Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

 Index 
Volledig verslag van de vergaderingen
Dinsdag 16 december 2003 - Straatsburg Uitgave PB
1. Europese Raad / IGC / Italiaans voorzitterschap
 2. Ondertekening van het interinstitutioneel akkoord "Verbeteren van de wetgeving"
 3. Stemming
 4. Ontwerp van algemene begroting (2004), gewijzigd door de Raad (alle afdelingen)/ Nota's van wijzigingen nrs. 1, 2 en 3/2004
 5. Vragenuur (Raad)
 6. Geneesmiddelen
 7. Traditionele kruidengeneesmiddelen
 8. Meetinstrumenten


  

VOORZITTER: DE HEER COX
Voorzitter

(De vergadering wordt om 9.10 uur geopend)(1)

 
  

(1) Ingediende ontwerpresoluties: zie notulen.

1. Europese Raad / IGC / Italiaans voorzitterschap
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het gezamenlijke debat over:

- verslag van de Europese Raad en verklaring van de Commissie: Bijeenkomst van de Europese Raad (Brussel, 12 en13 december 2003);

- verklaringen van de Raad en de Commissie: Top van staatshoofden en regeringsleiders over de IGC (Brussel, 12 en13 december 2003);

- verklaring van de fungerend voorzitter van de Raad: Werkzaamheden van het Italiaans voorzitterschap.

Ik wil om te beginnen van dit moment gebruik maken om kort verslag te doen van de Top en de IGC vanuit het perspectief van de kwesties die ik namens dit Parlement aan de orde heb gesteld, zodat u voordat we aan het eigenlijke debat beginnen op de hoogte bent van datgene wat wij zelf te zeggen hadden.

Ik kan niet anders zeggen dan dat er, met betrekking tot het werk dat is verricht tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad, zeer veel kwesties in korte tijd zijn behandeld en dat er op diverse terreinen aanzienlijke vooruitgang is geboekt. Gezegd moet worden dat wij in dit Parlement in dit opzicht het contact met het Italiaanse voorzitterschap in de samenwerking met onze commissies op allerlei verschillende beleidsterreinen als zeer positief hebben ervaren.

Ik heb mij met name, en naar aanleiding van de recente resoluties van het Parlement, verheugd betoond over de conclusies betreffende de transatlantische betrekkingen van de EU. Tegelijkertijd heb ik echter verklaard dat juist in een fase waarin de transatlantische betrekkingen worden aangehaald dat is immers de beoogde doelstelling van de conclusies onze oprechte vriendschap met de Verenigde Staten niets afdoet aan onze oprechte zorgen over Guantánamo Bay. Ik heb namens het Parlement in deze bewoordingen gesproken.

(Applaus)

Met betrekking tot het Protocol van Kyoto, heb ik de aandacht gevestigd op het feit dat er op het moment van onze bijeenkomst een ontmoeting onder auspiciën van de VN plaatsvond in Milaan. Het lijkt erop dat Rusland nog steeds geen besluit heeft genomen over het al dan niet ondertekenen van het Protocol van Kyoto. Wij Europeanen hebben er veel belang bij dat de Russen hiertoe overgaan en het Klimaatverdrag effectiviteit verlenen. Ik ben van mening dat de Commissie en het nieuwe voorzitterschap duidelijke initiatieven moeten ontplooien om ervoor te zorgen dat wij die geloven in Kyoto in de komende maanden, door onze contacten met Rusland te verdiepen, een bevredigende uitkomst proberen te bereiken. Dat heb ik ook dit weekend verklaard.

(Applaus)

Met betrekking tot de Intergouvernementele Conferentie zullen we vandaag debatteren over de meer algemene kwesties en ik zie ernaar uit mij te laten leiden door dat debat en onze resolutie. Tijdens mijn toespraak tot de Intergouvernementele Conferentie, heb ik twee specifieke zorgen van parlementaire aard aan de orde gesteld.

De eerste zorg betrof de financiering van de Europese Unie en haar begrotingsprocedure. Ik heb in niet mis te verstane termen verklaard dat het Europees Parlement de evenwichtige uitkomst van de Conventie steunt wat betreft de verschillende instellingen en de rol die zij dienen te spelen in de begrotingsprocedure. Ik heb uitgelegd wat de procedure van de Conventie inhield en waar het evenwicht op neer kwam.

Ik heb uitgelegd dat het Europees Parlement de bemoeienis van de Ecofin-Raad volledig verwerpt als een ongepaste, ongerechtvaardigde en onacceptabele inmenging in het begrotingsproces.

(Applaus)

Ik heb uitgelegd dat de Ecofin-Raad niet alleen een aanval betekent op de conclusies van de Conventie, maar zelfs op het Verdrag houdende wijziging van een aantal financiële bepalingen uit 1975, en dat dit in institutioneel opzicht in feite een stap terug was.

Ik heb erop gewezen dat het Parlement gedurende deze periode zeer terughoudend is geweest met zijn uitgaven. Het zal het Parlement interesseren - want dit is immers het resultaat van onze gezamenlijke inspanningen -, dat wij inmiddels beschikken over vijftien jaar begrotingservaring, sinds we in 1988 een interinstitutioneel akkoord hebben gesloten met de Raad over de financiële vooruitzichten. In die periode zijn de discretionaire uitgaven van de Raad door een toename van de totale kosten met 33 miljard euro gestegen. De uitgaven van het Parlement zijn onder onze discretionaire bevoegdheid slechts met 21 miljoen euro gestegen. Als er al sprake is van een zekere neiging om de begroting op te rekken, dan maakt de Raad zich daar eerder schuldig aan dan het Parlement. De bewering dat wanneer het Parlement verantwoordelijkheden krijgt toebedeeld, het hiermee onverantwoordelijk om zou gaan, gaat dan ook in het geheel niet op.

(Applaus)

Het laatste punt dat ik namens het Parlement heb gemaakt met betrekking tot de Intergouvernementele Conferentie en het Parlement was een verzoek aan de IGC om ervoor te zorgen dat het Parlement niet wordt gebruikt als een soort laatste onderhandelingstroef, bijvoorbeeld door het aantal leden van dit Parlement te verhogen zonder acht te slaan op ons vermogen om nog effectief te functioneren. Wij zijn geen algemeen congres van jaknikkers die de Europese burgers vertegenwoordigen; wij vervullen een belangrijke functie met betrekking tot de begroting en de wetgeving. Er moet een maximum worden gesteld aan onze omvang en we moeten de beginselen respecteren die in het werk van de Conventie zijn opgenomen om uit te maken wie welk aantal zetels krijgt. Dit waren de punten die ik namens dit Parlement aan de IGC heb voorgelegd.

Tot slot kan er, met betrekking tot de uitkomst van afgelopen weekend, geen twijfel over bestaan, dat het onvermogen om overeenstemming te bereiken in de IGC een tegenslag betekent. Toch is die tegenslag niet noodzakelijkerwijs een ramp. Ook al was het afgelopen weekend niet mogelijk overeenstemming te bereiken, dat maakt die overeenstemming niet minder noodzakelijk. Het toont slechts aan welk een immense uitdaging we met zijn allen zijn aangegaan. Afgelopen weekend ontbrak, ondanks de aanwezigheid van alle hoofdrolspelers, de collectieve inzet en wil om tot besluiten te komen. Daarvoor hebben we een prijs betaald en dat gebrek aan bereidheid van alle hoofdrolspelers tot het sluiten van compromissen moet nader worden onderzocht.

Ik zou samen met de fractievoorzitters, uit het debat van vandaag, graag een reeks duidelijke boodschappen van dit Parlement willen distilleren voor het aanstaande Ierse voorzitterschap. Ik kijk uit naar dit debat en naar de boodschappen die u, als Europees Parlement, vindt dat wij moeten doorgeven aan het volgende voorzitterschap met betrekking tot de volgende speelronde.

Ik wil hier vanochtend graag de fungerend voorzitter van de Raad, de heer Berlusconi, verwelkomen en tegen hem en zijn collega’s, de heer Frattini, de heer Antonione en de heer Buttiglione, zeggen hoe bijzonder welkom zij hier zijn. Ik wil nogmaals in het bijzijn van de heer Berlusconi zeggen dat wij, in de loop van de dagelijkse werkzaamheden van het voorzitterschap, in de samenwerking met onze commissies, tijdens onze wetgevende werkzaamheden en in het contact met het Parlement, de relatie met het Italiaanse voorzitterschap als bijzonder goed en positief hebben ervaren.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Berlusconi, fungerend voorzitter van de Raad. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, ik zal de werkzaamheden illustreren die de Italiaanse regering in dit semester heeft verricht, als voorzitter van de Raad en tevens als voorzitter van de Intergouvernementele Conferentie.

Ik zal het eerst hebben over de IGC. Italië had zich van meet af aan voorgenomen een akkoord na te streven over een document dat sterk geprofileerd moest zijn. Vandaar dat wij bij voorbaat elk ondermaats compromis van de hand hebben gewezen. Het was duidelijk onze bedoeling een document voort te brengen waarmee de Unie kan functioneren in de toekomst en een hoofdrol kan vervullen op het internationaal toneel. Daarnaast was het onze opzet de uitgebreide Unie een echte grondwet te geven, gebaseerd op het project dat de Conventie heeft uitgewerkt volgens de in Thessaloniki afgesproken voorwaarden. Het was de bedoeling dat deze grondwet bijtijds op tafel kwam te liggen, dat wil zeggen nog vóór de verkiezingen ter vernieuwing van de leden van dit Parlement, die in juni gehouden worden. Iedereen koesterde de wens om binnen de zestig dagen die ons sedert de opening van de Conferentie van Rome overbleven, de besprekingen over de grondwet af te ronden. Dit is echter niet doorgegaan, zoals wij allemaal weten. Ik vind dat wij dit gegeven in alle gemoedsrust moeten accepteren, dus zonder te dramatiseren of elkaar de schuld in de schoenen te schuiven. Tegelijkertijd moeten wij duidelijk voor ogen houden welke stappen nu het best genomen kunnen worden. Het Italiaans voorzitterschap heeft er bewust naar gestreefd niet toe te geven aan een logica van compromissen en onderlinge afspraken waar onze burgers geen zicht op hadden. Wat dat betreft hebben wij dus woord gehouden. Vanaf het begin van deze complexe onderhandeling zagen wij dat als een plicht waaraan wij ons gewoon niet konden onttrekken. Wij vonden dat er een document moest komen waarin zowel de bijdragen van de nationale parlementen en de instellingen van de Unie – en in de eerste plaats van de uwe, zoals u al zei -, als het werk van de Conventievoorzitter, de heer Giscard d’Estaing en de beide vice-voorzitters, de heren Amato en Dehaene, een plaats zouden krijgen en dat de basis moest worden voor een unaniem akkoord, waarbij niet werd getornd aan de hoekstenen van het in juli goedgekeurde ontwerp.

Op het moment van de officiële opening van de Intergouvernementele Conferentie heeft het Italiaanse voorzitterschap bewust de aandacht gevestigd op deze beleidslijnen, en wel via de Verklaring van Rome: deze verklaring was aangenomen door de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten, de toetredende landen en de kandidaat-lidstaten, alsook door Voorzitter Cox en Commissievoorzitter Prodi. Tijdens de hele duur van de besprekingen hebben wij ons strikt aan deze aanpak gehouden. We hebben voortdurend ons best gedaan om het ontwerp van de Conventie zoveel mogelijk onverlet te laten en daarnaast aandacht te schenken aan de wettige eisen van alle lidstaten met betrekking tot vraagstukken die in hun ogen van prioritair belang zijn.

De manier waarop wij te werk zijn gegaan, was volkomen helder en voor iedereen zichtbaar. Wij hebben de vertegenwoordigers van het Europees Parlement volledig betrokken bij de werkzaamheden van de IGC en zijn daarbij veel verder gegaan dan in de voorgaande IGC’s is geschied. Ook hebben wij alle documenten die tijdens de besprekingen zijn ingediend, zoveel mogelijk aan de openbaarheid prijsgegeven en voor iedereen toegankelijk gemaakt.

Dankzij dat imposante werk dat wij nauwgezet en met groot geduld hebben verricht – en ik dank dan ook al degenen die daaraan hebben meegewerkt, met name onze minister van Buitenlandse Zaken, de heer Frattini, die hier naast mij zit – is het ons gelukt bijna alle kwesties op te lossen die de deelnemers aan de IGC ter sprake hebben gebracht, zonder dat er noemenswaardig gesleuteld werd aan de algehele strekking van het ontwerp van de Conventie.

Tijdens de eerste besprekingen van de Intergouvernementele Conferentie hebben wij meer dan tachtig vraagstukken aangesneden die aanleiding gaven tot meningsverschillen tussen de landen onderling. Voor elk van die controversiële vraagstukken, met uitzondering van één kwestie die zuiver institutioneel van aard is, zijn dankzij een adequate bemiddeling de nodige oplossingen aangedragen. Daar komt nog bij dat de IGC in bepaald opzicht, met name wat het cruciale aspect van de defensie betreft, het ontwerp van de Conventie heeft aangevuld en verbeterd. In het bijzonder hebben wij afspraken gemaakt over een permanente gestructureerde samenwerking die volledig strookt met het atlantisch kader en rekening houdt met de politieke eisen van bepaalde lidstaten.

Deze fundamentele stap zal gezet worden met inachtneming van de besluitvormingsprocedures van de Unie, volgens de logica dat bepaalde landen sneller mogen voortgaan. Een en ander zal gebaseerd worden op een specifiek protocol waarin wordt voorgeschreven over wat voor militaire capaciteit men moet beschikken om deel te kunnen nemen aan deze permanente gestructureerde samenwerking.

Vanuit praktisch oogpunt leek deze kwestie aanvankelijk een vruchteloze onderneming. Toch zijn wij erin geslaagd een akkoord uit het vuur te slepen, in nauw overleg met de NAVO-Topconferenties. Bovendien is iedereen akkoord gegaan met de drie pijlers, zodat de Raad daar in het komende voorjaar de nodige besluiten over kan nemen. De eerste pijler – de verordening om de gestructureerde samenwerking in het leven te roepen en operationeel te maken – zal door de Europese Raad goedgekeurd moeten worden. De tweede pijler zal iedere lidstaat in de gelegenheid stellen om op elk gewenst moment tot die samenwerking toe te treden. De derde pijler bepaalt dat de Europese defensie - die noodzakelijk is om Europa een eigen kracht en waardigheid te geven, zodat het samen met de andere militaire wereldmachten kan plaatsnemen aan welke onderhandelingstafel dan ook –geen tegenhanger van de NAVO is, maar juist zij aan zij met de NAVO zal opereren. Er is dan ook een manier gevonden om een cel van het hoofdkwartier van Europese defensie onder te brengen in de operationele basis van de NAVO in Europa.

Tijdens de slotzitting van de Intergouvernementele Conferentie hebben de deelnemers zich geconcentreerd op de grote institutionele vraagstukken die politiek gezien het gevoeligst lagen en waar men in de eerste fasen van de onderhandelingen niet uit is gekomen. Het kwam er dus op neer dat in de laatste zitting besluiten moesten worden genomen over de samenstelling van het Europees Parlement en de Commissie, er moesten nog een paar punten worden opgehelderd inzake de uitbreiding van stemming met gekwalificeerde meerderheid binnen de Raad, en vooral moest de stemweging bepaald worden.

Tijdens de laatste bilaterale besprekingen die het Italiaanse voorzitterschap in hoog tempo heeft gevoerd, van donderdag tot en met zaterdag, zowel overdag als ’s nachts, zag het er nog naar uit dat een paar van die problemen wel opgelost zouden worden; zij het dat alle staatshoofden en regeringsleiders erop hamerden dat het institutioneel kader van de toekomstige Unie uiteindelijk in zijn geheel beoordeeld moest worden via een algemeen en alomvattend akkoord.

Over de samenstelling van de Commissie en over het vraagstuk van de gekwalificeerde meerderheid lag een akkoord binnen handbereik. Over het aantal Parlementsleden, mijnheer de Voorzitter, was er nagenoeg geen discussie. De landen met een kleinere bevolking vroegen om één extra lid, waardoor hun aantal van vier tot vijf zou oplopen, en alle andere landen hebben daarmee ingestemd.

Maar op het punt van de stemming met gekwalificeerde meerderheid, bleek het ondanks alle inspanningen niet mogelijk de verschillende standpunten nader tot elkaar te brengen. Vandaar dat wij, na eerst ruggespraak te hebben gehouden met alle delegaties, besloten hebben een punt te zetten achter een bespreking die dreigde iedereen tegen iedereen op te zetten. Deze bespreking zou immers in het beste geval geleid hebben tot een ondermaats compromis, en dat hadden wij juist vanaf het begin afgewimpeld. Het echte fiasco zou zijn geweest als wij zo’n minderwaardig akkoord hadden geaccepteerd, een akkoord dat geen garanties zou bieden voor de toekomstige functionering van de Unie en haar niet in staat zou stellen een beslissende politieke rol op het internationale toneel te spelen.

Bij de sluiting van de werkzaamheden hebben alle collega’s woorden van grote waardering aan het adres van het Italiaanse voorzitterschap uitgesproken, waar mijn medewerkers en ikzelf natuurlijk verguld mee zijn. Maar ik kan u vooral zeggen dat ik bij iedereen de wil heb bespeurd om de verworvenheden die in deze maanden van besprekingen zijn verkregen, niet verloren te laten gaan. Wij hebben namelijk op welgeteld 82 punten een akkoord bereikt, 82 punten die aanvankelijk ter discussie stonden en die in veel gevallen zelfs niet te regelen leken.

Er is dus een IGC-acquis tot stand gekomen dat door iedereen als belangrijk is bestempeld en waar verder niet meer aan getornd hoeft te worden. Daarom viel in alle toespraken die aan de tafel van de Raad zijn gehouden, te beluisteren dat de volgende werkzaamheden van de Intergouvernementele Conferentie geconcentreerd moeten worden op het punt waar nog geen akkoord over is bereikt. Al die andere punten, die dankzij de onverdroten arbeid van alle delegaties van de lidstaten in de wacht zijn gesleept, hoeven niet meer heropend te worden.

Uitgaande van dit kostbare acquis, dat dankzij de besprekingen tot stand is gekomen en bijna alle kwesties bestrijkt die aanvankelijk ter discussie stonden, kan het grondwetgevend werk hervat worden en kan het grote project dat met de Conventie is opgestart, voltooid worden. Ik moet u zeggen dat wij werkelijk heel dicht bij een oplossing waren. In de nacht van vrijdag op zaterdag lag een akkoord nog in het verschiet, want een paar landen, die aanvankelijk aan bepaalde standpunten vasthielden, stelden zich ineens heel open op. Maar de volgende ochtend waren wij weer een stap terug en toen hebben wij met instemming van alle delegatieleiders de knoop doorgehakt en geconcludeerd dat iedereen gewoon nog wat meer tijd nodig had. Sommigen vroegen zelfs om hun parlement nog eens te mogen raadplegen. Wij vonden het dus beter om niet nog een keer in een bespreking verwikkeld te raken waaraan duidelijk het imago van een niet-akkoord zou kleven, temeer daar wij de kans hadden de zaak met positieve gevoelens af te sluiten. Alle partijen hadden zich immers bereid verklaard de besprekingen te hervatten, teneinde het door iedereen afgesproken acquis te behouden en het plan van een grondwet voor Europa vooruit te helpen. Met een dergelijke grondwet kan Europa mettertijd echt functioneren, kan het bijtijds besluiten nemen en zich op het internationale toneel opstellen als een politieke reus, en niet slechts als een economische reus.

Ik wilde thans, mijnheer de Voorzitter, dames en heren, illustreren wat de belangrijkste resultaten zijn geweest van de Europese Raad waarmee het semester van het Italiaanse voorzitterschap is afgesloten. Ik doe dit met bijzonder genoegen, niet alleen omdat wij belangrijke onderwerpen hebben aangepakt, maar ook omdat onze besluiten het resultaat zijn van intensief werk waar alle landen in een collegiale sfeer hun schouders onder hebben gezet. Er zijn concrete resultaten bereikt die rechtstreeks raken aan belangen van de Europese burgers en het algehele imago van de Unie opvijzelen. Dit is allemaal mogelijk gemaakt dankzij een uitstekende samenwerkingsrelatie met de Commissie, die ik bij dezen bedank, en dankzij de geest van open en constructief overleg met dit Parlement, hetgeen ik bijzonder op prijs heb gesteld.

Ik begin met de economische vraagstukken. Wij hebben deze aangesneden met het oog op een herlancering van de ontwikkeling, om de werkgelegenheid aan te zwengelen, om de concurrentiekracht van het Europese bedrijfsleven een hart onder de riem te steken en de interne markt in alle onderdelen te voltooien. De Europese Raad van december heeft in de eerste plaats officieel goedgekeurd wat wij het “Europees groei-initiatief” hebben gedoopt. Deze actie is op aanraden van het Italiaanse voorzitterschap op touw gezet, zij is daarna overgenomen door de Raad van ministers van Financiën en Economische Zaken en door de Commissie, en vervolgens heeft ook de EIB een duit in het zakje gedaan. U bent met dit initiatief bekend. De bedoeling ervan is een grootscheeps investeringsprogramma op te zetten in de sector van de grote trans-Europese infrastructuur, met inbegrip van de vervoersbranche, de grote stroomnetwerken en de telecommunicatiesector, naast de nodige investeringen in menselijk kapitaal, dat wil zeggen investeringen in onderzoek en ontwikkeling, in technologie en innovatie.

Wij hadden hierbij een tweeledig doel voor ogen. In de eerste plaats beoogden wij via die projecten de voorwaarden te scheppen om verbetering te kunnen brengen in de materiële en immateriële infrastructuurnetwerken die de verbindingen op de grote Europese markt verzorgen, vooral in het perspectief van de uitbreiding. Daarnaast hadden wij ons voorgenomen bij te dragen tot een algehele herlancering van de economische groei, en dus van de werkgelegenheid, via allerlei financiële steunmaatregelen. Het idee is dat zowel gebruik moet worden gemaakt van overheidsgeld – dat ten laste van de begroting van de Unie en deels ten laste van de afzonderlijke lidstaten komt – als van financieringen uit de particuliere sector. De Europese Investeringsbank zal daarbij als garant optreden. Ik wil er in dit verband de nadruk op leggen dat dit de eerste, grote economische beleidsmaatregel is die op Europees niveau, in het verlengde van de strategie van Lissabon en overeenkomstig het Stabiliteitspact, wordt genomen. Hier schuilt overigens een gegeven dat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat: als afzonderlijke landen hebben wij sedert de inwerkintreding van de eenheidsmunt geen enkele mogelijkheid meer om een monetair of financieel beleid te voeren. Wij kunnen onze munt niet devalueren om onze producten en onze export op te peppen. Wij kunnen geen beleid van deficit spending voeren, ook niet op de middellange termijn, om de criteria van Maastricht te respecteren. Over deze bevoegdheid beschikken de afzonderlijke lidstaten niet meer, daar moet een hogere macht aan te pas komen. Wel hebben wij een Europese Centrale Bank, maar die heeft de opdracht te waken over de prijsverhogingen en in het verlengde daarvan de inflatie te controleren. Het is helaas niet zijn taak de economie te ondersteunen, zoals bijvoorbeeld de Amerikaanse Centrale Bank, de Federal Reserve, doet. Daarom moet Europa zich de wil en de capaciteit toemeten om wanneer nodig op te treden en de eigen economie een steun in de rug te geven.

Ik heb nog iets specifieks te melden over de versterking van de interne markt en de herlancering van de groei. Wij hebben eveneens een akkoord bereikt over de aanpassing van de trans-Europese vervoersnetwerken, de TEN’s, met het oog op de nieuwe realiteit van het uitgebreide Europa. In ditzelfde kader heeft de Europese Raad het akkoord geratificeerd inzake het besluit om de financiering van acties voor grensoverschrijdende trajecten die ten laste van de Unie-begroting komt, te verdubbelen, en wel van 10 procent tot 20 procent. Dit is een belangrijke uitkomst, gezien de mogelijkheid om particuliere investeringen los te krijgen voor de grote infrastructuur.

De Europese Raad heeft beklemtoond hoe belangrijk het voor het vrij verkeer van goederen is dat er iets gedaan wordt aan de problemen van de bergpassen en natuurlijke barrières en aan de verstopping van de voornaamste verbindingswegen. Wij hopen dat de Commissie er op deze basis in slaagt in een nabije toekomst precies te berekenen welke negatieve weerslag bergpassen en natuurlijke barrières op een goede functionering van de eenheidsmarkt hebben. Wat de trans-Europese netwerken betreft, kan ik stellen dat wij daadwerkelijk veel werk verzet hebben. Het probleem is namelijk dat er een absoluut gebrek aan goede verbindingswegen is met de landen die vanaf 1 mei tot de Unie toetreden, zowel wat het autoverkeer als het vervoer per spoor aangaat. Het leek mij dan ook uiterst dringend dat het plan van de grote werken, dat al een paar jaar geleden is opgesteld, werd aangepast, en dat is naar mijn gevoel dan ook gedaan. Hier moet ik nog een nadere precisering aan toevoegen: er is thans een lijst, een quick start list, met een serie projecten. Dit is echter geen gesloten, maar een open lijst: alle projecten die in aanmerking komen, dat wil zeggen alle projecten waarvoor de nodige documentatie is geleverd met het oog op aanbesteding en fondswerving, kunnen op die lijst worden gezet.

Wat de onderwerpen van de agenda van Lissabon aangaat: wij hebben ons vooral geconcentreerd op het thema van de werkgelegenheid en de concurrentiekracht. Daarbij hebben wij duidelijk gemaakt dat het noodzakelijk is verder te werken aan de structurele hervormingen. Diverse lidstaten hebben deze hervormingen al opgestart en met het oog daarop maatregelen genomen die op de korte termijn soms offers vergen en hoge sociale kosten met zich meebrengen, maar een noodzakelijke voorwaarde zijn om de economie weer aan te zwengelen. Ik heb het over de arbeidsmarkt en de hervorming van de pensioenen.

Voor wat de werkgelegenheidssituatie aangaat, hebben wij met waardering kennis genomen van het verslag en de daarin staande aanbevelingen, die de taskforce onder leiding van Wim Kok heeft opgesteld. De heer Kok heeft werkelijk knap werk verricht, en dat heeft hij onder meer te danken aan zijn dubbele ervaring als vakbondsleider en regeringsleider. Wij zijn hem allen dank verschuldigd. Niet alleen heeft hij oplossingen aangereikt voor algemene problemen, maar ook heeft zijn taskforce zich gebogen over de situatie in de afzonderlijke landen en ieder land gewezen op de maatregelen die naar de mening van deze groep genomen moeten worden. Nu, wat mijn eigen land betreft kan ik zeggen dat de taskforce in de roos heeft geschoten en een perfect overzicht heeft gegeven. Aan dit verslag was de speciale Top gewijd die ik heb voorgezeten, vlak voordat de Europese Raad plaatsvond. Uit deze Topontmoeting van werkgeversverenigingen en vakbonden is gebleken dat alle sociale partners ervoor pleiten dat de uitvoering van de Europese strategie voor de werkgelegenheid wordt voortgezet, in een kader van grotere flexibiliteit en opwaardering van het menselijk kapitaal.

