Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

 Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Debatten
Woensdag 3 juli 2002 - Straatsburg Uitgave PB

7. Vragenuur (Raad)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het vragenuur (B5-0253/2002). Wij behandelen een reeks vragen aan de Raad.

Wij hebben hier vandaag de fungerend voorzitter van de Raad, de heer Haarder, in ons midden. Zijn aanwezigheid hier heeft een belangrijke toegevoegde waarde, aangezien hij gedurende lange tijd lid van dit Parlement is geweest en volkomen vertrouwd is met het reilen en zeilen van deze instelling en de wensen van de afgevaardigden.

Vraag nr. 6 van de heer Gallagher zal niet behandeld worden, aangezien de vraagsteller het lidmaatschap van het Europees Parlement heeft ingeruild voor een vanuit politiek oogpunt bijzonder interessant alternatief: hij is nu minister van de Ierse regering. Wij zullen hem een schriftelijk antwoord op zijn vraag doen toekomen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 1 van de heer Papayannakis (H-0356/02):

Betreft: Wetsontwerp betreffende massamedia in Turkije

De Turkse regering is van plan een omstreden wetsontwerp inzake massamedia aan te nemen, dat indruist tegen de grondwet van het land en de verplichtingen van Turkije jegens de EU. Ambtsdragers van de EU, diplomaten van de lidstaten en de vertegenwoordigster van de Commissie in Ankara hebben reeds uiting gegeven aan hun bezorgdheid over de inhoud van dit wetsontwerp.

Ofschoon Turkije al met ingang van de vorige maand het verbod op de uitzending van radio- en televisieprogramma’s in de Koerdische taal had moeten intrekken, wordt met het bovengenoemd wetsontwerp dit verbod gehandhaafd, het democratisch grondbeginsel van vrijheid van meningsuiting aangetast en de weg geopend voor de totstandkoming van een ongecontroleerd monopolistisch systeem. Is de Raad van mening dat de aanneming van dit wetsontwerp politiek en juridisch verenigbaar is met de toetredingscriteria van Kopenhagen en de douane-unie tussen Turkije en de EU? Kan de Raad mij mededelen of hij van plan is iets te ondernemen om ervoor te zorgen dat de democratische regels en de mensenrechten op grond van de beginselen van het internationaal recht worden geëerbiedigd?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder, Raad. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, dank u voor uw vriendelijk welkomstwoord. Het is merkwaardig: Pat Gallagher is hier niet omdat hij minister geworden is, terwijl ik om dezelfde reden hier juist wel ben – zo gaan die dingen.

Wat de vraag betreft zou ik erop willen wijzen dat de controversiële mediawet waarnaar de geachte afgevaardigde verwijst op 15 mei van dit jaar door het Turkse parlement is aangenomen. De Raad is van mening dat als deze mediawet wordt uitgevoerd, dat een duidelijke stap terug is en dat de vrije radio en televisie in Turkije hiermee nog meer zullen worden beknot. De Raad wijst erop dat het Turkse constitutionele hof op 13 juni, nadat de zaak door de Turkse president Sezer aanhangig was gemaakt, vijf artikelen van deze wet heeft geschorst, onder andere het artikel over de aanwijzing van de leden en het artikel over financiële sancties in geval van overtredingen. Ik wijs er ook op dat het constitutionele hof nog bezig is de essentie van de rest van de tekst te onderzoeken. De Raad brengt in herinnering dat de Europese Commissie direct op deze wet heeft gereageerd vanuit het standpunt dat deze niet alleen in strijd is met het politieke criterium van Kopenhagen, maar bovendien met een van de voorwaarden voor het toetredingspartnerschap, namelijk dat men op korte termijn alle juridische voorschriften opheft die het Turkse burgers verbieden om in tv- en radiouitzendingen hun moedertaal te gebruiken. De EU heeft tijdens haar dialogen met Turkije ondubbelzinnig de nadruk gelegd op deze voorwaarde, voor het laatst tijdens de bijeenkomst van de politieke directeuren op 17 mei in Madrid, direct nadat het Turkse parlement de wet had aangenomen. De Raad zal de situatie nauwgezet volgen, omdat er hier sprake is van fundamentele beginselen. Dus wat dat betreft zijn de Raad en de heer Papayannakis het eens.

 
  
MPphoto
 
 

  Papayannakis (GUE/NGL). - (EL) Ik dank de fungerend voorzitter van de Raad, en ik zou haast willen zeggen: hartelijk dank, collega! Ik moet zeggen dat het antwoord uitstekend en glashelder was. Dus nogmaals hartelijk dank! Eigenlijk heb ik daar niets aan toe te voegen. Ik wilde alleen nog vragen of er misschien informatie gegeven kan worden over het tijdstip waarop deze hele geschiedenis, op negatieve of - hopelijk - positieve wijze, afgewikkeld zal zijn? Wanneer krijgen wij een definitief besluit over deze wet?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Ik wil de heer Papayannakis graag bedanken voor zijn vriendelijke woorden. Ik ben blij dat wij het op dit punt eens zijn. Helaas kan ik niets zeggen over het tijdstip waarop deze zaak zal zijn afgesloten. Laten wij met zijn allen afspreken dat wij deze zaak nauwkeurig zullen volgen en dat wij druk zullen blijven uitoefenen. Wij hopen dat er op die manier zo snel mogelijk een oplossing komt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Bij ontstentenis van de vraagsteller komt vraag nr. 2 te vervallen.

Vraag nr. 3, van Alexandros Alavanos, vervangen door de heer Papayannakis (H-0365/02):

Betreft: Ondermijning van in Nice genomen besluiten met betrekking tot het Europees leger

Tijdens de Top van Nice hebben de Vijftien besloten aan de planning van de operaties van de Europese strijdmacht enkel lidstaten van de Europese Unie te laten deelnemen, ongeacht of NAVO-structuren zullen worden gebruikt.

De Turkse regering heeft zich hevig verzet tegen dit laatste en enige besluit van de Europese Unie, en gedreigd met een veto in het kader van de NAVO als het niet op voet van gelijkheid met de lidstaten mocht deelnemen aan de desbetreffende besluitvorming. Daarna werd buiten de instellingen om een Amerikaans-Brits initiatief ontplooid waarvan het resultaat de “tekst van Ankara” was. Deze tekst druist tegen de letter en de geest van de besluiten van Nice in.

Kan de Raad mij mededelen of de “tekst van Ankara”, die buiten de EU- en NAVO-procedures om werd opgesteld, bindend is voor de Europese Unie? Op grond van welk besluit van de EU oefenen het voorzitterschap en de Hoge Vertegenwoordiger druk uit op de lidstaten en dringen zij aan op instemming met de “tekst van Ankara”?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder, Raad. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik kan het volgende meedelen over het standpunt van de Raad. Op de laatste bijeenkomst van de Raad, op 14 mei in Reykjavik, hebben de EU en de NAVO hun belofte herhaald om onderling nauwe en transparante betrekkingen aan te knopen, en zij stelden vast dat er vorderingen waren gemaakt inzake een aantal aspecten van de regeling rond de steun van de NAVO voor door de EU geleide operaties. Ze merkten echter ook op dat de besluiten van de NAVO-top van Washington in 1999 en van de daarop volgende bijeenkomsten van de Raad van ministers en van de Europese Raad in Nice betekenen dat er op een aantal punten nog nader moet worden onderhandeld. Zoals bekend kwam men echter niet verder doordat een NAVO-lid bezwaren had geuit. De zogenaamde “tekst van Ankara” is een niet-bindende poging om richtsnoeren te definiëren waarin niet alleen rekening gehouden wordt met deze bewaren, maar waarmee bovendien de weg gebaand kan worden voor een zo snel mogelijke nakoming van de belofte van de EU en de NAVO om onderling nauwe en transparante betrekkingen aan te knopen. In Barcelona heeft de Europese Raad benadrukt hoe belangrijk het is dat er zo snel mogelijk een permanente regeling tussen de EU en de NAVO tot stand komt. Daarom werd het voorzitterschap verzocht om samen met de Hoge Vertegenwoordiger, de heer Solana, relevante contacten op hoog niveau te leggen om een positief resultaat te garanderen. Het voorzitterschap en de Hoge Vertegenwoordiger doen hun uiterste best om een oplossing te vinden die voor alle EU- en NAVO-leden aanvaardbaar is, een oplossing die in alle opzichten overeenstemt met de besluiten van de Europese Raad in Nice en die het mogelijk maakt om snelle stappen te zetten in de richting van het doel dat alle ministers van de EU- en NAVO-landen in Reykjavik hebben bevestigd.

Tot slot wijs ik erop dat de Europese Raad op 21 en 22 juni van dit jaar in Sevilla zijn tevredenheid heeft geuit over de vorderingen die het Spaanse voorzitterschap heeft gemaakt inzake de uitvoering van de bepalingen van Nice betreffende de inschakeling van de Europese bondgenoten die geen lid van de EU zijn, en dat men in Sevilla het volgende voorzitterschap, dat wil zeggen het Deense, heeft opgedragen verder te gaan met deze samenwerking met de secretaris-generaal, dat wil zeggen de Hoge Vertegenwoordiger.

 
  
MPphoto
 
 

  Papayannakis (GUE/NGL). - (EL) Mijnheer de fungerend voorzitter, dat was heel duidelijk. Ik wilde alleen vragen of u misschien wat meer informatie kunt geven over het vervolg dat wordt gegeven aan de conclusies van Sevilla. Als ik het wel heb, is in Sevilla vol lof gesproken over het werk van het Spaans voorzitterschap en besloten de inspanningen in de richting van een oplossing voort te zetten. Ik dacht trouwens dat ook gesproken was over bepaalde toevoegingen aan deze welbekende tekst, die weliswaar geen bindende tekst is maar wel politiek belang heeft. Hebt u informatie over de ontwikkelingen na Sevilla? Weten wij hoe men zal proberen deze tekst te verbeteren, en welke kans van slagen heeft men daarbij?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik moet tegen de heer Papayannakis zeggen dat ik in feite geen antwoord kan geven op de door hem gestelde vraag, en ook niet op zijn aanvullende vraag. Op grond van de uitzondering op defensiegebied die in het Verdrag voor Denemarken is gemaakt, neemt Denemarken namelijk het voorzitterschap van de Unie niet waar in gevallen waarin sprake is van beslissingen en acties op defensiegebied. In deze gevallen neemt Griekenland het voorzitterschap waar, en daarom wil ik u verzoeken om eventuele aanvullende vragen schriftelijk te stellen, waarna ze op nauwkeurige instructie van mijn Griekse collega beantwoord zullen worden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Gezien de uitzonderlijke omstandigheden krijgt de heer Papayannakis het woord voor een motie van orde.

 
  
MPphoto
 
 

  Papayannakis (GUE/NGL). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik wilde eigenlijk niet beginnen over de opt-out voor Denemarken, maar het antwoord van de fungerend voorzitter betekent het volgende: aangezien de opt-out ook betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands beleid en de euro, zou op een gegeven ogenblik in deze vergaderingen, tijdens welke vragen worden gesteld aan de Raad, misschien ook de Griekse vertegenwoordiger moeten worden uitgenodigd. Ik leg deze kwestie aan u voor, mijnheer de Voorzitter, in de hoop dat u deze zult doorgeven aan het Bureau.

Schriftelijke antwoorden zoals de heer Haarder aanbeveelt volstaan niet. Schriftelijke antwoorden zijn natuurlijk niet slecht, maar mondelinge vragen hebben een andere charme. Dan kan men namelijk een aanvullende vraag stellen en naar het antwoord daarop luisteren. Moeten wij deze mogelijkheid niet onderzoeken?

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Als Voorzitter van de vergadering neem ik nota van dit probleem, maar nu is het woord aan de heer Haarder.

