen van kwaliteitsproducten waarvoor in de EU en ook elders in de wereld betaalkrachtige en mondige consumenten te vinden zijn.

De tendens bestaat om de landbouw, die geacht wordt steeds goedkopere producten te leveren, verantwoordelijk te houden voor de huidige problemen, met name in verband met de BSE-crisis. Ik ben jarenlang lid geweest van de Commissie consumentenbelangen van de Europese Commissie. Daarom wil ik hier ook een keer op de verantwoordelijkheid van de consumentenbonden wijzen. Die hebben voortdurend lagere consumentenprijzen voor de levensmiddelen geëist zonder rekening te houden met de inkomenspositie van de producenten. Zij zijn in de jaren '70 en '80 en ook daarna telkens tegenstander geweest van reële producentenprijzen in het kader van de communautaire marktreguleringen voor landbouwproducten. Zij zijn dus medeschuldig aan de industrialisering van de landbouw, aan het omturnen van koeien tot vleeseters, zonder dat zij daarbij rekening hebben gehouden met het feit dat boeren ook recht hebben op een rechtvaardige beloning voor hun werkzaamheden. Dat wilde ik hier ook eens een keer gezegd hebben.

Ik stem met enthousiasme voor dit verslag, omdat het goed geformuleerd is en alles bestrijkt wat goed en belangrijk is voor de handhaving en bevordering van familieboerderijen in Europa. Dit verslag vormt de basisvoorwaarde voor de bevordering van een ecologische landbouw met regionale kwaliteitsproducten die de consumenten op waarde moeten leren schatten en waarvoor ze een reële prijs willen betalen.

 
  
MPphoto
 
 

  Roure (PSE), schriftelijk. – (FR) De situatie waarin jonge landbouwers verkeren wordt als een ernstig probleem in de Unie gezien. De jonge landbouwers hebben ondanks de steun die ze op Europees en nationaal niveau genieten, geen echte toekomstperspectieven. Dit verslag is mijns inziens daarom van groot belang. Het doet mij dan ook genoegen dat het hier is aangenomen.

De economische situatie waarin jongeren verkeren is niet al te best en in sommige gevallen zelfs aanzienlijk verslechterd. Jonge landbouwers hebben geen echte toekomstperspectieven. Bovendien neemt het aantal landbouwers in het algemeen zienderogen af en stijgt de gemiddelde leeftijd van de werkzame landbouwer.

Welke actie kan de Unie ondernemen?

De Commissie cultuur, jeugd, onderwijs, media en sport heeft zich in haar adviserende rol niet op het terrein van de andere commissies willen begeven. Wij hebben ons dus bezighouden met vraagstukken die verband houden met het onderwijs, de beroepsopleiding, de informatieverstrekking en het sociale en culturele aspect.

Wij constateren dat de problemen van jonge landbouwers samenhangen met het feit dat de opleidingen en trainingen die ze gevolgd hebben tekortschieten. Zelfs in Agenda 2000 wordt met deze zeer wezenlijke aspecten geen rekening gehouden.

De Unie dient in het kader van de programma’s SOCRATES en LEONARDO het onderwijs en de beroepsopleiding ten behoeve van jonge landbouwers te verbeteren. Deze landbouwers dienen immers over de benodigde kwalificaties te beschikken. Zo moeten ze bijvoorbeeld een computeropleiding krijgen, evenals toegang tot internet. De jonge landbouwers dienen voorts op de hoogte te worden gebracht van geïntegreerde beheersystemen voor productie en marketing, zodat ze in staat zijn hun landbouwbedrijf doelmatig te leiden. De leegloop van het platteland kan wellicht voorkomen worden als we erin slagen de publieke diensten zoals scholen, postkantoren en vervoer voor deze gebieden te behouden, terwijl we het sociale leven er hopelijk kunnen redden door bijvoorbeeld gemeenten samen te voegen en te zorgen voor pendeldiensten.

Als we ervoor zorgen dat de landbouwsector zich opnieuw kan ontplooien, zullen jongeren uit de stad, die zich bewust zijn van hetgeen de natuur te bieden heeft en die op zoek zijn naar een betere kwaliteit van het leven, zich op het platteland gaan vestigen en zullen de jongeren die reeds op het platteland wonen er weer heil in zien om het landbouwbedrijf van hun ouders voort te zetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Sacrédeus (PPE-DE), schriftelijk. - (SV) De Zweedse christen-democraten hebben tegen de ontwerpresolutie gestemd, omdat wij deze onverenigbaar vinden met het subsidiariteitsbeginsel, en ondanks het feit dat het onderwerp als zodanig, de situatie van de jonge landbouwers, belangrijk is.

Wij keren ons vooral tegen punt 10. Daarin wordt het absurde voorstel gedaan "dat de EU zou moeten overwegen de lidstaten bindend voor te schrijven om minimumniveaus aan installatiesteun voor jonge boeren beschikbaar te stellen." Dit is naar onze mening geen supranationaal vraagstuk.

 
  
  

- Verslag-Varela Suanzes-Carpegna (A5-0365/2000)

 
  
MPphoto
 
 

  Fatuzzo (PPE-DE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, de Partij van de Gepensioneerden die ik hier in het Europees Parlement vertegenwoordig, vraagt de Commissie, het Europees Parlement en de Raad dringend om een belangrijk gedeelte van het visserijbeleid te herzien. Het is namelijk een diepgewortelde gewoonte geworden om in andermans territoriale wateren te gaan vissen en de regeringen van de betrokken landen geld te betalen ter compensatie. Op die manier sussen wij ons geweten. Ik heb altijd horen zeggen: laten wij degenen die geen middelen van bestaan hebben een hengelstok geven. Helaas geven wij Europeanen geen hengelstok. Integendeel, wij trekken naar andermans territoriale wateren om daar te gaan vissen. Ik begrijp de problemen van de vissers heel goed, maar wij moeten die zo oplossen dat de volkeren die enkel en alleen van de visvangst leven, geen schade wordt berokkend.

 
  
  

- Verslag-Gallagher (A5-0333/2000)

 
  
MPphoto
 
 

  Crowley (UEN). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik graag namens mijn fractie opmerken dat wij voor het voortzetten van een gemeenschappelijk visserijbeleid binnen de Europese Unie zijn, omdat we begrijpen dat het beheer van de hulpbronnen de beste manier is om de sociale en economische ontwikkelingen te garanderen voor de vele kustgebieden binnen de Europese Unie die zonder hun eigen natuurlijke hulpbronnen, bijvoorbeeld visserij en aquicultuur, de werkgelegenheid of andere ontwikkelingen niet zouden kunnen stimuleren.

Maar, het moet gezegd, het gemeenschappelijk visserijbeleid bevat een hoop onvolkomenheden. Met name het categorisch bezwaar tegen een geregionaliseerd beleid binnen het gemeenschappelijk visserijbeleid deugt niet. Dit Parlement heeft dat voorstel vandaag opnieuw verworpen. Regionalisering is niet hetzelfde als renationalisering en betekent niet dat we ons van het model van de Gemeenschap afkeren; het betekent dat we aangrenzende gemeenschappen die op dezelfde vissoorten vissen, de gelegenheid bieden deze soorten samen te beheren.

Daarenboven moeten we ook een grotere nadruk leggen op een eenvormig controlesysteem voor alle territoriale wateren van de Europese Unie en meer bevoegdheden geven aan de inspecteurs van de Gemeenschap om te kunnen toezien op strikte handhaving van alle verordeningen.

Ten slotte wil ik nog zeggen dat er behoefte is aan beschermingsmaatregelen. We hebben gezien dat er sprake is van een enorme depletie van de visbestanden binnen de territoriale wateren van de Europese Unie. Op zoek gaan naar andere visbestanden en deze binnen het quotastelsel brengen is geen goede beschermingsmaatregel. Het is beter bepaalde verboden gebieden aan te wijzen, zodat visbestanden daar opnieuw op sterkte kunnen komen. Dat dit werkt is in verschillende gebieden al gebleken via vrijwillige overeenkomsten in Ierse territoriale wateren en instelling van dergelijke afgesloten visgebieden - de zogenaamde braakleggingsgebieden, analoog met het gemeenschappelijk landbouwbeleid - gedurende bepaalde tijd. Dat is een manier om de voedselbron in stand te houden, werkgelegenheid te scheppen en het milieu in onze viswateren te beschermen. Daarom steunden wij het verslag-Gallagher.

 
  
MPphoto
 
 

  Fatuzzo (PPE-DE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, ik heb voor dit verslag over het gemeenschappelijk visserijbeleid gestemd. Ik wil echter het Europees Parlement, de Commissie en de Raad verzoeken meer aandacht te besteden aan een aspect dat eigenlijk thuishoort in paragraaf 20 van het verslag, maar vergeten is. Zij zouden controle en toezicht moeten uitoefenen op de uitkering en de toestand van de gepensioneerden in de visserijsector en met name de sector van de kleine visvangst. Zij hebben er recht op dat wij ons niet alleen interesseren voor de verschillende aspecten van de visvangst, hoe belangrijk deze ook zijn, maar ook voor de wijze waarop de nationale overheden hun gepensioneerde vissers beschermen. Zij zijn het die minst beschermd zijn wanneer het om pensioen gaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Alavanos (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Mijn fractie heeft voor de resolutie gestemd. Ik moet echter de aandacht vestigen op een specifiek vraagstuk. Overeenkomstig de communautaire wetgeving hebben de Griekse vissers een exclusief visserijrecht in een 6-mijlszone, terwijl voor de andere EU-landen en met name de mediterrane landen een 12-mijlszone geldt. De Griekse vissers krijgen dus geen gelijke behandeling. Zij worden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid benadeeld ten opzichte van de vissers uit andere landen.

Aangezien op grond van de verklaring in artikel 5, lid 1 van bijlage IX van het Internationale Verdrag inzake het zeerecht de Gemeenschap de uitsluitende bevoegdheid heeft voor de instandhouding en het beheer van de zeevisbestanden, en derhalve bevoegd is voor de uitvaardiging van de noodzakelijke voorschriften en regels, moet de Commissie gebruik maken van deze bevoegdheid en de Griekse vissers een uitsluitend visserijrecht in een 12-mijlszone toekennen. Met resolutie A4-0018/99 (C-153/1-6-99) heeft het Europees Parlement de Commissie gevraagd een voorstel in te dienen voor de uitbreiding van de exclusieve economische visserijzone tot 24 mijl, opdat een gepast decentralisatiebeleid kan worden gevoerd en de belangen van de kustlanden kunnen worden gewaarborgd. De Commissie dient gevolg te geven aan de bovengenoemde resolutie van het Europees Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Souchet (UEN), schriftelijk. - (FR) De parlementaire verslagen waarover wij ons moeten uitspreken hebben betrekking op verschillende aspecten van het GVB, zoals het beheer en het behoud van de visbestanden, het structuurbeleid, de externe visserijbetrekkingen van de Unie, de marktorganisatie en het toezicht en de controle.

De Commissie heeft de volgende prioriteiten kenbaar gemaakt: een betere samenhang tussen de verschillende doelstellingen van het GVB, met name tussen het behoud van de visbestanden, de verbetering van de economische doelmatigheid en de werkgelegenheid in de verschillende gebieden die van de visserij afhankelijk zijn; meer erkenning voor de economische dimensie van het visserijbeleid; betere onderlinge overeenstemming tussen milieu- en visserijbeleid; betere beheersinstrumenten en met name opname van meerjarige instrumenten; een transparanter besluitvormingsproces en handhaving van de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

Uiteraard kunnen wij al deze punten in beginsel steunen. Het lijkt mij evenwel noodzakelijk om enkele punten te onderstrepen waarvan de Commissie het belang onvoldoende benadrukt heeft. De toegestane vangstcijfers (TAC) dienen weliswaar op objectieve wetenschappelijke gronden te worden vastgesteld, maar ik denk dat ook de dialoog met de beroepsgroep geformaliseerd en versterkt dient te worden. De vertegenwoordigers van de visserijsector moeten reeds vanaf het begin bij de werkzaamheden van de wetenschappers betrokken worden, teneinde het onderlinge vertrouwen te versterken en gefundeerde besluiten te kunnen nemen die op brede steun kunnen rekenen. Dit is de richting die wij op moeten gaan bij de voorbereiding van de meerjarige richtlijnen. De inspectie- en sanctieregelingen voor de verschillende visserijgebieden moeten absoluut worden geharmoniseerd om het evenwicht tussen de lidstaten te behouden. De controles die de landen van de Gemeenschap uitoefenen op de vloten van derde landen die in de communautaire wateren opereren, moeten worden geïntensiveerd.

Wij zijn van mening dat het stelsel van toegestane vangstcijfers (TAC) en quota's de spil van het GVB moet blijven, maar willen desalniettemin aangeven dat wij zeer veel waarde hechten aan de naleving van het stabiliteitbeginsel en dat wij tegen de privatisering van de quota's zijn.

 
  
  

- Verslag-Poignant (A5-0332/2000)

 
  
MPphoto
 
 

  Fatuzzo (PPE-DE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, ik heb voor dit verslag gestemd want ik ben er, evenals de Partij van de Gepensioneerden, vierkant voor dat het Europees Parlement en alle andere bestuursorganen de bevolking, de verschillende groeperingen, de betrokken kringen, kortom de mensen zelf raadplegen, voordat zij belangrijke besluiten nemen. In dit document staat dat de Commissie talrijke instanties heeft geraadpleegd alvorens een besluit te nemen over het gemeenschappelijk visserijbeleid: de vertegenwoordigers van de vissers, de vertegenwoordigers van de visverwerkende industrie en de vertegenwoordigers van de vistuig producerende industrie. De Commissie heeft iedereen geraadpleegd en heeft zelfs regionale hoorzittingen gehouden, maar, mijnheer de Voorzitter, alles goed en wel, heeft de Commissie de vissen zelf eigenlijk wel geraadpleegd?

 
  
MPphoto
 
 

  Martinez (TDI), schriftelijk. - (FR) In 2003 zal het blauwe Europa met zijn gemeenschappelijk visserijbeleid niet meer hetzelfde zijn. Al in 2001 verdwijnen de beheersinstrumenten in de visserij, dat wil zeggen het meerjarig oriëntatieprogramma MOP IV. Wij hebben nog twee jaar de tijd, dat wil zeggen tot 31 december 2002, om onze gedachten te laten gaan en een besluit te nemen over het gemeenschappelijk beleid, dat volgens een overzicht van de Europese Commissie achttien vraagstukken omvat. Ik denk hierbij aan het al dan niet verlenen van vrije toegang tot de territoriale wateren, de controle op en het beheer van de markt voor visserijproducten en aquacultuur, de internationale visserijakkoorden, het wetenschappelijk onderzoek naar de visbestanden en het bijzondere karakter van de Middellandse Zee.

Bij deze herziening van het GVB dient met veel aspecten rekening te worden gehouden. In de eerste plaats zijn de visbestanden niet oneindig en loopt een aantal visbestanden al gevaar. Ik denk hierbij aan schelvis, kabeljauw, sardine en de tonijnachtigen. Er is sprake van verspilling. Meer dan 15% van de wereldwijde visvangsten wordt ieder jaar teruggegooid onder het voorwendsel dat sterke prijsdalingen vermeden moeten worden en de verboden moeten worden nageleefd. Dit verschijnsel zien we met name in de EU. Andere landen, zoals Noorwegen, maken handig gebruik van deze bijvangsten die buiten de normen vallen. De bijvangsten omvatten in totaal 20 van de 122 miljoen ton vis die wereldwijd gevangen wordt.

Internationale en regionale organisaties, zoals de FAO, de Visserijraad voor de Middellandse Zee en de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan, houden zich samen met de Europese Gemeenschap bezig met de beheersing van de visvangsten. Zo heeft Europa 25 bilaterale akkoorden gesloten met Angola, de Seychellen, Madagascar en andere landen. Europa is ook in onderhandeling over een akkoord met Marokko, maar dat overleg bevindt zich momenteel in een impasse. Er is sprake van een mondialisering van de markt met als gevolg dat er goedkope vis wordt ingevoerd.

Met de herziening van het GVB, dat momenteel talrijke onduidelijke regelingen kent, tracht men een aantal tegenstrijdige doelstellingen te bereiken. Zo moeten de visbestanden worden beschermd volgens het voorzorgsbeginsel, maar dit mag niet ten koste gaan van de economieën en de kustregio's die hun werkgelegenheid voor een belangrijk deel aan de visvangst danken. Dit geldt bijvoorbeeld voor de regio’s langs het Kanaal. Voorts moet er een duidelijk GVB komen, maar bij het formuleren daarvan moet voldoende aandacht worden besteed aan het bijzondere karakter van de gebieden rondom de Noordzee, de Middellandse Zee, de Adriatische Zee (op verzoek van de Italianen) en andere subregionale "zeeën".

Voorts mag het buitengewone open karakter van de Europese markt, die 60% van zijn consumptie importeert, niet ten koste gaan van de bescherming van onze vissers, die geconfronteerd worden met de sluiting van de Japanse, Amerikaanse en Koreaanse markten. De Commissie heeft een goede werkwijze gekozen om aan al deze problemen het hoofd te bieden. Ze voert breed overleg met organisaties voor de visserij, het milieu en de producenten.

(Deze interventie is overeenkomstig artikel 137 van het Reglement ingekort)

 
  
  

- Gezamenlijke resolutie over verarmd uranium

 
  
MPphoto
 
 

  Lucas (Verts/ALE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik spreek namens mijn fractie als ik zeg dat ik blij ben met de compromisresolutie die we zojuist hebben aangenomen. Het is een stap in de goede richting dat we ons krachtig, eensgezind en ondubbelzinnig uitspreken voor een moratorium op het gebruik van wapens met verarmd uranium, zelfs al gaat dit in onze ogen nog niet ver genoeg. De fractie de Groenen/Vrije Europese Alliantie had graag een volledig verbod op de productie, de uitvoer en het gebruik van verarmd uranium in elk type wapens gezien. Wij vinden dat we daarvoor een wettelijke alsook morele basis hebben. De VN-conventie van oktober 1980 verbied het gebruik van bepaalde wapens die een niet-onderscheidende werking hebben. De resolutie van 1996 van de Subcommissie voor mensenrechten veroordeelt ook uitdrukkelijk wapens met verarmd uranium vanwege het niet-onderscheidende karakter ervan. Het gebruik van dergelijke wapens is derhalve al door het internationaal recht aan de kaak gesteld.

Wij waren er ook nog wat geruster op geweest als in de resolutie iets had gestaan over onze bezorgdheid over de methodiek die wordt gebruikt om de risico's van verarmd uranium na te gaan. Steeds meer wetenschappers stellen de conventionele methodiek ter discussie. Deze is eerder gebaseerd op uitwendige radioactieve stralingsdoses dan op de deeltjes die men binnenkrijgt of inademt.

Onderzoek heeft uitgewezen dat het aantal mensen dat overleden is aan leukemie als gevolg van de explosie in Tsjernobyl honderdmaal groter is dan was voorspeld door de desbetreffende radiologische beschermingsraden. Deze raden hadden hun voorspellingen gebaseerd op uitwendige straling. Deze enorme blunder verhult het feit dat zelfs lage stralingsdoses, zoals die van verarmd uranium, in feite verschrikkelijke gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid. Het is dus belangrijk dat we een goede methodiek gebruiken, want anders zullen alle onderzoeken en screenings op de gehele wereld gewoon zinloos zijn.

Ten slotte zou ik u nog willen wijzen op het verslag op de voorpagina van de European Voice van afgelopen week. Daarin wordt gesteld dat de nieuwe Snellereactiemacht van de EU blijkbaar wapens met verarmd uranium wil gaan gebruiken. We hebben het hier over een strijdkracht voor humanitaire interventies die van plan is een wapen te gebruiken dat ontelbare kankergevallen zal veroorzaken bij juist die burgers die de strijdkracht behoort te beschermen. Dit is gewoon schandalig en daarom moet er worden ingegrepen.

 
  
MPphoto
 
 

  Fatuzzo (PPE-DE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, ik heb tegen deze resolutie gestemd. Schijnheiligheid is troef bij dit thema. Ik denk, of liever gezegd, ik vrees dat de vork als volgt in de steel zit:

“Mijnheer de president, welke wapens gebruiken wij tegen Milosevic?

“De wapens die wij normaliter gebruiken”, antwoordt de president.

“Welke wapens gebruiken wij normaliter?”, vraagt de generaal. “Ook munitie met verarmd uranium?”

“Waarom eigenlijk niet?”, zegt de president.

“Maar”, zegt de generaal, “die kan gevaarlijk zijn voor degenen die ermee omgaan, want uit experimenten is gebleken dat deze munitie ernstige schade kan veroorzaken in tijden van oorlog”.

“In de oorlog, mijn beste generaal, berekent men de risico’s en moet men bereid zijn die te aanvaarden”.

Mijnheer de Voorzitter, zoals men pleegt te zeggen: à la guerre comme à la geurre. Mijns inziens hoeven wij niet verbaasd te zijn over hetgeen – hoogstwaarschijnlijk, helaas - gebeurd is en alleen had kunnen worden vermeden met een verenigd en onafhankelijk Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  De Rossa (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb mijn steun aan de gezamenlijke resolutie over verarmd uranium gegeven en ik ben dan ook blij dat het Parlement besloten heeft de paragraaf en de oproep tot een moratorium op deze wapens te handhaven. Ik had liever een wat sterkere resolutie gezien maar ik weet ook hoe moeilijk dat te bereiken is.

Ik wil echter nog wel opmerken dat ik de houding van de heer Solana deze ochtend zeer betreur. Terwijl hij zich een voorstander verklaarde van transparatie en openheid met betrekking tot dit onderwerp, gaf hij toe dat hij slechts tot actie overging toen het ongeveer een week geleden in de openbaarheid kwam. Dit ondanks zijn rol als secretaris-generaal van de NAVO tijdens de Balkanoorlog. Ook over de vraag of er een moratorium dient te komen op deze wapens heeft hij niets gezegd of in ieder geval geen mening gegeven. Ik betreur ook zijn poging om dit Parlement medeplichtig te maken aan het besluit van de NAVO om deze wapens te gebruiken.

Het gebruik van deze wapens stond in geen verhouding tot de moeilijke opdracht waarvoor de NAVO zich gesteld zag, vooral in de oorlog tegen Servië, en was derhalve niet nodig geweest. Op harteloze wijze werd voorbijgegaan aan de gevolgen voor de hele bevolking. Door deze wapens in te zetten negeerde de NAVO volledig de gevolgen die ze zouden hebben voor haar troepen en, in de nasleep van die oorlog, voor hulpverleners en vredesmachten, waaronder zowel militairen als politiemensen.

Net zoals velen voor mij dat hebben gedaan, dring ik er dan ook op aan dat de nieuwe Snellereactiemacht niet de beschikking zal krijgen over dit soort wapens. Ik zal ook mijn eigen regering in Ierland vragen om geen deel uit te maken van deze Snellereactiemacht, tenzij duidelijk wordt vastgelegd dat deze wapens niet zullen worden gebruikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Alyssandrakis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) De gezamenlijke resolutie over het “Balkansyndroom” dient slechts één doel: de verhulling van het crimineel beleid van de NAVO en de Europese Unie die, zogenaamd om de mensenrechten te beschermen, een aanval hebben gepleegd op Joegoslavië. Daarmee hebben zij ongelooflijk veel menselijke slachtoffers en materiële schade veroorzaakt. Om nog “doeltreffender” te bombarderen aarzelden zij zelfs niet wapens te gebruiken die voorzien waren van een omhulsel met verarmd uranium, ofschoon zij sedert de oorlog tegen Irak al wisten dat verarmd uranium op lange termijn dodelijk kan zijn.

In de gezamenlijke resolutie weigert men toe te geven dat er een band bestaat tussen het verarmd uranium en de gevallen van kanker en leukemie onder de soldaten van het bezettingsleger in Bosnië en Kosovo, evenals trouwens onder de soldaten die betrokken waren bij de Golfoorlog. Hierin staan alleen vrome wensen en verzoeken om “doorzichtige besprekingen” en de instelling van een werkgroep. Daarin verzoekt men “de lidstaten die deel uitmaken van de NAVO een moratorium voor te stellen op het gebruik van wapens met verarmd uranium”, en verzoekt men “de NAVO het gebruik van andere soorten munitie te overwegen”. Met andere woorden, men vraagt de NAVO door te gaan met doden, zij het dan met “schone” wapens. De linkse fractie had een amendement ingediend voor een verbod op productie, testen, gebruik en verkoop van wapens met verarmd uranium. Het feit dat dit met grote meerderheid door het Europees Parlement werd verworpen en slechts de steun kreeg van 23% van de leden, spreekt boekdelen.

Het lijdt echter geen twijfel dat het Europees Parlement uiterst consequent is. Het heeft immers - zoals de oorlogsmisdadiger en voormalige secretaris-generaal van de NAVO, en huidig Hoge Vertegenwoordiger van de EU, de heer Xavier Solana op heel cynische wijze in zijn toespraak zei - zelf aangedrongen op een militaire interventie in de Balkan, in zowel Bosnië als Kosovo. Het is echter een illusie te geloven dat oorlogsmisdadigers zichzelf zullen aangeven en veroordelen. Deze rol komt de volkeren toe.

De Communistische Partij van Griekenland heeft herhaaldelijk aangedrongen op niet alleen een verbod op het gebruik van verarmd uranium, maar ook de onmiddellijke terugtrekking van het bezettingsleger uit de Balkan. Wij willen tevens dat de NAVO en de EU de kosten dragen voor de verzorging en schadeloosstelling van de slachtoffers, en voor het schoonmaken van het milieu.

De Europese afgevaardigden van de Communistische Partij van Griekenland hebben tegen de gezamenlijke resolutie gestemd. Wij roepen de volkeren op zich met vereende krachten te verzetten tegen de barbaarse nieuwe orde.

 
  
MPphoto
 
 

  Bonde, Krarup, Okking en Sandbæk (EDD), Eriksson, Frahm, Herman Schmid, Seppänen en Sjöstedt (GUE/NGL), schriftelijk. – (DA) De gezamenlijke ontwerpresolutie bevat vele zinvolle overwegingen, maar speelt onvoldoende in op de zeer moeilijke situatie die de NAVO voor de burgerbevolking in de Balkan, de soldaten die er geweest zijn en hun familieleden heeft geschapen. Ongeveer twintig veteranen van de Balkanoorlog zijn aan leukemie gestorven en het aantal neemt nog toe. Amerikaanse KFOR-soldaten zijn ervoor gewaarschuwd verarmd uranium niet in te ademen, voorwerpen waarvan vermoed wordt dat ze met verarmd uranium in contact zijn geweest, niet aan te raken en plaatsen waarvan vermoed wordt dat ze vervuild zijn met stof van verarmd uranium, te verlaten. Ze hebben ook de raad gekregen hun uniform vaak te wassen. Wij hebben niet de indruk dat het Amerikaans leger dit soort waarschuwingen zonder reden de wereld instuurt.

Uit een aantal onderzoeken is ook gebleken dat de inademing van verarmd uranium uiterst gevaarlijk is voor de gezondheid. De gevolgen voor de burgerbevolking in de gebieden waar de NAVO heeft gevochten, zijn absoluut niet grondig onderzocht. De toekomst zal het moeten uitwijzen, maar wij vinden het absoluut onvoldoende dat men zich wil beperken tot een onderzoek naar de gevolgen van het gebruik van verarmd uranium. Wij denken dat dit probleem voldoende bekend is. In elk geval dient het voorzorgsbeginsel naar onze mening ook te gelden voor personen die aan internationale missies deelnemen en voor burgers in de oorlogsgebieden. Voor de wapens in kwestie dienen de bepalingen van de Conventie van Genève inzake chemische en nucleaire wapens te gelden. De productie moet stopgezet worden en alle opslagplaatsen dienen vernietigd te worden. Wij eisen een onmiddellijk verbod op het gebruik van wapens met verarmd uranium!

 
  
MPphoto
 
 

  Bordes, Cauquil en Laquiller (GUE/NGL), schriftelijk. - (FR) De legers van de belangrijkste grootmachten zijn al zeker tien jaar op de hoogte van het schadelijke karakter van munitie met verarmd uranium. Deze munitie is ook schadelijk voor de soldaten die er gebruik van maken. Wij kunnen hieruit afleiden dat de legerstaf evenveel minachting voor de eigen soldaten heeft als voor de burgerbevolking en het vijandelijke leger.

Wij zijn verontwaardigd over de gevolgen van het gebruik van deze wapens voor de soldaten van de NAVO. Wij zijn nog sterker verontwaardigd over het feit dat er burgers zijn omgekomen door het gebruik van wapens met verarmd uranium of door klassieke bombardementen.

Maar wat te denken van de hypocriete verbazing van de vertegenwoordigers van alle politieke formaties die hebben bijgedragen aan het besluit om Servië en Kosovo te bombarderen en van wie het merendeel indertijd de Golfoorlog heeft gesteund? Ze hebben hun legerstaf de vrije hand gegeven. Nu dit vraagstuk de media heeft bereikt, doen ze alsof ze zich zorgen maken over de gevolgen van hun besluit, maar ze weigeren de verantwoordelijkheid hiervan op zich te nemen.

Wij hebben voor het ontwerpamendement van de GUE/NGL-Fractie gestemd. Daarin wordt verzocht om een verbod op de fabricatie, het testen, het gebruik en de verkoop van wapens met verarmd uranium. Wij zijn ons er echter terdege van bewust dat een onrechtvaardige oorlog niet zomaar kan veranderen in een "schone oorlog".

Wij hebben tegen de compromisresolutie gestemd om te protesteren tegen het gebruik van wapens met verarmd uranium en tegen de oorlogen waarin dergelijke wapens zijn ingezet. Voorts willen wij onze stem verheffen tegen de hypocrisie van de fracties die deze oorlog gesteund hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlotti (PSE), schriftelijk. - (FR) De burgers maken zich grote zorgen over de relatie tussen enerzijds het verarmd uranium dat in de gebruikte munitie was verwerkt en anderzijds de volksgezondheid. Bij het gebruik van deze munitie vinden er chemische reacties plaats met tot dusver onbekende gevolgen voor de militairen, de burgers en het milieu. Het verarmde uranium (20% minder radioactiviteit in vergelijking tot natuurlijk uranium) is een vorm van nucleair afval waarvan het gebruik gevaarlijk is.

Er kan een verband bestaan tussen enerzijds de ontdekte gevallen van leukemie bij de soldaten die op de Balkan hebben gediend en anderzijds het gebruik van deze wapens door de NAVO. Het definitieve bewijs is weliswaar nog niet geleverd en de wetenschappers zijn het onderling nog niet eens, maar uit de resultaten van de verschillende onderzoeken is gebleken dat het hier niet om louter vermoedens gaat. De bezorgdheid is dus gegrond en daar mag niet lichtzinnig mee worden omgesprongen.

In afwachting van de definitieve bewijzen, dienen wij het voorzorgbeginsel toe te passen en een moratorium in te stellen voor het gebruik van deze wapens. Dat is wel het minste dat we op dit moment kunnen doen, in afwachting van een algeheel verbod als het gevaar door onderzoek is aangetoond.

De NAVO dient volledige openheid van zaken te geven over het gebruik van deze wapens en over haar operaties in het algemeen. Voorts dient de Europese Commissie een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek in te stellen. Wij zijn eerlijkheid en transparantie verschuldigd jegens iedereen die lijdt of momenteel in onzekerheid verkeert.

In het internationaal recht klinkt een steeds sterkere roep om in te grijpen bij humanitaire rampen of in geval van aantasting van de mensenrechten. Onze legers mogen dan ook niet de burgerbevolking, die ze moeten verdedigen, aan gevaar blootstellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ducarme (ELDR), schriftelijk. - (FR) In de toelichting wordt terecht de zorg geuit over de gezondheid van soldaten die in gevaarlijke regio’s hebben gediend. Er wordt eveneens geheel terecht verwezen naar de bevolking in die gebieden en naar de voorwaarden voor de sociale en economische wederopbouw en het herstel van het ecologische evenwicht van de getroffen regio's.

In het algemeen is de resolutie dus rechtvaardig en kan ze rekenen op mijn volledige steun.

In paragraaf 6 wordt de lidstaten van de NAVO echter verzocht een moratorium in te stellen. Gezien de huidige omstandigheden lijkt me dat enigszins overdreven, aangezien in de ontwerpresolutie tegemoet wordt gekomen aan het voorzorgsbeginsel. Er is een verzoek aan de NAVO gericht om tot de bekendmaking van de resultaten van het onderzoek over het verarmd uranium gebruik te maken van ander soorten munitie.

Aangezien ik niet kan instemmen met paragraaf 6, heb ik besloten mij van stemming te onthouden over deze tekst.

 
  
MPphoto
 
 

  Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. - (PT) Wij hebben tegen de ingediende gezamenlijke resolutie gestemd omdat wij niet langer verdragen dat de realiteit niet onder ogen wordt gezien. Het gebruik van wapens met verarmd uranium heeft nefaste gevolgen voor de gezondheid van de bevolking uit de getroffen gebieden. Dat kan niet worden ontkend. Sinds het begin van het nucleaire tijdperk, ten tijde van de tweede wereldoorlog, is men perfect op de hoogte van de voorzorgsmaatregelen en risico's verbonden aan het gebruik van uranium en andere radioactieve stoffen. Men weet dat deze stof bij inademing en opname via de mond uit zowel chemisch als radiologisch oogpunt uitermate giftig is.

Het gebruik van dit soort wapens door de VS en andere NAVO-landen tijdens de Golfoorlog en het conflict in Bosnië en Kosovo heeft reeds tallloze militairen de dood ingejaagd. Het heeft dood en verderf gezaaid onder de inwoners van de gebombardeerde regio's en het milieu van de getroffen gebieden is er ernstig door aangetast. De gevolgen op de middellange en lange termijn zullen niet alleen de huidige bewoners, maar ook de toekomstige generaties parten spelen, hetgeen regelrecht indruist tegen het Verdrag van Genève en aantoont dat "schone oorlogen" niet bestaan.

Gezien de omvang van dit vergrijp, dat hele burgerbevolkingen treft, dient dringend een onderzoek te worden ingesteld. De gevolgen moeten worden geëvalueerd en de verantwoordelijken moeten voor deze misdaad tegen de menselijkheid worden gestraft. Tevens dient onmiddellijk een verbod te worden ingesteld op de vervaardiging, het testen, het gebruik en de verkoop van wapens met verarmd uranium. Een moratorium volstaat hier niet.

 
  
MPphoto
 
 

  Honeyball (PSE), schriftelijk. - (EN) De Britse Labour-delegatie in het Parlement is blij met de stappen die zijn genomen door lidstaten van de NAVO om de doodsoorzaken en ziektes van manschappen die in de Balkan hebben gediend, te onderzoeken.

Wij vinden dat een beoordeling of het wel of niet verstandig is verarmd uranium te gebruiken, gebaseerd dient te zijn op wetenschappelijke feiten. Wij stellen vast dat er tot nu toe nog geen verband is aangetoond tussen verarmd uranium en ziektes van manschappen of burgers.

Daarom vinden wij een moratorium op het gebruik van wapens met verarmd uranium op dit moment niet nodig.

 
  
MPphoto
 
 

  Krivine en Vachetta (GUE/NGL), schriftelijk. - (FR) Komt het eigenlijk wel als een echte verrassing dat wapens met verarmd uranium gevaarlijk zijn? Wij weten allen dat deze wapens, die door de NAVO zijn gebruikt tijdens de Golfoorlog (1991), de oorlog in Bosnië (1994-95) en die in Kosovo (1999) ernstige gevolgen hadden voor de gebombardeerde burgerbevolking, hun omgeving en de gewapende strijdkrachten van zowel de NAVO als die van Irak, Bosnië, Servië en Kosovo. De militaire en politieke leiders hebben lange tijd kritiek geuit op de mensen die zich hier ongerust over maakten. Pas toen Amerikaanse en vervolgens Franse soldaten zich mobiliseerden en een Italiaan onder verdachte omstandigheden overleed, kwam het schandaal in de schijnwerpers. De "schone" oorlog bestaat niet.

Dankzij de impliciete bekentenis van de voormalige oorlogvoerende strijdkrachten, kunnen we nu eindelijk eens kijken naar de verantwoordelijkheid van de regeringen en strijdkrachten in dit schandaal. Ik denk hierbij in de eerste plaats aan de voormalige secretaris-generaal van de NAVO, de heer J. Solana. Wij moeten eisen dat de vervaardiging, het testen, het gebruik en de verkoop van wapens met verarmd uranium verboden worden. Wij zijn voorstander van een internationaal verdrag op dit gebied. Wij moeten eisen dat er onmiddellijk een programma wordt opgezet voor medisch toezicht ten behoeve van de soldaten die aan vredesoperaties op de Balkan hebben deelgenomen. Ook de humanitaire organisaties die in het oorlogsgebied actief zijn geweest en de volkeren van de getroffen regio's dienen aan dit toezicht te worden onderworpen.

 
  
MPphoto
 
 

  MacCormick (Verts/ALE), schriftelijk. - (EN) Ik heb voor een moratorium op wapens met verarmd uranium gestemd. Het liefst had ik gezien dat er een volledig verbod zou komen. Het is immers zeer waarschijnlijk dat deze wapens zonder aanzien des persoons schade toebrengen aan de gezondheid.

Verder keur ik deze wapens af omdat ze onacceptabele gevolgen hebben voor mens en natuur. Ik wil vooral mijn diepe bezorgdheid uitspreken over de schade aan het milieu die bijna zeker wordt veroorzaakt door de militaire oefeningen op de Dundrennan Range aan de Solway Firth. Dit watergebied heeft al genoeg te lijden van de onaanvaardbaar hoge stralingsniveaus vanwege Sellafield.

 
  
MPphoto
 
 

  Papayannakis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Na de afschuwelijke gebeurtenissen die zich tijdens de bombardementen op Joegoslavië hebben voorgedaan en na de onthullingen over het gebruik van wapens met verarmd uranium, is het tijdstip aangebroken voor een debat over het urgente thema van een verbod op dit soort munitie. Deze wapens zijn niet alleen gevaarlijk op het moment waarop zij worden gebruikt, maar nog lang daarna. Zij hebben gevolgen op lange termijn waarvan iedereen, zonder enig onderscheid, het slachtoffer kan worden. Er is echter nog een ander urgent en belangrijk vraagstuk: de uitwerking van een grootschalig steun-, preventie- en herstelbeleid voor alle gebieden van Joegoslavië die gebukt gaan onder de gevolgen van deze wapens. Wij moeten de volksgezondheid en het milieu beschermen; wij moeten de bodem en het water saneren en een normale economische ontwikkeling mogelijk maken van dit land en heel het omringend gebied. Het eerste doel wordt weliswaar niet volledig gedekt door de onderhavige resolutie, maar daarin wordt aangedrongen op een moratorium op het gebruik van deze wapens en dat is een goede zaak. Wat het tweede doel betreft, staan in de resolutie enkele algemene en abstracte verwijzingen naar de bestaande, en sowieso beperkte hulpprogramma’s. Nergens valt echter de intentie te bespeuren een nieuw, doeltreffend programma op poten te zetten waarmee de situatie en de reële behoeften daadwerkelijk het hoofd kan worden geboden.

In de resolutie worden verder op summiere wijze enkele uiterst serieuze analyse- en onderzoeksvraagstukken in verband met verarmd uranium genoemd. Nergens staat echter dat nog steeds pogingen worden gedaan om bepaalde feiten en de ons allen bekende resultaten van onafhankelijke onderzoeken achter te houden en te verhullen. Zelfs officiële documenten van NAVO-landen over de gevaren van verarmd uranium en de preventiemaatregelen voor de eigen legers worden niet prijsgegeven.

Daarom kon ik niet voor de resolutie stemmen. Ik heb mij van stemming onthouden omdat het verzoek om een moratorium op het gebruik van verarmd uranium een stap in de goede richting kan zijn, ofschoon dit natuurlijk niet het einde zal betekenen van oorlogen, internationaal ongewettigde bombardementen en andere uitzichtloze interventies. Wij moeten ons echter onverdroten blijven inzetten voor een definitief verbod op deze wapens. Daarvoor moet in heel Europa en heel de wereld een massale volksbeweging op de been worden gebracht. Dat zou een zware klap zijn voor de willekeur en de arrogantie van degenen die de politiek en de wereld door een militaire bril blijven zien.

Tot slot ben ik ernstig in verlegenheid gebracht door de politieke ommezwaai die zich tijdens het debat heeft voorgedaan. Vroeger werden wij ervan beschuldigd met onze kritiek op het beleid van Milosevic de bombarderende NAVO in de kaart te spelen. Nu worden wij echter door de heer Solana ervan beschuldigd met onze kritiek op het verarmd uranium de mensenrechten van de slachtoffers van Milosevic te vergeten. Omdat er noch voor het een noch voor het ander serieuze argumenten zijn, vergeet men geleidelijk aan wat rationeel denken is. Dan begint de flirt met irrationeel denken, en irrationeel denken is de voorloper van elk soort van totalitarisme en stalinisme …

 
  
  

- Resolutie over Korea

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas-Mauro (UEN). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, onze fractie heeft voor de resolutie over het communistische Korea gestemd. Uiteraard betreuren wij ten zeerste de wandaden die vanaf 1950 door de communistische dictatoriale regimes zijn gepleegd. De minachting voor de mens was een gevolg van het ongebreidelde materialisme waarop de revolutionaire ideologie in het algemeen, en het communisme in het bijzonder, was gestoeld. Onze fractie hoopt dat er in Noord-Korea binnenkort sprake zal zijn van daadwerkelijke vrijheid. Alleen dan kan er immers vrede komen.

Het verheugt ons in dit opzicht dat de beide Korea's sinds kort uitstekende banden onderhouden. Deze vredesinspanning biedt bijzonder veel hoop voor de duizenden gezinnen die al een halve eeuw gescheiden moeten leven. Wij moeten deze verandering waar mogelijk aanmoedigen.

Wij betreuren echter het voorstel dat in de resolutie wordt gedaan om niet de afzonderlijke lidstaten, maar uitsluitend de Europese Unie als geheel banden te laten aanknopen met het communistische Korea. Moet ik hier in herinnering brengen dat de diplomatie onder de regale bevoegdheden van iedere soevereine staat valt? Ieder land is vrij om diplomatieke banden met een ander land te aan te knopen. Ieder land moet de vrijheid hebben om het buitenlandse beleid van zijn keuze te voeren, dat wil zeggen het beleid dat het best overeenkomt met zijn politieke en economische belangen. Ik betwijfel ten zeerste of onze communautaire instellingen, die de mond vol hebben van mooie maar slecht uitgewerkte verklaringen, al volwassen genoeg zijn voor een realistische aanpak.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Hiermee is de stemming beëindigd.

(De vergadering wordt om 13.35 uur onderbroken en om 15.00 uur hervat).

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER MARINHO
Ondervoorzitter

 
  

(1) Ingediend door de leden Lannoye e.a., namens de Verts/ALE-Fractie, Brok en Trakatellis, namens de PPE-DE-Fractie, Napoletano e.a., namens de PSE-Fractie, Haarder, namens de ELDR-Fractie, Queiró en Muscardini, namens de UEN-Fractie, ter vervanging van de ontwerpresoluties B5-0047/2001, B5-0049/2001, B5-0050/2001, B5-0051/2001 en B5-0054/2001.


5. Prioriteiten van de Raad met het oog op de zitting van de Commissie voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties te Genève
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde zijn de verklaringen van de Raad en de Commissie over de prioriteiten van de Raad met het oog op de zitting van de Commissie voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties te Genève.

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson, Raad. - (SV) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden en leden van de Commissie, het verheugt mij dat er gelegenheid is om reeds in een vroeg stadium van het Zweedse voorzitterschap te debatteren over dit belangrijke onderwerp, ter voorbereiding op de komende vergadering met de VN-Commissie voor de rechten van de mens, de Mensenrechtencommissie. Ik zal uiteraard tijdens het debat nauwkeurig volgen wat er aan standpunten naar voren wordt gebracht, en de stemming peilen met het oog op de verdere discussie waarin de EU haar standpunt zal bepalen.

Het voorzitterschap stelt zich voor de zitting van dit jaar ten doel om de EU eenstemmig achter de onderhavige standpunten te krijgen, om de kandidaat-landen aan te sporen zich aan te sluiten bij de EU-standpunten en bij het opstellen van resoluties, en om zo veel mogelijk steun voor de voorstellen te krijgen - dit geldt vooral voor de situatie in Iran en Tsjetsjenië. Om begrijpelijke redenen hebben wij nog geen zicht op de follow-up van de speciale zitting van de Mensenrechtencommissie over de situatie in het Midden-Oosten, die dit najaar zal plaatsvinden. Het is echter duidelijk dat deze kwestie naar verwachting een van de belangrijkste vraagstukken van deze zitting wordt en dat de EU een van de hoofdrolspelers zal zijn.

De Raad verzocht in maart vorig jaar om een evaluatie van de dialoog over mensenrechten tussen de EU en China. De conclusies zullen naar verwachting worden aangenomen op de bijeenkomst van de Raad eind januari. Hierin worden de doelen van de dialoog gedefinieerd en wordt gepreciseerd hoe die dialoog georganiseerd moet worden en hoe de regelmatige evaluaties van de resultaten van de dialoog eruit moeten zien.

Het is nog onduidelijk of een resolutie over China actueel is tijdens dit zittingsjaar. De EU onderhoudt nauwe contacten met de Verenigde Staten, die vorig jaar het desbetreffende voorstel deden. Hetzelfde geldt voor een andere kwestie waarvoor de aandacht van de Mensenrechtencommissie is gevraagd, namelijk de resolutie over de situatie op het gebied van de mensenrechten in Cuba, waarvoor Tsjechië en Polen vorig jaar de verantwoordelijkheid op zich hebben genomen.

Wat de thematische resoluties betreft, zal de EU ook in de toekomst de verantwoordelijkheid op zich nemen voor de resoluties over de rechten van het kind en over de doodstraf. Met betrekking tot de rechten van de vrouw neemt de Mensenrechtencommissie besluiten over een aantal resoluties waarbij de EU zich sterk betrokken voelt, ook al zijn het geen EU-initiatieven. Het is nog steeds onduidelijk welke inspanningen van de EU geëist zullen worden inzake de resolutie van de Mensenrechtencommissie over de Wereldconferentie tegen racisme, terwijl de deelname van de EU aan de voorbereidingen voor deze wereldconferentie ongetwijfeld een van de grootste uitdagingen gedurende dit halfjaar zal zijn.

De zogenaamde omnibusresolutie over de rechten van het kind, die is opgesteld in samenwerking met de Latijns-Amerikaanse afgevaardigden, heeft helaas zo'n grote omvang gekregen dat ze bijna onmogelijk te hanteren valt. Daarom streeft de EU ernaar de resolutie te minimaliseren en daarbij het perspectief van de rechten centraal te stellen. Dit streven wordt versterkt door de wens om een bruikbare bijdrage te kunnen leveren aan de voorbereidingen voor de speciale zitting van de Verenigde Naties over kinderen, in september 2001.

De strijd tegen de doodsstraf heeft een hoge prioriteit voor het gemeenschappelijk buitenlands beleid van de EU inzake de mensenrechten, wat onder andere blijkt uit de in 1998 aangenomen EU-richtsnoeren. Een belangrijke bijdrage tot deze strijd is de resolutie over de doodstraf, die is opgesteld door de Mensenrechtencommissie. Het streven is om ook dit jaar de grootst mogelijke steun voor deze resolutie te krijgen.

Een belangrijke voorwaarde voor de actieve betrokkenheid van de EU bij mensenrechtenkwesties is een zo groot mogelijke toegang tot relevante informatie. Hier spelen de vertegenwoordigingen van de EU-landen en van de Commissie over de hele wereld een belangrijke rol. Nauwe samenwerking met afzonderlijke organisaties is een belangrijke factor, evenals samenwerking met regionale organisaties. En last but not least: de EU blijft alle mogelijke steun geven aan de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties.

 
  
MPphoto
 
 

  Vitorino, Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, namens mijn collega, de heer Patten, die naar een vergadering in Moskou moest, wil ik graag het Parlement complimenteren met het debat dat hier vandaag gehouden wordt. Het geeft ons een waardevolle mogelijkheid om ideeën uit te wisselen over de komende vergadering van de Mensenrechtencommissie.

Het is belangrijk dat er rekening wordt gehouden met de zienswijze van het Parlement, omdat de Europese Unie bezig is haar standpunten te bepalen over de belangrijkste punten die in Genève aan de orde zullen komen. Pas na lange onderhandelingen, die uiteraard geheel bij het proces horen, zullen de uiteindelijke standpunten worden vastgesteld over de nieuw te ontwikkelen initiatieven in Genève.

NGO’s en andere organisaties hebben gelijk als ze vinden dat de nadruk behoort te liggen op het nut van de discussie en op de controle van de juistheid van de standpunten. Vertegenwoordigers van het voorzitterschap, de diensten van de Commissie en verscheidene lidstaten hebben op 11 januari in Brussel een vergadering van de Contactgroep voor de mensenrechten bijgewoond. NGO's van allerlei pluimage kregen daar de kans hun standpunten uiteen te zetten over landen en onderwerpen die voor hen van belang zijn. Deze inbreng zal ongetwijfeld een bijdrage leveren aan het besluitvormingsproces.

De 56e vergadering van de VN-commissie voor mensenrechten die vorig jaar gehouden is, had zijn hoogte- en dieptepunten. Een groot succes was het aannemen van de EU-resolutie over de doodstraf, en dit kwam dan ook zeer gelegen. Om te laten zien dat het onderwerp van het allerhoogste belang blijft, gaat de Europese Unie dit jaar vergelijkbare stappen ondernemen.

Het Zweeds voorzitterschap heeft meer in het algemeen laten blijken dat de inspanningen van de Europese Unie in verband met de doodstraf zullen worden voortgezet en opgevoerd.

Er was ook de teleurstelling over een aangenomen motie om geen actie te ondernemen tegen China. Enkele leden van de mensenrechtencommissie stemden tegen en maakten daarmee duidelijk dat zulke moties alleen bedoeld zijn om de discussie te doen verstommen en het bestaansrecht van de vergadering te ondermijnen.

Zoals ik al heb vastgesteld zijn de besluiten voor de EU-resoluties voor de 57e vergadering van de Commissie voor mensenrechten die dit jaar zal plaatsvinden, nog niet afgerond. Dit is gebruikelijk voor deze fase van het proces.

Het voorzitterschap en de lidstaten onderzoeken de situatie in verscheidene landen en houden daarbij - als dat nodig is - rekening met de informatie van de speciale VN-rapporteurs en ander bewijsmateriaal dat beschikbaar is.

Ik waag me aan wat korte opmerkingen over enkele belangrijke thema's die, al dan niet deel uitmakend van een Europees initiatief, ongetwijfeld besproken gaan worden tijdens de 57e vergadering van de Mensenrechtencommissie.

Met betrekking tot China is er de bekende bezorgdheid. Een bezorgdheid die zal blijven klinken als onderdeel van de dialoog tussen de EU en China. Een van de positieve ontwikkelingen van de afgelopen maanden was dat een intentieverklaring over mensenrechten samen met de Hoge Commissaris van de VN in november ondertekend werd.

Wel is het noodzakelijk dat de dialoog tot concrete veranderingen leidt. Dit punt is door de Europese Unie vorig jaar in Genève nogmaals benadrukt. Met het oog daarop is de dialoog met China over de mensenrechten thans het onderwerp van een evaluatieoefening die in januari zal leiden tot het aannemen van conclusies door de Raad Algemene Zaken. Deze conclusies zullen de grondslag vormen voor voortzetting van de dialoog op een constructieve en zinvolle manier.

Ten aanzien van Iran kan gezegd worden dat de positieve veranderingen in dat land worden verwelkomd, zoals blijkt uit de resolutie die op de 55e bijeenkomst van de Algemene Vergadering in New York werd aangenomen. Er was echter ook bezorgdheid over de aanhoudende problemen inzake de inperking van de vrijheid, het gebruik van executies en marteling, en discriminatie van religieuze minderheden en vrouwen.

Het tussentijdse verslag dat in september door de heer Copithorne, de speciale vertegenwoordiger, aan de Algemene Vergadering was aangeboden, weerspiegelt de noodzaak om een krachtige impuls te geven aan de verbetering van de mensenrechten. Het toegangsrecht voor de speciale vertegenwoordiger blijft uiteraard onze aandacht houden.