Op het vlak van de mededinging heeft de Europese Raad in de loop van dit semester de nodige vooruitgang geboekt, wat praktisch volledig tegemoetkwam aan de verwachtingen van het Europese bedrijfsleven. In dit verband moet ik wel iets preciseren. De vorige maand heb ik in Brussel een bijeenkomst van Europese ondernemingen bijgewoond. Dit symposium stond in het teken van een Swiftiaanse reminiscentie, namelijk de reus Gulliver die wordt vastgehouden door de Lilliputters. Met dit beeld wilde men de Europese en nationale politieke leiders duidelijk maken dat het Europees bedrijfsleven een reus is die met allerlei touwen en koorden wordt vastgehouden: een metafoor voor de overdreven regels, wetten en richtlijnen die ons bedrijfsleven in de weg zitten en de concurrentie met buitenlandse ondernemingen belemmeren.

(Applaus)

Dat is een kwestie waar wij terdege rekening mee moeten houden. De Europese economie maakt momenteel een kritieke fase door. Ikzelf vrees dat het alleen nog maar erger wordt. De Europese economie zit namelijk vastgeklemd tussen twee economieën. Aan de ene kant hebben wij te maken met de economie van de Verenigde Staten, die een forse groei doormaakt dankzij de injectie van 350 miljard dollar die de regering-Bush heeft gegeven, en dankzij het feit dat de Amerikanen de laagste belastingschijven van de westerse wereld hanteren. Aan de andere kant moeten wij onze krachten meten met de economieën van het Verre Oosten, die in een situatie van bijna volledige anarchie verkeren, die de regels ten aanzien van werknemers en milieu aan hun laars lappen en zich al helemaal niets gelegen laten liggen aan belastingcontrole.

Het is dan ook te begrijpen dat de Europese ondernemers de oprichting van een mededingingsraad hebben toegejuicht. Deze raad moet van nu af aan alle maatregelen van de Europese autoriteiten en instellingen toetsen en nagaan welk effect ze op de concurrentiepositie van onze bedrijven hebben. Dit soort besef moeten wij eigenlijk allemaal zien te kweken, als wij althans willen voorkomen dat onze economie qua concurrentiekracht inboet ten opzichte van andere economieën.

Afgezien daarvan wil ik herinneren aan het akkoord dat onlangs is bereikt over de ontwerp-richtlijn inzake het openbare overnamebod. In politiek opzicht gaat dit akkoord heel ver. Het zet een punt achter een bespreking die bijna vijftien jaar heeft geduurd. Dankzij dit akkoord kunnen wij thans zeggen dat wij een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de voltooiing van de interne markt. Ik moet dan ook in dit verband de Italiaanse minister, de heer Buttiglione, bedanken, die de gangmaker achter dit akkoord was. Natuurlijk blijft er nog veel werk over. Zo moeten de bedrijven die in Europa opereren dusdanige voorwaarden krijgen qua reguleringskader en arbeidsmarktsituatie, dat zij daadwerkelijk kunnen concurreren op de wereldmarkten. Dat is een belangrijke doelstelling die in de komende maanden moet worden nagestreefd en in de Europese Raad van het komende voorjaar concreet gestalte dient te krijgen.

Wij zijn thans aanbeland bij het belangrijke thema van de veiligheid. Teneinde de communautaire instellingen steeds dichter bij de werkelijke noden en behoeften van de burgers te brengen, heeft het Italiaanse voorzitterschap zich bijzonder ingezet voor verhoging van de veiligheid van de burgers van de Unie. Het voorzitterschap besefte namelijk dat de publieke opinie vooral op grond van deze kwestie, die zo dicht bij het dagelijks leven staat, zal beoordelen in hoeverre het optreden van de Unie zoden aan de dijk zet. Een belangrijk uitgangspunt van ons optreden was dat wij gemeenschappelijke strategieën wilden ontwikkelen om de migratiestroom onder controle te houden. In de eerste plaats is dan ook het begrip “externe gemeenschappelijke grenzen” aangescherpt. In dit verband heeft de Europese Raad geconstateerd dat er een akkoord is bereikt over de belangrijkste elementen waarmee een speciaal communautair agentschap voor het grensbeheer in het leven geroepen kan worden. Thans is besloten zo’n bureau op te richten, en de Commissie heeft toegezegd dat het vanaf 1 januari 2005 operationeel zal worden.

De Europese Raad heeft ook genoteerd dat er op voorstel van het Italiaans voorzitterschap een speciaal programma is aangenomen met maatregelen voor immigratie via de zee. Dit is een concreet signaal van de speciale aandacht die de Unie wijdt aan het probleem van illegale immigranten die bij ons voet aan wal willen zetten. De zeereizen die die mensen maken, monden vaak uit in drama’s. Wat dit specifieke punt aangaat, willen wij het Parlement op de hoogte stellen van de bijeenkomst die in het bijzijn van het Italiaanse voorzitterschap en de voorzitter van de Commissie heeft plaatsgevonden tussen de vijf Europese landen die aan de Middellandse Zee grenzen en de vijf Noord-Afrikaanse landen die de zuidelijke oever vormen. De Noord-Afrikaanse landen kampen met een aanzwellende migratiestroom, die naar hun eigen zeggen gigantische vormen aanneemt. Velen willen het Afrikaanse continent inruilen voor Europa, dat door iedereen wordt gezien als een paradijs op aarde. De betreffende Afrikaanse landen hebben zich bereid verklaard, daartoe aangespoord in bilaterale ontmoetingen met onze afzonderlijke landen, om met ons samen te werken en te controleren wie hun land verlaat. Tijdens deze “vijf+vijf-bijeenkomst” hebben die landen ons echter wel verzocht om meer betrokkenheid te tonen. Ook vragen zij dat wij opkomen voor de hoge economische kosten van de maatregelen die zij in het belang van Europa nemen.

Het voorzitterschap heeft de nodige aandacht gewijd aan het thema van de opvang en integratie van legale immigranten, met name waar het gaat om internationale bescherming van asielzoekers. Wij verwachten van de Commissie een studie over de verhouding tussen legale en illegale immigratie, waarin onder meer wordt ingegaan op de mogelijkheid om in Europees verband toelatingsquota af te spreken. We hebben in ieder geval gezien dat er vooruitgang is geboekt op het vlak van asielbeleid, ook al is het helaas niet gelukt afspraken te maken over de twee richtlijnen terzake: de richtlijn over de minimale procedurevoorschriften en de richtlijn over de status van asielzoekers en degenen die voor extra bescherming in aanmerking komen.

Een doelmatig beheer van migratiestromen kan het niet stellen zonder een vruchtbare samenwerking met de derde landen, dat wil zeggen de landen van herkomst of doorvoer. In deze optiek zijn wij voortgegaan met het opnemen van de migratievraagstukken in de buitenlandse betrekkingen van de Unie. Met name is een begin gemaakt met een beoordelingsmechanisme ten aanzien van de derde landen in de strijd tegen illegale immigratie. Voor een dergelijk mechanisme heeft de Europese Raad van Thessaloniki destijds gepleit en in een mum van tijd is daarover een interinstitutioneel akkoord met het Europees Parlement bereikt, via een verordening waarmee een nieuw programma van technische en financiële bijstand aan derde landen op het vlak van asiel- en immigratiebeleid in het leven is geroepen. Dankzij dit programma zijn ook nieuwe financiële middelen vrijgemaakt: 250 miljoen euro voor de komende vijf jaar. Dit is een eerste stap naar een forse uitbreiding van de immigratiebestedingen, wat met de komende financiële vooruitzichten zijn beslag moet krijgen.

Dan is er nog iets wat verband houdt met immigratie, maar tegelijk ook te maken heeft met de veiligheid van de burgers en de strijd tegen het terrorisme. Wij hebben als Europese Raad een akkoord bereikt inzake het gebruik van biometrische gegevens op visa en verblijfsvergunningen. Het is de bedoeling dat deze vernieuwing binnenkort ook op de paspoorten van communautaire burgers wordt doorgevoerd.

Belangrijke resultaten zijn ook geboekt op het vlak van de strijd tegen misbruik van verdovende middelen. Ik signaleer met name het politiek akkoord over het kaderbesluit inzake bestrijding van drugshandel: dit akkoord heeft de eindstreep gehaald dankzij een geduldig bemiddelingswerk van het voorzitterschap. De Europese Raad heeft erop gewezen hoe belangrijk een dialoog tussen de religies is, en aan dit thema hebben wij dan ook een speciale conferentie gewijd, die in oktober in Rome heeft plaatsgevonden. Deze dialoog wordt gezien als een middel voor integratie van de migrantengemeenschappen in Europa en meer in het algemeen als middel om begrip en samenwerking te verkrijgen op het vlak van de internationale betrekkingen. Het vraagstuk van de betrekkingen tussen het Westen en de islam, tussen de christelijke godsdienst en de moslimreligie, komt in iedere ontmoeting die wij met de landen van de Arabische Liga hebben, ter sprake. Wij moeten hier werkelijk ons best voor doen, omdat er altijd wel een Arabische minderheid te vinden is die haar heil zoekt bij de uitdaging. Niets is zo erg als de zaken zo’n wending te laten nemen! Ik geloof dus dat wij heel hard ons best moeten doen om een echte, constante en diepgaande dialoog tussen het westen en de moslimlanden tot stand te brengen. Ik wil er in dit verband aan herinneren dat de staatshoofden en regeringsleiders wederom plechtig hebben verklaard dat zij zich met hand en tand zullen verzetten tegen iedere vorm van extremisme en onverdraagzaamheid en dat zij terrorisme en geweldpleging ten strengste veroordelen. Ook is iedere vorm van antisemitisme aan de kaak gesteld.

De Europese Raad heeft eveneens de Europese veiligheidsstrategie aangenomen: een uitstekend document, waarvoor wij dank verschuldigd zijn aan de heer Solana en zijn team. In dit document wordt geanalyseerd met welke bedreigingen de veiligheid van de Unie geconfronteerd wordt en wat de middelen zijn om die het hoofd te bieden. Op zo’n basis moeten wij in staat zijn ons interventievermogen te verbeteren, met het oog op conflictpreventie en crisismanagement. Tenslotte heeft de Europese Raad ook vooruitgang geboekt in de ontwikkeling van het GBVB. Wij blijven primair streven naar verwerving van meer capaciteit, en in die optiek krijgt het besluit om een speciaal Europees agentschap op te richten voor de ontwikkeling en verwerving van nieuwe militaire capaciteiten, extra waarde. Een speciaal belang krijgt in deze context ook het besluit van de Europese Raad om in te haken op het voorstel dat het Italiaanse voorzitterschap in overleg met verschillende partners heeft gepresenteerd: het gaat erom de planningscapaciteiten van de Unie te versterken volgens modaliteiten die stroken met de rol van de NAVO en de zogeheten “Berlijn-plus”-afspraken. Met dit besluit wordt een vraagstuk dat nog maar enkele maanden geleden aanleiding gaf tot diepe verdeeldheid tussen de leden van de Unie, op positieve wijze en in een institutioneel kader afgesloten.

Als laatste punt wilde ik erop wijzen dat tijdens de Top in Brussel ook het akkoord inzake de zetels van de tien Europese agentschappen is afgerond. Deze kwestie zat al ongeveer twee jaar in het slop. Het betreffende akkoord heeft de eindstreep gehaald dankzij intensieve diplomatieke contacten in de maanden die aan de Top voorafgingen. Nu kan rustig worden verdergewerkt om de verschillende zetels van de agentschappen, die het werk van de instellingen van de Unie op belangrijke sectoren moeten aanvullen, operationeel te maken. Dit akkoord heeft vanzelfsprekend verstrekkende gevolgen, en het Italiaanse voorzitterschap is daar dan ook behoorlijk trots op. Wij mogen hier best de nadruk op leggen, temeer daar een en ander niet zo gemakkelijk te combineren was: wij waren immers tegelijkertijd verwikkeld in de moeizame onderhandelingen over het Grondwettelijk Verdrag.

Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de Europese Raad van Brussel heeft een paar maanden vóór de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag plaatsgevonden. De uitbreiding die in 2004 haar beslag zal krijgen profileert zich steeds meer als een daverend succes en bevestigt dat de besluiten die de staatshoofden en regeringsleiders in december 2002 in Kopenhagen genomen hebben, zeer verstandig waren. Wij hebben geconstateerd dat de toetredingslanden vorderingen maken met het volledig overnemen van het communautair acquis. Op 1 mei 2004 zullen zij vast en zeker in staat blijken de verantwoordelijkheden die een volledige toetreding met zich meebrengt, het hoofd te bieden. Het recente strategiedocument van de Commissie heeft onomwonden bevestigd dat Bulgarije en Roemenië aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt met het oog op toetreding tot de Unie. Deze twee landen zijn thans zover dat zij de beslissende stappen richting toetreding kunnen zetten. De Europese Raad heeft een speciale “routekaart” voor dat toetredingsproces uitgestippeld, waarop precieze data zijn vastgeprikt: 2004 voor afronding van de onderhandelingen, 2005 voor ondertekening van de toetredingsverdragen en januari 2007 voor toetreding tot de Unie. Ook Turkije heeft een verdienstelijk parcours afgelegd op het vlak van de institutionele hervormingen en het land heeft vorderingen gemaakt qua naleving van de politieke criteria van Kopenhagen. Deze positieve ontwikkelingen hebben wij dan ook in de conclusies van de Europese Raad opgenomen. Ook hebben wij Turkije nog een aantal suggesties aan de hand gedaan en het land aangemoedigd om in deze richting voort te gaan. Daarbij is tevens aangegeven op welke terreinen Ankara nog extra inspanningen moet doen. Het doel op de middellange termijn blijft dat Turkije zich voorbereidt op het besluit dat de Europese Raad over een jaar zal nemen.

Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de Europese Raad heeft eveneens grote aandacht besteed aan de belangrijke ontwikkelingen die zich in deze zes maanden hebben voorgedaan in de betrekkingen van de Europese Unie met haar partners, haar buurlanden en de rest van de wereld. Allereerst hebben wij er nota van genomen dat het Balkangebied aanmerkelijke vooruitgang heeft geboekt om dichter bij de doelstellingen van het stabilisatie- en associatieproces te komen. Ook in deze context heeft het Italiaanse voorzitterschap een belangrijke bijdrage geleverd. Wij hebben erop gewezen dat de Unie vastbesloten is het Europa-perspectief van de landen van die regio te steunen, door deze landen aan te sporen nog meer vaart te zetten achter de hervormingen, met name in die sectoren die doorslaggevend zijn voor toetreding tot de Unie. Ook is veel aandacht uitgegaan naar de resultaten die in dit semester zijn geboekt in het kader van het Euro-mediterraan partnerschap, met name tijdens de conferentie van de ministers van Buitenlandse Zaken die op 2 en 3 december 2003 in Napels is gehouden. Overigens hebben wij bij die gelegenheid ook officieel een begin gemaakt met de oprichting van de Euro-mediterrane parlementaire vergadering. Wij hebben afgesproken dat er een stichting zal komen voor de dialoog tussen culturen en beschavingen en wij zijn het eens geworden over een aanzienlijke uitbreiding van de faciliteiten waarover de EIB de beschikking krijgt met betrekking tot het Middellandse-Zeegebied. Dit alles in de hoop dat er mettertijd een echte Mediterrane Bank wordt opgericht, met kapitaal waaraan ook de landen van het Afrikaanse continent kunnen deelnemen.

De transatlantische betrekkingen blijven een onmisbare pijler voor het externe optreden van de Unie. De Europese Raad heeft hieraan een speciale verklaring gewijd die een grote politieke draagwijdte heeft, ook omdat een en ander samenvalt met de afsluiting van een periode die in ons geheugen geprent zal blijven als één van de moeilijkste in de relatie tussen Europa en de Verenigde Staten. Eén van de belangrijkste elementen van die speciale verklaring is dat er grote behoefte is aan een constante en op gelijke voet gevoerde dialoog tussen de Unie en de Verenigde Staten, teneinde de globale uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. De Unie zal bijgevolg haar best moeten doen om de samenwerking met de Verenigde Staten te versterken en die gemeenschap van waarden die aan de basis ligt van onze geschiedenis, om te zetten in een gemeenschap van daden. In deze context komt de gemeenschappelijke inzet voor de strijd tegen het terrorisme en tegen de proliferatie van massavernietigingswapens centraal te staan. De ontwikkeling van het GBVB en het strategisch partnerschap tussen de EU en de NAVO zullen tenslotte de algehele doelmatigheid van de transatlantische gemeenschap versterken.

Wij hebben eveneens de nadruk gelegd op de strategische waarde van onze relatie met de Russische Federatie. Het is van essentieel belang dat wij met Moskou een groot partnerschap op touw zetten, waarmee de integratie van Rusland in de Europese structuren bevorderd kan worden.

Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, als uittredend voorzitter van de Raad van de Unie wil ik u gaarne een boodschap van vertrouwen meegeven. Ik kan u namelijk verzekeren dat alle landen in de bres zijn gesprongen voor hun wettige belangen. Die belangen hebben zij met respectabele argumenten verdedigd. Maar vooral wil ik zeggen dat niemand ook maar enigszins heeft getwijfeld aan het bestaan van een hogere prioriteit: het Europese gemeenschappelijke belang. Het is normaal dat er thans een adempauze is ingelast, zodat er een diepgaand debat van de grond kan komen, in onze landen en onder onze bevolkingen. Maar wij zijn ervan overtuigd dat de onderhandelingen zullen worden hervat op basis van het plan van de Conventie en de resultaten die ons voorzitterschap met behulp van alle lidstaten tot stand heeft gebracht. In de komende maanden zal ieder van de lidstaten zijn bijdrage aan het integratieproces moeten leveren, want Europa moet verenigd blijven en iedereen moet erbij horen, zonder dat er tweedelingen komen of trucjes worden uitgehaald. Het Grondwettelijk Verdrag is een doel dat wij zeer zeker zullen bereiken. De volgende voorzitterschappen zullen met uw steun en de steun van het toekomstige Parlement in die richting werken. Daarbij kunnen zij voortborduren op het werk dat al is verricht en de zaken die reeds in kannen en kruiken zijn.

Ik rond af, mijnheer de Voorzitter, dames en heren, met een woord van waardering, omdat u zo overtuigend hebt gereageerd op mijn oproep om in iedere fase ten nauwste mee te werken aan de werkzaamheden van de Intergouvernementele Conferentie. Ik heb het Ierse voorzitterschap de teksten overhandigd van de akkoorden die reeds gesloten zijn en ik heb de Ieren toegewenst dat zij zich flink zullen inzetten voor de vorming van dat grote Europa waar wij allen naar uitkijken.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Prodi, voorzitter van de Commissie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, in het semester dat binnenkort ten einde loopt, is er veel voorgevallen en er is veel gepland. U herinnert zich wellicht nog dat ik tijdens de openingszitting van dit semester, op 2 juli jongstleden, dertien wetgevingsvoorstellen had opgesomd waarvan de Commissie hoopte dat men die vóór het eind van het jaar zou rondkrijgen. Het doet me genoegen thans te kunnen constateren dat over vijf cruciale items van die lijst, dankzij de inspanningen van het Italiaans voorzitterschap, een akkoord is bereikt. Ik denk aan de gewijzigde richtlijn over de traceerbaarheid van GGO’s en het kaderakkoord met betrekking tot het Europees Ruimteagentschap, dat een goede stimulans voor de ontwikkeling van ons ruimtevaartbeleid is. De totstandkoming van één Europees luchtruim en de voorschriften inzake overheidsopdrachten horen eveneens tot de belangrijke verworvenheden van dit semester en beide kwesties zullen aan het begin van het komende jaar officieel aangenomen worden. Tenslotte hebben we nu ook duidelijk een politiek akkoord over het openbare overnamebod in het vooruitzicht: daar zal het Parlement zich nog in deze vergaderperiode over buigen.

Het Italiaanse voorzitterschap heeft in het teken van continuïteit gewerkt en heeft daarbij groot verantwoordelijkheidsbesef en bereidheid tot samenwerking aan de dag gelegd, en dat stemt de Commissie zeer zeker tot tevredenheid. Ik wil dan ook de betreffende bewindslieden en al hun medewerkers openlijk bedanken voor hun inspanningen, zowel degenen in de verschillende instellingen in Italië, als de permanente vertegenwoordiging in Brussel.

Het sluitstuk van dit semester was de Top van staatshoofden en regeringsleiders. Deze is zaterdag jongstleden in Brussel afgesloten. Het deel dat was gewijd aan de Intergouvernementele Conferentie heeft terecht de aandacht van de publieke opinie het meest in beslag genomen, maar wij mogen niet vergeten dat er andere belangrijke vraagstukken zijn behandeld en op positieve wijze afgerond.

Het thema dat ikzelf uiteraard het belangrijkst vind, is het Europees groei-initiatief. De Raad heeft dat unaniem aangenomen. Dit initiatief is het meest zichtbare element van een algemeen pakket van stimuleringsmaatregelen voor de Europese economie. De door de Raad genomen maatregelen omvatten onder meer acties om onze concurrentiepositie en de werkgelegenheid op te vijzelen. Het is belangrijk, dames en heren, dat wij nu de kans grijpen die ons met de huidige fase van herstel geboden wordt, om de agenda van Lissabon te herlanceren, want dat blijft de voornaamste weg om duurzame groei voor ons hele continent te verwezenlijken.

Tenslotte verdient ook het akkoord dat de Raad heeft bereikt over zeven nieuwe Europese agentschappen, de nodige bijval. Deze agentschappen zullen zich bezighouden met verkeersveiligheid - luchtverkeer, treinverkeer en zeevervoer - voedselveiligheid, visserij, chemicaliën en de preventie en bestrijding van ziekten. Ik wil wel benadrukken dat de Commissie hierin een grote rol heeft gespeeld: wij zijn onderhand al vier jaar in de weer om naar dit resultaat toe te werken. Vandaar dat wij werkelijk tevreden zijn over deze uitkomst, want juist de dingen waar je het meest voor zwoegt, zijn uiteindelijk het mooist. Het was een ingewikkelde onderneming, waar de Commissie in alle stilte aan heeft gewerkt, zonder echter ooit te betwijfelen of het haar wel zou lukken dit allemaal tot een goed einde te brengen. Het akkoord over de agentschappen is om twee redenen belangrijk. In de eerste plaats, omdat daarmee een flexibeler en efficiënter model van communautaire structuren wordt ontwikkeld, een model dat de Unie steeds dichter bij de Europese burgers brengt. In de tweede plaats, omdat het akkoord berust op een allesomvattende benadering, zodat met de belangen van alle landen rekening is gehouden. Dit moest overigens ook wel, want zonder harmonisatie van de verschillende belangen zou de voortgang naar het gemeenschappelijk belang juist vertraagd of zelfs uitgesteld worden.

Ik stap nu over tot het andere belangrijke agendapunt van de Top van Brussel, en wel het feit dat de grondwet van de Europese Unie niet is doorgegaan. Dit is voor mij een grote teleurstelling en dat maakt mij behoorlijk verdrietig. Laten we nog even twee jaar teruggaan in de tijd, naar de Europese Raad van Laken. Wat waren toen de beweegredenen achter die historische conclusies van Laken? Iedereen was er toen van overtuigd dat de Unie behoefte had aan een institutioneel kader dat meer samenhang moest tonen en beter gestructureerd moest worden. De lidstaten werden het dan ook eens over drie fundamentele doelstellingen. Ten eerste, de functionering van onze instellingen verbeteren, als resultaat van de beruchte nacht van Nice. Ten tweede, de wetgevende en institutionele structuren stroomlijnen, omdat die immers al decennia lang zo bestaan en op den duur hebben geleid tot onsamenhangende procedures en beleidsvorming in de Unie. Ten derde, de burgers dichter bij de opbouw van Europa brengen.

Het novum van Laken was de totstandkoming van de Conventie. Dat was werkelijk het meest ambitieuze en democratische project van onze geschiedenis. Wij hebben hier jaren werk in gestoken, wij hebben daarvoor 105 vertegenwoordigers van de democratische instellingen van Europa - nationale parlementen, regeringen van de lidstaten, Europese Parlementsleden en leden van de Commissie – onder één dak gestopt. De Conventie heeft goed gewerkt en in achttien maanden tijd heeft zij een ontwerp voor een grondwet gepresenteerd dat wij een goed uitgangspunt voor de Intergouvernementele Conferentie vonden.

Bovendien hebben wij herhaaldelijk laten weten dat de tekst slechts een paar gerichte wijzigingen nodig had. Wij vonden namelijk - en zijn daar nog steeds van overtuigd - dat met deze tekst een moeilijk evenwicht was gevonden voor het hele systeem waarop de Europese Unie steunt en waarmee zij moet functioneren. De Conventie heeft uitmuntend werk geleverd waar het gaat om de ijkpunten van het stelsel. Ik denk aan het Handvest van de grondrechten, de methode van meerderheidsstemming en de verdeling van de politieke verantwoordelijkheden. Ook denk ik aan de groeiende rol van het Europees Parlement, dat in het voorstel voor de grondwet eindelijk meer besluitvormingsbevoegdheden met betrekking tot de begroting van de Unie krijgt. Voor de andere kwesties, met name de modaliteiten voor de hervorming van de grondwet, was de tijd te krap. Wat tenslotte de kwestie van de samenstelling van de Commissie aangaat, het beginsel van één commissaris per lidstaat was in essentie al aanwezig. De manier waarop dat beginsel in de praktijk werd omgezet, was onbevredigend maar dat is daarna dankzij de Intergouvernementele Conferentie weer rechtgetrokken.

Zoals geldt voor elk project dat als uitgangspunt fungeert, moest het ontwerp van de Conventie dienen om een stap voorwaarts te zetten. Maar een paar lidstaten hebben er van geprofiteerd om een stap terug te zetten. Daarom, dames en heren, zeg ik vandaag tegen u dat ik teleurgesteld en bedroefd ben. Het project van Europese integratie is de afgelopen week vastgelopen en dat is voor ons allemaal een gemiste kans. Dat hoeft niet meteen te betekenen dat de gevolgen dramatisch zijn, maar om dat bijtijds te voorkomen, moet wel volhardend worden voortgegaan in de door de Conventie uitgestippelde richting. De problemen die nog op oplossing wachten, zijn nog steeds die van de verklaring van Laken. De basistekst is nog steeds die van de Conventie. Ook al heeft het helemaal geen nut om te fulmineren tegen deze of gene nationale delegatie, moet mij toch wel van het hart dat onze instellingen niet gemodelleerd kunnen worden op grond van één criterium: de mogelijkheid om besluiten tegen te houden. Daar ligt onze rol niet, dat is noch de rol van het Parlement, noch die van de Commissie! De pas op de plaats die in Brussel is gemaakt, betekent dat de Raad in zijn geheel niet in staat is geweest de nodige consensus te kweken rondom een unitair voorstel.