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de heer Papayannakis graag verzekeren dat Denemarken het voorzitterschap van de Raad Binnenlandse Zaken waarneemt, ondanks het feit dat bepaalde thema’s hiervan onder het Deense voorbehoud vallen; en dat wij verder ook het voorzitterschap van de Ecofin-Raad waarnemen, maar dat wij, conform het Deense besluit van alweer vele jaren geleden, inzake beslissingen en acties op defensiegebied het voorzitterschap van de Raad overlaten aan Griekenland. Ik wil hier graag nog aan toevoegen dat de Deense regering net als de meerderheid van het Deense parlement deze voorbehouden zo snel mogelijk wil opheffen, maar dat wij ze zullen eerbiedigen totdat ze na een referendum verdwenen zullen zijn. Wij eerbiedigen een democratische beslissing, en het verheugt mij dat de heer Papayannakis ook moet wachten op een democratische beslissing. Ook ben ik blij over de coöperatieve houding van de Griekse regering en over het prettige verloop van de samenwerking rond het opstellen van het programma van het Deense voorzitterschap, waarbij Griekenland de passage over defensie heeft geschreven.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 4 van Olivier Dupuis (H-0371/02):

Betreft: Georgië

Ter afsluiting van haar vierde bijeenkomst in Tbilisi op 29 en 30 april 2002 heeft de parlementaire commissie voor samenwerking tussen de EU en Georgië een slotdocument aangenomen waarin onder andere in punt 14 het volgende is te lezen: "doet een beroep op de autoriteiten van de EU en Georgië om zo spoedig mogelijk de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) ten uitvoer te leggen zodat een basis wordt gelegd voor het starten van onderhandelingen over een associatieovereenkomst".

Kan de Raad tot in detail aangeven welke punten uit het samenwerkingsakkoord nog niet ten uitvoer zijn gelegd, waarom dit zo is en welke strategie en welk tijdschema hij volgt met het oog op de onverwijlde integrale toepassing van de overeenkomst?

Is de Raad voorts niet van mening, gezien de bijzonder problematische regionale context waarin Georgië zich bevindt, dat een PSO of eventueel zelfs een associatieovereenkomst een adequaat antwoord van de Unie zou zijn dat Georgië in staat zou stellen het hoofd te bieden aan de uitdagingen waarvoor het land wordt gesteld? Is hij niet van mening dat het beter zou zijn om niet langer alleen maar te zinspelen op de toetreding van Georgië tot de Unie maar Georgië onmiddellijk op te nemen op de lijst van kandidaat-landen, met dien verstande uiteraard dat toetreding zal afhangen van het vermogen van Georgië om het acquis communautaire over te nemen?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder, Raad. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Georgië is in werking getreden op 1 juli 1999. In eerste instantie zou deze overeenkomst tien jaar duren; daarna zou zij elk jaar automatisch worden verlengd. Deze voorwaarde staat in alle partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten die de EU heeft gesloten. Het is dan ook steeds volstrekt duidelijk geweest dat de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Georgië een langetermijnverplichting voor beide partijen was.

Als wij kijken naar de bedoeling van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst, dan is het duidelijk, dat deze een stevige grondslag heeft gelegd voor nauwere betrekkingen tussen de EU en Georgië. Dankzij de overeenkomst is er een kader voor een politieke dialoog die heeft bijgedragen tot de ontwikkeling van onze betrekkingen en die ook de economische relaties tussen de partijen heeft bevorderd. Anderzijds is het duidelijk dat er nog een lange weg te gaan is. Vooral is nog veel steun nodig voor het streven van Georgië om zijn democratie te consolideren en zijn economie te ontwikkelen. Ook is er nog veel te doen aan samenwerking op het gebied van wetgeving, overheidsadministratie, sociale zaken, financiën, civiele wetenschappen, technologie en cultuur.

Zoals gezegd was het duidelijk dat onze samenwerking in het kader van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst de nodige tijd zou kosten. Georgië heeft bovendien te kampen gehad met enige zeer specifieke problemen. Sinds 1991 hebben 1 miljoen mensen Georgië verlaten, het BBP per inwoner is met 70 procent gedaald en op dit moment leeft 60 procent van de bevolking onder de armoedegrens. Twee onopgeloste interne conflicten hebben ertoe geleid dat er binnen de landsgrenzen bijna 300.000 verdreven personen verblijven. Georgië bevindt zich in een zeer moeilijke regionale veiligheidssituatie; de bestrijding van corruptie is op grote weerstand van verschillende zijden gestuit – al met al is het een tragische toestand. Wij steunen de hoop van Georgië om verder te worden geïntegreerd in de Europese modellen en structuren. Sinds de onafhankelijkheid in 1991 heeft de EU 350 miljoen euro aan steun verleend, maar naar de mening van de Raad is het niet verantwoord om in dit stadium te overwegen verdere stappen op dit gebied overeen te komen. Wij zijn ervan overtuigd dat wij ons moeten concentreren op de volledige uitvoering van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst. Dat blijkt ook uit een recent schrijven van president Shevardnadze aan Xavier Solana, waarin hij het heeft over de behoefte aan nieuwe vorderingen inzake de uitvoering van deze overeenkomst. Dat hangt natuurlijk af van politieke, sociale en economische hervormingen en van de oplossing van de twee interne conflicten, waarvoor Georgië zelf de volledige verantwoordelijkheid op zich moet nemen. In dit verband wil de Raad er met nadruk op wijzen dat de twee interne conflicten in Georgië en het conflict in de zuidelijke Kaukasus betekenen dat de situatie in dit gebied verre van stabiel is. Het gebrek aan stabiliteit leidt tot problemen zoals terrorisme, armoede, zwakke politieke instellingen, illegale handel, emigratie en het gevaar voor etnische conflicten. Het oplossen van conflicten moet daarom onze eerste prioriteit zijn. Dat vergt goede wil en de inzet van alle landen in de zuidelijke Kaukasus en van de internationale gemeenschap.

Wij werken met Georgië samen door middel van regelmatige bijeenkomsten in onze Samenwerkingsraad en ons Samenwerkingscomité. Er zijn echter nog steeds maatregelen die Georgië zelf kan nemen om zichzelf te helpen. Een gebrekkige toepassing van bestaande wetgeving vertraagt de vooruitgang en beperkt het effect van de hulp van de EU. De verplichting die Georgië in oktober 2000 op zich heeft genomen, namelijk om een nationaal programma aan te nemen voor de uitvoering van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst, is het land nog steeds niet nagekomen. Wij hopen op vooruitgang in dezen. Tot slot wil ik de heer Dupuis bedanken voor zijn grote betrokkenheid op dit gebied – ik hoop dat mijn antwoord duidelijk heeft gemaakt dat de Raad de situatie in Georgië met grote aandacht volgt en dat wij de situatie daar net als de heer Dupuis betreuren. Wij menen dat wij doen wat in ons vermogen ligt, maar wij zijn genoodzaakt Georgië te vragen om zich van zijn kant ook in te spannen.

 
  
MPphoto
 
 

  Dupuis (NI). - (FR) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik kan mij geheel vinden in uw constatering dat de situatie in Georgië een tragisch karakter heeft. Ik ben het ook geheel eens met uw opmerking en die van voorzitter Fogh Rasmussen van vanochtend dat het uitbreidingsproces van groot belang is om de kloof te dichten die het Europese continent in tweeën deelt. Wij weten ook dat het vooruitzicht op toetreding voor alle landen in Midden-Europa een belangrijke stimulans vormde om hun enorme problemen op te lossen. Er moet in dit opzicht nog veel werk worden verzet.

Ons voorstel verschilt niet wezenlijk van de toezeggingen die we de LMOE's hebben gedaan wat betreft het vooruitzicht op toetreding. Dit vooruitzicht betekent niet dat de toetreding daadwerkelijk op zeer korte termijn moet worden gerealiseerd. Wij bieden met deze toezegging de garantie van een kader waarbinnen Georgië zijn problemen kan oplossen. Wij weten dat Georgië daar nu niet toe in staat is en wij zijn op de hoogte van de druk die Rusland uitoefent. Het is immers bekend welke rol dit land speelt in de interne conflicten die u zojuist hebt genoemd.

Ik wil u derhalve de volgende vraag stellen: bent u bereid om als fungerend voorzitter van de Unie de Raad voor te stellen na te denken over de mogelijkheid om Georgië op de lijst van kandidaat-landen te plaatsen?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik moet helaas tegen mijn goede vriend en voormalige collega Dupuis zeggen dat het onmogelijk is om Georgië op de lijst van mogelijke kandidaat-lidstaten te zetten. Ik geloof dat wij in de Europese Unie alternatieven voor het lidmaatschap moeten bedenken voor onze nabije buren in het oosten en het zuiden. Voor bepaalde Europese landen is het lidmaatschap de voor de hand liggende oplossing, voor andere landen is dat volstrekt onrealistisch. Wij moeten realistisch zijn met de verwachtingen die wij wekken bij de leiders van de landen waarmee wij samenwerken. Ik geloof niet dat het verstandig is om op dit moment hoop op lidmaatschap te wekken, noch bij de heer Shevardnadze noch bij andere leiders in Georgië.

 
  
MPphoto
 
 

  Posselt (PPE-DE). - (DE) Collega Haarder, ook ik wil u van harte feliciteren met uw aanwezigheid hier als fungerend voorzitter van de Raad. Mijn vraag heeft betrekking op Georgië. U hebt er terecht op gewezen dat de veiligheidssituatie van Georgië afhangt van de veiligheidssituatie in de Kaukasus. Ik zou u dan ook willen vragen welke initiatieven de Raad onderneemt teneinde tot een oplossing te komen van het probleem-Tsjetsjenië, waarmee de veiligheidssituatie in de Kaukasus en bijgevolg de stabiliteit in Georgië verbeterd kunnen worden. Want zolang Tsjetsjenië onstabiel is, zolang daar onvrijheid en oorlog heersen, zal ook Georgië geen stabiliteit kennen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het gaat hier om een buurland, mijnheer Posselt. Ik vraag mij af of deze aanvullende vraag wel aansluit bij de vraag over Georgië, maar de voorzitter is uiteraard bevoegd om te antwoorden.

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik kan de heer Possselt slechts een kort antwoord geven. Zoals bekend vindt er een permanente dialoog met de Russische regering plaats over het probleem-Tsjetsjenië. Wij moeten dit probleem niet onderschatten, en dat doen wij dan ook niet. De behandeling van dit probleem is een vast onderdeel van de dialoog met Rusland, en ik wil beslist niet ontkennen dat er mogelijk een verband bestaat tussen het probleem-Tsjetsjenië en de problemen in Georgië. Dus ik geef de heer Posselt in zekere zin gelijk, maar ik zeg erbij dat er een permanente dialoog plaatsvindt over deze zaak, die wij dus niet vergeten, en dat zal ook blijken uit mijn antwoord op latere vragen, als wij daaraan toekomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Evans, Robert (PSE). - (EN) Ook ik zou de heer Haarder in zijn nieuwe functie willen verwelkomen. Ik kom tot mijn vraag naar aanleiding van de uitspraak van de heer Haarder dat hij landen als Georgië geen hoop wil geven, terwijl de heer Dupuis daar juist om vroeg.