Als thematisch punt van zorg krijgen tot slot vraagstukken die met kinderen te maken hebben terecht veel aandacht dit jaar, zeker op de speciale zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties die voor september is gepland. Met het oog daarop zal de Europese Unie in Genève een actieve rol blijven spelen in de resolutie over de rechten van het kind en zal zij net zoals vorig jaar proberen de nuttige samenwerking met de interfractiewerkgroepen “Latijns-Amerika” en “Caraïbisch gebied" te bestendigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bethell (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de fungerend voorzitter en de commissaris willen complimenteren met hun opmerkingen, in het bijzonder met wat ze hebben gezegd over de doodstraf en de situatie in China en Iran.

Ik vind het alleen jammer dat ze Rusland niet hebben genoemd, want de situatie aldaar is zorgwekkend. De Commissie dient hiermee rekening te houden, vooral als we naar een bevredigende mensenrechtensituatie in Europa toe willen werken. Met een beetje geluk is de tijd er rijp voor en kan de heer Patten in zijn gesprek met de Russische president bepaalde problemen naar voren brengen.

Het is een mooi moment om deze zaak te berde te brengen omdat het nu bijna tien jaar geleden is dat de Sovjet-Unie uit elkaar is gevallen. Toentertijd hadden we hoog gespannen verwachtingen dat heel Europa één grote zone zou worden waar de mensenrechten konden gedijen. Uiteraard lopen de dingen nooit geheel zoals je graag zou willen. Vooral de situatie in Wit-Rusland is ernstig verslechterd. In de Balkanlanden hebben verschrikkelijke burgeroorlogen gewoed en zijn er op grote schaal bloedbaden aangericht.

Wij als Europeanen mogen onszelf feliciteren met de bescheiden vooruitgang die we hebben geboekt, maar er moet nog veel meer gedaan worden. Ik ben bijzonder blij te zien wat er allemaal in Polen, Hongarije en Tsjechië gebeurd is. De mensenrechtensituatie in deze landen en in de Baltische staten, die een gemengd economisch systeem opbouwen, is aanzienlijk verbeterd. Sommige mensen zien de link niet met de mensenrechten, maar ik denk dat er wel degelijk een verband is en dat er een stap voorwaarts is gezet, en daar moeten we blij mee zijn.

Elke zomer raakt het me weer diep als ik in de vakantiegebieden langs de Middellandse Zee en op andere plekken tal van vakantiegangers uit Midden- en Oost-Europa, waaronder Rusland, hun vakantie zie doorbrengen op een manier zoals wij vele tientallen jaren lang hebben gedaan. Zoals een Brits minister van Buitenlandse Zaken, Ernest Bevin, placht te zeggen: het belangrijkste doel van het buitenlandse beleid is burgers in staat te stellen te reizen met zo min mogelijk bureaucratische inmenging en ergernis.

Ik vind dat ik twee of drie bijzondere problemen van Rusland moet vermelden. Bij één probleem heb ik zelf een erkend belang, namelijk de Media-Most-kwestie en het alternatieve televisiesysteem van Rusland. Ik hoop dat de heer Patten goed op de hoogte is van deze kwestie en dat hij weet dat de voorzitter van Media-Most, de heer Vladimir Gusinsky, vast zit. Vreemd genoeg zit hij gevangen in zijn huis in de buurt van Malaga in Spanje. Ik vind het bizar dat de Spaanse politie op deze manier aan een verzoek van de vroegere KGB voldoet.

De heer Poetin voert nog steeds oorlog met mensen die een afwijkende mening hebben. Hij lijkt geen gevoel voor humor te hebben. Hij ziet zichzelf niet graag op de televisie afgeschilderd door middel van een pop, waarbij grappen over hem worden gemaakt. Hij vindt het ongepast dat de president van Rusland op deze manier gehekeld wordt en daarom tolereert hij het ook niet. Het is een zeer onplezierige vete die nog onplezieriger wordt door het feit dat de ene kant de steun heeft van de president van Rusland. Dit is een zeer onbevredigende situatie en ik hoop dat het bezoek van de heer Patten hierin verandering zal brengen.

De andere punten die ik nog wil aanstippen in verband met Rusland zijn de situatie met betrekking tot het Russische leger, in het bijzonder in Tsjetsjenië, maar ook in het leger zelf. Het Russische leger is tegenwoordig berucht vanwege zijn wreedheid en behandelt vooral jonge dienstplichtige militairen wreed. In het afgelopen jaar heb ik ook met enige zorg de neiging van de huidige leiders van Rusland opgemerkt - en veel leiders zijn voormalige KGB-leden omdat ze werden aangesteld door een vroegere kolonel van de KGB - om bij de arrestatie van zogenaamde spionnen uit Groot-Brittannië, Amerika of Rusland nogal snel naar de wapens te grijpen. Ik dacht dat dit toch echt niet meer nodig zou zijn in het tijdperk na de koude oorlog.

Het is derhalve met dit voorbehoud dat ik de Commissie en de fungerend voorzitter feliciteer. Ik hoop dat de mensenrechtensituatie dit jaar zal verbeteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Cashman (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, vorig jaar heb ik de 56e vergadering van de VN-Commissie voor mensenrechten in Genève bijgewoond en vorige week was ik aanwezig bij de Contactgroep voor de mensenrechten. Er moet veel meer gedaan worden want in de hele wereld verslechtert de situatie alsmaar.

Het bevorderen en verdedigen van de mensenrechten is een hoge prioriteit voor de Europese Unie en blijft een van haar grondbeginselen. Ik ben er zelfs van overtuigd dat het mensenrechtenbeginsel aanwezig behoort te zijn in alles wat we omwille van de democratie doen. Een slechte mensenrechtensituatie wordt vaak veroorzaakt of verergerd door ondemocratische, niet-effectieve en gecorrumpeerde overheidsstructuren. De mensenrechten staan niet op zichzelf en behoren ook niet als iets abstracts gezien worden. Het zijn de fundamentele rechten van alle mensen, ongeacht wie die mensen zijn, waar ze zijn geboren of wie hun ouders zijn. Terwijl we hier in dit Parlement een debat voeren, worden de rechten van mannen, vrouwen en kinderen geschonden.

Daarom moeten de Raad en de lidstaten ervoor zorgen dat de belangrijkste mensenrechteninstrumenten die beschikbaar zijn voor alle landen, door al die landen worden geratificeerd. Met name het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het al eerder genoemde Verdrag inzake de rechten van het kind, het Verdrag inzake uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en het zeer belangrijke Verdrag tegen foltering. We vinden dat er ook direct maatregelen moeten worden genomen om homoseksuelen te beschermen tegen de vernederende en onmenselijke behandeling waaraan ze nog steeds worden blootgesteld. Zij kunnen in bepaalde delen van de wereld nog steeds de doodstraf krijgen vanwege hun geaardheid.

We roepen de EU ook op om de Hoge Commissaris voor mensenrechten van de VN en andere internationale organisaties en NGO’s te steunen in hun strijd tegen de, reeds door Lord Bethell genoemde, onderdrukking van de onafhankelijke media, journalisten en schrijvers. We vragen de EU een dringend beroep te doen op alle staten om een eind te maken aan censuur, het recht van toegang tot officiële informatie te beschermen en de beperking van toegang tot moderne informatietechnologie te beëindigen. Dergelijke technologie is voor onderdrukte mensen vaak een redmiddel.

We roepen de Raad en de VN-Commissie voor mensenrechten op om hun volledige steun te geven bij het ontwerpen van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijningen. We doen nogmaals, en hopelijk niet vergeefs, een oproep tot het afschaffen van de doodstraf.

Landen kunnen, zullen en behoren publiekelijk te schande te worden gezet. Dit Parlement, de Raad en de VN-commissie, wij allen moeten tezamen onze inspanningen verdubbelen om ervoor te zorgen dat mannen, vrouwen en kinderen als gelijken worden geboren en als zodanig kunnen leven, waarbij ze de fundamentele vrijheden van de rechten van de mens zullen genieten. Dat is de boodschap die dit Parlement met zich mee moet nemen naar de VN-Commissie voor mensenrechten in Genève en ik hoop dat iedereen in dit Parlement een dergelijk voornemen steunt.

 
  
MPphoto
 
 

  Malmström (ELDR). - (SV) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Raad, mijnheer de commissaris, de Europese Unie is een gemeenschap die gebaseerd is op belangrijke waarden en die staat voor democratie, humanisme en mensenrechten. Hierop berust niet alleen ons interne werk, maar ook ons buitenlands beleid. De EU voert in vele opzichten een goed beleid met betrekking tot mensenrechten, maar wat ontbreekt is een eensgezinde en consequente strategie voor de aanpak van de strijd voor de mensenrechten. De verschillende instellingen coördineren hun werkzaamheden niet altijd en de follow-up en de analyse zijn gebrekkig. Dat vermindert uiteraard onze invloed.

Met het oog op de zitting in Genève hoop ik, en met mij de liberale fractie, op een sterk en verenigd Europa dat een aantal problemen krachtig aanpakt. Het was prettig om hier vandaag te horen welke ambities Zweden met zijn voorzitterschap heeft.

Het is een goede zaak dat de Raad de resolutie over de doodstraf en over de rechten van het kind en van de vrouw steunt. Ik wil namens de liberale fractie de Raad ook oproepen om steun te verlenen aan de opstelling van protocollen bij het Verdrag tegen martelingen en aan een nieuw internationaal verdrag tegen verdwijningen. Ook het vluchtelingenvraagstuk moet aan de orde komen.

Schendingen van de mensenrechten komen in vele landen voor en moeten altijd worden bekritiseerd, ook wanneer ze voorkomen in EU-landen. In bepaalde landen is de situatie echter alarmerend. Ik wil de Raad werkelijk dringend verzoeken om te proberen een resolutie op te stellen over China, waar de gewelddaden tegen de Chinese burgers steeds erger worden, vooral gezien het geëscaleerde geweld tegen de aanhangers van de Falun Gong-beweging.

De voorzitter van de Raad had het over Iran en Tsjetsjenië. Ik zou hier Saoedi-Arabië, Colombia, Indonesië en Afghanistan aan willen toevoegen. Ook in deze landen is de situatie zeer alarmerend.

De Verenigde Naties en de Europese Unie hebben beide een belangrijke stem in het internationale debat. Veel landen luisteren naar de geluiden uit "Brussel" en trekken zich die aan. Wij kunnen profiteren van deze positie door actief te strijden voor de mensenrechten. Daarvoor is een consequent beleid nodig, maar ook moed en een gedegen strategie. Ik hoop dat het Zweedse voorzitterschap kan bijdragen tot het formuleren van een dergelijke strategie, niet alleen met het oog op Genève, maar ook met het oog op de toekomst, als een natuurlijk onderdeel van het buitenlands beleid van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Wuori (Verts/ALE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, de mensenrechten zijn onlosmakelijk verbonden met de fundamentele waarden en rechten van de Europese Unie. Ze zijn, bepaalde accentverschillen daargelaten, ook universeel. De Europese Unie heeft echter geen mensenrechtenstrategie en de verantwoordelijkheid ligt in eerste instantie bij de lidstaten. Als er geen strategie is, wordt de tactiek de strategie. Voor de mensenrechten betekent dat in bepaalde gevallen dat politieke motieven dicteren waar en wanneer tegen de schendingen ervan wordt opgetreden. In zekere zin is dat niet te vermijden.

Een gemeenschap als de Europese Unie, die gebaseerd is op respect voor en verdediging van de mensenrechten, moet echter in staat zijn een consequenter en doelbewuster mensenrechtenbeleid te voeren dan nu het geval is. Het zou goed zijn als de Unie op dit belangrijke gebied met één stem zou spreken. Het is daarom verheugend dat wij nu ruim van tevoren de gelegenheid hebben gekregen te debatteren over de prioriteiten van de Raad tijdens de komende zitting van de VN-Commissie voor de rechten van de mens.

Schendingen van de mensenrechten moeten niet alleen serieus worden genomen als er een alibi voor politieke maatregelen nodig is. De mensenrechten hebben een absolute waarde die vervaagt als ze als instrument worden gebruikt bij het streven naar andere, in bepaalde gevallen op zich misschien legitieme doelen. Dat kan ook gebeuren als men om handelspolitieke of andere redenen zwijgt over grove schendingen van de mensenrechten. Die neiging is te bespeuren in onze houding ten opzichte van de kwesties die op de agenda van de VN-Commissie voor de rechten van de mens staan. Het gaat daarbij zowel om regionale, landelijke als individuele kwesties. Men zou bijvoorbeeld het beperken van de vrijheid van meningsuiting of de marteling en straffeloosheid waartegen Amnesty International laatst campagne heeft gevoerd, uitvoeriger moeten onderzoeken.

Ad hoc-maatregelen zijn dus onvoldoende, maar de mensenrechten mogen ook niet alleen een overal aanwezig retorisch zoethoudertje zijn, een soort politieke NutraSweet zonder concrete praktische effecten. Als de Europese Unie haar stem beter en harder wil laten klinken moet zij een werkelijk eigen, consequent beleid voeren en daadkrachtiger te werk gaan. De interinstitutionele samenwerking moet daarom voortaan nauwer worden en vooral de rol van het Europees Parlement moet worden versterkt. Bovenal moeten ook wij hier in het Parlement actiever worden en onze eigen retorische verplichtingen nakomen. Dat vereist een volhardende, stelselmatige inzet ten behoeve van de mensenrechten, ook als die niet direct verband houdt met te bereiken voordelen of met actuele mediagebeurtenissen. De rapportage en evaluatie moeten doeltreffender worden, wat naast goede wil ook voldoende middelen en diplomatieke vaardigheden vereist. Niet-gouvernementele organisaties en burgermaatschappijen zijn een onvervangbare hulp. Zij kunnen ook een frisse wind laten waaien door het vacuüm waarin wij veel te veel tijd doorbrengen, als gijzelaars van beperkte actuele belangen.

 
  
MPphoto
 
 

  Frahm (GUE/NGL).(DA) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Vitorino, mijnheer de voorzitter van de Raad, wanneer wij een beslissing moeten nemen over een thema als de mensenrechten, zijn er twee mogelijkheden: wij kunnen het alleen over de principes hebben zonder de gebieden te vernoemen of wij kunnen, zoals we gedaan hebben, een aantal gebieden noemen met het gevaar er enkele te vergeten. Daar wil ik het nu over hebben. Om te beginnen ben ik ongelooflijk blij dat de situatie in China is aangehaald. Ik zal de ingediende amendementen volmondig steunen. Er had misschien ook iets moeten instaan over de situatie op het gebied van godsdienstvrijheid voor de Falun Gong-sekte. Dat is niet het geval, maar voor de rest is de kritiek zeer hard en daar ben ik blij om. Ik ben ook blij dat Tsjetsjenië genoemd wordt. Ik vind dat wij te weinig aandacht aan dit gebied besteden. Het kan zich nochtans ontwikkelen tot kruitvat van het veiligheidsbeleid in dat deel van de wereld en zelfs in ons eigen gebied.

Bepaalde gebieden hebben naar mijn mening te weinig aandacht gekregen. Het Zweeds voorzitterschap zegt dat de afschaffing van de doodstraf een van zijn prioriteiten zal zijn. Dat verheugt mij ten zeerste en ik vind ook dat dit thema een hoge prioriteit dient te krijgen. In dat verband moeten wij opletten voor onze zogenaamde "vrienden". We moeten de situatie in de VS in het oog houden. Na de Amerikaanse presidentsverkiezingen zal het aantal doodstraffen een recordhoogte bereiken. In de VS wachten mensen op de doodstraf van wie wij weten dat ze helemaal geen eerlijk proces hebben gekregen en het ook niet zullen krijgen, tenzij ze hulp krijgen van buiten uit, want het systeem zelf laat dit niet toe. Ik vind dat we een van onze andere "vrienden" evenmin mogen vergeten, namelijk kandidaat-land Turkije, dat in deze resolutie helemaal niet genoemd wordt. Het is een probleem dat een land zo dicht bij ons de doodstraf niet wil afschaffen, geen universele democratische rechten aan zijn etnische minderheden wil geven en geen controle heeft op de methodes die de politie gebruikt, noch op straat, noch in de gevangenissen. Turkije leeft het Verdrag tegen foltering niet na. De mensen die uit zo'n land wegvluchten zijn weinig geholpen met ons Fort Europa. Om te eindigen wil ik het volgende zeggen tot het Zweeds voorzitterschap: denk erom dat wij de situatie voor vluchtelingen niet verbeteren door een Fort Europa om ons heen op te trekken.

 
  
MPphoto
 
 

  Dupuis (TDI). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de commissaris, waarde collega's, ik denk dat de betogen van de collega's duidelijk zijn. Mevrouw Malmström en mevrouw Frahm spraken zojuist over China. Lord Bethell had het over Tsjetsjenië.

De fungerend voorzitter van de Raad sprak echter over het op consensus berustende standpunt van de Unie. Wij weten uit ervaring dat op deze basis geen enkel serieus standpunt in Genève zal worden ingenomen. Ik wil in dit opzicht verwijzen naar de ervaring van het afgelopen jaar, toen de Unie zich tot het laatste moment achter de Verenigde Staten en ander landen verschuilde om geen enkel serieus initiatief over Tsjetsjenië of de Volksrepubliek China te hoeven nemen.

Ik vrees dat mijn radicale fractie dit jaar als enige fractie met Wei Jinsheng en een aantal anderen het vraagstuk van de mensenrechten in China en Tibet en de kwestie Tsjetsjenië ter sprake zal brengen, en dat de Raad en de Unie die hij vertegenwoordigt nogmaals afwezig zullen zijn binnen de Verenigde Naties. U werkt momenteel aan het vraagstuk van de doodstraf, terwijl u heel goed weet dat dit vraagstuk momenteel een kwestie is waarover de Algemene Vergadering en de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties zich buigen. U verschuilt zich dus opnieuw - excuseer mij voor mijn bewoordingen - op enigszins hypocriete wijze achter mooie stelregels.

 
  
MPphoto
 
 

  Van Hecke (PPE-DE). - Voorzitter, in eerdere debatten over de situatie van de mensenrechten heb ik er telkens voor gepleit dat de Europese Unie meer preventief zou gaan optreden en korter op de bal zou gaan spelen. Het verbaast mij dan ook wel enigszins dat zowel het voorzitterschap als de Commissie, in de inleiding daarnet, met geen woord hebben gerept over de toestand van de mensenrechten in Afrika.

Vandaar dat ik mij veroorloof om vooraf toch de aandacht te vestigen op een zeer actuele situatie en een potentieel inzake mensenrechten zeer explosieve situatie, met name de toestand in Kongo na de aanslag op president Kabila. Ondanks de verwarrende en vaak tegenstrijdige informatie wordt het stilaan duidelijk dat er een machtsvacuüm dreigt in Kinshasa. Vandaar het belang om snel en adequaat de nieuwe machthebbers op te roepen alles in het werk te stellen om de kalmte en de sereniteit in Kinshasa te handhaven en de mensenrechten te respecteren.

Tegelijk moet er, geloof ik, bij alle landen die rechtstreeks of onrechtstreeks bij het conflict zijn betrokken sterk op aangedrongen worden dat zij zich niet mengen in de huidige interne crisis. Als de buurlanden zich niet gedeisd houden, kan de crisis verder escaleren met alle mogelijke gevolgen van dien. Overigens is het belangrijk dat snel de draad van het Lusaka-vredesproces wordt opgenomen en de inter-Kongolese dialoog met medewerking van alle betrokkenen kan starten. Ik zeg dat de Rwandese genocide in 1994 indachtig, waar de internationale gemeenschap moest toezien hoe honderdduizenden mensen werden vermoord en waarbij ik zou willen aandringen op meer assertivititeit van de Europese Unie en een grotere alertheid, ook van de VN, als het gaat om Centraal-Afrika.

En zo kom ik tot de agenda van de VN-mensenrechtencommissie in Genève. Ondanks de vele verdragen en conventies worden de rechten van vrouwen, kinderen en andere kwetsbare groepen nog altijd op grote schaal geschonden. Wereldwijd wordt één vrouw op drie fysiek misbruikt. Vijftig miljoen kinderen werken in onaanvaardbare omstandigheden en twee miljoen meisjes onder de vijftien worden jaarlijks gedwongen tot prostitutie.

Ik zou de bijzondere aandacht willen vragen voor twee vormen van mensenrechtenschendingen die de afgelopen jaren in Europa verontrustende proporties hebben aangenomen. Enerzijds het fenomeen van de pedofilie en de kinderporno. Terwijl wij Aziatische landen terecht bekritiseren omwille van hun kinderarbeid of Afrikaanse landen omwille van hun kindsoldaten, worden wij hier in West-Europa regelmatig geschokt door pedofilie en de kinderpornoschandalen.

Ik verwijs ter zake naar het uitstekende verslag van onze collega Kirkhope. Twee nieuwe onthullingen tonen de ernst van de situatie aan. In Italië werd onlangs een netwerk opgerold dat beelden van seks en wreedheden met kinderen te koop aanbood via Internet. Vorige week wist de Britse politie de Wonderlandclub te ontmantelen waarbij 750.000 onterende foto's van kinderen in beslag werden genomen.

Een tweede verontrustend fenomeen is de mensenhandel. Jaarlijks worden zo'n 30 miljoen mensen naar andere landen gesmokkeld, waarvan een half miljoen naar de Europese Unie. De mensenhandel is een zeer lucratieve internationale industrie geworden, vaak met dodelijke risico's voor de passagiers. Op de Spaanse stranden spoelen zoveel lijken van verdronken illegalen aan dat er een macabere discussie is ontstaan over wie de begrafenissen moet betalen. In beide gevallen wordt de wanhoop van arme mensen misbruikt door gewetenloze geldwolven. In beide gevallen zijn voorlichting in de landen van herkomst en coördinatie van de internationale politiediensten noodzakelijk om deze wantoestanden te bestrijden.

Zweden heeft een goede reputatie als het gaat om het verdedigen van de mensenrechten in de wereld. Ik hoop echt dat Zeden de komende zes maanden zijn reputatie alle eer zal aandoen en werk zal maken van de aanbevelingen die het Parlement op deze twee belangrijke domeinen heeft geformuleerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Poos (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties is niet alleen een discussieforum, maar ook het beste instrument om de mensenrechten uit te dragen en te verdedigen. De samenstelling van de Mensenrechtencommissie en de dubieuze solidariteit tussen de lidstaten die de mensenrechten vaak aan hun laars lappen, maken het vaak moeilijk om tot duidelijke conclusies te komen, voor zover de commissie daar überhaupt toe in staat is. De constatering in Genève dat er een ernstige schending van de mensenrechten in een van de lidstaten heeft plaatsgevonden, is echter al een politiek feit op zich. De landen die onder vuur liggen hebben een grote hekel aan "name calling" en lobbyen er flink op los om ieder debat te verhinderen. Juist wat dit punt betreft kan het Europees Parlement, dat bijzonder veel waarde hecht aan de naleving van de mensenrechten, een belangrijke rol spelen. In samenwerking met de betrokken NGO's - Amnesty International en andere mensenrechtenorganisaties in het bijzonder - kan het Parlement druk uitoefenen op de Raad en de lidstaten om in Genevè gemeenschappelijke standpunten te presenteren over de belangrijkste onderwerpen.

De belangrijkste thema's van 2001 die in Genève aan de orde zouden moeten komen, zijn de doodstraf, foltering, de discriminatie van vrouwen, de gebrekkige naleving van de rechten van het kind en het gebrek aan pers- en informatievrijheid. Wat de nieuwe vormen van schending van de mensenrechten betreft, dienen met name de verdwijningen en buitengerechtelijke executies, die vaak door martelingen vooraf worden gegaan, aan de kaak te worden gesteld. Het behoeft geen betoog dat de slachtoffers altijd politieke tegenstanders van het zittende regime zijn. Dergelijk geweld, waartegen niet kan worden opgetreden, doet zich onder meer voor in de Russische Federatie (jegens Tsjetsjenië), Sierra Leone, Indonesië, Colombia, Iran, Irak, de Palestijnse gebieden die door Israël worden bezet en Turkije. Ik zou zo nog wel even door kunnen gaan. De lijst is lang, maar desondanks niet uitputtend.

Ons Parlement doet zichzelf eer aan als het van onze regeringen een duidelijk standpunt in deze kwestie eist. Wij hebben onlangs onze goedkeuring verleend aan een nieuw Handvest van de grondrechten. We moeten onze daden in overeenstemming brengen met onze idealen. De gezinnen van slachtoffers willen dat we daadwerkelijk actie gaan ondernemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Dybkjær (ELDR).(DA) Mijnheer de Voorzitter, meer dan vijftig jaar geleden werd de Verklaring voor de Rechten van de Mens aangenomen, maar wij moeten ons eens afvragen of de situatie op het gebied van de mensenrechten eigenlijk verbeterd is. Dat is een moeilijke vraag, maar wij weten meer dan vroeger en dat is onder andere te danken aan de vele NGO's en journalisten die ons permanent op de hoogte brengen van schendingen van de mensenrechten overal ter wereld. Weten is een voorwaarde om te kunnen handelen. Zodra men een situatie kent, is men ook verplicht te handelen. Door passief te blijven laten wij de mensen wier rechten gekrenkt worden, in de steek. De EU draagt op dit vlak haar eigen verantwoordelijkheid. Zoals verschillende sprekers hebben opgemerkt, draagt de EU de mensenrechten hoog in het vaandel en dat heeft zowel voor- als nadelen. Het belangrijkste is dat wij consequent en concreet zijn. In de landen van Midden- en Oost-Europa is ons beleid, dat het beste omschreven kan worden als een ijzeren vuist in een fluwelen handschoen, succesvol geweest.

Dit is echter onvoldoende, want de mensenrechten gaan verder dan de grenzen van Europa. Daarom verheugt het mij dat de mensenrechten een bevoorrechte plaats hebben gekregen in de nieuwe partnerschapovereenkomsten tussen de ACS-landen en de EU. Wij moeten echter zeker zijn dat wij de daad bij het woord kunnen voegen als blijkt dat de mensenrechten geschonden worden. Indien wij gedwongen zijn de landen in Midden- en Oost-Europa sancties op te leggen, dan heeft dat gevolgen voor iedereen. De situatie van de ontwikkelingslanden is echter anders. Indien we deze landen sancties moeten opleggen, zullen ze meestal alleen de arme bevolking treffen. Daarom moeten wij ervoor zorgen dat wij met betrekking tot deze landen een strategie voor eventuele sancties ontwikkelen, zodat de gevolgen niet de mensen treffen die wij eigenlijk willen helpen, maar juist diegenen voor wie de sancties bedoeld waren.

De EU op zich en het Europees Parlement hebben hier een belangrijke taak te vervullen. Wij moeten voor onszelf uitmaken welke sancties we effectief ten uitvoer willen leggen. Uiteraard is het belangrijk dat we de mensenrechten algemener benaderen, zodat wij over vergelijkbare cijfers kunnen beschikken, want het Parlement is geneigd op te treden zodra het hoort dat ergens mensenrechten zijn geschonden. Wanneer wij in de wereld rondreizen, moeten wij proberen concreet te zijn en nagaan hoe het met de mensenrechten in de betreffende landen gesteld is. Wij kunnen ter plaatse bijeenkomsten met mensenrechtenactivisten en -organisaties houden en de situatie op het gebied van mensenrechten in het eindverslag opnemen. Tot slot herhaal ik dat de gebieden die in de resolutie behandeld worden, belangrijk zijn, maar het zijn niet de enige gebieden die onze aandacht nodig hebben. Daarom heb ik vandaag enkele andere gebieden genoemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Maij-Weggen (PPE-DE). - Voorzitter, in dit debat over de voorbereiding van de jaarlijkse mensenrechtenconferentie in Genève en de inbreng van de Europese Unie daarbij, wil ik mij concentreren op drie thema's. Ik wil iets zeggen over de situatie in Birma, in Indonesië en over het verschijnsel van kindsoldaten.

Het is al bijna tien jaar geleden dat Aung San Suu Kyi werd gekozen tot president van Birma en het Birmese parlement een meerderheid kreeg van haar partij de NLD. Sindsdien lijdt Birma onder een militaire dictatuur, tal van parlementsleden zijn omgebracht of gevlucht en er is sprake van een ongekende terreur tegen politieke tegenstanders en minderheden. Ik ben al lang lid van Pidi-Birma, een groep die onder leiding staat van oud-premier Bondevik van Noorwegen en ik heb de vluchtelingenkampen van de Birmezen in Thailand bezocht. Ik weet wel zo ongeveer wat er in het land aan de hand is. Ik hoor nu dat er sprake is van gesprekken tussen Aung San Suu Kyi en de militaire top en dat volgende maand een delegatie van de Europese Unie onder leiding van Zweden naar Birma gaat. Ik wil toch waarschuwen, laat u niet om de tuin leiden. Het militaire regime daar heeft al vaker zogenaamde concessies gedaan, die later helemaal niets waard bleken en dat gebeurde vaak vlak voor een EU-ASEAN-Top of vlak voor de conferentie in Genève. Ons advies is, houdt toch een zeer kritische resolutie over Birma in Genève klaar en schroom niet om ten aanzien van Birma ook te pleiten voor investeringstops of sancties. Ik zeg dat met nadruk, ik ben niet zo'n voorstander van sancties, maar als er één land is dat het wel verdient, is het Birma.

Dan Indonesië, dat land zit midden in een proces van democratisering en de regering heeft te maken met harde tegenstand. Het land kent enorme problemen met een aantal regio's zoals Atjeh, de Molukken, Irian Jaya en Timor. Er is intussen sprake van meer dan een miljoen vluchtelingen, tienduizenden doden en gewonden. Vooral deloyale militairen en fundamentalistische moslimgroepen maken zich schuldig aan ernstige vergrijpen tegen de mensenrechten. De regering grijpt onvoldoende in en daarom is een resolutie in Genève nuttig en nodig. Niet om de regering-Wahid aan te vallen, maar wel om haar op te roepen de mensenrechtenschendingen beter aan te pakken en de schuldigen te berechten.

Ten slotte wil ik aandacht vragen voor het toenemende probleem, vooral in Afrika, van de kindsoldaten die met drugs tot de meest verschrikkelijke daden worden aangezet. Wij zien dat in Soedan, in Sierra Leone en ook in een aantal andere landen komt dat verschijnsel steeds meer voor. Het gaat hier om een dubbele mensenrechtenschending. Eerst worden deze kinderen ontvoerd en dan met drugs en andere technieken klaargestoomd om andere mensen te verminken en te vermoorden. En als ik kijk naar de regering in Soedan, dan zou deze nog extra bekritiseerd moeten worden omdat zij deze groepen toelaat in zuid-Soedan op haar grondgebied om in Oeganda terreur uit te oefenen. Deze groepen ontvoeren ook meisjes uit scholen van noord-Oeganda voor speciale diensten. Daardoor ontstaat eigenlijk een driedubbel onrecht ten aanzien van deze kinderen. Een harde uitspraak in Genève over deze praktijken is naar mijn oordeel dringend nodig en ik vraag de Europese Unie ook om zo'n resolutie voor te leggen.

Voorzitter, ik ben het natuurlijk eens met de kritiek op China, ten aanzien van Tibet, op Rusland, ten aanzien van Tsjetsjenië, op de kritiek met betrekking tot mensenrechtenschendingen in het conflict tussen Israël en de Palestijnen, ook als het gaat om die weerzinwekkende publieke doodstraf die is uitgevoerd. Ik ben het eens met de kritiek op Iran en op het gebrek aan religieuze vrijheid, vrijheid voor vrouwen en persvrijheid daar, maar vergeet u Birma en Indonesië en de kindsoldaten niet. Dat is vooral mijn boodschap.

 
  
MPphoto
 
 

  Mann, Thomas (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, vorig jaar kwamen we maar weinig stemmen tekort om de voortdurende schendingen van de mensenrechten in China op de agenda van Genève te zetten. Ik hoop dat we de komende maanden meer succes hebben en dat we een aantal landen die op dit moment lid zijn van de 57e Mensenrechtencommissie van ons standpunt kunnen overtuigen. Afgelopen weekeinde heb ik in mijn hoedanigheid als voorzitter van de interfractiewerkgroep “Tibet” van het Europees Parlement deelgenomen aan een conferentie in Zwitserland. Parlementariërs uit de EU-lidstaten, de kandidaat-landen en de VS hebben op die conferentie de mogelijkheden besproken om hun landen ertoe te bewegen de zeer ernstige schendingen van de mensenrechten in China ter sprake te brengen. Niet alleen de Tibetanen hebben onder die schendingen te lijden, maar ook de Oeigoeren en de Mongolen. De vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vergadering en het vrij verkeer van personen worden onderdrukt. De Tibetanen mogen geen zelfstandige activiteiten ondernemen op religieus of cultureel vlak en zeker niet op politiek gebied. Tienduizenden Tibetanen worden vervolgd, gearresteerd en gemarteld. Er wordt structureel getracht om gelovige boeddhisten te veranderen in atheïsten. Wij mogen onze ogen niet sluiten voor deze tweede culturele revolutie.

Commissaris Vitorino, ik ga niet voorbij aan de dialoog tussen de Europese Unie en China. Ik onderschat ook de rol van China als WTO-lid en als toekomstige wereldmacht niet. Er worden op dit moment pogingen ondernomen om fijngevoeliger te opereren in de contacten met belangrijke handelspartners. Ik ga er vanuit dat de oude garde van niet voor rede vatbare, centralistisch georiënteerde leiders ooit vervangen zal worden door nieuwe, hervormingsgezinde krachten. Wij kunnen echter niet wachten tot dat moment zich op een dag aandient. Wij kunnen niet passief blijven toekijken ten koste van de vele mensen die geestelijk en lichamelijk worden mishandeld.

De mensenrechten zijn geen westerse uitvinding. In het nieuwe verdrag van de Europese Unie met derde landen staat terecht dat er aan beide kanten maatregelen genomen worden indien de mensenrechten niet gerespecteerd worden. Wij doen dan ook een beroep op de Raad en de lidstaten van de EU om deze keer in Genève initiatieven te ontplooien. U heeft immers zelf gezegd, mijnheer Danielsson, dat wij een van de hoofdrolspelers zijn. Samen met de VS, Canada en naar ik begrepen heb ook Zwitserland en de kandidaat-landen voor de EU, moeten wij proberen om de landen in Afrika, Azië en Zuid-Amerika ervan te overtuigen dat China eindelijk toch op de agenda van Genève wordt gezet. Mensenrechten zijn niet van ondergeschikt belang; mensenrechten zijn universele grondrechten!

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson, Raad. - (SV) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, allereerst wil ik graag deze Vergadering en de geachte afgevaardigden dankzeggen voor de krachtige steun die zij hebben gegeven aan een actief optreden van de Europese Unie tijdens de komende bijeenkomst van de Commissie in Genève. Ik dank u ook voor de vele concrete opmerkingen die tijdens het debat gemaakt zijn. Staat u mij toe om commentaar te geven op enkele van deze opmerkingen.

Eerst wil ik het hebben over Rusland, en meer in het bijzonder over Tsjetsjenië. De geachte afgevaardigde Bethell heeft gelijk: ik heb Rusland niet genoemd, maar Tsjetsjenië wel. Ik wil alleen benadrukken dat de Raad van mening is dat de situatie in Tsjetsjenië nog steeds ernstig is. Misschien kan die situatie niet even acuut worden genoemd als vroeger, maar naar onze opvatting moeten wij zorgen voor een follow-up van de resolutie die vorig jaar is ingediend en die is aangenomen vanwege de alarmerende situatie in Tsjetsjenië. Wij zijn deze ernstige kwestie dus absoluut niet vergeten.

Verschillende sprekers hebben de situatie in China aangekaart. Ik wil beslist de bewering afwijzen dat de Unie zich achter andere landen probeert te verschuilen als het erom gaat om inbreuken op de mensenrechten in China te bestrijden. Tegelijkertijd is het belangrijk dat wij, wanneer wij iets doen aan de situatie op het gebied van de mensenrechten in China, er werkelijk in slagen om een voldoende grote groep landen te verzamelen in de VN-Mensenrechtencommissie om vorderingen op dit gebied te maken. Dat is het probleem waar verschillende sprekers in hun interventie van vandaag op hebben gewezen.

Op dit moment voeren wij een dialoog met China. We krijgen hier volgende maand de gelegenheid om met de Chinezen te discussiëren over de visie van de Unie op de situatie. Maar wij moeten ook nadere discussies voeren met de nieuwe regering in de Verenigde Staten, omdat de Verenigde Staten traditioneel met voorstellen komen en dat ook hebben gedaan inzake deze resolutie. Ik kan de geachte afgevaardigden dus verzekeren dat de situatie in China nog steeds de volle aandacht van de Unie heeft.

De geachte afgevaardigde Frahm stelt het zeer ernstige probleem van de doodstraf aan de orde. Uiteraard moet de Unie zich distantiëren van de doodstraf, waar deze ook wordt voltrokken - uiteraard inclusief de Verenigde Staten.

Ik ben de geachte afgevaardigde Johan van Hecke en anderen zeer dankbaar dat zij de situatie op het gebied van de mensenrechten in Afrika aan de orde stellen, en het spijt mij dat ik dat niet zelf gedaan heb tijdens mijn inleidende woorden. Het gaat hier immers niet alleen om bezorgdheid over de mensenrechten. Wij weten allemaal dat de problematiek in vele Afrikaanse landen omvangrijker is. Het probleem zit hem dus niet alleen in de mensenrechten. Dat mag ons er uiteraard niet van weerhouden om de aandacht te vestigen op de bestaande problemen. Ik kan de geachte afgevaardigden toezeggen dat wij van de kant van de Unie nauwgezet rekening zullen houden met wat in dit debat over Afrika gezegd is.

Ter afsluiting nog enkele woorden over de situatie in Birma/Myanmar. De Unie bereidt ook dit jaar een voorstel voor inzake de situatie in Birma/Myanmar, dat zal worden ingediend tijdens de bijeenkomst van de Mensenrechtencommissie. Dat is slechts één element in een algemene strategie om de situatie op het gebied van de mensenrechten in Birma/Myanmar aan de orde te stellen. Zo zijn wij van Zweedse zijde al jarenlang verantwoordelijk voor een resolutie over de situatie in Birma/Myanmar in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, en de Unie in haar geheel is actief betrokken bij de discussies binnen de Internationale Arbeidsorganisatie over het feit dat in Birma nog steeds dwangarbeid voorkomt. Daar is een reeks maatregelen uit voortgekomen, die de Unie van harte steunt.

Ik dank u zoals gezegd voor alle concrete opmerkingen en beloof u dat ik er rekening mee zal houden bij mijn voorbereidingen voor de belangrijke bijeenkomst van de Mensenrechtencommissie, die later dit jaar in Genève plaatsvindt.

 
  
MPphoto
 
 

  Vitorino.Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter, dames en heren, ik wil heel in het kort zeggen en herhalen dat de Commissie volledig rekening houdt met de meningen zoals die door de parlementsleden zijn vertolkt. Ik wil hierbij benadrukken dat ik in mijn presentatie niet alle onderwerpen heb aangeroerd die daarvoor wel in aanmerking komen. Het debat van vandaag en het vergelijkbare debat met de NGO's is ontzettend belangrijk, omdat we zoveel mogelijk informatie willen verzamelen en deze dan kunnen opnemen in het standpunt van de Europese Unie bij de voorbereiding van de vergadering van de Commissie voor mensenrechten.

Ik zal even op enkele opmerkingen concreet ingaan. Wat betreft de opmerking van de heer Thomas Mann wil ik allereerst nogmaals benadrukken dat de Commissie uitziet naar het evalueren van de dialoog met China over de mensenrechten. Deze evaluatie zal deze maand plaatsvinden tijdens de Raad Algemene Zaken en we hopen dat hieruit specifieke conclusies voortkomen, zoals verwoordt door de fungerend voorzitter.

Wij zijn uiteraard ook bezorgd over Afrika, of landen als Rusland en Birma, alsmede over enkele uiterst belangrijke horizontale vraagstukken zoals de bescherming van minderheden, allerlei vormen van discriminatie en het uitbannen van marteling. Wat betreft het beschermen van de mensenrechten zijn dit zaken die telkens opnieuw onze aandacht verdienen.

Ter afsluiting wil ik benadrukken dat we een goede voorbereiding van het EU-standpunt voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind uiterst belangrijk vinden. Ik ben dan ook blij dat het Zweeds voorzitterschap dit standpunt in september zeer serieus zal opvatten. Ik wil ook de heer Van Hecke zeggen dat ik zijn bezorgdheid over de gevaren van mensenhandel volledig deel. Ik zou u graag willen herinneren aan het feit dat de Commissie onlangs nog twee voorstellen voor kaderbesluiten heeft goedgekeurd. Eén voorstel richt zich op het bestrijden van mensenhandel voor seksuele uitbuiting. Het andere richt zich op het bestrijden van mensenhandel voor economische uitbuiting. Met deze twee belangrijke strafrechtelijke instrumenten kunnen we de wetgeving ter bestrijding van transnationale criminele netwerken die zich bezighouden met de mensenhandel, verder harmoniseren. We lopen voorop wat betreft het bewust maken van mensen en het uitrusten van de politie en de rechterlijke macht van de vijftien lidstaten met de noodzakelijke geharmoniseerde wettelijke instrumenten ter bestrijding van deze bedreigingen van de mensenrechten en de stabiliteit in de 15 lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Hartelijk dank, commissaris Vitorino.

Ter afsluiting van deze verklaring heb ik zeven ontwerpresoluties overeenkomstig artikel 37, lid 2, van het Reglement ontvangen.(1)

Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen, donderdag, om 12.00 uur plaats.(2)

(In afwachting van de verklaring van het fungerend voorzitterschap van de Raad wordt de vergadering om 16.10 uur onderbroken en om 16.30 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: MEVROUW FONTAINE
Voorzitter

 
  

(1) Zie notulen.
(2) Bekendmaking van gemeenschappelijke standpunten van de Raad: zie notulen.


6. Werkprogramma van het Zweeds voorzitterschap
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het doet mij bijzonder veel genoegen dat ik hier premier Persson mag ontvangen. Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik wil u laten weten dat het ons verheugt dat u hier voor de eerste keer in ons midden bent, en wel aan het begin van het Zweedse voorzitterschap, dat naar wij hopen succesvol zal verlopen. Ik geef u nu onmiddellijk het woord.

 
  
MPphoto
 
 

  Persson, Raad. - (SV) Mevrouw de Voorzitter, voorzitter van de Commissie en geachte afgevaardigden van het Europees Parlement!

Het afgelopen decennium heeft Europa een ongekende verandering ondergaan. De koude oorlog heeft plaatsgemaakt voor samenwerking. De technische ontwikkeling heeft een enorme vlucht genomen en onze economieën zijn op een mondiale markt nauw met elkaar verweven.

De democratie en de vrede worden niet eenvoudigweg meer bedreigd door totalitaire regimes van de andere kant van het IJzeren Gordijn, maar de dreiging komt nu steeds meer vanuit de volwassen democratieën zelf. Dit blijkt uit het afnemende vertrouwen in de volksvertegenwoordigers, de steeds lagere opkomst bij verkiezingen, het succes van populistische partijen en de radicalisering van rechts-extreme bewegingen.

Slechts enkele van de grote problemen in Europa kunnen eigenhandig in de landen zelf worden opgelost. We zijn ook veel te afhankelijk van elkaar. Nog nooit is de behoefte aan samenwerking zo groot geweest en tegelijkertijd durf ik te beweren dat de vooruitzichten voor de samenwerking nog nooit zo goed zijn geweest.

Het Zweedse voorzitterschap van de Europese Unie vangt aan in een belangrijke periode, waarin Europa veel veranderingen en uitdagingen te wachten staan.

De tot dusver grootste uitbreiding van de Unie staat op het punt plaats te vinden. Zodra we het eens zijn over het economische en institutionele kader voor deze historische gebeurtenis, is het tijd voor de echte onderhandelingen.

De Unie heeft een programma met nieuwe samenwerkingsvormen goedgekeurd teneinde 's werelds meest dynamische economie met de sterkste concurrentiepositie te krijgen. Ons strategische doel is volledige werkgelegenheid. In de Economische en Monetaire Unie vindt binnenkort de belangrijke introductie van nieuwe biljetten en munten plaats.

Aan kwesties die de burgers direct aangaan, wordt steeds meer aandacht geschonken. De Unie is momenteel een aaneensluiting van actieve welvaartsstaten. Op dit moment groeit het inzicht dat de welvaart de ontwikkeling niet afremt, maar dat deze twee juist een symbiose vormen.

Zweden neemt nu voor het eerst het voorzitterschap op zich. Wij zullen in het belang van de hele Unie handelen, instaan voor transparantie en continuïteit en de ontwikkeling van Europa bevorderen. Wij willen ook reeds geboekte vooruitgang bestendigen. Het is voor mij als minister-president van Zweden een eer ons werkprogramma voor u uiteen te mogen zetten. Ik kijk met veel belangstelling uit naar uw standpunten en kanttekeningen.

De uitgebreide agenda van de Unie heeft drie prioriteiten: de uitbreiding, de werkgelegenheid en het milieu. Deze drie omvangrijke beleidsterreinen zijn alle drie van cruciaal belang voor de manier waarop de toekomst voor de Europese burgers er uit zal zien.

Laat ik beginnen met de kwestie van de uitbreiding. Geen enkele kwestie is zo cruciaal voor de toekomst van de Europese Unie en de ontwikkeling in Europa als de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Unie. We krijgen de kans om de basis voor vrede en vrijheid, democratie en welvaart in Europa te verstevigen. We zijn bezig met het afsluiten van het historische tijdperk waarin Europa verdeeld is in oost en west. De Zweedse regering is graag bereid om in alle bescheidenheid – maar ook met een gevoel van trots – te proberen aan dit werk, deze historische ontwikkeling, bij te dragen.

Tijdens het Franse voorzitterschap is de intergouvernementele conferentie succesvol afgesloten. Het doel ervan was de instellingen van de Unie voor te bereiden, opdat deze goed kunnen functioneren in een uitgebreide Unie. In het voorjaar van 1999 is er in Berlijn reeds een economisch kader vastgesteld. In Nice is duidelijk geworden dat de volgende intergouvernementele conferentie geen belemmering zal vormen voor of voorwaarden zal stellen aan de uitbreiding. Er moet nog veel werk verricht worden, maar de mogelijkheid bestaat dat we na 2002 nieuwe lidstaten kunnen verwelkomen.

In de eerste helft van 2001 komt het uitbreidingsproces in een fase waarin op veel gebieden concrete onderhandelingen zullen worden gevoerd. Het doel van Zweden is te proberen het pad te effenen voor een politieke doorbraak in de onderhandelingen. Het differentiatiebeginsel zal een hoeksteen vormen van deze taak. Ieder kandidaat-land wordt op zijn eigen merites beoordeeld en krijgt de mogelijkheid om aan de criteria te voldoen.

Er is grote vooruitgang geboekt in de kandidaat-landen. Voor het bereiken van een doorbraak is het echter noodzakelijk dat de kandidaat-landen daadkrachtig hervormingen doorvoeren om aan de voorwaarden voor het lidmaatschap te voldoen en dat de lidstaten op een constructieve manier bijdragen aan de voortgang van de onderhandelingen. De Commissie moet dit proces ondersteunen. We moeten gezamenlijk streven naar een brede steun voor de uitbreiding onder de bevolking van de Europese Unie.

Het Zweedse voorzitterschap zal de mogelijkheden benutten om met de best voorbereide landen het proces te versnellen. De Europese Raad zal in juni 2001 in Göteborg de vorderingen van het uitbreidingsproces evalueren en de noodzakelijke richtsnoeren aanreiken voor de succesvolle voltooiing ervan.

Aan de relatie van de Europese Unie met Turkije als kandidaat-land zal blijvende aandacht geschonken worden. De goedkeuring van het partnerschap met Turkije en de presentatie van het nationale aanpassingsplan van het land worden hiervoor belangrijke instrumenten.

Er staat ons nog veel te doen, maar de mogelijkheid bestaat nu om na 2002 nieuwe lidstaten te verwelkomen. Ik hoop dat de kandidaat-landen in 2004 kunnen deelnemen aan de verkiezingen voor het Europees Parlement.

Een andere prioriteit is de werkgelegenheid. Op dit moment daalt de werkloosheid in de landen van de Unie en steeds meer mensen krijgen werk. We mogen hier echter niet in berusten, want er zijn nog steeds 14 miljoen werklozen in de Europese Unie.

Werkloosheid is een enorme verspilling van geld en - erger nog – van kennis en ambities van mensen. Niets is belangrijker voor de ontwikkeling en vrijheid van een individu dan een baan en de mogelijkheid in zijn eigen onderhoud te kunnen voorzien. Niets is belangrijker voor de democratie en de gelijkheid tussen mannen en vrouwen dan volledige werkgelegenheid. Een Unie die werkloosheid niet serieus neemt, wordt nooit de Unie van de burgers die we allemaal voor ogen hebben.

Het streven van de Europese Unie naar volledige werkgelegenheid is in het debat bij tijd en wijle irreëel genoemd, maar er is een nieuwe ontwikkeling gaande op dit gebied. De Europese Raad heeft in maart vorig jaar in Lissabon een nieuw strategisch doel voor de Unie gesteld. De economie van de Unie moet binnen tien jaar 's werelds sterkste kenniseconomie zijn en de beste concurrentiepositie hebben. Tegelijkertijd is bepaald dat volledige werkgelegenheid een fundamentele doelstelling moet zijn voor het economische en sociale beleid van de Unie. Ik zie dit als een grote stap vooruit en voor mij zijn het zeer belangrijke mijlpalen in de ontwikkeling van de Unie.

Het huidige Europa is beter dan ooit toegerust om de kans op werk te vergroten voor iedereen die wil en kan werken. De economische vooruitzichten voor Europa blijven goed. De overheidsuitgaven staan er goed voor. De prijzen zijn stabiel. Hervormingen van de product- en kapitaalmarkten zijn in heel Europa in gang gezet.

Volledige werkgelegenheid wordt bereikt via aanhoudende economische hervormingen, een uitgebreide sociale zekerheid en een hoog welvaartspeil. Zij wordt ook bereikt door middel van investeringen in onderwijs en onderzoek, nieuwe technologieën en ondernemerschap, investeringen in het milieu en gelijkheid tussen mannen en vrouwen.

De bijeenkomst van de Europese Raad in Stockholm op 23 en 24 maart wordt de eerste van een reeks topontmoetingen in het voorjaar die gewijd zullen zijn aan het bereiken van de doelen die in Lissabon zijn gesteld. Wij moeten in Stockholm op een openhartige manier en met de nodige zelfkritiek de geboekte vooruitgang beoordelen. Er zal, waar nodig, gewerkt worden aan de communautaire wetgeving, maar met name aan de nieuwe open coördinatiemethode. Het Zweedse voorzitterschap streeft ernaar de Lissabon-strategie niet uit te hollen door te veel nieuwe kwesties toe te voegen. Wij hebben ook geen nieuwe processen nodig. De Top van Stockholm moet daarentegen bepaalde prioritaire gebieden aanwijzen.

We bevinden ons midden in een razendsnelle ontwikkeling, waarin de economische groei steeds meer gestimuleerd wordt door intellectuele en steeds minder door lichamelijke capaciteiten. Tegelijkertijd wordt de mobiliteit steeds groter. Het menselijk kapitaal wordt de belangrijkste factor in de concurrentiestrijd tussen bedrijven, zoals scholing de belangrijkste factor wordt in de concurrentiestrijd tussen werknemers. Zorg, scholen, hulpverlening, onderwijs en andere sociale voorzieningen worden de concurrentiemiddelen van landen en woonplaatsen.

Het Zweedse welvaartsmodel is altijd gebaseerd geweest op de opvatting dat gelijkheid en rechtvaardigheid productief zijn en dat het bevorderlijk is voor de economische ontwikkeling als iedereen de kans krijgt zijn steentje eraan bij te dragen en als iedereen de vruchten ervan plukt. De huidige ontwikkeling toont aan dat de nieuwe technische sectoren het verst ontwikkeld zijn in landen met een hoge werkgelegenheidsgraad en een goed opgeleide bevolking, die erin zijn geslaagd de technische ontwikkeling te spreiden en die een rechtvaardige inkomensverdeling en een goed stelsel van sociale zekerheid hebben. Landen die niet de capaciteit en creativiteit van alle burgers gebruiken, zullen aan concurrentievermogen inboeten.

Hierbij moet de verwachte demografische ontwikkeling van Europa niet worden vergeten. Door de lage geboortecijfers en het toenemende aantal ouderen dreigen vanaf 2010 de lasten voor de beroepsbevolking drastisch hoger te worden. De demografische ontwikkeling moet met een breed politiek front tegemoet getreden worden. Er is een omvangrijke herziening nodig van de pensioenstelsels en de gezondheids- en ouderenzorg. Er zijn maatregelen nodig om de deelname aan de arbeidsmarkt te vergroten. Het belang van betere voorwaarden voor gezinnen, van meer gelijkheid en van onderwijs en scholing tijdens het gehele leven moet duidelijk benadrukt worden.