Hoe dan ook, dames en heren, het volstaat niet om de schuld collectief op ons te nemen. Wij moeten nu de burgers uitleggen hoe hun toekomst het best beschermd kan worden: kan die toekomst het best door ieder op eigen houtje beschermd worden, of moet een en ander met vereende krachten geschieden? Lukt het beter in verdeeldheid of in eenheid? Het antwoord ligt, dunkt me, voor de hand: daarvoor hoeven we alleen maar even onze ogen goed de kost te geven. Ikzelf blijf op de golflengte van de verklaring van Laken zitten. Volgens mij komt de oplossing niet voort uit een optelling van veto’s, maar uit een bundeling van belangen en voornemens. Het vetorecht is geen uiting van democratische wil: zelfs onze instellingen kunnen zich niet onttrekken aan de democratische spelregels.

Dames en heren, we zijn op dit moment op zoek naar een gemeenschappelijke oplossing en ik besef hoe moeilijk dat is wanneer er zo vele en zulke belangrijke problemen op het spel staan waarover nog geen overeenstemming bestaat. Maar dit vooropgezet, ben ik ervan overtuigd dat wij de juiste oplossing zullen weten te vinden, mits we er de tijd voor nemen en meer geduld oefenen. Ik hoop dan ook dat de komende Europese Raden zich over onze grondwet zullen buigen met een realistisch tijdpad, maar tevens met een alomvattende visie, want die hebben wij misschien in de afgelopen maanden uit het oog verloren.

Wij moeten allemaal blijk geven van moed en verbeeldingskracht. Dat zijn namelijk de kwaliteiten die nodig zijn om grote politieke besluiten te kunnen nemen. Er zijn maar een paar dagen verstreken sedert de Top van Brussel en het zou voorbarig zijn en misschien ook overmoedig om nu reeds met een volwaardige reactie te komen. Maar wij hebben zeker wel de plicht om na te denken over wat er gebeurd is en wat er in de toekomst gedaan moet worden. Sommigen denken aan een voorhoede van pionierslanden die de weg vrijmaakt naar een hechtere samenwerking en kan dienen als platform voor een sterkere, meer geïntegreerde en voor iedereen openstaande Unie. Oplossingen van dit soort maken deel uit van de traditie van de Europese integratie en als wij goed naar onze geschiedenis kijken, zien wij dat die vooral in moeilijke tijden naar voren worden geschoven. Op dit moment bevinden wij ons in een van die dramatische tijdsgewrichten, en daarom moeten wij het bezinningsproces opstarten met een forse dosis moed, met gevoel voor verantwoordelijkheid en een open blik op de toekomst.

Dames en heren, ik wil deze korte toespraak van mij afsluiten met een dringende oproep: ik vraag u om uw politieke intelligentie, uw visie en ervaring ten dienste te stellen van de eerste grondwet van het verenigd Europa. Ik weet dat velen van ons in deze zaal naar de Europese Unie kijken als het enige winnende antwoord op de uitdagingen van de geschiedenis en de politiek. U zetelt hier als rechtstreeks gekozen vertegenwoordigers van onze burgers, en u weet dus goed wat er in hun hoofden omgaat, u weet dat de mensen maar al te goed beseffen dat Europa geen abstract ideaal of een modegril is, doch een historische noodzaak. Om dat te beseffen hoeven wij maar over onze geografische omheining heen te kijken: van China, India, Amerika zien wij niet eens meer de afzonderlijke landen, en zo zien de anderen ook steeds meer Europa in zijn totaliteit. Als wij nog een bewijs willen, kunnen wij ook over onze tijdsomheining klimmen: historisch gesproken is de integratie van het hele continent de enige kans van overleving voor onze nationale staten.

Alleen Europa geeft ons de kracht om onze culturen en onze regionale en plaatselijke tradities, waar wij zo trots op zijn, te handhaven en verder te ontwikkelen. Als wij ons niet allemaal rondom de Unie scharen die wij in de afgelopen halve eeuw hebben opgebouwd, zullen wij onze autonomie en invloed in de wereld verliezen. Dat verlies geldt dan voor de Unie, maar ook voor onszelf en vooral voor onze lidstaten en de burgers. En als het zover komt, belanden wij onherroepelijk in de marge van de geschiedenis.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Poettering (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, dames en heren, namens mijn fractiegenoten die lid zijn van de Europese Volkspartij moet ik zeggen dat 13 december 2003 een slechte dag was voor Europa. We zijn teleurgesteld, maar niets heeft zijn schaduwzijde, of er brandt licht. Op 13 december 2003 hoorden we het bericht dat de Karel de Grote-prijs van de stad Aken aan de Voorzitter van het Europees Parlement en daarmee aan het Europees Parlement wordt uitgereikt. Dit bewijst dat we bondgenoten hebben voor een sterk, democratisch en slagvaardig Europa. Mijnheer de Voorzitter, van harte gefeliciteerd met deze onderscheiding!

(Applaus)

Het mislukken van de Intergouvernementele Conferentie mag niet inhouden dat de grondwet mislukt. Namens de Europese Volkspartij zeg ik: wij laten er geen twijfel over bestaan en verklaren onomwonden dat wij een Europese grondwet willen en dat die er zo snel mogelijk moet komen, omdat Europa anders in de 21e eeuw geen toekomst heeft.

(Applaus)

We willen een Europese grondwet, omdat die in een gemeenschap van 450 miljoen mensen - en straks misschien nog meer - het enige fundament vormt op grond waarvan we de weg door de 21e eeuw in vrede kunnen afleggen. We hebben een grondwet nodig om de problemen die zich in onze samenleving voordoen, op basis van het recht te kunnen oplossen. We hebben een Europese grondwet nodig zodat we in de wereld voor onze Europese waarden kunnen opkomen. We laten er geen twijfel over bestaan dat we een Europese grondwet willen die stoelt op het Gemeenschapsrecht. We zullen ons tot het uiterste verzetten wanneer men weer vervalt in een situatie waarin slechts sprake is van samenwerking tussen regeringen of waarin in ons werelddeel assen worden gevormd die elkaar dwarszitten.

(Applaus)

Ik wil een woord van dank richten aan het Italiaanse voorzitterschap, de fungerend voorzitter van de Raad, namelijk voor het feit dat het mogelijk was om het – zoals u zei - over 82 punten eens te worden. Ik doe een beroep op alle verantwoordelijken om dit pakket niet meer ter discussie te stellen, maar zich te concentreren op die paar kwesties die nog omstreden zijn. Geen enkele regering heeft het gelijk helemaal aan haar kant. We spelen ook niemand de zwarte piet toe. Als we daaraan beginnen, zullen we er snel achter komen dat bijna iedereen een groot aandeel heeft in de verantwoordelijkheid voor het feit dat er in Brussel geen resultaat is behaald. Daarom kan men hiervoor niet een of twee landen verantwoordelijk stellen. Waar het nu om gaat is dat iedereen zijn goede wil toont.

Er moet een compromis komen. Europa heeft zich altijd onderscheiden doordat het in staat was compromissen te sluiten. Het compromis is de exponent van de goede wil van ons allen. Het weerspiegelt het vertrouwen dat we in elkaar hebben en geeft uitdrukking aan onze wil om gezamenlijk de toekomst tegemoet te gaan. Ik wil graag in alle duidelijkheid het volgende zeggen: als een regering meent dat ze zich los kan maken – ik druk me heel abstract uit – van de Europese solidariteit en slechts nationale belangen wil behartigen, als een regering in de toekomst op die manier te werk gaat, dan sluit ze zichzelf van de solidariteit van de Europeanen uit. Solidariteit is geen eenrichtingsverkeer! Iedereen is op solidariteit aangewezen. Daarom dient solidariteit ook het nationale belang, omdat de naties die zich aan de Europese solidariteit onttrekken, uiteindelijk aan het kortste eind zullen trekken.

(Levendig applaus)

We horen dezer dagen geluiden over een kern-Europa. Hoe moet dat dan in zijn werk gaan? Een kern-Europa is toch geen oplossing, want de problemen zijn van zeer uiteenlopende aard en het zijn nooit dezelfde landen die het over al die problemen met elkaar eens zijn. De ene groep is het eens over monetaire kwesties, een andere groep over defensievraagstukken en weer een andere over milieuvraagstukken. Daarom is een kern-Europa geen oplossing. We moeten gezamenlijk op weg gaan, de Europese toekomst tegemoet.

(Applaus)

Ik roep iedereen op met ons mee te doen om die weg te vinden. Er worden mij bezorgde vragen gesteld, vanochtend nog door een gerenommeerde Europese journalist. Hij vroeg mij of de euro over tien jaar nog zal bestaan. Beste collega’s, laten we toch ook staan voor de verworvenheden die er al zijn en laten we niet ter discussie stellen wat we in Europa reeds bereikt hebben! Natuurlijk moeten we nu even pas op de plaats maken en moeten we consolideren. Maar ik vind ook dat we voor ogen moeten houden dat Europa een duidelijk fundament, een grondwet nodig heeft. We moeten niet nu al over verdere uitbreidingen van de Europese Unie gaan praten, waardoor het hele concept van de eenwording van Europa steeds weer ter discussie wordt gesteld.

(Applaus)

Tot slot wil ik nogmaals het Italiaanse voorzitterschap danken voor de goede wil die het heeft getoond. We weten immers hoe moeilijk dat is in Europa. Als we echter niet de wil hebben nu verder te werken op basis van het resultaat van de Conventie, zal Europa inderdaad schade oplopen. Aanstaande donderdag en vrijdag zullen we in Dublin zijn en ik hoop dat het Ierse voorzitterschap alles doet wat in zijn vermogen ligt om eerst eens te peilen hoe de houding van de afzonderlijke regeringen is, zodat we daarna op het niveau van de ministers van Buitenlandse Zaken tot zaken kunnen komen. Te zijner tijd kan er dan een top van de Europese Unie worden gehouden om een Europese grondwet aan te nemen. Dat is onze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.

Dit is niet de dag om anderen verwijten te maken, maar dit is de dag waarop we in een moeilijke situatie in Europa blijven geloven en geduldig, maar ook met de nodige hartstocht aan Europa blijven werken. Onze fractie heeft zich heilig voorgenomen om Europa tot een succes te maken, en daarvoor hebben we een Europese grondwet nodig.

(Levendig applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Barón Crespo (PSE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, dames en heren, aan het begin van het Italiaanse Raadsvoorzitterschap zei u, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, dat met name het voetbal in Tokio u zorgen baarde. De voetbalploeg uit Milaan heeft het tot de strafschoppen gebracht, maar uzelf hebt niet eens de tweede helft van de wedstrijd gespeeld. De resultaten zijn er dan ook naar.

Dit alles ondanks de ernst en vakkundigheid waarmee het Italiaanse voorzitterschap zich van zijn taak heeft gekweten. Ik wil minister Frattini en staatssecretaris Antonione hier overigens publiekelijk danken voor hun inspanningen.

Mijn fractie is bijzonder ontgoocheld over de uitkomst van de Intergouvernementele Conferentie. Wij betreuren het dat er geen overeenstemming over een grondwet is bereikt. Als er in dit verband niet snel een afdoend politiek antwoord komt, lopen wij het risico in een existentiële crisis te belanden. Wij moeten de communautaire geest dringend nieuw leven inblazen. Anders gezegd, wij moeten samen beslissingen nemen. In plaats van de besluitvorming te blokkeren moeten wij gemeenschappelijke belangen nastreven en blijk geven van solidariteit. Ik zeg dit met gemengde gevoelens omdat mijn land, dat in het Europese integratieproces tot dusver steeds een voortrekkersrol heeft vervuld, thans helemaal achteraan hinkt, in de achterhoede.

(Applaus)

Dat is niet alles, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad. U hebt ook gezegd - wellicht is dat opgenomen in de notulen - dat 95 procent van de grondwet niet meer ter discussie staat, maar al tot het acquis behoort. Dat lijkt mij een belangrijk gegeven. Wat de resterende 5 procent betreft, is in Nice en ook nu weer bewezen dat nachtelijke onderhandelingen en koehandel tot niets leiden. Dat brengt mij tot de volgende vraag, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad: de Conventie is geen product van Nice maar van Laken. Het voorstel voor een grondwet is het werk van de Conventie. Acht u het, gelet hierop, wenselijk dat wij opnieuw onze toevlucht nemen tot een open en democratische methode - in de lijn van de Conventie - of denkt u nog steeds dat deze klus in enkele nachten kan worden geklaard? Mijns inziens moeten wij nu resoluut voor het eerste kiezen. Daarom is het des te belangrijker dat het Ierse voorzitterschap de fakkel overneemt.

Het is mij opgevallen dat u bijzonder kritisch bent over de huidige economische situatie, wat uiteraard begrijpelijk is. Uw woorden zetten het licht op groen voor een grondige herziening van de economische governance. U hebt het hier gehad over Gulliver. Ik koester een grote bewondering voor Jonathan Swift, maar ik geloof dat dit voorbeeld hier niet op zijn plaats is. Wij moeten ons niet vergelijken met Gulliver, maar met de Visconte dimezzato van Italo Calvino. Wij hebben de helft, de Europese Centrale Bank, maar wij hebben geen orgaan dat zich bezighoudt met de economische gang van zaken. Bent u bereid een amendement op de grondwet in te dienen en een hervorming van het Stabiliteitspact te bepleiten om Europa sterker te maken? Dat is volgens mij een belangrijk probleem waarvoor wij een oplossing moeten zoeken.

Namens mijn fractie - en wellicht ook de rest van het Europees Parlement - wil ik nog onderstrepen dat wij bereid zijn onze inspanningen om tot een grondwet te komen, voort te zetten. Wij hebben al 95 procent. Laten wij ervoor zorgen dat het ontbrekende gedeelte spoedig een feit is. Zonder Magna Charta zullen wij onze toekomst en met name de uitbreiding in gevaar brengen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Watson (ELDR). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de liberalen in dit Huis hadden meer verwacht van het voorzitterschap van een land met zo'n trotse Europese traditie. In zes korte maanden heeft het voorzitterschap eraan meegewerkt het Stabiliteitspact te ondermijnen, heeft het minachting getoond voor het beleid van de Europese Unie inzake Rusland en heeft het Canada beledigd.

De fungerend voorzitter heeft ons getrakteerd op een veertig minuten durend overzicht van de successen van zijn ambtstermijn. Het is echter moeilijk aan de conclusie te ontkomen dat dit voorzitterschap en de Intergouvernementele Conferentie een persoonlijke mislukking zijn geweest voor de voorzitter van de Europese Raad. Het “stukje papier” in de zak van de heer Berlusconi bleek een met gelato besmeurd servet te zijn met een paar slechte grappen erop gekrabbeld. De voorzitter is slecht voorbereid naar de Intergouvernementele Conferentie gekomen; hij heeft de waarschuwingen van dit Huis dat het achterhouden van compromisvoorstellen tot deze impasse zou leiden, genegeerd.

(Applaus)

Terwijl de Amerikanen in Irak onder wereldwijd gejuich Saddam Hoessein uit een gat in de grond groeven, groeven onze leiders zich in Brussel juist in een gat in.

Voor een geslaagde top waren twee dingen nodig: politieke wil van de kant van de grote landen en vaardig diplomatiek leiderschap. Bij deze Top ontbraken beide.

Deze Intergouvernementele Conferentie was niet op voorhand gedoemd te mislukken, maar heeft daarvoor gekozen. Vijf landen zijn weggelopen van een overeenkomst die iedereen nodig had, maar die niemand hard genoeg wilde.

Een uitgesteld akkoord is inderdaad beter dan een slecht akkoord. Het probleem met het uitstellen van een beslissing door de bal in het hoge gras buiten het speelveld te schoppen, is evenwel dat de bal misschien niet meer terug te vinden is. Dit geldt vooral met een volle agenda in het vooruitzicht met daarop besprekingen over de volgende financiële vooruitzichten, gesprekken over het Turkse lidmaatschap en verkiezingen in Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Italië.

Na een korte evaluatie moet de Intergouvernementele Conferentie haar werk dus afronden onder het Ierse voorzitterschap. De Ieren hebben de heer Ahern, een van de meest ervaren onderhandelaars van Europa, en de heer Cox, de Voorzitter van ons eigen Huis, wiens vreugde over de Karel de Grote-prijs we delen. Misschien kan de Europese Unie weer op gang worden gebracht. Onze eerste grondwet verdient publiek debat en publieke goedkeuring, en daarvoor is vóór de Europese verkiezingen in juni 2004 een verdrag nodig.

Ik wil graag onderstrepen hoezeer de leden van de Fractie van de Europese Liberale en Democratische Partij zich in dit Huis en daarbuiten zorgen maken en hoezeer we het gevoel hebben dat het optreden van de grotere lidstaten de Europese Unie in een crisis stort die het democratische karakter van onze Unie in gevaar kan brengen.

De conclusies van de Top zijn ook teleurstellend voor ons. Ze bevatten niets over Guantánamo Bay, ondanks de expliciete eis van dit Huis dat onze leiders de rechten van de gedetineerden zouden hooghouden. Wat betreft Rusland, verwijzen de conclusies, heel schandalig, niet naar de verkiezingen die volgens de OESO “een stap terug in het democratiseringsproces” waren.

(Applaus)

Het besluit om de Volksrepubliek China mee te laten doen aan het GALILEO-programma lijkt de geruchten te hebben aangewakkerd over het opheffen van het Europese embargo op de verkoop van wapens aan de enige overgebleven communistische dictatuur van betekenis in de wereld.

(Applaus)

Op al deze punten heeft de Raad zich gedragen alsof hij zich schaamde voor onze waarden of helemaal geen weet had van deze waarden.

Tijdens uw persconferentie na afloop van de Top, mijnheer de fungerend voorzitter, hebt u gezegd dat uw voorzitterschap, op de Intergouvernementele Conferentie na, zal worden herinnerd als “het meest glorieuze van de afgelopen jaren”. Overeenstemming over de vijf zaken die de voorzitter van de Commissie heeft genoemd, is echter een mager resultaat voor een voorzitterschap waarop zoveel hoop was gevestigd. Als dit een glorieus succes was, zou ik wel eens willen weten wat u dan onder een mislukking verstaat. U hebt voor uw voorzitterschap als doel gesteld voor de kerst een grondwet te hebben. Volgens uw eigen normen hebt u dus gefaald.

(Levendig en langdurig applaus van het centrum en van links)

 
  
MPphoto
 
 

  Wurtz (GUE/NGL).(FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, op 3 september jongstleden heeft de heer Giscard d’Estaing ons in dit Parlement het ontwerp voor een grondwet gepresenteerd. Ik heb toen stevige kritiek geleverd op die tekst, daar deze in mijn ogen en in de ogen van mijn fractie het liberale model constitutionaliseerde door – zowel wat betreft de gerichtheid als op het institutionele vlak – het meest omstreden gedeelte van het Verdrag van Maastricht te bestendigen. Nu staat dit ontwerp voor meerdere maanden in de ijskast. Sommigen denken misschien dat dat ons wel enigszins genoegen moet doen, maar voor mij geldt dat in elk geval allerminst.

Dat is ten eerste omdat Europa verder kan gaan op de liberale weg zonder dat deze mislukking het daarbij in de weg staat. De reden daarvoor is eenvoudig: hierover zijn de 25 regeringen het immers helemaal niet oneens. Van de heer Berlusconi tot de Poolse premier, ze hebben een voor een uitgebreid benadrukt dat er op bijna alle onderdelen van het ontwerp voor een grondwet consensus bestond, behalve over de manier waarop de gekwalificeerde meerderheid in de Raad wordt berekend. Maar al die problemen die in het publieke debat naar aanleiding van het ontwerp voor een grondwet nadrukkelijk ter sprake zijn gebracht, die blijven nu allemaal liggen. En daarom is er geen reden tot blijdschap.

Bovendien hebben we een bedroevend schouwspel te zien gekregen dat enkel draaide om machtshonger en heerszucht, en dat niets te maken had met het afwegen van keuzen op het gebied van het beleid, de doelstellingen en de waarden van de Unie; het was een soort echo van de stompzinnige leuze “Nice of de dood”, een dieptepunt voor politiek en verantwoordelijkheidszin. Met zijn enorme ambities en zijn beperkte ideeën is Europa vervreemd van hetgeen men ervan verwacht en blijft het doof voor de frustraties die overal opborrelen. Zodoende speelt het populisten en demagogen van allerlei slag royaal in de kaart. Deze mislukking van de aanloop tot het uitgebreide Europa kan op degenen die werkelijk hoop hebben op een toekomst voor Europa – een andere toekomst dan uit de Verdragen naar voren komt, maar desalniettemin een sterke hoop – een rampzalige uitwerking hebben.

Tot slot worden door deze impasse de oude luimen van de harde kern opgerakeld. De rijkste landen, die maar al te blij zijn dat ze zich kunnen terugtrekken, dreigen de minder ontwikkelde landen met het dichtdraaien van de geldkraan. Een dergelijke ontwikkeling, waarbij de solidariteitsgedachte tussen de lidstaten tot een geldkwestie wordt gereduceerd, zou de doodsklok luiden over elke gemeenschap, ten faveure van de droom van de allerliberaalsten: een vrijhandelszone.

Een dergelijk toekomstperspectief is voor ons onaanvaardbaar. Dit is een karikatuur van de gedachte van nauwere samenwerking tussen staten, waarbij de ene een wat uitgebreider sociaal stelsel wil en de andere een autonomer en assertiever internationaal beleid, zonder dat men de onmogelijke eensgezindheid tussen 25 landen verwacht. Daarvoor zou echter wel sprake moeten zijn van een echt Europees beleidsplan binnen de Europese Raad. Maar een dergelijk plan is nu juist waar het aan schort, afgezien van het bijzonder tweeslachtige Europese defensieplan, dat overigens nog verergerd wordt door de nieuwe strategische doctrine van de Unie – alleen het lezen van die tekst geeft me al koude rillingen. Daar wringt hem de schoen!

Het verloop en de resultaten van deze Europese Raad zouden op één punt degenen die aarzelen moeten overtuigen, namelijk dat een project waarin onze medeburgers zich kunnen herkennen en waarvoor ze zich willen inzetten – juist vanwege de noodzakelijke omschakeling die daarvoor vereist is in de instellingen en in de gerichtheid van dit moment – nooit vanzelf kan ontstaan uit overleg van staatshoofden en regeringen. Ook een conventie is daarvoor niet voldoende. De uitdaging ligt bij de burgers die ernaar streven en de partijen waardoor zij zich vertegenwoordigd weten. Dat moet in mijn ogen meer dan ooit de ambitie worden die vorm zal geven aan de volgende fase in het Europese beleid.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Frassoni (Verts/ALE) . – (IT) Mijnheer de Voorzitter, om een oordeel te vellen over uw optreden aan het roer van de Europese Raad, zouden wij ermee kunnen volstaan te zeggen dat de Unie vandaag niet sterker en meer verenigd is dan zes maanden geleden; dat de bijdrage van uw regering ter versterking van de cohesie die in de strijd om Irak verloren was gegaan, hoegenaamd niets om het lijf had; dat uw verklaringen over Tsjetsjenië, uw gebrek aan initiatief ten opzichte van de doodstraf en uw weinig kritische steun aan de regeringen van Bush en Sharon de toch al geringe geloofwaardigheid van de Unie op het internationale toneel nog verder hebben aangetast. Maar we zouden ook kunnen wijzen op de nonchalance waarmee minister Tremonti een helpende hand heeft geboden aan de ministers van Economische Zaken en Financiën, toen deze probeerden de poten onder de begrotingsafspraken van de Conventie weg te zagen; of ook het schandalige gedrag van minister Lunardi, die zit te pushen voor Europese financiering van grote werken, zodat zijn eigen bedrijf een graantje kan meepikken van de aanleg.

Maar de Europeanen zullen uw voorzitterschap vooral op hun netvlies vasthouden omdat een akkoord over de door de Conventie aangenomen tekst is uitgebleven. En dit ondanks het feit dat u wellicht met behulp van uw televisiestations de Italianen ervan zult weten te overtuigen dat uw voorzitterschap een triomf was, aangezien u voor elkaar gekregen hebt dat het Europees Bureau voor voedselveiligheid in Parma terechtkomt, naast een – tot nu toe virtueel – akkoord inzake financiering van een paar tunnels en een brug waar niemand op zit te wachten.

Het zou natuurlijk oneerlijk van mij zijn te beweren dat deze mislukking helemaal te wijten is aan uw gebrekkige voorbereiding of uw originele overlegformule: uw methode van “bilateraal biechten”, waar geen plenair debat aan te pas komt, zodat niemand van ons eigenlijk een precies beeld heeft gekregen van wat uw mysterieuze compromisvoorstellen waren en wie nu eigenlijk tegen en wie voor iets was. Maar het is hoe dan ook onze overtuiging dat het akkoord dat zich aftekende nog problematischer zou zijn geweest dan de huidige crisis.

En dan moet mij nog iets van het hart: ik geloof niet dat vandaag echt beweerd kan worden dat er een geconsolideerd akkoord is bereikt over het merendeel van de 82 punten die het Italiaans voorzitterschap heeft voorgesteld. Die punten waren overigens grotendeels onaanvaardbaar, omdat daarmee een stap terug werd gezet, niet alleen ten opzichte van de Conventie maar ook vergeleken met Nice. Of u het nu leuk vindt of niet, de enige tekst die vandaag op tafel ligt is die van de Conventie.

Uw zwakke voorzitterschap en de Spaanse en Poolse regeringen zijn niet de enigen die de schuld van deze crisis dragen. Er zijn nog vele andere schuldigen, te beginnen bij degenen die in Nice de dubbele meerderheid weigerden en zich vandaag opwerpen als ongeloofwaardige paladijnen van het politieke Europa.

Daarom accepteren wij de uitdaging van de crisis. Uit de crisis van vandaag kan een betere grondwet voor morgen ontstaan. Maar dan moet wel toegegeven worden dat de regeringen van de oude en nieuwe lidstaten van de Unie niet in staat zijn unanieme consensus te bereiken over een goede grondwet voor Europa. Er is niets aan te doen, u kunt het gewoon niet alleen af! En het Ierse voorzitterschap zal niet slagen waar Italië gefaald heeft. Wilt u erin slagen Europa een grondwet te geven, dan heeft u ons nodig, uw burgers, uw parlementen: tenminste, als u wilt voorkomen dat het project van het verenigde en uitgebreide Europa binnenkort stukloopt op desastreuze conflicten over de financiële vooruitzichten of het gebekvecht over nationaal prestige.

De grondwet is niet dood. De regeringen zijn geen heer en meester van Europa: zodra zij pogingen doen de lakens uit te delen, draait dit toch de kortste keren op burenruzie uit. Wij moeten nu meteen de touwtjes weer in handen nemen en zien te voorkomen dat onder het voorwendsel van adempauzes of verkiezingsdata het werk van de Conventie ergens in een stoffige la wordt weggemoffeld. Daarom moeten er nu allianties gesmeed worden, niet alleen met de nationale parlementen, maar ook met die regeringen die net als wij zo snel mogelijk uit de crisis willen stappen: dit om het Europees project vertrouwen en geloofwaardigheid terug te geven. Daarbij moet ook geëist worden dat het vetorecht wordt afgeschaft met betrekking tot de institutionele hervormingen.