Van Roemenië, het elfde of twaalfde land op de lijst van kandidaat-lidstaten, weet ik uit eigen ervaring dat het land enkel en alleen nog bijeengehouden wordt door de gedachte aan het licht aan het eind van de tunnel, de hoop in de toekomst te kunnen toetreden tot de Europese Unie, de rijke westerburen, en deel uit te maken van een groep welvarende landen. U geeft nu een signaal af aan andere landen - of het nu Georgië is of een van de landen van het voormalig Joegoslavië - dat ze nergens op hoeven te rekenen; bestaat er niet het gevaar dat dit leidt tot onrust, interne conflicten en mogelijk zelfs geweld in die landen, en dat dit voor de mensen daar een reden temeer zal zijn om naar het westen te trekken? Mijnheer de fungerend voorzitter, zou u uw standpunt nader willen toelichten?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik begrijp de onderhavige redenering uitstekend, maar het is de vraag of dit een goede raad voor Georgië is, of het een goede oplossing voor de huidige problemen is om dit licht aan het eind van de tunnel te ontsteken. De tunnel kan immers zo lang zijn – en in dit geval ís hij dat ook – dat de hoop te klein wordt. Misschien zal de hoop zelfs regelrecht de aandacht afleiden van de heel concrete en actuele eisen waaraan Georgië niet voldoet, waaronder een aantal overeenkomsten die wij met Georgië hebben gesloten. Ik geloof niet dat het een goede raad zou zijn om Georgië op te roepen om zich voor het lidmaatschap in te zetten. De Raad moet veel concreter zijn: kom de bestaande overeenkomsten na, los de directe, concrete problemen op. Maar Georgië ligt voorzover ik weet in Europa, en natuurlijk is er een theoretische mogelijkheid dat Georgië op een bepaald moment lid kan worden. Dat valt niet uit te sluiten, maar het is niet iets wat enigerlei rol moet spelen in de huidige, trieste situatie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 5 van Liam Hyland (H-0379/02):

Betreft: WTO en invoer uit de armste landen van de wereld

De EU besloot onlangs om aan producten, waaronder landbouwproducten, die worden ingevoerd uit de 48 armste landen van de wereld een onbeperkte heffingsvrije toegang tot de EU-markten te geven. Dit is voor het eerst dat dit ter wereld gebeurt. Er werd ook gehoopt dat andere ontwikkelde landen het EU-voorbeeld zouden volgen. Kan de Raad thans in een nadere verklaring ingaan op de huidige situatie in verband met dit besluit en op de vraag of andere ontwikkelde landen hetzelfde als de EU hebben gedaan?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder, Raad. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, de EU was gastheer van de conferentie over de minst ontwikkelde landen die in mei 2001 te Brussel werd gehouden. Tijdens deze conferentie werden een verklaring en een actieprogramma aangenomen, waarin werd bevestigd dat het de bedoeling is om de voorkeurstoegang van de minst ontwikkelde landen tot de markten te verbeteren, een doel dat men tracht te bereiken door alle producten van de minst ontwikkelde landen douanevrije en quotavrije toegang te geven tot de markten van de ontwikkelde landen. De Raad Algemene Zaken nam op 26 februari van het vorig jaar zijn “Everything but Arms”-initiatief aan, en tijdens de voorbereidingen voor de ministeriële conferentie van de WTO, die in november vorig jaar in Doha werd gehouden, heeft de EU andere ontwikkelde landen opgeroepen om vergelijkbare initiatieven te nemen en daarmee te voldoen aan de multinationale toezegging om de producten van de minder ontwikkelde landen douanevrije toegang te geven, een toezegging uit het actieprogramma van de WTO dat in 1996 in Singapore werd aangenomen. De secretaris-generaal van de VN, Kofi Annan, heeft de ontwikkelde landen eveneens dringend verzocht om dit te doen. Op dit moment kan echter geen van de maatregelen die de grote landen hebben genomen, zich meten met het “Everything but Arms”-initiatief. Het initiatief van Nieuw-Zeeland komt nog het dichtst bij het voorbeeld van de EU. Canada, Japan en de VS hebben ook vorderingen gemaakt, maar lopen nog steeds achter op het initiatief van de EU.

De conclusie van een recent onderzoek van de Unctad naar het effect van het voorstel luidt dat alle minst ontwikkelde landen baat zullen hebben bij het voorstel. Die voordelen zouden echter veel groter zijn als de andere deelnemers aan het vierpartijenoverleg, Canada, Japan en de VS, het voorbeeld van de EU zouden volgen. Op dit moment worden namelijk op de helft van de export van deze landen douanerechten geheven. Tijdens de recente G8 in het Canadese Alberta was er gelegenheid om dit soort kwesties te behandelen. Tijdens de bijeenkomst concentreerde men zich vooral op Afrika, waar de meeste van deze arme landen liggen. De zaak is dus in ontwikkeling, en de Europese Unie mag er trots op zijn dat zij wereldwijd het sterkste initiatief op dit gebied genomen heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Hyland (UEN). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ook ik zou de fungerend voorzitter van de Raad welkom willen heten en ik zou hem tevens willen bedanken voor zijn zeer gedetailleerde en uitgebreide antwoord. In het besluit de armste landen toegang te verschaffen tot de markten in de EU komt in concreto ons streven tot uitdrukking deze landen te helpen bij hun economische ontwikkeling op de lange termijn. Het is de enige manier om een geloofwaardige en duurzame stap vooruit te zetten. Heeft de Raad echter inzicht in de mate waarin sommige van deze landen gebruik hebben kunnen maken van deze mogelijkheid voorzover het de EU betreft? En zou de fungerend voorzitter misschien kunnen aangeven welke moeilijkheden deze landen ondervinden om te voldoen aan de eisen die gelden voor de export naar de Europese Unie?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, de vraagsteller heeft er gelijk in dat het belangrijk is om deze steun te geven, maar het beantwoorden van vragen naar de nadere details van deze kwestie is een taak voor de Commissie. Dus ik wil een oproep doen om met die vragen naar de Commissie te gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 7 van Dirk Sterckx (H-0384/02):

Betreft: Ontoereikendheid van de "aardbei-verordening" in geval van ernstige belemmering van het vrij verkeer van goederen

Sinds november 2001 wordt het vrachtverkeer per spoor tussen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk via de Kanaaltunnel ernstig verstoord. De Commissie heeft alle maatregelen genomen waartoe zij in staat is op grond van de "aardbeiverordening"(1). Als we de huidige situatie bekijken, moeten we vaststellen dat de bevoegdheid die de Commissie krachtens deze verordening heeft, ontoereikend is. Het vrij verkeer van goederen door de Kanaaltunnel wordt tot op heden nog steeds ernstig verstoord. Waarom verwerpt de Raad het voorstel van de Commissie om de draagwijdte van deze verordening uit te breiden en te verbeteren en welke maatregelen namen de lidstaten om uitvoering te geven aan de resolutie van de Raad Interne Markt van 27 september 2001?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder, Raad. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik kan het Parlement meedelen dat het nog steeds “aardbei-tijd” is in de noordelijke lidstaten. In de conclusies van 27 september 2001, waarnaar de heer Sterck verwees, maakt de Raad aantekening van het verslag van de Commissie over het gebruik van de verordening betreffende het vrij verkeer van goederen – de zogenaamde “aardbei-verordening”. Het verslag van de Commissie bevatte onder andere enige voorstellen voor mogelijke wijzigingen van de verordening, met het oog op uitbreiding van het toepassingsgebied en op versnelling van de procedures. Het verslag was echter geen formeel Commissievoorstel waarover de Raad zich moest uitspreken. De Raad en het Parlement werden slechts opgeroepen om er nota van te nemen.. Desondanks besloot de Raad op dit verslag van de Commissie te reageren door formele conclusies aan te nemen tijdens de vergadering “Interne Markt” van de bewuste dag. De Raad besloot dat de lidstaten en de Commissie, in nauwe samenwerking, de verordening op een dynamischer manier moeten toepassen, zodat er rekening wordt gehouden met de bescherming van de fundamentele vrijheden, waaronder het recht op of de vrijheid tot staken. Hoewel de ervaringen met de toepassing van de verordening nog steeds beperkt waren, was de Raad zeer te spreken over enige initiatieven van de Commissie die gericht zijn op vereenvoudiging van de praktische toepassing, bijvoorbeeld een handboek over de te volgen procedures in geval van een belemmering van het vrij verkeer van goederen. De Raad zet zich nog steeds volledig in voor het vrij verkeer van goederen tussen de lidstaten. Dat is een centraal element van de interne markt. De resolutie van de Raad van 7 december 1998, die tegelijk met de verordening werd aangenomen, plus de conclusies van 27 september 2001 geven hier blijk van.

Wat betreft de vraag van de heer Sterck welke maatregelen de lidstaten hebben genomen om uitvoering te geven aan de conclusies van de Raad van 27 september, moet gezegd worden dat het niet de taak van de Raad is om te controleren welke maatregelen de lidstaten op dit gebied nemen. De Raad krijgt ook geen informatie van de lidstaten over dergelijke maatregelen, en daarom kan ik helaas geen antwoord geven op dat gedeelte van de vraag, hoezeer het mij ook spijt.

 
  
MPphoto
 
 

  Sterckx (ELDR). - Mijnheer de Voorzitter van de Raad, het is mij natuurlijk een bijzonder genoegen om tot u in deze capaciteit het woord te kunnen richten.

Het gaat hier eigenlijk over een belemmering van het vrij verkeer van goederen in de Kanaaltunnel die sinds november van vorig jaar op 40% van zijn capaciteit werkt. Dat is dus bijzonder jammer voor een aantal bedrijven. Alsook voor het spoor in het algemeen, dat toch een milieuvriendelijke vervoersmodus is, is het een groot probeem. Ik zou de Voorzitter van de Raad dus willen vragen er in de Raadsvergaderingen voor te zorgen dat het voorzitterschap druk uitoefent op de lidstaten opdat zij al het mogelijke doen om het vrij verkeer van goederen te behouden.

Mijn vraag is dan: wat denkt u als Voorzitter daaraan te doen? Op dit moment is de aardbeirichtlijn te zwak. Ik vind dat we die zouden moeten versterken. Mijnheer Bolkestein antwoordt mij op een vraag dat de Raad dat pad verwerpt. Heeft mijnheer Bolkestein het dan verkeerd voor? Mijn vraag is: wat kan u er in de praktijk aan doen om ervoor te zorgen dat het vrij verkeer ook in de Kanaaltunnel gegarandeerd wordt, want de zaak wordt altijd maar achteruit geschoven.

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Ik wil mij er even van verzekeren dat ik gelijk heb met de opvatting dat het de taak van de Commissie is om te garanderen dat men zich aan dergelijke regels houdt. Ik wil het door de heer Sterckx genoemde probleem overigens absoluut niet bagatelliseren. Ik kan mij levendig voorstellen wat voor financieel verlies dat met zich kan meebrengen, en de betrokkenen kunnen dat uiteraard niet begrijpen - er zijn immers EU-regels die ten doel hebben hun afzet te garanderen. Dus ik wil het probleem niet bagatelliseren, en ik zal het in de Raad nader aan de orde stellen, maar de inspectie blijft een taak van de Commissie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 8 van Marit Paulsen (H-0389/02):

Betreft: Industriële visserij en het verbod op het gebruik van verwerkte dierlijke eiwitten

De invloed van de industriële visserij op het milieu en op de biodiversiteit is alom bekend. Met deze manier van vissen wordt, zoals bekend, hoofdzakelijk eiwitrijk vismeel voor vervoedering aan dieren en voor de teelt van edele vissoorten geproduceerd.