Tegelijk met de stijging van de werkgelegenheid komt er meer aandacht voor de werkomstandigheden. Het doel is het eens te worden over een definitie van het begrip kwaliteit in arbeid en de betekenis ervan voor de economische groei en werkgelegenheid.

Bovendien moeten we in Stockholm het belang benadrukken van de nieuwe technologie voor het verder uitwerken van het actieplan voor eEurope en door meer aandacht te schenken aan het belang van de biotechnologie voor innovatie en groei.

Ik wil tevens het wezenlijke belang onderstrepen van een succesvolle ontwikkeling van de Economische en Monetaire Unie voor de stabiliteit en welvaart in Europa. Het Zweedse voorzitterschap zal zich actief inzetten voor een onverdeeld succesvolle introductie van de eurobiljetten en -munten die begin 2002 in de monetaire unie zal plaatsvinden. Daar hebben we allemaal belang bij.

Het derde belangrijke gebied is het milieu. De grote bedreiging van het milieu kan niet afgewend worden zonder een actieve internationale samenwerking. De samenwerking binnen de Europese Unie op milieugebied moet verdiept worden. Het beleid vereist een totale aanpak. Het ecologische perspectief wordt vaak beschouwd als achterhaald en men denkt dat het streven naar een duurzame samenleving in conflict is met doelen als rechtvaardigheid en meer materiële welvaart. Dat is onjuist - het tegendeel is waar.

Met behulp van recycling en het gebruik van nieuwe onderzoeksresultaten en nieuwe, zuinige technieken is het vandaag de dag mogelijk om de natuurlijke hulpbronnen van de aarde te gebruiken zonder deze uit te putten. Tegelijkertijd biedt deze ontwikkeling unieke mogelijkheden voor economische groei op nieuwe markten. Hier is een enorm potentieel aanwezig, en er zijn mijns inziens vele mogelijkheden die we niet over het hoofd moeten zien. Ik wil dat de Europese Unie het voortouw neemt bij de ontwikkeling waarin ecologische, economische en sociale aspecten gekoppeld worden en elkaar versterken.

Op alle samenwerkingsgebieden van de Europese Unie moet milieu-integratie plaatsvinden. De behandeling van het zesde milieuactieprogramma van de Europese Unie moet voortgezet worden. Het moet van toepassing zijn voor de komende tien jaar en gericht zijn op duidelijke en goed gemotiveerde milieudoelstellingen en milieu-indicatoren. Het programma moet een van de fundamenten worden van de algemene strategie voor een langdurige, duurzame ontwikkeling die zal worden goedgekeurd tijdens de Top van de Europese Raad in Göteborg. Deze strategie moet gericht zijn op een aantal essentiële gebieden waarvan de ontwikkeling momenteel onhoudbaar is en op maatregelen die het tij kunnen keren. De Commissie zal in een later stadium een voorstel presenteren voor een dergelijke strategie.

Er moet ook aandacht geschonken worden aan de snel groeiende markt voor chemicaliën. Zweden zal zich dan ook inzetten voor het bereiken van eensgezindheid over een nieuwe chemicaliënstrategie, waarbij het preventiebeginsel een belangrijk uitgangspunt zal vormen.

Tot slot, maar dit is zeker niet het minst belangrijke punt, de klimaatproblematiek die tot uiting komt in overstromingen, aardbevingen en smeltend ijs. Het is buitengewoon verontrustend dat de milieuvervuiling mogelijk een langdurige en gevaarlijke klimaatverandering veroorzaakt. Het klimaat is een belangrijk agendapunt van de Europese Unie dat prioriteit blijft houden. De klimaatonderhandelingen moeten worden hervat.

De milieukwesties bevatten een morele dimensie. We lenen de aarde van onze kinderen en kleinkinderen. De taak van onze generatie is een Europa achterlaten waarin de grote milieuproblemen zijn opgelost.

Mevrouw de Voorzitter, het nieuwe Verdrag van Nice maakt op meerdere punten een grondigere en effectievere samenwerking mogelijk. Een versterkte samenwerking tussen kleinere groepen lidstaten wordt eenvoudiger. Er moeten nog meer besluiten worden genomen met een gekwalificeerde meerderheid en een medebeslissingsprocedure in het Europees Parlement. Er is duidelijkheid gekomen over de positie van de kandidaat-landen in een uitgebreide Europese Unie. Ik ga ervan uit dat het nieuwe Verdrag over ruim een maand ondertekend kan worden. De lidstaten hebben zich op hun beurt reeds verplicht om zich in te zetten voor een snelle en succesvolle ratificatie van het nieuwe Verdrag.

De Unie is niet statisch. De samenwerking heeft zijn eigen dynamiek. Aan de Unie worden voortdurend nieuwe eisen gesteld door de rest van de wereld en haar eigen burgers. We hebben bovendien een reden om het geheel in de Europese architectuur te bespreken.

Er is een reeks toekomstkwesties naar voren gebracht in het debat dat gevoerd werd parallel aan de inmiddels afgesloten intergouvernementele conferentie. Dat is de reden voor de totstandkoming van de speciale verklaring in Nice over de toekomst van de Europese Unie. Daarin is bepaald dat er in 2004 een nieuwe intergouvernementele conferentie moet komen en wordt het Zweedse en het toekomstige Belgische voorzitterschap verzocht om in 2001 een debat met alle geïnteresseerde partijen over toekomstkwesties op gang te brengen. Dit zal plaatsvinden in samenwerking met de Commissie en met medewerking van het Europees Parlement. Van de kwesties die tijdens het proces tot de volgende intergouvernementele conferentie moeten worden besproken, worden er vier gespecificeerd: ten eerste de vraag hoe men een preciezere afbakening van bevoegdheden tussen de lidstaten en de Unie tot stand wil brengen en controleren. Ten tweede de zogeheten status van het Handvest voor de grondrechten. Ten derde de manier waarop de Verdragen vereenvoudigd kunnen worden zonder dat hun inhoud verandert. Ten vierde de rol van de nationale parlementen.

Het Zweedse voorzitterschap ziet het als een belangrijke en stimulerende taak om aan te sporen tot een intensiever en breder debat, zowel in de lidstaten als in de kandidaat-landen. We rekenen erop dat het Europees Parlement actief zal meewerken en zijn unieke rol zal gebruiken om initiatieven te nemen om dat debat op gang te brengen. Ik hoop dat ook nationale parlementen en regeringen passende initiatieven zullen nemen. We moeten ons ook extra inzetten voor meer betrokkenheid van jongeren en we moeten de visie van de burgers op de toekomstige samenwerking in de Europese Unie beter in kaart brengen.

Mevrouw de Voorzitter, de Europese Unie is indertijd opgericht om oorlog op het Europese continent te voorkomen en is in dat opzicht zeer succesvol geweest. Er zullen in Europa en zijn nabije omgeving echter altijd conflicten zijn. Het Europese veiligheidsbeleid zal binnen afzienbare tijd crisisbeheersing en conflictpreventie behelzen. Dit vereist een combinatie van zowel niet-militaire als militaire instrumenten voor crisisbeheer. Verder moet er een nauwe samenwerking met de VN en de OVSE komen.

Het Zweedse voorzitterschap zal een hoge prioriteit geven aan de uitvoering van de besluiten die door de Europese Raad in Nice zijn genomen betreffende de militaire en niet-militaire crisisbeheersingscapaciteit van de Unie. Het streven is dat de Europese Unie ertoe besluit om zo snel mogelijk in 2001 militair en niet-militair operationeel te zijn.

Op militair gebied gaat het in de eerste plaats om het creëren van permanente structuren en om het uitbreiden van de werkzaamheden voor het samenwerkingsverband tussen de Europese Unie en de NAVO.

Op het civiele vlak zullen we de inspanningen vergroten voor het ontwikkelen van de capaciteit om niet-militaire operaties te plannen en te leiden. Dit geldt in de eerste plaats voor de politie. Een speciale conferentie over het capaciteitsdoel voor politie-ingrijpen zal plaatsvinden tijdens het Zweedse voorzitterschap. Concrete doelen voor het verbeteren van justitiële instrumenten, het burgerlijk bestuur en de reddingsdiensten moeten eveneens ontwikkeld worden.

Parallel aan de werkzaamheden voor een vergroting van de crisisbeheersingscapaciteit van de Europese Unie zal Zweden zich actief inspannen voor de uitwerking van een gecoördineerd en effectief beleid van de Unie op het gebied van conflictpreventie. Wij willen een Europees programma voor conflictpreventie uitwerken en dat presenteren bij de Europese Raad in Göteborg.

Ik weet dat er in het Europees Parlement veel belangstelling bestaat voor zowel crisisbeheersing als conflictpreventie. U heeft waardevolle voorstellen uitgewerkt en er zijn belangrijke discussies gevoerd in het Parlement. Ik kijk uit naar een blijvende nauwe samenwerking.

Mevrouw de Voorzitter, de ontwikkeling in Rusland heeft invloed op de toekomst van heel Europa. Europa en Rusland hebben elkaar nodig. Een verdiepte samenwerking tussen de Europese Unie en Rusland moet daarom een hoge prioriteit krijgen. Tegelijkertijd moeten onze betrekkingen gekenmerkt worden door openhartigheid en consistentie, waaronder de bereidheid gerechtvaardigde kritiek te leveren. Dat geldt bijvoorbeeld voor de ontwikkelingen in Tsjetsjenië, die nog steeds aanleiding vormen voor grote bezorgdheid. Dat geldt eveneens voor de situatie van de onafhankelijke opinievorming in Rusland. De boodschap van de Europese Unie moet zijn dat een echt partnerschap gebaseerd is op een gemeenschappelijke basis voor normen en waarden. In een moderne democratie moet een machtige staat in balans worden gebracht door een stabiele burgermaatschappij.

De ambitie van het voorzitterschap is het voeren van een Ruslandbeleid dat gericht is op zowel samenwerking als openhartigheid met als doel meer eenduidigheid en stabiliteit in de betrekkingen. Concreet willen we een diepgaande dialoog tot stand brengen tussen de Europese Unie en Rusland, zowel in politieke als in economische en juridische kwesties. We willen de samenwerking uitbreiden om conflicten te voorkomen, crises te beheersen en ontwapening en non-proliferatie te bevorderen. We willen de integratie van Rusland in de wereldeconomie stimuleren, onder andere door het land te steunen bij zijn pogingen lid te worden van de WTO. We willen een betere samenwerking om de gemeenschappelijke problemen op ons continent tegemoet te treden, zoals de bedreiging van het milieu en de internationale, georganiseerde misdaad. We willen de hervormingen in Rusland blijven steunen, met name om de burgermaatschappij te stabiliseren en het bestuur te moderniseren.

Er zal ook veel aandacht geschonken worden aan de ontwikkelingen op de westelijke Balkan, in het Midden-Oosten en op het Koreaanse schiereiland. In het geval van de westelijke Balkan gaat het om crisispreventie en economische hervormingen en investeringen. De geleidelijke toenadering van de regio tot de Europese Unie door middel van stabilisatie- en associatieovereenkomsten staat centraal. Voor de verwezenlijking van een dergelijke toenadering zijn er echter duidelijke pogingen tot samenwerking nodig tussen de landen in de regio.

De Unie heeft een belangrijke rol gespeeld in het conflict in het Midden-Oosten door middel van haar steun aan de Amerikaanse vredesinspanningen. Zweden zal zich tijdens zijn voorzitterschap inzetten voor een blijvende actieve rol van Europa tijdens het vredesproces.

Over een paar dagen wordt een nieuwe Amerikaanse president beëdigd. We hebben de mogelijkheid om de samenwerking met de Verenigde Staten een nieuwe stimulans te geven. De handelskwesties en de uitvoering van het actieplan binnen het transatlantische economische partnerschap staan centraal in de samenwerking. Voor bestaande handelsconflicten moeten oplossingen komen die voor beide partijen acceptabel zijn, maar die meningsverschillen mogen de vele gemeenschappelijke politieke belangen en de levendige dialoog die we met de Verenigde Staten hebben niet overschaduwen.

Mevrouw de Voorzitter, in een Unie waar de burgers op de eerste plaats komen, moet de politieke discussie openhartig gevoerd worden, moeten documenten toegankelijk zijn, de besluitvormingsprocessen te volgen zijn en besluitvormers ter verantwoording geroepen kunnen worden. We moeten blijven werken aan een transparantere en modernere Europese Unie.

In het Verdrag van Amsterdam is een rechtsgrondslag gecreëerd voor regels voor de publieke toegankelijkheid van documenten in de instellingen. Zweden hecht veel waarde aan de werkzaamheden voor de wetgeving over transparantie die zal worden aangenomen onder deze verdragsbepaling. De Commissie, die in het kader van haar interne hervormingen zelf een aantal stappen heeft gezet naar meer transparantie, heeft in verband met de kwestie een voorstel ingediend. Terwijl de Raad aan dit juridische document werkt, is Zweden van zins nauw contact te onderhouden met het Europees Parlement dat grote betrokkenheid heeft getoond bij de kwestie over transparantie. Ons streven is om dit voorjaar resultaten te bereiken in deze kwestie.

Zoals ik al aanstipte in de inleiding van mijn toespraak hebben de fundamentele normen en waarden van de Unie een belangrijkere plaats in de activiteiten van de Unie gekregen. Dat blijkt duidelijk uit het succesvolle werk aan het Handvest van de grondrechten. Een logisch gevolg hiervan is dat de mensenrechten duidelijk aan de orde moeten komen in de politieke dialoog met andere landen, met als doel versterking van de vrede, en in overeenkomsten met landen buiten de Europese Unie. De Unie moet tevens actief optreden in de Commissie van de Verenigde Naties voor de rechten van de mens en in komende wereldconferenties op dit gebied.

Mevrouw de Voorzitter, het is van belang dat de Europese burgers, via hun direct gekozen vertegenwoordigers, zeggenschap hebben over en inzage hebben in de Europese samenwerking. Het Europees Parlement speelt hierin een rol van betekenis.

Het Zweedse voorzitterschap is er veel aan gelegen om het komende halfjaar een goede en nauwe samenwerking met het Parlement tot stand te brengen. We zullen actief deelnemen aan de belangrijke Europese politieke dialoog die in dit gebouw en in dit Parlement wordt gevoerd.

Er moeten belangrijke besluiten genomen worden. De toekomst van Europa wordt gevormd door samenwerking. Laten we ons gezamenlijk inspannen voor een vreedzaam, vrij, welvarend en sociaal coherent Europa!

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Ik wil de fungerend voorzitter van de Raad hartelijk danken voor zijn betoog.

Het woord is nu aan voorzitter Prodi van de Commissie.

 
  
MPphoto
 
 

  Prodi, Commissie. – (IT) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de eerste minister, geachte afgevaardigden, ik ben blij dat ik u vandaag, aan het begin van dit nieuw voorzitterschap, mag toespreken en ik wil u bij deze gelegenheid allen een voorspoedig nieuw jaar wensen. In mijn woorden van welkom aan het adres van uw voorzitterschap, mijnheer Persson, wil ik u in eerste instantie gelukwensen met de zeer suggestieve slogan die Zweden heeft gekozen: de letter E.

De letter E staat allereerst voor “Europa”, voor het Europa dat ons gemeenschappelijk doel is. Zweden zal in de komende zes maanden alle zeilen bijzetten om dit Europa vorderingen te laten maken bij met name de uitbreiding, de enlargement, de werkgelegenheid, de employment en het milieu, de environment.

De letter E staat echter ook voor “euro”. 2001 is het laatste jaar voordat de gemeenschappelijk munt fysiek in omloop wordt gebracht. 2001 is dus het laatste levensjaar van talrijke nationale munten, van munten met soms een eeuwenlange geschiedenis, waaraan de mensen vaak zeer gehecht waren. Het Zweeds voorzitterschap zal ons begeleiden op een gedeelte van de weg die ons naar de historische datum van 1 januari 2002 moet brengen.

Ik wil kort ingaan op de drie E’s in het teken waarvan Zweden het halfjaar van zijn zojuist door eerste minister Persson toegelichte voorzitterschap heeft geplaatst. Deze drie E’s betreffen drie goed gekozen prioriteiten, drie sectoren die de Unie, en zelfs heel Europa, niet alleen voor enorme uitdagingen plaatsen maar ook enorme kansen bieden. Deze prioriteiten beperken zich echter niet tot de komende zes maanden. Zij mogen na het verstrijken daarvan niet zo maar worden vergeten. Veeleer zijn dit prioriteiten voor de lange termijn; dit zijn zelfs de belangrijkste doelstellingen voor heel de legislatuurperiode van vijf jaar.

E staat ook voor enlargement, uitbreiding. Het is goed nog eens te herhalen dat de uitbreiding de uitdaging bij uitstek is voor de Europese Unie. Wij bevinden ons in een fase die van cruciaal belang is voor de toekomst van heel Europa: wij hebben de mogelijkheid een ruimte van vrede, welvaart en stabiliteit te creëren, een ruimte met vijfhonderd miljoen burgers wier onderlinge band wordt gevormd door gemeenschappelijke waarden. Om dit proces mogelijk te maken moesten wij overgaan tot een aantal interne hervormingen. Ofschoon het Verdrag van Nice niet geheel, of eerlijk gezegd allesbehalve, bevredigend is, wordt hiermee toch een stap in de goede richting gezet. Wij kunnen nu namelijk de ingeslagen weg voortzetten. Daarom moet ik een beroep op u doen. U zult te zijner tijd de nationale parlementen moeten aanbevelen het Verdrag van Nice te ratificeren, zeer zeker nu men in Nice heeft toegegeven dat dit Verdrag met beperkingen is behept en een follow-up, een post-Nice, noodzakelijk is. Ik hoef mijns inziens niemand uit te leggen dat vrede, welvaart en stabiliteit niet mogen ophouden aan de grenzen van de Europese Unie, maar in de mate van het mogelijke alle buurlanden en bevriende landen moeten omvatten. Derhalve stel ik tot mijn vreugde vast dat ook de betrekkingen met Rusland een van de prioriteiten van het nieuwe voorzitterschap zijn.

U moet trouwens ook mijn recente reis naar Noord-Afrika in het licht van deze strategie zien: wij proberen een daadwerkelijk beleid van goed nabuurschap tot stand te brengen. Wij mogen bij ons streven naar hereniging van ons vasteland deze dimensie absoluut niet uit het oog verliezen. Het euromediterraan partnerschap is ook voor onze belangen van fundamentele betekenis. Wij onderzoeken momenteel hoe wij dit partnerschap nieuw elan kunnen geven en kunnen versterken. Tegelijkertijd mogen wij evenmin de noordelijke dimensie van de Unie vergeten. Ook deze is van fundamenteel belang, en ik weet zeker dat het nieuwe voorzitterschap deze niet zal verwaarlozen.

De tweede E staat voor employment, voor werkgelegenheid. Deze prioriteit komt in ruime mate overeen met de in Lissabon afgesproken nieuwe economische en sociale agenda. Ik sta volledig achter de verwezenlijking daarvan. De Commissie verheugt zich met name over de nadruk die het voorzitterschap legt op de noodzaak van modernisering van de arbeidsmarkt en bevordering van gelijke kansen voor vrouwen en mannen in onze samenleving. De modernisering van onze economie moet meer arbeidsplaatsen opleveren, en de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen vormt een belangrijk aspect van de strijd tegen discriminatie. De Commissie zal nauw met het voorzitterschap samenwerken om de Top van Stockholm, die voor een groot deel aan deze vraagstukken zal zijn gewijd, te doen welslagen. De Commissie is tevens van plan om in deze context een nieuwe strategie voor te stellen voor de totstandbrenging van een Europese arbeidsmarkt voor het einde van 2005. De details daarvan zullen vervat zijn in het beknopt verslag dat wij momenteel voor de bijeenkomst van Stockholm opstellen.

De derde E staat voor environment, voor milieu. Onze medeburgers zijn bezorgd over de problemen in verband met de milieu- en consumentenbescherming. Daaronder valt ook voedselveiligheid, een vraagstuk dat vooral de laatste tijd enorm belangrijk is geworden en waaraan wij door de recente gebeurtenissen in de gekkekoeiencrisis op dramatische wijze zijn herinnerd. De Commissie heeft reeds concrete maatregelen genomen om het hoofd te bieden aan de noodsituatie. Wij hebben een verantwoordelijkheid jegens de toekomstige generaties. Wij moeten ervoor zorgen dat onze samenleving zich op duurzame wijze kan ontwikkelen en dat onze economie op lange termijn verenigbaar is met het evenwicht van heel de planeet. Ik ben van plan met het Zweeds voorzitterschap samen te werken voor de uitstippeling van een strategie waarmee de Europese Unie duurzame ontwikkeling op efficiënte en coherente wijze kan nastreven. Tijdens de top van Göteborg moeten voor dit fundamentele vraagstuk concrete en operationele maatregelen worden genomen – ik herhaal: concrete en operationele maatregelen.

De Unie moet tevens met vastberadenheid blijven streven naar een leidinggevende rol bij de behandeling van de vraagstukken in verband met de klimaatverandering. Wij moeten de in Kyoto aangegane verplichtingen eerbiedigen en constant druk uitoefenen op onze internationale gesprekspartners opdat ook zij de verplichtingen nakomen die zij in Kyoto zijn aangegaan. De letter E kan trouwens ook staan voor meer bewuste inspanningen op energiegebied, en voor het op gang brengen van een diepgaand denkproces over alle aspecten van energiebevoorrading, energiegebruik en energiebehoud, en van een milieuvriendelijke omgang met energiebronnen. Ik ben derhalve verheugd over de nadruk die het voorzitterschap hierop legt.

Ik heb in mijn redevoeringen hier voor het Parlement herhaaldelijk aangedrongen op de noodzaak van verdieping van het Europees beleid ter bevordering van transparantie, en het verheugt mij dat eerste minister Persson in zijn toespraak hierop zo uitvoerig en met zoveel nadruk is ingegaan. De deelneming van de burgers aan zowel de grote besluiten als aan het dagelijks leven van Europa en zijn instellingen is voor de Commissie namelijk een prioriteit. Ik wil het voorzitterschap derhalve onze vastberaden steun toezeggen bij zijn pogingen openheid en transparantie te bevorderen.

Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de eerste minister, geachte afgevaardigden, de voor dit semester geplande initiatieven zijn zeer ambitieus en ik ben er stellig van overtuigd dat deze onuitwisbare sporen zullen nalaten in de geest van onze burgers. Ik kan echter de inspanningen van de halfjaarlijkse voorzitterschappen onmogelijk als op zichzelf staande feiten beschouwen. Mijns inziens gaat het hierbij veeleer om een groot, continu streven, om iets dat van lange duur is.

Daarom heb ik grote waardering voor de verzekering van de Zweedse premier dat zijn activiteiten niet alleen zullen aanknopen bij het intensieve werk dat tijdens het vorig voorzitterschap werd verricht, maar tevens het toekomstige voorzitterschap in staat zullen stellen daar doeltreffend met eigen activiteiten op voort te borduren. Dit is een zeer belangrijk aspect, vooral met het oog op het beslissende vraagstuk van het zogenaamde post-Niceproces, oftewel het debat over de toekomst van de Unie. Tijdens mijn laatste redevoering voor dit Parlement heb ik uiting gegeven aan mijn teleurstelling over bepaalde aspecten van het pas beklonken Verdrag, maar vooral ook over de sfeer die tijdens heel de Top heerste. In Nice hebben vijftien lidstaten zich verschanst achter de eigen - overigens wel begrijpelijke - nationale belangen en ze hebben uiteindelijk slechts een onvolkomen akkoord kunnen sluiten.

(Applaus)

Voor de meeste staatshoofden en regeringsleiders – en dit is het beslissende punt – was het kennelijk belangrijker de mogelijkheid te behouden om het toekomstig optreden van de Unie te blokkeren dan een middel te vinden om vorderingen te maken ten behoeve van het gemeenschappelijk streven.

(Applaus)

Nice was in dat opzicht een veelzeggend voorbeeld van wat bedoeld wordt met de woorden “kleinst gemene deler”. Het is echter gevaarlijk te denken dat men op die manier vooruit komt. Bij mijn terugkomst uit Nice was ik bevestigd in een reeds eerder verkregen overtuiging, die ik ook hier al eens tot uiting heb gebracht: in tegenstelling tot hetgeen wij soms horen zeggen, is het niet de Monnet-methode die tekenen van versletenheid vertoont, maar de intergouvernementele methode.

(Applaus)

Wij moeten hieruit echter lessen zien te leren voor het debat over de toekomst van de Unie, dat ons zal bezighouden tot eind 2004, ofschoon het nu natuurlijk onmogelijk is daar iets concreets over te zeggen.

De eerste les is dat men Europa nooit een goede, duurzame toekomst kan verzekeren als daarbij niet alle levende, Europese krachten worden betrokken, met inbegrip natuurlijk van de krachten in de kandidaat-landen.

Mijns inziens moeten wij de weg tot 2004 in drie etappes afleggen. De eerste etappe zou ik een open overpeinzingsproces willen noemen, en daarmee zijn wij reeds begonnen. Wij moeten een zo breed mogelijk debat op gang brengen over de toekomst van Europa, een debat op alle niveaus van de burgermaatschappij en in alle politieke en wetenschappelijke instanties. Eenieder van ons moet aan deze discussie deelnemen, deze stimuleren en uitbreiden. Wij moeten met andere woorden onmiddellijk en concreet aantonen dat wij vast van plan zijn uiterlijk in 2004 ons doel te bereiken en een evenwichtig en stabiel systeem tot stand te brengen dat de uitgebreide Unie in staat zal stellen op democratische, legitieme en efficiënte wijze te functioneren.

Om dit debat te kunnen verankeren in de burgermaatschappij is de bijdrage van de Europese, democratische politieke partijen van fundamenteel belang. Daarom wil ik op korte termijn een bijeenkomst organiseren met de fractievoorzitters van de in het Europees Parlement vertegenwoordigde politieke partijen. Ik wil graag via een gedachtewisseling komen tot operationele conclusies over de te bereiken doelstellingen en de daarvoor noodzakelijke instrumenten. Daarover moet een open debat worden gevoerd, een debat waaraan niet bij voorbaat beperkingen zijn opgelegd. Het behoeft immers geen betoog dat er geen slechtere manier is om dit probleem aan te pakken dan zich te beperken tot de in de verklaring van Nice genoemde vier thema’s. Hier gaat het namelijk om heel het post-Niceproces. Het lijdt geen twijfel dat de vier genoemde thema’s – het Handvest van de grondrechten, de vereenvoudiging van het Verdrag, de precisering van de bevoegdheden en de hypothese van een tweede Kamer – uiterst belangrijk zijn, en voor enkele daarvan zijn ook al voortreffelijke werkzaamheden verricht, zoals de herstructurering van de Verdragen, maar zij vormen slechts een onderdeel van een fundamenteler, breder en diepgaander overpeinzingsproces

(Applaus)

dat overigens ook op welsprekende wijze in de titel van de verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders wordt weergegeven: “Wat willen wij voor de toekomst van Europa?”. Ik hoop dat dit Parlement niet alleen zijn rol volledig zal spelen en via de hier vertegenwoordigde politieke partijen uiting zal geven aan de democratische legitimatie van het communautair besluitvormingsproces, maar ook als een brug zal fungeren naar de nationale politieke partijen en de door hen vertegenwoordigde publieke opinie.

(Applaus)

Ik vraag u met aandrang dat te doen. U zult mij aan uw zijde vinden. Mijns inziens is dit nodig voor de toekomst van Europa. Van haar kant zal de Commissie een brede en open dialoog op gang brengen met de Europese samenlevingen en de hoofdrolspelers in de politieke stelsels in de Unie. Dat is de eerste etappe.

De tweede etappe moet onmiddellijk na de Top van Laken, in december van dit jaar, beginnen. Dit zal een fase zijn van gestructureerd nadenken. Dit is ook de meest delicate fase, een fase die zich moet uitkristalliseren rondom een operationele synthese van de tijdens de vorige etappe bijeengebrachte meningen. Daarbij mag men zich niet beperken tot een zuiver intergouvernementeel onderhandelingsproces achter gesloten deuren: dat is de les van Nice. In Laken moeten wij een nieuwe formule uitwerken die het mogelijk maakt rekening te houden met de vereisten inzake openheid en legitimatie.

De onvermijdelijke derde etappe is die van een nieuwe intergouvernementele conferentie, van de eigenlijke intergouvernementele conferentie. Mijns inziens kan men zich daarbij beperken tot een korte, afsluitende en besluitvormende conferentie. Die drie bijvoeglijke naamwoorden - kort, afsluitend en besluitvormend – zijn alle drie van belang.

Zoals ik reeds zei, moet een open overpeinzingsproces op gang worden gebracht. Hoe noodzakelijk dit is, werd de afgelopen dagen nogmaals bevestigd. Daarbij gaat het in hoofdzaak om de vraag welke structuur wij willen geven aan het politieke leven van een Unie met vijfentwintig of nog meer leden.

Ik zou echter niet overeenkomstig mijn eigen overtuiging handelen en ik zou mijn plicht verzaken als ik niet nogmaals zou wijzen op de zorgen die ik ook reeds op 3 oktober jongstleden hier in dit Parlement tot uiting heb gebracht, en die nog steeds heel actueel zijn. Ik ben er namelijk vast van overtuigd dat de communautaire methode, mits deze gerationaliseerd, vereenvoudigd en uitgebreid wordt, niet tot het verleden behoort, maar juist de toekomst van de Unie uitmaakt. De dynamiek van de Unie heeft de afgelopen veertig jaar, met name na Maastricht, een politiek systeem sui generis opgeleverd dat niet in het keurslijf van een nationaal model kan worden geperst. De Unie is namelijk democratisch, dat wil zeggen zij is gebaseerd op een dubbele legitimatie: de legitimatie afkomstig van de Europese volkeren die u, geachte afgevaardigden, hier vertegenwoordigt, en de legitimatie afkomstig van de in de Raad vertegenwoordigde staten, die op haar beurt het resultaat is van nationaal georganiseerde, democratische verkiezingen. Het is dus niet waar dat er geen legitimatie is; er is zelfs een dubbele legitimatie. De Unie is echter niet alleen democratisch, maar ook efficiënt: zij is immers opgebouwd rond een instelling als de Commissie. De Commissie is weliswaar een onafhankelijk uitvoerend orgaan, maar ze houdt nauwlettend het evenwicht in de gaten tussen de - grote en kleine - lidstaten en hun belangen. De Commissie is tevens de noodzakelijk voorwaarde om soevereine bevoegdheden van de Gemeenschap op gemeenschappelijk wijze uit te voeren. Op die manier kan men het hoofd bieden aan de grote uitdagingen van de toekomst, zoals de uitbreiding. Ten derde is de Unie controleerbaar: het Hof van Justitie moet immers de eerbiediging van de gemeenschappelijke regels door iedereen garanderen.

Daarom is het ook meer dan ooit noodzakelijk om een debat te voeren over hetgeen op Europees niveau en hetgeen op nationaal niveau gedaan of gelaten moet worden, over het niveau waarop de verschillende bestuursmaatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd. Dit debat is tevens een onvermijdelijke consequentie van hetgeen ik zojuist noemde. Het resultaat daarvan moet een versterking van de coherentie en de cohesie van de Unie en haar lidstaten zijn. Elke versplintering van het communautair besluitvormingsproces, en met name ook van de uitvoerende taken, moet bij voorbaat van de hand worden gewezen. Dat zou namelijk haaks staan op ons gemeenschappelijk vastgesteld doel. Als men bovendien behoefte heeft om verschillende gevoeligheden ten aanzien van de gewenste mate van integratie tot uiting te brengen, kan men beschikken over een zeer, zeer belangrijk instrument: het instrument van de versterkte samenwerking. Dankzij het Verdrag van Nice bestaan nu in het kader van de communautaire methode verschillende mogelijkheden tot versterkte samenwerking. Dat resultaat kan slechts gegarandeerd worden door een coherent optreden waarin rekening wordt gehouden met het subsidiariteitsbeginsel en met een bredere opvatting over een bestuur van Europa dat overeenkomstig de communautaire methode rondom de institutionele driehoek is gestructureerd.

Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de eerste minister, geachte afgevaardigden, wij gaan een drukke periode, een periode vol initiatieven tegemoet. Groot zijn de uitdagingen die ons te wachten staan, maar groot is ook onze vastberadenheid. Wij willen onze grootse taak tot een goed einde brengen en daarom zal de Commissie nauw samenwerken met de verschillende voorzitterschappen. Ik reken op u, Europese politici en leden van dit Parlement; ik reken op uw bereidheid om met ons samen te werken.

(Langdurig en levendig applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Poettering (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de voorzitter van de Commissie, mijnheer de voorzitter van de Raad, mijnheer de commissaris en geachte collega's. Mijnheer Persson, u heeft het Europees Parlement en de fracties een goede samenwerking aangeboden. Wij gaan graag op dat aanbod in; de goede contacten zijn er immers al. Ik kan u namens mijn fractie meedelen dat u ook inhoudelijk op onze volledige steun kunt rekenen voorzover uw prioriteiten bij een communautair Europa liggen en niet bij de intergouvernementele samenwerking. Een dergelijke samenwerking tussen regeringen moeten wij binnen het communautaire kader met nadruk afwijzen. Er mag geen sprake zijn van een terugval naar die intergouvernementele samenwerking!

(Applaus)

U heeft een erg sympathiek buurland, net zoals Zweden zelf ook een sympathiek land is. In Finland wordt echter meer aandacht besteed aan een communautair Europa en ik zou graag zien dat Finland en Zeden met betrekking tot deze kwesties op dezelfde lijn zouden zitten. U neemt de fakkel over van eerdere voorzitterschappen en daarmee neemt u ook een hypotheek over, namelijk het Verdrag van Nice. U heeft het Verdrag van Nice hier een succes genoemd, maar met die opvatting ben ik het niet eens. Een hypotheek biedt echter ook mogelijkheden, omdat deze afgelost kan worden. Wij willen samen met u in de komende weken en maanden het hypotheekbedrag van Nice aflossen. Daarom spreekt de Fractie van de Europese Volkspartij en van de Europese Democraten op dit moment nog geen goed- of afkeuring uit over het Verdrag van Nice.

Ik heb zojuist de Raadsvoorzitter, vertegenwoordigd door de heer Danielsson, op de hoogte gesteld van het besluit van het congres van de Europese Volkspartij in Berlijn. Onze Commissievoorzitter, Romano Prodi, wees op de noodzaak van een nauwe samenwerking. Die samenwerking zou niet alleen moeten gelden binnen het communautaire kader van onze Europese partijen, maar ook de nationale partijen zouden daarbij betrokken moeten worden. Het congres van de Europese Volkspartij heeft unaniem, dus met de steun van alle 42 nationale partijen, een aantal beginselen aangenomen die ik u graag wil voorleggen. Het eerste punt betreft de systematiek van de intergouvernementele conferentie (IGC). Een conferentie die zich weken of maanden voortsleept, moet tot het verleden gaan behoren; dat is geen geschikt model voor de toekomst. Wij zijn een fervent tegenstander van de instandhouding van het oude systeem.

(Applaus)

In de tweede plaats doen wij een beroep op u om op redelijk korte termijn een conferentie te organiseren die zich over de methodiek en de structuur van de Conventie buigt. De voorbereidingen voor een dergelijke conferentie zouden tijdens uw voorzitterschap moeten beginnen om vervolgens in Laken, onder het Belgisch voorzitterschap, tot een besluit te leiden. Bij die conferentie zou een grote rol weggelegd moeten zijn voor het Europees Parlement en uiteraard de nationale regeringen, maar zeker ook voor de Commissie. Wij doen een beroep op u, mijnheer de Raadsvoorzitter, om niet alleen een snelle start te maken met dat debat, maar ook om de fouten die uit het Verdrag van Nice voortvloeien te corrigeren voordat het Verdrag ondertekend wordt.

Wij hebben vernomen dat men Polen in de Raad minder stemmen had willen geven dan Spanje. Dat is rechtgezet omdat het naar men beweert een tikfout zou zijn geweest. Er is sprake van nog een andere tikfout: Tsjechië en Hongarije hebben hetzelfde inwonertal als België en Portugal, maar zouden slechts recht hebben op twintig Europese afgevaardigden, terwijl de beide andere landen er 22 zouden krijgen. Ik stel voor om Tsjechië en Hongarije ook 22 Europese Parlementsleden toe te wijzen, zodat de start van de uitbreiding niet gekenmerkt wordt door een discriminatie van die twee landen! Dat kunt u nog voor de ondertekening corrigeren. Als het slechts om een technische fout gaat, is daarvoor namelijk geen politieke besluitvorming vereist.

Dan is er nog de kwestie van de transparantie. Wij maken ons op dit gebied grote zorgen, mede door het optreden van het secretariaat-generaal van de Raad van Ministers – en de heer Solana, waarvoor ik veel respect heb, lijkt steeds meer aandacht te besteden aan zijn taken als Hoge Vertegenwoordiger. In de hoogste geledingen van het secretariaat-generaal van de Raad worden veel barrières opgeworpen, zodat er noch aan de Commissie noch aan het Europees Parlement informatie wordt verstrekt. Zorgt u alstublieft voor meer transparantie, dat is de grote hoop die wij op uw voorzitterschap vestigen.

(Applaus)

Mijnheer de Raadsvoorzitter, omdat ik alles wat deze minister-president en fungerend voorzitter van de Raad zegt zeer zorgvuldig lees, heb ik nota genomen van uw toespraak van 5 oktober voor de Noordse Club. U had toen grote verwachtingen van de Raad van Ministers. Ik hoop dat u door Maastricht iets wijzer bent geworden! De Raad van Ministers moet niet uitgebreid worden, maar moet transparanter en tevens hervormd worden zodat de deuren van de Raad ook voor de publieke opinie worden geopend.

Tot slot als derde punt de uitbreiding. Daar zijn wij eensgezind over: De uitbreiding is voor ons een morele, historische en politieke plicht en die mag geen vertraging oplopen, wat ons besluit over Nice ook moge zijn.

Ik zou willen besluiten met de opmerking dat de concurrentiepositie van Europa verbeterd moet worden. U heeft veel positiefs over de euro gezegd. Ik ben het met u eens, maar heeft u ook de moed om de positie van de euro te verbeteren door de bevolking in uw land te vertellen dat deelname aan de euro noodzakelijk is en dat Zweden aan dat proces moet deelnemen.

(Applaus)

Ik wens u succes, want als u succesvol bent, betekent dat een succes voor ons allemaal. U bent weliswaar geen lid van onze partij, maar ik wens u toch succes omdat het om de grootste E gaat. Het gaat namelijk om Europa en voor dat doel zouden we allemaal moeten samenwerken.

 
  
MPphoto
 
 

  Barón Crespo (PSE).(ES) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, geachte leden, om te beginnen wil ik premier Persson, voorzitter van de Raad, hartelijk welkom heten. Het is voor het eerst dat Zweden het voorzitterschap van de Raad bekleedt en premier Persson heeft zojuist zijn prioriteiten kenbaar gemaakt, de fameuze 3 E’s. Deze stroken volledig met het manifest van de Europese socialisten en sociaal-democraten want ik kan vol trots zeggen dat de heer Persson en zijn partij tot mijn politieke familie behoren. Bovendien heeft zijn pleidooi voor het Europese sociale model en het vermogen tot aanpassing van dat model ten tijde van de globalisering mij met trots vervuld.

(Applaus)

Wat de werkgelegenheid betreft kunt u op ons rekenen voor de Top van Stockholm. Wij willen het daar hebben over werkgelegenheid, vernieuwing en het woord waarmee u uw toespraak bent begonnen: sociale cohesie. Op het vlak van de uitbreiding hoop ik dat het door Zweden beleden enthousiasme ertoe bijdraagt dat de Zweedse bevolking zich meer bindt aan Europa. En wat het milieu betreft steunen wij Zweden in het initiatief inhoud te geven aan de duurzame ontwikkeling.

Mevrouw de Voorzitter, de fungerend voorzitter van de Raad heeft een voor ons fundamenteel punt aangestipt, namelijk de stand van zaken betreffende de Europese publieke opinie. De Europese barometer die de afgelopen dagen in diverse dagbladen is gepubliceerd, toont de schizofrene houding die momenteel heerst. De burgers, de Engelsen niet uitgezonderd, eisen meer Europese oplossingen terwijl zij tegelijkertijd weinig vertrouwen hebben in de instellingen. Dit is een onderwerp dat ons allen aanbelangt, zowel de Commissie en het Parlement als de nationale regeringen. Het probleem van de gekke koeien spreekt wat dit betreft boekdelen. De Commissie, en dan heb ik het over de Commissie-Santer, heeft gedaan wat zij moest doen en datzelfde geldt voor de Commissie- Prodi. Het Parlement heeft in 1997 een onderzoekscommissie opgericht terwijl dit weekeinde opnieuw, in Oostenrijk en Italië, is gebleken dat regeringen problemen pas erkennen wanneer zij echt niet anders kunnen. Het is en blijft struisvogelpolitiek, ondanks de duidelijk behoefte aan Europese oplossingen voor Europese problemen.

“Post-Nice” is een ander onderwerp waar zowel wij als het Zweeds voorzitterschap mee aan de slag moeten. Vanaf het jaar 2001, zojuist begonnen, tot het jaar 2004 – 4 jaar waarin vele verkiezingen plaatsvinden, inclusief de Europese – zal “Post-Nice” de gemoederen bezig houden. Ik doe hier een beroep op het Zweeds voorzitterschap. U bent inderdaad niet gepokt en gemazeld in het communautaire, institutionele labyrint. Maar u heeft wel een reputatie op het vlak van de democratie en de openheid en dat is nu juist wat wij momenteel nodig hebben. Dat betekent dat u een bijzondere verantwoordelijkheid draagt. Het doet mij weliswaar genoegen dat u van plan bent een duidelijk akkoord te sluiten over een zo gevoelig onderwerp als de toegang tot documenten, maar het is niet genoeg. U heeft de 5 dagen van de Europese Raad van Nice meegemaakt en u zal er even uitgeput zijn uitgekomen als uw collega’s. Ik moet voorzitter Prodi gelijk geven als hij stelt dat niet de methode-Monet in het geding is. Het gaat om de intergouvernementele methode omdat bovendien – en dat is een grof schandaal – de ambassadeurs de onderhandeling aan het afronden zijn. U heeft gezegd dat het Verdrag binnen een maand getekend wordt. Het is gewoon afwachten wat voor veranderingen er zullen worden aangebracht. Dit kan zo niet, echt niet. Aan deze methode moet een einde komen.

(Applaus)

Vandaar dat er, los van dat wat u bij vertrek zei, een positief element zit in Bijlage IV: er wordt niet gesproken over een andere intergouvernementele conferentie; u heeft het over de Conferentie van de lidstaten. En u heeft expliciet gezegd dat het Parlement een specifieke rol heeft bij het ontplooien van initiatieven. Aangezien dit nieuw is, haak ik in bij het voorstel van voorzitter Prodi – het betreft hier een initiatief van de Commissie waar ik volledig achter sta. Wij hebben 4 jaar de tijd. Voorzitter Prodi stelt 3 fasen voor: de eerste, een fase van brainstormen. Ik zou de Raad willen vragen actief mee te denken in deze eerste fase die u in Laken moet opstarten en voltooien. Er moet een methode worden gevonden voor vooruitgang, een methode die ons niet alleen in staat stelt iets te zeggen over de toekomst van de Unie maar ons ook houvast geeft met betrekking tot de toekomst van de uitgebreide Unie Sinds Nice horen deze landen er gewoonweg bij en zij zullen moeten leren hoe wij in de Unie reilen en zeilen, iets wat nog niet zo eenvoudig is. Vandaar dat ik u vraag, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, om ook initiatieven aan te dragen voor de Top van Laken aan het eind van dit jaar.

In de tweede plaats; welke methode? Voor mij en mijn fractie kan het niet anders dan de democratische methode zijn die al onze landen eigen is. Dat betekent dat het een parlementair debat moet worden, voor het voetlicht en met opnameapparatuur. Vandaag de dag kan men niet meer om internet heen. Dat bedoelen wij met een aanpassing en een verbetering van de methode van de Conventie. Niets anders dan dat. En natuurlijk moet de discussie in alle media doorechoën, maar wij moeten ons ervoor hoeden het maatschappelijk middenveld tegenover de parlementen te plaatsen. Wij leven in een representatieve democratie. De uitwerking van een complex systeem is nu eenmaal inherent aan dit stelsel.

Tot slot, mevrouw de Voorzitter, en daarmee rond ik af, vat ik de Conferentie van de lidstaten op als een laatste fase, een fase van daadkracht en niet een zich oneindig voortslepend proces.

En daarmee, mevrouw de Voorzitter, en nu houd ik echt op, had u nog een E kunnen toevoegen aan het Europese proces, de Spaanse E van “esperanza”, wat zoveel betekent als “hoop”.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Malmström (ELDR).(SV) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren commissarissen, welkom in dit Parlement. Mijnheer de minister-president, de komende zes maanden beloven spannend te worden. Er staan ons belangrijke politieke taken te wachten en hopelijk heeft een geslaagd voorzitterschap ook een positief effect op de publieke opinie. Wellicht kunnen we onze landgenoten laten zien dat men samen heel wat kan bewerkstelligen in de Europese Unie. Wellicht kunnen we onze Europese collega's hier laten zien dat Zweden niet koppig is, maar op een constructieve manier wil deelnemen aan het Europese bouwwerk.

De liberale fractie staat volledig achter het besluit van Zweden om de prioriteit te geven aan de uitbreiding. Onze belangrijkste taak is het creëren van één Europa en we moeten dit voorjaar vaart zetten achter de onderhandelingen. We zouden ook graag een datum willen hebben waarop de eerste landen kunnen toetreden.

Een andere kwestie, waarin de minister-president gesteund wordt door zowel de liberalen als een groot deel van het Parlement, betreft de transparantie. De publieke toegankelijkheid van documenten is een belangrijke democratische kwestie, die essentieel is voor het vertrouwen van de burgers in het hele project van de Europese Unie. Het afgelopen najaar heeft de Raad in deze kwestie pas op de plaats gemaakt - met het werk aan artikel 255 - en we zouden nu graag resultaat willen zien. We verwachten veel van Zweden en van de rol die Zweden kan spelen door zich ten volle in te zetten voor het model dat onder andere in Zweden en Nederland bestaat. Waarom beginnen we bijvoorbeeld niet met het openbaar maken van de vergaderingen van de Raad?

De democratische kwestie is ook sterk gerelateerd aan wat er gaat gebeuren na de Top van Nice. Het Verdrag moet vereenvoudigd worden. De taken en bevoegdheden van de Europese Unie moeten duidelijker worden gedefinieerd. Wij liberalen vinden bovendien dat de Europeanen een gemeenschappelijke Europese grondwet nodig hebben. De burgers moeten betrokken worden bij de werkzaamheden die voortvloeien uit de resultaten van Nice. Het is aan Zweden om de fase te beginnen die voorzitter Prodi de fase van “open overpeinzing” noemt. We zouden het op prijs stellen als de minister-president wat duidelijker aangeeft hoe hij denkt over deze taak, over de te gebruiken methode en over de kwesties die behandeld moeten worden voordat het Belgische voorzitterschap de fakkel overneemt.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Hautala (Verts/ALE).(SV) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, mijnheer de voorzitter van de Raad, ik heb besloten om vandaag Zweeds te spreken, omdat het de tweede officiële taal is in mijn land.

Mijnheer de voorzitter van de Raad, ik ben van mening dat de verwachtingen van het Zweedse voorzitterschap na onze ervaringen met het Franse voorzitterschap erg hoog zijn. Ik ben er persoonlijk van overtuigd dat Zweden opnieuw de regel zal bevestigen dat kleinere lidstaten doorgaans minder partijdig zijn en het gemeenschappelijke Europese belang voorrang verlenen boven de bekrompen nationale belangen. Het is voor het eerst dat uw land het voorzitterschap bekleedt en uw ambassadeur - als ik zo vrij mag zijn om dit te vertellen - heeft met veel gevoel voor humor verklaard dat zo’n eerste voorzitterschap vergeleken kan worden met een ontmaagding, waaraan hij heeft toegevoegd een en ander niet op een gewelddadige manier te willen zien gebeuren. Ik kan u verzekeren dat het Europees Parlement u kan helpen bij het voorzitterschap, zodat u op een zeer zachtaardige en vriendelijke manier ontmaagd zal worden.

Mijn fractie ziet met name graag vooruitgang op de volgende gebieden. In de eerste plaats de duurzame ontwikkeling; die moet nu verwezenlijkt worden. Het is nu of nooit. Zoals u heeft gezegd moeten in Göteborg de doelstellingen en indicatoren worden bevestigd. Het niet-militaire crisisbeheer kan tijdens het Zweedse voorzitterschap eveneens bevorderd worden. Conflictpreventie op alle terreinen van het buitenlands beleid is heel belangrijk voor onze fractie. We juichen het toe dat u zich zult inzetten voor een programma op dit gebied.

Iets wat wellicht niet duidelijk op de Zweedse agenda staat, is de noodzakelijke hervorming van het landbouwbeleid van de Europese Unie. Dat beleid moet radicaal gewijzigd worden, en uitgangspunt daarbij moet zijn dat ons voedsel weer veilig wordt. Er moet een einde komen aan de milieuvervuiling en het dierenleed. Tijdens het debat in Zweden heb ik vernomen dat u, mijnheer de voorzitter van de Raad, ineens tot de ontdekking kwam dat het vegetarisme, of in ieder geval gedeeltelijk vegetarisme, u wel aanspreekt. Ik zou u willen zeggen: welkom bij de club van vegetariërs.

Mijnheer de voorzitter van de Raad, misschien ziet u hier een mogelijkheid om u zelf en de Zweedse burgers te verrassen - op bepaalde gebieden is er meer, niet minder, invloed van Europa nodig. Milieubelastingen zijn hiervan een goed voorbeeld. Iedereen begrijpt dat men op dat gebied de eis voor eenparigheid van stemmen moet loslaten. Zoals mijn collega's ook al hebben aangestipt is hiervoor de communautaire methode vereist, waarvoor sterke communautaire instanties nodig zijn - de Commissie en het Parlement – en moet geen gebruik worden gemaakt van de intergouvernementele methode. Voor een groot deel bestaat de intergouvernementele methode uit bijeenkomsten achter gesloten deuren zonder controle van het Parlement. Dit leidt niet tot de transparantie die u nastreeft. Ik noem dit een Swedish paradox. U moet zich realiseren dat het loslaten van de intergouvernementele methode een voorwaarde is voor transparantie.

Na de Top van Nice is het van belang dat we een omvangrijke hervorming van de Europese Unie in gang zetten, waaraan de nationale parlementen en het Europees Parlement meewerken. Ik hoop dat u de uitdaging aanneemt die de voorzitter van de Commissie heeft genoemd.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Sjöstedt (GUE/NGL). - (SV) Mevrouw de Voorzitter, collega's en voorzitter van de Raad, het programma van het Zweedse voorzitterschap bevat meerdere punten die wij als Europees Unitair Links steunen. Wij zijn van mening dat de prioriteiten - de uitbreiding, het milieu en de werkgelegenheid - belangrijk en een goede keuze zijn. Het programma bevat nog meer positieve elementen die het waard zijn om te benadrukken, zoals maatregelen tegen vrouwenhandel en de inspanningen voor echte vrede in Palestina.

Wat betreft de onderhandelingen over de uitbreiding is het onzes inziens van doorslaggevend belang dat de Europese Unie rekening houdt met de speciale behoeften van de kandidaat-landen en dat ze geen tweederangs lidmaatschap van de Unie aangeboden krijgen.

Met het oog op deze doelstelling is de Top van Nice mislukt. Er zijn daar eigenlijk geen hervormingen van de Europese Unie doorgevoerd die de uitbreiding vereenvoudigen. Integendeel, het besluitvormingsproces is alleen maar gecompliceerder geworden. Het is ook volkomen onaanvaardbaar dat kandidaat-landen zoals Tsjechië en Hongarije direct gediscrimineerd werden doordat ze minder zetels in het Europees Parlement kregen toegewezen dan andere landen van de Unie met hetzelfde inwoneraantal. Dit was een pijnlijke vergissing die rechtgezet moet worden. Mijn eerste vraag aan het Zweedse voorzitterschap is daarom de volgende: bent u bereid om deze vergissing aan te kaarten en recht te zetten in de toetredingsverdragen waarover nu onderhandeld gaat worden?