Helaas weet ik niet, mijnheer Berlusconi, of Italië vandaag de dag nu wel of niet deel uitmaakt van deze groep. Ik hoop dat u me daarover uitsluitsel kunt geven. Maar let u er wel op: wij hebben ons nog niet neergelegd bij het idee dat de Europese Unie, die zich net verenigd heeft, nu al weer uiteen moet gaan. Wij leggen ons er niet bij neer dat het ogenblik is aangebroken om verschillende snelheden van Europa te bepalen op grond van de belangen van een of andere eliteclub. Wij geloven niet in twee polen of sextetten. Het doel moet nog steeds zijn de herlancering van het project van een democratisch en efficiënt Europa waarin wij ons allemaal herkennen.

Misschien is het waar dat u in Brussel dicht tegen een akkoord aanleunde. Als dat waar is, doen wij een beroep op het Ierse voorzitterschap om spoedig een conventie bijeen te roepen, zodat in dat gremium op voor iedereen zichtbare wijze getoetst kan worden of het nog mogelijk is een akkoord te bereiken. Mocht dat echter niet zo zijn, dan moet wij denken aan herlancering van het grondwettelijk proces na de Europese verkiezingen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Muscardini (UEN) . – (IT) Mijnheer de Voorzitter, ik dank het Italiaanse voorzitterschap voor het werk dat het heeft verricht in zo’n moeilijke tijd, zowel vanwege de internationale omstandigheden als vanwege de drama’s waar verschillende Europese volkeren door getroffen zijn: ons land met name. De herinnering aan degenen die zijn gesneuveld voor de vrijheid en democratie in Irak, is onuitwisbaar en zal een vast element van onze politieke inzet blijven.

Het Italiaanse voorzitterschap heeft eraan herinnerd dat één van de primaire doelstellingen van de samenleving het handhaven van de vrede is, wat neerkomt op een onvoorwaardelijke strijd tegen terrorisme en subversieve krachten. Ook is het de ambitie van onze samenleving een stabiele welvaart te bereiken: voor onze volkeren en voor alle landen wier bevolkingen in benarde omstandigheden vertoeven, omdat zij honger lijden, onder armoede gebukt gaan of met een ontwikkelingsachterstand kampen, of ook omdat ze onder het juk zitten van een politiek stelsel dat elke vrijheid in de kiem smoort.

Het voorzitterschap heeft andermaal te kennen gegeven dat het traject naar een sterker, vrijer, onafhankelijker en meer solidair Europa gelijk opgaat met een nieuw institutioneel traject dat niet met ondermaatse compromissen tot stand kan komen. De Europese burgers hebben behoefte aan duidelijkheid en efficiëntie, en de Raad heeft de plicht om op transparante wijze te bepalen welke rol Europa in de internationale context moet vervullen op politiek, economisch en cultureel vlak.

Het terrorisme kan niet alleen verslagen worden met conventionele methodes en zonder de burgers erbij te betrekken. De globalisering van de markt vereist nieuwe financiële en economische regels, omdat de regels van de vorige eeuw niet meer voldoen. Er moet vooral een nieuwe vorm van samenwerking komen voor de gebieden die ons het meest nabij zijn, en daarbij moet met nieuwe aandacht gekeken worden naar landen waarmee wij een zekere taalkundige of culturele affiniteit hebben.

Mijnheer de Voorzitter, namens mijn partij Alleanza Nazionale en mijzelf, als lid van de Conventie, wil ik mijn spijt betuigen omdat er geen akkoord is gekomen over het nieuwe Verdrag. Daarbij stel ik nogmaals dat de Unie het zich niet kan permitteren dat bepaalde landen tot de eredivisie horen en andere niet, of dat één bepaald land of een coalitie van landen de scepter gaat zwaaien. De Unie mag geen Januskop krijgen.

Een nieuw Verdrag is noodzakelijk. Ieder van ons moet dan ook elk voorbehoud dat de politieke Unie in de weg staat, laten varen. De toezeggingen die wij jegens de burgers hebben gedaan, moeten wij hard maken. Wij zijn er zeker van dat Italië het Ierse voorzitterschap volledig zal steunen, om ervoor te zorgen dat wat gisteren niet is doorgegaan, zo gauw mogelijk werkelijkheid wordt. De burgers van de 25 landen van de Unie willen noch een federale superstaat, noch een Europa dat alleen maar als vrijhandelszone functioneert.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Abitbol (EDD).(FR) Over Irak waren we diep verdeeld, Cancun is op niets uitgelopen, Zweden was een afgang, het Stabiliteitspact is gestrand en tenslotte is de grondwet afgeketst; al met al is 2003 voor Europa een echt rampjaar geweest!

Een Europese grondwet komt er dus voorlopig niet, maar weest u gerust: geen burger die er een traan om laat, of die het waarschijnlijk zelfs maar gemerkt heeft, zó ver van hun bed is Europa voor de Europeanen! Ik weet niet precies aan wie wij dit “wonder” te danken hebben, mijnheer Berlusconi; of het nu de Spanjaarden waren of de Polen of – zoals je mensen hier veel hoort foeteren – de Fransen, ik denk dat ze er verstandig aan hebben gedaan. Het Europa van vijfentwintig is duidelijk nog lang niet volwassen en het zou dan ook op zijn minst voorbarig zijn om de volle politieke en democratische wasdom ervan te bevestigen met een grondwet. Laten we dus alstublieft, mijnheer Berlusconi, over Turkije nog een eeuw of twee nadenken, en misschien zelfs wel langer.

Ik voor mij denk dat het mislukken van Brussel net zo goed te wijten valt aan het corporatisme van de Europese instellingen – en in het bijzonder van de Commissie in Brussel – als aan het feit dat bepaalde lidstaten hun legitieme belangen hebben verdedigd. Dat komt er nu van, mijnheer Prodi, als Penelope, in weerwil van wat de Odyssee haar leert, haar breiwerk uithaalt in plaats van te breien! Maar laten we rustig ademhalen en ons troosten met de gedachte dat wat we verliezen aan een Europese grondwet, we gewonnen hebben met de Académie française!

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Evenals de grondwet, zal deze misschien onsterfelijk worden!

 
  
MPphoto
 
 

  Pannella (NI) . – (IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, dit Europa is ten opzichte van zichzelf precies zo als het Europa dat wij hebben meegemaakt tijdens de crisis in de Balkan en de gruweldaden van Milosevic. Dit is ook precies het Europa dat met betrekking tot het Midden-Oosten nog steeds geen ander standpunt kent dan de kortzichtige visies die de afzonderlijke landen in Europa erop nahouden.

Wij zijn er niet in geslaagd, en u bent er niet in geslaagd, concrete vorm te geven aan de grondwet, aan een grondwettelijk verdrag. Het probleem is dat wij midden in een tijdperk van bureaucratisering en nationalistische illusies zitten, en dat is inmiddels ook in deze Vergadering te merken.

De Verenigde Staten van Europa, het Europa van Altiero Spinelli, het Europa van de familie doorsnee - dus het Europa dat in gevangenissen is uitgedokterd door onvermurwbare federalisten, liberalen en democraten – is hier niet aanwezig. Maar ook het Europa van Robert Schuman of van Konrad Adenauer is in geen velden of wegen te bespeuren. Collega Barón Crespo heeft daar op treffende wijze op gezinspeeld. Er is een Europa waar vriend Pasqua aanvankelijk niet happy mee was. Gelukkig voor hem vindt hij vandaag in zijn vriend Chirac weer het oude, anti-Europese en anti-federalistisch standpunt terug. En u, mijnheer de voorzitter van de Raad, komt mooi van een koude kermis thuis met uw illusie om compromissen te bakken. Dat hebt u ook geprobeerd met de conjuncturele, maar o zo begrijpelijke, egoïstische oprispingen van Spanje en Polen. Maar vervolgens bent u door de knieën gegaan voor de arrogante en nationalistische chantage van Frankrijk, dat gewend is om als enige munt te slaan uit Europa. Uitgerekend nu ook Frankrijk eindelijk kon beginnen te betalen, zoals wij allemaal betaald hebben! En u, mijnheer de eerste minister, u hebt veel te weinig vertrouwen in degenen die ons vanuit hun gevangenis – en dus geen luxevakantieoord, zoals u wel eens beweerde - de weg hebben gewezen, die vervolgens door dit Parlement in de periode 1982-1984 is uitgestippeld. Dit moet dan ook ons uitgangspunt worden: het Europa van het Europees Parlement. Wel is het zaak dat het Parlement er eerst voor zorgt dat het zelf bevrijd wordt. Wij zijn tot nu toe maar een symbool: wij mogen niet eens zelf besluiten waar wij bijeenkomen, wij mogen niet besluiten wanneer en hoe wij willen vergaderen, we zijn gedwongen gasten van Straatsburg. Wij moeten dus in de eerste plaats de Europeanen een voorbeeld geven. Als afgevaardigden moeten wij besluiten waar de zetel komt, waar wij zullen beraadslagen over de zaken die onder onze bevoegdheid vallen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Evans, Jonathan (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, allereerst, is de Intergouvernementele Conferentie wel mislukt? Zij is toch zeker gewoon een afspiegeling van de huidige regeringsstandpunten over de structuur en de tenuitvoerlegging van een nieuwe grondwet voor de Europese Unie. Het ontbreken van unanimiteit weerspiegelt de verdeeldheid die bestaat binnen de lidstaten, verdeeldheid die te gemakkelijk van tafel wordt geveegd en die misschien ook in dit debat te gemakkelijk van tafel is geveegd.

Voor mij telt de vraag hoe we nu verder gaan. Hebben we in deze kwestie een realistisch vooruitzicht op vooruitgang tijdens het Ierse voorzitterschap? Zweden heeft aan het einde van de Intergouvernementele Conferentie gezegd dat de kwestie waarschijnlijk pas in 2005 opnieuw voor de Raad kan komen, en andere landen hebben gezegd dat de kwestie zeker de komende twee jaar niet opnieuw op de agenda komt te staan.

De fungerend voorzitter zou een groot deel van hetgeen hij in de laatste toespraken heeft gehoord, niet het minst die van de heer Watson, de leider van de Fractie van de Europese Liberale en Democratische Partij, terzijde moeten leggen. De heer Watson was bijzonder huichelachtig toen hij een aantal in mijn ogen goedkope schoten op de fungerend voorzitter van de Raad afvuurde. Misschien interesseert het de fungerend voorzitter om te weten dat, toen hij vrijdag tijdens de Intergouvernementele Conferentie probeerde overeenstemming te bereiken, de naam van de heer Watson op de voorpagina van de kranten van het Murdoch-imperium stond omdat hij in het Verenigd Koninkrijk heeft gepleit voor een referendum over het resultaat van deze besprekingen over de grondwet. Dat was net een dag nadat alle leden van zijn fractie hier in dit Huis tegen een referendum hadden gestemd. Die inconsistentie is iets dat we inmiddels meer hebben gezien van de heer Watson.

(Applaus van rechts)

Het is de moeite waard te bedenken dat de voorzitter van de Partij van de Europese Sociaal-Democraten, de heer Robin Cook, de voormalige minister van Buitenlandse Zaken van het Verenigd Koninkrijk, de uitweg meent te hebben gevonden. Hij heeft gezegd dat we in Europa misschien zouden moeten afstappen van dit introspectieve debat over een grondwet, aangezien dit debat al te veel tijd en energie heeft gekost, en dat we ons beter zouden kunnen concentreren op de zaken die er voor onze Europese burgers toe doen, zoals banen en groei, het milieu, de mensenrechten en de kwaliteit van het leven. Hij zegt dat we dichter bij de burgers moeten staan die we geacht worden te dienen. Dit zijn opmerkingen die hij heeft gemaakt in een uitzending van de BBC in het Verenigd Koninkrijk. Misschien dat hij ze niet maakt wanneer hij met de fractie van de heer Barón Crespo komt spreken. Ik ben echter blij dat de heer Cook de benadering goedkeurt die ik heb gehanteerd in bijna elk debat dat we over de grondwet hebben gevoerd.

Het ontwerp van de grondwet bevat veel zaken waar ik het niet mee eens ben. Dit is niet de gelegenheid om daar opnieuw op in te gaan. We zouden er echter allemaal naar moeten uitkijken om weer voeling te krijgen met wat werkelijk belangrijk is voor onze kiezers; ik wil iedereen er gewoon even aan herinneren dat we die kiezers in juni van het komende jaar weer ontmoeten.

 
  
MPphoto
 
 

  Napolitano (PSE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, toen ik naar de uiteenzetting van de fungerend voorzitter van de Europese Raad luisterde, kreeg ik de indruk dat de mislukking van de Intergouvernementele Conferentie slechts als een kleine smet op het blazoen van zes maanden voorzitterschap werd beschouwd.

Zo is het echter niet. De Commissie constitutionele zaken van dit Parlement heeft gisterenavond een bijeenkomst gehad met vertegenwoordigers van de nationale parlementen. Iedereen heeft uiting gegeven aan zijn diepe teleurstelling en bezorgdheid maar ook aan zijn vastberadenheid om op alle mogelijke wijzen bij te dragen aan de hervatting en afsluiting van het constituerend proces. Wij mogen de gebeurtenissen niet dramatiseren maar mogen evenmin het sussend argument gebruiken dat de Europese Gemeenschap wel meer crises heeft moeten doorstaan. Dit keer lopen wij het risico dat de crisis de Unie, onmiddellijk na de grote uitbreiding, op haar grondvesten doet schudden. Dit keer lopen wij het risico van een grote vertrouwenscrisis in de publieke opinie van ons herenigd Europa.

Gisteravond hebben wij onderzocht hoe wij een blijvende blokkade op de weg naar de grondwet kunnen voorkomen. Daarbij is het een feit dat het constituerend proces, of de herziening van de Verdragen, werd onttrokken aan het monopolie van de regeringen en werd toevertrouwd aan een Europese instantie bestaande uit vertegenwoordigers van de nationale parlementen en het Europees Parlement, dat wil zeggen aan de Conventie. Toen heeft men gewerkt in een Europese geest en is er ook een door het gemeenschappelijk Europees belang geïnspireerd akkoord bereikt. Toen dat proces echter weer in handen werd gelegd van de regeringen in de Intergouvernementele Conferentie, kregen bij de cruciale vraagstukken bijzondere belangen en zelfs zuivere prestigeaangelegenheden van nationale landen weer de overhand.

Wat moeten wij nu doen? Ten eerste blijft de lijn die u, mijnheer Berlusconi, aangaf geldig: de grondwet mag niet de vrucht zijn van een ondermaats compromis. Misschien zou het echter goed zijn indien u verduidelijkte wat het Italiaans voorzitterschap bedoelde met “ondermaats compromis”. Welk compromis is uiteindelijk vermeden? De terugkeer naar Nice? De onaantastbaarheid van het Verdrag van Nice wat de methode voor de berekening van meerderheidsbesluiten betreft? Nu het lopend Italiaans voorzitterschap ten einde loopt, zou u dat eens duidelijker moeten zeggen en niet alleen maar alle deelnemers aan de IGC moeten loven. Ten tweede mag hetgeen tijdens de onderhandelingen van de afgelopen maanden werd bereikt niet verloren gaan: prima, maar wij willen graag weten wat er is bereikt. De oplossingen die zijn gevonden voor de tweeëntachtig punten moeten openbaar worden gemaakt, opdat wij kunnen nagaan wat die oplossingen inhielden. Ook moet meer worden gezegd over het openstaande probleem van de procedure tot herziening van het Verdrag.

Tot slot heeft het Iers voorzitterschap een uiterst beperkt mandaat gekregen. Onze boodschap - waar u, Voorzitter Cox, zojuist al naar verwees - is dat het Iers voorzitterschap dat mandaat zo ruim en bindend mogelijk moet interpreteren en zijn raadpleging moet uitbreiden, met dien verstande dat het ook de Conventie om raad en bijstand moet vragen. Mijnheer Berlusconi, dit is het einde van uw werk maar niet het einde van de verantwoordelijkheden van Italië. Italië is immers een van de oprichtende landen, van de landen die op dit uiterst kritieke moment een beslissende, stimulerende rol kunnen spelen en de ontwikkeling van het integratieproces kunnen verzekeren.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Duff (ELDR). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, wat echt frustrerend was aan het fiasco dat we tijdens de Intergouvernementele Conferentie in Brussel hebben gezien, was dat, Polen daargelaten, een solide akkoord dichter onder handbereik lag dan vaak wordt erkend. Door slim bemiddelen kan nog steeds een fatsoenlijke overeenkomst over de resultaten van het werk van de heer Giscard d'Estaing en de Conventie worden bereikt.

Het feit dat de Intergouvernementele Conferentie is mislukt, maakt het proces en de uitkomst van de Conventie aantrekkelijker. Het Ierse voorzitterschap moet zeker haast maken en proberen de Intergouvernementele Conferentie te voltooien. Willen de Ieren slagen, dan zullen ze hulp nodig hebben, en niemand is beter in staat om advies te geven dan de Conventie zelf. De Conventie zou in januari opnieuw bijeen moeten worden geroepen om na te denken over het volledige pakket voorstellen van het voorzitterschap dat op 9 december is gepubliceerd.

Premier Berlusconi zegt dat over veel zaken overeenstemming is bereikt, maar wat is er dan precies overeengekomen? Dat het financiële stelsel van de Unie het Parlement het laatste woord over de begroting moet ontnemen? Is op het terrein van de derde pijler overeengekomen dat de noodremclausule het stemmen met gekwalificeerde meerderheid en het medebeslissingsrecht onderdrukt? Is stemmen met gekwalificeerde meerderheid overeengekomen voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, zoals het voorzitterschap heeft voorgesteld? Kan dit beleid in de “passerelle”-clausule worden verlamd door een blokkering door één parlement? Het Parlement wil graag antwoord op deze vragen en heeft daar ook recht op.

 
  
MPphoto
 
 

  Bertinotti (GUE/NGL). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, mijns inziens kan niemand ontkennen dat wij schaak staan. De enige vraag die zich eventueel stelt is hoe wij schaak staan. Mijns inziens is het de door u gekozen constructie die het onderspit heeft moeten delven. Maar wie is “u”? Wel, het Italiaans voorzitterschap, de Conventie voor het Verdrag, de IGC. U hebt het conflict dat Europa teistert, gereduceerd tot een conflict over het politiek Europa, over de vraag of dit politiek Europa het mogelijk maximum of het noodzakelijk minimum moest zijn. Kortom u hebt er een conflict van gemaakt tussen voor- en tegenstanders van Europa. Daarbij werden het eigenlijke conflict en de dramatische keuzes waar Europa voor staat, aan het zicht onttrokken. U beweegt zich op die manier echter binnen hetzelfde model. U hebt “model” genoemd wat geen model is. Dit is namelijk een conflict over de vraag wie de beslissingen moet nemen en hoe. Daarbij wordt de afstand tot de volkeren van het politiek Europa steeds groter. Het model is namelijk een sociaal model voor de politieke opbouw. Het gaat om de positie van dit model op het internationale toneel. U hebt ervoor gekozen de markt te constitutionaliseren in een tijd waarin het neoliberalisme tot mislukken is gedoemd. U verkiest weliswaar vrede maar u beschouwt oorlog als een mogelijkheid in deze verschrikkelijke tijd, waarin de wereld wordt verscheurd door oorlogen en terrorisme.

De kritiekloze deelname aan het atlantisch kader betekent dat men de ambitie van een autonoom Europa verloochent. U hebt niet gekozen voor de ambitie van een model. U hebt gekozen voor aanpassing om te kunnen blijven drijven. In feite bevindt u zich echter op drijfzand, en wordt het machtsconflict tussen de bevoegdheden en landen alleen maar scherper. Zo is die constructie ontploft.

Nu zou u er goed aan doen de mislukking tenminste niet te ontkennen. Dat heeft de Italiaanse premier namelijk gedaan. De voorzitter van de liberale fractie heeft dat woord onomwonden gebruikt. Mijns inziens heeft ook voorzitter Prodi dit erkend alhoewel hij mijns inziens ten onrechte denkt dat er alleen een oplossing mogelijk is als een beroep wordt gedaan op de Conventie. Mijns inziens is er maar een uitweg: ophouden de verkeerde weg te bewandelen. Als die weg wordt voortgezet, zal die alleen maar leiden tot nog meer crises in Europa.

Wij moeten dus opnieuw beginnen, maar vanaf welk punt? Het eerste vraagstuk is de methode: er moet een andere relatie tot stand worden gebracht met de volkeren, de bewegingen en de democratische publieke opinie van Europa. Het tweede vraagstuk is de inhoud, waarbij drie knopen moeten worden doorgehakt: economie, sociale voorwaarden, internationale positie. Daar komt men niet onderuit. De mislukking van gisteren is niet het enige: wij hebben ook de crisis van Maastricht, het paradigma van het Europa van de markten.

Europa zit, zoals de fungerend voorzitter reeds zei, in het nauw. Wij zitten klem tussen het politieke proces in de Verenigde Staten waar de dollar het concurrentievermogen bevordert en de agressiviteit van economieën als die van China. Het antwoord van de IGC is wat dit betreft allesbehalve overtuigend. Dit beweegt zich immers tussen een onzuiver Keynesiaans antwoord en een aanval op de sociale voorwaarden van de werknemers. Mijnheer de voorzitter, wat echt de aandacht verdient zijn de rechten van de werknemers en de volkeren. Als men niet van die realiteit uitgaat heeft Europa geen enkele toekomst.

 
  
MPphoto
 
 

  Voggenhuber (Verts/ALE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Berlusconi, aan het begin van de Intergouvernementele Conferentie vertelde u, mijnheer Berlusconi, aan uw collega’s een grap die ging over de vraag hoe u het volk gelukkig zou kunnen maken. De pointe was dat iemand u adviseert zelf uit de helikopter te springen. We zijn blij dat u dat niet gedaan hebt. Wat we niet leuk vinden is dat u in plaats daarvan de grondwet van Europa overboord hebt gegooid.

Er zijn drie manieren waarop men het onderspit kan delven: men kan stuklopen op zijn tegenstanders, men kan bezwijken omdat men zijn doelen te hoog gesteld heeft en men kan aan zichzelf ten onder gaan. De Intergouvernementele Conferentie is aan zichzelf ten onder gegaan. Tegenstanders waren er niet. De Conventie steunde u met een overweldigende consensus van groot en klein, oost en west, nieuwe en oude lidstaten, parlementen en regeringen. De tegenstanders bevonden zich alleen binnen uw eigen gelederen.

Bent u vastgelopen omdat u uw doelen te hoog gesteld had? Nee, de discussie ging niet over voorstellen die verder gingen dan die van de Conventie. U bent met 300 amendementen ver achtergebleven bij de voorstellen van de Conventie en zelfs bij de Verdragen van Nice.

U bent aan uzelf te gronde gegaan. Terwijl er een beroep op u werd gedaan, verantwoordelijkheid voor Europa te dragen, vocht u voor het nationale eigenbelang. Terwijl er een beroep op u werd gedaan, een evenwicht tussen de instellingen en een Europese democratie tot stand te brengen, probeerde u uw eigen machtsvoorsprong te vergroten en er nog snel voordeeltjes voor de nationale regeringen uit te slepen. U had de kans zich sterk te maken voor de grootst mogelijke gemeenschappelijke consensus. U hebt die kans echter verspeeld.

We kunnen nu nog slechts op één ding hopen. U hebt het geprobeerd, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, de regeringen hebben het geprobeerd, maar ze hebben gefaald. Na de halve mislukking van Amsterdam en de totale mislukking van Nice hebben ze nu definitief gefaald. We kunnen nu alleen nog een beroep doen op het gezonde verstand van de regeringen om het ontwerp van de Conventie, dat voor Europa de grootst mogelijke gemeenschappelijke basis is, toch nog te aanvaarden.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Pasqua (UEN).(FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, sinds ik zitting heb genomen in dit Parlement kijk ik nergens meer van op. Dat dacht ik althans, want ik moet toegeven dat deze morgen voor mij een verrassing in petto had. Ik doel daarmee echter niet op de uitkomst van de Europese Raad in Brussel en de mislukking van de Intergouvernementele Conferentie. Zoals ik herhaaldelijk gezegd heb, met name ook in dit Huis, heb ik geen seconde geloofd dat de staatshoofden en regeringsleiders, die binnen de Unie de hoogste democratische instantie vormen, akkoord zouden kunnen gaan met het ontwerp voor een grondwet zoals de Conventie dat had voorbereid, dus zonder amendementen – want dat was de uitdrukkelijke eis van de meerderheid van dit Parlement.

Nee, hetgeen mij verbaast is de opstelling van de federalistische meerderheid hier aanwezig, wier verblinding – ik kan het niet anders zeggen – het verstand te boven gaat. Geen moment twijfelt u aan uw eigen gelijk. Niemand van u heb ik horen zeggen: “Misschien hebben wij ons vergist. We zouden wel eens op de verkeerde weg kunnen zitten”. Niets daarvan. U blijft hardnekkig volhouden en u ondertekent alsof er niets gebeurt is. Sterker nog, als waardige opvolgers van die betreurenswaardige Lyssenko, zoekt u een zondebok om de verantwoordelijkheid van het echec op af te schuiven. Net als de woedende leden van de Nationale Conventie twee eeuwen geleden, wilt u koppen zien rollen. Maar als u de zaken nu eens rustig in ogenschouw zou nemen dan zou u zien dat deze mislukking noch te wijten is aan het Italiaans voorzitterschap – dat overigens uitstekend werk heeft verricht –, noch aan de opstelling van bepaalde lidstaten. Die hebben namelijk gewoon geluisterd naar de eisen van hun burgers en moedig de belangen van hun land verdedigd. Nee, deze mislukking kan geheel op het conto worden geschreven van die Conventie van u en haar ongeloofwaardige ontwerp voor een grondwet. Hoe nobel ook, dit ontwerp was gedoemd te mislukken voordat het ook maar het daglicht had gezien, omdat het ronduit in tegenspraak was met de Europese politieke realiteit, een realiteit die, of u het wilt of niet, bepaald wordt door het bestaan van de verschillende volkeren en naties.

Spanje en Polen hebben “nee” gezegd tegen een op federale leest geschoeide verdeling van de macht en hebben Europa daarmee een grote dienst bewezen. Ze hebben namelijk eindelijk eens hardop gezegd wat vele anderen al maanden diep van binnen dachten, namelijk dat het oude Europa van Jean Monnet, dat voortborduurt op de verdeling van Jalta, niet langer functioneert. Bespaart u uzelf toch de moeite een federalisme op te graven dat niet meer van deze tijd is! In tegenstelling tot hetgeen de voorzitter van de Conventie gezegd heeft is het voorstel voor een grondwet niet onsterfelijk. Laat het dus rusten in vrede. We zouden er beter aan doen de gelegenheid te baat nemen om de grondslagen te leggen voor een jong Europa dat zijn natuurlijke grenzen heeft hervonden. Laten we een politiek Europa bouwen dat – zonder daarbij ooit zijn geschiedenis te verloochenen en rekening houdend met de eisen van de moderne tijd – gericht is op een ideaal van vrijheid en niet van gelijkvormigheid.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Bonde (EDD). - (DA) Mijnheer de Voorzitter, het doet mij deugd dat wij nu iets meer tijd hebben om de grondwet te bespreken. 99 procent is uitonderhandeld. Er ontbreekt slechts één bijzonder belangrijke regel: de definitie van een gekwalificeerde meerderheid. En dan de ontmoeting met de kiezers. Waarom zouden we er geen tijd voor uittrekken om in elk land een referendum voor te bereiden?