Besluit 2000/766/EG(2) van de Raad van 4 december 2000 verbiedt het gebruik van verwerkte dierlijke eiwitten in diervoeder in de EU. Heeft dit verbod een negatieve invloed gehad op de Europese dierproductiesector? Zo niet, is het voorzitterschap bereid te concluderen dat de industriële visserij niet nodig is als eiwitbron voor de dierproductiesector in de landbouw?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder, Raad. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, in 1992 is er een rapport gepresenteerd over de industriële visserij in de Noordzee, het Skagerrak en het Kattegat – de zee rond Denemarken. De Raad heeft sindsdien bij diverse gelegenheden het effect van de industriële visserij op het milieu behandeld, maar de Raad heeft nooit een gemeenschappelijk standpunt inzake dit onderwerp bepaald. De Commissie heeft op 28 mei van dit jaar een mededeling gepresenteerd over de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid. In deze mededeling stelt de Commissie voor dat de visserij met het oog op de verwerking van vis tot vismeel zich moet richten op vis waarvoor geen commerciële consumentenmarkt bestaat, en dat men dit type visserij nauw in de gaten moet blijven houden. De Raad heeft deze mededeling van de Commissie nog niet behandeld. Besluit 2000/766/EG van de Raad wordt uitsluitend toegepast voor vismeelvoer voor herkauwers, en alleen als dit voer voldoet aan de bepalingen in het Commissievoorstel. Tot zover mijn antwoord, waarvan ik erken dat het niet erg bevredigend is, maar de Raad heeft zoals gezegd de mededeling van de Commissie nog niet behandeld. Ik wil tot slot graag benadrukken dat ik volledig begrijp dat de afgevaardigde deze vraag stelt, maar ik kan er op dit moment dus niet meer over zeggen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Om uw vraag te herformuleren? Afgesproken. Wij danken mevrouw Paulsen voor deze beslissing.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 9 van Cecilia Malmström (H-0396/02):

Betreft: Maatregelen tegen de Cubaanse regering en steun aan de democratische beweging

Gisela Delgado Sablón, hoofd van de vrije bibliotheek van Cuba, heeft de Lars-Leijonborgsprijs ontvangen voor haar inzet voor de democratie. Deze prijs wordt door mijn partij uitgereikt aan personen in dictaturen die een waardevolle bijdrage tot de democratie en de mensenrechten hebben geleverd. Mevrouw Delgado Sablón is uitgenodigd om in Stockholm de prijs in ontvangst te nemen en zelf heb ik haar uitgenodigd om mee te werken aan een seminar in het Europees Parlement over de situatie op Cuba.

Helaas hebben wij te horen gekregen dat de Cubaanse regering mevrouw Delgado Sablón geen uitreisvisum wil geven. Al geruime tijd worden democraten door het communistische regime op Cuba vervolgd, en dit is maar een voorbeeld hiervan. Het zou van grote betekenis voor de democratische beweging zijn geweest als mevrouw Delgado Sablón een bezoek had kunnen brengen aan Stockholm en Brussel om verslag uit te brengen van de situatie in haar land.

Met welke maatregelen denkt de Raad de Cubaanse regering ertoe te kunnen brengen het vervolgen van democraten te staken, en hoe wil hij steun verlenen aan degenen die zich inzetten voor de democratie en de mensenrechten op Cuba?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder, Raad. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, de Raad is volledig op de hoogte van de situatie op het gebied van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden op Cuba en van de behoefte aan de invoering van een systeem dat gebaseerd is op vrijheidsrechten en andere rechten. Een dergelijk systeem is vastgelegd in de Cubaanse grondwet, maar niet in praktijk gebracht. Dat is de hoofdreden waarom Cuba op dit moment het enige land in Latijns-Amerika is waarmee de EU geen samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten. Sinds 1996 zijn de betrekkingen met Cuba vastgelegd in het gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake Cuba.

Zoals aangegeven in dit gemeenschappelijk standpunt is het doel van de betrekkingen met Cuba het bevorderen van de overgang naar een pluralistische democratie en naar respect voor mensen- en vrijheidsrechten alsmede een duurzaam economisch herstel en een verbetering van de levensstandaard van de Cubaanse bevolking. Wij vinden dat een resultaatgerichte dialoog en humanitaire bijstand de beste middelen zijn om dit doel te bereiken. De dialoog met Cuba, die in april 2000 door de Cubaanse autoriteiten was afgebroken, werd officieel hervat op 1 en 2 december van het vorig jaar, toen een uit topambtenaren bestaande EU-trojka naar Havana reisde. De trojka had een ontmoeting met de Cubaanse delegatie onder leiding van minister van Buitenlandse Zaken Felipe Perez Roque. De EU-trojka had ook een ontmoeting met de Cubaanse delegatie van deskundigen, toen de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties in april van dit jaar bijeenkwam.

De Raad Algemene Zaken heeft tijdens zijn vergadering in Luxemburg op 17 juni van dit jaar de elfde evaluatie van het gemeenschappelijk standpunt inzake Cuba goedgekeurd. De Raad bevestigde opnieuw dat de in dit standpunt genoemde doelen nog steeds actueel zijn. Volgens de Raad was het belangrijk om de dialoog met Cuba voort te zetten, zodat er concrete resultaten kunnen worden bereikt, en de Raad gaf ook te kennen dat hij duidelijke signalen van de kant van de Cubaanse regering verwacht die duiden op verwezenlijking van de doelen die in het gemeenschappelijk standpunt worden genoemd.

Op 20 mei van dit jaar, toen het Varela-project aan het Cubaanse parlement was voorgelegd, heeft het voorzitterschap namens de Europese Unie een verklaring afgelegd waarin het Varela-initiatief werd toejuicht. Wij vinden het Varela-project een belangrijk initiatief, dat met krachtige steun van de Cubaanse burgerbevolking de weg kan banen voor de noodzakelijke veranderingen in het land. Het doel van dit initiatief, dat gebaseerd is op de Cubaanse grondwet, is het invoeren van een systeem met vrijheidsrechten en andere rechten die in de grondwet zelf zijn vastgelegd, maar die niet in praktijk zijn gebracht. In de verklaring spreekt de EU de hoop uit dat het Cubaanse parlement het initiatief in overweging wil nemen en dat het Varela-project het startschot is voor een debat waarmee een vreedzame overgang naar een pluralistische democratie en naar een vreedzame Cubaanse samenleving bevorderd kan worden.

Tijdens zijn vergadering van 17 juni in Luxemburg heeft de Raad deze elfde evaluatie van het gemeenschappelijk standpunt inzake Cuba vastgelegd. Daarin werd bevestigd dat het gemeenschappelijk standpunt nog steeds de grondslag vormt van het EU-beleid inzake Cuba, en dat dit beleid nog steeds actueel is. De Raad noteerde enige positieve signalen, zoals een grotere vrijheid van godsdienst, een geringer aantal politieke gevangenen, geen voltrekking van doodstraffen gedurende de laatste tweeënhalf jaar en de ratificatie van verschillende instrumenten van de VN betreffende de mensenrechten. De Raad merkte op dat er de laatste tijd tekenen zijn dat de Cubaanse autoriteiten zich opener opstellen. Dit werd als een begin beschouwd, dat de verwachting wekt dat de Cubaanse regering positieve stappen zal nemen die kunnen leiden tot concrete hervormingen in de richting van een politiek systeem dat gebaseerd is op democratische waarden. De Raad volgt in dat verband met belangstelling de ontwikkelingen met betrekking tot het reeds genoemde project op basis van de grondwet en roept de Cubaanse regering op om dit als een legitiem initiatief te beschouwen, aangezien het een zeer belangrijke motor vormt achter de invoering van de bedoelde hervormingen. De conclusie is dus dat de Raad zich in zeer hoge mate met Cuba bezighoudt, de ontwikkelingen op Cuba kritisch volgt en eisen aan Cuba stelt, maar tegelijkertijd vaststelt dat er ondanks alles enige vorderingen worden gemaakt, waarvan de Raad hoopt dat ze in de komende tijd tot meer resultaat zullen leiden.

 
  
MPphoto
 
 

  Malmström (ELDR). - (SV) Mijnheer de voorzitter van de Raad, welkom in het Parlement. Fijn dat u er bent. Hierbij wil ik u hartelijk danken voor uw antwoord en melden dat er nieuwe ontwikkelingen hebben plaatsgevonden sinds ik mijn vraag stelde. Morgen organiseert de liberale fractie een seminar over het democratiseringsproces op Cuba. Wij hebben vier Cubaanse burgers uitgenodigd voor deze bijeenkomst, maar zij hebben van hun overheid geen uitreisvisum gekregen. Een kwartier geleden ontving ik een fax van de ambassadeur van Cuba, waarin hij schreef dat het seminar een belediging was voor het Cubaanse volk. Zoals u weet heeft het Cubaanse regime een grondwetswijziging doorgevoerd waarmee het socialisme voorgoed vastgelegd wordt in de grondwet. De gebeurtenissen op Cuba worden door het communistisch bewind natuurlijk gezien als een ernstige provocatie.

Ik vraag mij af of het Deense voorzitterschap extra druk gaat uitoefenen nu het kan zien hoeveel verschillende initiatieven voor democratisering genomen worden. De voorzichtige verbeteringen die wij hebben gezien lijken vooralsnog niet tot resultaat te leiden. De Europese Unie speelt in dit verband een zeer grote rol, en de oppositie op Cuba heeft ons heel hard nodig.

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik heb zeer goed begrepen welke vraag hier gesteld werd. De vraag was wat ik van het initiatief van de liberale fractie vind en wat mijn reactie is op het feit dat men op Cuba geen uitreisvisum kan krijgen om aan zo’n seminar deel te nemen. Mijn antwoord is dat het initiatief mij interessant en positief lijkt. Het voorlopige resultaat bewijst echter helaas dat er nog een lange weg te gaan is voordat de fundamentele mensenrechten op Cuba worden gerespecteerd. Dat moet voor ons echter geen reden zijn om op te geven, en ik ben blij met de inlichtingen die mevrouw Malmström ons hier verstrekt heeft. Dat is leerrijke informatie, die wij natuurlijk mede in ogenschouw moeten nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Korakas (GUE/NGL). - (EL) Mijnheer de fungerend voorzitter, is het volgens u niet op zijn minst schijnheilig dat zoveel belangstelling wordt getoond voor de democratie en de mensenrechten in een land dat, ondanks het onmenselijke en jarenlange embargo en de meedogenloze oorlog die de VS tegen het land voert, de hoogste levensstandaard en het hoogste onderwijsniveau van Midden- en Zuid-Amerika heeft weten te bereiken? Vindt u verder ook niet dat wij de wil van de overgrote meerderheid van het Cubaanse volk, dat zijn socialistische vaderland wil beschermen, moeten eerbiedigen en een onmiddellijk verzoek moeten richten tot de regering van de VS om een einde te maken aan het ronduit misdadige embargo en de terreur tegen Cuba en tegen de leiders van het Cubaanse volk? Kunt u mij trouwens zeggen, mijnheer de fungerend voorzitter, wat u gaat doen om de vijf Cubaanse activisten tegen terreur te bevrijden die in de VS gevangen zitten juist omdat zij het terrorisme aan de kaak stelden dat door de regering van de Verenigde Staten wordt uitgeoefend tegen Cuba en zijn leiders?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Ik zou tegen de heer Korakas willen zeggen dat ik toch hoop dat socialistische verworvenheden niet gepaard hoeven te gaan met gebrek aan democratie en mensenrechten en met een verbod om naar andere landen te reizen en aan discussies deel te nemen. Zo zou ik het begrip socialistische verworvenheden toch niet willen definiëren. Men kan zeggen wat men wil van de Amerikaanse boycot, en ik zal hier niet de hele geschiedenis weer oprakelen, maar het staat buiten kijf dat er vrije verkiezingen op Cuba hadden kunnen zijn en dat er veel grotere vorderingen op het gebied van de mensenrechten hadden kunnen worden geboekt, en in dat geval hadden degenen die de boycot willen opheffen veel sterkere troeven in handen gehad.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 10 van Lennart Sacrédeus (H-0399/02):

Betreft: Bijzondere VN-zitting over kinderen

In de resolutie die het Europees Parlement op 11 april 2002 heeft aangenomen met het oog op de bijzondere VN-zitting over kinderen wordt o.m. gesteld dat het Europees Parlement het gezin beschouwt als de hoeksteen van de samenleving en dat het als eerste verantwoordelijkheid draagt voor bescherming, opvoeding en ontwikkeling van het kind. Daarom, aldus het Europees Parlement, moet een wereld die aandacht heeft voor het kind tegelijkertijd een wereld zijn die aandacht heeft voor het gezin.