Sommige landen van de Unie willen burgers uit de toekomstige lidstaten lange tijd niet toelaten tot de arbeidsmarkt van de Unie. Een dergelijke discriminatie is onaanvaardbaar. Het is daarentegen cruciaal dat iedereen die in een land van de Europese Unie werkt zich aan de nationale afspraken en wetten van de arbeidsmarkt houdt, zodat het vrij verkeer niet leidt tot het verdwijnen van de sociale voorwaarden.

In een echt links beleid komt de werkgelegenheid ook in het economische beleid op de eerste plaats en niet het dogmatische monetarisme dat vandaag de dag de Unie en de monetaire unie beheerst. Met een dergelijk beleid zou er ook democratische controle van de Europese Centrale Bank nodig zijn. Maar voor de huidige regeringen in de Unie heeft, ongeacht de politieke kleur, de EMU-aanpassing de prioriteit boven de welvaart en de strijd tegen de werkloosheid. Er moet verandering komen in dit beleid.

Van verschillende kanten in de Europese Unie neemt de vraag toe naar het reguleren van het ongebreidelde kapitalisme door middel van politieke besluiten, ter vervanging van de aanhoudende dereguleringen en de vrije speculatie van dit moment. Eén van de eisen die gesteld wordt, is het belasten van speculatieve transacties op de deviezenmarkt, de zogeheten Tobin-taks. Verschillende leden van de Zweedse regering hebben zich positief uitgelaten over het idee. Dit voorzitterschap is nu een gouden kans om hiertoe het initiatief te nemen. Mijn tweede vraag aan het voorzitterschap is daarom: welke initiatieven voor de Tobin-taks bent u van plan tijdens uw voorzitterschap te nemen?

Op milieugebied staan het komende halfjaar de onderhandelingen centraal die gevoerd gaan worden in het kader van het Kyoto-protocol over de vermindering van de emissie van broeikasgassen. Het is uiterst belangrijk dat er een akkoord komt, maar het is nog belangrijker dat een dergelijk akkoord ook echt iets inhoudt. We vinden dat zo'n akkoord moet leiden tot een daadwerkelijke vermindering van de emissies en niet dat de rijke landen die al de hoogste uitstoot hebben het recht krijgen om zich vrij te kopen via handel in emissierechten.

Wat betreft de regeling over de blootstelling aan genetisch gemanipuleerde gewassen die onlangs is getroffen, was het optreden van Zweden teleurstellend. Zweden verzette zich actief tegen openbare registers van GMO's. Wij hopen dat Zweden zijn leven betert en zich niet inzet voor de opheffing van het de facto moratorium dat op dit gebied bestaat. De wetgeving van de Europese Unie op dit gebied is uit milieuoogpunt nog steeds volkomen ontoereikend.

Het lijkt er helaas op dat het Zweedse voorzitterschap zich niet wil inzetten voor een fundamentele wijziging van het onverantwoorde vluchtelingenbeleid van de Europese Unie, dat met het Schengenakkoord als instrument iedere dag voor nieuwe tragedies zorgt. Daarentegen hebben we kunnen constateren dat Zweden verslechteringen van het beleid accepteert, zoals recentelijk door het vergroten van de verantwoordelijkheid van de transportondernemingen. Aangezien het lot van veel asielzoekers in de praktijk in handen is van luchthavenpersoneel buiten de Europese Unie ontstaat er een soort privatisering van de toetsing van de asielaanvraag.

De grootste teleurstelling over het optreden van Zweden is wellicht de militarisering van de Europese Unie. Zweden geeft niet alleen zijn ongebondenheid en autonome beleid op, maar zal zich nu ook actief gaan inzetten voor de uitvoering van de militarisering van de Unie. Aan het leger van de Unie zullen ook Turkse troepen deelnemen. Troepen die de ene dag gewelddaden in eigen land plegen of een buurland bezetten, kunnen de volgende dag dienst doen in dat leger. Het NAVO-land Turkije eist ook zeggenschap over het beleid van de Unie op dit gebied om de militaire middelen van de NAVO ter beschikking te stellen. Mijn derde vraag aan de heer Göran Persson is daarom de volgende: kunt u beloven dat Turkije een dergelijke zeggenschap onthouden wordt?

Ik ben erg benieuwd naar de antwoorden op mijn drie vragen: over de mogelijkheid om de discriminatie van Hongarije en Tsjechië in het Verdrag van Nice teniet te doen, over uw plannen ten aanzien van de Tobin-taks en over uw standpunt over de medewerking en zeggenschap van Turkije ten aanzien van het leger van de Europese Unie. Met deze woorden willen wij van het Europees Unitair Links het Zweedse voorzitterschap succes wensen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

   Collins (UEN). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil allereerst het Zweeds voorzitterschap alle succes toewensen in de wetenschap dat zijn succes ook voor Europa succes zal betekenen.

Ik ben zeer blij met de presentatie van het Zweeds voorzitterschap van deze middag. De presentatie ziet er zeer constructief en pragmatisch uit. Ik ben ook blij met de opmerkingen van de voorzitter van de Commissie, de heer Prodi.

De Zweedse regering heeft duidelijk gemaakt dat zij tijdens haar voorzitterschap van de Unie drie prioriteiten heeft, namelijk de cruciale problemen van de uitbreiding van de Unie, werkgelegenheid en bevordering van milieubescherming.

Ik zou zeer zeker verheugd zijn met een verdere intensivering van de uitbreidingsonderhandelingen tussen de kandidaat-lidstaten en de Europese Unie. Even ter herinnering: de toetredingsonderhandelingen zijn in bijna 40 verschillende onderhandelingshoofdstukken opgedeeld, die betrekking hebben op alle aspecten van de sociale en economische activiteiten die ooit door de Europese Unie zijn ontplooid. Thans zijn vele van de moeilijkere besprekingen nog niet begonnen, waaronder die over de landbouwvraagstukken, het vrije verkeer van personen, de uitvoering van de communautaire wetgeving op het terrein van sociale zaken en werkgelegenheid en de verankering van de vele richtlijnen en regelingen van de Unie op het gebied van het milieu.

Wat betreft het vraagstuk van de uitbreiding van de Europese Unie is dit de kern van het probleem. Kandidaat-lidstaten willen dat de leiders van de Unie een vaste datum geven voor de volgende uitbreiding van de Unie. De regeringen van de Unie willen echter dat eerst de moeilijkere hoofdstukken tussen de kandidaat-lidstaten en de Europese Unie worden afgesloten voordat een dergelijke datum kan worden bekendgemaakt.

Het is zeker een stap in de goede richting dat de leiders van de Europese Unie in Nice voor de Kerst tot overeenstemming zijn gekomen over een herziening van de besluitvormingsprocedures binnen de instellingen van de Unie. Kandidaat-lidstaten kunnen zich nu troosten met de gedachte dat de Unie haar interne besluitvormingsprocedures heeft gewijzigd zodat de mechanismen van het uitbreidingsproces op een gestructureerde en gestroomlijnde wijze kunnen plaatsvinden.

Ik ben blij dat de Zweedse regering ervoor gaat zorgen dat werkgelegenheid en milieuzaken boven aan de agenda zullen blijven staan tijdens haar voorzitterschap van de Unie. Het is noodzakelijk dat de Europese Unie de garantie geeft dat de voordelen van de nieuwe informatietechnologieën ten goede zullen komen aan alle sectoren van de Europese industrie. Het is net zo belangrijk dat er meer steun komt voor initiatieven op het gebied van de werkgelegenheid in stedelijke en landelijke probleemgebieden, de zogeheten blackspots.

Ten slotte hoop ik dat de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika in Bonn in mei van dit jaar het met elkaar eens zullen worden. Dan hebben we de garantie dat de milieudoelen om de effecten van een algemene temperatuurstijging op aarde tegen te gaan, zullen worden gehaald.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Dupuis (TDI).(FR) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, het doet mij genoegen dat u vandaag in ons midden bent. Hartelijk dank voor uw uitvoerige betoog. Gezien het urgente karakter van dit vraagstuk, zou ik u graag de volgende vraag willen stellen. De Unie moet zich over een aantal dagen uitspreken over de kwestie-Afghanistan en een gemeenschappelijk standpunt aannemen. De Veiligheidsraad heeft de afgelopen weken alleen de Taliban een embargo opgelegd. Ik vraag mij af, mijnheer de voorzitter, of de Europese Unie dit standpunt zal volgen.

Wat de toekomst van de Europese Unie betreft, zijn wij overgeleverd aan stoere spierballenpolitiek en wordt er van alles verkondigd. Sommigen vertellen ons dat we tegen het Verdrag van Nice zullen stemmen, en dat zou mijns inziens overigens geheel legitiem zijn. In termen van democratie en rechtstaat schieten wij immers niets op met dit Verdrag. Er is in Nice alleen een programma aangenomen dat tot de destructie van de Commissie zal leiden. Het zou dus geheel legitiem zijn als veel collega’s zich tegen dit Verdrag zouden uitspreken en ik hoop dat het merendeel van de collega’s dit ook daadwerkelijk zal doen.

Dit Parlement heeft veel geoefend in de fitnessruimte. Wij zijn benieuwd hoe het zich in de ring zal gedragen, dat wil zeggen als er gestemd gaat worden. Ik weet niet, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, of u hier bang voor moet zijn. Wij kunnen immers veel van het verleden leren. Ik vraag u natuurlijk niet om u tegen het Verdrag van Nice uit te spreken. Een beetje mededogen is alles wat ik wil. Tijdens de gesprekken die aan het Verdrag van Keulen voorafgingen heeft de Raad, waarvan u deel uitmaakte, het Parlement een bot toegeworpen: het Handvest van de grondrechten. Het Parlement besefte pas laat dat het inderdaad om een bot ging, en, niet minder belangrijk, het werd zich bewust van de manier waarop u in Nice de kwestie van de weging van de stemmen binnen de Raad en het vraagstuk van de samenstelling van de Commissie hebt opgelost.

In Nice hebt u het Parlement dus niet eens een nieuw bot toegeworpen, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad. Met uw voorstel aan dit Parlement en de Commissie om in 2004 een IGC te organiseren, heeft u ons enkel een stuk vergiftigd speelgoed toegeworpen. In 2004 bestaat het Parlement immers niet. In januari en februari vinden de campagnes plaats voor de voorverkiezingen. In maart, april en mei zijn er de echte verkiezingscampagnes en in juni de verkiezingen. De maanden juli en augustus geniet het Parlement vervolgens van zijn welverdiende rust. In september vinden er kleine bijeenkomsten plaats om kennis te maken en in de maanden oktober en november van dat jaar speelt het beruchte begrotingsvraagstuk. In december zou dan de IGC plaats moeten vinden. Mijnheer de voorzitter, toon een beetje begrip voor ons en verzoek uw collega’s van de Raad om deze conferentie te vervroegen naar 2003 of uit te stellen tot 2005. Wellicht kunt u zo enigszins de eer van dit Parlement redden, dat overigens zelf vaak niet weet wat het woord "eer" precies inhoudt.

 
  
MPphoto
 
 

  Bonde (EDD).(DA) Mevrouw de Voorzitter, de Fractie voor een Europa van Democratie en Diversiteit feliciteert Zweden met het voorzitterschap. Wij vinden het goed dat het voorzitterschap beurtelings wordt uitgeoefend. Wij kijken uit naar de Top in Göteborg en hopen dat vele burgers de evenementen in de marge van de Top zullen bijwonen. Wij verzoeken de voorzitter van de Raad de onderhandelingen over het Verdrag van Nice voort te zetten en ervoor te zorgen dat er meer democratische controle komt. Vandaag is het resultaat meer centralisme en minder parlementaire democratie. Het is ook schokkend dat de onderhandelingen zijn afgesloten met de beslissing alle topbijeenkomsten in Brussel te houden. De Zweedse premier had geen weet van deze beslissing, hoewel wij dachten dat hij daarover inspraak had gehad. Het is provocerend dat Tsjechen en Hongaren als tweederangsburgers worden behandeld en minder zetels in het Europees Parlement toegewezen krijgen dan landen met minder inwoners. Het is niet verstandig meerderheidsbesluiten in te voeren voor de benoeming van commissarissen, want op die manier worden zij de afgevaardigden van de Unie in de lidstaten in plaats van de afgevaardigden van de lidstaten in de Unie. Met een Europese regering die door een meerderheidsbesluit tot stand is gekomen, creëren we eerder een staat dan een visie over een Europa van naties en democratieën, een visie die de kiezers graag willen. Wij verzoeken Zweden in de onderhandelingen over de uitbreiding de nodige flexibiliteit aan de dag te leggen, opdat het grootste deel van de landen aan de samenwerking en aan de volgende Europese verkiezingen in 2004 kan deelnemen. Het Verdrag van Nice wordt beschouwd als een uitbreidingsverdrag, maar de stemverdeling en het aantal zetels in het Europees Parlement zijn opgenomen in een niet-bindende verklaring, terwijl het bindend protocol in het Verdrag van Amsterdam over de uitbreiding moet verdwijnen. Wij verzoeken het Zweeds voorzitterschap ervoor te zorgen dat een aangepast Verdrag van Nice pas in werking treedt als nieuwe landen tot de Europese Unie toetreden. Anders zeggen wij ja tegen een uitbreidingsverdrag zonder dat er uitbreiding komt. Het gevaar bestaat dat het Verdrag van Nice niet meer dan een verdiepingsverdrag wordt met meer unie en minder democratie. Ik ben ervan overtuigd dat dit niet de bedoeling is van de nieuwe Zweedse voorzitter van de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  Hager (NI). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de Raadsvoorzitter, mijnheer de Commissievoorzitter, geachte collega's, ik draag vandaag toevallig weliswaar de Nice-stropdas, maar ik kan toch niet om de constatering heen dat we in Nice, net als in Amsterdam, weer ervaren hebben dat het instrument van de intergouvernementele conferentie niet meer functioneert. De veelgeprezen Conventie is daarentegen een procedure die naar mijn idee nog niet goed genoeg uitgewerkt is. De Conventie zou echter wel als uitgangspunt kunnen dienen voor de ontwikkeling van een goed functionerende procedure. Sta mij daarom toe om een effectieve procedure te schetsen zoals die mij voor ogen staat. Ik zal dat doen in relatie tot de afbakening van de bevoegdheden tussen de lidstaten die zowel door de Raadsvoorzitter als door de Commissievoorzitter al eerder ter sprake is gebracht.

Parallel aan de discussie die onder het Zweedse voorzitterschap is begonnen, zou in de eerste fase op initiatief van de Europese Raad - en liefst zo snel mogelijk - een discussie en meningsvorming moeten plaatsvinden op het niveau van de nationale parlementen. Als resultaat hiervan zou dan rond de lente van 2002 een voorstel over die afbakening van bevoegdheden overgelegd moeten worden, parallel aan een voorstel van het Europees Parlement. Pas als dit fundament gelegd is, kan er begonnen worden aan een voorstel voor het opstellen van een catalogus; dat zal ongeveer in de lente van 2003 zijn. De Conventie die zich over dat voorstel gaat buigen, dient niet alleen te bestaan uit deskundigen op het gebied van grondwetten en Europees recht, vertegenwoordigers van nationale parlementen en van het Europees Parlement, de regeringen van de lidstaten én van de kandidaat-landen, maar uiteraard ook uit vertegenwoordigers van het Hof van Justitie en van de burgerbevolking. Vervolgens zou de Europese Raad in fase III op basis van dit voorstel de Commissie de opdracht moeten verstrekken om een voorstel voor een afbakening van bevoegdheden te overleggen - dat zou mogelijk tegen het eind van 2003 kunnen gebeuren.

Alvorens een IGC bijeen wordt geroepen, zou dit voorstel in fase IV - mijn plan bestaat uit iets meer fasen dan dat van de Commissievoorzitter - onderwerp moeten zijn van een nieuwe discussie op nationaal niveau. Deze discussie zou medio 2004 afgerond moeten zijn. In fase V wordt vervolgens een IGC gehouden die kort en effectief moet zijn. Op deze manier wordt gegarandeerd dat er sprake is van een procedure waarbij de nationale parlementen een functionele inbreng hebben gehad, hetgeen tot nu toe bij de Conventies niet mogelijk was. Bovendien krijgen de regeringsleiders een reeds geaccordeerd voorstel gepresenteerd. Het naast elkaar functioneren van de instellingen wordt zo vervangen door een met elkaar functioneren.

 
  
MPphoto
 
 

  Schierhuber (PPE-DE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, om elke twijfel weg te nemen, wil ik graag iets rechtzetten. Oostenrijk is op zondag 14 januari geconfronteerd met het eerste vermeende BSE-geval. Ik kan dit Parlement meedelen, dat het instituut in Tübingen ons gisteren heeft verteld dat de testuitslag in dit geval negatief is. Ik hoop dat de uitslagen voor alle verdere vermeende BSE-gevallen in Oostenrijk ook negatief zullen zijn.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Carlsson (PPE-DE).(SV) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Raad, geachte collega's en commissarissen, ik ben blij met het eerste Zweedse voorzitterschap van de Europese Unie. Wij leden van de Zweedse conservatieve partij zijn altijd voorstanders geweest van een toetreding van Zweden tot Europa, maar we moeten helaas constateren dat Zweden slechts verantwoordelijk is voor een "half voorzitterschap". Want het is België dat de verantwoordelijkheid heeft voor de eurokwesties. Daarentegen hopen wij dat het Zweedse voorzitterschap in de uitbreidingswerkzaamheden de noodzakelijke vooruitgang kan boeken.

Tijdens het Zweedse voorzitterschap moet het gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid vormgegeven worden. De ontwikkeling op dit gebied is verbazingwekkend snel gegaan, maar de ambities moeten nu inhoud krijgen. De relatie van de Europese Unie met de NAVO zal van groot belang zijn. Om verwarring te voorkomen en om de Unie een aanvullende rol te geven in de militaire capaciteit van de NAVO is betrokkenheid nodig en het vermogen om onopgehelderde kwesties op te lossen. Ik hoop daarom dat het feit dat de NAVO niet eens in het Zweedse programma vermeld wordt meer toeval is dan onderdeel van een strategie.

De Europese Unie moet over tien jaar 's werelds meest dynamische economie hebben. Zweden is een van de landen die zich het verst heeft ontwikkeld in de nieuwe economie. Wij hebben bedrijven die wereldleiders zijn op de markt van de telecommunicatie en het internet. Dit is met name te danken aan de dereguleringen die hebben plaatsgevonden tijdens de conservatieve regering van 1991 tot 1994. De markten voor telecommunicatie, post, elektriciteit en treinverkeer alsmede de landbouwmarkt zijn geliberaliseerd. De heer Göran Persson heeft zich hier indertijd doorgaans tegen verzet, maar lijkt zijn standpunt gewijzigd te hebben. Daar ben ik blij mee en ik hoop dat Zweden dankzij goede ervaringen een dergelijke ontwikkeling kan stimuleren. De Top van Stockholm is hiervoor een uitstekende gelegenheid! Hopelijk staat de Top in het teken van de deregulering ten gunste van werk en welvaart!

Het debat over de mondialisering en vrijhandel heeft meer aandacht gekregen. Het wordt tijd om de laatste protectionistische obstakels van de Europese Unie af te schaffen. De Unie en de nieuwe regering van de Verenigde Staten kunnen gezamenlijk douaneobstakels voor landbouwproducten en de textielindustrie afschaffen. Hieruit blijkt pas echte solidariteit met de arme landen.

In tegenstelling tot de linkse partij in Zweden, die de Zweedse regering steunt, ben ik blij dat het stimuleren door de Europese Unie van de ontwikkeling in de WTO naar concrete liberalisering een van de prioriteiten in het programma van het Zweedse voorzitterschap is. Deze verklaring ligt geheel in lijn met de Zweedse traditie van vrijhandel en openheid tegenover de rest van de wereld. De Zweedse onderminister van handel Pagrotsky heeft echter de zogeheten Tobin-taks een "sympathiek idee" genoemd. Verder heeft de minister-president begrip getoond voor de mensen die de WTO-top in Seattle door middel van ongeregeldheden hebben gesaboteerd. De Tobin-taks is een bedreiging voor de arme landen. Een eventuele Tobin-taks vermindert slechts de effectiviteit van de markt. Daarom wil ik het volgende vragen: kan de voorzitter van de Raad het Parlement duidelijkheid verschaffen over het feit of het Zweedse voorzitterschap voor of tegen de invoering van de Tobin-taks is?

 
  
MPphoto
 
 

  Andersson (PSE). - (SV) Mevrouw de Voorzitter, leden van de Commissie en leden van het Parlement, ik heet de Zweedse minister-president Göran Persson van harte welkom in het Parlement. Ik kijk naar elk voorzitterschap uit, maar dit voorzitterschap is extra bijzonder en mijn verwachtingen zijn hoog gespannen.

Ik ben van mening dat Zweden goede prioriteiten heeft gesteld - de drie E's. Ze betreffen een beperkt aantal gebieden, belangrijke gebieden, die helemaal in lijn liggen met de agenda van de Europese Unie. De uitbreiding komt natuurlijk op de eerste plaats. We hebben de historische taak om na de jarenlange koude oorlog oost en west op ons continent te verenigen. Ik kan zelf geen grotere en belangrijkere taak verzinnen die ik tijdens mijn politieke loopbaan kan voltooien.

De ambities van Zweden om het proces op dit gebied te versnellen, zijn prijzenswaardig. Ik hoop dat de onderhandelingen met de eerste landen spoedig tot een succesvol einde gebracht kunnen worden en dat er snel een streefdatum kan worden vastgesteld voor de toetreding van de eerste landen. Ik besef dat dit niet gemakkelijk is. Ik weet ook dat we realistisch moeten blijven en dat je geen valse hoop mag wekken. Maar tegelijkertijd is het voor de bevolking in de kandidaat-landen belangrijk dat ze de moed niet opgeven en hoop blijven houden.

De andere prioriteit betreft de werkgelegenheid. Zweden heeft een voortrekkersrol gespeeld wat betreft de werkgelegenheid. Het is de bedoeling dat in Stockholm de werkgelegenheid, het sociale beleid, de kennisontwikkeling en het voedingsbeleid verenigd worden tot een gezamenlijk beleid. Deze methode is de open coördinatiemethode. Wat wij in het Parlement willen is dat wij, net als in de wetgeving, een rol krijgen binnen deze methode, omdat zij steeds belangrijker wordt. Ik zou hierover graag duidelijkheid willen krijgen.

De derde prioriteit betreft een langdurige duurzame ontwikkeling. Het gaat om financiële en sociale duurzaamheid en duurzaamheid op milieugebied. Het milieubeleid van de Europese Unie is tamelijk succesvol. Het hangt ervan af of degenen met de minste ambities beslissingen kunnen blokkeren en het hangt er ook van af of het Parlement medebeslissingsrecht op milieugebied heeft. Wat ontbreekt in de strategie is dat het milieubeleid gekoppeld wordt aan voornoemde gebieden. Dit moet gebeuren voor de Top van Stockholm en een resultaat zijn van de Top van Göteborg.

Het is belangrijk dat men een akkoord heeft bereikt in Nice, met name voor het uitbreidingsproces. Niet alles was echter positief, zoals de gecompliceerde regels voor medezeggenschap. Ik sta ook niet achter de manier waarop men achter gesloten deuren beslissingen heeft genomen. Transparantie staat op de agenda van Zweden en de kwestie over publieke toegankelijkheid van documenten zal behandeld worden. Ik hoop dat Zweden ook in de bres springt voor een transparanter besluitvormingsproces. Ik hoop van harte dat Zweden hieraan kan bijdragen.

Ik wil ook nog iets zeggen over de crisisbeheersing. Actieve crisisbeheersing en militaire ongebondenheid zijn niet hetzelfde als passiviteit en ze zijn dat ook nooit geweest. Actieve crisisbeheersing betekent conflicten trachten te voorkomen. Zweden en Finland lopen voorop wat betreft het toepassen van niet-militaire crisisbeheersing en het uitstellen van het gebruik van militaire middelen, wat een goede zaak is en wat verder ontwikkeld zal worden. Hiervoor bestaat een breed draagvlak.

Laat mij het Zweedse voorzitterschap nogmaals welkom heten.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmidt, Olle (ELDR).(SV) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de minister-president, ik heet de minister-president ook van harte welkom. De omstandigheden zijn anders dan thuis in het nationale parlement, maar het went snel.

Alles draait om de drie E's. Laat mij hier een vierde E aan toevoegen: die van empathie.We waren allen zeer getroffen toen we na ons uitgebreide kerstbuffet zagen hoe mensen voor de kust van Turkije voor hun leven vochten om naar Europa te kunnen komen. Veel mensen zijn gestorven in hun zoektocht naar een beter leven. Ik weet dat u, mijnheer de minister-president, ontzet was over de vreselijke tragedie afgelopen jaar toen er 58 dode Chinezen in een vrachtwagen in Dover werden gevonden.

Europa mag geen fort worden. Het Europese asiel- en vluchtelingenbeleid moet gekenmerkt worden door waardigheid en humaniteit. Dat was uw boodschap toen. Maar wat is er sindsdien gebeurd? De ontwikkeling in Europa is de verkeerde kant opgegaan.

Men vindt dat er strengere straffen voor mensensmokkel moeten komen. Dat is noodzakelijk, maar met deze voorstellen bereiken we het verkeerde doel. Ideële organisaties, zoals kerken, kloosters, asielzoekerorganisaties en particuliere netwerken die asielzoekers helpen, dreigen te worden bestraft. Deze voorstellen moeten tegengehouden worden. In Zweden zijn kerkbezoekers al sinds de Middeleeuwen onschendbaar.

De leiders van Europa moeten nagaan waarom de mensensmokkel naar Europa zo'n dramatische stijging vertoont. Europa wordt een fort. Het instellen van een visumplicht voor 130 landen is een democratisch Europa onwaardig. De basisregel moet zijn dat mensen het recht hebben om vrij te reizen in de Europese Unie. Is het Zweedse voorzitterschap bereid om de lijst van visumlanden aanzienlijk in te korten?

Ik ben een voorstander van de Europese Unie en ik heb lang aangedrongen op gemeenschappelijke regels voor het asiel- en vluchtelingenbeleid, maar een omheind Europa accepteren wij liberalen niet. Het nieuwe voorzitterschap, mijnheer de minister-president, kan een belangrijke rol spelen voor humaniteit en menselijke waardigheid naar de geest van Raoul Wallenberg, wiens nagedachtenis u zo verdienstelijk in ere heeft gehouden. Empathie, mijnheer de minister-president!

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER DAVID MARTIN
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Maes (Verts/ALE). - Voorzitter, als vertegenwoordiger van de volkeren en van de regio's zien wij Zweden als een bondgenoot in de verdediging van dingen die ons dierbaar zijn, zoals de verscheidenheid in talen en culturen, maar als u spreekt over meer betrekken van de nationale parlementen zouden wij gelijke aandacht willen voor de instellingen van onze constitutionele regio's, van onze regeringen. Wij wensen dat onze regio's rechtstreeks zouden kunnen dialogeren, bijvoorbeeld om het verschil in werkgelegenheid dat tussen verschillende regio's en één lidstaat kan bestaan, op te heffen.

Wij verwelkomen Zweden als een ecologisch vriendelijk voorzitterschap, maar Zweden zou in totale contradictie zijn met zichzelf indien het MOX-brandstof zou versturen naar Sellafield. Dit in tegenspraak met de ondertekening van OSPAR, waarbij iedereen wordt opgeroepen de non-reprocessing option te verdedigen.

Ten slotte, de uitbreiding. Wij zien niet alleen primordiaal voor die uitbreiding het acquis communautair op materieel gebied, wij vragen vooral aandacht voor dat ethisch acquis. Op de eerste plaats voor democratie, respect voor de mensenrechten en de minderheden, opdat Europa echt een gemeenschap van waarden zou kunnen zijn, kortom een Gemeenschap.

 
  
MPphoto
 
 

  Blokland (EDD). - Mijnheer de Voorzitter, het Zweedse werkprogramma is een fraai werkstuk, maar de concrete uitwerking ontbreekt nog. Hoe gaat het Zweedse voorzitterschap dit ambitieuze werkprogramma realiseren? Naast de Zweedse prioriteiten wachten ook nog alle onderwerpen die het Franse voorzitterschap heeft laten liggen.

De eerste keer dat Zweden het voorzitterschap van de Europese Unie uitoefent, heeft het terecht uitbreiding gekozen als belangrijke prioriteit. Maar wordt niet al te optimistisch aangekeken tegen de bereidheid binnen de Europese Unie om de kandidaat-landen toe te laten? Het niet noemen van data voor toetreding getuigt van gezond realisme, aangezien dit bepaald wordt door de toetredingscriteria. Het is belangrijk dat de kandidaat-landen een betere toekomst wordt geboden in vrijheid. Verhoging van werkgelegenheid in de toetredende landen is daarbij noodzaak evenals bevordering van duurzame ontwikkeling door milieuvriendelijke technologie. Het streven om het komende halfjaar zoveel mogelijk onderhandelingshoofdstukken met kandidaat-landen af te sluiten, is goed.

Wij dienen echter wel te bedenken dat de interne markt in de uitgebreide Unie effectief moet blijven functioneren. Speciale aandacht wil ik vragen voor de implementatie van milieurichtlijnen. Hoe gaat het voorzitterschap in de uitbreidingsonderhandelingen om met de richtlijnen die in de huidige lidstaten langdurig niet correct worden uitgevoerd?

Ten slotte, zeer positief is het voornemen om milieu te integreren in ander beleid zoals belasting op energie. Deze integratie is een goed uitgangspunt voor het zesde milieu-actieprogramma evenals de concrete doelen en indicatoren die in dit programma opgenomen zullen worden. Hoe dit echter met de voorgestelde liberalisering van de WTO is te combineren, is mij echter nog onduidelijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Van Velzen (PPE-DE). - Voorzitter, Zweden is terecht trots op zijn beleid om gelijke rechten voor mannen en vrouwen in de praktijk te bewerkstelligen. U kunt zich voorstellen dat ik met enige verwondering heb gekeken naar die lange stoet in uw gevolg die alleen maar uit mannen bestaat.

Een wezenlijk onderdeel van uw betoog is dat de burger op de eerste plaats moet staan in de Europese Unie. Nu kom ik uit een land dat graag de slogan hanteert: "geen woorden, maar daden" en u heeft binnenkort de kans. Er ligt namelijk een verordening op tafel die de toegang regelt tot documenten van de Raad, de Commissie en het Parlement. Ik heb een vijftal vragen aan u.

Eerste vraag: wat gaat u doen met het zwaar bekritiseerde Commissievoorstel op dat terrein?

Tweede vraag: gaat u het huidige Franse Raadsvoorstel drastisch aanpassen in de richting van meer transparantie?

Derde vraag: bent u bereid een vliegende start te maken om de Raadswerkgroepen bijeen te brengen, opdat er zo snel mogelijk een overeenstemming gaat komen met het Europees Parlement?

Vierde vraag: durft u een revolutie aan, om de Raadsdocumenten nu al op Internet te zetten, zodat u transparantie in de praktijk kunt gaan toepassen?

Vijfde vraag: vindt u dat Europese burgers minder rechten hebben op openbaarheid ten opzichte van de Brusselse administratie, dan Amerikaanse burgers hebben ten opzichte van hun administratie in Washington?

Ten slotte een laatste vraag: durft u het aan om met betrekking tot post-Nice een zelfproces van openbaarheid te scheppen zoals dat ook nu juist door de Commissievoorzitter naar voren is gebracht? Wat is daarop uw antwoord? Ik denk, mijnheer de voorzitter van de Raad, dat het van groot belang is dat wij niet alleen hele mooie woorden horen, maar vooral wat zijn uw daden?

 
  
MPphoto
 
 

  Rocard (PSE).(FR) Mijnheer de fungerend voorzitter, ik wens Zweden veel succes met zijn eerste voorzitterschap. Wij kunnen ons vinden in uw prioriteiten. Zo hechten wij evenveel waarde als u aan het vraagstuk van de uitbreiding. De uitbreiding moet een succes worden. Laten we in godsnaam niet vergeten dat ze alleen kan slagen als we onze interne aangelegenheden op orde hebben. Het legaat van Nice is slecht. U zult hier daarom werk van moeten maken.

Uw tweede prioriteit heeft betrekking op de werkgelegenheid. In mijn tijdelijke functie in dit Parlement houd ik mij met dit vraagstuk bezig. Wij hadden in de Unie vijf jaar de tijd om een grote interne markt voor te bereiden, maar wij beschikten toen wel over dwingende wettelijke bepalingen. Hetzelfde kan gezegd worden over de invoering van de euro. Wij moeten nu aan een nieuwe uitdaging het hoofd bieden, namelijk de verbetering van de werkgelegenheid. Tijdens de Top van Nice werd zelfs fluisterend gesproken over de terugkeer naar de volledige werkgelegenheid en het Parlement kon zich hierbij aansluiten. Zonder dwingende wettelijke bepalingen denken wij echter niet dat deze doelstelling bereikt kan worden. Wij moeten dus zorgen voor een betere onderlinge afstemming en meer overredingskracht. Voor de Europese Unie betekent dat in eerste instantie een betere coördinatie tussen enerzijds het macro-economisch en vooral ook macrofinancieel beleid en anderzijds het werkgelegenheidsbeleid. Mijnheer de voorzitter, u zult in het voorjaar de nieuwe Europese Raad mogen voorzitten. Op deze Raad zullen voor de eerste keer de algemene macro-economische doelstellingen naast die van de werkgelegenheid worden gelegd. U zult bij deze gelegenheid een precedent kunnen scheppen door deze twee grootheden met elkaar te vergelijken en de regeringen te confronteren met resultaten en niet alleen met intenties. De coördinatie van de verschillende facetten van het Europese beleid zal met name voor de werkgelegenheid gunstig moeten uitpakken. Ons concurrentiebeleid is een van onze best gedefinieerde en best functionerende beleidsvormen. Waarom zou dit beleid alleen gericht mogen zijn op verbetering van het concurrentievermogen? In deze tijd vinden overal fusies en herstructureringen plaats. Wat is de meerwaarde hiervan in termen van werkgelegenheid en groei? De Commissie past de huidige criteria toe, maar de Raad zou er goed aan doen om meer evenwichtige criteria op te stellen. De concurrentie moet ook de werkgelegenheid ten goede komen. Bij de herziening van haar procedures voor overheidsopdrachten en de ordening van haar diensten van algemeen belang dient de Europese Unie zorg te dragen voor de coördinatie van het interne beleid. Ik heb nog een aantal andere vragen, maar zie dat mijn tijd verstreken is. Dit Parlement, mijnheer de voorzitter, is een plek waar nauwelijks gesproken wordt. U zult hieraan gewend raken en het zal u niet echt raken. Het gaat mij echter wel aan het hart.

 
  
MPphoto
 
 

  Olsson (ELDR). - (SV) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Raad, ik wil minister-president Persson feliciteren met het ambitieuze en resultaatgerichte programma. Ik hoop dat het betekent dat de Europese Unie vooruitgang boekt en dat men in Zweden een beter beeld van de Unie krijgt.

Van de kwesties die de burgers aangaan, is de voedselveiligheid momenteel een van de belangrijkste. Ik heb opgemerkt dat de minister-president zijn twijfel heeft uitgesproken over het eten van vlees vanwege de manier waarop er met dieren en vlees wordt omgesprongen. Hoewel ik boer ben geweest en een verstokt vleeseter ben, heb ik op dit moment begrip voor mensen die zo denken.

Het Parlement zal een standpunt innemen over een tachtigtal richtlijnen inzake voedselveiligheid. We beginnen nu met de behandeling van het voorstel voor een Europese voedselautoriteit. Ik zou graag willen weten wat het standpunt van de minister-president is over een dergelijke autoriteit.

Een gemeenschappelijke markt vereist gemeenschappelijke regels en controles en een gemeenschappelijk sanctiesysteem als de regels worden overtreden. Een dergelijk geheel vereist meer dan de voorgestelde voedselautoriteit. Ik ben van mening dat dit in samenwerking met het Veterinair Bureau van de Europese Unie in Dublin en de Commissie moet functioneren. Voor een gelijkwaardige voedselveiligheid in de hele Unie zouden in het krachtveld van een dergelijke driehoek advies, risicobeoordeling, risicobeheer en sancties onder het huidige regelgevingskader kunnen vallen. Ik hoop dat het voorzitterschap dit idee steunt.

 
  
MPphoto
 
 

  Schörling (Verts/ALE).(SV) Mijnheer de Voorzitter, vertegenwoordigers van de Raad en de Commissie, geachte collega's, dat het Zweedse voorzitterschap een hoge prioriteit geeft aan het milieu is verheugend en noodzakelijk. Bovendien brengt het verplichtingen met zich mee.

Om de negatieve ontwikkeling van de verslechtering van de leefomgeving een halt toe te roepen zijn radicale politieke besluiten nodig, dat wil zeggen een trendbreuk. De verwachtingen zijn hoog gespannen gezien de uitspraak van de voorzitter van de Raad Persson dat duurzame ontwikkeling op de agenda van de Europese Unie zal leiden tot een groene strategie voor de eenentwintigste eeuw. Dat betekent ecologische spelregels voor de economie, milieu-integratie op alle andere beleidsterreinen en het introduceren van noodzakelijke regulerende maatregelen. Daarom is het onbegrijpelijk dat de Zweedse regering zich verzet tegen milieuheffingen op het niveau van de Unie zoals minimumniveaus voor kooldioxide- en energieheffingen. Waarom was men hierop tegen in Nice?

Een andere, uiterst actuele kwestie is hoe het Zweedse voorzitterschap de opdracht denkt uit te voeren die hij heeft meegekregen uit Nice om een strategie te formuleren voor de politieke toekomst van de Europese Unie. U, mijnheer de voorzitter van de Raad, bent immers, evenals een groot deel van de bevolking in de lidstaten, tegen een federalistische ontwikkeling van de Unie. Hoe ziet u de toekomstige verdeling van de bevoegdheden en de subsidiariteit?

Hoe wil de voorzitter van de Raad de Zweedse ongebondenheid en neutraliteit handhaven tegelijk met de opdracht om tijdens het voorzitterschap de militaire capaciteit van de Europese Unie nog verder te vergroten?

Tot slot wil ik het Zweedse voorzitterschap succes toewensen!

 
  
MPphoto
 
 

  Salafranca Sánchez-Neyra (PPE-DE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats wil ik het Zweedse voorzitterschap van de Raad veel succes wensen.

Zoals de fungerend voorzitter van de Raad weet, is het voorzitterschap meer dan het verdedigen van het nationale belang. Het is vooral zoeken naar een consensus voor de vooruitgang van het project van de Europese Unie. Deze vooruitgang is alleen mogelijk wanneer de drie instellingen, de Raad, de Commissie en het Parlement, in harmonie samenwerken. Wat dat betreft is uw aanbod van samenwerking met het Parlement een hele geruststelling, vooral in het licht van de beweringen van de heer Poettering dat u de Commissie een instelling met een ernstig democratisch tekort genoemd zou hebben en dat het Parlement volgens u, na de lage opkomst bij de verkiezingen van 1999 in uw land, beter ontbonden zou kunnen worden. Ik weet niet of deze beweringen kloppen, mijnheer de voorzitter, maar ik denk dat enige opheldering hierover geboden is.

U sprak over het Europa van de waarden en zei dat wij het systeem van het Handvest van de grondrechten naar derde landen zouden moeten exporteren. Ik weet niet wat u hier precies mee wilde zeggen. Moeten wij van derde landen waarden eisen die wij onszelf niet hebben kunnen opleggen? De meest logische interpretatie zou zijn dat u een fervent voorstander bent geworden van een bindende toepassing van het Handvest van de grondrechten en wellicht bereid bent om het in de Verdragen op te nemen.

Aan het begin van uw interventie sprak u over het project van de Europese Unie, die u omschreef als een gemeenschap van welvaartsstaten. Ik wil u echter zeggen dat deze interpretatie van welvaart, van het Europa van het tastbare, van de klinkende munt, van de netto-ontvangers en het positieve saldo een weliswaar legitieme, maar onvolledige visie op Europa is. Het Europa van de welvaart moet ondergeschikt zijn aan het Europa van de waarden. De Europese Unie belichaamt een oproep tot vrede, wederzijds begrip, eendracht en solidariteit. Wij hopen dat het voorzitterschap dit niet zal vergeten.

 
  
MPphoto
 
 

  Persson, Raad. – (SV) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, geachte afgevaardigden, ik kan uiteraard geen commentaar geven op alle standpunten. Ik kan echter wel enkele hoofdlijnen in de meeste bijdragen ter sprake brengen. Uiteraard ga ik niet in op zaken die met de Zweedse binnenlandse politiek te maken hebben, aangezien we dergelijke aangelegenheden in andere contexten kunnen behandelen, maar ik richt mijn aandacht op de grote Europese vraagstukken.

Ik merk dat verschillende vertegenwoordigers, en niet in de laatste plaats de vertegenwoordigers van de grote fracties, zich graag samen met het voorzitterschap sterk willen maken voor meer transparantie. Een kwestie waarover binnen de Unie, zoals iedereen weet, meerdere visies bestaan en waarvan de behandeling de komende maanden moeilijk en gecompliceerd zal zijn. Om vertrouwen in de Europese Unie, in de politiek en in de instellingen op te bouwen, menen we echter dat het een centrale voorwaarde is dat er openheid heerst, dat mensen de afhandeling van kwesties kunnen volgen, dat er verantwoording geëist kan worden en dat debatten mogelijk zijn. Daardoor kan er een Europese politieke ruimte gecreëerd worden waar een discussie te voeren is, en dat is weer een voorwaarde voor de opbouw van instituten die op hun beurt weer voor een grotere democratische legitimiteit zorgen. Wat de heer Poettering, de heer Barón Crespo en anderen daarover hebben gezegd, is op dat punt natuurlijk uitstekend, en ik neem het dan ook ter harte.

Velen hebben de uitbreiding genoemd, en niet in de laatste plaats de heer Barón Crespo in zijn krachtige, visionaire bijdrage. De geachte afgevaardigde Malmström vroeg me of we ook kunnen zeggen wanneer het eerste land tot de Unie toetreedt. Dat wil ik wel, en dat willen wij wel, maar we geven dat niet aan. Dat debat voeren we niet voordat we weten of de onderhandelingen over de inhoud die nog gevoerd moeten worden ook daadwerkelijk succesvol zijn. Ik geloof dat we een verkeerd signaal zouden geven wanneer we een bepaald geval zouden noemen op het moment dat de eerste kandidaat-landen lid van de Unie moeten worden. Dat zou een verkeerd signaal zijn, omdat we eerst willen weten of de moeilijke onderhandelingen die nog voor ons liggen een doorbraak zullen betekenen. Een dergelijke doorbraak kan plaatsvinden tijdens het Zweedse voorzitterschap, en in dat geval kunnen we in Göteborg wel een datum aangeven. Ik hoop dat het zo verloopt. Ik wil het wel, maar ik ben er niet zeker van.

Als we het over de grote kwesties en de uitbreiding hebben, zijn we het kennelijk vrijwel eens. Het Europees Parlement geeft de uitbreiding de grootst mogelijke steun. Het is meer het project van het Europees Parlement dan van welke andere instelling ook. Het Parlement heeft zich voor de uitbreiding sterk gemaakt. Het mag duidelijk zijn: er is me veel aan gelegen dat het Verdrag dat we in Nice ondertekend hebben, goedgekeurd kan worden, want anders kan de uitbreiding niet doorgevoerd worden. Ik hoop dat we de meningsverschillen over de inhoudelijke kwesties tussen de Commissie, de Raad en het Parlement kunnen oplossen, zodat we vooruitgang boeken in het uitbreidingsvraagstuk. De uitbreiding is onze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, een historische mogelijkheid om de verdeling van Europa in oost en west een halt toe te roepen.

Ik ben van mening dat, zoals de heer Andersson ook al in zijn bijdrage aangaf, het Verdrag van Nice – ondanks zijn fouten en tekortkomingen – een opening biedt voor de uitbreiding. Dat mag niet onvermeld blijven.

Verschillende afgevaardigden hebben in hun bijdrage ook het milieuvraagstuk aangeroerd. Wat mevrouw Hautala en anderen naar voren hebben gebracht, waardeer ik zeer. Ik ben van mening dat het milieuvraagstuk niet als een rem op de economische ontwikkeling gezien moet worden, maar juist als een stuwende kracht. Alle grote milieuproblemen waar we thans mee te maken hebben, lossen we met nieuwe technieken op. Daar ben ik van overtuigd. Ik ben er eveneens van overtuigd dat we die technieken in de praktijk al kennen; die zijn nu al beschikbaar. We weten wat we redelijkerwijs zouden moeten doen. Als onze medeburgers zien wat er gaande is, bijvoorbeeld in de klimaatkwestie, en we kunnen het niet eens worden over wat voor gemeenschappelijke reactie dan ook, zal dat natuurlijk het vertrouwen in onze instellingen schaden. Ik denk dan ook dat de topontmoeting in Göteborg een belangrijk uitgangspunt wordt om te laten zien hoe we op een succesvolle manier, met inspanningen op politiek niveau, een impuls kunnen geven aan nieuwe technieken, onderzoek, ontwikkeling en vertrouwen in het menselijk vermogen. Als dat lukt, komen we ook op kop te liggen als het gaat om technologische ontwikkeling die noodzakelijk is voor een goede concurrentiepositie van Europa. Zie het milieu als een stuwende kracht, niet als een rem en een droom van vervlogen tijden. Zie het milieu als een visionaire bijdrage aan een beter en moderner Europa. Die insteek moeten we kunnen hebben, met daarnaast het verdienstelijke werk dat commissaris Wallström heeft verricht, in het kader van haar milieuactieprogramma, voor vraagstukken omtrent chemicaliën en de regulering daarvan. Tel dat alles bij elkaar op, en dan moeten we in Göteborg een veelbelovend resultaat kunnen boeken. Ik heb kennis genomen van wat hier over het milieuvraagstuk is gezegd, en ik deel uw opvattingen in hoge mate.

Werkgelegenheid valt in veel opzichten nog altijd onder de verantwoordelijkheid van de nationale parlementen, en dat zal in de nabije toekomst zo blijven. In de open manier van coördinatie van het proces van Lissabon hebben we een manier gevonden om gezamenlijk de ontwikkeling in de Unie vorm te geven. Ik ben het geheel eens met de opvatting van de geachte afgevaardigde Rocard: als we nog dichter in de buurt van volledige werkgelegenheid willen komen, moet de macro-economische discussie een steeds centralere plaats krijgen. Of, eenvoudiger gezegd: hoe kunnen we het feit dat we in een Europese Unie samenwerken uitbuiten, bijvoorbeeld om de economische groei verder te stimuleren? We zitten in een situatie waarin we niet kwetsbaar zijn voor prikkels. Een land afzonderlijk is kwetsbaar, maar een unie van landen is dat niet. Dat moeten we bespreken, en dat is – ik geef het toe – met name het geval voor de landen die al een samenwerking rond de euro zijn aangegaan. Die hebben meer mogelijkheden om hun situatie uit te buiten of stimulansen te geven voor een krachtiger economische groei, en daarmee meer werkgelegenheid. Ik ben ervan overtuigd dat het in de groep eurolanden tot dergelijke discussies zal komen. De werkzaamheden die de kern van de Unie uitmaken, hebben immers te maken met de toetreding tot de interne markt en de communautair juridische aanpak in de geest van Monnet. Die kern bestaat reeds. Wat erbij is gekomen, is samenwerking op een ander gebied, bijvoorbeeld wat we het proces van Lissabon noemen. Er zijn verschillende uitingsvormen. Welke weg we ook voor de samenwerking inslaan, dezelfde eisen van openbaarheid en transparantie blijven gelden. Ik wil geen situatie waarin we als staten onder elkaar, of regeringen onder elkaar, discussies voeren die besloten of geheim zijn, of geen inzage toelaten. Welke methode we ook toepassen, transparantie is fundamenteel.

Er zijn veel andere dingen gezegd waar ik veel voor voel. Er zijn echter twee bijdragen die ik opvallend vind, die een bijzonder karakter hebben, die politiek centraal staan en die ik zeer zeker ter harte neem. Wat de heer Olsson opmerkt over het levensmiddelenbeleid, de kwaliteit van voedsel en de gerechtvaardigde behoefte van consumenten aan bescherming en hernieuwd vertrouwen, ligt in volledig in lijn met mijn eigen gedachten over het standpunt van het voorzitterschap.

De heer Olle Schmidt had het over het vluchtelingenbeleid, over een genereuze houding van de kant van de Unie ten opzichte van mensen die bij ons veiligheid en bescherming zoeken. De Overeenkomst van Genève zal uiteraard altijd ten grondslag liggen aan een dergelijke discussie, maar we moeten daarbovenop ook doelen stellen. Als rijk deel van een internationale gemeenschap moeten we dat daadwerkelijk op ons kunnen nemen. Gemeenschappelijk, niet ieder voor zich. Dat zijn doelstellingen waarover we terdege gesprekken en discussies moeten kunnen voeren, en waarmee we als Unie vooruit kunnen komen. Ik sympathiseer sterk met wat de heer Olle Schmidt heeft gezegd in zijn uiteenzetting over een humanitair vluchtelingenbeleid.

Laat ik bij wijze van afsluiting opmerken dat we ons van de kant van het Zweedse voorzitterschap vaak in uw mooie gebouw zullen bevinden om gesprekken en discussies te voeren. Maar we zien ook graag dat u contact met ons zoekt. We zien u dan ook graag als gasten in ons enigszins afgelegen en koude land, dat bij die gelegenheid blijk zal geven van warmte en gemeenschapszin, dat kan ik u garanderen. Welkom! Ik kijk uit naar samenwerking met alle fracties in het Parlement gericht op de ontwikkeling van de Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Ranzio-Plath (PSE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil het voorzitterschap van de Raad bedanken dat hij de Top in Stockholm zo positief benadert en economische duurzaamheid wil bewerkstelligen in het belang van volledige werkgelegenheid, economische hervormingen, innovatie en de toekomstperspectieven van de Europese Unie. Wij hebben in Stockholm geen behoefte aan een deregulerings-top. Wij hebben een topontmoeting nodig die duidelijk maakt op welk niveau in de Europese Unie alles het beste geregeld kan worden. Alleen op die manier kunnen we ervoor zorgen dat er daadwerkelijk vooruitgang wordt geboekt in het functioneren van de interne markt; niet alleen in het belang van de economie, maar ook van de mensen, van onze werknemers.

Daarom zou ik ook graag een verzoek aan het Zweeds voorzitterschap willen richten: Indien u naar meer transparantie en democratie streeft - met name wat de coördinatie van het economisch beleid betreft - vraag ik u om daarmee een begin te maken door het Europees Parlement bij de macro-economische dialoog, bij alle initiatieven en bij de uitwerking van de hoofdlijnen van het economisch beleid te betrekken!

Wij zullen onze voorstellen in eerste instantie via een wetgevingsprocedure presenteren. Dan zullen we merken of het Zweedse voorzitterschap deze voorzet voor het wegwerken van het democratisch tekort ook daadwerkelijk inkopt en in kleine stappen op pragmatische wijze probeert om hiervoor een oplossing te vinden. Dat is een diep gekoesterde wens van het Europees Parlement, dat al sinds 1994 pleit voor een adequate interinstitutionele overeenkomst op dit gebied.

Ik doe een beroep op het voorzitterschap om consequent door te gaan met het proces dat we in Lissabon in gang hebben gezet door aan alle beleidsterreinen die daar aan de orde zijn geweest dezelfde prioriteit te blijven geven. Dat wil zeggen dat we daadwerkelijk een adequate en afdoende beleidsmix creëren zodat we aan de hand van duidelijke tijdschema's en kwalitatieve kenmerken een beleid kunnen uitvoeren dat gericht is op sociale integratie, volledige werkgelegenheid en economische hervormingen. Dat geldt ook voor het financiële beleid, omdat we ook via het investeringsbeleid duidelijk moeten aantonen dat de samenwerking op Europees niveau - door te investeren in mensen én in infrastructuren - voor de mensen in Europa een meerwaarde oplevert.

Ik heb nog een laatste opmerking voor het Zweedse voorzitterschap. Op uw schouders rust onze hoop dat onze burgers de invoering van de euro, waarover de meeste mensen zich grote zorgen maken, zonder angst tegemoet kunnen zien. Om dat te bereiken, dient u nauw met het toekomstige Belgische voorzitterschap samen te werken en alle betrokkenen op het platteland en in de steden en hoofdsteden te mobiliseren. De euro is namelijk een moedig, historisch project dat echter alleen kan slagen als iedereen op dezelfde lijn zit!