Parallel aan de Top kwam in Brussel de European Referendum Campaign bijeen, met honderd deelnemers uit een groot aantal verschillende organisaties. Zowel Jo Leinen als ik behoorden tot de sprekers.

Namens SOS Democratie en de Fractie voor een Europa van Democratie en Diversiteit wil ik graag mijn medewerking toezeggen aan een gedegen voorlichtingscampagne over het concept van de grondwet. Laat federalisten en eurorealisten hun verschillende visies op Europa presenteren, samen met voor lezers geschikte versies van de tekst van de grondwet. Laten we gezamenlijk referenda eisen in alle EU-landen onder een gemeenschappelijk motto: EU Constitution? Ask the people.

In Denemarken komt er een referendum, maar de Juni-Beweging wil graag meewerken aan het verzamelen van handtekeningen voor een referendum in alle landen van de EU. Als wij in Denemarken bij een referendum tegenstemmen, wordt er een nieuw referendum gehouden. In plaats van Denen en Ieren opnieuw hun stem uit te laten brengen kunnen we de vraag beter in de gehele EU stellen.

Daarom haal ik graag handtekeningen op met de eis voor een referendum in de gehele EU.

Je kunt mensen geen grondwet geven zonder hun instemming te vragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Speroni (NI). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de heer Berlusconi voor deze zes maanden voorzitterschap van de Unie en vooral voor het deel van zijn toespraak dat niet uitsluitend was gewijd aan de Conventie, de grondwet of de - vruchteloze -Intergouvernementele Conferentie. Dat betekent niet dat Europa dood of knock-out is. De Verdragen blijven volledig van kracht en zolang zij niet worden vervangen door een nieuwe tekst zullen zij op net zo efficiënte wijze blijven functioneren als voorheen.

Ik heb waardering voor de verwijzing van de fungerend voorzitter naar de problemen die de burgers het meest bezighouden. De burgers interesseert het mijns inziens niet zozeer of men met een dubbele meerderheid besluit, of Spanje 27 stemmen heeft in plaats van 28, enzovoort. De burgers willen grote bouwprojecten zien verwezenlijken, opdat zij niet meer in files hoeven te staan op de snelwegen en met snelle treinen kunnen reizen. Zij willen dat meer aandacht wordt besteed aan de werkgelegenheid en er - zoals de heer Berlusconi zei - maatregelen worden getroffen tegen de landen die op de vrije markt opereren zonder de milieuvoorschriften en de rechten van de werknemers te eerbiedigen. Tien jaar geleden heb ik in dit Parlement precies hetzelfde gezegd en daarom doet het mij genoegen dat nu ook de fungerend voorzitter van de Raad hierop heeft gewezen.

Ik wil daar nog aan toevoegen dat een dergelijke oneerlijke concurrentie ook wordt veroorzaakt door namaakproducten van grote merken. Nu het stuur wordt doorgegeven aan Ierland zal men mijns inziens grote inspanningen moeten ondernemen om onze industrie, onze producten, onze werknemers en in feite onze levensstandaard te verdedigen. De instellingen zijn belangrijk evenals de hervormingen daarvan, maar wij moeten ook - zoals de heer Berlusconi heeft gedaan - aandacht schenken aan de omstandigheden waarin onze burgers leven.

 
  
MPphoto
 
 

  Brok (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, dit weekend had ik soms de indruk dat er in plaats van een rendez-vous met de geschiedenis een discussie over rendez-vous-clausules plaatsvond. Ik had het idee dat men er niet uit gekomen is omdat men zich wellicht niet op alle terreinen bewust was van zijn verantwoordelijkheid. Mijn grootste zorg is nu dat alles vervliegt. Wanneer ik dat lange tijdschema zie dat zich tot in 2005 uitstrekt, vrees ik dat het momentum voor de tekst van de Conventie verloren gaat.

Ik denk dat we daarom op twee punten duidelijk moeten maken wat we niet willen: ik wil geen “kern-Europa”. We moeten daarentegen spoedig nogmaals proberen om op basis van de tekst van de Conventie een grondwet voor het grote Europa van de 25 lidstaten tot stand te brengen. Ten tweede wil ik geen compromis, als dat ons niet slagvaardiger maakt. Op die discussie is het stukgelopen. Er kan geen sprake zijn van een compromis dat tot minder transparantie leidt – ik herinner u aan de Wetgevende Raad – en tot minder democratie, waarbij ik de discussie over de begroting en het begrotingsrecht van het Parlement in herinnering roep.

Ondanks deze punten van kritiek wil ik het Italiaanse Raadsvoorzitterschap toch dankzeggen voor het feit dat het in al die weken en maanden zo dicht bij de tekst van de Conventie is gebleven en zich echt gehouden heeft aan de toezeggingen hieromtrent. Daarom staat de tekst van de Conventie nog steeds overeind. We moeten hem nu opnieuw tot leven wekken. Om deze reden en omdat de heer Berlusconi heeft gezegd dat er over een aantal lastige kwesties die er lagen, in Brussel overeenstemming is bereikt – er was sprake van 82 punten – zou het zinvol zijn om die nu vast te leggen zodat we het momentum vasthouden. Naar mijn opvatting zouden de ministers van Buitenlandse Zaken daarom in januari al bij elkaar moeten komen om te consolideren wat er bereikt is. Daardoor zouden we het momentum kunnen vasthouden. Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, u zou daartoe misschien de aanzet kunnen geven.

Op basis daarvan zou het Ierse Raadsvoorzitterschap voorstellen kunnen voorleggen en zo snel mogelijk een bijeenkomst van staatshoofden en regeringsleiders kunnen beleggen. Daarbij moet wel voldoende tijd worden ingepland om compromissen mogelijk te maken. Deze bijeenkomst die een oplossing moet brengen, moet worden gehouden voor 1 mei, dus voordat de uitbreiding plaatsvindt. De logische doelstelling van dit project is immers, de Europese Unie klaar te maken voor de uitbreiding.

Ik wil een tweede reden noemen waarom deze top voor 1 mei moet plaatsvinden: ik weet niet hoe de regeringsleiders en hoe wij als EP-leden in de huidige situatie de kiezers op 13 juni onder ogen moeten komen. Om de kiezers een perspectief te kunnen bieden zodat ze hun vertrouwen in Europa niet verliezen, moeten de staatshoofden en regeringsleiders op basis van wat er nu ligt, voor 1 mei een nieuwe poging ondernemen. Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik hoop dat u in de weken die u als voorzitter nog resteren, dit project samen met uw opvolger op de rails zet.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Hänsch (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, van de Top van afgelopen weekend dreigt gevaar voor Europa. Ik vind echter wel dat we consistent moeten blijven. Jarenlang hebben we onze afkeuring uitgesproken over compromissen die gebaseerd waren op het kleinst mogelijke gemeenschappelijke draagvlak. In dit geval zou dat tot een “Nice II” en de ondergang van de ontwerpgrondwet hebben geleid. Daarom zeg ik: “het is beter dat de Top mislukt is dan het ontwerp voor een Europese grondwet.”

(Applaus)

Wij zullen als Europees Parlement niet toestaan dat het ontwerp weer in de archieven van de geschiedenis verdwijnt. Het blijft op tafel. Dat is het eerste waarvoor we ons de komende maanden en jaren moeten inspannen en die inspanningen moeten we ook na de komende Europese verkiezingen met onze nieuwe collega’s hier in het Europees Parlement voortzetten. Ja, Europa bevindt zich in een crisis en we moeten die crisis nuchter onder ogen zien. We mogen onszelf niet in slaap sussen met het kalmerende business as usual. We komen een crisis niet te boven door stilstand, maar door beweging.

Waaruit bestaat het gevaar voor de toekomst van Europa? Europa komt niet in gevaar doordat de grondwet er een paar jaar later komt, maar doordat zich een nieuwe tweedeling in Europa voordoet. Aan de ene kant zijn er regeringen die hun nationale belangen door middel van een sterker Europa willen verwezenlijken en aan de andere kant zijn er regeringen die hun nationale belangen tegenover een sterker Europa willen verdedigen. Deze kloof mag niet groter worden. Het is onze belangrijkste opgave deze tegenstelling op te heffen.

Tot slot werd er tijdens de Top geruzied over de verdeling van de macht in Europa. Intussen trekken de machten in de wereld zich al lang niets meer van Europa aan. Dat is het gevaar dat voor Europa dreigt. In Brussel vond een verbeten gevecht om invloed plaats, maar in de wereld is Europa bezig iedere invloed te verliezen. Dat is het gevaar dat van deze Top uitgaat.

(Applaus)

Het is gemakkelijk - dat durf ik wel te zeggen - om de tegenstellingen ongedaan te maken die tussen de regeringen ontstaan zijn. Het zal echter moeilijk zijn om het vertrouwen van de mensen in een levensvatbaar Europa te herwinnen. Toch zal dat de opdracht zijn die wij in de komende jaren en decennia zullen moeten volbrengen. Ik wens ieder van ons daarmee veel sterkte!

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Rutelli (ELDR). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, de mislukking van de IGC kan inderdaad leiden tot een mislukking van Europa. Wij weten immers dat de uitbreiding tot vijfentwintig lidstaten een prachtig historisch doel is dat echter zonder meerderheidsbesluiten een nachtmerrie zou worden, de nachtmerrie van een verdeeld, lamgeslagen en onmachtig Europa in een geglobaliseerde wereld.

Het eindverslag dat de heer Berlusconi gedurende drie kwartier heeft afgelegd - tweeëntachtig punten, “op één uitzondering na”: ziehier het succes van de IGC - is zo onhandig dat ons het huilen nader staat dan het lachen. Helaas heeft hij eens te meer maar één zorg: de indruk van de mislukking weg te nemen. Veeleer zou hij de weg moeten aangeven namens het grote oprichtende land dat Italië is.

Voorzitter Prodi heeft de omvang en de risico´s van de mislukking in alle eerlijkheid uit de doeken gedaan en een eerste mogelijke weg voor de toekomst aangegeven. Ik zeg “ja” tegen het initiatief van de landen die een pioniersfunctie op zich willen nemen voor dit Europa, die het belang van deze grote Unie - van Portugal tot de Baltische landen - niet onderschatten maar wel beseffen dat vorderingen moeten worden gemaakt met een efficiënte en democratische integratie uitgaande van de resultaten van de Conventie. Ik zeg dus “ja” tegen een nieuw begin met degenen die achter de resultaten van de Conventie staan. Dit is namelijk een eervol compromis dat de nieuwe weg voor het communautair Europa aangeeft. Op die manier kan men alle vijfentwintig lidstaten over de eindstreep trekken. Dat is het doel waarvoor wij ons vanaf morgen met vereende krachten moeten en kunnen inzetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Kaufmann (GUE/NGL).(DE) Mijnheer de Voorzitter, door het fiasco van Brussel bevindt de Europese Unie zich ongetwijfeld in een ernstige politieke crisis. Reeds de eerste keer, nog voordat de nieuwe lidstaten zijn toegetreden, heeft de uitgebreide Europese Unie schipbreuk geleden. Dat betekent een terugslag voor de Europese integratie, maar waaraan lag dat? Op de Top in Brussel stond niet de totstandkoming van een democratisch, sociaal en vreedzaam Europa centraal. In plaats daarvan werd er gemarchandeerd over macht en invloed en zegevierde opnieuw de nationale bekrompenheid. Gebleken is dat intergouvernementele conferenties totaal ongeschikt zijn om de Europese eenwording een stap dichterbij te brengen. Tijdens de Top liep de Europese gedachte zware averij op. Zij is de eigenlijke verliezer.

Er zijn echter ook winnaars en tot die winnaars behoren bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Zij zijn het immers die van de besluiten van de Top over het Europees veiligheids- en defensiebeleid profiteren. Hier werd immers de wapenbroederschap met de NAVO herbevestigd en het veiligheidsbeleid van Europa onder curatele van de Verenigde Staten gesteld.

Ik ben voor een Europese grondwet, voor een moderne, vooruitstrevende grondwet. Daarvoor heb ik mij in de Conventie sterk gemaakt, maar, beste collega’s, het zou de politiek toch tot zorg moeten stemmen dat er – in overdrachtelijke zin – niemand de straat op is gegaan om te demonstreren voor de ontwerpgrondwet van de Conventie. Slechts 38 procent van de burgers heeft ooit iets over de Conventie gehoord en slechts een fractie daarvan kent de tekst. Afgezien daarvan ligt het werkelijke probleem ergens anders: de burgers zijn er niet van overtuigd dat hun hoogsteigen zorgen en noden centraal staan. Hoe gelijk ze daarin hebben, wordt bijvoorbeeld geïllustreerd door het feit dat er tijdens de hele Intergouvernementele Conferentie geen enkele keer gesproken is over het probleem van de inhoudelijke tegenstrijdigheden tussen deel III en deel I van het ontwerp. Daardoor blijven er in de ontwerptekst heel duidelijk twee tegengestelde economische visies staan: enerzijds een sociale markteconomie, anderzijds een open markteconomie met vrije concurrentie.

Zo zullen de mensen niet warmlopen voor een Europese grondwet. Ik hoop dat de crisis als kans voor bezinning wordt aangegrepen. Gaat u met de burgers het publieke debat aan over het ontwerp van de grondwet en neemt u vooral de zware kritiek serieus die het maatschappelijk middenveld op het ontwerp van de Conventie heeft geuit.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Ortuondo Larrea (Verts/ALE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, wij zijn net getuigen geweest van een daverende mislukking in de geschiedenis van de Europese integratie. De staatshoofden en regeringsleiders zijn er duidelijk niet in geslaagd het nodige politieke inzicht aan de dag te leggen om het gemeenschappelijk belang van alle burgers te identificeren en te vrijwaren.

Ik heb hier in dit Parlement vaak pejoratieve uitspraken gehoord over democratische en historisch gerechtvaardigde uitingen van nationalisme zoals die van Baskenland. Toch willen wij daarmee alleen maar onze identiteit en onze cultuur bewaren. Onze wetten en onze politieke bevoegdheden delen wij graag met de overige Europeanen. Daarom willen wij niet alleen erkend worden als historische naties, maar vragen wij ook om een actieve rol in het democratische besluitvormingsproces.

Het ligt niet aan ons dat het Europese integratieproces vertraagd wordt maar aan het radicale staatsnationalisme dat onder meer verpersoonlijkt wordt door de heer Aznar. De Spaanse premier blokkeert het proces voortdurend omdat hij steeds zijn eigen standpunt wil opleggen aan de andere lidstaten in plaats van zich af te vragen wat de beste manier is om een sterker, welvarender en hechter Europa op te bouwen, uiteraard met inachtneming van de bestaande diversiteit. Ik ben ervan overtuigd dat de Unie geen vooruitgang zal boeken zolang zij wordt bestuurd door nationale overheden en regeringen. Zij moet uitgroeien tot een daadwerkelijke federale unie waar de burgers en hun vertegenwoordigers, de leden van het Europees Parlement, de grondwet en de overige communautaire wetgeving opstellen.

Het is tijd dat wij de intergouvernementele methode overboord zetten en een volwaardige politieke entiteit ontwikkelen. Ik denk daarbij aan een gezamenlijke, overkoepelende rechtsstaat voor alle volkeren en naties van ons continent of althans voor degenen die een gemeenschappelijke toekomst willen opbouwen op basis van overleg, vertrouwen, wederzijds begrip en gemeenschappelijk welzijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Berthu (NI).(FR) Mijnheer de Voorzitter, hoe het ook lijkt, er zijn drie redenen voor het mislukken van de Raad van Brussel over de Europese grondwet.

Ten eerste deed de Conventie het ten onrechte voorkomen alsof ze consensus had bereikt. De Intergouvernementele Conferentie heeft alleen maar deze leugen van de Conventie ontkracht.

Ten tweede lag aan de weerstand van Spanje en Polen tegen de wijze waarop de gekwalificeerde meerderheid zou worden berekend in werkelijkheid een dieper verschil van mening ten grondslag, namelijk de afwijzing van een unitair Europa dat bovennationaal bestuurd wordt door een gecoöpteerde elite. Andere staten zijn daar ook tegen maar kwamen daar niet voor uit. Dank dus aan die landen die het werkelijke Europese belang hebben gediend!

Ten derde en tenslotte heeft de halsstarrigheid van degenen die zich hadden vastgeklampt aan de formule die de Conventie voor de gekwalificeerde meerderheid had voorgesteld laten zien dat zij eigenlijk liever hadden dat de zaak zou stranden, misschien omdat ze de conclusies van de Conventie bij nader inzien toch niet zo goed vonden, maar misschien vooral omdat ze de gevoelens van hun medeburgers kenden en het probleem daarom voor zich uit hebben willen schuiven tot na de Europese verkiezingen. In feite, mijnheer de Voorzitter, zijn het dus de burgers die, zelfs zonder direct te zijn geraadpleegd, de Europese grondwet hebben tegengehouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Galeote Quecedo (PPE-DE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, zo goed als alle fracties en kennelijk ook alle lidstaten pleiten voor een nieuw juridisch kader voor de Unie in de vorm van een grondwet. Het maandenlange werk van al even zoveel mensen is uitgemond in een voorstel waarmee de overgrote meerderheid van de betrokkenen akkoord lijkt te kunnen gaan. Dankzij de inspanningen van het Italiaanse voorzitterschap is er tijdens het weekend nog meer overeenstemming bereikt, namelijk over de ontwikkeling van een Europese defensiedoctrine. Het lijdt geen twijfel dat al deze verworvenheden, die samen het acquis vormen en het resultaat zijn van het onderhandelingsproces - zoals de heer Berlusconi terecht heeft gesignaleerd -, verankerd moeten worden in een voor iedereen aanvaardbare tekst. Waarom dan deze mislukking?

Mijns inziens is het grondwetsontwerp op een fiasco uitgelopen omdat de voorzitter van de Conventie op het laatste moment een voorstel voor een institutionele hervorming uit zijn mouw heeft geschud waarover in het kader van de Conventie nauwelijks gediscussieerd is, laat staan dat er een consensus is bereikt. Kennelijk was de termijn van zes maanden voor Brussel te kort om tot een vergelijk te komen. Dat is geen drama. Ik herinner u eraan dat slechts een van de vijf vorige Intergouvernementele Conferenties binnen het half jaar is afgerond. Het Ierse voorzitterschap moet de werkzaamheden van het Italiaanse voorzitterschap eenvoudigweg voortzetten.

Anderzijds moeten wij definitief afstappen van de volgende absurde ideeën en handelwijzen, mijnheer de Voorzitter: ten eerste, het voorstel om het debat uit te stellen tot na de Europese verkiezingen; ten tweede, de overtuiging dat de eigen claims en belangen pro-Europees zijn en al de rest anti-Europees; ten derde, de suggestie om Europa te verdelen nog voordat de uitbreiding heeft plaatsgevonden; en ten vierde, de verwijten, die nergens toe leiden behalve voor mensen zoals de voorzitter van de Fractie van de Europese Sociaal-democraten, volgens wie er maar één schuldige is, de Spaanse regering, wat die ook doet of wat er ook gebeurt. Ik denk dat hij in het Italiaans maar één zin kent: Piove, porco governo. Hij voert oppositie tegen de nationale regering vanuit het Europees Parlement. En dan verwondert het hem dat hij de ene verkiezing na de andere verliest. Maar dat is natuurlijk de schuld van de kiezer.

Hoe het ook zij, op dit moment dragen wij allemaal een stuk verantwoordelijkheid. Mijnheer de Voorzitter, het is van essentieel belang dat de Intergouvernementele Conferentie wordt voortgezet en dat wij allen bijdragen aan het overleg met het oog op de definitieve verwezenlijking van het lang verhoopte compromis. Hopelijk slagen wij daarin vóór 13 juni aanstaande.

 
  
MPphoto
 
 

  Corbett (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, uit het debat van vanochtend hier en uit de discussie gisteren in de Commissie constitutionele zaken blijkt duidelijk dat het Parlement is verdeeld in twee kampen.

De twee kampen zijn de optimisten en de pessimisten. De pessimisten wijzen erop dat we in een grote crisis zitten, misschien wel de grootste crisis, heb ik horen zeggen, sinds de verwerping van het EDG-Verdrag in 1954. De optimisten zeggen dat er geen sprake is van een crisis, omdat 95 procent van de ontwerpgrondwet niet is aangevochten en vrijwel is overeengekomen, al zou ik de tekst wel eens willen zien van de definitieve versies van de artikelen die tijdens de Intergouvernementele Conferentie vrijwel zijn overeengekomen. Er rest slechts één belangrijk onderwerp waarover nog overeenstemming moet worden bereikt, en wel het systeem van stemmen binnen een van de instellingen. We kunnen daar alsnog overeenstemming over bereiken. Volgens het oorspronkelijke tijdschema dacht aanvankelijk immers niemand dat we voor de kerst klaar zouden zijn, dus er is geen reden voor paniek. Te zijner tijd kan het allemaal worden opgelost.

Welk van beide groepen heeft het nu bij het rechte eind? Ik ben van nature een optimist, maar wel een voorzichtige optimist. We kunnen deze Intergouvernementele Conferentie redden, maar daarvoor moeten we ons wel allemaal – en de lidstaten die deelnemen aan de Intergouvernementele Conferentie in het bijzonder – concentreren op de overgebleven punten waarover nog overeenstemming moet worden bereikt, en moeten we er ook op letten ze zo snel mogelijk op te lossen. Als we te veel tijd nemen, bestaat het gevaar dat het debat over vrijwel elk artikel in de ontwerpgrondwet wordt heropend. Dat moet koste wat het kost worden voorkomen. We moeten ons richten op de overgebleven punten. We moeten het Ierse voorzitterschap vragen zijn oorspronkelijke plannen en tijdschema voor het voorzitterschap te verscheuren en zich eerst en vooral op deze overgebleven punten te concentreren.

Het is waar dat de activiteiten tot op zekere hoogte gewoon doorgang kunnen vinden op grond van de oude grondwet, namelijk de verschillende Verdragen die we hebben, maar deze Verdragen zijn niet bevredigend. Ze moeten worden bijgewerkt, gestroomlijnd en gemoderniseerd. We hebben deze nieuwe grondwet nodig. Het Ierse voorzitterschap kan niet zomaar verdergaan zoals we gewend zijn. Het moet proberen op dit punt zo snel mogelijk resultaat te behalen.

 
  
MPphoto
 
 

  Calò (ELDR). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, tijdens de recente Europese Raad van Brussel is opnieuw gewezen op het belang van de grondvrijheden. Een daarvan is informatie. Hoe kan men dan de bijdrage van de fungerend voorzitter van de Europese Raad niet in twijfel trekken? Daarom richt ik mij tot hem en tot u, collega´s, om te wijzen op de ernstige aanslag die met de Gasparri-wet betreffende het omroepwezen wordt gepleegd op het pluralisme in de informatie.

In Italië worden bijna alle openbare en particuliere zenders gecontroleerd door de premier. Ook de reclamemarkt is in feite in handen van bedrijven waarvan hij de eigenaar is. Wij kunnen zonder overdrijven spreken over een staatsgreep in de mediasector. Daardoor is een uiterst gevaarlijk precedent ontstaan voor de landen van de Gemeenschap. Als men het probleem van het enorme belangenconflict dat de democratie in ons land in haar hart treft, niet op communautair niveau aanpakt en oplost zal de splijtzwam die de Italiaanse samenleving verdeelt zich consolideren. Wat voor zin hebben verkiezingen als de premier een groot deel van de media controleert?

Ik richt mij tot u, geachte collega´s, omdat ik verbitterd, ontdaan en bezorgd ben. Wat kan dit Parlement doen om de vrijheid van informatie in Italië te waarborgen? Dat is mijn vraag. Helpt u ons alstublieft, helpt u ons land de democratie te redden, waar de vaders van ons Europa voor hebben gevochten.

 
  
MPphoto
 
 

  Nogueira Román (Verts/ALE). - (PT) Mijnheer de Voorzitter, terwijl sommige lidstaten de nodige euroscepsis koesteren en andere arrogant of koppig zijn, brengen de regeringen en de regeringsleiders van de lidstaten de goedkeuring van een grondwet in gevaar die de volkeren en burgers wensen en nodig hebben. De strijd om het vetorecht heeft, net als drie jaar geleden in Nice, de Intergouvernementele Conferentie van Brussel doen mislukken. Die strijd heeft ook de positieve kanten en de tekortkomingen van de ontwerpgrondwet weten te verbergen en een echt debat in de Europese samenleving en in onze naties en staten belemmerd. De buitengewone waarde die aan het bestaan van een grondwet moet worden gehecht, de vooruitgang in het buitenlands beleid sinds de ernstige Irak-crisis, de hoofdrol van het Parlement en derhalve ook van de burgers, en de tekortkomingen in het cohesiebeleid op sociaal en territoriaal vlak zijn erdoor in de schaduw gesteld en ook de erkenning van de nationale politieke verscheidenheid in zowel Europa als de lidstaten verkeert erdoor in een impasse. Als afgevaardigde voor Galicië en voorzitter van de Interfractionele Groep Volkeren zonder Staat wilde ik dit benadrukken.

Mijnheer de Voorzitter, wij vertegenwoordigen de meerderheid van de burgers van de Spaanse staat. Daarom wil ik hier laten weten dat wij de grondwet niet als goed of slecht bestempelen op basis van het vetorecht dat de regering van onze staat mocht bezitten. Wij zijn het niet eens met de koppige houding van de huidige Spaanse premier Aznar, die zich onderscheidt met zijn talent vijanden te maken en een sta-in-de-weg vormt voor de oplossing van alle problemen. Wij die vooruitgang willen boeken in de richting van een politieke en sociale unie, één in verscheidenheid, vormen de overgrote meerderheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Méndez de Vigo (PPE-DE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, staat u mij toe dat ik u feliciteer met het behalen van de Karel de Grote-prijs. Dat is tegelijkertijd ook goed nieuws voor dit Parlement, dat sinds 1984 voor een grondwet pleit. Eerst met het Verdrag-Spinelli en later ook met de voorstellen van Herman, Oreja y Colombo. Bovendien heeft het Europees Parlement in 1997, en ook na Nice, verzocht een Conventie bijeen te roepen.

Daarom hangt hier vandaag een zweem van melancholie. Ik wil onderstrepen - al was het maar om de filosofen tegen te spreken - dat dit gevoel van neerslachtigheid niet wordt ingegeven door de vaststelling dat onze werkzaamheden geen resultaat hebben opgeleverd. De inspanningen van de Conventie zijn niet vergeefs geweest. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat het uitgebreide Europa niet buiten deze grondwet kan. Wij hebben eenvoudigweg geen keus.