Wat heeft de Raad tijdens de bijzondere zitting gedaan opdat de standpunten van het Parlement werden opgenomen in het slotdocument dat tijdens de zitting is aangenomen en op welke wijze is vooruitgang geboekt bij het benadrukken van het gezin als hoeksteen van de samenleving?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder, Raad. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik de heer Sacrédeus graag verwijzen naar het antwoord van de Raad op een vergelijkbare vraag betreffende de bijzondere VN-zitting over kinderen, die gepland was voor september 2001. Zoals u weet, werd deze zitting verdaagd naar 10-12 mei 2002 vanwege de terroristische aanslagen in de Verenigde Staten op 11 september 2001.

Verder wil ik meedelen dat het eindresultaat van de bijzondere zitting op dit moment toegankelijk is op de website van Unicef. Het verheugt mij het Parlement te kunnen meedelen dat het actieprogramma dat tijdens de zitting werd aangenomen feitelijk een passage over het gezin bevat – een passage die door de Europese Unie is voorgesteld. Deze passage luidt aldus:

 
  
  

(EN) “Het gezin is de hoeksteen van de samenleving en dient als zodanig versterkt te worden. Het gezin heeft recht op bescherming en ondersteuning in de breedste zin van het woord. De belangrijkste verantwoordelijkheid voor de bescherming, opvoeding en ontwikkeling van kinderen ligt bij het gezin. De samenleving en al haar instellingen moeten de rechten van het kind respecteren, het welzijn van kinderen waarborgen en passende bijstand verlenen aan ouders, familieleden, wettelijke voogden en anderen zorgverleners teneinde kinderen in staat te stellen op te groeien en zich te ontplooien in een veilige, stabiele omgeving en in een klimaat van geluk, liefde en begrip, met dien verstande dat het gezin in verschillende vormen kan bestaan naar gelang de verschillen in culturele, sociale en politieke structuren.”

 
  
  

(DA) Deze passage was een deel van een pakket dat door de voorzitter van de bijzondere zitting werd voorgesteld op de laatste zittingsdag, toen het voorzitterschap van de Europese Unie duidelijk had gemaakt dat de EU erop stond dat dit thema in het actieprogramma zou worden opgenomen. De EU kan er trots op zijn dat in het actieprogramma niet alleen is komen te staan dat het gezin de hoeksteen van de samenleving is, maar ook dat er verschillende gezinsvormen bestaan. Dit ondanks het feit dat er een controversiële stemming heerste inzake sommige kwesties die pas op het laatst werden opgelost. Ik denk dat de heer Sacrédeus wel weet waar ik aan denk.

Ik wil er ook graag op wijzen dat de VN in de tijdens de bijzondere zitting aangenomen verklaring alle burgers specifiek oproept “om zich bij ons aan te sluiten in een wereldwijde beweging die een wereld wil helpen opbouwen die geschikt is voor kinderen, door ons aan onze verplichtingen te houden”. Als de geachte afgevaardigde specifiekere informatie wenst over de onderhandelingen tijdens de bijzondere zitting van de VN, verzoek ik hem contact op te nemen met de delegatie die het Europees Parlement naar de bijzondere vergadering had afgevaardigd; er zijn hier namelijk verscheidene afgevaardigden die mijn antwoord kunnen bevestigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sacrédeus (PPE-DE). - (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik wil Bertel Haarder bedanken voor zijn antwoord en onze voormalige collega welkom heten in het Europees Parlement als minister voor Europese Zaken.

Ik ben blij met de inspanningen van de Europese Unie voor het benadrukken van het gezin als hoeksteen van de samenleving. Ik heb nog enkele aanvullende vragen voor Bertel Haarder.

Heeft een en ander gevolgen voor de werkzaamheden van de Raad in verband met de demografische uitdaging, die door Göran Persson tijdens de Top van Stockholm in maart 2001 een van de belangrijkste onderwerpen voor de toekomst genoemd is? Betekent deze erkenning van het bestaan van verschillende soorten gezinnen dat de Europese Unie onderstreept dat kinderen het recht hebben om samen te leven met een vader en een moeder, waardoor zij extra geborgenheid krijgen?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, mijn excuses dat ik het accent verkeerd legde bij het uitspreken van de naam Sacrédeus. Het zal niet weer gebeuren, maar ik ben gewend aan een andere uitspraak.

Volgens mij was mijn antwoord zeer weloverwogen. Ik ben het ermee eens dat een kind normaal gesproken het beste kan opgroeien bij een vader en een moeder, maar er zijn situaties waarin dat niet zo goed gaat. Daarentegen zijn er kinderen die zonder een vader en een moeder opgroeien, maar desondanks gelukkig opgroeien en een goed leven hebben. Daarom vind ik dat wij het begrip gezin niet te eng moeten definiëren.

Men kan lang praten over de demografische uitdaging in verband met het dalende bevolkingsaantal. Ik vind het probleem niet zo dramatisch als sommige anderen, maar het is niet aan mij om hier namens de Raad een standpunt in te nemen in de permanente discussie die wij volgens mij over dit thema moeten voeren. Dat heeft overigens ook te maken met het vraagstuk van de immigratie in onze landen, en ik vind het te ver gaan om daar nu over te gaan discussiëren.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aangezien de vragen 11 en 12 over een soortgelijk onderwerp gaan, worden zij tezamen behandeld.

Vraag nr. 11 van Carlos Carnero González (H-0402/02):

Betreft: Proces tegen democratische oppositieleiders in Equatoriaal Guinee

Op 23 mei begint in Equatoriaal Guinee een proces tegen verscheidene democratische oppositieleiders, onder wie Plácido Micó, leider van een van de grootste oppositiepartijen, sociaal-democratische CPDS. Het proces is aangespannen op grond van volstrekt ongefundeerde beschuldigingen en de bij een rechtsstaat behorende procedurele waarborgen voor een eerlijk verloop ontbreken ten enenmale.

Dit proces toont aan dat de regering van Equatoriaal Guinee zich niets gelegen laat liggen aan de afspraken die met de internationale gemeenschap, met inbegrip van de EU, zijn gemaakt om democratische hervormingen door te voeren.

Welke maatregelen overweegt de EU of heeft zij reeds genomen naar aanleiding van dit proces en om de democratische oppositie te beschermen tegen de onaanvaardbare aanvallen van de dictatuur van Teodoro Obiang?

Vraag nr. 12 van Raimon Obiols i Germà (H-0407/02):

Betreft: Detentie van leiders van de politieke oppositie in Equatoriaal Guinee

De secretaris-generaal van de partij Convergentie voor Sociale Democratie (CPDS) in Equatoriaal Guinee, Plácido Micó Abogo, bevindt zich in huisarrest sinds hij op 9 mei werd gearresteerd omdat hij deelgenomen zou hebben aan een vergadering ten huize van Emilio Ndong Biyogo en Felipe Ondo Obiang, waarbij naar vermoed gesproken zou zijn over plannen om een staatsgreep tegen president Obiang te plegen.

De CPDS is in februari 1993 gelegaliseerd na het uitoefenen van druk door de internationale gemeenschap nadat het regime geweigerd had de CPDS en andere politieke groeperingen te legaliseren omdat de CPDS onverenigbaar zou zijn met het "democratische experiment" van de toenmalige regering van Equatoriaal Guinee.

Beschikt het Raadsvoorzitterschap over informatie over de detentie van oppositieleiders van democratische partijen als de CPDS in Equatoriaal Guinee?

Wat denkt het Voorzitterschap van de ontwikkeling van het democratiseringsproces in dit land?

Welke stappen heeft de Raad gezet om te zorgen dat de fundamentele rechten van de mens en de politieke rechten van de verschillende democratische politieke krachten in dit land worden geëerbiedigd?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder, Raad. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, de Raad heeft de aanhouding van de tot de oppositie behorende politici in Equatoriaal-Guinea aandachtig gevolgd, en dat geldt ook voor de twijfelachtige omstandigheden rond de gevangenneming, de rechtszaak en de laatste vonnissen. Hoewel het Openbaar Ministerie de doodstraf eiste, werden de oppositieleiders uiteindelijk veroordeeld tot gevangenisstraffen van zes tot twintig jaar omdat zij zogenaamd van plan waren president Obiang ten val te brengen.

Ondanks verzekeringen van de president dat de mensenrechten worden geëerbiedigd, heeft de EU haar zorg geuit over procedurele onregelmatigheden tijdens de rechtszaak en over beweringen dat de verdachten waren gemarteld en mishandeld. Er heerst nog steeds twijfel over de wettigheid van de arrestatie.

Het Raadsvoorzitterschap heeft op maandag 10 juni, direct nadat de vonnissen waren gewezen, namens de EU een verklaring doen uitgaan. Hierin heeft het voorzitterschap de relevante autoriteiten in Equatoriaal-Guinea opgeroepen om de noodzakelijke maatregelen te nemen om de vonnissen definitief te vernietigen, teneinde te garanderen dat de fundamentele rechten van de verdachten worden gerespecteerd. Naar de mening van de EU staan de magere bewijzen tegen de aangeklaagde politici in scherp contrast met de strengheid van de vonnissen. Vandaar de eis tot heropening van de zaak.

De EU heeft haar ernstige twijfel geuit omtrent de wil van de autoriteiten om het rechtsstaatbeginsel te eerbiedigen en te voldoen aan de verplichtingen op het gebied van de mensenrechten, die onlangs zijn aangegaan in verband met de 58e vergadering van de VN-Mensenrechtencommissie. Verder heeft de EU verwezen naar de verplichtingen van Equatoriaal-Guinea uit hoofde van het Verdrag tegen marteling en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing – een verdrag waartoe het land onlangs is toegetreden. De EU is dus snel, standvastig en vastberaden opgetreden en koestert zoals blijkt een groot wantrouwen jegens de desbetreffende rechterlijke beslissingen in Equatoriaal-Guinea.

 
  
MPphoto
 
 

  Carnero González (PSE). - (ES) Met alle respect voor de fungerend voorzitter van de Raad, maar ik denk dat men hem een antwoord heeft toegespeeld dat wel ergens zal thuishoren, maar zeker niet op de aarde of in de Europese Unie, laat staan in Equatoriaal-Guinee.

Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, met uw antwoord bewijst u dat u ofwel niet op de hoogte bent van de situatie ofwel niet wilt erkennen dat in Equatoriaal-Guinee een allesbehalve democratisch proces heeft plaatsgevonden waarbij straffen op basis van ongegronde beschuldigingen zijn uitgesproken en de gearresteerde en later ook veroordeelde personen in een bedenkelijke situatie verkeerden. Op dit moment vreest men zelfs voor hun leven. Ik vraag mij bijvoorbeeld af of u weet dat zij sinds een week geen voedsel meer krijgen en dat twee van hen 48 uur geleden met hevige pijnen op de spoedgevallendienst van het ziekenhuis van Malabo zijn opgenomen.

Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, bent u voornemens uw steun te verlenen voor het standpunt dat de Europese Commissie tijdens de laatste plenaire vergadering bij monde van de bevoegde commissaris heeft geformuleerd ten aanzien van de situatie in Equatoriaal-Guinee? Sterker nog, bent u voornemens de resolutie van dit Parlement over deze situatie na te leven, met inachtneming van de bepalingen van de Overeenkomst van Cotonou?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, in de Overeenkomst van Cotonou staan zoals bekend artikelen die het mogelijk maken voor de EU om een dialoog te starten, om kritiek uit te oefenen, om verklaringen te eisen. Dat heeft de Europese Unie dan ook gedaan, en ik heb in mijn antwoord Equatoriaal-Guinea geenszins verontschuldigd. Integendeel, ik heb harde woorden gesproken. Ik heb afgesloten met het uitspreken van het wantrouwen van de Unie jegens de rechtbanken, ik heb me tegen de gewezen vonnissen uitgesproken, en als de heer Carnero González het wil, ben ik ook graag bereid om namens de Unie uiting te geven aan wantrouwen met betrekking tot de manier waarop men in Equatoriaal-Guinea verdachten en gevangenen behandelt.