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Beazley (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, zoals u eerder in het debat van onze fractievoorzitter heeft gehoord, heeft de Europese Volkspartij vorige week Berlijn bezocht. Voordat we daarheen vertrokken, ben ik met enkele collega's naar Potsdam geweest waar, zoals bekend, de conferentie heeft plaatsgevonden tussen president Truman, premier Churchill - die vreemd genoeg halverwege de conferentie werd vervangen door de heer Atley - en maarschalk Stalin. Zij besloten daar tot de opdeling van Europa, hetgeen al in Jalta was besproken. Zoals we tijdens het debat hebben kunnen horen, mogen we veel verwachten van het Zweeds voorzitterschap, namelijk dat we binnen een half jaar het herstel van een verenigd Europa zullen zien. Ik denk echter dat de tijd van retoriek voorbij is en dat we nu allemaal graag resultaten willen zien. Ik zou de volgende vier vragen graag doorgegeven willen zien aan het Zweeds voorzitterschap.

Allereerst, is het Zweeds voorzitterschap van plan een raad of een speciale vergadering bijeen te roepen waarbij regeringsvertegenwoordigers van de kandidaat-lidstaten welkom zijn, niet alleen om de onderhandelingen te vergemakkelijken maar ook om een belangrijk signaal aan het publiek te geven dat uitbreiding niet slechts een politieke oefening is, een fata morgana, een doel dat altijd ver verwijderd blijft, maar dat we echt de vooruitgang boeken die vereist is?

Ten tweede, kunnen de bureaucratische onderhandelingen in toom worden gehouden door van het verleden te leren? Het lijkt in zekere zin ook vreselijk ingewikkeld. Door de wijze waarop het uitbreidingsproces wordt gepresenteerd lijkt het of landen zich enkel moeten aanpassen aan een of ander technisch acquis. Wellicht wordt hierbij voorbijgegaan aan specifieke problemen waarvoor de Baltische republieken en andere landen van Midden- en Oost-Europa zich gesteld zagen toen het Sovjetsysteem verleden tijd werd.

Een vraag over het tijdschema dat we ons gesteld hebben. Is het Zweeds voorzitterschap van mening dat hiervoor een overgangsperiode nodig is? En, als laatste vraag, kunnen wij de toezegging krijgen dat er op de weg van de kandidaat-lidstaten geen nieuwe obstakels zullen worden geplaatst?

Vandaag is het duidelijk de dag van Zweden geweest. We hopen allemaal van harte dat het over een half jaar in Gotenburg wederom de dag van Zeden zal zijn en daarnaast ook de dag van Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Myller (PSE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, ik heet het Zweedse voorzitterschap van harte welkom, hoewel men op de Zweden niet jaloers hoeft te zijn vanwege de situatie waarin zij het voorzitterschap beginnen. Wij hebben immers de misschien wel meest chaotische Top in de geschiedenis van de Europese Unie achter de rug. Bepaalde zaken worden nog tot aan de ratificatie van het verdrag behandeld en dat geeft in geen geval een mooi beeld van de werkwijze op topbijeenkomsten en ook niet van de werkwijze van de Raad. Daarom moet met volle tevredenheid worden opgemerkt dat het Zweedse voorzitterschap heeft laten blijken de werkwijze van de Raad opener te wil maken.

Het werkprogramma van het Zweedse voorzitterschap is omvattend en ambitieus en het werd ook tijd dat milieukwesties in een ruim perspectief centraal kwamen te staan in het debat in de Europese Unie. Het voor de Europese Unie op te stellen programma voor duurzame ontwikkeling, dat als onderdeel van het Rio Plus-proces op de Top van Göteborg zal worden aangenomen, zal alle elementen van duurzaamheid moeten omvatten die het voorzitterschap tot prioriteit heeft gemaakt. Naar mijn mening staan de drie E's voor die duurzaamheid garant.

Ik ben echter enigszins bezorgd, en nu richt ik mij tot de Commissie, over het tijdschema waarmee zaken voor bijvoorbeeld de Top van Göteborg worden voorbereid. Hoe is het met dit tijdschema mogelijk dat het Europees Parlement volledig kan deelnemen aan bijvoorbeeld het opstellen van een programma voor duurzame ontwikkeling. Ik wil het voorzitterschap bedanken voor het feit dat de Noordse dimensie erbij betrokken wordt. En dan nog een vraag aan de Commissie: Hoe garandeert men voldoende ressources, bijvoorbeeld personeelscapaciteit, zodat het beleid in het kader van de Noordse dimensie ook door de Commissie wordt voortgezet?

 
  
MPphoto
 
 

  Wijkman (PPE-DE).(SV) Mijnheer de Voorzitter, ik wil het Zweedse voorzitterschap en zijn programma, dat veel goede prioriteiten omvat, eveneens verwelkomen. Evenals een aantal sprekers van vandaag maak ik me zorgen over de tendens om het interstatelijke model vaak en sterk te benadrukken ten koste van wat we meestal the community approach noemen, dat wil zeggen een model dat inhoudt dat de Commissie een sterkere rol en een grotere betekenis wordt toegekend.

Ik heb er notitie van genomen dat de minister-president transparantie garandeert, welk model er ook gekozen wordt, maar de kwestie omvat uiteraard meer dan dat. De interessante bijdrage van Commissievoorzitter Prodi bevestigt de uitdagingen die ons te wachten staan.

Ik heb met interesse naar het commentaar van de minister-president op milieugebied geluisterd. Het klinkt goed, maar er is een probleem: de meeste milieuproblemen van vandaag de dag zijn direct gekoppeld aan het energieverbruik, en het probleem is dat Europa op dit moment geen energiebeleid kent. De lidstaten hebben niet eens overeenstemming kunnen bereiken over een gemeenschappelijke heffing op kooldioxide. De Zweedse regering heeft zich voor een dergelijke heffing uitgesproken, maar alleen als daartoe unaniem besloten wordt, wat erop neerkomt dat er helemaal geen besluit genomen wordt. Tien jaar lang is de kwestie geblokkeerd door afzonderlijke regeringen. Waarom denken de minister-president en de regering dat het nu wel zou kunnen lukken? Zonder een heffing op kooldioxide kan de Europese Unie niet aan de eisen van het Kyoto-protocol voldoen. Verder wordt de strategie voor een duurzame ontwikkeling die in Göteborg behandeld zal worden, wel erg wankel als de Unie de energievraagstukken niet als geheel aanpakt. Commissaris Prodi heeft de kwestie zeer verdienstelijk naar voren gebracht, evenals een aantal andere sprekers. De vraag is of de Zweedse regering bereid is de kwestie te heroverwegen.

Tot slot wil ik zeggen dat ik, net als de heer Olle Schmidt, graag een vierde “E” had gezien – een “E” voor empathie. Die zou dan niet alleen de vluchtelingenvraagstukken betreffen, maar ook de betrekkingen met de derde wereld.

De Tobin-taks is hier vandaag ook genoemd, maar ik denk niet dat het mogelijk is die door te voeren. We kunnen meer geld voor mondiale problemen vergaren als we ervoor zorgen dat alle lidstaten van de Europese Unie voldoen aan de eis om 0,7 procent van het BNP aan steun te spenderen. En daarbij moeten we, zoals mevrouw Carlsson al zei, de invoerrechten op producten uit de derde wereld verlagen! Is de Zweedse regering bereid om in die geest te werk te gaan?

 
  
MPphoto
 
 

  Von Wogau (PSE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de Raadsvoorzitter, geachte collega's, in dit debat is heel duidelijk naar voren gekomen dat de meerderheid van de Europese Parlementsleden teleurgesteld is over het resultaat van Nice. De eigenlijke reden hiervoor is dat transparantie en democratie binnen de Europese Unie in Nice de dupe zijn geworden. Wat is er gebeurd? Wij worden geconfronteerd met het feit dat er op steeds meer gebieden een gekwalificeerde meerderheid in de Raad te vinden is die haar zin doordrijft. Dat maakt controle door de nationale parlementen onmogelijk, omdat de besluiten daarvan namelijk door de vereiste meerderheid in de Raad ongedaan gemaakt kunnen worden.

Helaas is die democratische controle door de nationale parlementen niet vervangen door die van het Europees Parlement en helaas ook niet door de medebeslissing van het Europees Parlement. Naar mijn overtuiging is dat de essentiële zwakke plek van het besluit van Nice.

Mijnheer de voorzitter van de Raad, Zweden heeft een grote traditie op het gebied van transparantie en democratie. Ik ben ervan overtuigd, en ik verwacht ook niet anders, dat wij steun krijgen van het Zweedse voorzitterschap bij ons streven om deze fout van Nice te corrigeren en de legitimiteit van de democratische besluitvorming in de Europese Unie weer te verbeteren.

Ik zou graag nog een tweede punt aan de orde willen stellen. Tijdens het Zweedse voorzitterschap moet de voorbereiding van de invoering van de euro plaatsvinden. Dat betekent een voorbereiding van de invoering van munten en bankbiljetten in twaalf landen van de Europese Unie. De vraag die zich voortdurend aan ons opdringt, luidt: Wie vertegenwoordigt de euro naar buiten toe? Ik vindt dat de Europese Commissie dat intensiever zou moeten doen dan tot nu toe gebeurd is. Het Franse voorzitterschap heeft ons op dat vlak een duidelijk antwoord gegeven en wel dat de voorzitter van de twaalf eurolanden naar buiten toe als vertegenwoordiger optreedt. Dat leidt echter weer tot een paradoxale situatie. Bij algemene kwesties over het economisch beleid treedt de Zweedse minister van Financiën op als aanspreekpunt voor de Europese Unie. Betreft het de euro, het valutastelsel, dan wordt deze taak uitgevoerd door de Belgische minister van Financiën. Daar snappen we hier in het Europees Parlement al niks van, dus hoe zouden de burgers van de Europese Unie dat kunnen begrijpen? Hoe zouden de markten dat kunnen begrijpen? Op dit gebied moeten we alles ondernemen om een zinvolle oplossing te realiseren!

U kunt daartoe een belangrijke bijdrage leveren, geachte minister van Buitenlandse Zaken, als u erin slaagt om uw landgenoten ervan te overtuigen dat de euro een goed project is, dat de euro intern stabiel is en naar buiten toe ook steeds stabieler wordt. U moet de Zweedse bevolking ervan overtuigen om deel te nemen aan deze unieke krachttoer op het gebied van de Europese integratie. Als dat lukt, draagt u er mede toe bij dat ook de burgers voor dit aspect van de Europese Unie meer begrip kunnen opbrengen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER PUERTA
Ondervoorzitter

 

7. Vragenuur (Raad)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het vragenuur voor vragen aan de Raad (B5-0001/2001).

Vraag nr. 1 van Maj Britt Theorin (H-0952/00):

Betreft: Topbijeenkomst EU/China

De Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) meldt in een nieuw verslag dat de Chinese vrouwenhandelsmafia zeer goed is georganiseerd en dat vrouwen op markten in heel China worden verhandeld. Ook zijn de winsten relatief groot (vaak meer dan 30.000 euro) en het IOM geeft uiting aan zijn verontrusting over een dramatische toename van de Chinese vrouwenhandel, zowel die in het binnenland als die tussen China en voornamelijk Westeuropa.

Op de topontmoeting tussen de EU en China op 23 oktober 2000 spraken de Europese Raad en de Commissie over de kwestie van de verantwoordelijkheid voor de repatriëring van illegale Chinese immigranten. Stelde de Raad ook het probleem van de toegenomen handel in Chinese vrouwen en meisjes aan de orde?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson, Raad.(SV) De Raad heeft het als zeer positief ervaren een dialoog met China aan te kunnen gaan over migratievraagstukken, in het bijzonder als het gaat om illegale immigratie en terugzending van Chinese burgers die illegaal verblijven op het grondgebied van de lidstaten. Voorafgaand aan de topontmoeting met China heeft in Brussel een ontmoeting plaatsgevonden tussen de woordvoerder van de fungerend voorzitter van de Unie, de Commissie en een Chinese delegatie om een mogelijk samenwerkingsgebied voor de toekomst te bepalen en vast te stellen. In het bijzonder werd gesproken over de uitwisseling van gegevens tussen overheden en organisaties die zich bezighouden met kwesties als mensenhandel en illegale immigratie. Er zijn meer van dergelijke ontmoetingen gepland; de volgende vindt binnen enkele weken plaats in Peking. De voorbereidingen voor deze ontmoeting zijn momenteel in handen van deskundigen.

Zoals mevrouw Theorin ongetwijfeld weet, heeft de Europese Raad in Santa Maria da Feira zijn bezorgdheid geuit over de tragische gebeurtenissen in Dover vorig jaar en de criminele handelingen veroordeeld van mensen die van een dergelijke mensensmokkel profiteren. De Europese Raad heeft de Unie opgedragen de samenwerking te intensiveren om deze grensoverschrijdende misdaad te bestrijden. Het Franse voorzitterschap heeft gehoor gegeven aan de oproep van de Europese Raad en verschillende initiatieven voorgesteld als onderdeel van de strijd tegen de criminele netwerken die achter de mensensmokkel en -handel zitten.

Ook al is het specifieke probleem dat mevrouw Theorin noemt niet aan de orde gekomen tijdens de top van China en de Europese Unie op 23 oktober vorig jaar, toch is de Raad zich terdege bewust van het probleem van de handel in vrouwen en meisjes. Deze handel vindt niet alleen plaats in China, maar ook tussen China en bepaalde landen die niet erg ver van de Unie verwijderd zijn. Als voorzittend land heeft Zweden in het kader van de ASEM-samenwerking, waaraan ook China deelneemt, in het najaar van 2000 de kwestie van de handel in vrouwen en kinderen aan de orde gesteld. Die eerste stap heeft geleid tot een vergadering eind november vorig jaar, waaraan is deelgenomen door deskundigen op dit terrein uit Azië en Europa. De aanbevelingen van die ontmoeting zullen in mei van dit jaar gepresenteerd worden op de ASEM-bijeenkomst van ministers van Buitenlandse Zaken in Peking.

 
  
MPphoto
 
 

  Theorin (PSE).(SV) Ik zou het Zweeds voorzitterschap willen zeggen dat het me genoegen doet dat de Raad de kwestie serieus en gedegen behandelt, want het is een zeer, zeer ernstig probleem. Tienduizenden vrouwen en meisjes worden jaarlijks in China gekocht en verkocht, waarvan velen aan het Westen. De meest geliefde gebieden zijn de arme provincies. In een recent verslag heeft het IOM geconstateerd dat de overheden in het Westen zich voor grote moeilijkheden gesteld zien als ze iets aan de handel in Chinese vrouwen proberen te doen en dat deze handel drastisch toe zal nemen als er geen krachtige maatregelen getroffen worden.

Ook de vrouwenhandel in China zelf is zeer omvangrijk. Een direct gevolg van het éénkindbeleid en de voorliefde van Chinese gezinnen voor jongens is dat er vandaag de dag 70 miljoen ongetrouwde mannen in China zijn. De internationale coalitie tegen de vrouwenhandel maakt melding van bureaus die honderden vrouwen tegelijk kopen om die vervolgens te verdelen onder de alleenstaande mannen van de dorpen, omdat ongetrouwd zijn door die mannen als een schande ervaren wordt. Het is heel goed dat deze raad is opgezet na het Dover-schandaal. Ik vraag me af of de deskundige organisaties, zoals het IOM en de internationale coalitie tegen vrouwenhandel, ook deel zullen uitmaken van deze raad. In hoeverre is de Raad bereid in zijn contacten met China de vrouwenhandel in dat land aan de orde te stellen?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson.(SV) Er is alle reden om aan te nemen dat de onlangs ingestelde werkgroepen in het kader van de werkzaamheden van de Unie snel contact zullen leggen met andere internationale organisaties die zich met deze kwesties bezighouden. Het IOM is waarschijnlijk de organisatie die op dit gebied de meeste kennis in huis heeft. Ik ga ervan uit dat dergelijke contacten zeer snel tot stand zullen komen.

Verder wil ik benadrukken dat de strijd tegen de vrouwenhandel meer in het algemeen als een uiterst belangrijke kwestie in het werkprogramma van het Zweedse voorzitterschap beschouwd wordt. We willen ons graag op meerdere fronten tegelijk tegen deze afschuwelijke praktijken inzetten, dus niet alleen in China, maar wereldwijd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Daar de vraagsteller afwezig is, vervalt vraag nr. 2.

Vraag nr. 3 van David Robert Bowe (H-0956/00):

Betreft: Faciliteiten voor EU-burgers in Mekka

Overeenkomstig artikel 20 van het EG-Verdrag kan iedere EU–burger in derde landen aanspraak maken op bescherming door het consulaat van een andere lidstaat indien zijn eigen land ter plekke niet vertegenwoordigd is; welke faciliteiten biedt de EU EU–burgers in Mekka gedurende de hadj?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson, Raad. – (SV) Ik wil de geachte afgevaardigde erop attent maken dat er twee besluiten zijn goedgekeurd overeenkomstig artikel 20 van het EG-Verdrag. Het eerste betreft bijstand aan burgers van de Europese Unie door diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen. Het tweede besluit betreft maatregelen ter uitvoering van bovengenoemd besluit. Met het oog op dit besluit wordt aangegeven onder welke omstandigheden de diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten de burgers van de Unie kunnen bijstaan. Groot-Brittannië stelt consulaire diensten in Mekka ter beschikking tijdens de pelgrimstocht, de hadj. In Jeddah bevinden zich meerdere consulaten die onderdanen van de Europese Unie kunnen bijstaan tijdens de pelgrimstocht.

 
  
MPphoto
 
 

  Bowe (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de Zweedse vertegenwoordiger voor zijn antwoord, maar ik vind dat antwoord toch onbevredigend. Hij zegt terecht dat de Britse regering bepaalde soorten consulaire diensten verleent aan Britse moslims in Mekka tijdens de hadj. Deze consulaire diensten zijn echter niet beschikbaar voor moslims uit andere lidstaten van de Europese Unie, hoewel de voorwaarden van de Saoedische autoriteiten voor hen dezelfde zijn als die voor de Britse moslims. Alle burgers van de Europese Unie behoren toch een gelijke vertegenwoordiging en behandeling te krijgen, en in dat licht lijkt het wat vreemd dat er in de zojuist beschreven omstandigheden sprake is van ongelijke vertegenwoordiging en behandeling van burgers van de Europese Unie. Kan de Zweedse minister ons de verzekering geven dat hij deze zaak ter hand zal nemen en de omstandigheden zal onderzoeken waaronder dit soort ongelijke behandeling plaatsvindt, zodat alle mensen dezelfde behandeling krijgen van de consulaire diensten van de afzonderlijke lidstaten, ongeacht hun religie of nationaliteit?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson.(SV) Ik kan de geachte afgevaardigde niet alleen garanderen dat de kwestie behandeld wordt, ik kan hem ook geruststellen: zijn bezorgdheid is enigszins ongegrond. Het besluit waar ik eerder naar verwees schrijft voor dat een onderdaan van een van de lidstaten van de Unie die consulaire steun zoekt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een andere lidstaat behandeld dient te worden alsof hij onderdaan is van de lidstaat die deze ambassade of dit consulaat vertegenwoordigt. Zo hoeft er geen discriminerende situatie te ontstaan, zoals de geachte afgevaardigde vreest; iedere burger van de Unie zal overal hetzelfde behandeld worden. Ik ben ervan overtuigd dat de vertegenwoordiging van het Verenigd Koninkrijk zich in dat geval solidair opstelt en alle burgers van de Unie gelijk behandelt. Dat is althans wat wordt aangegeven in het aangenomen besluit.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 4 van Paul Rübig (H-0957/00):

Betreft: EG-etikettering -Toezicht op de markten

Is het momenteel op Europees niveau mogelijk een in voldoende mate doelmatig toezicht op de markten te waarborgen in verband met de naleving van de bepalingen inzake EG-etikettering?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson, Raad. – (SV) Er is de Raad veel aan gelegen om doelmatig toezicht op de markt te houden, zodat we er zeker van kunnen zijn dat voldaan wordt aan de fundamentele eisen in de richtlijn voor EG-etikettering, die op basis van de zogeheten nieuwe methode zijn opgesteld. Deze methode houdt een nieuwe wijze van harmonisatie in van de technische eisen die zijn vastgelegd in de richtlijn betreffende goederen.

Het toezicht op de toepassing van deze EG-etikettering van producten is een gezamenlijke taak van de Commissie en de lidstaten. Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de lidstaten om er via goedkeuring of op andere wijze op toe te zien dat deze organen aan de eisen van bekwaamheid voldoen en doelmatig functioneren. De Commissie is een centrale rol toebedeeld om de eenheid en een hoge standaard van de toezichthoudende organen te waarborgen. De toezichthoudende organen worden op nationaal niveau ingesteld, en de lidstaten melden de Commissie welke nationale organen met de controle belast zijn.

De Commissie stelt op haar beurt programma’s vast om te waarborgen dat de lidstaten het markttoezicht op homogene wijze organiseren. Met het oog op het toezicht op de nieuwe methode worden organen ingesteld en gepresenteerd door de lidstaten, zoals in het geval van de samenwerkingsgroepen voor iedere richtlijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Rübig (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, de EG-etikettering vormt een belangrijke basis voor de consumentenbescherming. Het betreft echter een puur kwantitatieve maatregel. Er hoeft alleen maar aangetoond te worden dat de bestaande Europese wet- en regelgeving in acht wordt genomen. Voor de consument is dat absoluut te weinig. De consumenten hebben ook grote behoefte aan kwalitatieve test- en certificeringsprocedures, omdat ze daarmee kunnen vaststellen of een product aan de gemiddelde normen en dus aan hun verwachtingen voldoet.

Daarom is een onafhankelijke certificering, met name op het gebied van de veiligheid, van groot belang. Het treinongeluk in Eschede heeft duidelijk gemaakt dat er grote ongelukken kunnen gebeuren als de verantwoordelijkheid voor de controle uitsluitend aan de spoorwegen voorbehouden is en er geen onafhankelijke certificering is uitgevoerd. Vindt u dat we in de toekomst meer aandacht moeten besteden aan die onafhankelijke certificering in de Europese Unie?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson.(SV) Zoals ik eerder al heb gezegd in mijn inleidende antwoord aan de geachte afgevaardigde is het in eerste instantie aan de Commissie om te waarborgen dat er eenheid bestaat in de beoordeling van de zogeheten conformiteit. Daarom zou ik voor willen stellen dat de geachte afgevaardigde zich eerst tot de Commissie wendt indien hij nadere informatie over deze kwestie wenst.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 5 van Alexandros Alavanos (H-0965/00):

Betreft: Hongerstaking van politieke gevangenen in Turkije

Tientallen politieke gevangenen in Turkije, die nu al bijna twee weken een hongerstaking voeren tot de dood erop volgt in protest tegen de onmenselijke omstandigheden in de Turkse gevangenissen, dreigt de dood. Terwijl de Raad van Europa verklaart dat martelingen nog steeds gangbare praktijk zijn op Turkse politiebureaus en Amnesty International de martelingen, de straffeloosheid en in het algemeen de schending van de mensenrechten in Turkije veroordeelt en van de Europese Unie verlangt dat zij eist dat onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan de martelingen, en niet pas in 2002-2003, zoals bepaald in het kader van de toetreding van Turkije tot de Europese Unie. Zal de Raad bij de Turkse regering stappen ondernemen om haar maatregelen te doen treffen om de toestand in de Turkse gevangenissen te verbeteren, zodat de gevangenen hun hongerstaking opgeven? Zal zij de eis van Amnesty International overnemen dat in het kader van de toetreding van Turkije tot de Europese Unie onmiddellijk een einde moet komen aan de martelingen?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson, Raad. – (SV) De Turkse regering weet naar alle waarschijnlijkheid heel goed dat de Unie er vast van overtuigd is dat de situatie in de Turkse gevangenissen verbeterd moet worden, en dat de martelpraktijken moeten worden afgeschaft. De Raad is ingenomen met het feit dat Turkije met de hervorming van het gevangeniswezen is begonnen en juicht toe dat het land bereid is samen te werken met het Europese Comité ter voorkoming van marteling. Marteling is een van grootste problemen in Turkije. De Raad heeft de kwestie ook opgenomen als prioriteit in het concept voor partnerschap voor de toetreding van Turkije, namelijk in de zin: ‘de rechtsregels versterken en alle maatregelen treffen die nodig zijn om de bestrijding van marteling te bevorderen alsmede erop toezien dat het Europese Comité tegen marteling geëerbiedigd wordt’. Dat houdt onder meer in dat de Raad van Turkije verwacht dat het land voor het einde van dit jaar nog een flinke stap voorwaarts zal zetten op dit gebied.

Wat de normen in de Turkse gevangenissen betreft heeft de Europese Unie herhaaldelijk geëist dat het gevangeniswezen in Turkije in overeenstemming is met de internationale normen. In het kader van het genoemde concept voor partnerschap met het oog op toetreding heeft de Raad in zijn prioriteiten op middellange termijn daarom de eis opgenomen dat de omstandigheden in de gevangenissen in Turkije aangepast worden aan de regels van de VN als het gaat om de minimumnormen voor de behandeling van gevangenen.

Wat betreft de mensenlevens die de ongeregeldheden in de Turkse gevangenissen de laatste tijd helaas hebben gekost en het verslag dat melding maakt van martelingen en mishandeling bij gevangenentransporten: de Unie heeft de kwestie aan de orde gesteld in haar bilaterale contacten met de Turkse overheden. Vanzelfsprekend kan de Unie marteling en mishandeling van gevangenen niet tolereren. De Turkse overheden hebben in hun contacten met de Unie alle beschuldigingen van marteling en mishandeling van de hand gewezen. De Raad blijft de situatie uiteraard nauwlettend volgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alavanos (GUE/NGL).(EL) Mijnheer de voorzitter, ook ik ben een van degenen die het Zweeds voorzitterschap met hoop tegemoet zien wat de mensenrechten betreft. Dit is immers het voorzitterschap van een land dat zijn gevoeligheid voor de mensenrechten tastbaar heeft aangetoond. Daarom ben ik ook enigszins teleurgesteld over dit “ja, maar”-antwoord van de fungerend voorzitter: “Wij houden de ontwikkelingen in de gaten; er hebben zich inderdaad nare dingen voorgedaan; natuurlijk heeft Turkije ons verzekerd dat er geen vuiltje aan de lucht is…”

Ik wilde de fungerend voorzitter het volgende vragen. U weet dat zich een tragedie heeft voorgedaan met officieel 60 en nog wat doden, met mishandelingen en mensen die in de gevangenis zitten omdat zij hun moedertaal spraken; u weet dat ongeveer 200 gevangenen nog steeds in hongerstaking zijn. Bent u als Zweeds voorzitterschap van plan een officieel initiatief te nemen, uitleg te vragen en bij de Turkse regering aan te dringen op bepaalde garanties? Zal het Zweeds voorzitterschap zich tot slot eindelijk inzetten voor de vrijlating van het parlementslid Leyla Zana, die de Sacharovprijs van het Parlement heeft gekregen?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson.(SV) Ik wil u er graag aan herinneren dat in het akkoord over het partnerschap met Turkije dat momenteel door de Raad voorbereid wordt de buitengewone voorwaarde is opgenomen dat Turkije voortdurend in de gaten gehouden wordt als het gaat om martelingen, de toestand in de gevangenissen en de mensenrechten in het algemeen. De Raad is uiteraard voornemens alle middelen die binnen het kader van dit akkoord beschikbaar zijn in te zetten om erop toe te zien dat de ontwikkeling in Turkije een kant op gaat die verenigbaar is met de gemeenschappelijke normen die we er in de Unie op na houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Sjöstedt (GUE/NGL).(SV) Een groot deel van de gevangenen in de Turkse gevangenissen moet als politiek gevangene beschouwd worden. In Turkije worden er nog steeds mensen op politieke gronden veroordeeld. Ik was zelf op 21 december vorig jaar aanwezig bij een rechtszaak in Djarbakir in het zuidoosten van Turkije, waarbij een Syrische geestelijke tot drie jaar cel is veroordeeld, enkel omdat hij over de volkenmoord tegen de Armeniërs en de Assyriërs in 1915 had gesproken. Dat was zijn enige “misdaad”, en daarvoor moest hij veroordeeld worden.

Is de Raad van plan te eisen dat er wijzigingen in de Turkse strafwetgeving worden aangebracht en is hij voornemens concrete gevallen zoals dit aan de orde te stellen, waarbij het gaat om het gevangen nemen van mensen op politieke gronden?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson.(SV) Eigenlijk kan ik de vraag van de heer Sjöstedt op dezelfde manier beantwoorden als de vorige vraag. Nu de Unie heeft verklaard dat Turkije een kandidaat-land voor het lidmaatschap is - hetgeen ze tijdens de Top in Helsinki heeft gedaan -, zijn er geheel nieuwe mogelijkheden ontstaan om de ontwikkelingen in Turkije nauwlettend te volgen en elke afwijking van de normen die voor een kandidaat-land gelden aan de kaak te stellen. Ik beschouw het daarom als een zeer belangrijke taak, met name ook tijdens het Zweedse voorzitterschap, om erop toe te zien dat de toestand in Turkije zich zodanig ontwikkelt dat het land langzaam maar zeker dichter bij de Europese familie komt te staan, zulks in concretere zin dan tot nu toe.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 6 van Jonas Sjöstedt (H-0967/00):

Betreft: Openbare zittingen van de Raad

Het Zweedse voorzitterschap stelt zich op het standpunt dat openbaarheid van de werkzaamheden van de Europese Unie van enorme betekenis is.

Hoeveel geheel openbare Raadszittingen zullen tijdens het Zweedse voorzitterschap van 1 januari tot 30 juni 2001 worden gehouden?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson, Raad. – (SV) Zoals zeker ook is gebleken uit het werkprogramma dat de minister-president zojuist heeft gepresenteerd, hecht het Zweedse voorzitterschap er veel waarde aan dat de werkzaamheden van de Raad openbaar zijn en toegankelijk voor Europese onderdanen, en dat de werkzaamheden op het gebied van wetgeving inzichtelijk zijn. Het Zweedse voorzitterschap zet zich er actief voor in dat zo veel mogelijk debatten openbaar zijn, binnen de hiervoor geldende formele kaders.

Het reglement van orde van de Raad staat geen geheel openbare Raadszittingen toe, en dat weet de heer Sjöstedt ook heel goed. Wel kan de Raad openbare debatten houden. De Europese Raad besloot in Helsinki, in december 1999, dat de Raad Algemene Zaken en de Raad Economische en Financiële Zaken elk half jaar openbare debatten zouden houden over het werkprogramma van de Raad. Dat besluit is nu in het reglement van orde van de Raad verwerkt. Ook andere samenstellingen van de Raad kennen openbare debatten.

Een van de hoogste prioriteiten van het Zweedse voorzitterschap was dan ook een lijst op te stellen van openbare debatten die een zo groot mogelijk gebied van de werkzaamheden van de Raad zouden moeten bestrijken. Daarom hebben we nu ook een lijst gepresenteerd van de openbare debatten die onder ons voorzitterschap gehouden zullen worden. Van dergelijke debatten zullen er negen gehouden worden in wat men kan beschouwen als de belangrijke en centrale samenstellingen van de Raad. Het eerste daarvan zal zijn het debat dat de Raad Economische en Financiële Zaken komende vrijdag houdt over zijn eigen werkprogramma. De andere debatten komen in de loop van het komend halfjaar aan bod, tot aan het laatste openbare debat van de Raad Cultuur in juni, waarin de bescherming van minderjarigen tegen schadelijke invloeden van door de media verspreide informatie besproken wordt. Via deze maatregelen hebben we de transparantie in de werkzaamheden van de Raad dus bevorderd. Er zijn zeker nog meer stappen te zetten, maar laten we één stap tegelijk doen, mijnheer Sjöstedt!

 
  
MPphoto
 
 

  Sjöstedt (GUE/NGL).(SV) Ik zet geen meerdere stappen tegelijk. Maar als we door blijven gaan in het tempo van de Raad duurt het nog zeker honderd jaar voor er echt openbare vergaderingen gehouden zullen worden. Negen debatten is bepaald niet indrukwekkend, als ik zo vrij mag zijn.

Ik vind het vanuit democratisch oogpunt vanzelfsprekend dat de burgers het recht hebben op transparantie in de belangrijkste wetgevende vergadering van de Europese Unie, en dat is immers vooral de Raad van ministers. Het gaat gewoon om een fundamentele eis van democratie. Als het reglement van orde van de Raad nu verhindert dat zelfs de stemmingen en alle vergaderingen van de Raad waarin min of meer wetgeving tot stand komt openbaar worden, zou dat verouderde reglement zonder meer gewijzigd moeten worden. Zou dat geen reden moeten zijn voor het Zweedse voorzitterschap, dat de kwestie van transparantie zo serieus neemt – wat naar mijn mening buitengewoon belangrijk en positief is – om een initiatief op dit punt te nemen?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson.(SV) Zoals mijnheer Sjöstedt vast wel weet is het Zweedse voorzitterschap voornemens alle mogelijke moeite te doen om de kwestie van de transparantie een hogere prioriteit te geven tijdens het halfjaar van zijn voorzitterschap. We denken dat we daar al aan werken door het aantal openbare debatten te vergroten.

We kunnen een vergelijking maken met de meeste nationale parlementen. Neem bijvoorbeeld het Zweedse parlement. Het wetgevingswerk in de parlementaire commissies van het Zweedse parlement is niet openbaar maar besloten, en daar zijn voldoende redenen voor. Enerzijds is er de noodzaak om het in politiek opzicht eens te worden, anderzijds is het uiteraard ook nodig te komen tot maximale transparantie.

Ik kan u verzekeren, mijnheer Sjöstedt, dat we er alles aan zullen doen om de situatie te verbeteren, maar we kunnen geen ijzer met handen breken. We moeten stap voor stap te werk gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 7 van Lennart Sacrédeus (H-0970/00):

Betreft: Democratie en mensenrechten in Wit-Rusland

Vanuit haar gemeenschappelijke waarden beschouwt de EU het als haar taak de democratie, de mensenrechten en het rechtsstaatbeginsel te beschermen. Aan de kandidaatlanden Letland, Litouwen en Polen grenst Wit-Rusland, waar bovengenoemde drie beginselen niet naar behoren worden geëerbiedigd. Het risico dat dit overslaat naar de omliggende landen is duidelijk aanwezig. De parlementaire trojka van de EU, de Raad van Europa en de OVSE bracht op 16 oktober jl. te Minsk een kritisch rapport uit over het gebrek aan democratie in Wit-Rusland, naar aanleiding van de verkiezingen die daar hadden plaatsgevonden. Er zijn veel verdwijningen, waaronder de voormalige minister van Binnenlandse Zaken Juri Zahrenko, de voormalig vice-kamervoorzitter Victor Gonchar en de Russische cineast Dimitri Zavadski.

Welke concrete initiatieven denkt het Zweedse voorzitterschap te nemen om bij te dragen tot een verbetering van de situatie in Wit-Rusland in de richting van democratie en welke maatregelen zullen er worden getroffen om aan het licht te brengen wat er met de verdwenen personen is gebeurd?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson, Raad. – (SV) Helaas heeft de geachte afgevaardigde het geheel bij het rechte eind als hij zegt dat de democratie, de mensenrechten en het rechtsstaatbeginsel in Wit-Rusland niet op aanvaardbare wijze in acht worden genomen. De Raad is zeer goed op de hoogte van deze reeds lang bestaande situatie en volgt de ontwikkelingen op de voet. De Europese Unie heeft herhaaldelijk een beroep op de autoriteiten in Wit-Rusland gedaan om de internationale normen op dit uitermate belangrijke terrein te respecteren. Verder heeft de Unie elke gelegenheid aangegrepen om de ontwikkeling van een gezonde burgermaatschappij in Wit-Rusland te stimuleren.

Het Zweedse voorzitterschap zal de inspanningen van het vorige voorzitterschap zeer gedecideerd voortzetten om de verbetering van de democratie in Wit-Rusland te steunen. De Raad is van mening dat het volk van Wit-Rusland alleen met een dergelijke verbetering de toekomst van het land geheel in eigen handen kan nemen. Door een nieuwe president te kiezen krijgt het volk dit jaar de mogelijkheid definitief te beslissen hoe de toekomst er uit komt te zien. Binnen de van toepassing zijnde kaders zal de Raad de democratische krachten zo veel mogelijk aanmoedigen, om ervoor te zorgen dat de kiezers een echte en geloofwaardige keuze tussen kandidaten zullen krijgen. De steun van de Europese Unie aan de burgermaatschappij, de onafhankelijke organisaties en de media is een belangrijk onderdeel in de bevordering van de democratie.

Als buurland van Letland, Litouwen en Polen zal Wit-Rusland binnen afzienbare tijd aan een uitgebreide Europese Unie grenzen. Er is de Raad dan ook veel aan gelegen dat Wit-Rusland zich op lange termijn tot een partner ontwikkelt en dat de stabiliteit in de regio als geheel wordt veiliggesteld. De Raad heeft er uiteraard alle vertrouwen in dat de nieuwe democratieën in de kandidaat-landen volledig opgewassen zullen zijn tegen de uitdagingen waarvoor zij zich mogelijk gesteld zien. De drie genoemde landen hebben alle een belangrijke en actieve rol gespeeld door hun bilaterale diplomatieke banden met Wit-Rusland. Bovendien kunnen ze Wit-Rusland uitstekend tot voorbeeld dienen als het gaat om geslaagde hervormingen en een succesvolle democratie.

Net als bij deze landen houdt de Europese Unie vol dat een beleid dat erop gericht is Wit-Rusland te isoleren schadelijk kan zijn voor het doel dat ons voor ogen staat. Daarom heeft de Europese Unie ernaar gestreefd de communicatiewegen met de autoriteiten in Wit-Rusland open te houden en een stimulans voor betere betrekkingen te geven. Verder oefent de Unie nog steeds druk uit om het land ertoe te bewegen zijn verplichtingen na te komen door het OVSE-team voor bijstand en toezicht vrijheid van handelen te geven als dat volstrekt legaal probeert zijn mandaat uit te voeren. De komende weken zal de Unie haar standpunt nog eens duidelijk maken aan de autoriteiten in Minsk. De Unie grijpt die gelegenheid natuurlijk ook aan om de kwestie van de onlangs verdwenen personen aan te roeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Sacrédeus (PPE-DE).(SV) Ik ben blij en vereerd dat we Lars Danielsson en het Zweedse voorzitterschap hier kunnen verwelkomen. De Zweedse taal, de taal van eer en heldendom, heeft in deze zaal waarschijnlijk nog nooit zo rijkelijk gevloeid als vandaag. Hartelijk dank voor uw reactie!

Ik wil hier enkele vervolgvragen stellen. Het gaat om het politieke verbond dat feitelijk bestaat tussen Wit-Rusland en Polen en om de mate waarin het Zweedse voorzitterschap Rusland – als deel van een politiek verbond met Wit-Rusland – onder druk zet om te onderkennen wat de gevolgen zijn voor de democratie en voor de status die Rusland in de internationale gemeenschap heeft doordat het een verbond heeft met een land dat nauwelijks een democratie te noemen is.

U heeft de presidentsverkiezingen van Wit-Rusland in 2001 genoemd. Maar 20 procent van de kandidaten voor de zogeheten parlementsverkiezingen van vorig najaar – waarbij ik zelf als waarnemer aanwezig was – werd weggewerkt. Verder wil ik onderstrepen hoe belangrijk het is dat de Europese Unie optreedt, zodat deze praktijken zich niet verspreiden. In het buurland Oekraïne nemen we immers een verontrustende ontwikkeling waar, mijnheer Danielsson. Het gevaar dat de praktijken van Wit-Rusland zich verspreiden valt niet te onderschatten, want vergeet niet dat het regime in Minsk bloed aan zijn handen heeft!

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson.(SV) Ik denk dat het zeer juist is dat mijnheer Sacrédeus de ontwikkeling in Wit-Rusland niet los ziet van de ontwikkeling in Rusland en in Oekraïne. In het werkprogramma voor samenwerking tussen de Europese Unie en Rusland, dat het voorzitterschap volgende week maandag in de Raad Algemene Zaken presenteert, wordt er veel gesproken over de behoefte met Rusland van gedachten te wisselen over de situatie in de buurlanden Wit-Rusland en Oekraïne.

We hopen op wat meer begrip van Russische zijde voor de verantwoordelijkheid die Rusland heeft om een positieve invloed op de ontwikkelingen in Wit-Rusland uit te oefenen. Dat moeten we dan toevoegen aan de aanhoudende inspanningen die ik eerder in mijn inleidende antwoord heb beschreven. We vinden het belangrijk dat er invloed wordt uitgeoefend op Wit-Rusland, dat immers dichter bij de rest van Europa ligt dan velen misschien denken als ze niet goed op de kaart kijken. Het is buitengewoon belangrijk dat we van de kant van de Unie alle kansen aangrijpen om een democratische ontwikkeling in Wit-Rusland tot stand te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 8 van María Izquierdo Rojo (H-0974/00):

Betreft: Vervolgde vrouwen zonder asiel of toevluchtsoord

In sommige landen staan vrouwen aan vreselijke vervolgingen en straffen en schendingen van de rechten van de mens bloot, die zo ver kunnen gaan dat ze het met verminkingen, en zelfs met hun leven moeten bekopen. Dikwijls is dat het gevolg van fundamentalistische wetten uit de tijd van de aartsvaders of voorouderlijke overleveringen en gebruiken. De Europese Unie zegt dat ze vrouwen in bescherming wil nemen tegen dat soort ondraaglijke vervolgingen en straffen, maar ze heeft haar verklaringen nog niet weten om te zetten in politieke maatregelen en besluiten die reden tot hoop geven.

Is de Raad daarom bereid om maatregelen goed te keuren zodat dergelijke toestanden waar de vrouwen van te lijden hebben, aanleiding kunnen geven tot het verlenen van politiek asiel of toevlucht in de Europese Unie?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson, Raad. - (SV) De Raad is zich ten zeerste bewust van het soort vervolging en verminking dat de geachte afgevaardigde in haar vraag noemt. Binnen Cirea, het Centrum voor informatie, discussie en uitwisseling van gegevens op asielgebied, wordt de situatie in de verschillende landen van oorsprong van asielzoekers voortdurend in de gaten gehouden. Van de factoren waarop hier de aandacht wordt gevestigd wordt notitie genomen wanneer de lidstaten asielaanvragen behandelen van hen die aan dergelijke schendingen blootstaan. Er moet echter wel op gewezen worden dat ervaringen op basis van door Cirea uitgevoerde studies uitwijzen dat vrouwen die blootgestaan hebben aan geweld, verkrachting of verminking dat niet altijd als voornaamste reden voor hun asielaanvraag aangeven.

Zoals de geachte afgevaardigde zich ongetwijfeld zal herinneren, heeft men tijdens de bijeenkomst van de Raad in 1999 in Tampere overeenstemming bereikt over de instelling van een gemeenschappelijk Europees asielsysteem dat gebaseerd is op een volledige en absolute toepassing van het Verdrag van Genève, zodat op deze manier gegarandeerd is dat niemand wordt teruggestuurd die heeft blootgestaan aan vervolging, alsmede over het feit dat dit systeem een onderlinge aanpassing van de regels voor erkenning en reikwijdte van de vluchtelingenstatus moet behelzen. De Raad is het er ook over eens dat dit systeem gecompleteerd zou moeten worden met maatregelen voor andere vormen van bescherming die een geschikte status bieden aan hen die een dergelijke bescherming nodig hebben.

In december vorig jaar is de Raad het eens geworden over een aantal conclusies over de wijze waarop asielzoekers moeten worden ontvangen. Deze conclusies, die de basis moeten vormen voor het voorstel voor de richtlijn van de Raad dat de Commissie in de loop van het voorjaar zal indienen, omvatten onder meer voorschriften die behelzen dat de lidstaten medische zorg bieden aan asielzoekers die blootgestaan hebben aan marteling, verkrachting of andere ernstige schendingen. De Raad is nu in afwachting van het voorstel van de Commissie en als dat er eenmaal ligt wil het Zweedse voorzitterschap dat behandelen als een zaak met hoge prioriteit.

De Commissie heeft ook uitdrukking gegeven aan haar intentie om later dit jaar een voorstel in te dienen met regels inzake de erkenning en de reikwijdte van de vluchtelingenstatus en aanvullende vormen van bescherming. De vraag in hoeverre vervolging op grond van geslacht in dit verband in aanmerking moet worden genomen zal ongetwijfeld onderwerp van een diepgaande analyse worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Izquierdo Rojo (PSE). – (ES) Ik zou de fungerend voorzitter van de Raad willen vragen of hij er voorstander van is dat vrouwen bij visum- en asielaanvragen in de Europese Unie als individu worden behandeld en dus niet afhankelijk zijn van hun man of van een voogd. Mijnheer de voorzitter van de Raad, bent u er voor dat wij vrouwen die een visum of asiel aanvragen als personen behandelen? Geeft u mij antwoord, alstublieft. Ik hoop dat uw antwoord bevestigend zal zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson. - (SV) Natuurlijk ben ik voor een dergelijke regeling. Uiteraard moet elk individu als een individu worden behandeld. Maar daarbij moeten we niet vergeten dat we het in veel asielgevallen over gezinshereniging in verschillende varianten hebben. Dat houdt dus in dat de asielverlening aan een deel van een gezin van invloed kan zijn op het onderzoek van de aanvraag van andere leden van hetzelfde gezin. Daarmee doen we dus toch enigszins afstand van het principe van individuele behandeling, maar in de kern is het antwoord op de vraag van de afgevaardigde: ja.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 9 van Niall Andrews, die wordt vervangen door de heer Crowley (H-0976/00):

Betreft: Irak en de opheffing van de sancties

Kan de Raad meedelen welke prioriteit tijdens het Zweedse voorzitterschap zal worden gegeven aan de situatie in Irak en in het bijzonder of hij voornemens is duidelijke pressie uit te oefenen om de opheffing te verkrijgen van de sancties die de gezondheid en het welzijn van mannen, vrouwen en kinderen in gevaar brengen?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson, Raad. - (SV) De levensomstandigheden van de Irakese bevolking vormen in combinatie met het streven duurzame veiligheid en stabiliteit in de regio te bewerkstelligen de belangrijkste kwesties voor de Raad inzake zijn beleid tegenover Irak. De Raad onderzoekt op dit ogenblik welke mogelijkheden de Unie heeft om iets te doen op het humanitaire en culturele vlak, binnen het kader van de bestaande resoluties over Irak van de VN-Veiligheidsraad. Dat betreft met name de resolutie over het programma olie voor voedsel. Maar om een dergelijk programma uit te kunnen voeren is ook de wil tot samenwerking van de Irakese regering van groot belang.

De Europese Unie zal ook in de toekomst de resoluties van de VN-Veiligheidsraad tegen Irak volledig toepassen. Resolutie 1284 uit 1999 biedt de mogelijkheid de sancties op te heffen, vooropgesteld dat de Irakese regering voor de volle honderd procent samenwerkt met de VN-inspecteurs die op de ontwapening in Irak moeten toezien. In dit verband begroet de Raad dan ook met instemming de instelling van een werkgroep binnen de VN die algemene aanbevelingen moet uitwerken ter verbetering van de VN-sancties, zodat deze beter toegespitst worden en zodat onnodig menselijk lijden kan worden voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Crowley (UEN). - Ik wil de fungerend voorzitter bedanken voor zijn antwoord en hem veel succes wensen met het Zweeds voorzitterschap.

Inhakend op wat hij zojuist heeft gezegd zou ik echter willen vragen: is het voorzitterschap van mening dat de Compensatiecommissie voor Irak, met zetel in Genève, haar werk moet voortzetten? Zoals u weet houdt deze commissie zich ook bezig met de kwestie van herstelbetalingen en de nasleep van de Golfoorlog.

Wij hebben reeds kunnen zien dat de publiciteit rond de sancties een negatief effect heeft en dat Saddam Hoessein dat aangrijpt om West-Europa, de Amerikanen en de VN ermee om de oren te slaan en zijn volk weer achter zich te krijgen. Gisteravond kwam er een verklaring dat het een overwinning van het goede op het kwaad is, waarbij Saddam Hoessein het goede vertegenwoordigt en de rest van de wereld het kwaad. Wij spelen hem in de kaart wanneer door ons toedoen mensen geen toegang hebben tot geneesmiddelen, voedsel en andere levensbehoeften.

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson. - (SV) Naar mijn idee is het van belang niet te vergeten wat de basisvoorwaarde is om tot opheffing van de sancties tegen Irak te kunnen overgaan: het Irakese regiem moet volledig samenwerken met de VN-inspecteurs en het ze mogelijk maken te controleren of Irak nog steeds de beschikking over massavernietigingswapens heeft. Dat is ook voor de Unie het doorslaggevende punt als het gaat om het bespreken van eventuele wijzigingen in de sancties.

Ten aanzien van de Compensatiecommissie van de VN met zetel in Genève, die al sinds de Golfoorlog werkt aan een regeling voor de door de oorlog veroorzaakte schulden, denk ik dat het verstandig is een evaluatie door de VN af te wachten van de wijze waarop deze werkzaamheden voortgezet moeten worden, voordat men van de kant van de Unie een standpunt inneemt en besluit of deze activiteiten al dan niet voortgezet moeten worden.

Ik wil graag onderstrepen dat het mijns inziens noodzakelijk is dat we ook van de zijde van de Unie in volstrekt algemene zin deelnemen aan deze principiële discussie over het sanctie-instrument en de effecten daarvan. Uit talloze voorbeelden blijkt vandaag de dag dat er goede politieke argumenten zijn om bepaalde landen sancties op te leggen, maar het kost ons moeite ervoor te zorgen dat deze sancties ook echt degenen treffen die we ermee willen treffen, namelijk de regeringen van de desbetreffende landen. Ik ben van mening dat er voor de Raad alle reden is om zowel in het geval van Irak als in zijn algemeenheid de discussie voort te zetten over de vraag hoe het sanctie-instrument moet worden toegepast.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Daar de vraagsteller afwezig is, vervalt vraag nr. 10.

 
  
MPphoto
 
 

  Van Hecke (PPE-DE). - Mevrouw Ferrer heeft mij gevraagd om haar vraag te willen overnemen en zou dat ook aan de bevoegde dienst hebben gemeld.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Mijnheer Van Hecke, in het Reglement staat dat zij haar plaatsvervanger schriftelijk had moeten bekendmaken, zoals met de heer Crowley is gebeurd. Ik moet het Reglement toepassen. Ik ben eigenlijk de slaaf van het Reglement. Het spijt mij.

Omdat de vragen 11 en 12 over een soortgelijk onderwerp gaan, worden ze tezamen behandeld.

Vraag nr. 11 van Glenys Kinnock (H-0983/00):

Betreft: Birma

Kan de Raad een evaluatie maken van de vooruitgang – of het gebrek daaraan – die is geboekt door zijn beleid van “constructieve betrokkenheid” ten aanzien van het militaire regime in Rangoon?

Vraag nr. 12 van Richard Corbett (H-1004/00):

Betreft: ASEAN en Birma

Wat is de reactie van de Raad op de ASEAN-bijeenkomst van 24 november 2000 waarop de regeringsleiders van de ASEAN-landen er naar verluidt op aandrongen dat alle tien ASEAN-lidstaten inclusief Birma bij ontmoetingen tussen de EU en de ASEAN aanwezig zijn?

Vindt de Raad niet ook dat de repressie in Birma nog is toegenomen sinds de verscherping van het gemeenschappelijk standpunt van de EU in april 2000 en dat het als vanouds onwenselijk is om op ministerieel niveau overleg te plegen met vertegenwoordigers van dit bewind?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson, Raad. - (SV) De Raad deelt de bezorgdheid van de geachte afgevaardigden ten aanzien van de situatie in Birma/Myanmar, met inbegrip van de nieuwe restricties die de afgelopen maanden opgelegd zijn aan de National League for Democracy. De Raad heeft tevens kennis genomen van de relatief positieve recente ontwikkelingen die te danken zijn aan de inspanningen van de speciale gezant van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties voor Birma, Tan Sri Razali Ismail, en van het feit dat de weg is vrijgemaakt voor een dialoog tussen Aung San Sui Kyi en de militaire junta. De Raad heeft middels verklaringen en diplomatieke stappen diverse malen uiting gegeven aan zijn bezorgdheid en die ook verwoord in het gemeenschappelijk standpunt van de Europese Unie uit 1996.

De Raad heeft bovendien herhaalde malen geëist dat de mensenrechten geëerbiedigd worden en dat er concrete maatregelen worden genomen ter bevordering van democratie en nationale verzoening. De Raad beschouwt dit beleid niet echt als een beleid van constructieve betrokkenheid, maar veeleer als een poging om veranderingen te bewerkstelligen en middels sancties en een dialoog druk uit te oefenen. Zoals de geachte afgevaardigde Richard Corbett heeft aangegeven werd het gemeenschappelijk standpunt van de Europese Unie vorig jaar april aanzienlijk aangescherpt, tegen de achtergrond van de bezorgdheid van de Raad over de verslechtering van de situatie in Birma/Myanmar.