Gelukkig heeft het Europees Parlement het woord nog – zou een dichter zeggen. Wij moeten nadenken over de manier waarop wij in de toekomst te werk willen gaan. Ten eerste moeten wij het gezond verstand weer laten zegevieren. In dit verband zijn er bepaalde dingen die wij zeker niet mogen doen: wij mogen niet aansturen op een verdeling van Europa waarin tussen ons, Europeesgezinden, barrières worden opgeworpen; termen als oprichtingslanden, wegbereiders of voorhoede zijn uit den boze aangezien wij daarmee landen lijken te straffen die zich naar onze normen beneden ons niveau bevinden; het heeft op dit moment ook geen zin om brieven naar de Commissievoorzitter te schrijven met de eis de begroting terug te brengen tot 1 procent van het bruto nationaal product.

Laten wij opnieuw ons gezond verstand gebruiken. Het constitutionele acquis moet dringend geconsolideerd worden. Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, u hebt gezegd dat er 82 voorstellen voor oplossingen zijn ingediend. Ik verzoek u dit gegeven ten overstaan van dit Parlement te bevestigen. Als dat inderdaad zo is, moeten die voorstellen immers geconsolideerd worden. Dat moet gebeuren onder het Ierse voorzitterschap, zodat de nog onopgeloste institutionele kwesties vóór 1 mei 2004 van de baan zijn en wij de Europese burgers met het oog op de verkiezingen van 13 juni kunnen vragen voor de grondwet te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Schulz (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte dames en heren, het zal u niet verbazen, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, dat ik u niet naar de uitkomsten van de discussie over de grondwet vraag. Dat hebben veel andere afgevaardigden al gedaan.

Ik wil nog even terugkomen op mijn betoog van 2 juli, toen ik u in dit Parlement vroeg: “Wat denkt u als fungerend voorzitter van de Raad te doen om meer vaart te zetten achter de inwerkingtreding van het Europees arrestatiebevel?” U bent mij toen op weinig charmante wijze het antwoord schuldig gebleven. Ik heb u vervolgens in september nogmaals gevraagd hoever u inmiddels gevorderd was. Vandaag is duidelijk wat het antwoord is. Op de vraag wat u denkt te doen om de invoering van het Europees arrestatiebevel te bespoedigen, luidt het antwoord: “Niets.” Op 1 januari aanstaande zal er geen Europees arrestatiebevel zijn.

De ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid is een centraal element van het Europees justitieel beleid en van het beleid van de Europese Unie – dat hebt u hier in uw eerste verklaring betoogd. Als fungerend voorzitter van de Raad had u naar mijn opvatting dit centrale element handen en voeten moeten geven, want doordat het Europees arrestatiebevel niet wordt ingevoerd, ontstaat er per 1 januari 2004 voor de strafrechtelijke vervolging in Europa een slechtere situatie dan die op 31 december 2003. Doordat het Europees arrestatiebevel er niet is, wordt de strafrechtelijke vervolging vanaf 1 januari 2004 bemoeilijkt. Wie hier allemaal van zullen profiteren, weet ik niet, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, maar ik weet wel wie hier nadeel van zullen ondervinden: de Europese burgers.

Als we die ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand willen brengen, als we willen dat Europa veiliger wordt, als we garanties willen voor een efficiëntere grensoverschrijdende strafvervolging, als we de bestrijding van de georganiseerde misdaad op efficiënte wijze willen bevorderen, dan hebben we dat centrale uitgangspunt van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid nodig. Ik vind dit erg jammer. In september dacht ik dat u op de goede weg was. Ik moet helaas vaststellen dat u op het punt van – ik verval in herhalingen – een snelle invoering van het arrestatiebevel – dat was in juli – helaas niet alleen uw huiswerk niet gemaakt heeft, maar naar mijn mening zelfs volledig gefaald hebt.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Fiori (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, de richtlijn betreffende overheidsopdrachten, de richtlijn betreffende het gemeenschappelijk luchtruim, de richtlijn inzake het OOB, de agentschappen, de werkzaamheden ten behoeve van de economische groei - ik herinner enkel aan de besluiten over de grote projecten en de daarmee verband houdende financieringsmechanismen -, het nauwgezet onderzoek naar het concurrentievraagstuk - dat ten grondslag ligt aan het slechts langzaam van de grond komend proces van Lissabon - waar het Italiaans voorzitterschap een begin mee heeft gemaakt en concrete voorstellen voor heeft gedaan, de concrete acties voor immigratie - die legaal moet zijn en geregeld moet worden uitgaande van de behoeften van de landen - en met name het Agentschap voor het grensbeheer, de parlementaire vergadering Euromed en de stichting voor de interculturele dialoog - die eerst en vooral de dialoog tussen de godsdiensten moet beoordelen waarmee men het verschijnsel van het fundamentalisme probeert in te dammen dat een voedingsbodem is voor terrorisme, het optreden in het Midden-Oosten - waar men zich heeft ingezet voor een dialoog tussen de twee partijen waarvoor Italië bereid is de zetel te zijn - en de goedkeuring van het interventieplan waarvoor voor de komende vijf jaar 5 miljard euro is uitgetrokken: dit is een lijst die onbetwistbaar uiting geeft aan de kwaliteit van het Italiaans voorzitterschap.

Het lijdt geen twijfel dat er ook een zere plek is: het mechanisme dat moest leiden tot een nieuwe, formele grondwet voor de Europese Unie is vastgelopen. Wij moeten nu bijzondere aandacht schenken aan de sirenen van de materiële grondwet. Wij hebben tijd nodig om na te denken, want hetgeen naar voren is gekomen toen de gemoederen verhit waren, baart ons zorgen. Ik zal niet de hoofdrolspelers maar de vraagstukken noemen: het Europa van de twee snelheden, de verheerlijking van de nauwere samenwerking, het Europa van de concentrische cirkels waarin eenieder hetzelfde beleid heeft maar elke groep open blijft voor deelneming van anderen. Dit is alles bij elkaar niet het politieke scenario waar het Europa van de Vijfentwintig behoefte aan heeft. Wij mogen het hart van de Conventie niet verliezen: het algemeen Europees belang, op grond waarvan men had besloten een groot deel van de gevallen van nationaal vetorecht af te schaffen en de voorstellen voor een transparant en geloofwaardig stemstelsel. Men moet dan ook van het algemeen Europees belang uitgaan en met intelligentie en goede wil nieuwe formules uitwerken.

 
  
MPphoto
 
 

  Berès (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, de hypermacht Amerika heeft zojuist een dubbele overwinning geboekt. Na eerst diepe verdeeldheid gezaaid te hebben in Europa door de oorlog in Irak te beginnen, hebben de Verenigde Staten nu verhinderd dat Europa zichzelf de grondwet verschaft die het nodig heeft om met vijfentwintig leden te kunnen functioneren en hebben ze bovendien Saddam Hoessein opgepakt. Gedurende de afgelopen eeuw is de enige vrijheidsmuur de Atlantische muur geweest. Sindsdien hebben we de Berlijnse muur meegemaakt en de muur van Jeruzalem. Maar zo kun je geen vrede maken. Tegen degenen die dit weekend een steen hebben bijgedragen aan de muur van het atlantisme, wil ik zeggen dat we met dat soort muren niet kunnen bouwen aan de vrede, de veiligheid en de stabiliteit waar ons continent behoefte aan heeft.

Sinds 1986 zijn binnen de Europese Unie het oorspronkelijke Europese project en de instellingen die dat project kunnen dragen uit elkaar gegroeid. Tot nu toe konden wij het probleem in die termen te benoemen. Maar de uitbreiding, waardoor immers de getalsverhouding ingrijpend verandert, noopt ons het probleem van de instellingen onverbloemd aan de orde te stellen. De staatshoofden en regeringsleiders zijn niet in staat knopen door te hakken, want dan zouden ze alleen met slecht nieuws kunnen thuiskomen. Bovendien hebben zij niet de dubbele legitimiteit van de burgers én de staten. Die dubbele legitimiteit was er wel in de Conventie. Wij zijn dan ook tot een resultaat gekomen dat u had moeten bekrachtigen op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders.

Nu zal de bijdrage van Europa aan het evenwicht in de wereld niet sterker worden door het vetorecht dat sommigen dit weekend hebben willen instellen. Degenen die zich bij de mislukking verheugen met de gedachte aan een harde kern die het functioneren van het Europa van vijfentwintig wel kan vergeten, waarbij ze toestaan dat zich die muur van het atlantisme vormt, die zouden dan de bron van onenigheid en nieuwe breuken zijn binnen ons continent. Laten we ons bezighouden met hetgeen ons vooruit kan helpen, maar laten we geen carte blanche geven voor die 82 punten. Laten we ze stuk voor stuk bekijken en bekrachtigen waar dat kan.

Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, in de conclusies van uw voorzitterschap hebben de hoopvolle resultaten van de Conventie het moeten afleggen tegen het nationale eigenbelang. Het mandaat voor het Ierse voorzitterschap is niet ruim genoeg voor wat er gedaan moet worden. Het is hoog tijd dat degenen die er nog in geloven om ons continent de voorwaarden voor stabiliteit terug te geven de fakkel overnemen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Suominen (PPE-DE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, het zou zeer verkeerd zijn de Intergouvernementele Conferentie en de Top van vorige week als mislukt te beschouwen. Integendeel, onder het Italiaanse voorzitterschap heeft men de basisideeën van de Conventie bijna ongewijzigd gelaten en over 22 deelgebieden ervan een gezamenlijk besluit genomen. Er werd consensus bereikt over een belangrijke kwestie inzake de veiligheid in de toekomst, namelijk de ontwikkeling van gemeenschappelijke Europese basisstructuren voor de defensie. Nu de IGC heeft ingezien dat de oorspronkelijke formulering van de Conventie over de positie van de ongebonden landen ten opzichte van veiligheidsgaranties moest worden overgenomen, kunnen ook Finland, Zweden en Oostenrijk volledig deelnemen aan de samenwerking op het gebied van veiligheid.

Als bijproduct werd op de Top ook een oplossing gevonden voor de langslepende geschillen over de vestigingsplaats van Europese agentschappen. Zo is Italië tevredengesteld en kan het blijven pochen op Parma en zijn prosciutto en wij Finnen kunnen er op onze beurt vanuit het Chemicaliënagentschap op toezien dat de Italianen bij het vervaardigen ervan geen verkeerde ingrediënten gebruiken.

Wat alle afspraken echter openhield, was het conflict over de stemverdeling onder de landen in de Raad. Zoals president Chirac zelf toegaf, is het mislukken van de Top van Nice hiervan de oorzaak. Het huidige voorzitterschap en zelfs Polen of Spanje kunnen niet eenzijdig als de schuldigen worden aangewezen. Het is logisch dat Duitsland het besluit van Nice niet kon accepteren. Het is echter net zo logisch dat Duitsland geen besluit kan opleggen. Er komen nu onderhandelingen die het bereiken van evenwicht beogen, waarbij op evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met de positie van de kleine landen en niet alleen die van de grote zoals Spanje en Polen. Terugkeer naar een echte dubbele meerderheid – die de helft van de bevolking en de helft van de lidstaten moet omvatten - zal zeker een element van de oplossing worden waarmee ook de kleine landen wordt gegarandeerd dat de toekomst niet door de groten zal worden gedicteerd. Het is echter van belang dat de al genomen besluiten niet vanwege het openstaande geschil opnieuw worden opengebroken. Als dat zou gebeuren, dan kan men echt zeggen dat de Top van Brussel en de IGC zijn mislukt.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Swoboda (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, door het mislukken van de ontwerpgrondwet is er geen aandacht voor het feit dat er op de Top van Brussel ook nog positieve besluiten genomen zijn, bijvoorbeeld het besluit over de Europese veiligheidsstrategie. Hoe moet zo’n veiligheidsstrategie echter ten uitvoer worden gelegd, wanneer daarvoor zowel de gemeenschappelijke politieke wil als de gemeenschappelijke instellingen, zoals een Europese minister van Buitenlandse Zaken, ontbreken?

Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, u hebt vandaag terecht betoogd dat onze concurrentiepositie ten opzichte van de Verenigde Staten en Azië zeer precair is. U sprak ook van een haast wetteloze situatie in het Verre Oosten. Terecht! Hoe moeten wij ons bij deze concurrentie staande houden, als we niet een gemeenschappelijke politieke wil en gemeenschappelijke instellingen hebben, als we er niet gezamenlijk als Europeanen voor zorgen dat bijvoorbeeld Kyoto in zijn geheel wordt uitgevoerd? Ik hoor veel Europese industriëlen al zeggen: “We kunnen Kyoto niet in ons eentje uitvoeren, dan vermindert ons concurrentievermogen.” Dat kan alleen als er een minimum aan sociale rechten en mensenrechten wordt gegarandeerd, naast de nodige milieubescherming, en mits er een Europa met een gemeenschappelijke grondwet komt. Dat we gezamenlijk iets kunnen bereiken, hebben we gezien toen de Amerikanen afzagen van de heffing van invoerrechten op staal. Daar waar Europa gemeenschappelijk handelt, gemeenschappelijk optreedt, is het ook mogelijk en zijn we ook in staat, gemeenschappelijk dingen te realiseren.

Daarom ben ik het beslist met collega Poettering eens: een Europese grondwet is nodig als symbool en instrument om onze gemeenschappelijke idealen ook mondiaal te realiseren. De vorming van een kern-Europa is dan ook geen oplossing, vind ik. Overigens is meestal niet de kern, maar het vlees het lekkerste aan een vrucht; een klein kern-Europa biedt daarom geen uitkomst. We moeten juist een groot gemeenschappelijk Europa hebben. Als er een paar niet mee willen doen, moeten we bedenken hoe we een grondwettelijk Europa kunnen realiseren, waaraan zoveel mogelijk landen meedoen en dat ook voor iedereen openstaat.

Dit is de boodschap die het Italiaanse en het Ierse voorzitterschap nu moeten overbrengen: we moeten ons voor een gemeenschappelijk Europa inspannen met een gemeenschappelijke grondwet en met zoveel mogelijk lidstaten. We mogen onze visie niet verliezen, we mogen een gemeenschappelijk Europa met een gemeenschappelijke grondwet niet opgeven!

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Karas (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte dames en heren, Europa is nooit af! Toch moeten we vastberaden en met visie verder werken aan het gemeenschappelijke project van een politieke unie. Als dat niet gebeurt, verliezen we het vertrouwen van de burgers. Als dat niet gebeurt, komt er van integratie en consolidatie niets terecht. Als dat niet gebeurt, kunnen we als werelddeel onze verantwoordelijkheid in de wereld en die voor onszelf niet nemen. Daarbij kunnen fouten gemaakt worden. Fouten kunnen en moeten worden gecorrigeerd. Er zijn echter niet alleen fouten gemaakt. Wat ik betreur is dat er bij de regeringsleiders een gebrek is aan voldoende echte politieke wil en dat er daarom een gebrek is aan Europees leiderschap, aan Europees staatsmanschap. Wat ontbreekt is de wil, de moed, de emotie en het enthousiasme en daarmee de geloofwaardigheid en het vertrouwen.

Er ontstaat altijd een crisissfeer wanneer de toekomst van Europa afhankelijk is van de unanieme instemming van de Raad en niet van het bereiken van overeenstemming tussen de Gemeenschapsinstellingen. Dat was bij de sancties tegen Oostenrijk zo, dat was bij het Stabiliteits- en groeipact zo. We leggen de schuld voor nationale problemen steeds vaker bij de doelstellingen van de Gemeenschap. Daarom sluit ik met de volgende woorden af: de Conventie heeft niet gefaald, de Commissie heeft niet dwarsgelegen en het Parlement heeft een democratischer en transparanter Europa dat dichter bij de burgers staat niet vertraagd. Wij zeggen duidelijk “nee” tegen besluitvorming bij unanimiteit en “ja” tegen de democratisch gerechtvaardigde dubbele meerderheid. We zeggen “nee” wanneer de schuld bij de ander wordt gelegd en “ja” wanneer men zich medeverantwoordelijk voor Europa voelt. We zeggen “nee” tegen nationalisering en “ja” tegen europeanisering van de binnenlandse politiek en van het ratificatieproces, “nee” tegen het systeem van de Intergouvernementele Conferentie en “ja” tegen de Conventie waarin regeringen en parlementen vertegenwoordigd zijn. We zeggen “ja” tegen de Europese Unie van volkeren en burgers en “nee” tegen een intergouvernementeel kern-Europa, “ja” tegen het nemen van onze binnen-Europese en mondiale verantwoordelijkheid en “nee” tegen een vermindering van de bijdragen van de lidstaten. We zeggen “ja” tegen het bijeenroepen van de Conventie na de kerst om te overleggen over het mislukken van de Intergouvernementele Conferentie. Voorzover dat op grond van het bestaande recht mogelijk is, moeten we tot een snelle tenuitvoerlegging komen van alle resultaten van de Conventie en van de zaken waarover bij de Intergouvernementele Conferentie overeenstemming is bereikt.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Carnero González (PSE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, laten wij een positieve boodschap uitdragen naar de burgers, die de werkzaamheden van de Conventie en haar voorstel voor een grondwet massaal hebben gesteund. Eén ding is zeker: in 2004 moet er hoe dan ook een Europese grondwet komen. Wij kunnen toch geen genoegen nemen met het Verdrag van Nice, dat werkelijk beneden alle peil is, of met een louter oppervlakkige uitbreiding die onder ongunstige voorwaarden tot stand komt. Bovendien zou in dat geval ook het debat over de financiële vooruitzichten in een verstikkend politiek klimaat plaatsvinden.

Het voorstel voor een grondwet dat door de Conventie is opgesteld, heeft zowel inhoudelijk als formeel gunstige gevolgen voor de burger. De Top van Brussel is mislukt, maar zelfs degenen die niet met alle concrete aspecten van het ontwerp kunnen instemmen, beschouwen het als een goed document. De Conventie was een succes; de Intergouvernementele Conferentie een fiasco.

Sommigen hebben meer bijgedragen aan de mislukking van de Top van Brussel dan anderen. In dit verband vind ik het als Spanjaard bijzonder veelzeggend dat de eurosceptici uit dit Parlement de premier van mijn land - die van de "brief van de acht" en de recente Top van Brussel - met loftuitingen overladen. Het integratieproces moet resoluut worden voortgezet. Het moet uitlopen op de totstandkoming van een Europese grondwet in 2004.

Wij willen in geen geval een Europa met verschillende snelheden of koplopers. Wij willen een politiek verenigd Europa, een Europa dat een zelfstandig buitenlands beleid voert, een Europa dat over de nodige bevoegdheden en middelen beschikt om in de behoeften van de burgers te voorzien. Daarom moeten wij het Ierse voorzitterschap met aandrang verzoeken de Intergouvernementele Conferentie al in januari bijeen te roepen. De 95 procent waarover reeds overeenstemming bestaat, moet geconsolideerd worden en de nog onopgeloste vraagstukken moeten op passende wijze en in wederzijds overleg worden afgehandeld. Waarom roept men overigens ook de Conventie niet bijeen? Die beschikt toch over de nodige legitimiteit? Het Europees Parlement moet van zijn kant invulling geven aan zijn historische rol als drijvende kracht achter het integratieproces, en in dit concrete geval als motor van de Europese grondwet.

 
  
MPphoto
 
 

  Ferber (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, dames en heren, ik denk dat we alles wat er in het afgelopen weekend gebeurd is, eens heel nuchter moeten analyseren. Misschien komen we dan tot de conclusie dat we ons in de afgelopen jaren toch niet serieus genoeg met de vraag hebben beziggehouden of verdieping en uitbreiding gelijktijdig kunnen plaatsvinden.

Ik wil die vraag nu eens in een concrete vorm gieten: de Conventie was succesvol omdat dit aspect nu juist de samenbindende kracht ervan was. Omdat daar bij de deelnemers nog sprake was van een gemeenschappelijk belang, dat echter niet gerepresenteerd werd door een gemeenschappelijk belang van de lidstaten. Daarom is het nu belangrijk na te denken over de vraag, wat de gemeenschappelijke kenmerken van de 25 lidstaten die vanaf 1 mei in de Europese Unie zitten, nu eigenlijk zijn. Dat moet eens heel nuchter worden geanalyseerd.

Wat zijn de taken die we op Europees niveau op ons moeten nemen, welke instrumenten zijn voor het vervullen van die taken nodig, wat zijn de procedures om die taken te kunnen vervullen en welk financieel kader heeft Europa nodig om de taken die het zijn toebedeeld te kunnen verrichten? Alleen wanneer we deze vragen serieus beantwoorden, zijn we in staat de juiste consequenties en lessen te trekken uit hetgeen in het weekend een einde nam. Dat betekent dat we ons ook de vraag moeten stellen of op dit moment de verdieping, dus de discussie over wat de 25 lidstaten in Europa gemeenschappelijk hebben, niet belangrijker is dan de uitbreiding van de Europese Unie bovenop die 25 landen.

Ik denk dat we nu eerst – ook dat werd al in Kopenhagen vastgelegd – aan het vierde criterium van Kopenhagen moeten voldoen. We moeten onze aandacht op het gemeenschappelijke kunnen vestigen. We moeten de EU in het algemeen gereed maken voor een uitbreiding naar binnen. Dat is de opdracht die we het komende jaar met grote voortvarendheid moeten aanpakken. Dan zullen we ook uit deze crisis de nodige positieve consequenties kunnen trekken.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Lage (PSE). - (PT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, het woord teleurstelling is een goede vertaling van onze gevoelens. Maar ook de Europese burgers - in overgrote meerderheid voorstanders van een Europese grondwet - zijn teleurgesteld en verbijsterd. Gelukkig mobiliseert het populaire idee van een grondwet mensen, tot wanhoop van de eurosceptici.

De Europese eenwording is het mooiste idee dat de gewelddadige 20e eeuw de 21e eeuw heeft nagelaten. De uitbreiding betekent een mutatie: wij creëren een ander politiek wezen. Dit is geen politieke ontologie, nee het vormt de werkelijkheid. Uitbreiding zonder grondwet is ondenkbaar en onaanvaardbaar. De fanatieke lidstaten dienen dat te begrijpen. Helaas is er een klein aantal lidstaten dat tegenover de Europese geest oude mythes en fixaties van grootsheid en nationaal gewicht plaatst. Zij blijven het recente Verdrag van Nice verdedigen dat nu al een politiek fossiel is. Maar Europa dient positief vorm te krijgen en zich niet te manifesteren via negatie. Sommige leiders doen zelfs alsof zij ten opzichte van de Unie slechts rechten hebben en geen plichten. Wij mogen en moeten niet naast deze historische kans grijpen. De grondwet die binnen handbereik is, heeft Europa dringend nodig. Lang leve de grondwet!

 
  
MPphoto
 
 

  Morillon (PPE-DE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, de teleurstellende uitkomst van de Intergouvernementele Conferentie komt voor niemand als een verrassing. Maar ook al hadden we het misschien aan zien komen, het is toch zeker een teleurstelling om te moeten vaststellen dat een heel jaar werk van onze 105 Conventieleden in luttele uren op de helling gezet kon worden, enkel en alleen vanwege de weging van de stemmen van de verschillende lidstaten van onze Unie.

Wat we hier in elk geval uit kunnen concluderen is dat we op het intergouvernementele vlak geen enkele vooruitgang hoeven te verwachten als het gaat om de voltooiing van het Europees project, want – zoals de heer Pasqua terecht opmerkte – de staatshoofden en regeringsleiders zullen altijd met hand en tand de belangen van hun eigen land verdedigen, ook als dit het algemeen belang schaadt.

Ik deel de hoop niet dat het Ierse voorzitterschap in staat zal zijn om deze tendens de komende weken te keren. Daarom, beste collega’s, moeten wij ons erop voorbereiden in het kader van de komende campagne voor de Europese verkiezingen de echte vragen te stellen die nog overblijven. Al met al zal dat – als geluk bij een ongeluk – deze campagne meer gewicht geven.

Daarnaast heeft u, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, het vraagstuk van de veiligheid in haar algemeenheid opgeworpen. U heeft goed begrepen dat dat een belangrijk punt van zorg is voor onze Europese medeburgers. Wat dat aangaat ben ik weliswaar blij met de goede voornemens die hieruit spreken, maar kan ik het niet laten om het spreekwoord aan te halen dat de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens. Ik hoop dan ook dat Europa zijn intenties zal waarmaken en dat het er zich concreet, en niet alleen in woorden, voor zal inzetten dat het de nodige instrumenten smeedt om op dit terrein zijn doelstellingen te verwezenlijken en zijn strategie uit te voeren.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Katiforis (PSE). (EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, u heeft veel kritiek moeten slikken. Ik ben het met die kritiek eens maar wil ze hier niet herhalen. Wel wil ik inhaken op een terechte opmerking van uw kant. U heeft gesproken over de statuten van de Europese Centrale Bank en het nadeel in vergelijking met die van de Federal Reserve Bank. De ECB heeft namelijk naast het bewaren van de prijsstabiliteit niet tot taak ook de economische activiteit te ondersteunen. Ik vind het veelbetekenend dat u de eerste premier en Raadsvoorzitter bent die op formele wijze de vinger op die zere plek legt, die leemte in de statuten van de Europese Centrale Bank. Ik dank u hiervoor.

Ik hoop dat het voorstel van het Italiaanse voorzitterschap zal worden aanvaard, zodat de Raad snel met gekwalificeerde meerderheid de statuten van de Europese Centrale Bank kan wijzigen, zoals u heeft aangestipt. Dan kan de ECB eindelijk een beleid voeren dat investeringen, met name overheidsinvesteringen, bevordert in plaats van ze telkens weer in de kiem te smoren.

 
  
MPphoto
 
 

  Tajani (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, wij zouden vandaag allemaal blij geweest zijn als er een akkoord was bereikt over de eerste Europese grondwet. Het zou echter een grote politieke fout zijn - en enkelen hebben die al begaan - te zeggen dat het met Europa gedaan is. Het zou een grote politieke fout zijn op de verantwoordelijken te gaan jagen en vanwege voorbijgaande moeilijkheden bij de pakken neer te gaan zitten. Daarom moeten wij doorgaan met ons werk, in de geest van de Conventie, en ons gesterkt weten door de belangrijke resultaten die het Italiaans voorzitterschap heeft weten te bereiken. Wij zijn ervan overtuigd dat het eindresultaat bereikbaar is. Laten wij niet vergeten dat 95 procent van hetgeen in de Conventie was overeengekomen door alle deelnemers aan de IGC is aanvaard. Ik moet er eveneens op wijzen dat het Italiaans voorzitterschap zijn belofte van zes maanden geleden is nagekomen en geen ondermaats compromis heeft willen ondertekenen. Dat zou de genadeslag zijn geweest voor de Conventie.