 
  
MPphoto
 
 

  Obiols i Germà (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, staat u mij toe dat ik in mijn korte uiteenzetting geen enkel eufemisme gebruik.

Dit is een zaak van leven of dood waarbij vrienden van ons betrokken zijn. Zelf ben ik goed bevriend met Plácido Micó, secretaris-generaal van de CPDS - sociaal-democratische partij en lid van de Socialistische Internationale -, die in deze rechtszaak veroordeeld is. Wij hebben hier te maken met een beschamende schijnvertoning waarin niet alleen alle democratische waarborgen overboord zijn gezet maar ook ernstige lichamelijke folteringen hebben plaatsgevonden.

Daarom verzoeken wij het voorzitterschap van de Raad om onmiddellijke actie. Zoals mijn collega Carlos Carnero ook al zei, zijn de berichten uit Malabo die ons eergisteren ter ore zijn gekomen uitermate zorgwekkend. Het volstaat niet langer om deze situatie in min of meer eufemistische bewoordingen te veroordelen. De Europese Unie moet alles in het werk stellen om eens en voorgoed een eind te maken aan dit gruwelijke spektakel.

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik ben zoals bekend zelf lid van het Europees Parlement geweest en heb zelf meegedaan aan het formuleren van resoluties over gevallen van overvallen en wreedheden in landen over de hele wereld. Wat men in veel van deze gevallen kan doen, heb ik hier namens de Raad meegedeeld. Men kan een beroep doen op de betrokken autoriteiten, men kan een onderzoek instellen en men kan de betrokken landen houden aan de door hen ondertekende verplichtingen. Als regel is het nu eenmaal moeilijk – het spijt me dat ik het zeg – om de betrokken landen binnen te vallen, om een politionele actie te ondernemen, dus naar mijn mening doet de Raad in dit geval precies hetzelfde als wat het Parlement bij vele gelegenheden doet, namelijk een beroep doen op de betrokken autoriteiten, besluiten nemen, landen houden aan de door hen aangegane verplichtingen, verwijzen naar internationale verdragen die ze hebben ondertekend, enzovoort. Dat is wat wij gedaan hebben, dat is wat men in dit soort gevallen kan doen, en ik kan u verzekeren dat de Raad de situatie ook in de meest nabije toekomst nauwlettend in de gaten zal blijven houden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 13 van Bill Newton Dunn (H-0405/02):

Betreft: Vermindering van de uitstoot van broeikasgassen

De vijftien lidstaten zijn in het kader van het Protocol van Kyoto bindende verplichtingen aangegaan om de emissie van de zes broeikasgassen in hun lidstaten te verminderen. Welke plannen heeft de Raad zelf om zijn eigen energieverbruik te verminderen?

Is de Raad zich ervan bewust dat hij een enorme reductie kan verwezenlijken door in te stemmen met één enkele arbeidsplaats voor het Europees Parlement?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder, Raad. - (DA) Ik wil de heer Newton Dunn graag verzekeren dat de Raad er sterk voor is dat het Protocol van Kyoto zo doelmatig mogelijk wordt toegepast, en ik wil hem ook verzekeren dat de Raad het energieverbruik in gebouwen een zeer belangrijke zaak vindt. Ik wil graag verwijzen naar een resolutie over energie-efficiëntie in de Europese Gemeenschap die in 1998 is aangenomen, en ook naar de conclusies die de Raad op respectievelijk 30 mei 2000 en 5 december 2000 heeft aangenomen, over het actieprogramma van de Commissie inzake energie-efficiëntie, waarin de Raad verzocht om speciale maatregelen in de bouwsector. De Raad heeft ook het belang van energie-efficiëntie erkend, in de op 10 oktober 2000 aangenomen conclusies over gemeenschappelijke en gecoördineerde beleidsmaatregelen in de EU ter beperking van de uitstoot van broeikasgassen, om er zo toe bij te dragen dat de doelen van het Europees programma inzake de klimaatverandering worden gehaald.

Wat betreft de specifieke maatregelen die in het actieprogramma werden voorgesteld, heeft de Commissie ondertussen aan de Raad een ontwerprichtlijn voorgelegd over het energetisch vermogen van gebouwen. De Raad heeft op grond van de uitspraken van het Parlement zijn gemeenschappelijk standpunt naar het Parlement gestuurd voordat de vergaderperiodevan afgelopen juni begon.

Wat de tweede vraag betreft moet men bedenken dat omstandigheden zoals de zetel van de EU-instellingen geregeld zijn in een protocol bij het EU-Verdrag, het EGKS-Verdrag en het Euratom-Verdrag, waarin de zetel van de instellingen van de Europese Gemeenschappen en van bepaalde organen en diensten van de Gemeenschappen en van Europol is vastgelegd. Dit protocol kan alleen worden gewijzigd na de procedure krachtens artikel 48 van het EU-Verdrag. De vraag moet dus in een ander forum gesteld worden. Ik ben er overigens van overtuigd dat de heer Newton Dunn het daar helemaal mee eens is.

 
  
MPphoto
 
 

  Newton Dunn (ELDR). - (EN) Ook ik zou mijn genoegen willen uiten over de aanwezigheid hier van de fungerend voorzitter van de Raad. Als vriend en collega van de heer Haarder doet het me goed hem hier terug te zien, en mocht er iets misgaan in Kopenhagen, dan zullen wij hem zeer zeker met veel plezier weer zien plaatsnemen in een van deze stoelen. Maar laten we niet over een dergelijk malheur spreken, tenzij het zich werkelijk voordoet.

Dank u voor uw antwoord op mijn vraag. Ik begrijp dat de kwestie van de zetel bij een andere gelegenheid aan bod zal komen, al denk ik wel dat we veel energie zouden kunnen besparen als we dit gebouw zouden opgeven.

Ik hecht vooral zoveel belang aan deze zaak daar ik vind dat de instellingen van de EU in dit verband het voortouw zouden moeten nemen. Ik hoop dat we de wereld tot voorbeeld kunnen strekken op het punt van energiebesparing. Daarom zou ik de fungerend voorzitter het volgende willen vragen: als ik een vraag indien voor een van beide vergaderperioden in december, kan hij me dan garanderen dat hij exact zal aangeven wat de Raad heeft gedaan op het punt van energiebesparing in zijn eigen gebouwen en met betrekking tot zijn voorbeeldfunctie op dit gebied, bijvoorbeeld via het installeren van energie-efficiënte lichtschakelaars of andere maatregelen die de Raad voornemens is te nemen in het komende halfjaar om het goede voorbeeld te geven aan de rest van de wereld?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de heer Newton Dunn graag hartelijk dank zeggen voor zijn verwelkoming. Hij heeft zijn standpunt zeer duidelijk naar voren gebracht, en ik zal het graag doorgeven aan de diensten van de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 14 van Bernd Posselt (H-0408/02):

Betreft: De Loya Jirga en de toekomst van Afghanistan

Hoe beoordeelt het voorzitterschap van de Raad de voorbereiding van de Loya Jirga in Afghanistan, en welke maatregelen worden door het voorzitterschap gepland om het land verder te stabiliseren?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder, Raad. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de heer Posselt graag bedanken voor deze vraag. De Raad is net als de UNAMA en andere internationale waarnemers over het geheel genomen tevreden met het resultaat van de buitengewone vergadering die midden juni in Kabul is gehouden. Over het algemeen heeft het Loya Jirga-proces goed voldaan aan de doelen die in de overeenkomst van Bonn waren gesteld, dat wil zeggen de verkiezing van een staatshoofd en de goedkeuring van de structuur en de centrale personen van het overgangsregime. De belangrijkste politieke krachten in het land hebben deze Loya Jirga gesteund, en de steun van de bevolking tijdens het hele proces was uitermate krachtig. Deze Loya Jirga was waarschijnlijk de meest representatieve die het land ooit heeft meegemaakt. Ze was etnisch evenwichtig van samenstelling, en er bevond zich een aanzienlijk aantal vrouwen onder de afgevaardigden. Dat is een opmerkelijke prestatie gezien de moeilijke veiligheidssituatie en het moeilijke politieke milieu, de gedeeltelijk verdreven bevolking en het gebrek aan een betrouwbare infrastructuur, onder andere op het gebied van statistiek. De Raad is zich echter ook bewust van de moeilijkheden en problemen in de periode voorafgaand aan de Loya Jirga. In diverse gevallen werd de verkiezing van de afgevaardigden verstoord door organisatorische problemen, maar ook door pogingen tot het chicaneren, omkopen, intimideren of vermoorden van kandidaten. Toch was het aantal van deze pogingen beperkt en ze konden de structuur en het tijdschema van het proces niet aantasten noch de legitimiteit ervan ondergraven. De Raad is er nog steeds van overtuigd dat de buitengewone vergadering de weg heeft gebaand voor een verdere verzoening tussen de bevolkingsgroepen en voor de totstandbrenging van een stabiele politieke structuur. Dat is van wezenlijk belang voor de verdere opbouw van Afghanistan.

In dit verband wil de Raad er nog eens met nadruk op wijzen dat de in Tokio toegezegde EU-steun voor wederopbouw nog steeds afhankelijk is van een positieve bijdrage van alle Afghaanse partijen aan het proces en de doelen die in de overeenkomst van Bonn zijn vastgelegd. Met betrekking tot een verdere stabilisering van het land heeft de EU sinds het begin van het proces van Bonn vele malen bevestigd dat zij vastbesloten is om de wederopbouw van Afghanistan te steunen. De lidstaten zullen ook in de toekomst de meeste ISAF-troepen in Kabul ter beschikking stellen. De Gemeenschap en de lidstaten zullen bijdragen met de wederopbouwsteun die in januari van dit jaar is toegezegd tijdens de internationale donorconferentie in Tokio. De Gemeenschap en de lidstaten hebben alleen al voor dit jaar 600 miljoen euro toegezegd, en 2,3 miljard euro in de periode tot 2006. Als een van de vier voorzitters in de stuurgroep inzake de wederopbouw van Afghanistan zal de EU een actieve rol blijven spelen in de wederopbouw van het land. De EU zal ook humanitaire bijstand blijven geven, waaraan grote behoefte is, en zal daarmee veruit de grootste hulpverlener van Afghanistan zijn. Ik kan hieraan toevoegen dat in de verklaring van Sevilla is vastgelegd dat er steun voor de repatriëring naar Afghanistan zal worden gegeven, conform het verzoek van de Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen.

De laatste maanden zijn er ter plaatse verschillende snel werkende projecten uitgevoerd, en er starten steeds meer wederopbouw- en ontwikkelingsprojecten voor de middellange en lange termijn. De EU zal sterk betrokken blijven bij de noodzakelijke hervorming van de veiligheidssector, waarin verscheidene lidstaten een leidende rol zullen blijven spelen met betrekking tot de opleiding van militairen, grenswachten, politie-eenheden, drugsbestrijders, enzovoort. Het bezoek van verscheidene EU-delegaties op hoog niveau heeft geleid tot verdieping van de politieke contacten met de Afghaanse leiders. Deze contacten zullen worden voortgezet en zullen vooral ook een belangrijke basis vormen voor een verdere dialoog met de Afghaanse autoriteiten over wezenlijke zaken. Ze zullen de EU ook zichtbaarder maken, het profiel van de EU in het land versterken en bijdragen tot het kanaliseren van de EU-steun voor Afghanistan. Daarom is het van belang dat de EU een speciale vertegenwoordiger in Kabul heeft, dat de lidstaten ambassades openen en dat de Commissie een vertegenwoordiging opent.

 
  
MPphoto
 
 

  Posselt (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik dank u hartelijk voor dit precieze antwoord, ook wat de positie van vrouwen betreft. Ik moet zeggen dat wij op dat vlak vaak niet helemaal eerlijk zijn. De Tsjechische sociaal-democratische regering – van een toetredingskandidaat nota bene – heeft nog geen enkele vrouw in haar midden. Hopelijk komt daar binnenkort verandering in! Maar wij verlangen wel dat een archaïsche tribale samenleving van de ene op de andere dag verandert.