Tegelijkertijd is de Raad het erover eens geworden een tweede trojka naar Rangoon te sturen. Het ziet ernaar uit dat deze missie later deze maand zal plaatsvinden. De Unie heeft duidelijk gemaakt, onder meer op de meest recente Top van de Raad van de Europese Unie en de ASEAN in Vientiane in december vorig jaar, dat men verwacht dat de trojka van de Europese Unie dezelfde mogelijkheden geboden zal worden om alle betrokken partijen te ontmoeten, of deze nu uit regeringskringen, de National League for Democracy of etnische minderheden afkomstig zijn.

De Top van ministers in Vientiane, waaraan door Birma/Myanmar werd deelgenomen, bood een goede gelegenheid niet alleen de banden te benadrukken die de Europese Unie en de ASEAN verenigen, maar ook rechtstreeks bij de Birmese minister van Buitenlandse Zaken de bezorgdheid van de Unie over de situatie in Birma/Myanmar over te brengen. De Raad verwelkomt ook het feit dat zowel de Europese Unie als de ASEAN zich in de gezamenlijke verklaring waarover men het in Vientiane eens is geworden bereid hebben verklaard de speciale gezant van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties voor Birma, Tan Sri Razali Ismail, te steunen bij zijn inspanningen een positieve ontwikkeling in Birma op gang te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Kinnock, Glenys (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil de fungerend voorzitter welkom heten. Met alle respect voor uw antwoord wil ik u nog het volgende vragen. Aung San Suu Kyi ondergaat nu sinds ongeveer 120 dagen huisarrest: hoe stelt u zich voor dat een gevangene een zinvolle dialoog met haar gevangenisbewaarder kan voeren? Dat is mijn eerste vraag. Ten tweede: zouden zij en de NLD niet een aantal fundamentele vrijheden moeten krijgen voordat wij de SPDC kunnen aanvaarden?

U zegt dat de trojka toegang krijgt tot alle gebieden en personen die zij wil bezoeken. Verbindt u voorwaarden aan dit bezoek van de trojka, zodat de autoriteiten echt gedwongen zijn om die toegang te verlenen?

Tot slot nog een sceptische opmerking. In 1994 was Aung San Suu Kyi verwikkeld in een soort onderhandelingsproces met de SLORC, zoals hun naam destijds luidde. Die verweten haar voortdurend dat zij veel te onbuigzaam was en stelden met haar niets te kunnen beginnen omdat zij maar bleef hameren op erkenning van het resultaat van de verkiezingen van 1990. Bent u niet bezorgd dat zij wellicht nog steeds een spelletje spelen met de Europese Unie en de internationale gemeenschap en dat zij weer zullen zeggen: “Kijk, deze vrouw is onmogelijk.”

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson. - (SV) Laat mij ter inleiding opmerken dat ik de bezorgdheid van mevrouw Kinnock over de situatie in Birma/Myanmar natuurlijk volledig deel. De Raad heeft dezelfde principiële opvatting als die welke de afgevaardigde in haar vraag tot uitdrukking brengt, namelijk dat het voor zich spreekt dat we hoge eisen aan Birma/Myanmar moeten stellen als het om de mensenrechten gaat. Ik wil erop wijzen dat de Unie op meerdere terreinen actief is in de strijd voor mensenrechten in dit land. De Unie is actief in de IAO, in de Commissie voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties en in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Een voorwaarde voor de contacten die ik heb beschreven en die we hopelijk bij het geplande bezoek van de trojka tot stand kunnen brengen is uiteraard dat we alle betrokken partijen in Birma/Myanmar geheel vrijelijk moeten kunnen ontmoeten. Dat spreekt voor zich, maar helaas moeten we op dit moment constateren dat de situatie in Birma/Myanmar ook om andere redenen steeds verontrustender wordt. In ieder geval zijn er nu grensconflicten tussen Bangladesh en Myanmar, en die zouden ook de situatie in Birma/Myanmar zelf kunnen beïnvloeden.

U kunt er dus zeker van zijn dat de Raad de ongerustheid van de afgevaardigde over de situatie volledig deelt. Er is absoluut geen sprake van dat we op voorwaarden van de Birmese regering zouden ingaan. We eisen met name volledige toegang tot alle partijen, zowel tot de NLD als tot de etnische minderheden. Deze laatsten mogen in dit verband immers evenmin vergeten worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Corbett (PSE).(EN) Dank u wel voor uw zeer volledige antwoord. Zoals u weet zal de volgende vergadering op ministerieel niveau van de Europese Unie en de ASEAN-landen in Europa plaatsvinden. Momenteel geldt in alle lidstaten van de Europese Unie een inreisverbod voor leden van het militaire regime van Birma en hun gezinnen. Die zullen derhalve niet aan deze vergadering kunnen deelnemen.

De ASEAN-landen oefenen druk uit op de Unie om dit verbod op te heffen. Kunt u mij verzekeren dat u niet voor deze druk zult zwichten?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson. - (SV) De Raad geeft niet toe aan pressie. De Raad heeft nog geen besluit genomen over Birmese deelname aan de komende top van ministers tussen de Europese Unie en de ASEAN-landen, waarnaar de geachte afgevaardigde verwijst. De Raad zal op termijn een besluit nemen op basis van het gemeenschappelijke standpunt dat de Unie ten aanzien van de relaties met Birma/Myanmar heeft aangenomen. Ik kan de geachte afgevaardigde verzekeren dat we vermoedelijk exact dezelfde mening zijn toegedaan als het gaat om de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voordat de Raad deelname door Birma aan deze bijeenkomst van ministers kan accepteren.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 13 van Pat the Cope Gallagher (H-0985/00):

Betreft: Visserij en het Zweedse voorzitterschap

Kan de Raad, onder het Zweedse voorzitterschap, aangeven hoeveel belang hij hecht aan de visserijsector, met het oog op de uiterst moeilijke situatie waarin de vissers in Ierland en andere lidstaten zich momenteel bevinden, en kan de Raad tevens aangeven wat zijn prioriteiten zullen zijn voor het volgende oriëntatieprogramma voor de vissersvloot voor de periode 2002-2006?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson, Raad. - (SV) Uit de vraag van de geachte afgevaardigde is niet heel duidelijk af te leiden of hij zich tot de Raad of tot het Zweedse voorzitterschap richt. Desondanks verheugt het mij van de gelegenheid gebruik te kunnen maken om, zoals de geachte afgevaardigde van het Parlement ook wenste, heel in het kort enige prioriteiten aan te geven voor het toekomstige beleid inzake de vissersvloot van de Gemeenschap.

Laat mij eerst opmerken dat het voorzitterschap groot belang hecht aan het gemeenschappelijk visserijbeleid en dat wij ons volledig bewust zijn van de moeilijke situatie waarin de visserij-industrie zich bevindt na de drastische beperkingen van quota e.d. waartoe tijdens de bijeenkomst van de Raad in december vorig jaar besloten is. Deze beperkingen waren echter noodzakelijk vanwege de visstand van bepaalde vissoorten, met name kabeljauw en stokvis, en hadden tevens betrekking op een aantal andere soorten.

Naar de opvattingen van de Raad is het zonneklaar dat de remedie voor deze situatie op de lange termijn gelegen is in het tot stand brengen van een permanente balans tussen de capaciteit van de vissersvloot en de beschikbare natuurlijke rijkdommen teneinde een blijvend en duurzaam gebruik van het visbestand mogelijk te maken en het voortbestaan van de visserijsector te garanderen.

Het voorzitterschap heeft daarom de intentie na afloop van het vierde meerjarenprogramma voor ontwikkeling op 31 december 2001 een algemeen debat in de Raad te organiseren over de follow-up van de meerjarenprogramma’s voor ontwikkeling. De Commissie zal op korte termijn haar voorstellen bekend maken. We zijn ons volledig bewust van het feit dat er middels de huidige programma’s geen balans is bereikt en dat deze in sommige gevallen omstreden zijn geweest.

Naast de structurele problemen die met name in de vraag genoemd worden omvatten de prioriteiten van het voorzitterschap ook de voortzetting van de werkzaamheden in het kader van het Groenboek van de Commissie over de toekomst van het gemeenschappelijk visserijbeleid en de uitwerking van een voorstel van het voorzitterschap over visserij en milieu, dat wil zeggen de integratie van milieuvraagstukken en het principe van duurzame ontwikkeling in het gemeenschappelijk visserijbeleid. Dat maakt deel uit van het proces van Cardiff en de Raad is verplicht een dergelijk document in te dienen op de Top van de Europese Raad van Göteborg.

Het voorzitterschap is niet van mening dat er erg veel ruimte is voor het nemen van steunmaatregelen ten behoeve van een afzonderlijke lidstaat. Eerder moet het gemeenschappelijk visserijbeleid worden ontwikkeld ten voordele van de visserijsector in de gehele Unie.

Het is de geachte afgevaardigde van het Parlement ongetwijfeld niet ontgaan dat de drastische beperkingen in de visserijmogelijkheden gepaard gaan met plannen voor herstel van de bedreigde soorten. In dat verband hebben wij het Europees Parlement gevraagd met ons samen te werken en in januari zijn oordeel te geven over het voorstel voor een reddingsplan voor de kabeljauw in de Ierse Zee, zodat deze maatregelen reeds per 14 februari 2001 kunnen ingaan. Wij waarderen de inzet die het Europees Parlement in dit opzicht heeft getoond, maar we zijn er nog steeds niet van overtuigd dat deze maatregelen ook echt werkelijkheid zullen worden. Ik hoop dan ook dat het Parlement op dit punt bereid is samen te werken met de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  Gallagher (UEN).(EN) Dank u wel voor uw antwoord en voor het feit dat u ons wat meer tijd gunt. Ik ben blij dat u zo realistisch bent en de beperking als drastisch betitelt, want dat geeft de werkelijkheid goed weer. Ik ben mij ervan bewust dat beperkingen noodzakelijk zijn om de natuurlijke hulpbronnen voor deze generatie en voor de volgende generaties veilig te stellen.

In verband met wat u zei over de ontwikkelingsprogramma’s, zou ik u willen vragen: kunt u ons geruststellen dat u alles in het werk zult stellen om ervoor te zorgen dat niet alleen de wetenschappers, maar ook de belanghebbenden en de vissers zullen worden betrokken bij de besprekingen over deze ontwikkelingsprogramma’s? Alle vissers die ik ken zijn realistisch genoeg om te beseffen dat er afgesloten gebieden moeten komen om de kweekgronden te beschermen.

Kortom, kunt u ons verzekeren dat u zult proberen om de vissers te betrekken bij de ontwikkelingsprogramma’s?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson. - (SV) Ik deel geheel en al de opvatting van de geachte afgevaardigde. Bij het bespreken van belangrijke kwesties als deze is het van cruciaal belang dat alle betrokkenen op de juiste wijze aan de discussie kunnen deelnemen. Naar mijn mening is het volstrekt duidelijk dat een dergelijke discussie gebaseerd moet zijn op wetenschappelijke grondslagen, maar uiteraard moeten alle betrokkenen, inclusief de vertegenwoordigers van de visserijsector, in de gelegenheid gesteld worden hieraan deel te nemen. Ik kan u dan ook verzekeren dat het voorzitterschap alles in het werk zal stellen om een integrale discussie over deze belangrijke kwesties van de grond te krijgen met zoveel mogelijk belanghebbenden.

 
  
MPphoto
 
 

  Crowley (UEN).(EN) Ik wil de fungerend voorzitter vragen of er compensatie zal komen voor de vangstbeperkingen en wat de gevolgen zullen zijn voor de inkomsten van de vissers. Liggen er voorstellen op tafel om de vissers te compenseren?

 
  
MPphoto
 
 

  Danielsson. - (SV) De zaak die de geachte afgevaardigde aanroert, is uiteraard van groot gewicht, niet in de laatste plaats voor de betrokken vissers. Maar ik ben bang dat deze vraag aan de voorzitter van de Raad aan de verkeerde persoon is gesteld. Dit is een vraag die naar ons idee in eerste instantie gesteld moet worden aan de Commissie; die is voor dit terrein verantwoordelijk.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Dank u wel, mijnheer Danielsson, u heeft meer dan alleen uw plicht gedaan in deze eerste zitting.

Aangezien de tijd die is vastgesteld voor het vragenuur aan de Raad is verstreken, zullen de vragen nrs. 14 tot en met 22 schriftelijk worden beantwoord. (1)

De vragen nrs. 23 en 24 zullen niet worden behandeld, omdat ze onderwerpen betreffen die op de agenda staan van de huidige vergaderperiode.

Het vragenuur voor vragen aan de Raad is gesloten.

(De vergadering wordt om 19.43 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER ONESTA
Ondervoorzitter(2)

 
  

(1)Niet-behandelde vragen: zie bijlage “Vragenuur”.
(2) Samenstelling commissies: zie notulen.


8. Burgerluchtvaart
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A5-0393/2000) van de heer Simpson, namens de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme, over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart.

 
  
MPphoto
 
 

  Simpson (PSE), rapporteur. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb maar liefst acht minuten gekregen om mijn verslag voor deze overvolle zaal toe te lichten. De reden is waarschijnlijk dat sommigen dit een nogal technisch en gedetailleerd verslag vinden.

Bij de opstelling van het tweede liberaliseringspakket in 1989 hebben de Raad en de Commissie afgesproken dat de harmonisatie van het regelgevingskader voor de burgerluchtvaart zou worden geregeld in het luchtvervoerbeleid van de Gemeenschap. Vervolgens werd verordening 3922/91 van de Raad uitgevaardigd, waarmee de technische voorschriften, de zogenaamde “Joint Aviation Requirements”, opgesteld door de JAA, in de Gemeenschap kracht van wet kregen.

De “Joint Aviation Requirements”, ook "JAR-OPS" genoemd, in 1995 opgesteld binnen de JAA, worden nu omgezet in wetgeving van de Europese Unie. Dit blijkt verre van gemakkelijk. De Gemeenschap heeft zich echter verplicht tot de aanneming van geharmoniseerde veiligheidsvoorschriften voor het luchtvervoer. De JAR-OPS-1-verordening is daarom, met geringe aanpassingen, een goed uitgangspunt voor de wijziging van de verordeningen in kwestie.

Op bepaalde gebieden is echter ook een rol weggelegd voor het Parlement, in de eerste plaats met betrekking tot het cabinepersoneel. De exploitanten moeten de verantwoordelijkheid dragen voor de opleidingen, maar dan wel op een geharmoniseerde grondslag en met een apart, voor heel Europa uniform certificeringsstelsel, dat door alle lidstaten wordt aanvaard.

Het lijdt volgens mij geen twijfel dat de exploitanten het beste gekwalificeerd zijn om de opleiding te organiseren, maar dat hoeft niet uit te sluiten dat ook andere organisaties opleidingen verzorgen, zolang deze maar zijn goedgekeurd door de nationale dienst voor de burgerluchtvaart. Daarnaast moet de cabinepersoneel-richtlijn worden opgenomen in deze verordening.

In de tweede plaats gaat de Commissie niet in op het moeilijke punt van de vliegtijdbeperkingen. Het Subdeel Q hierover ontbreekt. Dit is volkomen onterecht: hoe kan men nu een richtlijn opstellen met als belangrijkste doelstelling de veiligheid, zonder de diensttijden van de cockpitbemanning te behandelen? De sociale partners proberen al tien jaar hierover een akkoord te bereiken. Wie tien jaar onderhandelt zonder resultaat, heeft gefaald, welke norm je ook hanteert.

De Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme erkent evenwel dat de vakbonden en de luchtvaartmaatschappijen het beste geplaatst zijn om dit probleem op te lossen en heeft bij wijze van compromis besloten dat alle partijen tot 1 mei 2001 de tijd krijgen om een akkoord te sluiten dat de inhoud zal worden van Subdeel Q.

Mochten zij daar niet in slagen, dan zal de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme van dit Parlement tijdens de tweede lezing ingrijpen en wetgeving opstellen. Ik hoop dat de sociale partners tot een akkoord zullen komen en ik wil hen bedanken voor hun huidige inspanningen.

Er zijn amendementen ingediend in verband met het probleem van de handbagage. Helaas worden de voorschriften over de handbagage door de luchtvaartmaatschappijen niet strikt toegepast, waardoor reizigers steeds meer tassen in de cabine meenemen. OP dit probleem werd ik gewezen door cabinepersoneelsleden en zelfs door een paar luchtvaartmaatschappijen. Het wordt behandeld in amendement 16.

Ik vind het verbijsterend dat sommige fracties tegen dit amendement willen stemmen. Het gaat hier om de veiligheid, en als rapporteur wil ik u verzoeken uw standpunt te heroverwegen. Alle luchtvaartmaatschappijen en het cabinepersoneel aanvaarden dit amendement. Het belet reizigers absoluut niet om handbagage mee te brengen. Het voorkomt alleen dat te veel handbagage wordt meegebracht, want dat heeft ertoe geleid dat reizigers gewond raken door bagage die uit de bagagevakken valt, dat reizigers worden gehinderd bij noodevacuatieprocedures en, zoals ik zelf heb meegemaakt, dat tassen in het toilet van het vliegtuig worden gestald.

Ik weet dat leden van het Europees Parlement tot de ergste zondaars behoren als het om handbagage gaat. Ik hoop evenwel dat zij voldoende verantwoordelijkheidszin hebben en beseffen dat hier een probleem bestaat, dat de veiligheid in het gedrang is, en dat amendement 16 derhalve steun verdient.

Ik geloof dat dit verslag onze steun verdient. Ik wil tot slot nogmaals benadrukken dat de sociale partners voor 1 mei een akkoord inzake de vliegtijdbeperking moeten bereiken. Als zij hierin slagen, wordt dit een document waar wij volgens mij met recht trots op kunnen zijn. Slagen zij niet, dan zal het Parlement zich genoodzaakt zien om in hun plaats op te treden.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmitt (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, geachte collega Simpson, met veel van uw uiteenzettingen kan men het alleen maar eens zijn. Het klopt dat in het kader van het liberaliseringspakket in 1989 duidelijk werd dat de Europese Gemeenschap niet alleen op eerlijke mededinging moest letten, maar dat er ook gezorgd moest worden dat de veiligheid van de luchtvaart gegarandeerd bleef. Dat is ook de doelstelling van het voorgestelde amendement op de verordening. Ik vind het ook terecht dat de Europese instellingen nadrukkelijk hun eigen verantwoordelijkheid nemen. Dat wil zeggen, op het moment dat we verantwoordelijk zijn voor de regelgeving van de luchtveiligheid, moeten we ook dienovereenkomstig handelen.

Aan de andere kant moeten we ook duidelijk maken dat het Parlement en andere politieke instanties, zoals de Commissie en de Raad, het oordeel van deskundigen niet terzijde zullen schuiven. Vanuit dat oogpunt ben ik blij dat we in de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme een erg zakelijke discussie hebben gevoerd. Eigenlijk heeft niemand geprobeerd om aan de details van de technische regels te morrelen om zo als het ware de beleidsmatige kennis te laten prevaleren boven de kennis van de deskundigen.

U heeft er terecht op gewezen dat er voor de vlieg- en diensttijden ook een regeling getroffen dient te worden. Dat is voor mij vanzelfsprekend. Het verrast mij dan ook dat de sociale partners, ondanks de lange tijd dat dit proces al aan de gang is, er tot nu toe niet in geslaagd zijn om zelf een regeling op dat gebied te treffen. Daarom vind ik het ook goed dat dit Parlement nog één keer duidelijk maakt dat wij verwachten dat de sociale partners, de luchtvaartexploitanten en de vertegenwoordigers van de werknemers, hun verplichtingen nakomen. Wij zijn bereid om deze te integreren in het kader van de tweede lezing van deze verordening. Als de sociale partners hun verplichtingen echter niet nakomen, zijn wij echter evengoed bereid op dit gebied een eigen regelgeving op te stellen. Één ding is namelijk duidelijk, de luchtverkeersveiligheid dient absolute prioriteit te krijgen.

Luchtverkeersveiligheid ontstaat echter niet alleen op basis van regelgeving en met name niet op basis van overregulering. Daarom zeg ik ook met nadruk dat wij uw verslag weliswaar in grote lijnen goed kunnen keuren, maar dat wij het niet gepast vinden dat het Parlement op bepaalde gebieden eigen gedetailleerde voorwaarden in deze verordening inbrengt. Ik doel hierbij op de formulering "één kajuitpersoneelslid" en de duur van het dienstverband, dus hoe lang iemand ervaring heeft als actief lid van het kajuitpersoneel. Daarom kunnen we niet instemmen met uw amendementen 9 en 10, die van invloed zijn op genoemde aspecten.

Ik was enigszins verrast door de intensiteit waarmee de Commissie vervoer zich beziggehouden heeft met en gediscussieerd heeft over de kwestie van de handbagage. Naar mijn idee is dat geen onderwerp voor dit Parlement. Ik kan de heer Simpson en mijn andere collega's dan ook alleen maar op het hart drukken om de luchtvaartmaatschappijen dit soort zaken te laten regelen. Dat is geen de taak voor de Parlementsleden!

 
  
MPphoto
 
 

  Bouwman (Verts/ALE). - Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Simpson, mevrouw de commissaris, ik hoopte even nadat ik net het nieuws gezien had, en daar leek het eigenlijk ook een beetje op, dat wij begonnen met een debat over fox hunting dat vanavond ongetwijfeld een uitermate levendig debat in het parlement van Engeland zal zijn. Hier hebben we het ook over gevaarlijke zaken.

Wij hebben de afgelopen tijd in ieder geval één punt naar voren gebracht en wij hebben daarover ook vragen gesteld in een eerder stadium aan de commissaris, met name met betrekking op de vlieguren van piloten. Ik ben blij dat in de tussenliggende periode een situatie ontstaan is waarin de partners er nog eens een keer op gewezen zijn dat zij nu nog de kans hebben om tot overleg te komen of tot afspraken. Zo niet, het is al aangegeven door anderen, dan betekent dat automatisch dat wij de Commissie verzoeken om met regelingen dienaangaande te komen die in ieder geval vermijden dat wij ooit ongelukken krijgen als gevolg van te lange tijden achter de knuppel.

Onderzoek waar wij toen antwoord hebben gekregen duurt voorlopig tegenwoordig te lang en deze onderhandelingen kunnen dat versnellen en wellicht krijgen wij dan op termijn nog een beter inzicht in wat er allemaal kan spelen.

Een punt dat wij tijdens de besprekingen niet aan de orde gesteld hebben, omdat dat pas later is gaan spelen, is het aspect waar wij nog wel een amendement op ingediend hebben, namelijk dat van de lange-afstandsvluchten. Meer en meer begint duidelijk te worden, en daar komen nu ook claims niet alleen in Australië, maar ook in Engeland bij British Airways, dat de lange vluchttijden somtijds kunnen leiden tot gevallen van trombose. Alle zekerheden en alle kennis daarover is nog niet aanwezig, maar het is in ieder geval wel zo dat wij de ernst van de situatie inzien en ons afvragen of het niet verstandig is om de Commissie in dit geval via een amendement, en anders zullen wij dat op een andere wijze doen, te verzoeken te komen tot een aantal initiatieven op dat vlak.

Als laatste, daar hebben wij geen aandacht aan besteed tot nog toe, is het feit dat sommige vliegmaatschappijen met grote vliegtuigen op grotere hoogte beginnen te vliegen en dat leidt ook tot ziekteverschijnselen. Daar komen wij later nog op terug.

 
  
MPphoto
 
 

  Speroni (TDI). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, het verslag van de heer Simpson is werkelijk uitstekend. Ik kan dit zeggen, want ik ben waarschijnlijk een van de weinigen die deze sector door en door kent, niet alleen in politiek, maar ook in technisch opzicht. Ik heb ongeveer tienduizend vlieguren gemaakt als bemanningslid voordat ik mij bezig ging houden met de activiteiten die mij naar dit Parlement hebben gebracht.

Veiligheid is het allerbelangrijkste in de luchtvaart. Hierbij komen twee factoren kijken: de factor techniek, dat wil zeggen vliegtuigen, luchthavens, radioassistentie, luchtverkeersleiding enzovoort, en de factor mens. De factor mens is zeer belangrijk. Deze is weliswaar niet doorslaggevend maar percentueel gezien wel in hoge mate verantwoordelijk voor vliegtuigongelukken. Dit is ook een ingewikkelde factor. Ter vereenvoudiging kunnen wij hierbij twee hoofdcategorieën onderscheiden: training en werklast. Voor de training moet men alle noodzakelijke controle- en testmaatregelen treffen, en daarbij kan ik u uit eigen ervaring zeggen dat alle bemanningen goed getraind zijn; slechte piloten bestaan gewoon niet; slechte piloten vliegen normaal gesproken niet, maar liggen onder de grond. Een andere kwestie is de werklast.

Bij de werklast worden wij echter met enorme problemen geconfronteerd. Enerzijds is men genoodzaakt de vliegtuigen en het personeel zoveel mogelijk te laten vliegen en anderzijds mag men de mens niet boven zijn fysieke en psychische krachten laten werken. Ik denk daarbij vooral aan voldoende slaap, de jetlag, enzovoort. Dat heeft allemaal zijn weerslag, niet alleen op de gezondheid van de cockpitbemanning en het cabinepersoneel, maar ook op de veiligheid.

Daar schuilen dan ook de grote tekortkomingen in de verordening. Hierin wordt vooral aandacht besteed aan technische aspecten, zoals het laden van vliegtuigen, de laadwerkzaamheden, de lengte van de start- en landingsbanen, het overvliegen van het obstakel aan de kop van de startbaan, enzovoort. In de reglementering van de werklast van het personeel schiet deze verordening echter schromelijk te kort. Ik spreek hier niet als vakbondsman; ik spreek vooral als vliegtuigpassagier, als iemand die graag garanties heeft, geen absolute garanties, want die zijn onmogelijk, maar wel optimale garanties, hetgeen betekent dat men uitbuiting van de factor mens moet voorkomen. Uitbuiting kan namelijk fatale gevolgen hebben.

Bovendien moeten wij rekening houden met een andere factor: mededinging. Bij gebrek aan een uniforme regelgeving kan een bepaalde maatschappij door overmatige uitbuiting van het personeel de kosten drukken en dus heel voordelige prijzen hanteren. Op die manier is het mogelijk de normale mededinging in een bijna totaal geliberaliseerde sector volledig scheef te trekken. Soms doet zich zelfs oneerlijke concurrentie voor, en het verbaast mij dan ook ten zeerste dat hier nog steeds geen goede regelgeving voor is uitgewerkt, noch door de Unie in het algemeen, noch door het Europees Parlement in het bijzonder. Het feit dat het Parlement er nog steeds niet in is geslaagd een allesomvattende regeling op te stellen voor heel deze materie, strekt het mijns inziens niet tot eer.

 
  
MPphoto
 
 

  Jarzembowski (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de ondervoorzitter, ik vind deze verordening buitengewoon belangrijk. Sinds 1987 spant het Europees Parlement zich immers al in om de veiligheid van de luchtvaart te verbeteren. Dat betekent dat we ook de dienst- en rusttijden voor zowel het cockpit- als het cabinepersoneel moeten regelen. Ik sluit me aan bij het standpunt van de voorgaande spreker, dat de vertegenwoordigers van de luchtvaartmaatschappijen en van de werknemers nog één laatste kans moeten krijgen om deze kwestie in onderling overleg op een zakelijke manier te regelen.

Wij hebben echter afgesproken dat zij uiterlijk 1 mei van dit jaar met een oplossing moeten komen. Mevrouw de ondervoorzitter, zou u tegen uw diensten willen zeggen dat wij vanaf 1 mei het spelletje niet meer mee spelen. Ik doel hierbij op het spelletje waarbij de Commissie al zes jaar lang op overeenstemming tussen de partijen wacht. Die partijen zijn echter nog niet tot overeenstemming gekomen. De Commissie heeft zich zeer beleefd opgesteld en geen eigen voorstellen gedaan. Als de partijen op 1 mei nog steeds geen overeenstemming hebben bereikt, verwachten wij dat de Commissie een voorstel doet, dat wij dan in de tweede lezing kunnen opnemen. Het is namelijk onaanvaardbaar dat het doorslaggevende aspect voor de veiligheid van de passagiers – namelijk of de gezagsvoerders en de bemanningen zodanig uitgerust zijn dat zij op hun taken berekend zijn – niet geregeld wordt. Deze kwesties moeten geregeld worden!

Sta mij toe om nog een tweede punt aan de orde te stellen dat mij in de Raad van december is opgevallen. Als wij morgen door middel van de eindstemming over de eerste lezing ons oordeel hebben geveld, eis ik – en dat geldt zeker ook voor mijn collega's – dat de Raad een gemeenschappelijk standpunt bepaalt. Wij kunnen nog wel tot mei wachten of beide partijen tot overeenstemming komen, maar in het belang van de veiligheid van de passagiers in Europa kunnen we niet accepteren dat er in de luchtvaart tot en met de zogenaamde oplossing van het Gibraltar-conflict geen beslissingen genomen worden! Daar moeten de Commissie en wij gezamenlijk verandering in brengen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Foster (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, zoals gezegd hebben de Raad en de Commissie in 1989 besloten dat het regelgevingskader voor de burgerluchtvaart moest worden geharmoniseerd om een hoog niveau van veiligheid en eerlijke mededinging binnen de interne markt te waarborgen. Daarom heeft de Gemeenschap verordening 3922/91 van de Raad aangenomen.

Deze verordening bevat een aantal technische voorschriften – JAR’s – die zijn opgesteld door de Joint Aviation Authority. Het was niet de bedoeling van de verordening om een inhoudelijk debat over de JAR’s te heropenen, maar om te harmoniseren. Verder mogen wij niet vergeten dat de JAR-OPS op nationaal niveau ten uitvoer wordt gelegd en ook van toepassing is in Europese landen buiten de EU. Wijzigingen moeten derhalve tot een minimum beperkt blijven, want een situatie met twee verschillende pakketten van voorschriften in Europa is onwerkbaar.

In haar oorspronkelijke voorstel merkte de Commissie vier gebieden aan die in strijd zijn met het Gemeenschapsrecht: ontheffingen, leasen, registratie en opleiding van het cabinepersoneel. Helaas gaat het debat vooralsnog vooral over handbagage en vliegtijdbeperkingen van cabinepersoneel.

Wat het eerste punt betreft, de handbagage: de desbetreffende amendementen staan haaks op de vrije mededinging en kunnen niet worden toegepast op luchtvaartmaatschappijen uit derde landen. Bovendien bestaat er voldoende regelgeving die handbagage verbiedt die niet veilig kan worden weggeborgen. Ik kan dit weten, want ik heb 26 jaar als cabinepersoneelslid gewerkt.

Wat het tweede punt betreft, de vliegtijdbeperkingen: de nationale regeringen hebben reeds strikte regelgeving voor de vliegtijden opgesteld. De burgerluchtvaart valt tegenwoordig onder de arbeidstijdregelgeving.

Los van de vraag of er op 1 mei een akkoord uit de bus komt, moet dit punt worden terugverwezen naar de regeringen van de lidstaten. Het is niet aan het Parlement om regels inzake de vliegtijdbeperking op te stellen.

Tot slot ben ik van mening dat dit soort technische en de veiligheid betreffende verslagen in de toekomst beter behandeld worden in een vereenvoudigde procedure. Dan kunnen de noodzakelijke wijzigingen sneller worden verwerkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Rack (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, in de Europese luchtvaart gaat een aantal dingen anders dan wij zouden willen. Met name het afgelopen jaar heeft voortdurend aangetoond dat het de hoogste tijd is dat er meer communautaire oplossingen nodig zijn om het luchtverkeer in het Europese luchtruim weer in ordentelijke banen te leiden. Om over de mooie droom van Reinhard Mey over de onbegrensde vrijheid achter de wolken nog maar even te zwijgen.

Vliegen moet bovenal veilig zijn. Dat vliegen veilig blijft en dat er nog verbeteringen doorgevoerd moeten worden, willen we allemaal. Dat geldt zeker voor de rapporteur, de heer Simpson, die we mogen bedanken voor zijn uitstekende verslag.

Over de vraag hoe die grotere veiligheid gerealiseerd moet worden, lopen de meningen nogal uiteen. Ik vind zelf, en gelukkig sta ik daarin niet alleen, dat de praktische taak van de regulering van de veiligheidsvoorschriften overgelaten moet worden aan de Europese instantie voor de luchtverkeersveiligheid. Ik denk daarbij met name aan de bezetting van de cabine en aan de opleiding van het cabinepersoneel. Het zou toch voldoende moeten zijn als de Europese wetgever de vereiste doelstellingen formuleert zonder dat daarbij op al te veel details ingegaan moet worden. Helaas was er voor een consequente doorvoering van dit standpunt niet altijd een meerderheid in de Commissie vervoer te vinden. Als gevolg daarvan staan er in de tekst waarover morgen de eindstemming plaatsvindt, ook enkele veel te gedetailleerde voostellen, bijvoorbeeld over de invulling van de opleiding. Dat had wat mij betreft een stuk minder gekund!

Hoe het ook zij, Europa heeft nog veel werk voor de boeg op het gebied van de luchtvaart. Wat na Nice in het algemeen geldt, is hier ook in het bijzonder van toepassing, namelijk dat we zouden moeten streven naar minder oplossingen op lidstaatniveau ten faveure van een omvattender Europese aanpak. Het verslag-Simpson is een goede stap op weg naar die bestemming. Morgen moeten we dan ook besluiten om die weg in te slaan en deze vervolgens op politiek overtuigende wijze helemaal afleggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ripoll y Martínez de Bedoya (PPE-DE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de vice-voorzitter van de Commissie, in het verleden heeft het Parlement altijd gepleit voor de harmonisatie van veiligheidsnormen op het hoogst mogelijke niveau van de Unie. Wij moeten aan deze lijn vasthouden en onze inzet zichtbaar maken voor de burger, want die lijdt steeds sterker onder de problemen van de Europese ruimte.

Wij zijn het er allemaal over eens dat het hier gaat om de opheffing van nationale afwijkingen en dat wij gemeenschappelijke, zo streng mogelijke veiligheidsnormen moeten opstellen. De veiligheid van de luchtvaart stopt niet aan de grenzen van de Unie en het is van belang dat de Europese burgers die reizen of die in de nabijheid van een luchthaven wonen, erop kunnen vertrouwen dat de vliegtuigen uit derde landen aan alle normen voldoen. Daarom moet de Europese Unie controlemechanismen in het leven roepen om – in overeenstemming met de internationale regels – te kunnen waarborgen dat vliegtuigen uit derde landen die op onze luchthavens landen, de internationale veiligheidsvoorschriften naleven. Dit vereist gemeenschappelijke controlemechanismen alsmede technische en administratieve bijstand.

Verder moet de luchtverkeersveiligheid een kwestie van internationale samenwerking worden, in het kader van zowel de bestaande instrumenten voor technische bijstand als van de ondersteuning van investeringen in derde landen.

Ter afronding, mijnheer de Voorzitter: wij moeten de werkzaamheden van de Commissie op dit ingewikkelde terrein steunen. Er moet een Europese instantie voor de luchtverkeersveiligheid worden opgericht en er moet een onafhankelijk stelsel van normen komen voor de rusttijden van de bemanning.

 
  
MPphoto
 
 

  De Palacio, Commissie. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil in de eerste plaats de heer Simpson bedanken voor zijn uitstekende werk als rapporteur voor dit voorstel. Ik denk dat zijn werk er in belangrijke mate toe heeft bijgedragen dat het Parlement een zeer technisch en ingewikkeld voorstel kan begrijpen, dat niet gemakkelijk te vertalen is in voor Jan Modaal begrijpelijke taal. Daar is de rapporteur uitstekend in geslaagd.

De door ons voorgestelde wijziging van de geldende verordening heeft een tweeledig doel: in de eerste plaats een verdergaande harmonisatie van het regelgevingskader op het gebied van de luchtverkeersveiligheid door de harmonisatie uit te breiden tot de operatieve voorschriften voor vliegtuigen; ten tweede het opstellen van procedures om de Gemeenschap in staat te stellen tot het beheer van afwijkingen en varianten die de lidstaten om operatieve redenen soms moeten invoeren.

Van de technische voorschriften behandelt het verslag vooral twee aspecten. Evenmin als de normen van de JAA, die deze voorschriften heeft opgesteld, omvat het voorstel van de Commissie voorschriften inzake de vlieg- en diensttijden en de rusttijden. Dit is een uiterst controversiële materie, waarover men het binnen de JAA niet eens is geworden.

De Commissie hoopt uiteraard op een akkoord van de sociale partners die de luchtvaartmaatschappijen en bemanning vertegenwoordigen. De heer Simpson roept hen op om vrijwillig tot een akkoord inzake veiligheid en de vlieg- en diensttijden en de rustvoorschriften te komen. Mochten zij er niet in slagen tegen mei een resultaat op tafel te leggen, dan moeten wij overwegen of wij niet moeten ingrijpen.

Hoe het ook zij, de Commissie aanvaardt de geest van de amendementen 12, 13 en 17, maar de formulering moet wel worden aangepast.

Wat amendement 1 betreft, deelt de Commissie de wens van het Parlement dat de vlieg- en diensttijdsen en de rustvoorschriften in verband met de veiligheid worden gereguleerd. De Commissie geeft er echter de voorkeur aan dat deze doelstelling niet alleen wordt nagestreefd met het voorstel dat wij vandaag bespreken. Er zijn nog andere mogelijkheden, zoals een wijziging van de verordening na de aanneming van dit voorstel. Ik wil daar nog aan toevoegen dat elk voorstel van de Commissie in de toekomst het hoge niveau van veiligheid zal moeten waarborgen dat ons allemaal aan het hart ligt. Als de Commissie derhalve op basis van het zojuist genoemde vrijwillige akkoord van de sociale partners een voorstel zal voorleggen, dan zal zij dit akkoord aanpassen indien dat hoge niveau van veiligheid dat vereist. Met dit voorbehoud aanvaardt de Commissie de geest van amendement 1.

Dan zijn er nog verschillende amendementen over het cabinepersoneel. Dit voorstel behandelt de operatieve voorschriften voor het cabinepersoneel. De voorschriften inzake opleiding en certificering van de vakbekwaamheid worden in een afzonderlijk, aanvullend voorstel van de Commissie behandeld. Wij moeten oppassen dat er geen tegenstrijdigheden tussen deze teksten ontstaan.

De amendementen 9 en 10 kunnen wij in hun huidige vorm aanvaarden, maar de formulering van de amendementen 6, 7, 8, en 11 moet worden gewijzigd, evenals die van 12, 13, en 17, die wij in beginsel aanvaarden mits de formulering wordt aangepast.

De amendementen over de technische voorschriften, concreet 4, 5, en 16, zijn aanvaardbaar. Overigens weerspiegelt de uiteindelijke tekst van amendement 4 de oplossing die de Raad voor dit probleem heeft gevonden.

De Commissie kan de amendementen 2, 14 en 15 over de procedures voor de goedkeuring van tijdelijke varianten en afwijkingen niet aanvaarden. De raadpleging die deze amendementen voorzien, is reeds een institutionele verplichting van de Commissie.

Wij verwerpen ook amendement 3, omdat de verordening zal worden ingetrokken zodra de Europese instantie voor de luchtverkeersveiligheid is opgericht.

De twee punten van amendement 18, tenslotte, betreffen veeleer de gezondheid van de passagiers en niet de operationele veiligheid van de vluchten als zodanig. Zoals vermeld in de mededeling over de bescherming van de passagiers in het luchtvervoer, is de Commissie van plan een comité van deskundigen bijeen te roepen om de risico’s voor de gezondheid van de passagiers, ook ten gevolge van kosmische straling, te bestuderen, om te beoordelen wat de risico’s zijn en of er maatregelen nodig zijn.

Wat de trombose betreft waar sommigen onder u het over gehad hebben, heeft de Commissie de luchtvaartmaatschappijen schriftelijk medegedeeld dat zij de reizigers op de hoogte moeten stellen van de risico’s, vatbaarheid en wat zij kunnen doen om de risico’s van trombose en voor de gezondheid in het algemeen te verkleinen. De Commissie is van mening dat de verstrekking van deze informatie een belangrijke voorzorgsmaatregel is die aansluit bij de versterking van de rechten van de passagier.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Hartelijk dank, mevrouw de commissaris.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

 

9. Prioriteiten op het gebied van verkeersveiligheid
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A5-0381/2000) van mevrouw Hedkvist Petersen, namens de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme, over de mededeling van de Commissie aan de Raad, aan het Europees Parlement, aan het Economisch en Sociaal Comité en aan het Comité van de regio's - Prioriteiten op het gebied van verkeersveiligheid in de Europese Unie: voortgangsrapport en rangschikking van acties naar prioriteit.

 
  
MPphoto
 
 

  Hedkvist Petersen (PSE) , rapporteur. - (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik wil allereerst een woord van dank uitspreken aan het adres van al mijn collega’s van het Parlement en de parlementaire commissie voor de ondersteuning die ik heb ondervonden bij het werk aan dit rapport.

De veiligheid op onze wegen is iets wat ons allen aangaat, of we nu zelf verkeersdeelnemers zijn of dat iemand in ons gezin of een vriend is verongelukt of gewond geraakt. Transport over de weg is de meest voorkomende en snelst groeiende wijze van reizen en vervoeren van artikelen en goederen, maar tevens de gevaarlijkste. Jaarlijks komen er op onze Europese wegen meer dan 42.000 mensen om het leven. Dat betekent meer dan 800 per week en ruim 115 personen alleen al vandaag. Verkeersongelukken vormen op dit moment de gebruikelijkste doodsoorzaak van kinderen en jongeren - ja van iedereen onder de leeftijd van 45 jaar - in de EU. Daarnaast raken er jaarlijks miljoenen mensen ernstig gewond en velen blijven levenslang gehandicapt. Het gaat om groot menselijk lijden en om hoge kosten voor de samenleving.

Dergelijke aantallen doden zouden we nooit tolereren in de luchtvaart of in het spoorwegverkeer, waar we een volledig andere manier van denken over veiligheid hanteren. Om het aantal verkeersdoden op onze wegen te verminderen moeten we dus dezelfde manier van denken introduceren voor onze wegen, want ook daar is sprake van een gecompliceerd systeem voor het samenspel tussen mensen en machines, dat tegen menselijke vergissingen bestand moet zijn.

De doelstelling op de lange termijn moet zijn dat niemand gedood of ernstig gewond wordt. Om dat te realiseren moeten we tot een geïntegreerde aanpak komen, waarbij de uiteindelijke verantwoordelijkheid ligt bij degenen die de wegen en de omringende infrastructuur vormgeven. De verkeersdeelnemers hebben de verantwoordelijkheid om de ingestelde regels en wetten na te leven.

De mededeling van de Commissie bevat een rangschikking naar prioriteit van maatregelen voor de resterende programmaperiode. Ik ben het met de Commissie eens inzake het belang van een aantal van deze maatregelen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de steun aan EuroNCAP, voorlichtingscampagnes, wetgeving over snelheidsbegrenzers in lichte bedrijfsvoertuigen en niet in de laatste plaats wetgeving betreffende veiliger voorkanten van voertuigen.

Ik heb mij in mijn rapport vervolgens geconcentreerd op de komende programmaperiode, die zich over een langere periode moet uitstrekken - laten we zeggen over de periode 2002-2010 - teneinde een strategie op de langere termijn mogelijk te maken. Maar als het de Commissie werkelijk ernst is met haar ambities om het aantal doden terug te dringen, moet men bij zijn werkzaamheden in de eerste plaats een hogere prioriteit geven aan het hele vraagstuk van verkeersveiligheid op de weg, want krachtige maatregelen zijn hier dringend gewenst.

Allereerst moet een geloofwaardige strategie tegen de dood in het verkeer de eerstkomende tien jaar concrete numerieke doelstellingen bevatten om het aantal doden te verminderen. De parlementaire commissie suggereert de doelstellingen die het Parlement reeds drie jaar geleden opstelde. Maar doelstellingen op EU-niveau zijn niet voldoende concreet voor de lidstaten, waar immers een groot gedeelte van het werk wordt gedaan. Daarom moet elke lidstaat zelf eigen verkeersveiligheidprogramma’s opstellen, hetgeen op dit moment nog niet iedereen heeft gedaan, met strategieën om de nationale doelstellingen te realiseren. Dat kan natuurlijk van land tot land verschillen, al naargelang traditie en cultuur. Maar vervolgens moet de Commissie bekijken in hoeverre de landen hun strategieën naleven en een bijdrage leveren aan de uitwisseling van ervaringen en beste praktijen.

Tevens is er op een aantal belangrijke terreinen Europese wetgeving nodig. Door alcoholgebruik vallen er jaarlijks ongeveer 9.000 verkeersdoden. De ontwikkeling laat bovendien zien dat er steeds meer jonge mensen dronken achter het stuur zitten. Door de invoering van een richtlijn met een maximaal alcoholpromillage van 0,5 promille in het bloed kunnen naar schatting ongeveer 1.000 levens gered worden. Helaas heeft de Commissie haar oude ontwerprichtlijn ingetrokken - dat wat het Parlement in 1997 steunde en wat de parlementaire commissie ook nu steunt. De Commissie heeft gezegd dat rijden onder invloed een zaak van subsidiariteit is. Maar hoe kan dat het geval zijn? Rijden met alcohol in je bloed kan in Groot-Brittannië, Italië, Ierland en Luxemburg, waar een promillage van 0,8 geldt, toch niet minder gevaarlijk zijn dan in de rest van Europa? Wij hebben competentie op het gebied van verkeersveiligheid in de EU. Ik ben van mening dat we daarvan gebruik moeten maken op juist die terreinen waar van werkelijk effect sprake is, en dat is er in het geval van alcohol en autorijden. Op dit punt verwacht ik initiatieven van de Raad en het Zweedse voorzitterschap.

Ik kan niet inzien hoe we als Europese politici geloofwaardig kunnen blijven als we aan de ene kant zeggen dat verkeersveiligheid belangrijk is en aan de andere kant niet bereid zijn belangrijke besluiten te nemen. Ik heb begrepen dat de Commissie vandaag met een aanbeveling van 0,5 promille is gekomen, maar ik moet zeggen dat ik het opmerkelijk vind dat deze juist vandaag komt, op het moment dat het Parlement over de kwestie spreekt en voordat het Parlement gestemd heeft. De Commissie had met andere woorden de discussies in het Parlement moeten afwachten.

Hiernaast en naast passages over veiliger voorkanten van voertuigen staat er in het verslag nog een aantal andere belangrijke voorstellen voor maatregelen ter verbetering van de verkeersveiligheid. Ik noem zaken als verlichting overdag, rijlessen en telematische systemen.

Tot slot: een zaak die naar mijn idee van het allergrootste belang is, maar die helaas niet door de parlementaire commissie kwam, is die van de noodzaak van betere werkomstandigheden voor beroepschauffeurs.

Mijnheer de Voorzitter, het Europees Parlement is altijd een drijvende kracht geweest als het om een grotere verkeersveiligheid ging en dat moet zo blijven. Het gaat om het leven en de gezondheid van talloze, maar vooral jonge, Europese burgers.

 
  
MPphoto
 
 

  Vatanen (PPE-DE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, 40.000 dodelijke slachtoffers op de Europese wegen zijn er 40.000 te veel. Dit Parlement reageert heftig op allerlei verschijnselen in de hele wereld, maar wij vestigen te weinig aandacht op het werk dat magere Hein op de Europese wegen verricht. Zonder de gekkekoeienziekte ook maar enigszins te bagatelliseren, vraag ik u, deze te relativeren. In het verkeer sterven in vergelijking met BSE duizend keer zo veel medemensen. Dat zou reden tot paniek moeten zijn.

Ik bedank de Commissie voor de uitvoerige analyse. Europese samenwerking is meer dan nodig, omdat de verschillen in verkeersveiligheid binnen de Gemeenschap dramatisch zijn. In Portugal overlijden naar verhouding vier maal zoveel mensen in het verkeer als in Groot-Brittannië. In elk land kan echter veel worden verbeterd. Het verkeersmilieu moet zo veilig mogelijk worden gemaakt, maar de chauffeur is altijd verantwoordelijk voor de veiligheid van zichzelf en zijn medepassagiers. Een auto in de garage is volstrekt ongevaarlijk, maar verkeerd gebruikt is hij een wapen. Verkeersregels zijn niet gelijk aan recepten uit een kookboek, die iedereen aan zijn eigen smaak kan aanpassen. De tijd van individualisme op onze wegen is voorbij: wij moeten ons op onze wegen net zo onvoorwaardelijk aan de regels houden als in de luchtvaart.

Ik stel drie belangrijke manieren voor om het aantal verkeersdoden te verminderen. Allereerst het respecteren van de maximumsnelheid. Ik rij vaak in de mij dierbare landen aan de Middellandse Zee en, geloof het of niet, ik houd mij aan de maximumsnelheid, maar ik word voortdurend ingehaald. Dat is ook niet verwonderlijk, omdat ik slechts hoogst zelden een snelheidscontrole zie. De ongevallenstatistieken voor die regio's spreken dan ook duidelijke taal. Roekeloosheid wordt betaald met mensenlevens en de tranen van de nabestaanden. In Europa overschrijdt zo'n twee derde van de chauffeurs de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom, en de helft doet dat op de autowegen. Als de gekke koeien uit de wei moeten worden gehaald, dan moeten de stuntmannen van de wegen worden gehaald. Doeltreffende, maar niet erg geliefde middelen zijn de automatische snelheidscontrole en zware straffen. In mijn land, Finland, zijn boetes van 100.000 euro die sommigen moeten betalen, pure geldinning.

Ten tweede: in vino veritas - de waarheid zit in de wijn. Het is ook waar dat alcohol bij maar liefst 9.000 dodelijke ongelukken een rol heeft gespeeld. Ik vind het van belang dat in alle lidstaten wordt overgegaan op een alcohollimiet in het bloed van 0,5 promille en dat daarop ook wordt gecontroleerd. Als de lidstaten de moed ontbreekt dat te realiseren, moet het met Europese besluitvorming worden geregeld. Burgers moeten soms tegen hun eigen regeringen worden beschermd. Bij herhaalde en ernstige gevallen van dronkenschap achter het stuur moet een langdurig rijverbod worden opgelegd en moet de auto in beslag worden genomen.

Het derde punt heeft betrekking op de belastingheffing. Hoge autobelastingen leiden tot een oud en onveilig wagenpark. Mijn land is daar een treurig voorbeeld van. Finland is het Cuba van Europa wat betreft de leeftijd van auto's. Auto's die voldoen aan strikte veiligheidsnormen moeten van belastingverlaging kunnen profiteren. De belastingheffing moet ook in het algemeen zijn gericht op het gebruik van de auto en niet op de aanschaf ervan. Waarde collega's, ik wens u een veilige reis. Denkt u eraan ook op de achterbank de veiligheidsgordels om te doen!

 
  
MPphoto
 
 

  Watts (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats wil ik de rapporteur bedanken voor het uitstekende werk dat zij voor ons heeft verricht. Ik wil ook de heer Vatanen bedanken voor zijn bijdrage namens de EVP-Fractie. Ik ben het met veel van zijn opmerkingen volledig eens, niet in de laatste plaats met wat hij zei over het maximaal toegestane alcoholgehalte in het bloed. Ik wil mij vanavond op twee punten concentreren, namelijk veiliger voorkanten van auto’s en het belangrijke punt van het alcoholgehalte in het bloed.

Wat de veiliger voorkanten van auto’s betreft, benadrukt de rapporteur de noodzaak van een Commissievoorstel voor een richtlijn. Overigens heeft de bevoegde commissaris het Parlement in januari vorig jaar, een jaar geleden, beloofd dat er een richtlijn inzake veiliger voorkanten van auto’s zou komen. Wij zijn nu een jaar verder en er is geen richtlijn. In februari wordt er een hoorzitting gehouden. Nog meer woorden, maar geen daden. Intussen zijn het afgelopen jaar tweeduizend mensen nodeloos omgekomen omdat de Commissie liever praat dan handelt. Ik hoop dat de Commissie vanavond en morgen luistert naar de stemming van het Parlement en besluit om haar belofte van een richtlijn waar te maken. Maar alstublieft, geen woorden meer, het is tijd voor daden.