Positief waren ook de betrekkingen met het Parlement. Het Parlement heeft voor het eerst een echte rol gespeeld in de werkzaamheden van de IGC en is voortdurend op de hoogte gehouden over de werkzaamheden van de Raad. Ook de door de heer Fiori genoemde besluiten van het Italiaans voorzitterschap moeten als positief worden beoordeeld. De werkzaamheden van de afgelopen zes maanden kunnen niet oppervlakkig, kleinzielig en met partijdigheid worden beoordeeld of - wat nog erger zou zijn - gespiegeld worden aan de interne aangelegenheden van de landen van de Unie. De heer Barón Crespo preekt goed maar overtuigt nauwelijks als hij spreekt over de communautaire geest. Hij lijkt zich namelijk enkel druk te maken over de Spaanse verkiezingen, en hetzelfde geldt trouwens voor de heer Watson, die zich weliswaar vaak bezig houdt met hetgeen in Italië gebeurt maar het Europees belang daarbij uit het oog verliest. Kennelijk hebben enkele afgevaardigden uit mijn land evenmin kaas gegeten van Europese aangelegenheden. Het enige waar zij op uit zijn is zichtbaarheid en het terugwinnen van verloren stemmen. Zij gebruiken deze zaal om over interne zaken te spreken, maar zijn daarbij allesbehalve overtuigend.

Ik heb nog een opmerking aan het adres van de heer Schulz die voor de zoveelste keer de kwestie van het Europees arrestatiebevel aan de orde heeft gesteld. Het Italiaans voorzitterschap heeft zijn plicht gedaan en alle regeringen gevraagd in hoeverre de nationale wetgeving was aangepast aan het besluit over het Europees arrestatiebevel. Het antwoord was duidelijk: van de vijftien landen hebben drie landen voor december de noodzakelijke maatregelen genomen; nog eens vier landen hebben gezegd drie à vier maanden extra tijd nodig te hebben en de andere acht landen zijn er nog lang niet. Verre van mij te denken dat u, mijnheer Schulz, het Italiaans voorzitterschap of ongeacht welk voorzitterschap zou willen vragen de soevereine stem van de nationale parlementen te overstemmen.

Daarom wil ik tot slot nog een beroep op u doen: laten wij allen aan de slag gaan, met alle landen. Laten wij de mogelijkheid van een beperkte groep laten varen, want dan komen anderen in de kou te staan. Laten wij het Europa van de waarden voor ogen houden, het Europa dat niet wil afzien van zijn joods-christelijke wortels.

 
  
MPphoto
 
 

  Napoletano (PSE). - (IT) Mijnheer de fungerend voorzitter, ondanks de conclusies van de heer Tajani richt ik mij tot u. In uw verklaringen neigde u ertoe de mislukking van de Intergouvernementele Conferentie te bagatelliseren. Dit is in korte tijd de tweede keer dat de intergouvernementele methode schipbreuk lijdt. Dit keer beschikte men echter over een allesomvattend en door een ruime meerderheid gesteund voorstel van de Conventie. Wat ons het meest perplex doet staan is het feit dat het laconieke communiqué waarmee de fakkel wordt doorgegeven aan het Iers voorzitterschap, geen enkel vooruitzicht lijkt te bieden.

Daarom lopen wij wel degelijk het risico dat wij op het moment van de Europese verkiezingen en de uitbreiding geen constitutioneel verdrag hebben, maar kennelijk ligt u daar niet echt wakker van. Ik zou u dankbaar zijn indien u in uw antwoord iets wilde zeggen over de vooruitzichten.

Bij afsluiting van een semester wordt altijd een balans opgemaakt. Wat het buitenlands beleid betreft is geen enkele poging ondernomen om de Europese Unie en de VN een actieve politieke rol te geven. De houding ten aanzien van het belangrijke initiatief van Genève voor de vrede in het Midden-Oosten was koel, en u hebt daar ook geen enkel gewag van gemaakt. De aangegane verbintenissen zijn niet nagekomen, zoals de aanvaarding van het arrestatiebevel en het moratorium op de doodstraf. Wij zijn blij met het groei-initiatief, maar dit volstaat niet. Alleen met een economische governance in tenminste de eurozone zal het mogelijk zijn de Europese economie weer op de been te helpen en kwalitatief te verbeteren.

Dan tot slot, mijnheer de fungerend voorzitter, de informatie. U weet dat juist tijdens uw voorzitterschap dit Parlement heeft besloten een diepgaand onderzoek in te stellen naar de stand van zaken op het gebied van de vrijheid en het pluralisme in de media in Europa, en met name in Italië. Het feit dat de president van de Italiaanse Republiek de lelijke en gevaarlijke mediawet die door uw meerderheid is aangenomen, heeft terugverwezen naar het parlement is een bevestiging van onze bezorgdheid.

Ik vraag u dan ook hoe u, afgezien van de succesvolle afsluiting van bepaalde door u en voorzitter Prodi genoemde vraagstukken, de betekenis van dit Italiaans voorzitterschap zou beschrijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Berlusconi, fungerend voorzitter van de Raad. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, ik dank u en alle collega´s die tijdens het debat het woord hebben gevoerd. Meer algemeen is teleurstelling verwoord over het feit dat tijdens de zestig dagen die het voorzitterschap ter beschikking had voor de Intergouvernementele Conferentie, geen concrete resultaten zijn bereikt. Dat zou eerlijk gezegd ook een wonder zijn geweest, en in feite wist men al weken van tevoren dat dit wonder niet zou geschieden.

Mijns inziens moeten wij er echter voor oppassen dat deze teleurstelling niet omslaat in pessimisme ten aanzien van de toekomst. Het is zinloos met de vinger te wijzen. Men moet altijd optimistisch blijven. Ik heb nooit een pessimist zien slagen. Alleen met optimisme, vertrouwen en goede wil kunnen positieve resultaten worden bereikt. Mijns inziens mag men ook niet toestaan dat Europa wordt opgesplitst in een eerste en tweede divisie. Dat is uit den boze, want dan zou men een domper zetten op het enthousiasme en de passie voor Europa, op de zin in Europa en de zin in gemeenschappelijk optreden, waarvan ik in deze maanden tijdens mijn nauwe contacten met regeringsleiders en andere persoonlijkheden uit de tien toetredingslanden getuige was. Een groot aantal Europeanen woont in deze landen. Dat zijn Europeanen in de kracht van hun leven en met hoge opleidingen. Zij zijn voor ons een grote markt, en daarom moeten wij mijns inziens alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat het oude Europa een verjongingskuur ondergaat met de bijdragen van dit nieuwe Europa dat - nogmaals - op het punt staat met enthousiasme toe te treden.

Wij moeten ervoor zorgen dat hetgeen de Conventie en alle landen gedurende dit semester hebben gedaan, behouden blijft en wordt versterkt. Laten wij niet vergeten dat de Intergouvernementele Conferentie op 5 oktober is begonnen en tot 13 december heeft geduurd. Ik wil alle collega´s die het woord hebben gevoerd geruststellen: het werk van de Conventie - dat wij altijd hebben proberen te verfijnen en verbeteren - en dat van de Conferentie zullen behouden blijven. Kennelijk zijn de laatste besluiten van de Conferentie, die ik heb opgenomen in de met eenparigheid van stemmen van alle leden aangenomen eindverklaring, niet goed gelezen. Ik zal hier slechts een alinea uit voorlezen: “Het Italiaans voorzitterschap heeft de Intergouvernementele Conferentie geleid met de bedoeling het ontwerp van de Conventie, dat de vrucht was van diepgaande democratische besprekingen, in de mate van het mogelijke te eerbiedigen, en heeft zich eveneens opengesteld voor een opbouwende bespreking van de voorstellen van de lidstaten, teneinde rekening te kunnen houden met legitieme eisen”.

Tweede opmerking. Dit moeilijke karwei heeft geleid tot een tekst die met een overgrote meerderheid van de lidstaten is goedgekeurd. Deze tekst is een verworvenheid waaraan niet getornd kan worden en betekent een belangrijke stap op de weg naar een nauwere integratie tussen de landen en de burgers van de uitgebreide Unie. De lidstaten die de Raad vormen hebben er zich dus op unanieme wijze toe verbonden de discussie over de vraagstukken waarover reeds een akkoord is bereikt - en dat zijn ze bijna allemaal - niet te heropenen. Ik wil eveneens als antwoord op de vragen van de collega´s eraan herinneren dat deze punten zijn opgenomen in het na de Top van Napels gepresenteerd voorstel van het Italiaans voorzitterschap. Dit voorstel vindt u op de website van het Italiaans voorzitterschap. Daar vindt u ook het document over de Europese defensie waarover op de eerste dag van de nieuwe vergadering in Brussel een akkoord is bereikt.

Dit is iets concreets en daarvan uitgaande moet men beginnen te werken aan een akkoord over de methode van de meerderheidsbesluiten. Meerderheidsbesluiten zijn het hoofdbestanddeel van het te bereiken akkoord. Zij zijn absoluut noodzakelijk om Europa in staat te stellen niet alleen correcte maar ook snelle besluiten te nemen, met name wanneer internationale standpunten moeten worden ingenomen.

Alleen op die manier zal Europa, samen met andere mogendheden, een hoofdrolspeler kunnen zijn op het wereldtoneel en een doorslaggevende bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van de handel en de verhoging van de welvaart, waartoe wij ons immers verbonden hebben met niet ten laatste de Millennium Declaration. Ook kan Europa dan een beslissende bijdrage leveren aan de groei van de democratie en kan het vrijheid naar heel de wereld exporteren. Dan krijgen wij een Europa dat samen met andere westerse landen degenen die daarvan verstoken zijn van voedsel, water, gezondheidszorg en onderwijs voorziet. Al deze goederen kunnen echter niet worden gegarandeerd als het eerste goed ontbreekt, het goed waaruit alle andere goederen voortvloeien: vrijheid. Vrijheid kan echter alleen worden gegarandeerd en behouden met democratische regeringsvormen.

Dit is mijn inziens de plicht van het Westen en, binnen het Westen, van Europa. Mijns inziens kan Europa dit echter alleen waarmaken als het zich een besluitvormingsstelsel aanmeet dat niet op unanimiteit is gebaseerd. Wij hebben immers ook twee dagen geleden nog in Brussel gezien dat het verzet van één land volstaat om een besluit tegen te houden.

Ik zal enkel antwoorden op een van de punten van kritiek die tot mij werden gericht, namelijk op de kritiek dat het Italiaans voorzitterschap geen compromissen had voor de bovengenoemde meerderheidsbesluitvorming. Het Italiaans voorzitterschap heeft aangedrongen op het door de Conventie voorgesteld systeem, dat wil zeggen op een meerderheid van 50 procent van de landen en 60 procent van de bevolking. Wij hebben op alle mogelijke manieren geprobeerd de landen hiertoe over te halen, maar zij wilden er niets van weten. Toen wij vaststelden dat een akkoord onmogelijk was, zijn wij hier - omdat ten aanzien van alle andere punten een akkoord mogelijk was - teruggevallen op tijdelijke formules en hebben wij voorgesteld het Verdrag van Nice te handhaven tot 2014 en vanaf 2015 het door de Conventie voorgesteld stelsel toe te passen. Enkele landen hebben “ja” gezegd en andere “nee”. Toen hebben wij een andere formule voorgesteld die aanvaardbaar was voor de landen die eerder de boot afhielden. De situatie is nu zo dat het Verdrag van Nice van toepassing blijft voor een proefperiode van vier jaar. Eind 2008 besluiten wij dan met meerderheid of het Verdrag van Nice goed heeft gewerkt en het wenselijk is dit te handhaven. Als men evenwel vaststelt dat dit moet worden aangepast, wordt het aangepast, en dan zal de mogelijkheid van een dubbele meerderheid - een meerderheid van landen en volkeren - en een ander stemsysteem worden overwogen.

Het was niet mogelijk over deze voorstellen - die geen ondermaatse voorstellen of compromissen zijn maar voorstellen die uitsluitend tot doel hadden Europa van meet af aan een nieuw Constitutioneel Verdrag te geven - een akkoord te bereiken en daarom hebben alle deelnemers besloten de zaak uit te stellen. Dit betekent niet dat het een verloren zaak is. Men moet verder blijven werken aan een akkoord, en ik ben er ook van overtuigd dat dit akkoord spoedig gevonden zal worden, onder Iers voorzitterschap of onder het daaropvolgend Nederlands voorzitterschap. De ontwerpgrondwet is dus niet mislukt.

Ik wil, mijnheer de Voorzitter, afsluiten met een optimistische noot. Alle regeringen wilden dolgraag een Constitutioneel Verdrag voor Europa en allen waren zich bewust van hun zware verantwoordelijkheid als er geen besluit zou worden genomen. Helaas zijn wij er niet in geslaagd een besluit te nemen, maar ik ben ervan overtuigd dat als wíj daar niet in geslaagd zijn, met al ons geduld en onze beste bedoelingen tot het bittere einde, er niemand in geslaagd zou zijn. Dat is mij ook door iedereen bevestigd. Wij zijn evenwel van mening dat er een oplossing gevonden kan worden - en dat iedereen ook een oplossing wil - voor de meerderheidsbesluiten. Na meer dan vijftig jaar moeten deze in de plaats komen van eenparige besluitvorming.

Dit is geen eenvoudig probleem. Met de meerderheidsbesluiten zien de lidstaten duidelijk af van hun soevereiniteit op heel wat gebieden en daarom is dit een moeilijke bevalling. Daarvoor is de steun nodig van de nationale parlementen en waarschijnlijk zullen er ook referenda nodig zijn in de verschillende landen. Ik geloof evenwel dat iedereen die richting wil uitgaan. De Intergouvernementele Conferentie heeft in de zestig dagen vruchtbaar werk verricht. Zoals ik al zei zijn er resultaten geboekt en deze zijn voor de leden van de Raad geldige resultaten. Daartoe hebben zij een politieke verplichting op zich genomen: het debat daarover kan dus niet heropend worden. Men moet dus nog werken aan de nieuwe meerderheidsbesluitvorming en ik ben ervan overtuigd dat Europa uiteindelijk zal beschikken over instellingen en werkmethoden waarmee het de belangen van zijn burgers en van alle burgers in de wereld kan behartigen en een belangrijke rol kan spelen voor de welvaart, de vrede, de vrijheid en de democratie.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Frassoni (Verts/ALE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, ik heb een nogal dringende vraag aan voorzitter Prodi voordat hij het woord gaat voeren. Wij hebben zojuist vernomen dat commissaris de Palacio in de Energieraad de dood van het Protocol van Kyoto heeft aangekondigd. Welnu, voorzitter Prodi, ik wilde van u weten wat het standpunt van de Commissie dienaangaande is en of mevrouw de Palacio binnen haar mandaat heeft gehandeld.

 
  
MPphoto
 
 

  Prodi, voorzitter van de Commissie. - (IT) Commissaris de Palacio heeft uiting gegeven aan de welbekende zorgen van de Commissie over de gevaren die voortvloeien uit de niet-goedkeuring van het Protocol van Kyoto. Zij heeft duidelijk gemaakt dat hierop gereageerd moet worden.

De Commissie wil blijven werken met Rusland en de andere landen die niet hebben geratificeerd, opdat er uiteindelijk toch een ratificatie komt. Dat is de boodschap die wij de wereld in hebben gestuurd, niets anders. Ik kan u trouwens verzekeren dat ook commissaris de Palacio zich inzet voor de ratificatie van Kyoto. Het feit dat Rusland aarzelt en voortdurend met alternatieve strategieën aankomt, baart ons wel degelijk zorgen.

Dan wil ik nu, mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, dames en heren, heel kort reageren. Allereerst wil ik u bedanken voor dit debat en met name voor het feit dat u daarin de blik richt op de toekomst en niet zozeer op hetgeen in het verleden mis is gegaan, dat u zoekt naar oplossingen voor onze zorgen en niet het spel speelt van elkaar de schuld geven. Ik moet echter een opmerking maken die voor mij van cruciaal belang is: u moet, dames en heren, goed oppassen dat u niet al het werk dat ter voorbereiding van de Intergouvernementele Conferentie van Brussel is verricht, in enkele minuten overboord gooit en te vlug het etiket acquis plakt op voorstellen waarover nog geen akkoord is bereikt.

Inderdaad leek zich op talrijke punten een consensus af te tekenen, met name in Napels. Ik noem bijvoorbeeld het voorzitterschap van de Raad, het onderzoeksbeleid en talrijke andere fundamentele punten. Uiteindelijk is er echter geen consensus bereikt. Laten wij geen illusies koesteren: er is geen consensus. Daarbij denk ik met name aan een groot aantal beslissingen in verband met de herinvoering van de unanimiteit. Dat zou achteruitgang betekenen ten opzichte van niet alleen de tekst van de Conventie maar ook het Verdrag van Nice, en dan zwijg ik nog over de gereduceerde rol voor het Europees Parlement bij de goedkeuring van de begroting.

Het is hoe dan ook duidelijk dat de som van de onderhandelingen en de bilaterale concessies geen algemeen aanvaard totaal oplevert, zelfs niet als men uit zou zijn op de grootste gemene deler. Het is eveneens duidelijk dat niets aanvaard is zolang niet alles aanvaard is, en dat de voorwaarden voor aanvaarding afhankelijk zijn van onze toekomst. Wij gooien dus niets weg van het enorme werk dat is verricht, maar zien de bestaande problemen onder ogen. Dat is ook de beste manier om ze op te lossen, en daarom blijft de tekst van de Conventie ons baken.

Dames en heren, dit is de laatste vergadering voor de vijfde kerst die wij samen vieren. Dit is ook de laatste kerst voor dit Parlement en deze Commissie. Daarom wil ik afsluiten met mijn beste wensen. Ik wens u en uw familie veel geluk en sereniteit en dank u voor de goede samenwerking.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik wil de voorzitter van de Commissie hartelijk danken voor zijn goede wensen, maar zoals u weet, collega’s, zijn er nog enkele belangrijke stemmingen die we deze week moeten afhandelen, waaronder de stemming over de begroting, dus laten we niet te vroeg aan de feestdagen beginnen!

SCHRIFTELIJKE VERKLARINGEN (ARTIKEL 120)

 
  
MPphoto
 
 

  Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. - (PT) Het mislukken van de Intergouvernementele Conferentie is een positieve zaak. Het uitblijven van overeenstemming was te wijten aan de enorme tegenstellingen tussen de Europese grootmachten en aan hun verschillende belangen. De maximalistische standpunten van Frankrijk en Duitsland waren onaanvaardbaar voor Spanje en Polen, die in vergelijking met Nice minder zwaar zouden wegen bij de besluitvorming. Het is echter duidelijk dat Spanje en Polen de min of meer openlijke steun hadden van andere lidstaten.

Hoewel de belangen van het neoliberaal kapitalisme rechts en de sociaal-democraten in Europa verenigen, stroken de belangen van de afzonderlijke lidstaten, internationale allianties en diverse economische groeperingen niet met die van de Frans-Duitse as. Kijk maar naar de wijze waarop de regering-Bush onder vrienden de contracten voor Irak ten gunste van Amerikaanse en Europese bedrijven verdeelt. Bij het plunderen is niet iedereen gelijk.

Wij wisten dat het om een zeer kritiek moment ging voor de Europese integratie. De besluitvorming raakt steeds meer gecentraliseerd, het kapitalisme wordt steeds agressiever en volgt een steeds minder democratische en een gevaarlijke militaristische weg.

Wij weten dat het mislukken van de Top van Brussel de problemen niet heeft opgelost, maar zij zijn ook niet verergerd. Die mislukking biedt nieuwe hoop voor de strijd die wij moeten voortzetten voor een Europa met meer sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling, sociale en economische samenhang, vrede en samenwerking met alle volkeren van de wereld.

 
  
MPphoto
 
 

  Hudghton (Verts/ALE), schriftelijk. - (EN) Ik ben blij met de adempauze die we zullen krijgen na het mislukken van de onderhandelingen tijdens de Intergouvernementele Conferentie over de voorgestelde ontwerpgrondwet van de Europese Unie. Ik dring er bij het Verenigd Koninkrijk op aan dat het land maximaal gebruikmaakt van deze pauze om op belangrijke gebieden die Schotland aangaan, zijn standpunt te herzien. De verwijzing naar het behoud van mariene biologische rijkdommen moet van de lijst van exclusieve bevoegdheden worden gehaald. Voorts zijn nog garanties nodig met betrekking tot de bescherming van de offshore olie- en gasvoorraden van Schotland en moet nog worden verzekerd dat de EU geen bevoegdheid wordt verleend tot het uitoefenen van controle en het verlenen van vergunningen.

Het voorbeeld dat veel kleine landen hebben gesteld, die tijdens de Intergouvernementele Conferentie onafhankelijk over hun eigen voorwaarden hebben onderhandeld, onderstreept dat Schotland zijn onafhankelijkheid moet terugkrijgen en daarmee volledig recht moet krijgen om deel te nemen aan alle internationale onderhandelingen en om daar te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Maaten (ELDR), schriftelijk. De Europese Top is op niets uitgelopen, er is geen Grondwetsverdrag vastgesteld. Een geweldige verrassing is dat niet, en het is ook geen enorme ramp want Europa kan voorlopig verder functioneren op dezelfde krakkemikkige manier als tot nu toe. Het toont helaas wel opnieuw aan dat deze manier van besluitvorming, met regeringsleiders die achter gesloten deuren consensus moeten bereiken, niet werkt. Jammer is ook dat regeringen tegenwoordig hun kracht thuis moeten bewijzen door de mate waarin ze erin slagen om de rest van Europa te verhinderen om iets te doen. Voor mijn fractie blijft voorop staan dat het Grondwetsverdrag moet leiden tot een stemgerechtigde commissaris per lidstaat, en tot verkiezing van de voorzitter van de Europese Commissie door het Europees Parlement. Dat verdedigen wij in Den Haag en in Straatsburg. De Unie wordt efficiënter naarmate zij democratischer wordt. Medebeslissing voor het Europees Parlement over de hele linie en een drastische versterking van de rol van nationale parlementen zijn daarvoor essentieel.

 
  
MPphoto
 
 

  Farage (EDD), schriftelijk. - (EN) Mijn felicitaties en oprechte dank aan de heer Berlusconi, wiens zes maanden durende voorzitterschap van de Raad in juli 2003 in deze Vergadering zo spectaculair is begonnen en heeft geleid tot het fiasco van afgelopen weekend in Brussel. Misschien heeft hij inderdaad geholpen om deze vreselijke grondwet over de zijlijn te trappen.

Als… maar…. Het enige dat de Europese Unie niet kan, is een “nee” accepteren. We hebben dit voor het eerst gezien toen de Denen hun veto uitspraken over het Verdrag van Maastricht. Ongetwijfeld zal enorme druk worden uitgeoefend op de moedige Polen en op anderen om op 9 mei 2004 een ondertekeningsceremonie mogelijk te maken.

Als dit niet lukt, zullen enkele staten doorgaan en zal een Europese Unie van twee snelheden ontstaan.

Sommige mensen in mijn land zijn misschien gelukkig met een leven in de langzame baan, maar in mijn ogen verlengt het alleen maar de strijd en laat het ons langer de verkeerde weg volgen.

De volkeren van Europa zeggen in toenemende mate dat we de andere kant uit moeten.

 

2. Ondertekening van het interinstitutioneel akkoord "Verbeteren van de wetgeving"
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik wil vandaag stilstaan bij een moment dat volgens mij van belang is in de geschiedenis van dit Parlement. Het houdt verband met de langdurige onderhandelingen die sinds de Europese Raad van Sevilla door het Parlement, de Commissie en de Raad zijn gevoerd over de kwestie van het “beter wetgeven”. Namens het Parlement wil ik graag de vier collega’s uit ons Parlement bedanken die belast waren met dit werk en daaraan aanzienlijke bijgedragen hebben geleverd: de heer Gargani, de heer Swoboda, mevrouw Frassoni en de heer Clegg.

(Applaus)

Dankzij het leiderschap van mevrouw de Palacio, vice-voorzitter van de Commissie, en de Deense, Griekse en Italiaanse voorzitterschappen, verkeren we vandaag in de positie om een interinstitutioneel akkoord te ondertekenen.

De uitdaging met betrekking tot dit akkoord was het verbeteren van de kwaliteit van de wetgeving in de Unie door meer nadruk te leggen op relevantie, transparantie, coördinatie en effectieve omzetting in nationale wetgeving door de lidstaten. Wat we vandaag ondertekenen en zo toevoegen aan het acquis communautaire, is een akkoord over grotere transparantie, waartoe het Parlement het initiatief heeft genomen. Het akkoord houdt voornamelijk in dat de Raad er, tijdens zijn politieke dialoog met het Parlement en zijn commissies, voor zorgt dat deze dialoog in alle fasen van het wetgevingsproces transparant is.

Ten tweede zullen de drie instellingen er collectief naar streven hun wetgevende taken op elkaar af te stemmen.

Ten derde moet het gebruik van instrumenten die geen onderdeel uitmaken van EU-wetgeving in andere woorden, de zogenaamde “light-touch regulation” eventueel onder controle van het Parlement vallen en moeten hierop de voorwaarden met betrekking tot transparantie volledig van toepassing zijn.

In dit akkoord wordt aangedrongen op het, op openbare wijze, raadplegen van betrokkenen voor ieder voorstel dat wordt gedaan. In dit akkoord wordt aangedrongen op het uitvoeren van effectbeoordelingen naar aanleiding van wetsvoorstellen, inclusief de amendementen van dit Parlement, die gevolgen kunnen hebben voor de werkgelegenheid, het milieu en het concurrentievermogen. In dit akkoord wordt aangedrongen op effectief toezicht op de omzetting van EU-wetgeving in nationale wetten door de lidstaten, evenals op effectieve handhaving van deze wetgeving.

Ik ben van mening dat onze delegatie er daadwerkelijk in geslaagd is parlementaire controle en transparantie een plek te geven in het wetgevingsproces. Het akkoord is dan ook een belangrijke stap voorwaarts. Namens het Parlement wil ik zeggen dat wij, als instelling, dit akkoord volledig en strikt zullen toepassen. Het is een belangrijke stap voorwaarts waarmee we vooruitlopen op bepaalde terreinen die misschien aan de orde zullen komen in een toekomstige grondwet.

Ik zou nu de fungerend voorzitter van de Raad, de heer Frattini, en de voorzitter van de Commissie, de heer Prodi, bij mij willen uitnodigen voor een ondertekeningsceremonie. Verder wil ik ook onze parlementaire collega’s – de heer Gargani, de heer Swoboda, mevrouw Frassoni en de heer Clegg – willen uitnodigen zich bij ons te voegen, samen met de vice-voorzitter van de Commissie, mevrouw de Palacio en – als hij wil – de heer Berlusconi, voor een groepsfoto.

(Na deze verklaring ondertekenen de Voorzitter van het Europees Parlement, de fungerend voorzitter van de Raad en de voorzitter van de Commissie gezamenlijk het interinstitutioneel akkoord “Beter wetgeven”)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER PROVAN
Ondervoorzitter(1)

 
  
MPphoto
 
 

  Jackson (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de aankondiging door de heer Cox is met name in één opzicht heel belangrijk voor de leden van het Europees Parlement. De leden hebben vast gehoord dat hij het idee van effectbeoordelingen heeft genoemd voor wijzigingen die door de leden van dit Parlement worden voorgesteld. Dat is een heel goed idee, maar het zal al in januari 2004 van kracht worden. Wat we willen weten is wie deze effectbeoordelingen gaat uitvoeren en hoe het systeem zal werken.