Ik geloof dat wij twee uitgangspunten moeten hanteren. Op basis daarvan wil ik u het volgende verzoeken. Ten eerste: bevordering van de inter-etnische dialoog, want de Loya Jirga heeft bij de Pathanen de nodige wonden achtergelaten, niet in de laatste plaats veroorzaakt door onhandig optreden van Amerikaanse afgezanten. Ten tweede moeten wij jongeren op lokaal niveau onderwijzen. Verder heb ik nog een concrete vraag over Institution Building. Zou de Raad wellicht iets kunnen initiëren in de vorm van een eigen hulpprogramma voor Institution Building?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik kan meedelen dat wij met betrekking tot de oprichting van instellingen de capaciteit van de EU op dit gebied zullen versterken, zodat wij de steun daarvoor kunnen verbeteren. Wat betreft de mededeling van de heer Posselt dat de Loya Jirga wonden heeft geslagen bij de Pathanen, wil ik zeggen dat niets volmaakt is; ik heb niet beweerd dat de Loya Jirga een perfecte democratie vertegenwoordigt. Dat heb ik de Europese media ook niet horen zeggen. Maar in het licht van wat eraan voorafging, de middeleeuwse toestanden die wij tevoren meemaakten, is het indrukwekkend dat men ondanks alles zover gekomen is. Dat de Tsjechische democratie zo te zien ook niet volmaakt is, kan men in dat verband als een troost opvatten. Ik weet niet of die twee zaken zoveel met elkaar te maken hebben, maar dat laat ik geheel aan de heer Posselt over, die meer verstand heeft van Tsjechië dan ik.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aangezien de vragen 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23 en 24 over een soortgelijk onderwerp gaan, worden zij tezamen behandeld.

Vraag nr. 15 van Luigi Vinci (H-0412/02):

Betreft: PKK en lijst van terroristische organisaties en personen

Op 2 mei heeft de Raad de PKK opgenomen in de lijst van terroristische organisaties en personen. Meent de Raad niet dat hij zo medeplichtig wordt aan de onderdrukking van het Koerdische volk door het Turkse leger en de Turkse politie? Welke initiatieven denkt de Raad te nemen om het vredesproces in Turkije nieuw leven in te blazen, en belangrijker nog, met welke partijen denkt hij in gesprek te gaan?

Vraag nr. 16 van Giuseppe Di Lello Finuoli (H-0414/02):

Betreft: Europese Unie, PKK en Turkije

Hoe denkt de Raad druk uit te oefenen op Turkije om de grondrechten van het Koerdische volk te eerbiedigen, nu de PKK is opgenomen in de lijst van terroristische organisaties en personen als bedoeld in Verordening (EG) 2580/2001(3)? Of is de Raad voornemens het Turkse beleid van uitroeiing van het Koerdische volk te steunen en te sponsoren?

Vraag nr. 17 van Fausto Bertinotti (H-0416/02):

Betreft: Turkije, PKK, KADEK en de lijst van terroristische organisaties en personen

Door de PKK op te nemen in de lijst van terroristische organisaties en personen heeft de Raad zich in feite tot bondgenoot verklaard van het Turkse beleid van onderdrukking van de rechten van het Koerdische volk. Welke beleidsmaatregelen denkt de Raad onmiddellijk te nemen om ervoor te zorgen dat Turkije de grondrechten van het Koerdische volk eerbiedigt, zoals in talloze internationale verdragen over de rechten van de mens en van de volkeren wordt voorgeschreven? Staat de Raad achter de organisatie van een internationale conferentie over de "Koerdische kwestie"?

Vraag nr. 18 van Luisa Morgantini (H-0421/02):

Betreft: Turkije, KADEK en de lijst van terroristische organisaties en personen

Wat is het politieke oordeel van de Raad over de oprichting van de "KADEK", de partij die is verrezen uit de as van de PKK? Is de Raad misschien voornemens ook de KADEK op te nemen in de lijst van terroristische organisaties en personen en zo medeplichtig te worden aan de Turkse onderdrukking van het Koerdische volk?

Vraag nr. 19 van Feleknas Uca (H-0428/02):

Betreft: Koerdische Arbeiderspartij op Europese lijst van terroristische organisaties

Sinds 2 mei 2002 wordt de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) in de gehele Europese Unie als terroristische groepering beschouwd. PKK heeft echter naar eigen zeggen haar gewelddadige strijd tegen het Turkse leger gestaakt en in 1999 een wapenstilstand gesloten.

In april 2002 is de PKK ontbonden en werd het Congres voor vrijheid en democratie in Koerdistan (KADEK) opgericht. KADEK beschrijdt naar eigen zeggen een vreedzame, democratische en politieke weg om de Koerdische kwestie op te lossen.

Wat vindt de Raad van de nieuwe Koerdische organisatie KADEK?

Wordt KADEK in de toekomst ook op de lijst van terroristische organisatie gezet?

Welke gevolgen heeft de lijst voor burgerorganisaties in Turkije en Europa, nadat bekend werd, dat ook mensenrechtenorganisaties op de lijst met terroristische organisaties zullen worden opgenomen?

Vraag nr. 20 van Matti Wuori (H-0457/02):

Betreft: Vredesproces in Turkije

Sinds de recente opname van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) op de EU-lijst van terroristische organisaties neemt de vrees toe dat het repressieve beleid van de Turkse staat jegens de Koerdische bevolking zal worden verhard.

Welke invloed zal dit besluit volgens de Raad hebben op een vreedzame oplossing van het Koerdische vraagstuk?

Wie beschouwt de Raad als gesprekspartner in het vredesproces aan Koerdische zijde, nu de PKK is toegevoegd aan de lijst van terroristische organisaties?

Vraag nr. 21 van Eurig Wyn (H-0463/02):

Betreft: Vredesproces in Turkije

Het feit dat de thans ontbonden PKK is geplaatst op de officiële lijst van terroristische organisaties is niet bevorderlijk voor het vredesproces in Turkije en dient uitsluitend om de onderdrukking van de Koerdische bevolking door de Turkse autoriteiten op te voeren.

Kan de Raad mededelen aan de hand van welke criteria hij op 2 mei 2002 heeft besloten de PKK op de lijst te plaatsen, in overweging nemend dat de organisatie zich in april 2002 heeft ontbonden?

Vraag nr. 22 van Nelly Maes (H-0477/02):

Betreft: Vredesproces in Turkije

De Koerden maken zich, nu de PKK is geplaatst op de lijst van terroristische organisaties, grote zorgen daar de Turkse instanties dit als een kans beschouwen om de onderdrukking van de Koerden op te voeren.

Kan de Raad mededelen wie hij aan Koerdische zijde als gesprekspartner in het vredesproces beschouwt sinds de PKK op de lijst van terroristische organisaties is geplaatst?

Vraag nr. 23 van Alain Lipietz (H-0478/02):

Betreft: Vredesproces in Turkije

De Koerden maken zich, nu de PKK is geplaatst op de lijst van terroristische organisaties, grote zorgen daar de Turkse instanties dit als een kans beschouwen om de onderdrukking van de Koerden op te voeren.

Beseft de Raad dat hij door het besluit van 3 mei om de PKK op de lijst van terroristen te plaatsen de Turkse onderdrukking heeft gerechtvaardigd?

Vraag nr. 24 van Koldo Gorostiaga Atxalandabaso (H-0479/02):

Betreft: Politieke dialoog in Turkije

Wat is het standpunt van de Raad ten aanzien van de Koerdische kwestie nadat de PKK is opgenomen in de lijst van terroristische organisaties?

Hoe moeten we ons een politieke dialoog in Turkije voorstellen als de EU de uitsluiting van onmisbare partners steunt?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder, Raad. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag mijn dank betuigen aan de vele leden die deze gefundeerde vragen gesteld hebben. De Raad wil graag benadrukken dat er regelmatig een herziening plaatsvindt van de lijst van groepen en entiteiten in de bijlage bij het gemeenschappelijke standpunt van de Raad over het gebruik van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme. De jongste herziening heeft ertoe geleid dat de PKK in de lijst is opgenomen. Dat is gebeurd na een nauwgezette evaluatie krachtens de bepalingen in artikel 1 van het zojuist genoemde gemeenschappelijk standpunt. De Raad is het niet eens met de opvatting dat het opnemen van de PKK in de lijst zal leiden tot een sterkere onderdrukking van de Koerdische bevolking in Turkije. Ik vestig er de aandacht op dat de Turkse Nationale Veiligheidsraad onlangs heeft aanbevolen om de uitzonderingstoestand op te heffen die nog steeds geldt in vier overwegend door Koerden bewoonde provincies in het zuidoosten van het land. De Raad beseft heel goed dat er nog steeds sprake is van aanzienlijke en betreurenswaardige beperkingen van de fundamentele vrijheden, mensenrechten en vooral culturele rechten, met name in de gebieden waar de uitzonderingstoestand van kracht is. Deze feiten vallen natuurlijk onder de criteria van Kopenhagen, en het spreekt vanzelf dat er geen toetredingsonderhandelingen kunnen worden gestart voordat tot in detail aan deze criteria is voldaan. De EU maakt van alle gespreksbijeenkomsten met Turkije gebruik om druk uit te oefenen teneinde de democratische hervormingen weer een stap verder te brengen. Bij deze gelegenheden wordt aan Turkije duidelijk gemaakt dat terrorismebestrijding gepaard dient te gaan met volledige eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaatbeginselen, en dat ze absoluut niet kan worden gebruikt als verontschuldiging voor het invoeren of handhaven van beperkingen van deze rechten.

 
  
MPphoto
 
 

  Di Lello Finuoli (GUE/NGL). - (IT) Voorzitter Haarder, mijns inziens heeft de Raad geen aandacht geschonken aan het feit dat de PKK is ontbonden en sedert lang geen enkele gewapende aanval meer heeft uitgevoerd, en dat veel van zijn belangrijke leden zich aan de Turken hebben overgeleverd. Het is absurd dat de PKK op de terroristenlijst voorkomt, juist omdat, zoals ik zojuist al zei, zoveel is veranderd. Dat zal Turkije alleen maar aanzetten tot een nog wredere behandeling van de Koerden. Bovendien zal daardoor een vredesakkoord worden bemoeilijkt en de situatie verslechteren. Nogmaals, de PKK staat op die lijst ofschoon de partij op unilaterale wijze begonnen is met de eerbiediging van de mensenrechten van het Turkse volk en wel in veel sterkere mate dan Turkije. Daarom moet de Raad volgens mij zijn besluit herzien en de PKK van de terroristenlijst schrappen. De PKK-leden zijn geen terroristen meer.

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Volgens mij kan de geachte afgevaardigde er verzekerd van zijn dat de zaak zeer nauwkeurig is bestudeerd door deskundigen. Dit is niet zomaar gebeurd; er is nauwkeurig overleg over gevoerd. Men kan natuurlijk altijd hopen dat er een ontwikkeling plaatsvindt waardoor de PKK op en bepaald moment weer van de lijst geschrapt kan worden. Maar dat de PKK nu op de lijst staat, is geen toeval. De zaak is heel goed onderzocht. Er is geen sprake van dat er een onzakelijk besluit genomen is. De beslissing is genomen op grond van objectieve criteria, maar juist omdat het objectieve criteria zijn, kunnen die er later toe leiden dat men op grond van diezelfde criteria de PKK weer van de lijst kan afvoeren. Tot slot wil ik ingaan tegen de redenering dat Turkije zich slechter – of hoe je het ook zeggen wilt – zal gaan gedragen jegens de Koerden in Turkije. Er is niets wat daarop duidt. Ik heb in mijn antwoord een voorbeeld genoemd waaruit het tegendeel blijkt. Dus ik hoop noch geloof dat mijn voormalige collega gelijk heeft op dit punt.