Hetzelfde geldt voor het alcoholgehalte in het bloed. Er wordt hier nu al jaren over gesproken. Wij weten allemaal dat jaarlijks tienduizend mensen omkomen bij ongevallen waarbij drank een rol speelt. Wij moeten dit probleem aanpakken. Maar ik vind het zeer ironisch dat de Commissie haar conclusies al heeft getrokken. Het kan toch geen toeval zijn dat de Commissie een aanbeveling voorlegt over alcohol in het verkeer op dezelfde dag dat het Parlement er een debat over voert en één dag voordat het erover stemt? Het was toch sympathiek geweest als de Commissie naar ons debat had geluisterd en de uitkomst van de stemming had afgewacht in plaats van de parlementaire procedures de pas af te snijden en met een aanbeveling te komen. Wij weten dat een aanbeveling helaas het papier niet waard is waarop zij wordt gedrukt. De lidstaten hebben behoeft aan een duidelijke oriëntatie en vragen daar ook om. Wij zijn van mening dat het hoog tijd is dat de commissaris het alcoholgebruik in het verkeer streng aanpakt en een richtlijn voorlegt die een maximum-alcoholgehalte in het bloed van 0,5 promille voorschrijft.

In het Verenigd Koninkrijk, dat traditioneel een goede reputatie had op dit gebied, hebben wij tijdens de kerstperiode helaas een stijging vastgesteld van het aantal mensen die drinken en rijden. In delen van mijn eigen regio had 17% van de onderzochte automobilisten een hoger alcoholgehalte in het bloed dan de in het Verenigd Koninkrijk geldende limiet van 0,8 promille. Het is duidelijk dat wij moeten optreden. De Britse regering vraagt om een oplossing op Europees niveau. Mag ik derhalve de commissaris verzoeken om te luisteren naar het debat en rekening te houden met de uitkomst van de stemming van morgen?

 
  
MPphoto
 
 

  Sanders-ten Holte (ELDR). - Voorzitter, mevrouw de commissaris, allereerst dank ik de rapporteur voor haar uitstekende verslag over een onderwerp waar elke burger overal in Europa dagelijks mee te maken heeft, namelijk zijn eigen veiligheid op de weg en die van onze kinderen. Ik wil ingaan op drie punten.

Ten eerste wil ik pleiten voor Europese wetgeving op het gebied van een Europese pedestrian test en de vier daarmee verbonden botsproeven. Het is na 22 jaar Europees gesubsidieerd onderzoek volstrekt duidelijk dat deze proeven hun nut hebben en dat daarmee honderden levens op jaarbasis gespaard kunnen worden. Dat is zeker in een dichtbevolkt land als Nederland, maar ook elders natuurlijk, voor veel voetgangers en fietsers van het allergrootste belang.

Het is natuurlijk sympathiek van commissaris Liikanen de auto-industrie weer meer tijd te geven om te komen tot eigen afspraken, the bottom-up approach, en weer tot juni maar nu in 2001, maar het is mij allemaal te lang. Besturen is ook keuzes maken. De tijd is er rijp voor.

Een tweede punt dat ik aan de orde wil stellen, is de alcohollimiet in het bloed. Een aantal leden van mijn fractie zal het voorstel van de rapporteur steunen om te komen tot een EU-verordening voor een alcohollimiet van 0,5 promille. Wij willen deze grens niet oprekken, maar wij vinden wel dat harmonisatie van deze limiet de rechtszekerheid van de burger zal vergroten in een Unie waarin vele burgers dagelijks de interne grenzen overschrijden en waarin wij juist de mobiliteit van de werknemers willen bevorderen. Ik ben overigens niet voor het instellen van lagere limieten voor bepaalde categorieën jonge weggebruikers. Het signaal moet duidelijk zijn. Een norm is veilig of niet veilig. En 0,5 promille is mijns inziens een sociaal verantwoorde, goed meetbare en handhaafbare hoeveelheid.

Dan, mevrouw de commissaris, wil ik nog even kwijt dat ik het buitengewoon onelegant vind ten opzichte van ons Parlement dat, vooruitlopend op het debat van vanavond waarin toch gepleit wordt voor een verordening voor de alcohollimiet, de commissaris nu kennelijk al besloten heeft dat een aanbeveling aan de lidstaten voldoende is. Dat werkt vrijblijvendheid in de hand en zal de duidelijkheid voor de burger zeker niet vergroten.

Een laatste punt is de lange-termijnnuldoelstelling. Daar heb ik moeite mee. Een doelstelling moet realistisch zijn, haalbaar zijn, dat werkt motiverend en stimulerend. Natuurlijk kunnen wij het aantal slachtoffers verminderen, maar tot nul reduceren blijft een vrome wens.

 
  
MPphoto
 
 

  Bautista Ojeda (Verts/ALE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, om te beginnen wil ik mevrouw Hedkvist Petersen bedanken voor haar uitstekende werk. De ongevallen en de zeer grote aantallen slachtoffers op de Europese wegen kennen uiteenlopende oorzaken. Het verslag geeft een overzicht van de belangrijkste oorzaken. Daarnaast stelt de Commissie in haar mededeling over de prioriteiten op het gebied van verkeersveiligheid in de Europese Unie zes prioriteitsgebieden vast die de beste resultaten beloven.

Ik wil vooral ingaan op de aanpak van plaatsen met een hoge ongevallenfrequentie en op de vermindering van de gevolgen van botsingen tegen weginfrastructuur. Een groot aantal slachtoffers van verkeersongevallen betreft verkeersdeelnemers op twee wielen, motorrijders en fietsers. De wegen zijn ook voor hen bestemd. Omwille van culturele en klimatologische factoren komen deze vooral in bepaalde lidstaten voor. Uit studies is gebleken dat de ernst van een groot aantal ongevallen, met dodelijke afloop of met ernstige gevolgen, te wijten is aan botsingen tegen verkeersborden of vangrails die zijn ontworpen voor de veiligheid van voertuigen op vier wielen.

Een groot deel van deze ongevallen vindt plaats op specifieke gevarenpunten (“black spots”). Deze worden in sommige lidstaten reeds in kaart gebracht. Mijn amendement op het wetgevingsvoorstel inzake ontwerp en plaatsing van zachte beschermende infrastructuur op gevarenpunten is derhalve niet belangeloos. Wij mogen ons niet beperken tot een vrijblijvende aanbeveling aan de lidstaten of een verwijzing naar de subsidiariteit, want dat zou de uitvoering op losse schroeven zetten.

Wij moeten moed opbrengen en wetgeving opstellen en een grotere mate van harmonisatie realiseren. Wij moeten maatregelen nemen die voetgangers en fietsers in staat stellen om veilig aan het verkeer deel te nemen en oplossingen vinden om het zware vrachtvervoer, tenminste in de bebouwde kom, te verminderen. Laten wij, zoals de Commissie in 1986 voorstelde, een ambitieus regelgevingskader opstellen, en de snelheidsbeperkingen harmoniseren en de passieve houding van de lidstaten doorbreken. Wij moeten greep krijgen op de milieueffecten van het verkeer, zoals geluidsoverlast en milieuvervuiling. Voorts ben ik van mening dat een maximaal toegestaan alcoholgehalte in het bloed bindend moet worden vastgelegd.

Tot slot wil ik mevrouw de commissaris bedanken voor haar open opstelling tegenover onze voorstellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Markov (GUE/NGL). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, geachte collega's, het rampzalige aantal van 42.000 dodelijke slachtoffers dat jaarlijks op de wegen van de Europese Unie te betreuren valt en de naar schatting 1,7 miljoen gewonden, herinneren ons er voortdurend aan dat de verkeersveiligheid een belangrijk probleem is, dat hoge prioriteit dient te krijgen. Achter deze aantallen zit niet alleen groot persoonlijk leed verborgen, maar zij vertegenwoordigen ook enorme economische verliezen respectievelijk kosten. Het gaat naar schatting om een bedrag van 100 miljard euro, wat overeenkomt met ongeveer 2% van het BNP van alle Europese lidstaten samen. Dat is meer dan de lidstaten van de Europese Unie gezamenlijk aan cultuur uitgeven.

Ik wil de rapporteur graag bedanken, met name vanwege de aandacht die zij besteed heeft aan drie belangrijke thema's: voorkoming van ongevallen, voorkoming van letsel, en nazorg in de vorm van behandeling en revalidatie. Naar mijn mening blijkt hieruit dat de verkeersveiligheid niet door middel van geïsoleerde maatregelen op het gewenste niveau gebracht kan worden. Dat is alleen maar mogelijk via een totaalpakket aan maatregelen, dat gericht is op een groter verkeersbewustzijn, snelheidsbeperkingen, beperking van het alcoholgebruik, betere wegconstructies en verkeersgeleidingssystemen, betere veiligheidsnormen voor de voertuigen, een betere controle op de naleving van de verkeersregels, en ook een permanente controle op de voertuigen die aan het verkeer deelnemen.

Daarom vind ik het ook bijzonder jammer dat het amendement betreffende de harmonisering van het opnieuw tot het verkeer toelaten van voertuigen die in de Europese Unie bij een ongeluk betrokken zijn geweest, niet is aangenomen. Uit onafhankelijke onderzoeken is namelijk duidelijk gebleken dat er een aanzienlijk grotere kans bestaat dat voertuigen die ooit bij een ongeluk betrokken zijn geweest, opnieuw betrokken raken bij een ongeluk met een verhoogd risico op dodelijke slachtoffers.

Ik wil nog even kort ingaan op wat de vorige spreker zei. U weet dat ik een amendement heb ingediend waarin de aandacht met name uitgaat naar het probleem van de motorrijders en de vluchtstroken. Ik zou erg blij zijn als u en uw fractie dat amendement morgen overnemen, omdat ik zelf motorrijder ben en ik daardoor uiteraard goed bekend ben met dit probleem.

 
  
MPphoto
 
 

  Jarzembowski (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik kan de Commissie alleen maar steunen in haar streven om geen communautaire verordening op te stellen betreffende alcoholpercentages in het bloed. Mijn collega's voeren een schijnheilig debat; een compleet schijnheilig debat. Bij de hervatting van de behandeling van de voorstellen uit de vorige periode hebben wij samen met de socialisten besloten dat we geen communautaire wetgeving willen. Wat voor ons cruciaal is, is dat er gecontroleerd wordt! Dat is het doorslaggevende element, niet wat er in de wet staat! Essentieel is dat er ter plekke controles plaatsvinden. Ik kan mijn Engelse collega alleen maar zeggen dat als de Engelse politie met de kerstdagen zou controleren, zij mensen de deelname aan het verkeer zou ontzeggen en daardoor ongelukken zou voorkomen.

Ik kan daarom alleen maar herhalen dat controles van de alcoholbloedspiegel van essentieel belang zijn, en niet een communautaire verordening. Daarom kunnen wij het eerste gedeelte van amendement 4 ook niet goedkeuren. Als u daar toch aan vasthoudt, zal mijn fractie de complete resolutie van mevrouw Petersen verwerpen. Er wordt hier namelijk een schijnheilig debat gevoerd om een communautaire wettelijke maatregel tot stand te brengen die helemaal niet nodig is. Praat eens met uw landen. De meeste lidstaten zijn voorstander van een promillage van 0,5 en dat is ook de algemene opvatting van dit Parlement. Een dergelijk promillage voldoet prima, zoals de Commissie ook terecht heeft opgemerkt. Wij kunnen dat al die landen aanbevelen. U moet juist met die landen gaan praten, geachte collega, die dat promillage niet hanteren!

Het gaat dus niet om dit schijndebat en ook niet om wat er in de wet staat. Essentieel is dat de politie ter plekke controles uitvoert en iedereen uit het verkeer haalt die te veel gedronken heeft. Alleen op die manier ontstaat er een grotere verkeersveiligheid.

Verder zullen we ook amendement 6 niet steunen. Via dit amendement proberen de groenen opnieuw een schijndebat te voeren door een algemene snelheidsbeperking van 120 km/u in te willen voeren. Op de meeste wegen van Europa geldt al een snelheidsbeperking. In mijn land geldt er al een snelheidsbeperking voor 95% van het weggennet. En waar gebeuren de ongelukken? Juist ergens op die 95% van het wegennet omdat ook hier niet genoeg snelheidscontroles plaatsvinden. Kortom, met minder wetten en meer controles bewijzen we de verkeersveiligheid de beste dienst.

 
  
MPphoto
 
 

  Mastorakis (PSE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, waarde collega's, als je sterft ten gevolge van het gebruik van radioactieve wapens, ben je het slachtoffer van de ongevoeligheid van je medemens. Als je echter omkomt bij een verkeersongeluk, ben je het slachtoffer van de roekeloosheid van je medemens. De overheid mag echter niet roekeloos zijn; zij moet niet alleen precies weten wat zij doet, maar zij moet zelfs de burger tegen zijn eigen roekeloosheid beschermen.

Het uitstekende verslag van mevrouw Hedkvist Petersen over de mededeling van de Commissie over de prioriteiten op het gebied van de verkeersveiligheid gaat die kant uit en geeft aan welke weg wij moeten volgen. Onze activiteiten moeten drie richtingen uitgaan: ten eerste regelgeving, ten tweede toepassing van nieuwe technologieën bij de bouw van voertuigen en de aanleg van wegeninfrastructuur, en ten derde administratieve maatregelen en voorlichting.

Natuurlijk moet men erop toezien dat de genomen maatregelen goed aankomen bij het grote publiek; anders zullen zij niet veel effect sorteren. Bij deze maatregelen moet echter ook rekening worden gehouden met de in andere lidstaten opgedane ervaringen. Dan zal men altijd de gulden middenweg vinden en buitensporigheden kunnen vermijden. Zo zouden wij allen moeten instemmen met een drastische vermindering van de alcohollimiet voor bepaalde categorieën chauffeurs; ik denk bijvoorbeeld aan chauffeurs die gevaarlijke ladingen vervoeren. Verder moet men de nieuwe technologieën toepassen bij de praktische tenuitvoerlegging van de genomen maatregelen en bij de controle op de eerbiediging daarvan. Natuurlijk moeten wij ook de regionale en lokale instanties nauwer betrekken bij de verbetering van de verkeersveiligheid. Wij moeten namelijk de burger rechtstreeks zien te benaderen en daarom de voorlichtingscampagnes onverdroten voortzetten. Daarbij moeten wij ook “intelligente” methoden gebruiken om met name de jongeren te kunnen benaderen.

Misschien zou het eveneens goed zijn te overwegen of veilige auto's niet in aanmerking kunnen komen voor bijvoorbeeld vermindering van wegenbelasting, en of er misschien geen minimale veiligheidsvoorschriften per wegcategorie moeten worden ingevoerd. Dan kan men ook door de Europese Unie gesubsidieerde programma’s voor wegenplanning en -bouw opzetten. Tot slot verzoeken wij de Commissie niet zo hard te rijden als het om dergelijke vraagstukken gaat: dat is niet goed voor de verkeersveiligheid!

 
  
MPphoto
 
 

  Costa, Paolo (ELDR).(IT) Mijnheer de Voorzitter, verkeersongelukken zijn een regelrecht drama – een dermate veronachtzaamd drama echter, dat elk initiatief gerechtvaardigd is. Men moet zo snel mogelijk iets ondernemen, op elk regeringsniveau en in elke richting: het menselijk gedrag, de infrastructuur en de vervoersmiddelen. Er kan maar één selectiecriterium zijn – ofschoon dit, gezien het tot nu toe gevoerde debat, waarschijnlijk heel veel voeten in aarde zal hebben – en dat is de keuze van maatregelen die veel opleveren en gemakkelijk toepasbaar zijn.

Mijns inziens zullen maatregelen voor het menselijk gedrag en de infrastructuur de snelste resultaten opleveren. Het verplichte gebruik van helmen en veiligheidsgordels heeft bijvoorbeeld in mijn land uitzonderlijk goede resultaten opgeleverd. Vorig jaar werd het dragen van een helm verplicht gesteld. Daardoor is het aantal omgekomen motorrijders met 45% verminderd, ongeacht de leeftijd. Ik besef heel goed dat maatregelen zoals helmen en veiligheidsgordels een kwestie van enforcement, van tenuitvoerlegging zijn. Als deze maatregelen echter niet worden opgelegd, blijven zij een dode letter. Dan zijn het maatregelen die alleen op papier staan. Dat mag ons echter niet beletten nauwkeurige aandacht te besteden aan de band tussen alcoholgebruik en verkeersongelukken. Ik zou derhalve niet gekant zijn tegen een meer algemeen toegepaste alcohollimiet, ook indien mijn land daardoor misschien zal moeten lijden.

 
  
MPphoto
 
 

  Cauquil (GUE/NGL).(FR) Mijnheer de Voorzitter, wij zullen stemmen voor het verslag over de prioriteiten op het gebied van verkeersveiligheid in de Europese Unie. In het verslag worden immers concrete maatregelen voorgesteld om het aantal doden bij verkeersongelukken te verminderen. Het is krankzinnig dat dergelijke ongelukken de meest voorkomende doodsoorzaak van kinderen en burgers onder de 45 jaar vormen. Het merendeel van de overigens positieve maatregelen heeft alleen betrekking op de autogebruiker, terwijl de verantwoordelijkheid niet bij de autoproducenten, de overheid en, meer algemeen, de sociale organisatie wordt gelegd.

Wat hebben deze al dan niet dwingende snelheidsbeperkende maatregelen aan het adres van de autogebruikers voor nut, als de autofabrikanten voertuigen blijven produceren die de toegestane maximumsnelheid ruimschoots kunnen overschrijden en als ze deze snelheid bovendien als verkoopargument hanteren? Wat voor zin heeft het om autobestuurders op te roepen voorzichtiger te rijden en korter achter het stuur te zitten als de grote vervoerbedrijven, de handelshuizen en de industrie de chauffeurs dwingen om door te blijven rijden tot ze erbij neervallen? Het aantal ongelukken in het wegvervoer staat in geen verhouding tot bijvoorbeeld het aantal trein- en vliegtuigongelukken. Waarom zouden we betreuren dat 95% van de verkeersongelukken plaatsvindt in het wegvervoer, als de lidstaten het wegvervoer openlijk blijven stimuleren ten koste van andere vormen van vervoer? Ik doel hierbij zowel op het vervoer van goederen als dat van personen. Zelfs de rijkste landen van Europa beschikken niet over een goed ontwikkeld openbaarvervoersysteem, en veel burgers moeten zich wel per auto verplaatsen omdat het openbaar vervoer ze geen goed alternatief kan bieden.

De grote bedrijven, die zich enkel laten leiden door winstcijfers en hun voorraden tot een minimum willen beperken, beschouwen het wegvervoer als onderdeel van hun productieketen, met als gevolg dat sommige autowegen eindeloze, vrijwel onafgebroken colonnes vrachtwagens laten zien. Zelfs wat het vraagstuk van het rail-routevervoer betreft, blijkt er in praktijk weinig van de mooie redevoeringen terecht te komen. Meer algemeen ben ik van mening dat het vervoer alleen op rationele wijze kan worden georganiseerd als dat ook voor de productie geldt, wat betekent dat het winstbejag niet meer ten koste van alles mag gaan. De maatregelen die in dit verslag en door de Commissie worden voorgesteld zijn in dit opzicht volstrekt ontoereikend.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Hatzidakis (PPE-DE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de vice-voorzitter van de Commissie, bij de voorbereiding van deze korte spreekbeurt heb ik een blik geworpen op de statistieken, en ik was werkelijk geschokt toen ik mij realiseerde dat sedert het begin van onze vergadering vanmorgen, statistisch gezien tenminste, meer dan 55 mensen op de weg zijn omgekomen. Elk uur verliest de Europese Unie 4 mensen. Verkeersongelukken zijn de meest voorkomende doodsoorzaak onder kinderen en jongeren. Wij verliezen elk jaar niet minder dan een hele universiteit of een grote school met jonge mensen: elk jaar komen niet minder dan 15.000 jongeren op onze wegen om. Ik heb trouwens het weinig benijdenswaardige voorrecht uit een land te komen dat het op één na hoogste aantal verkeersdoden van heel Europa heeft. Griekenland is bovendien het enige land in Europa waar de tendens de afgelopen tien jaar niet naar beneden is gegaan. Hele gezinnen worden het slachtoffer van de weg.

Mijnheer de Voorzitter, verkeersveiligheid moet een prioriteit zijn voor heel Europa maar ook voor elk land apart. Daarom stem ik in met de voorstellen die collega Hedkvist Petersen in haar uitstekende verslag doet, waar ik haar overigens van harte mee gelukwens. Wij moeten inderdaad een strategie uitwerken voor de verkeersveiligheid en een reeks strenge, maar tevens realistische, cijfermatige doelstellingen vaststellen. Op die manier kunnen wij sterker de aandacht van de politici trekken en hun een goed aanknopingspunt bieden. Collega's, wij hebben hier in Brussel een enorme verantwoordelijkheid. Ik vind het betreurenswaardig dat er nog steeds geen wetgevingsvoorstel is gedaan voor verplichte overname van de vier subsysteemtests die tot doel hebben de vormgeving van de voorkant van auto's veiliger te maken voor voetgangers. Daarvoor bestaat al 22 jaar lang een, nota bene door de Europese Unie gefinancierd, onderzoeksprogramma.

Bovendien zullen de verkeersveiligheid en de volksgezondheid veel baat hebben bij een versterkte ondersteuning van het Europees programma voor rijvaardigheidsexamens, de ondersteuning van voorlichtingscampagnes over de voordelen van het gebruik van veiligheidsgordels, de ontwikkeling van telematicastelsels, de verplichte uitrusting van motorvoertuigen en auto's met groot licht en bij talrijke andere voorstellen uit het verslag, die bovendien nog niet zo duur zijn ook.

 
  
MPphoto
 
 

  Fava (PSE).(IT) Mevrouw De Palacio, het is u waarschijnlijk niet ontgaan dat in uw mededeling een passage voorkomt waarin gesproken wordt over de zorgwekkende verschillen tussen de lidstaten betreffende de kwaliteit en de veiligheid van de wegen en het aantal dodelijke slachtoffers. Het pijnlijke aan deze zaak is dat deze verschillen in feite een getrouwe weerspiegeling zijn van de verschillen tussen de lidstaten van de Europese Unie op het gebied van de kwaliteit en het tempo van de economische ontwikkeling. Het meest veilige land is Zweden en de minst veilige landen zijn Portugal en Griekenland. Wat betekent dit? Ik zal proberen daar een opbouwend antwoord op te geven: dat betekent dat investering in veiligheid alleen mogelijk is met investering in communautaire activiteiten.

Op enkele legitieme uitzonderingen na dringen de leden van dit Parlement bij de Commissie aan op meer moed. Wij danken trouwens onze collega voor haar verslag, waarin de mededeling van de Commissie inhoudelijk beter in de verf wordt gezet en nuttiger wordt gemaakt. Meer moed betekent, als ik kort en bondig mag zijn, twee dingen voor de Commissie. Ten eerste moet zij, wat de preventie betreft, een voorstel doen voor limieten en voorschriften. Neemt u mij niet kwalijk, mijnheer Jarzembowski, maar anders heeft controle geen zin. Als wij de snelheidslimiet moeten controleren, is het wel degelijk een groot verschil of wij een limiet van honderd of een limiet van tweehonderd kilometer per uur moeten controleren.

Hetzelfde geldt, en dat is mijn tweede punt, voor de alcoholconcentratie. Volgens ons moet de Commissie een richtlijn indienen waarin voor alle lidstaten een maximum alcoholconcentratie in het bloed van 0,5 promille wordt vastgesteld. Ik zeg dit bewust als burger van een land dat een hogere limiet heeft, opdat niemand mij van chauvinisme kan beschuldigen. Toepassing van het subsidiariteitsbeginsel is op zichzelf een goede zaak – en het is grotesk alle dronken bestuurders het rijbewijs te willen afnemen – maar het blijft een probleem wanneer iemand volgens de verkeersregels als dronken moet worden beschouwd.

Moed is, mevrouw de commissaris, de meest eenvoudige en efficiënte, of liever gezegd de enige manier om ons ambitieuze doel van 40% minder verkeersslachtoffers in de komende jaren in de Europese Unie te bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Stenmarck (PPE-DE).(SV) Mijnheer de Voorzitter, laat mij eerst een woord van dank uitspreken aan het adres van de rapporteur voor haar grote betrokkenheid bij deze zaak.

Vorig jaar kwamen er op het wegennet van de EU bijna 43.000 mensen om het leven. Een van de voornaamste oorzaken hiervan is het gebruik van alcohol. Dat valt met geen mogelijkheid te ontkennen. Zes jaar in het Europees Parlement hebben mij veel eerbied bijgebracht voor het feit dat wij over veel zaken geheel verschillende standpunten hebben, maar we zouden het er allemaal over eens moeten zijn dat alcohol en autorijden nooit samengaan. En toch worden er juist door deze combinatie elke dag weer mensen op het wegennet van de EU gedood.

We kunnen ook geheel verschillende opvattingen hebben over de vraag in hoeverre we binnen de EU gemeenschappelijke regels moeten hebben of dat elk land dit probleem zelf moet oplossen. Laat mij op twee zaken wijzen voor wie twijfels op dit punt heeft:

Het ene is dat geen enkel EU-land het zou accepteren als een andere lidstaat zou tolereren dat een gezagvoerder van een vliegtuig met 300 passagiers, of een zeekapitein die verantwoordelijk is voor de veiligheid van 1.000 mensen, of een machinist, alcohol drinkt voordat hij of zij de verantwoordelijkheid voor zijn reizigers neemt. Waarom stellen we dan niet dezelfde eisen aan degenen die over onze wegen rijden?

Het andere punt waarop ik de aandacht wil vestigen, is dat 95 procent van de verkeersongevallen met dodelijke afloop feitelijk in het wegverkeer plaatsvindt. Mijn enige wens is dat we het probleem van deze 95 procent even serieus nemen als het probleem van de vijf procent van de ongevallen die binnen de andere soorten transport plaatsvinden. Juist daarom vind ik het verslag een goede basis om vanuit verder te werken en ook daarom zal ik er morgen voor stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Schierhuber (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, geachte dames en heren, de veiligheid op de wegen van Europa is een hoofdstuk van levensbelang. De cijfers spreken wat dat betreft boekdelen: per jaar 42.000 dodelijke slachtoffers en 1,7 miljoen gewonden. Daar moet wat aan gedaan worden. Wij moeten ons inspannen om onze wegen veiliger te maken. Het verdriet van gezinnen die door een auto-ongeluk een familielid hebben verloren, is erg groot. Onze maatschappij wordt steeds mobieler en daar ben ik ook een voorstander van. Daarom is het onze plicht om veiligheidsproblemen op te lossen. Het is een uitdaging voor politici op zowel Europees als op nationaal niveau om onze verantwoordelijkheid ten opzichte van de samenleving gestalte te geven door betere en adequatere maatregelen op het gebied van verkeersveiligheid te nemen.

De analyse van verkeersongelukken is daarbij van doorslaggevend belang. Door analyse van statistische gegevens kunnen we de verkeersongelukken overzien, evalueren en interpreteren. Een systematisch onderzoek van de verkeersgegevens kan belangrijke informatie opleveren om de veiligheid te vergroten en ongelukken te voorkomen. De constructie van de verkeersmiddelen en het ontwerp van de wegen vormen naast de menselijke factor de zwakke schakels op dit terrein. Dat moeten we eerst onderkennen en vervolgens moeten we die schakels sterker proberen te maken. Dat is voor mij een zeer belangrijk element. Het vergroten van het verkeersbewustzijn zal daarbij volgens mij een belangrijke rol moeten spelen.

Als wij willen dat onze maatregelen geaccepteerd worden, moeten wij de bevolking bewuster maken van de gevaren en risico's die aan het weggebruik verbonden zijn. Kinderen lopen een bijzonder groot risico in het verkeer. Daarom moeten we beginnen om deze groep al spelenderwijs een goed verkeersgedrag aan te leren. Jongeren moeten voorgelicht worden over de risico's die zij zelf en andere verkeersdeelnemers lopen nadat zij hun rijbewijs hebben gehaald.

Eén aspect ligt mij bijzonder na aan het hart en dat is dat er niet alleen de maatregelen moeten worden genomen tegen de consumptie van alcohol, maar ook tegen het autorijden na gebruik van medicijnen of drugs. Er zijn al heel veel maatregelen genomen tegen het rijden onder invloed van alcohol. Ook heeft op dat gebied al veel voorlichting plaatsgevonden. Vaak is men zich er echter niet van bewust, dat het gebruik van medicijnen of drugs dezelfde bewustzijnsvertroebeling en een slechtere rijvaardigheid kan veroorzaken.

In het programma van de EU met betrekking tot de verkeersveiligheid dienen de prioriteiten duidelijk geformuleerd te zijn. Het is met name belangrijk dat we op dit gebied een systematische aanpak hanteren. Daarvoor is een goede samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten absoluut noodzakelijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Koch (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, verkeersongelukken vormen niet alleen de belangrijkste doodsoorzaak bij kinderen en jongeren, maar ze zijn tevens de grootste veroorzaker van ernstige verwondingen bij hen. Eigenlijk geldt die situatie voor alle EU-burgers onder de 45 jaar. Dat mogen wij niet langer als een onafwendbaar noodlot accepteren, maar daar moeten wij iets tegen doen. Voorwaarde is echter wel dat wij er dan niet meer van uit moeten gaan dat de verkeersveiligheid in eerste instantie wordt bepaald door de manier waarop de verkeersdeelnemers zich gedragen dan wel beheersen.

Artikelen 41 en 94 van het EG-Verdrag leggen ons niet alleen de duidelijke plicht op om velerlei effectieve maatregelen op het gebied van de verkeersveiligheid te nemen, maar verschaffen ons ook de benodigde rechtsgrondslag. Dat laatste wordt overigens door velen in dit Parlement nog steeds in twijfel getrokken. Wij hebben de verantwoordelijkheid om deze problematiek de benodigde politieke prioriteit te geven. Daar zal echter nauwelijks een politiek draagvlak voor te vinden zijn omdat iedereen het erover eens is dat op dit gebied de EU, de lidstaten, regionale en lokale autoriteiten en diverse organisaties gezamenlijk verantwoordelijk zijn. Het subsidiariteitsbeginsel is hier dus in bijzondere mate van toepassing.

Dat is echter juist de reden dat we onze ogen niet moeten sluiten voor de meerwaarde van EU-maatregelen ten opzichte van de inspanningen op lidstaatniveau. Uit berekeningen van de economische kosten als gevolg van verkeersongelukken blijkt dat deze aanzienlijk hoger zijn dan de kosten die gemoeid zijn met het voorkomen van verkeersongelukken. Ook in tijden van bezuinigingen op de begrotingen is daarom het verzoek om de inzet van meer financiële middelen goed te rechtvaardigen. We moeten echter wel opletten dat we onszelf niet om de tuin leiden. Niet in elk geval geldt namelijk dat een grotere financiële inspanning ook in een hoger veiligheidsniveau resulteert.

Dit kan bewezen worden aan de hand van zowel voorlichtingscampagnes over beste praktijken in de lidstaten van de EU en bindende maatregelen om de oorzaken van verkeersongelukken (zoals alcohol-, drugs- en medicijngebruik) terug te dringen, als aan de hand van een richtlijn die de creativiteit van de auto-industrie stimuleert en gericht is op een uitbreiding van veiligheidstests, dan wel op verdere steun aan het European New Car Assessment Programme, Euro-NCAP. Ik feliciteer de rapporteur, mevrouw Hedkvist Petersen, met haar uitstekende verslag, dat ik ter goedkeuring aan dit Parlement aanbeveel.

 
  
MPphoto
 
 

  Hedkvist Petersen (PSE).(SV) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, het is interessant om naar de discussie te luisteren en het is interessant om ook na deze discussie en na ons besluit van morgen in het Parlement aan de verkeersveiligheid te blijven werken. Naar ik zo beluister, zijn de meeste politieke fracties van mening dat een regeling op Europees niveau de voorkeur heeft als het om het alcoholpercentage gaat, aangezien het een exclusieve competentie betreft waarvan we krachtens het Verdrag gebruik kunnen maken. Ik ben het met de heer Stenmarck eens wanneer hij zegt dat wij – en dat toont de vorige discussie aan – nooit lagere veiligheidsniveaus zouden moeten accepteren dan die we feitelijk kunnen realiseren. Maar dat doen we wel op de wegen, terwijl we dat in de luchtvaart natuurlijk niet doen. Ik ben van mening dat een dergelijke regeling op Europees niveau op het gebied van alcohol belangrijk is.

Mijnheer Jarzembowski kwam met interessante gezichtspunten, maar anders dan hij vind ik dat men zowel van de mogelijkheid om te komen met richtlijnen als van politiecontroles en andere mogelijkheden gebruik moet maken. We moeten alle mogelijkheden benutten en dat zullen we ook doen. We hebben eerder geen nee tegen een richtlijn gezegd. Nu kunnen we een politiek initiatief nemen, dus laten we dat dan ook doen!

Vervolgens is er het punt van de “black spots”, dat door de groenen ter sprake is gebracht. Mijnheer Bautista, ik acht het van belang dat we in de gaten houden wat er gebeurt. Het zou interessant zijn een rapport te zien over de stand van zaken in de Unie. Ik ben mij er terdege van bewust dat dit een belangrijke kwestie voor fietsers en motorrijders is.

Tot slot: het gaat om opleiding en om de situatie van kinderen. Zoals mevrouw Schierhuber al opgemerkt heeft, is verkeersopvoeding nodig. We moeten gebruik maken van de mogelijkheid daartoe, in combinatie met alle andere maatregelen op nationaal, plaatselijk, regionaal en Europees niveau. We moeten samen krachtige maatregelen nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Palacio, Commissie. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats wil ik mevrouw Hedkvist Petersen van harte gelukwensen met haar uiterst volledige ontwerpresolutie over verkeersveiligheid, die – evenals de interventies van de parlementsleden van vandaag – het belang aantoont dat het Europees Parlement hecht aan een ambitieus beleid ter bestrijding van de plaag van de verkeersongevallen. Ik wil mijn dank uitspreken aan alle parlementsleden die het woord hebben gevoerd, hun mening kenbaar hebben gemaakt en hebben bijgedragen tot dit debat.

Als antwoord op een verzoek van het Europees Parlement verwijs ik naar de mededeling over verkeersveiligheid van de Commissie van maart vorig jaar, waarin een reeks concrete maatregelen is opgenomen voor de komende twee jaar, dat wil zeggen voor de laatste twee jaar van het tweede actieprogramma ter bevordering van de verkeersveiligheid.

Ik ben het in grote lijnen eens met de inhoud van het verslag en de bijbehorende resolutie, inzake zowel het lopende actieprogramma, waarvan de uitvoering binnenkort zal aflopen, als het toekomstige programma ter bevordering van de verkeersveiligheid dat de Commissie binnen enkele maanden zal voorleggen.

Het is ook mijn wens dat de Europese Unie een doelmatig en duurzaam beleid voert om het aantal verkeersongevallen te verminderen, want dat ligt onaanvaardbaar hoog. In een eerste fase moeten de laatste prioritaire maatregelen van het lopende verkeersveiligheidsprogramma worden uitgevoerd en zullen wij in het bijzonder een verplichte snelheidsbegrenzer voor meer vrachtwagens voorstellen. Dit laatste betekent in de praktijk dat de snelheidsbegrenzer vanaf een lager tonnage verplicht wordt gesteld. Verder moeten wij de uitwisseling bevorderen van informatie over plaatsen met een hoge ongevallenfrequentie (“black spots”) en over maatregelen om deze aan te pakken. Wij moeten de veiligheid van de weginfrastructuur in het algemeen vergroten en maatregelen nemen om de voorkanten van auto’s te verbeteren, zodat de zwakkere weggebruikers bij aanrijdingen minder gevaar lopen. In het kader van de verbetering van de weg zal een ander type vangrail moeten worden ontwikkeld, want de huidige vormt een gevaar voor fietsers en motorrijders.

In een tweede fase zal met het oog op het toekomstige actieprogramma voor een systematischer aanpak moeten worden gekozen, met kwantitatieve doelstellingen op Europees niveau. Deze zullen wij samen met de lidstaten opstellen, opdat de maatregelen die in Brussel en op nationaal niveau worden genomen beter op elkaar aansluiten en doelmatiger zijn. In de landen waar men heeft gewerkt met concrete doelstellingen is duidelijk gebleken dat deze een stimulans vormen en een psychologisch effect hebben dat de autoriteiten aanzet tot scherpere controles. Dit leidt tot minder ongevallen.

Ik wil het hier echter niet uitsluitend hebben over de punten waar wij het over eens zijn – die kunt u nalezen in onze mededeling. Ik wil graag ingaan op de twee punten waarover onenigheid bestaat. Het eerste betreft het alcoholgehalte in het bloed. Dames en heren, de schriftelijke procedure over de aanbeveling van 0,5 promille als maximaal alcoholgehalte in het bloed is binnen de Commissie inderdaad gisteren of eergisteren afgesloten. De datum berust op louter toeval; deze was vastgelegd in de mededeling van maart. U mag niet denken dat hier een complot achter zit. Het spijt me, ik dacht dat het eerder zou plaatsvinden. U mag niet denken dat de datum is gekozen vanwege dit debat, integendeel. Ik wil u echter wel uitleggen waarom wij geen ontwerprichtlijn voorleggen. Dit heeft twee fundamentele redenen. Een van de landen waar een hogere alcohollimiet geldt dan de door ons aanbevolen 0,5 promille is het Verenigd Koninkrijk, zoals de heer Watts zojuist nog zei. Dit is het land met het geringste aantal ongevallen van de Europese Unie op Zweden na. Als in het Verenigd Koninkrijk een limiet gold van 0,2 promille in plaats van 0,8, zou het wellicht de eerste plaats innemen in plaats van de tweede en zouden er wellicht veel minder ongevallen plaatsvinden. Ik weet dat niet. Maar ik weet wel dat het Verenigd Koninkrijk met 0,8 promille het land is waar op één na de minste ongelukken plaatsvinden van de Europese Unie. Dat is een feit.

Ik beveel evenwel niet 0,8 promille aan, maar 0,5. Wij mogen echter niet vergeten dat het zinloos is om een maximum-alcoholpromillage aan te bevelen of voor te schrijven als de nationale autoriteiten daar vervolgens niet adequaat op controleren. Als sommige lidstaten het alcoholgehalte in het bloed niet zouden controleren omdat wij dat zonder meer verlagen tot 0,5 promille, dan betwijfel ik of dat tot betere resultaten leidt. Waar het op aankomt is dat de autoriteiten scherper controleren.

Verder bestaat er zoiets als gebruik en gewoonte. Dit is volgens mij een klassiek geval van een vraagstuk dat wij moeten overlaten aan de subsidiariteit. Daarom is die 0,5 promille slechts een aanbeveling. Ik begrijp dat u een andere mening bent toegedaan; dat heb ik zojuist nog kunnen horen. Het is echter een feit dat er vooralsnog in de Raad onvoldoende draagvlak bestaat voor een project als dit. Als alle landen het plotseling eens zijn, wordt het heel gemakkelijk om bijvoorbeeld een limiet van 0,5 promille in te voeren. Maar nu moet u mij niet gaan vertellen dat het Verenigd Koninkrijk zit te wachten op een Europese richtlijn om een probleem op te lossen. Daar kan ik namelijk echt niet bij. Laat men daar dan 0,5 promille invoeren als men dat wil. Daar hoeven wij het Verenigd Koninkrijk toch niet toe te verplichten? Als het dat wenst, hoeft het zich maar te richten naar onze aanbeveling.

Wat de voorkanten van auto’s aangaat, heb ik de kritiek van de heer Watts duidelijk begrepen: de Commissie wil liever praten dan handelen. Ik kan deze kritiek niet aanvaarden. De Commissie wil zo doelmatig mogelijk optreden. Een maatregel kan soms uiteindelijk veel sneller worden uitgevoerd wanneer men eerst enkele maanden wacht. Wij hebben de automobielindustrie zes maanden de tijd gegeven om tot een akkoord te komen, dat wil zeggen tot juni 2001, mijnheer, niet tot 2002. Verder valt dit initiatief niet alleen onder mijn bevoegdheid, maar ook onder die van de commissaris voor industrie, de heer Liikanen, en wij zijn dit samen overeengekomen.

Dit betekent niet dat wij geen regelgeving willen invoeren voor voorkanten van auto’s die bij botsingen minder gevaar opleveren voor de zwakkere weggebruiker, integendeel. Wij willen het alleen efficiënter doen, met steun van de automobielsector.

Wat betreft het toekomstige actieprogramma voor de periode 2002-2010, staan wij in principe open voor alle voorstellen van de ontwerpresolutie. Ik ben ook bereid om de kwestie van die 0,5 promille opnieuw te overwegen, maar ik zal mij op dit vlak niet onbuigzaam opstellen. Ik geloof dat dit niet het grote probleem is. De controles zijn veel belangrijker. Hoe het ook zij, ik reken op uw medewerking, uw hulp en uw steun en ik wil de rapporteur nogmaals gelukwensen.

 
  
MPphoto
 
 

  Watts (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb zojuist mijn naam horen noemen. Het is voor de notulen van belang dat het standpunt van de regering van het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van het alcoholgehalte in het bloed wordt opgehelderd. Het Directoraat-generaal energie en vervoer beschikt ongetwijfeld over een exemplaar van de verkeersveiligheidsstrategie van het Verenigd Koninkrijk van maart 2000. Hierin staat glashelder dat de nieuwe Britse regering hecht aan een oplossing in Europees verband. Ik denk dat een ontwerprichtlijn nu veel positiever zou worden onthaald dan door de vorige regering.

 
  
MPphoto
 
 

  Jarzembowski (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb een motie van orde. Als ik mijn collega goed heb begrepen, dan volstaat een aanbeveling opdat de Britse regering de alcohollimiet verlaagt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

 

10. Intermodaliteit en intermodaal vrachtvervoer
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A5-0358/2000) van mevrouw Poli Bortone, namens de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme, over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, en het Economisch en Sociaal Comité – Mededeling over de tenuitvoerlegging van het actieprogramma als voorgesteld in de mededeling betreffende intermodaliteit en intermodaal vrachtvervoer in de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Poli Bortone (UEN), rapporteur. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik zal niet spreken over de definitie van intermodaliteit, daar ik ervan uitga dat de enkele jaren geleden door de Commissie gegeven definitie voor iedereen aanvaardbaar is. Nu lijkt het mij hoogstnoodzakelijk om maatregelen te treffen ter ondersteuning van de intermodaliteit. Er zijn verschillende omstandigheden die ons daartoe dwingen. Zo moet in eerste instantie het verkeer worden gestroomlijnd en moeten de reistijden van goederen worden geoptimaliseerd. Verder moeten wij rekening houden met bepaalde economische en milieuvereisten, aangezien intermodaliteit een sleutelelement is in duurzame mobiliteit.

Wat de intermodaliteit betreft, spitst de kritiek zich momenteel vooral toe op het gebrek aan integratie van de verschillende vervoermodi en op specifieke tekortkomingen bij een aantal van deze modi. Van groot belang voor de totstandkoming van intermodaliteit is de doelmatigheid van de aangeboden spoorwegdiensten. In veel lidstaten worden deze evenwel gekenmerkt door een povere kwaliteit en efficiëntie en door een ongunstige kosten/batenverhouding.

Bovendien blijft de infrastructuur, zoals de Commissie meermaals heeft betoogd, zich hoofdzakelijk ontwikkelen op monomodale basis, terwijl het intermodaal vervoer een netwerkbenadering vereist op basis van complementariteit en onderlinge koppeling van de diverse modi.

Ook bestaan er nog geen open intermodale informatiesystemen om het intermodaal vervoer en de netwerkdiensten doelmatig te kunnen beheren. Daardoor zou een functionele, permanente doorstroming van informatie en communicatie in real time mogelijk worden.

Bij nadere analyse van de frictiekosten die bij intermodaal vrachtvervoer ontstaan, wordt duidelijk dat in vergelijking met het traditionele monomodale vervoer, de kritiek zich vooral richt op de hoge prijzen, de langere reistijden, de mindere kwaliteit, het hogere risico op schade aan de lading, de beperkingen ten aanzien van het soort vracht en de complexere administratieve procedures. De frictiekosten zijn vooral te wijten aan het ontbreken van samenhangende systeemnetwerken en interconnecties tussen de onderdelen, waardoor de doelmatigheid afneemt en de vervoerskosten stijgen.

Bovendien kenmerken de diverse vervoermodi zich door verschillen in rentabiliteit en kwaliteit van de dienstverlening, hetgeen haaks staat op het streven naar customer satisfaction en de uitvoering van vervoeropdrachten binnen de gestelde termijnen. De oorzaken daarvan moeten worden gezocht in het ontbreken van grootschalige systemen voor elektronische communicatie tussen de verschillende partners van de intermodale keten en het gebrek aan intermodaal opgezette identificatie- en informatiesystemen voor de vracht.

Voorts wordt het systeem in zijn totaliteit gekenmerkt door een aantal knelpunten als gevolg van een gebrekkige harmonisatie tussen de verschillende vervoermodi op het gebied van tijdschema’s en dienstregelingen. Hierdoor ontstaan incongruenties tussen de behoeften in de vrachtvervoersketen en de operationele eisen van de daarbij ingezette middelen. Zo zijn bijvoorbeeld de arbeidstijden van bestuurders en bemanning niet aangepast aan de intermodaliteit, en kunnen de terminals zich niet altijd aanpassen aan de dienstregelingen van treinen en schepen die dag en nacht in gebruik zijn.

Het spreekt vanzelf dat de situatie van het intermodale vervoer in Europa sterk uiteenlopend is, met geheel verschillende situaties in de verschillende lidstaten. Bijgevolg dient met ondersteuning van de task force “Intermodaliteit” eerst een onderzoek te worden ingesteld naar de bestaande verschillen, zodat overeenkomstig de prioriteiten van elke lidstaat een aantal specifieke beleidslijnen kan worden uitgezet.

Het doel dat de Europese Unie met de ontwikkeling van intermodaliteit nastreeft, is de totstandbrenging van een geïntegreerd systeem van de verschillende vervoermodi, dat klantgerichte vervoersdiensten van deur tot deur aanbiedt, een doelmatig en rendabel gebruik van het vervoerssysteem mogelijk maakt en de concurrentie tussen de vervoersexploitanten bevordert. In het rapport over “Intermodaliteit en intermodaal vrachtvervoer in de Europese Unie” heeft de Commissie de in de sector van het intermodale vervoer na te streven doelstellingen geformuleerd en verdeeld in prioritaire interventiegebieden, de zogenaamde sleutelacties. De eerste sleutelactie betreft geïntegreerde infrastructuur en vervoermiddelen, de tweede interoperabiliteit en onderling aansluitende vervoersactiviteiten en de derde modaliteitsonafhankelijke diensten en regelingen.

De doelen zijn: de totstandbrenging van een informatiesysteem dat het beheer van het vervoer in real time en het gebruik van elektronische transacties in de vervoerssector mogelijk maakt, via de ontwikkeling van intermodale elektronische real time informatie- en transactiesystemen; de harmonisatie van communicatienormen, procedures en vervoersdocumenten op basis van EDI; het eenvormig maken van de aansprakelijkheidsregeling om aan de eindgebruiker duidelijke en inzichtelijke voorwaarden en procedures te kunnen aanbieden met betrekking tot de aansprakelijkheid voor lading die tijdens de reis schade heeft opgelopen of verloren is gegaan; de ontwikkeling van informatietechnologieën ten behoeve van het intermodaal vervoer via de totstandbrenging van een open structuur die het mogelijk maakt de bewegingen van de vracht op het intermodaal traject te volgen; en het mogelijk maken van papierloos transport via de harmonisatie van normen inzake documenten en de instelling van één elektronisch loket.

De Commissie heeft bovendien voorzien in een pakket horizontale activiteiten door middel van doelgerichte projecten voor onderzoek en technologische ontwikkeling ten behoeve van innovatie door het gebruik van nieuwe technologieën voor de ontwikkeling van nieuwe diensten en productiviteitsverbetering. Het is duidelijk dat voor intermodaliteit een ingrijpende culturele verandering in het ondernemingswezen nodig is . De globalisering en de liberalisering van de markten hebben nu reeds de vraag naar goederenvervoer sterk doen stijgen. De hoge groeicijfers veroorzaken een mededinging die zich steeds sterker zal richten op het volume van de vervoerde goederen, en bijgevolg zal een aggregatieproces tussen de bedrijven in deze sector absoluut onvermijdelijk zijn.

Ik wil tot slot alle collega’s bedanken die actief hebben deelgenomen aan de opstelling van een voor iedereen aanvaardbare ontwerpresolutie.

Ik wil verder van meet af aan verduidelijken dat ik het in grote lijnen eens ben met het eerlijk gezegd geringe aantal amendementen dat is ingediend. De enige uitzondering is amendement 3. Ik heb namelijk twijfels ten aanzien van de daar genoemde staatssteun.

 
  
MPphoto
 
 

  Peijs (PPE-DE). - Voorzitter, intermodaliteit staat nog steeds in de kinderschoenen. Nog geen 8% van onze vracht wordt vervoerd door meerdere vervoersmodaliteiten. Toch groeien de afstanden die gemiddeld worden afgelegd al sinds 1970, wat gunstig is als je meer dan één modaliteit wilt inzetten. Ook de vracht groeit de pan uit, naar verwachting met 70% in de komende tien jaar. Je kunt je verwonderen over het feit dat er geen doorbraak komt van het intermodaal vervoer. Misschien dat de druk op de transporteurs en de verladers nog niet groot genoeg is om die doorbraak te bewerkstelligen. Maar dan zijn er toch een paar waarschuwingen op z'n plaats voor de betreffende sectoren.

Het wegennet, op de eerste plaats, zal de 70% groei niet kunnen verwerken, niet in de stedelijke of de regionale distributie, niet op de lange-afstandstransporten. Exclusief rekenen op wegtransport moet dan ook worden aangerekend als een zonde van vermetel vertrouwen, wat vroeger een doodzonde was.

Ten tweede, milieuvoorwaarden zullen in de komende tien jaar een steeds grotere rol gaan spelen. Per vrachtauto door bepaalde gebieden in Europa rijden zal steeds meer tegenwerking ondervinden. Burgers zullen zich steeds heviger verzetten tegen transportinbreuken op hun leefmilieu. Wij zagen dat al in de mislukking van de richtlijn die de weekendrijverboden wilde harmoniseren. Er is dus geen sprake van dat wij voor intermodaliteit kunnen kiezen. Wij worden gedwongen. Nu, als je daarvan uitgaat dan schiet het niet echt op allemaal.

Natuurlijk moeten de sectoren beter hun best doen en een stuk innovatiever worden, maar ook de overheid moet de handen uit de mouwen steken en bijvoorbeeld administratieve procedures vereenvoudigen en stroomlijnen. De trans-Europese waternetwerken moeten met spoed en voorrang worden gerealiseerd. Iedereen praat over de trein, maar het water waar echt nog ruimte is, dat kom ik helemaal niet meer tegen in de Europese of nationale prioriteitenlijsten.

Niemand coördineert de inspanningen van de nationale staten, terwijl dat toch een essentiële taak voor de Europese Commissie is. Jammer, want in Noord- en Noordoost-Europa zou wegtransport in combinatie met binnenvaart een wezenlijk verschil kunnen maken. Maar voor het zover is, moeten er nog heel wat obstakels opgeruimd worden op het gebied van wetgevingen, zaken van technische en praktische aard. Hetzelfde geldt overigens voor de aloude kustvaart die zich lang heeft laten verdringen, maar nu onder een eigentijdse naam short sea shipping weer ijzersterk terugkomt als iedereen tenminste met elkaar samenwerkt.

Als wij naar de vorderingen kijken die sinds het uitstekende actieprogramma van 1997 zijn gemaakt, dan zien wij een aantal positieve punten, bijvoorbeeld de Task force transport intermodality. Ook de verlenging van het PACT-programma, pilot actions in combined transport, geeft een positieve impuls.

Aangezien de Unie binnenkort met een aantal landen wordt uitgebreid, moet er nu al bij de toetredingsonderhandelingen met de nieuwe situatie rekening worden gehouden. Maar, helaas is intermodaal vervoer toch nog steeds te duur. Dat komt door tekortkomingen op het gebied van de infrastructuur, ondoelmatigheden op het gebied van beheer en informatie en door tekortschietende innovativiteit.

Toch moeten wij een trans-Europees vervoersnetwerk ontwikkelen in de vorm van een multimodaal infrastructuurnetwerk. Daarbij moeten het bedrijfsleven en de overheid op alle niveaus de handen ineenslaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Stockmann (PSE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, geachte collega's, in het vervoersbeleid krijgt het intermodale vervoer nog niet de aandacht waar het recht op heeft. Op dit moment wordt ook nog maar 8% van de Europese vracht vervoerd door meerdere vervoersmodaliteiten, zoals mijn collega zo juist heeft opgemerkt. Daarom wordt de intermodaliteit vaak nog niet serieus genomen. Het intermodale goederenvervoer is echter tegelijkertijd een uiting van en een toetssteen voor de Europese integratiestrategie, die niet alleen de verschillende nationale vervoersmarkten tracht te integreren, maar ook de verschillende vervoersmodaliteiten.