 
  
MPphoto
 
 

  Uca (GUE/NGL). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de heer Haarder bedanken voor het antwoord op mijn vragen. Op één vraag heb ik helaas geen antwoord gekregen en die had betrekking op de HADEP. Ik vroeg u in welke categorie u deze organisatie plaatst en of de HADEP in de toekomst aan de lijst van terroristische organisaties wordt toegevoegd. Daarover hebt u met geen woord gerept.

Wat het andere punt betreft zou ik er voorts op willen wijzen dat wij in onze discussie over de lijst van terrorristische organisaties niet mogen voorbijgaan aan de Koerdische situatie: meer dan vierduizend Koerdische dorpen zijn volledig met de grond gelijk gemaakt. Wie zal het nu opnemen voor de Koerden, wie zal dit volk in bescherming nemen? Is hier dan géén sprake van terroristen? En laten wij eens het geval Leyla Zana onder de loep nemen. Zij heeft de Sacharovprijs uitgereikt gekregen door het Europees Parlement, maar is in Turkije veroordeeld wegens steun aan de PKK. Volgens de nieuwste lijst die in Turkije wordt gebruikt is Leyla Zana een terroriste. Mijn vraag is: welke terreurdaden heeft de afgevaardigde Leyla Zana dan wel begaan om als terroriste te worden aangemerkt?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Ik kan mevrouw Uca verzekeren dat ik op de hoogte ben van de vernietiging van ettelijke duizenden dorpen en van het lot van Leyla Zana, die mede uit mijn handen de Sacharovprijs heeft ontvangen. Maar juist omdat het hele proces objectief verloopt, is het van belang dat een en ander grondig wordt onderzocht. De KADEK, de opvolger van de PKK, wordt momenteel onderzocht, maar op dit moment kan ik niet zeggen waar dit onderzoek toe leidt. Het zou niet zakelijk zijn als ik daar nu iets over zou zeggen. De procedure moet op een juiste wijze verlopen. Wij moeten ons houden aan de regels die wij zelf hebben opgesteld, en wij moeten luisteren naar de deskundigen die wij vragen om te beoordelen of aan onze criteria is voldaan of niet.

 
  
MPphoto
 
 

  Wuori (Verts/ALE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, de strijd tegen het terrorisme heeft ook geleid tot overdreven reacties en excessen die gemakkelijk hun doel voorbij streven. Het is daarom van groot belang dat de Europese Unie en de Raad adequaat optreden, realistisch blijven en hun hoofd koel houden bij het benaderen van deze kwesties. Vooral nu wij onze houding bepalen tegenover het Statuut van het Internationaal Strafhof en de vredeshandhaving in Bosnië. Dat heeft alles te maken met de kwestie die wij vandaag behandelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Met de laatste woorden van mijn voormalige collega en goede vriend de heer Wuori ben ik het eens, als ik ze althans goed begrijp. Ik heb er niet zoveel meer aan toe te voegen, behalve dan dat het belangrijk is dat wij een duidelijk onderscheid blijven maken tussen terroristische en niet-terroristische organisaties. Dat onderscheid moet op objectieve gronden gemaakt worden. Tot slot wil ik nog zeggen dat ik het grootste respect heb voor het werk dat de heer Wuori hier in het Parlement heeft verricht voor de mensenrechten, en ik dank hem voor het boek dat hij mij vanmiddag heeft gegeven. Ik zal het zeker gaan lezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Maes (Verts/ALE). - Mijnheer de Raadsvoorzitter, ik heb twee vragen om precisering. Mijn eerste vraag is: welke criteria hebben precies geleid tot het besluit dat de PKK een terroristische organisatie zou zijn? En mijn tweede vraag:op welke wijze wordt dit begrip geïnterpreteerd ten aanzien van degenen die met zo'n organisatie samenwerken? Want dat zou wel eens zeer ver kunnen gaan, wanneer het gaat over een beweging die werkelijk als een soort nationale bevrijdingsbeweging wordt erkend door de Koerden zelf.

En ten slotte: wie beschouwt u als een gesprekspartner om voor de Koerden te spreken, als het erom gaat het vredesproces op gang te brengen? Ook in Noord-Ierland heeft men daar partners voor moeten nemen die men aanvankelijk niet zag zitten.

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik wijs erop dat de criteria om te bepalen of organisaties terroristisch zijn of niet te vinden zijn in het gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 2 mei 2002. Ze staan daarin zeer precies omschreven, en degenen die nagaan of aan deze criteria is voldaan, zijn deskundigen. Ik begrijp heel goed dat mevrouw Maes wijst op Noord-Ierland en andere gebieden waar men uiteindelijk een compromis met voormalige terroristische organisaties heeft gesloten. Hopelijk is dat ook in de toekomst mogelijk, want dat is vaak de manier waarop terroristische organisaties hun terroristisch karakter verliezen. Maar in het licht van het gebeurde, in het licht van de dreiging die overduidelijk naar onze landen uitgaat, heeft de internationale gemeenschap in grote eensgezindheid besloten om mogelijke terroristische organisaties te bestrijden. Dat heeft geleid tot de onderhavige criteria en lijsten. Ik zie niet goed in wat men anders kan doen, en het is immers niet uitgesloten dat voormalige PKK-leden een rol kunnen gaan spelen in een toekomstige regeling die de rechten waarborgt waarvoor Koerdische organisaties gestreden hebben en waarvoor ik evenveel begrip heb – geloof ik – als mevrouw Maes. Wij waren het altijd volstrekt eens over deze zaken in de tijd dat wij in dit Parlement zo goed als naast elkaar zaten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Mijnheer Haarder, wij zullen u nu de laatste vraag van vandaag voorleggen. Daar is nog tijd voor. Het vragenuur zou in principe om 19.00 uur worden afgerond, maar het is verlengd omdat wij met vijftien minuten vertraging begonnen zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 25 van Konstantinos Alyssandrakis (H-0420/02):

Betreft: Pogingen om politieke overtuigingen strafbaar te stellen in Slowakije

In het Slowaakse parlement is een voorstel ingediend voor een wijziging van het Strafwetboek (wet 140/1961), en dit wijzigingsvoorstel voorziet in een celstraf voor wie uitkomt voor zijn instemming met het communistisch gedachtegoed. Deze poging om politieke handelingen strafbaar te stellen doet zich voor in het licht van de parlementsverkiezingen van september 2002, waarin de Slowaakse communistische partij naar schatting de grens van 5% zou kunnen overschrijden en een vertegenwoordiging in het parlement zou kunnen krijgen. Het doel is de kiezers af te schrikken door het strafbaar stellen van hun politieke overtuigingen aangezien degenen die hun sympathie aan het communisme uiten of twijfelen aan de misdaden van het communisme zes maanden à drie jaar cel boven het hoofd hangt. Op deze manier wordt de democratische expressie van de burgers gemuilkorfd.

Veroordeelt de Raad dit onaanvaardbaar en zwaar antidemocratisch optreden en is hij voornemens adequate stappen te ondernemen bij de Slowaakse autoriteiten, zodat een dergelijk optreden geen weerklank vindt, zeker niet in een land dat op het punt staat toe te treden tot de EU?

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder, Raad. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, de Raad hecht er groot belang aan dat de kandidaat-landen voldoen aan de politieke criteria voor toetreding die in 1993 in Kopenhagen zijn opgesteld, dat wil zeggen dat er sprake is van democratie, een rechtsstaat, eerbiediging van mensenrechten en bescherming van minderheden. Er werd destijds besloten dat aan deze criteria moest zijn voldaan voordat er onderhandelingen over toetreding konden worden gestart. De onderhandelingen met Slowakije werden dan ook pas gestart toen de Europese Raad van Helsinki in december 1999 vaststelde dat op dat moment aan de criteria was voldaan. De Commissie concludeerde in haar rapport van 2001 over de vorderingen van Slowakije dat dit land nog steeds aan de politieke criteria van Kopenhagen voldeed. De Commissie constateerde ook dat het land sinds 1999 veel gedaan had om de stabiliteit van de instellingen te consolideren en te verankeren en daarmee de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten te versterken. Wat de specifieke vraag van de geachte afgevaardigde betreft kan ik meedelen dat het desbetreffende wetsvoorstel volgens onze informatie op het ogenblik in behandeling is bij het Slowaakse parlement. De tweede lezing, die medio juni zou hebben plaatsgevonden, wordt mogelijk uitgesteld omdat er vele wetsvoorstellen in behandeling zijn. De Raad kan op dit moment de inhoud van het voorstel niet beoordelen. Het zou niet passend zijn dat de EU zich zou mengen in het democratisch proces in een derde land. Indien het wetsvoorstel wordt aangenomen, zal de EU zonder twijfel de inhoud ervan beoordelen, en indien blijkt dat er sprake is van een schending van de fundamentele democratische beginselen, zal de EU natuurlijk niet aarzelen om deze kwestie bij elke passende gelegenheid aan de orde te stellen, vooral in de organen die zijn ingesteld uit hoofde van de Europa-overeenkomst. De Raad volgt de ontwikkeling rond deze wet dus nauwgezet, en wacht op nadere informatie over het debat in het Slowaakse parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Alyssandrakis (GUE/NGL). - (EL) Mijnheer de fungerend voorzitter, het antwoord van de Raad doet mij denken aan iemand die weet dat een misdaad wordt begaan maar niets doet om deze tegen te houden, en zich voorneemt de dader eventueel te vervolgen nadat de misdaad is begaan. Het wetsontwerp heeft reeds een weerslag gehad op het politieke leven in het land, zeer zeker in het kader van de verkiezingen van aanstaande september. Naar verwachting zal de communistische partij dan de drempel van 5 procent overschrijden en in het parlement vertegenwoordigd worden. Worden volgens de Raad de mensenrechten niet geschonden indien politieke opvattingen strafbaar worden gesteld en iemand die enkel sympathie betuigt met het communisme of twijfels heeft over de misdaden van het communisme bedreigd wordt met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar? Of is dit helemaal geen probleem voor u? Ik vraag mij af of volgens de Raad dergelijke dreigementen met straffen, dergelijke strafrechtelijke vervolgingen stroken met de eerbiediging van de elementaire politieke rechten.

 
  
MPphoto
 
 

  Haarder. - (DA) Ik wil er graag op wijzen dat wij een aantal zeer duidelijke criteria hebben vastgesteld, de zogenaamde criteria van Kopenhagen. Die vormen het preventieve werk waarom hier wordt gevraagd. Ik heb u gezegd – en het is bij elke gelegenheid gezegd – dat aan deze criteria moet worden voldaan door ieder land dat lid wil worden van de Europese Unie. Er is op dit moment slechts sprake van een wetsvoorstel, en dat in een derde land. Het is aan de Europese Unie om de situatie te beoordelen, mocht dit wetsvoorstel met of zonder amendementen worden aangenomen. Dan zal er worden bekeken of het strijdig is met de criteria van Kopenhagen. Ik ben niet bereid om vandaag in deze zaal namens de Raad een oordeel uit te spreken over deze zaak.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Mijnheer Haarder, hartelijk dank voor uw intensieve bijdrage van vandaag. Wij verwachten u hier de komende maand, na de vakantie, opnieuw voor het vragenuur.

Aangezien de tijd voor het vragenuur aan de Raad is verstreken, worden de vragen nrs. 26 tot en met 53 schriftelijk beantwoord.(4)

Het vragenuur voor vragen aan de Raad is gesloten. (5)

(De vergadering wordt om 19.25 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER COLOM I NAVAL
Ondervoorzitter

 
  

(1) Verordening (EG) 2679/98 van de Raad, PB L 337 van 12.12.1998.
(2) PB L 306 van 7.12.2000, blz. 32.
(3) PB L 344 van 28.12.2001, blz. 70.
(4) Zie bijlage "Vragenuur".
(5) Bekendmaking van gemeenschappelijke standpunten van de Raad: zie notulen.

Juridische mededeling - Privacybeleid