Na de nog niet helemaal afgeronde liberaliseringsstrategie en de in gang gezette harmonisering heeft de interne markt deze integratiestrategie nodig om in de toekomst naar behoren te kunnen functioneren. Daarom kan men uit de verslagen over de voortgang van de tenuitvoerlegging van de actieprogramma's voor het intermodale vervoer tegelijkertijd ook de voortgang van het Europees vervoersbeleid aflezen.

In de mededeling van de Commissie en in het verslag zijn veel, zo niet alle probleemgebieden aan de orde gekomen: de herziening van de trans-Europese vervoersnetwerken tot een waarachtig intermodaal netwerk; maatregelen om een meerwaarde te verkrijgen in de logistieke sfeer; de harmonisatie die nog nodig is voor de laadeenheden en andere meer specifiek intermodale normen, gestandaardiseerde communicatienormen, procedures en documenten; het bevorderen van de eenvormigheid van de aansprakelijkheidsregels; en nog veel meer. Wij weten allemaal dat er veel wettelijke maatregelen nodig zijn om het intermodale vervoer geschikt te maken voor de toekomst.

Omdat de randvoorwaarden zo ingewikkeld zijn en de ontwikkeling van het intermodale vervoer nog lang geen zelfvoorzienend proces is, hebben wij veel succesvolle demonstratieprojecten nodig. Ik hoop dan ook dat er een adequaat toegerust nieuw PACT-programma wordt gepresenteerd, dat tevens nuttig is voor de toetredingslanden. In die landen gebeuren namelijk veel essentiële dingen die voor onze toekomst van belang zijn. Daar staan nog niet alle wissels verkeerd. Verder hoop ik dat in het zesde onderzoekskaderprogramma voldoende plaats wordt ingeruimd voor het intermodale vervoer.

Naar onze mening zouden modelprojecten in de toekomst meer vanuit strategisch oogpunt gebruikt moeten worden, dat wil zeggen ter integratie van de beschikbare intermodale deelnetwerken. Een ander idee waar nog niet zo veel aandacht aan is besteed, is de vraag of het wellicht mogelijk is om de voorwaarden en mogelijkheden te onderzoeken voor nieuwe Europese intermodale exploitanten. Feitelijk ontbreken er op dit gebied namelijk nog exploitanten. Misschien zou een internationale firma als een soort overkoepelende organisatie van de betrokken vervoerders het transitovervoer over de Alpen kunnen regelen, al was het maar op louter theoretische basis.

Uiteraard zijn wij ook voorstander van het Europees intermodale referentiecentrum dat voortdurend wordt aangekondigd. Wij hopen echter ook dat het snel werkelijkheid zal worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Pohjamo (ELDR). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik wil de rapporteur voor haar goede werk bedanken. Onze fractie steunt het geamendeerde verslag.

Momenteel is intermodaliteit duur vanwege tussentijdse kosten, ondoeltreffendheid, gebrekkige infrastructuur en gedeeltelijk ook de voorkeur voor het wegvervoer. In het verslag en ook in de mededeling van de Commissie worden veel lucratieve maatregelen gepresenteerd waarmee het intermodaal vervoer kan worden uitgebreid. Nieuwe technologieën moeten op doeltreffende wijze worden benut door onder andere de elektronische handel te stimuleren, zodat voor de verschillende situaties de beste route en diensten worden aangeboden.

Ik wil ook onderstrepen dat intermodaliteit voor het vervoer over lange afstanden de doeltreffendste vorm van vervoer is. De prioriteit bij de ontwikkeling van het vervoer moet liggen bij perifere regio's en gebieden die ernstige gebreken vertonen waar het om de Trans-Europese netwerken gaat. In drukke regio's moet de ontwikkeling van de verzamelings- en distributiesystemen een belangrijke plaats innemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bouwman (Verts/ALE). - Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, allereerst mijn dank voor zowel het werk van de Commissie als voor dat van onze rapporteur in dezen. Wij hebben al vele woorden gesproken over dit onderwerp. Ik zal er daarom heel kort over zijn. Wij hebben kunnen constateren dat er in de afgelopen jaren een modal shift heeft plaatsgegrepen, echter de manier waarop en de mate waarin is tot nog toe heel gering. Dat willen wij in hoge mate stimuleren. In die zin is het belangrijk dat de modaliteiten zelf, met name rail, binnenvaart en kustvaart, een hogere vlucht aan het nemen zijn en dat er ook politieke vrijheden georganiseerd zijn in de vorm van liberalisering, de interoperabiliteit en nog een aantal dingen op grond waarvan de branche haar kansen kan grijpen.

Toch zouden wij willen stimuleren dat met name het midden- en kleinbedrijf meer kansen krijgt, maar daartoe heeft het soms ondersteuning nodig. Dat is ook de reden waarom wij een amendement ingediend hebben voor vormen van overheidssteun aan het midden- en kleinbedrijf, ook voor milieudoeleinden.

Ik ben het overigens niet eens, maar daar moeten wij maar een andere keer over praten, met het voordeel van het Galileo-project in dezen. Ik wil erop wijzen dat de verontrustende groei van het vervoer, ook door e-commerce, er helaas toe leidt dat intermodaal transport op dit moment een druppel op de gloeiende plaat is, maar vooruitgang zal moeten boeken.

 
  
MPphoto
 
 

  Caveri (ELDR).(IT) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, waarde collega’s, verkeersveiligheid, intermodaliteit, tarifering van de vervoersinfrastructuur: dat zijn de thema’s die hier vandaag de revue passeren. Ik wil deze benaderen vanuit de optiek van iemand die zich bezighoudt met de problemen van de berggebieden en met name de Alpen. Het vraagstuk van de verkeersveiligheid doet ons hier helaas onmiddellijk denken aan de tragedie in de tunnel onder de Mont Blanc. Dit verschrikkelijke ongeluk heeft maar al te duidelijk aangetoond hoezeer Europese coördinatie nodig is om de veiligheid in tunnels te garanderen, ongeacht of deze nu reeds in bedrijf zijn of nog in aanbouw zijn.

Hier is verder ook sprake van het vraagstuk van de intermodaliteit in het vervoer over de Alpen. Zwitserland heeft weliswaar besloten massaal te investeren in de spoorwegen, maar afgezien daarvan doen zich grote vertragingen voor bij de bouw van de reeds in communautaire documenten geplande nieuwe spoorwegtunnels en -verbindingen, zoals de verbinding Turijn-Lyon-Brenner, of de verbinding Aosta-Martigny, waar momenteel over wordt gediscussieerd. Het vraagstuk van de wegenkosten bevestigt weliswaar de terechte uitspraak dat de gebruiker betaalt, of de vervuiler betaalt, maar het vervoer in het Alpengebied moet in de toekomst met minder TIR-vrachtwagens zien uit te komen en meer van treinen gebruik maken. Op korte termijn moet men zorgen voor een sterke vermindering van het vrachtwagenverkeer door de Alpen. Hetzelfde geldt ook voor de tunnel onder de Mont Blanc, die waarschijnlijk aan het einde van dit jaar opnieuw voor het verkeer opengesteld zal worden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Palacio, Commissie. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, om te beginnen wil ik mevrouw Poli Bortone bedanken voor haar ambitieuze en opbouwende verslag en voor haar interventie. Beide betekenen voor de Commissie een belangrijke steun op dit gebied. Daarnaast wil ik alle parlementsleden bedanken die in het debat het woord hebben gevoerd.

De Commissie is van mening dat een doelmatig intermodaal systeem voor het vrachtvervoer van het allergrootste belang is voor de Unie en voor de kandidaat-lidstaten; het is essentieel om de mobiliteit voor de komende jaren te kunnen waarborgen. Ik denk dat de doelmatigheid van een uitgebreide interne markt ermee staat of valt, evenals de concurrentiekracht van onze ondernemingen en de duurzame ontwikkeling van de Unie.

De Commissie zal de infrastructuur voor het intermodaal vrachtvervoer in de landen van Midden- en Oost-Europa beoordelen in het kader van een herziening van de oriëntaties van het trans-Europees vervoersnetwerk. Het Europees referentiecentrum voor het intermodaal vrachtvervoer, gevestigd in Straatsburg, zal nog dit jaar met zijn werkzaamheden beginnen. Dit centrum zal de nodige informatie verzamelen voor de intermodale sector, op basis waarvan nieuw beleid kan worden geformuleerd.

De Commissie is van plan om het intermodaal vervoer te blijven steunen door middel van onderzoek in het kader van de kaderprogramma’s voor onderzoek en technologische ontwikkeling en door de proefprojecten voor het gecombineerd vervoer, de zogenaamde “Pilot actions for combined transport” of “PACT’s” te blijven steunen en uit te breiden. Zoals u ook in het verslag kunt nalezen, zijn er investeringen nodig in infrastructuur en in het beheer van de infrastructuur. In dit verband hebben verschillende sprekers, zoals de heer Caveri, gepleit voor de verdere ontwikkeling van de grote assen van de trans-Europese netwerken.

Wij willen bestuderen hoe wij het gebruik van de bestaande begrotingsmiddelen kunnen aanpassen om grootschalig gebruik van intermodaal vervoer door de vervoerssector te bevorderen. En, dames en heren, ik denk en hoop dat wij reeds aan de laatste aanpassingen toe zijn.

Ik hoop dat de Commissie een van de komende weken de definitieve tekst kan aannemen van het Witboek voor het gemeenschappelijk vervoersbeleid en van de herziening van de trans-Europese netwerken die ik u heb beloofd. Het intermodaal vrachtvervoer moet hierin een sleutelelement worden.

Wij bevinden ons in een belangrijke fase van de ontwikkeling van het intermodaal vervoer, want na de ondersteuning van acties en proefprojecten is de tijd aangebroken dat de sector op grote schaal overstapt op intermodaliteit. Onze werkzaamheden hebben bevestigd dat Europa beschikt over de kennis, de systemen en de technologie voor een veilig en duurzaam vrachtvervoer. Het tariferingsbeleid dat wij voorstellen, zal de concurrentiepositie van het intermodaal vervoer verbeteren.

Tot slot ben ik het volledig eens met de voorstellen van enkele sprekers voor de ontwikkeling van compatibele electronische systemen ter ondersteuning van het intermodale vervoer. Dergelijke ondersteunende instrumenten zijn onmisbaar voor een doelmatig en milieuvriendelijk Europees vervoer met een gunstige kosten/batenverhouding.

Ik ben verheugd over de consensus tussen het Parlement en de Commissie en ik kan u verzekeren dat de diensten van het Directoraat-generaal energie en vervoer en energie een actieve rol zullen blijven spelen ter bevordering van het intermodaal vervoer.

Tot slot wil ik nogmaals de rapporteur en alle sprekers bedanken en ik hoop dat ik op uw medewerking kan blijven rekenen wanneer wij een debat zullen voeren over het Witboek over het vervoer.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Hartelijk dank, mevrouw de commissaris.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

 

11. Tarifering van de vervoersinfrastructuur
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A5-0345/2000) van de heer Costa Paolo, namens de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme, over tarifering van de vervoersinfrastructuur.

 
  
MPphoto
 
 

  Costa, Paolo (ELDR), rapporteur. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, het is mij een genoegen u vandaag dit initiatiefverslag van de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme te mogen voorleggen. Het doel daarvan is schot te brengen in het onderhavige vraagstuk, waarvan wij hopen dat het na onze werkzaamheden wat minder ingewikkeld is dan het aanvankelijk leek te zijn.

U weet dat dit verslag zijn oorsprong vindt in het Groenboek van de Commissie uit 1995. Daarin werd aangedrongen op maatregelen voor de internalisering van de externe milieukosten, veiligheidskosten en filekosten, om de doorberekening van de kosten van de vervoersinfrastructuur aan de gebruikers billijker en efficiënter te maken. In het verslag nodigen wij de Commissie uit om maatregelen te treffen voor met name de harmonisatie van de definities van interne en externe kosten en de harmonisatie of identificatie van de methoden ter berekening van deze kosten. De toepassing van die maatregelen valt dan natuurlijk onder de subsidiariteit en de besluitvorming van de lidstaten.

In het verslag wordt erop aangedrongen – en dit is in feite de kern van het verslag – de toepassing van het beginsel “de vervuiler betaalt” op te nemen in het ruimere beginsel “de gebruiker betaalt”. Dit voorstel van onze kant heeft twee gevolgen, die ik hier kort wil toelichten. Allereerst zullen concrete berekeningsmethoden, waarvoor de Commissie ons hopelijk voorstellen zal doen, ons in staat stellen de interne en externe kosten beter te definiëren en op billijker wijze door te berekenen aan de gebruikers. Tevens zal het dan met het ontstaan van de geschikte voorwaarden mogelijk worden om het probleem van de infrastructuurfinanciering weg te halen uit de overheidssector en over te hevelen naar de algemene belasting van de infrastructuurgebruikers. Daaruit wordt meteen ook duidelijk dat Europa, het huidige en het toekomstige Europa, zich enorme inspanningen moet getroosten om zijn infrastructuur te moderniseren. Daarbij zal het echter ook particulier kapitaal moet betrekken, want anders zal deze modernisering niet mogelijk zijn.

De volgende stap is dan na te gaan waar de doorberekening van bepaalde kosten zinloos is geworden. Ik denk bijvoorbeeld aan de Italiaanse autobanen, die al lang en breed zijn afgeschreven. De opbrengst daarvan zou men kunnen opnemen in fondsen om bijvoorbeeld gekruiste subsidiëring te financieren. Bepaalde, aan de weggebruikers doorberekende kosten kunnen dan worden gebruikt om de infrastructuur van concurrerende, en zeker milieuvriendelijker vervoermodi te verbeteren.

Nogmaals, met dit systeem worden de financiële lasten verplaatst van de overheid naar de gebruikers. Daar moet echter wel een vrijwaringsclausule aan worden verbonden, en dit is het laatste beginsel dat wij hebben in ons verslag hebben opgenomen: men moet nagaan of gehandicapten of mensen die onder moeilijke omstandigheden leven of in achtergebleven plattelands- of randgebieden wonen, misschien niet kunnen worden vrijgesteld. Tevens zou men voor hen specifieke maatregelen, waaronder overheidsmaatregelen, kunnen treffen.

Met dit verslag hebben wij dus een reeks fundamentele beginselen willen formuleren. Ik heb ze zojuist al genoemd: “de gebruiker betaalt”, “de vervuiler betaalt”, de mogelijkheid van gekruiste subsidiëring, enzovoort. Hoe kan men deze beginselen echter hard maken? In het verslag wordt daarvoor een methode aangegeven. In heel Europa zijn inmiddels goede praktijken ontstaan. Wij hebben die onderzocht en samengebracht. Daarna hebben wij daar een seminar over gehouden, waarvan een verslag is gemaakt dat ter beschikking staat van al degenen die dit probleem nader willen bestuderen. Dat seminar konden wij mede dankzij de financiële bijdrage van de Commissie houden. Mijns inziens kunnen wij deze praktijken nu algemeen gaan toepassen en voor iedereen beschikbaar maken. Deze zullen dan operationele aanknopingspunten kunnen opleveren voor een concreet Europees beleid op dit gebied. Daarvoor is geloof ik het moment rijp.

 
  
MPphoto
 
 

  Jarzembowski (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte mevrouw de ondervoorzitter, geachte rapporteur, geachte collega's, ik wil mijn grote waardering uitspreken voor onze collega, de heer Paolo Costa, aangezien wij al jarenlang in dit Parlement heftig gediscussieerd hebben over de vraag wat de beste methode is voor de doorberekening van de infrastructuurkosten. Hij is er in zijn verslag in geslaagd een brede consensus te realiseren.

Mevrouw de commissaris, mevrouw de ondervoorzitter, ik hoop dat u morgen na de stemming nog een keer alle ontwerpen met betrekking tot het Witboek inzake het vervoersbeleid zult doornemen om te bekijken of die in overeenstemming zijn met de lijn die het Parlement voorstelt. Normaal gesproken houdt de Commissie bij haar voorstellen al rekening met de lidstaten. Misschien dat zij in de toekomst ook meer rekening zal houden met de mening van het Parlement.

Ik denk dat het verslag-Costa aanknopingspunten biedt om veel ingeburgerde gewoonten bij de instanties nog een keer te evalueren. Ik hoop ook dat wij het onderwerp dat in het Witboek aan de orde komt, niet zullen combineren met de kwestie van de trans-Europese netwerken. De herziening van de trans-Europese netwerken staat voor de deur en we hebben hier te maken met twee aparte, belangrijke kwesties. Om deze allebei in één pakket aan het Parlement voor te leggen, zou naar mijn idee niet verstandig zijn omdat het twee aparte kwesties betreft.

Staat u mij toe om een paar opmerkingen te maken over het verslag-Costa. In amendement 1 komt duidelijk tot uiting dat wij de voorkeur geven aan een gebruiksafhankelijke vergoeding van de infrastructuurkosten die op basis van de kosten voor bouw, onderhoud en uitbreiding toegerekend kunnen worden. Daar draait het in eerste instantie om. Bij de harmonisatie van de doorberekening van de infrastructuurkosten zijn twee doelstellingen van belang die niet uit het oog verloren mogen worden.

Ten eerste dat de interne markt op dit terrein nu eindelijk werkelijkheid wordt. Wanneer u zich realiseert dat er acht à negen jaar na de totstandkoming van de interne markt op 31 december 1992 nog steeds sprake is van enorme verstoringen van de mededinging als gevolg van de verschillende fiscale en andere heffingen in de lidstaten, komt daarbij onvermijdelijk de kwestie van de gelijke mededingingsvoorwaarden om de hoek kijken.

Ten tweede zijn wij het er allemaal over eens – gezien de explosieve verhogingen van de olieprijzen het afgelopen jaar – dat de totale lasten voor de bedrijven niet mogen stijgen, ongeacht de manier waarop wij een nieuw systeem willen creëren dat veel meer rekening houdt met de duurzaamheid van het milieu. Wij hebben geen behoefte aan prijsopdrijvingen.

Tot slot is er de kwestie van de externe kosten. Ik zou op dat vlak graag twee dingen willen vragen. In de eerste plaats heeft het Parlement ongeveer drie jaar geleden in toto besloten dat op wetenschappelijke basis vastgesteld zou moeten worden waaruit die externe kosten precies bestaan, en hoe deze berekend en doorberekend kunnen worden. Dat verslag hebben wij nooit gekregen. In de tweede plaats is van belang dat bij de berekening van die kosten ook een differentiatie plaatsvindt. Als voorbeeld noem ik de filekosten. Het zou absurd zijn als een bedrijf belast zou worden vanwege het feit dat de chauffeurs in de file staan omdat de lidstaten het weggennet niet genoeg uitgebreid hebben. Dat zou betekenen dat een bedrijf dat door die file toch al met hogere benzine- en loonkosten wordt geconfronteerd, ook nog eens een extra bedrag aan de staat moet afdragen, die zelf verantwoordelijk is voor het ontstaan van die file.

 
  
MPphoto
 
 

  Watts (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats wil ik de rapporteur, de heer Costa, bedanken voor zijn uitstekende verslag over dit uiterst ingewikkelde, gedetailleerde en zo belangrijke dossier.

Overvolle wegen, vervuiling, vastzittend verkeer, de opwarming van de aarde, overstromingen, abnormale weersomstandigheden. Is het einde van de wereld nabij? Nee, dit is het spitsuur in mijn regio. Andere regio’s en lidstaten van de Europese Unie hebben met dezelfde problemen te kampen. Wij verkeren in dezelfde vervoerscrisis. Ik denk dat wij voor onze gemeenschappelijke problemen een gemeenschappelijke oplossing kunnen vinden. Wij mogen ook niet voorbijgaan aan het feit dat de vervoerssector de snelst groeiende bron van broeikasgassen is. Beste collega’s, het is de hoogste tijd om te handelen.

Wij weten allemaal dat iedereen vindt dat de anderen dat maar moeten doen. Dat is onze uitdaging. Ik hoop dat het werk van de heer Costa, zijn verslag en zijn conclusies, een kader zal bieden dat ons in staat stelt om deze problemen aan te pakken. Ten eerste moeten wij een beter begrip voor onze problemen bevorderen en, op basis van consensus en wederzijds begrip, gemeenschappelijke oplossingen vinden voor de gehele Europese Unie.

Ten tweede: wij moeten de uitwisseling van ideeën bevorderen. In veel plaatsen en regio’s heeft men uitstekende ideeën. Die kennis en informatie moeten in de gehele Europese Unie worden verspreid.

Ten derde: Europa moet een sleutelrol spelen bij het verspreiden van de beste praktijk van hoe de uitdaging van het vervoer kan worden aangepakt.

Ten vierde: wat de Europese bijdrage tot dit initiatief betreft, hoop ik dat de regeringen en de lokale autoriteiten niet ieder voor zich belastingen en heffingen innen, maar dat zij dit zullen doen in een op Europees niveau ontwikkeld, geïntegreerd kader.

Dit initiatief van de Commissie en het verslag van de heer Costa hebben geleid tot aanzienlijke bezorgdheid en angst, maar ik heb het idee dat wij in onze commissie veel van deze bezorgdheid hebben kunnen wegnemen. Er was grote steun voor het werk van de heer Costa over de partijgrenzen heen. Sommigen maakten zich zorgen over de subsidiariteit. Die bezorgdheid kon evenwel worden weggenomen toen wij tot de Commissie zeiden: u moet een belangrijke rol spelen bij het verzamelen van wetenschappelijke gegevens, maar de bevoegdheid van de lidstaten om het niveau van de belasting vast te leggen moet onaangeroerd blijven.

Zo is een breed draagvlak ontstaan voor het werk dat wij tot nu toe hebben verzet. Ik hoef maar te verwijzen naar een brief van de organisatie die de automobilistenbonden van Europa vertegenwoordigt, waaronder de AA en de RAC. Zij staan positief tegenover ons werk en steunen ons, want zij weten dat de steden en het platteland onder onaanvaardbare congestie en vervuiling gebukt zullen blijven gaan als Europa niet het initiatief neemt en de beste ideeën in de hele Europese Unie samenbrengt.

Ik wil mijn waardering uitspreken voor het werk en het verslag van de heer Costa en bovenal voor het feit dat hij erin geslaagd is dat wij samen de vervoerscrisis kunnen aanpakken.

 
  
MPphoto
 
 

  Pohjamo (ELDR). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik wil rapporteur Costa voor zijn uitstekende werk bedanken. Mijn dank ook voor het interessante seminarium waar het onderwerp met verhelderende voorbeelden werd behandeld.

Ik vind het belangrijk dat deze zaak nu door het Parlement wordt behandeld. Het uitgangspunt van het verslag, namelijk dat de gebruikers de kosten van het bouwen en onderhouden van de vervoersinfrastructuur betalen, is zeer juist. Bij de tarifering van de vervoersinfrastructuur moet rekening worden gehouden met de maatschappelijke kosten, maar ook met het draagkrachtbeginsel en de noodzaak om perifere regio's te steunen. De betekenis van het instrument van de tarifering van de vervoersinfrastructuur zal toenemen. Het tariferingssysteem moet dan ook flexibel en dynamisch genoeg zijn om stimuli voor de ingebruikname van nieuwe technische diensten te bieden. Als er een combinatie van heffingen en tarieven komt, moet dubbele belastingheffing worden vermeden.

Er zijn nog veel problemen aan tarifering verbonden. Het dekken van de totale kosten met tarieven lukt in regio's met veel verkeer. De omstandigheden verschillen per regio echter aanzienlijk, waardoor niet overal dezelfde criteria voor tarifering toepasbaar zijn. Zoals in het verslag staat, moer er rekening worden gehouden met lange afstanden, een kleine bevolkingsdichtheid en ongunstige natuurlijke omstandigheden als men tariferinginstrumenten gaat vaststellen. Het is naar mijn mening van belang dat men eerst onderzoek doet naar de gevolgen, voordat de tariferinginstrumenten in de praktijk worden gebracht.

 
  
MPphoto
 
 

  Bouwman (Verts/ALE). - Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, allereerst enige dank aan de heer Costa, die heeft per slot van rekening een hoop werk verricht, te beginnen met het volgen van de werkzaamheden, want het is een initiatiefverslag, van de werkgroep op hoog niveau over dit onderwerp. Uiteindelijk is er een verslag blijven liggen waar wij toch ook in ieder geval een ander signaal aan willen geven voor wat betreft met name de Commissie. Wij verwachten van de Commissie eigenlijk meer dan datgene wat er nu aan signaal gegeven is via datgene wat er van het verslag-Costa in zekere zin overgebleven is.

Laat mij dat als volgt toelichten. Daar spreekt ook enige ergernis uit. Zo nu en dan heb ik de hoop dat wij zo slim zijn om in een bepaalde periode inzicht te verwerven en daar het nodige mee te doen. Ik heb al veel langer verwacht dat fair pricing een redelijk en verstandelijk debat zou zijn en maatregelen zou opleveren. Als ik zie hoe lang het allemaal duurt dan breekt bij mij de ergernis uit. Als ik enige vergelijking mag treffen tussen de manier waarop nu onder andere in Duitsland, maar ook in een aantal andere landen, ook in mijn land, de discussie over de wijziging van de landbouwpolitiek plaatsvindt tegen de achtergrond van de problemen rond de voedselveiligheid, dan voorspel ik u dat er ook iets dergelijks zal gaan gebeuren wanneer het gaat om het transportbeleid en datgene wat wij nu meemaken aan milieuproblemen, ongeacht de klimaatconferenties die niet lukken, enzovoort.

Mijn ergernis richt zich ook op het feit dat vrijwel iedereen zich nog steeds verbergt achter allerlei zaken die te maken hebben met het zogenaamd wetenschappelijk niet kunnen aantonen van de kosten van, voor ongelukken kan het wel, voor het andere niet. Ik heb daar moeite mee. Nogmaals, er zijn meer dan genoeg gegevens om stappen te zetten in dit geheel. Ik hoop dan ook dat in het Witboek zelf concrete maatregelen, zoals die overigens in eerste instantie wel voorkwamen in het verslag van de heer Costa en waarvan wij er een aantal heel bewust opnieuw hebben ingediend, waarbij we niet verwachten dat iedereen daarmee in zal stemmen, maar die vooral bedoeld zijn als een signaal aan de Commissie om deze maatregelen, waaronder een kilometerheffing enzovoort onderhand eens een keer min of meer te coördineren, zo niet te harmoniseren, in Europees verband, zodat niet het ene land het wel doet en het andere land niet. Het ene land zegt dat het wetenschappelijk allemaal niet kan, terwijl het andere land het gewoon uitvoert, wat natuurlijk heel merkwaardig is.

Om die reden hebben wij dus een aantal onderwerpen terug op de tabel gebracht en wij hopen dat er een aantal doorkomen. Voor de rest wens ik iedereen sterkte met de uitwerking.

 
  
MPphoto
 
 

  Ainardi (GUE/NGL). (FR) Mijnheer de Voorzitter, in navolging van mijn collega’s wil ik niet onvermeld laten dat de rapporteur en de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme belangrijk werk hebben verzet door een groot aantal amendementen op te nemen.

Ik wil graag terugkomen op een aantal punten die mijns inziens benadrukt moeten worden om de doelmatigheid van dit verslag te onderstrepen.

Allereerst is het mijns inziens noodzakelijk om in herinnering te brengen dat het hier in eerste instantie gaat om het bevorderen van de duurzaamheid van het vervoer. Op langere termijn is ons milieu hier bij gebaat en kunnen we overvoering van de markt voorkomen. Ik ben van mening dat we het vrachtvervoer en het personenvervoer niet op één hoop moeten gooien. Het vrachtvervoer geniet momenteel als economische activiteit grote voordelen, terwijl het personenvervoer voorziet in een fundamentele vrijheid, namelijk de vrijheid om zich vrij te kunnen bewegen. Het aanbod van hoogwaardige vervoersmiddelen moet worden verbreed. Voorts dienen de hoogwaardige diensten van algemeen belang in deze voor zowel de bevolking als de economie zeer belangrijke sectoren te worden bevorderd.

Verder dienen de problemen die als eerste moeten worden aangepakt, noodzakelijkerwijze te worden geïdentificeerd. De spoorweggebruikers moeten niet dezelfde behandeling krijgen als de werkgevers in het wegvervoer. Er moet gekeken worden naar alle kosten die het weggebruik voor de samenleving met zich meebrengt. Denk bijvoorbeeld aan de milieukosten en de kosten van verkeersongelukken. Alle studies schetsen een duidelijk beeld, en dit plaatje dient met voorrang in overweging te worden genomen bij de communautaire maatregelen die getroffen zullen worden.

Tenslotte ben ik van mening dat de wijziging van de tarifering niet mag leiden tot hogere kosten voor met name de gebruikers. In één van de amendementen stelt mijn fractie dan ook voor om het tariferingsbeleid aan te grijpen om de vervoerdiensten van algemeen belang te stimuleren, zodat de kwaliteit en de veiligheid van deze diensten kan worden gewaarborgd en alle burgers tegen acceptabele prijzen en op basis van gelijkheid toegang tot deze diensten krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Van Dam (EDD). - Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, het moge bekend zijn dat onze fractie niet overtuigd is van de noodzaak van alle huidige bevoegdheden. Op het vlak van het Europees vervoersbeleid zijn deze evenwel onomstreden. Immers, de grensoverschrijdende problematiek vraagt om een grensoverschrijdend antwoord. Dat zijn we in dit Huis met elkaar eens.

Daarom verbaast het me dat de meningen over dit onderwerp zo verdeeld zijn. We hebben tenslotte met elkaar afgesproken dat we moeten streven naar een duurzaam vervoersbeleid, waarin naast mobiliteit in het hier en nu, ook mobiliteit in de toekomst mogelijk moet blijven.

Vanuit die optiek is het noodzakelijk dat alle kosten die een gebruiker van transportvormen veroorzaakt, voor diens rekening komen, om zo de ontstane schade te kunnen herstellen dan wel te voorkomen. Dit betreft dan zowel de interne kosten van de infrastructuur als de externe kosten, die minder gemakkelijk te herleiden en toe te delen zijn.

In de voorliggende resolutie ligt de nadruk in sterke mate op de in dit stadium zeer nauwkeurig te kwantificeren interne kosten. Alhoewel deze kosten een substantieel deel van de totaal veroorzaakte kosten vormen, is het onjuist te veronderstellen dat daarmee de totale kosten bekend zijn. Het ontbreken van volledige kennis rondom de grootte van een bepaalde kostenpost is geen legitieme reden om deze post uit de te ontwerpen methodiek te weren. Ik kan mij op dit punt geheel vinden in de amendementen van collega Bouwman, zoals ik me ook kon vinden in zijn bijdrage.

Met de aarzelende collega's ben ik het wel eens dat, door de doorberekening van alle gemaakte kosten, de marge van transporteurs niet zo krap mag worden dat hun bestaan in gevaar komt. Om dat te voorkomen, moeten we echter niet trachten de transportprijzen zo laag mogelijk te houden en dus zo weinig mogelijk kosten door te berekenen, maar moeten wij juridische ondersteuning de transporteurs bieden om de veroorzaakte kosten bij die groep neer te leggen waar ze horen, namelijk de eindgebruikers.

Tot slot wil ik opmerken dat het vanuit concurrentie-oogpunt optimaal is wanneer alle modaliteiten op een gelijke wijze worden behandeld. Dat moet echter niet ons enige uitgangspunt zijn. Vanuit het streven naar duurzame mobiliteit moeten we ons met name richten op die vervoersvormen die de minste schade aan de samenleving en de leefomgeving toebrengen. Het steunen van de ontwikkeling van zo’n vervoerswijze is vanuit concurrentie-oogpunt wellicht niet ideaal, maar gelet op het te bereiken doel alleszins, ook politiek, te rechtvaardigen.

U zult begrijpen dat ik met de voorliggende resolutie niet zonder meer kan instemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lisi (PPE-DE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ook ik wil allereerst de rapporteur bedanken voor niet alleen de enorme hoeveelheid werk die hij heeft verricht, maar vooral ook zijn ontvankelijkheid en openheid voor de suggesties, amendementen en voorstellen uit alle hoeken van de commissie. Ik geloof zelfs te mogen zeggen dat dit een collegiaal verslag is geworden van heel de commissie. Wij weten echter hoe de situatie is. Deze wordt in het Witboek en het Groenboek nauwkeurig uit de doeken gedaan: moeilijkheden bij het doorberekenen van de milieukosten en de sociale kosten, en aantasting van de vrije mededinging ten gevolge van uiteenlopende belastingstelsels en verschillende belastingtarieven in onze landen.

Wij hebben in dit verslag een mogelijk scenario beschreven; wij hebben een spoor aangegeven, en nu is het taak van de Commissie daar gevolg aan te geven. Ik zal kort de hoofdpunten noemen waar iedereen achter staat: meer evenredigheid tussen kostenverdeling en gebruik; aandacht voor sociale kosten; bescherming van benadeelde gebieden en bevolkingsgroepen; ondersteuning van ecologische duurzaamheid; en tegelijkertijd bevestiging van het recht op mobiliteit als zijnde een universeel recht.

Ik wil u, mevrouw de commissaris, slechts een aanbeveling doen. Dit zijn allemaal uitstekende voorstellen en met name ben ik ingenomen met de toepassing van het beginsel “de gebruiker betaalt”, maar daarbij moet men wel voor één ding oppassen: dat dit beginsel geen straf wordt voor de burgers of de bedrijven. Bij het overstappen naar het beginsel “de gebruiker betaalt” moeten wij ervan uitgaan dat een dienst wordt verleend waarvoor een prijs moet worden betaald. Daarom moeten wij de burgers en de bedrijven dat geven wat zij willen en waarvoor zij bereid zijn te betalen: kwaliteit. Kwaliteit op het gebied van het vervoer betekent mijns inziens vooral veiligheid, toegankelijkheid en een aaneengeschakelde infrastructuur. Als wij daarvoor zorgen, zullen wij tevens uit het slop geraken waarin wij zitten, en een nieuw perspectief kunnen bieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Savary (PSE). (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mij aansluiten bij alle lofuitingen aan het adres van de rapporteur, de heer Paolo Costa. Het gaat hier immers om een bijzonder moeilijk vraagstuk en de meningen hierover lopen sterk uiteen. Bovendien zijn er veel amendementen op dit verslag ingediend. Ik denk dat de tekst die hier ter tafel ligt uiteindelijk een coherent en duidelijk document is, en het was niet bepaald een eenvoudige opgave die op te stellen. Volgens mij zal deze bijdrage van het Parlement van nut zal zijn bij de werkzaamheden die de Commissie op dit gebied nog moet verrichten.

Het vraagstuk van de tarifering van de infrastructuur is waarschijnlijk een van de moeilijkste onderwerpen om aan het grote publiek uit te leggen, maar het omvat waarschijnlijk ook de sleutel waarmee we onze doelstelling van duurzame mobiliteit kunnen verwezenlijken. De verwachting is immers dat het aantal verplaatsingen van goederen en personen binnen de Unie aanzienlijk zal groeien. Het is bekend dat het type vervoer dat de meeste vervuiling veroorzaakt, het wegvervoer, tarifaire voordelen geniet met betrekking tot de financiering van zijn infrastructuur en exploitatie. De gemeenschap draait immers op voor de financiering van de infrastructuur van het wegvervoer. Het is dus noodzakelijk dat de tariferingen met elkaar in evenwicht worden gebracht, dat wil zeggen dat de verschillende vervoerssectoren zelf moeten opdraaien voor de kosten die daadwerkelijk gemaakt worden. Op deze wijze kan ervoor gezorgd worden dat er bij de verplaatsingen meer rekening wordt gehouden met milieueisen.

Ik wil hier heel duidelijk stellen dat het vervoer per spoor op dit moment, en waarschijnlijk nog vele jaren, niet in staat is om daadwerkelijk te concurreren met het wegvervoer. Dit geldt in het bijzonder voor het vrachtvervoer en het intermodaal vervoer, waaraan ontegenzeggelijk prioriteit moet worden verleend. De infrastructuurkosten en –behoeften, en de investeringsbehoeften zijn in dit opzicht nog altijd aanzienlijk en kunnen onvoldoende worden gedekt door de inkomsten van de spoorwegbedrijven. De exploitatie wordt bekostigd met tolgelden, die in vergelijking tot die van het wegvervoer nog te hoog zijn.

Het vraagstuk van de tarifering neemt dus een centrale plaats in. Om het modale vervoer succesvol te laten verlopen, zullen we over moeten gaan tot internalisering van de externe kosten, zoals dat heet. Dit betekent dat de sector van het wegvervoer en die van het vervoer per spoor elk opdraaien voor hun eigen kosten, en dat de transparantie van de kosten zal leiden tot prijzen die deze kosten daadwerkelijk kunnen dekken.

Ik wil hier niet onvermeld laten dat er in dit opzicht een politiek probleem bestaat. Onze medeburgers hechten immers veel waarde aan mobiliteit en beschouwen deze als een recht. We mogen dit punt niet over het hoofd zien. Vaak maken ze geen onderscheid tussen het goederenvervoer en het personenvervoer. We hebben dit in september jongstleden kunnen zien.

Vanuit politiek opzicht is het derhalve wenselijk dat we ons voorzichtig opstellen. Wij moeten allereerst kiezen voor een geleidelijke aanpak. Wij kunnen het wegvervoer geen extra kosten doorberekenen zolang het vervoer per spoor niet in staat is om een deel van de taak van het wegvervoer over te nemen. Voorlopig zijn we met het vervoer per spoor nog niet zover. Voorts moeten wij kiezen voor een selectieve aanpak. Ik ben namelijk van mening dat wij het personenvervoer moeten loskoppelen van het goederenvervoer, en dat we voorzichtig een begin moeten maken met het belasten van vrachtwagens. Alleen zo kunnen we immers onze regio’s met een belangrijke vervoersfunctie daadwerkelijk ontlasten.

 
  
MPphoto
 
 

  Lynne (ELDR). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, laat het duidelijk zijn dat er hier geen sprake van is dat de EU belasting gaat heffen, of nieuwe belastingen oplegt bovenop de huidige nationale belastingen. Het gaat om het opstellen van gemeenschappelijke criteria en van kostencomponenten voor vervoersinfrastructuur en om het wegwerken van grote afwijkingen binnen de EU.

Nee, het vastleggen en heffen van belastingen blijft de bevoegdheid van de lidstaten, maar er komt wel een gemeenschappelijk kader. Belastinginkomsten worden tegenwoordig niet geoormerkt voor vervoersinfrastructuur. Vaak, en ik weet dat dit in het Verenigd Koninkrijk het geval is, worden zij gebruikt om de schatkist te spekken. Dat zal in andere EU-lidstaten niet anders zijn. Vervoerskosten moeten worden betaald door de gebruiker, maar de regeringen mogen de mensen op het platteland niet belasten als daar geen openbaar vervoer voorhanden is. Dit verslag is daar duidelijk over.

Dit verslag gaat over eerlijke concurrentie: niet méér belasten, maar doelmatiger belasten. Vervoerders in het Verenigd Koninkrijk klagen dat zij lijden onder een concurrentienadeel. Zij hebben daar gelijk in. Vrachtwagenchauffeurs uit andere landen betalen geen wegenbelasting in het Verenigd Koninkrijk. De gemiddelde heffingen in andere EU-landen bedragen één tiende deel van de Britse. Voor diesel geldt hetzelfde: die is in het Verenigd Koninkrijk drie keer zo duur. Dat leidt tot concurrentievervalsing binnen de EU. In plaats van kritiek te spuien, zouden de Britse eurosceptici beter blij kunnen zijn met dit verslag, want het zal onze in ‘t nauw gedreven vervoerders aanzienlijk helpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Peijs (PPE-DE). - Voorzitter, ik ben nog niet zo ver als een aantal collega's die ik vanavond hoor praten. Zoals het nu is, kennen wij infrastructuurinvesteringen in bijvoorbeeld vaarwegen en andere wegen. Niemand weet precies hoeveel. Aan de andere kant hebben wij overheidsinkomsten uit vervoer, zoals wegenbelasting. Niemand weet precies hoeveel, maar één ding weten wij zeker en dat is dat deze niet direct geherinvesteerd worden in wegen en andere infrastructuur.

Dit verslag gaat over het evenwicht tussen inkomsten en uitgaven, immateriële kosten zoals milieukosten en lawaaikosten worden daarbij inbegrepen. Sommigen willen ook de kosten van files verhalen op de in de file staande burger volgens het principe "de vervuiler betaalt". Ik vind dat een mooi principe, dat ik onverkort toe wil passen, maar niet op files. Files geven het failliet aan van een overheidsbeleid op het gebied van infrastructuur en daarom moet de overheid zelf, zeker in Nederland, als de vervuiler beschouwd worden.

Wij hebben het dit in dit verslag over de balans in de betaling van de maatschappelijke kosten tussen de verschillende vervoersmodaliteiten. Laten wij in dat licht de trein eens bekijken. Wegvervoer leek altijd zeer veel vervuilender dan de trein. Dat blijkt na onderzoek niet zo te zijn. Nu is de vraag wat wij eigenlijk met dit zichtbaar maken van maatschappelijke kosten willen. Willen wij echt een objectieve, rationele afweging van de kosten van de vervoersmodaliteiten of maken wij als de resultaten van een of ander ons niet bevallen, bijvoorbeeld als de trein daardoor onbetaalbaar wordt, uiteindelijk toch een politieke afweging? Wij willen dat de mensen met de trein gaan, dus die moet goedkoper. Dat mag van mij, maar niet volgens deze methode. Wij gaan niet eerst water- en wegvervoer zwaar belasten vanwege het theoretische model en daarna de trein ontzien. Weg- en personenvervoer betalen al veel meer dan hun maatschappelijke deel. Wij noemen het beest dus bij z'n naam, zodat iedereen weet waar hij voor of tegen kan zijn, of wij hanteren een evenredig en proportioneel systeem met waarborgen voor gehandicapten, plattelandsbewoners zonder keus en de concurrentiepositie van de Unie.

Mevrouw de commissaris, ik moet zeggen: u bevindt zich in een wespennest. Want waarom zou een dergelijk systeem alleen op de transportsector toegepast moeten worden? Waarom niet op aluminiumfabrieken, ziekenhuizen, skipistes, weidewinkels, parlementsgebouwen en hoogspanningsnetten?

 
  
MPphoto
 
 

  Izquierdo Collado (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil de rapporteur, de heer Costa, gelukwensen, maar ik wil daarbij aantekenen dat ik hem niet gelukwens met zijn psychologische gave om mensen op één lijn te krijgen, maar met het feit dat hij in dit verslag een aantal punten heeft opgenomen die hebben bijgedragen tot onze eensgezindheid.

Ik wil er twee uitpikken die mij hebben overtuigd om ook de rest van zijn voorstellen te steunen. Het eerste is dat hij in het verslag “benadrukt dat een dergelijke methodologie een geleidelijke en stapsgewijze uitvoering vereist, op basis van transparantie en voldoende informatie”.

Het tweede punt dat mij over de streep heeft getrokken voor dit verslag, is de subsidiariteit. Uit het verslag kan namelijk worden opgemaakt – en de heer Costa heeft het ook in duidelijke bewoordingen gezegd – dat de kosten voor de gebruikers zullen toenemen en dat de financieringskosten van de overheid naar de gebruiker worden verlegd. Dat mogen wij niet zomaar wegmoffelen. Daarom is die geleidelijkheid mijns inziens absoluut noodzakelijk. Wij hebben het over tarifering van interne en externe kosten, die op dit moment moeilijk te concretiseren zijn, maar het komt neer op hogere kosten voor de gebruiker.

Wij hebben het over het begunstigen van het vervoer per spoor. Dat is volgens mij een van de elementen die een tarifering rechtvaardigen, want het wegvervoer – de auto’s – vormt een zware belasting voor het milieu, zozeer dat de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in de industrie erdoor wordt tenietgedan en zelfs overtroffen.

Het is daarom de hoogste tijd dat de auto wordt getemd. Niemand wil afstand doen van zijn auto, maar de auto moet worden getemd. Enerzijds moet door onderzoek het brandstofverbruik omlaag, maar ook de automobilist moet worden aangepakt. De tarifering zal leiden tot hogere kosten voor de gebruiker, opdat deze overweegt van het openbaar vervoer gebruik te maken en, zowel voor goederen- als reizigersvervoer, een rationeler gebruik maakt van de spoorwegen. Dit is volgens mij de sleutel die het tariferingsproject van de Commissie en van de heer Costa rechtvaardigt en de reden waarom wij het steunen. Maar die geleidelijkheid is van het grootste belang, opdat de gebruiker dit proces aanvaardt.

 
  
MPphoto
 
 

  Sanders-ten Holte (ELDR). - Voorzitter, mevrouw de commissaris, als eerste wil ik mijn collega Costa feliciteren met dit moeilijke dossier. Het is een weerbarstige materie en de 126 amendementen geven wel aan hoezeer verschillend de meningen zijn, maar het heeft in elk geval geleid tot een meer realistische opstelling.

Op zich ben ik het in grote lijnen eens met het verslag om de marginale sociale kosten van transport beter in het prijsplaatje tot uitdrukking te laten komen. In de praktijk zal echter blijken dat dergelijke maatregelen onverwachte en onbedoelde effecten met zich mee zullen brengen. Daarom zal er nog veel onderzoek nodig zijn voordat de prijzen juist gecalculeerd kunnen worden. Wat dat betreft deel ik de mening van de heer Bouwman niet.

Eén van de ongewenste effecten is dat de kosten voor de weg relatief gering zullen stijgen, zo'n 10 à 15%. In tegenstelling tot de kosten voor spoor, meer dan 100%, en voor de binnenvaart 50%. De beoogde modal shift komt dan op de helling te staan.

Mijn tweede zorg is dat de kosten voor vervoer substantieel zullen stijgen. Dat is slecht voor de economische positie van Europa. Ten slotte ben ik het oneens met het voorstel van de rapporteur om af te wijken van het principe "de gebruiker betaalt" door extra steun te willen verlenen aan bijvoorbeeld afgelegen regio's. Eerst moet worden gekeken in de praktijk of dit niet tot concurrentieverstoring en verhoging van de totale kosten leidt. Om dezelfde reden ben ik ook tegen kruissubsidiëring.

 
  
MPphoto
 
 

  Stockmann (PSE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte mevrouw de commissaris, geachte collega's, de verdienste van het verslag-Costa is dat het de discussie weer aangezwengeld heeft over een communautair kader voor de tarifering van de vervoersinfrastructuur. Een goed functionerende interne markt kan niet zonder een vervoerssysteem waarin gelijke – of minstens vergelijkbare – mededingingsvoorwaarden gelden voor alle vervoersdeelnemers. De stapsgewijze harmonisatie van de vervoersinfrastructuur vormt daarbij het belangrijkste element.

Voor het onderhoud, de exploitatie en de nieuwbouw van infrastructuren is het zonder meer van belang welke kostenberekening wordt gehanteerd. Gebeurt dat op basis van de totale kosten of de marginale kosten, op basis van de marginale maatschappelijke kosten of de netto maatschappelijke kosten? Het is, zeker wat een eerlijke mededinging betreft, absoluut noodzakelijk dat op dit gebied liefst zo snel mogelijk overeenstemming wordt bereikt Daarbij moet wel rekening gehouden worden met het volgende: als we ook een eerlijke mededinging met betrekking tot de verschillende vervoersmodaliteiten willen bewerkstelligen, dan moeten we de discussie in het kader van de tenuitvoerlegging van de externe kosten tot een goed einde brengen. Als we die discussie vermijden, verhinderen we ook de integratie van de verschillende vervoersmodaliteiten. Dan houden we ons alleen maar bezig met lobbyactiviteiten en lobbybeleid om de status quo te handhaven. Ik zal op een ander moment met de heer Jarzembowski uitvechten wie er op dit gebied schijndebatten voert, omdat ik nu slechts twee minuten spreektijd heb.

Wat het zware goederenvervoer betreft, hebben we dringend voor heel Europa een kilometerafhankelijke heffing voor het zware goederenvervoer nodig. In dat verband behoort een vermindering van de motorrijtuigenbelasting ook tot de mogelijkheden. Dat zien zelfs veel vervoersbonden inmiddels ook in. Pas bij een tarifering van de vervoersinfrastructuurkosten op basis van het principe dat de vervuiler betaalt, ontstaat een marktconform instrument om de crisis die binnen het vrachtvervoer zichtbaar wordt, te beheersen. Wij weten namelijk allemaal dat het vrachtvervoer de komende tijd flink zal toenemen als gevolg van de uitbreiding van de EU naar het oosten en als gevolg van de e-commerce. Die toename komt nog eens bovenop de bestaande groeipercentages.

 
  
MPphoto
 
 

  De Palacio, Commissie. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil in de eerste plaats een woord van dank richten tot de heer Costa voor zijn uitstekende verslag, en tot alle sprekers die aan het debat hebben deelgenomen. Ik kan u met voldoening zeggen dat de Commissie zeer ingenomen is met dit verslag en met de conclusies. Ik ben mij ervan bewust dat de rapporteur, de heer Costa, zich een enorme inspanning heeft moeten getroosten om de grootst mogelijke consensus te bereiken. De heer Jarzembowski en andere sprekers hebben hem hiervoor al in de bloemetjes gezet. Het mag een grote verdienste genoemd worden om voor een zo gevoelige en lastige materie als de tarifering van de infrastructuur welhaast de kwadratuur van de cirkel te verwezenlijken. Ik kan niet voldoende benadrukken hoe moeilijk het is om op een gebied als dit een consensus te vinden.

Dit verslag is gebaseerd op een aantal bijeenkomsten van de leden van de Werkgroep op hoog niveau over de tarifering van de infrastructuur van de Commissie en op een informatief congres over de beste praktijken op het vlak van de tarifering van de infrastructuur. Het is een doorwrocht verslag, waar wij de heer Costa zeer erkentelijk voor zijn. Ik bedank ook de andere sprekers, die blijk hebben gegeven van een grote belangstelling voor deze lastige en taaie materie. Het is een uiterst degelijk verslag, dat een belangrijke bijdrage levert tot het begrip voor het infrastructuur-tariferingsbeleid en de toepassing ervan. Dit is van cruciaal belang voor een vervoersbeleid dat duurzaam vervoer en duurzame mobiliteit voor de toekomst waarborgt en het hoofd kan bieden aan de enorme vraag waar wij de komende jaren mee zullen worden geconfronteerd.

Dit verslag strookt met het beleid van de Commissie inzake de tarifering van de vervoersinfrastructuur. De Commissie is van mening dat het gebrek aan coördinatie van het fiscaal beleid en van de tarifering door de lidstaten de efficiency van het vervoer belemmert en de ontwikkeling van de interne markt en de economische integratie beperkt. Bij gelijke behandeling van de verschillende vervoersmiddelen worden de werkelijke kosten voor de Europese ondernemingen en de samenleving in het algemeen weerspiegeld.

Daarom pleit de Commissie voor een stapsgewijze invoering van een geharmoniseerd kader van infrastructuurtarieven in de Europese Unie, dat geldt voor alle vervoersmiddelen. Ik vind het jammer dat de heer Izquierdo de zaal heeft verlaten. Nu heeft hij niet kunnen zien dat de heer Costa dit amendement aanvaardt en evenmin dat de Commissie daarmee ingenomen is. Het infrastructuur-tariferingsbeleid van de Commissie biedt een kader voor de hervorming van de heffingen en belastingen op het vervoer, zodat de milieu- en infrastructuurkosten erin worden weerspiegeld en de vraag naar vervoer in goede banen kan worden geleid.

Wij boeken vooruitgang. Zo zijn de maatregelen voor de spoorweginfrastructuur in december in een bemiddelingsprocedure goedgekeurd. Er staat ons echter nog veel te doen. Het doet mij daarom genoegen dat ik het Parlement kan verzekeren dat de punten van dit verslag over de tarifering van de infrastructuur hun weerslag zullen vinden in het Witboek van de Commissie over het gemeenschappelijk vervoersbeleid waar ik het eerder al over had. Door dit Witboek zullen wij kunnen voortgaan, zij het met enige vertraging ten opzichte van het oorspronkelijke tijdschema, met de oplossing van een van de ingewikkeldste problemen van het vervoersbeleid, namelijk de tarifering van de infrastructuur. Dit alles is mede mogelijk dank zij uw harde werk, dames en heren, en in het bijzonder dank zij de heer Costa.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Hartelijk dank, mevrouw De Palacio.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.(1)

(De vergadering wordt om 23.40 uur gesloten)

 
  

(1) Agenda voor de volgende vergadering: zie notulen.

Juridische mededeling - Privacybeleid