Ik nodig de Voorzitter uit om een werkgroep op te zetten – die naar ik veronderstel tijdens de kerstperiode zal moeten doorwerken – die voorstellen gaat formuleren voor de werkwijze van dit systeem. Na deze geweldige ondertekeningsceremonie is het aan ons om het akkoord ook echt goed te laten werken.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik heb van de diensten vernomen, mevrouw Jackson, dat het proces geleidelijk zal verlopen. Er zijn op dit moment geen concrete voorstellen.

(Tekenen van onrust)

Uw opmerkingen zullen echter worden doorgegeven aan de Voorzitter van het Parlement zodat hij volledig op de hoogte is van de standpunten en wensen van dit Parlement.

 
  

(1) Benoeming van de Europese toezichthouder voor de gegevensbescherming: zie notulen.


3. Stemming
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is de stemming.

Verslag (A5-0421/2003) van Neil MacCormick, namens de Commissie juridische zaken en interne markt, inzake het verzoek van Giuseppe Gargani om verdediging van zijn parlementaire immuniteit en voorrechten (2003/2182(IMM))

(Het Parlement keurt het besluit goed)

Na de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  Gollnisch (NI).(FR) Aan de orde is een stemming over twee kwesties met betrekking tot de parlementaire immuniteit. Het lijkt me niet meer dan normaal als ons Parlement de afgevaardigden in kwestie in staat stelt om in de plenaire vergadering het woord te voeren, zoals ze dat ook in de commissie hebben kunnen doen. Dat lijkt me voor instellingen die het – terecht – erg nauw nemen met het recht op verdediging een natuurlijke garantie en ik zal binnenkort een voorstel indienen bij de bevoegde commissie om het Reglement in die zin te wijzigen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Uw wens is geheel volgens de regels, mijnheer Gollnisch. Ik wil er echter wel op wijzen dat we het debat over deze kwestie al achter de rug hebben: we zijn nu bezig met de stemming.

Verslag (A5-0450/2003) van Neil MacCormick, namens de Commissie juridische zaken en interne markt, inzake het verzoek om verdediging van de parlementaire immuniteit en voorrechten van Olivier Dupuis (2003/2059(IMM))

(Het Parlement keurt het besluit goed)

Verslag (A5-0454/2003) van Giuseppe Gargani, namens de Commissie juridische zaken en interne markt, over het voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van een Cohesiefonds (gecodificeerde versie) (COM(2003) 352 – C5-0291/2003 – 2003/0129(AVC))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A5-0416/2003) van Joseph Daul, namens de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling, voor het verkoopseizoen 2004/05, van de in de sector zaaizaad toegekende steunbedragen (COM(2003) 552 – C5-0459/2003 – 2003/0212(CNS))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A5-0415/2003) van Joseph Daul, namens de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1453/2001 houdende specifieke maatregelen voor bepaalde landbouwproducten ten behoeve van de Azoren en Madeira en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 1600/92 (POSEIMA) met betrekking tot de toepassing van de aanvullende heffing in de sector melk en zuivelproducten op de Azoren (COM(2003) 617 – C5-0500/2003 – 2003/0244(CNS))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A5-0460/2003) van Joseph Daul, namens de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, over het voorstel voor een verordening van de Raad houdende afwijking van Verordening (EG) nr. 1251/1999 ten aanzien van de braakleggingsverplichting voor het verkoopseizoen 2004/2005 (COM(2003) 691 – C5-0559/2003 – 2003/0271(CNS))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A5-0462/2003) van Joseph Daul, namens de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2075/92 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (COM(2003) 633 – C5-0517/2003 – 2003/0251(CNS))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A5-0436/2003) van Luis Berenguer Fuster, namens de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie, over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van een overeenkomst ter verlenging van de overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika (COM(2003) 569 – C5-0503/2003 – 2003/0223(CNS))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Aanbeveling voor de tweede lezing (A5-0432/2003), namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid, betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 70/156/EEG en 80/1268/EEG van de Raad wat betreft de meting van de emissie van kooldioxide en het brandstofverbruik van voertuigen van categorie N1 (5997/1/2003 – C5-0491/2003 – 2001/0255(COD)) (Rapporteur: Robert Goodwill)

(De Voorzitter verklaart dat het gemeenschappelijk standpunt is goedgekeurd)

Aanbeveling voor de tweede lezing (A5-0430/2003), namens de Commissie vrijheden en rechten van de burger, justitie en binnenlandse zaken, betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake drugsprecursoren (9732/1/2003 – C5-0462/2003 – 2002/0217(COD)) (Rapporteur: Hubert Pirker)

(De Voorzitter verklaart dat het gemeenschappelijk standpunt is goedgekeurd)

Verslag (A5-0417/2003) van Michel Rocard, namens de Commissie cultuur, jeugd, onderwijs, media en sport, over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 508/2000/EG van 14 februari 2000 tot oprichting van het programma “Cultuur 2000” (COM(2003) 187 – C5-C5-0178/2003 – 2003/0076(COD))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A5-0426/2003) van Astrid Lulling, namens de Economische en Monetaire Commissie, over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de statistieken van het goederenverkeer tussen de lidstaten (COM(2003) 364 – C5-0285/2003 – 2003/0126(COD))

Vóór de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  Lulling (PPE-DE), rapporteur. – (FR) Dames en heren, maakt u alstublieft geen bezwaar tegen het feit dat ik het woord neem. We maken rustig vijf minuten vrij om een foto te nemen – waarbij overigens het beginsel van gender mainstreaming niet in acht wordt genomen, maar er was tenminste wel een Luxemburger bij, de bode – dus u kunt mij best twee minuutjes geven.

(Applaus)

 
  
  

(DE) Mijnheer de Voorzitter, met de voltooiing van de interne markt en de afschaffing van de grenscontroles in 1993 verdwenen ook de douaneaangiften waarop de statistieken van het goederenverkeer tussen de lidstaten waren gebaseerd. De behoefte aan informatie daarover bleef echter bestaan en daarom werd een systeem met de naam Intrastat in het leven geroepen. Dit systeem zou dit jaar zijn tiende verjaardag kunnen vieren, maar bij Eurostat is men momenteel niet in de stemming om feest te vieren.

Om recht te doen aan de ontwikkelingen van de afgelopen jaren is aanpassing van de verordening uit 1991 nodig. De Commissie heeft ons een goed voorstel voorgelegd dat wij grotendeels kunnen goedkeuren. Vooral de tekst en de regels zijn eenvoudiger en begrijpelijker geworden. Het toepassingsgebied van de regeling werd nauwkeuriger afgebakend. Dat maken we niet altijd mee. De lidstaten krijgen meer speelruimte bij het verzamelen van gegevens. Tenslotte maakt het voorstel van de Commissie ook in het kader van het SLIM-initiatief de belasting voor de bedrijven minder zwaar, hetgeen wij toejuichen. Desondanks had ik nog een paar amendementen ingediend – overigens met instemming van het Italiaanse Raadsvoorzitterschap – die unaniem werden aangenomen.

In de eerste plaats wordt de drempel voor vrijstelling van de plicht tot informatieverstrekking met 1 procent verhoogd, wat voor duizenden bedrijven tot een kostenbesparing leidt zonder dat de kwaliteit van de statistieken daaronder te lijden heeft. Een ander amendement zorgt ervoor dat goederen die slechts tijdelijk in een lidstaat worden ingevoerd en geen verandering ondergaan, buiten de regeling vallen. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn wanneer ik ooit zou trouwen en mijn bruidsjurk in een buurland zou huren om hem daarna weer terug te brengen. Dat zou dan niet in de statistieken worden opgenomen.

(Gelach en applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Hartelijk dank, mevrouw Lulling! U houdt altijd de vaart van het Parlement erin. Ik ben ervan overtuigd dat we nu veel beter op de hoogte zijn van deze kwestie.

(Applaus)

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Aanbeveling (A5-0414/2003), namens de Commissie begrotingscontrole, over het besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten betreffende de aan de secretaris-generaal van de Conventie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2002 (C5-0406/2003 – 2003/0903(AVC)) (Rapporteur: Helmut Kuhne)

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A5-0427/2003) van Hans Blokland, namens de Economische en Monetaire Commissie, over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, wat de procedure voor het treffen van afwijkende maatregelen alsmede de verlening van uitvoeringsbevoegdheden betreft (COM(2003) 335 – C5-0281/2003 – 2003/0120(CNS))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A5-0472/2003) van Othmar Karas, namens de Economische en Monetaire Commissie, over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 90/435/EEG betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (COM(2003) 462 – C5-0427/2003 – 2003/0179(CNS))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A5-0440/2003) van Struan Stevenson, namens de Commissie visserij, over het gewijzigd voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van bepaalde controlemaatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (COM(2002) 356 – C5-0356/2002 – 2002/0137(CNS))(COM(2003) 384 – C5–0430/2003 – 2002/0137(CNS))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A5-0437/2003) van Struan Stevenson, namens de Commissie visserij, over het voorstel voor een verordening van de Raad houdende bepaalde technische maatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (COM(2002) 355 – C5-0355/2002 – 2002/0138(CNS)) (COM(2003) 384 - C5-0431/2003 – 2002/0138(CNS))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Aanbeveling voor de tweede lezing (A5-0387/2003), namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid, betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen (10133/3/2003 – C5-0416/2003 – 2002/0128(COD)) (Rapporteur: Peter Liese)

Vóór de stemming over amendement 38:

 
  
MPphoto
 
 

  Liese (PPE-DE), rapporteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het amendement vraagt om enige toelichting. Wat de inhoud betreft ben ik persoonlijk voor het amendement. Daarom heb ik er bij de eerste lezing, evenals de grote meerderheid van het Parlement, ook voor gestemd. Het amendement bleek echter in de Raad niet haalbaar. We hebben zojuist gestemd over een compromis met de Raad. Amendement 38 maakt geen deel uit van de compromissen die we met de Raad hebben gesloten. In plaats daarvan hebben we amendement 58 bij de compromisvoorstellen opgenomen.

Wanneer we amendement 58 aannemen, kan de richtlijn waarschijnlijk zonder bemiddelingsprocedure worden aangenomen. Dit betekent niet dat het Parlement inhoudelijk van mening verandert, wat we niet alleen in de eerste lezing, maar ook bij andere gelegenheden steeds duidelijk hebben gemaakt. In deze procedure moeten we echter niet aan het amendement blijven vasthouden.

Iemand vroeg mij: “Hoe kan iemand die principes heeft, op deze belangrijke punten eigenlijk compromissen aangaan?” Ik denk dat juist in de Europese politiek compromissen moeten worden gesloten om resultaten te boeken. Ik vind niet dat we de politiek moeten overlaten aan mensen die geen principes hebben. Daarom verzoek ik u tegen amendement 38 en voor amendement 58 te stemmen.

(Applaus)

 
  
  

(De Voorzitter verklaart dat het (aldus gewijzigde) gemeenschappelijk standpunt is goedgekeurd)

Verslag (A5-0469/2003) van Klaus-Heiner Lehne, namens de Commissie juridische zaken en interne markt, over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het openbaar overnamebod (COM(2002) 534 – C5-0481/2002 – 2002/0240(COD))

(Het Parlement neemt de wetgevingsresolutie aan)

Na de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  Buttiglione, Raad. - (IT) Ik wil het Parlement en met name de heer Lehne en de commissieleden bedanken voor deze belangrijke stemming. Nu krijgen wij eindelijk een Europese wetgeving voor het openbare overnamebod. Wij hebben vijftien jaar voor dit resultaat moeten werken maar uiteindelijk is het gelukt. Dit is een belangrijke stap in de richting van eenmaking van de markten en zal onze efficiëntie verbeteren. Dit resultaat is te danken aan hard werken en daarom wil ik namens het voorzitterschap uiting geven aan onze voldoening.

(Applaus)

 
  
  

Verslag (A5-0467/2003) van Olle Schmidt, namens de Economische en Monetaire Commissie, over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG wat betreft de BTW op postale dienstverlening (COM(2003) 234 – C5-0227/2003 – 2003/0091(CNS))

(Het Parlement verwerpt het voorstel)

 
  
MPphoto
 
 

  Vitorino, Commissie. - (EN) Ik wordt nu natuurlijk geacht te zeggen dat ik de uitslag van de stemming betreur.

(Gelach)

Ik heb kennis genomen van de mening die een meerderheid van de leden van het Parlement heeft geuit. Conform de afspraken tussen het Parlement en de Commissie zal ik de kwestie in het college van Commissieleden ter sprake brengen om zorgvuldig na te denken over het standpunt van de Commissie in deze omstandigheden.

De Commissie zal te zijner tijd en op gepaste wijze het Parlement informeren over de uitkomst van deze overwegingen. Het is nu lunchpauze. Ik wens u smakelijk eten!

(Gelach en applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik neem aan, commissaris, dat dit betekent dat u het voorstel niet intrekt.

(Het verslag wordt terugverwezen naar de commissie overeenkomstig artikel 68, lid 3, van het Reglement)

Gezamenlijke ontwerpresolutie(1) over de organisatie van de markten en de concurrentieregels voor de vrije beroepen

(Het Parlement neemt de gezamenlijke resolutie aan)

De Voorzitter. Hiermee is de stemming beëindigd.

STEMVERKLARINGEN

 
  
  

- Verslag-Gargani (A5-0454/2003)

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (UEN), schriftelijk. - (PT) Bij dit thema heb ik herhaalde malen gesteld dat het hoognodig is het communautair recht zorgvuldig te vereenvoudigen teneinde het voor de burger toegankelijker en begrijpelijker te maken.

Dat is des te belangrijker in het kader van het Cohesiefonds waarbij meerdere zowel institutionele als particuliere spelers betrokken zijn. Alleen het stroomlijnen van de bureaucratie kan, samen met begrijpelijke wetsteksten, de doeleinden van deze mechanismen op correcte wijze dienen.

Helderheid en transparantie van het communautair recht zijn derhalve ook afhankelijk van de codificatie van wetgeving die al vaak is veranderd. In het onderhavige geval ging er een consolidatie in alle officiële talen van de Europese Unie aan vooraf. Daarom juich ik dit gecodificeerde voorstel toe en steun ik het van harte.

 
  
  

- Verslag-Daul (A5-0415/2003)

 
  
MPphoto
 
 

  Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. - (PT) Vanwege de economische bedrijvigheid en de werkgelegenheid die het product creëert, is melk een strategisch product voor de Azoriaanse economie. De zuivelsector kent een hoge productiviteit en is goed voor 80 procent van het bruto regionaal agrarisch product, 25 procent van de nationale melkproductie en garandeert zo’n vijfduizend producenten een inkomen.

Sinds het seizoen 1999/2000 overstijgt de productie de grens van 500.000 ton en in het seizoen 2002-2003 is zelfs 523.000 ton gehaald. Vanwege overschrijding van het quotum zou dat hebben geleid tot het betalen van extra heffingen en het faillissement van vele producenten indien de vrijstellingsregeling dat niet had voorkomen.

Gezien de specifieke kenmerken van de archipel hebben de Azoren een hoger melkquotum nodig, mede omdat er geen alternatieve levensvatbare economische activiteiten voor handen zijn in deze ultraperifere regio.

Het akkoord van de Landbouwraad op 25 juni 2003 in Luxemburg blijft achter bij de behoeften van de Azoren. Het extra quotum van 50.000 ton vanaf het seizoen 2005/2006 tot het seizoen 2014/2015 en de afwijking met 23.000 ton van de drempel voor de vrijstelling van de extra heffing volstaan niet. Het zou het meest rechtvaardig zijn die vrijstelling om te zetten in een quotum zonder beperking in de tijd. De Portugese regering zelf zag de noodzaak in om het quotum met 100.000 ton te verhogen, maar is helaas met veel minder akkoord gegaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (UEN), schriftelijk. - (PT) Ik heb voor dit verslag gestemd, omdat er volgens mij rekening gehouden dient te worden met de specifieke behoeften en omstandigheden van deze wonderschone Portugese archipel. In de autonome regio de Azoren speelt de zuivelsector een uiterst belangrijke rol.

Volgens mij dient de stabilisatie van de zuivelmarkt noch een sta-in-de-weg te zijn voor het respecteren van de tradities en de levenswijze op de Azoren noch een redelijke termijn uit te sluiten voor de Azoriaanse producenten om zich aan te passen aan de beperkingen van de regelgeving. Meer in het algemeen dient de stabilisering begrip te hebben voor de specifieke moeilijkheden ten gevolge van de ultraperifere ligging van de Azoren.

Daar ik de realiteit op de Azoren goed ken, acht ik het essentieel dat deze regio een extra quotum krijgt. Bovendien vind ik het verlengen in de tijd van deze uitzonderingsregeling fundamenteel. In samenspraak met de nationale en regionale autoriteiten moet de Unie informatie over levensvatbare alternatieve producten en het gebruik daarvan stimuleren. Ook het promoten van andere mogelijkheden om de landbouwgronden rendabel te maken zonder bedrijfsbeëindigingen en trek naar de stad is van belang. Dat zou in overeenstemming zijn met de rondgebazuinde maar weinig waargenomen economische en sociale samenhang.

Zonder deze inspanning zullen werkloosheid, verloedering en (e)migratie het gevolg zijn van de achteruitgang van de zuivelsector en een bedreiging kunnen vormen voor de Azoren. In het verleden is dat al gebeurd met de “sinaasappelcrisis”, die in de 19e eeuw deze archipel zwaar heeft getroffen.

 
  
  

- Verslag-Daul (A5-0462/2003)

 
  
MPphoto
 
 

  Patakis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Wij hebben tegen het verslag-Daul gestemd. Dat verslag gaat over de inhouding van 3 procent op de steun voor ruwe tabak in 2004 ten gunste van de financiering van een Europees tabaksfonds. Die inhouding zal namelijk het al erg karige inkomen van de arme tabakstelers nog verder doen verschrompelen, vooral in Griekenland, en dat om het onderzoek naar alternatieve gewassen of beroepsactiviteiten voor tabakstelers te bevorderen. In feite moeten tabakstelers zichzelf elimineren en daar nog voor betalen ook.

Het voorstel voor een communautair tabaksfonds beoogt hetzelfde doel als de aanstaande herziening van de verordening, namelijk het verminderen en zelfs afschaffen van de tabaksteelt. Dat zou een ramp zijn voor tabakproducerende landen zoals Griekenland. Op de tabaksplantages kunnen namelijk geen andere gewassen gedijen, omdat ze zich vooral bevinden in bergachtige, onvruchtbare streken en ze er vrijwel de enige broodwinning vormen voor de bevolking.

Wanneer de nieuwe versie van het Gemeenschappelijke Landbouwbeleid in 2005 van kracht wordt, zal het Fonds enorm veel geld bevatten. Geld dat moet dienen om de tabakstelers de doodsteek te geven...hun eigen geld dan nog. En wie wordt hier beter van? De Amerikaanse tabaksmultinationals, die 70 procent van de in Europa geconsumeerde tabak leveren.

In naam van een hysterische bevlieging bereiken de schijnheiligheid en het cynisme van de EU het toppunt. Dit is geen gefundeerd beleid tegen tabaksverslaving, want daar zouden wij wel mee instemmen.

 
  
  

- Verslag-Berenguer Fuster (A5-0436/2003)

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (UEN), schriftelijk. - (PT) Ik juich de verlenging van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika toe. Na goedkeuring door de Raad op 13 oktober 1998 is de oorspronkelijk Overeenkomst op 14 oktober 1998 in werking getreden.

Daar ik mij bewust ben van het gezamenlijk erfgoed en de gemeenschappelijke waarden die ons bij elkaar brengen, heb ik altijd het belang van de transatlantische band en de noodzaak om het partnerschap met de Verenigde Staten te verstevigen, verdedigd. Deze Overeenkomst is weer een stap in die richting en de tenuitvoerlegging ervan tot nu toe heeft beide partijen op wetenschappelijk en technologisch vlak al duidelijke voordelen bezorgd.

Wij hopen dat de Overeenkomst voortaan nog meer voordelen oplevert voor beide partijen. Meer publiciteit voor de Overeenkomst en een intensievere bewustmakingscampagne zouden dit kunnen bereiken. Ik heb natuurlijk voor dit verslag gestemd.

 
  
  

Aanbeveling voor de tweede lezing: Pirker (A5-0430/2003)

 
  
MPphoto
 
 

  Coelho (PPE-DE), schriftelijk. - (PT) Ik steun dit voorstel en het werk van de rapporteur, de heer Pirker. Ik juich het toe dat de Raad rekening heeft gehouden met de meeste voorstellen van het Europees Parlement uit de eerste lezing.

Dit initiatief beoogt richtlijn 92/109 om te zetten in een verordening met als doel vereenvoudiging van de wetgeving. Uniforme en gelijktijdige toepassing van deze wetgeving zal dan gemakkelijker zijn. Dat wordt nog relevanter door de uitbreiding van de Unie, want elke wijziging van de richtlijn of de bijlagen zou dan een omzettingsproces in nationale wetgeving in 25 lidstaten op gang brengen.

Het doel is de controle op de handel in drugsprecursoren te harmoniseren en het misbruik van deze precursoren voor de illegale productie van verdovende middelen te voorkomen. Het is tevens de bedoeling de handel in precursoren op de interne markt voor legale en legitieme doeleinden - zoals het produceren van geneesmiddelen - makkelijker te maken.

Gezien de steeds toenemende productie van en handel in synthetische drugs is het essentieel dat er wordt gezorgd voor een effectieve en strikte controle. Deze stoffen kunnen immers worden aangewend voor het illegaal produceren van verdovende middelen en psychotrope stoffen. Er dient ook nauwe samenwerking te komen tussen de bevoegde autoriteiten en de economische actoren in de chemische industrie.

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (UEN), schriftelijk. - (PT) Gezien het stijgend gebruik van synthetische drugs vind ik, teneinde het illegaal verbruik tegen te gaan, de bepleite maatregelen een belangrijke stap in de richting van flexibele en doeltreffende controle op de vele soorten precursoren die in grote hoeveelheden in de Gemeenschap in omloop zijn.

De aanbevolen vereenvoudiging van de wetgeving - met als doel de tekortkomingen van de huidige regelgeving weg te werken - kan de controle en het toezicht verbeteren en een stap vooruit betekenen bij de strijd tegen drugs.

Deze stoffen worden niet alleen gebruikt voor het illegaal produceren van drugs, maar ook voor de legale productie. Daarom is een garantie nodig voor nauwere samenwerking tussen deze industrietak en de overheid.

Ik heb voor dit verslag gestemd, daar de tekst in vergelijking met de eerste lezing aanzienlijk is verbeterd. De unanieme steun voor het verslag bij de stemming in de Commissie is daar een afspiegeling van.

 
  
  

- Verslag-Rocard (A5-0417/2003)

 
  
MPphoto
 
 

  Arvidsson, Cederschiöld, Grönfeldt Bergman, Stenmarck en Wachtmeister (PPE-DE), schriftelijk. (SV) Wij Zweedse conservatieven zijn van mening dat cultuurpolitiek niet op EU-niveau thuishoort. Cultuur is een onderdeel van onze samenleving dat het best functioneert zonder politieke bemoeienis.

Daarom stemmen wij tegen dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. - (PT) Het programma “Cultuur 2000” is bedoeld als eenheidsinstrument voor de financiering en programmering van de culturele samenwerking in de Europese Unie en vervangt de drie eerdere programma’s RAPHAEL, ARIANE en KALEIDOSCOOP. Het programma beschikt over 167 miljoen euro en eindigt op 31 december 2004. Het nieuwe cultureel kaderprogramma is pas gepland voor begin 2007. Daarom wil de Commissie het huidige programma verlengen voor de jaren 2005 en 2006 om de continuïteit van de activiteiten te verzekeren. Wij vinden dat positief en daarom hebben wij het voorstel gesteund.

Wij vinden het bedrag dat is uitgetrokken voor dit eenheidsinstrument duidelijk onder de maat gezien de behoeften op het vlak van culturele samenwerking. In het licht van de uitbreiding is ook het beschikbare bedrag voor de jaren 2005 en 2006, bijna 67 miljoen euro, erg laag.

Daar er een aantal wijzigingen in het huidige programma nodig zijn, moet er een evaluatieverslag komen. Ook de Commissie vindt die wijzigingen noodzakelijk. Bijvoorbeeld: meer steun voor behoud en restauratie van het Europees cultureel erfgoed door de UNESCO; grotere participatie in en steun aan de initiatieven voor culturele samenwerking van lokale verenigingen en instellingen; meer steun voor de aanschaf van culturele uitrusting door plaatselijke verenigingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (UEN), schriftelijk. - (PT) Ik steun het voorstel van de Commissie om het programma “Cultuur 2000” te verlengen. “Cultuur 2000” hergroepeert de drie eerdere programma’s RAPHAEL, ARIANE en KALEIDOSCOOP en is een eenheidsinstrument voor de financiering en programmering van de culturele samenwerking.

Dit kaderprogramma streeft naar de realisering van een gemeenschappelijke culturele ruimte door de interculturele dialoog aan te moedigen en de kennis van de geschiedenis en de creatieve activiteit, de cultuurspreiding en de mobiliteit van kunstenaars en hun werken te bevorderen. Tevens is het de bedoeling het Europees cultureel erfgoed, de nieuwe culturele uitdrukkingsvormen en de sociaal-economische functie van de cultuur uit te breiden.

Gezien de wens het Europees project te consolideren acht ik deze interculturele dialoog nuttig. Voorts vind ik het nodig de culturele verscheidenheid van de lidstaten te handhaven, te bevorderen en te verbreiden, daar deze een van de grootste rijkdommen van de Unie vormt.

Bij het voeren van een cultureel samenwerkingsbeleid zal er derhalve afstand moeten worden genomen van iedere bekrompenheid in ons denken, van de culturele “monoloog” en vooral van het historisch revisionisme, gebaseerd op utopische projecten.

Ik heb voor dit verslag gestemd.

 
  
  

Aanbeveling voor de tweede lezing

: Kuhne (A5-0414/2003)

 
  
MPphoto
 
 

  Berthu (NI), schriftelijk. – (FR) Naar aanleiding van de stemming over de kwijting voor de begroting van de Conventie wil ik erop wijzen dat dit lichaam, ondanks de lof die de federalisten het toezwaaien, voor een groot deel verantwoordelijk is voor het op niets uitlopen van de Raad van Brussel over de Europese grondwet.

Allereerst was de samenstelling ervan geen afspiegeling van de totale Europese publieke opinie, omdat er zo goed als geen voorvechters van nationale soevereiniteit in vertegenwoordigd waren. Dit heeft bij de Britse afgevaardigde Gisela Stuart, die toch zitting had in het Presidium, tot de uitspraak geleid dat het een gecoöpteerde elite betrof.

Ook zijn de conclusies van de Conventie allerminst eensgezind tot stand gekomen. Integendeel, ze zijn direct gestuurd door de Europese instellingen. Landen of personen met een afwijkende mening werden op een zijspoor geschoven, geheel volgens het adagium van de heer Giscard d’Estaing: “Consensus is minder dan eensgezindheid, maar meer dan een meerderheidsstandpunt”.

In dit Huis is een microklimaat geschapen, een soort communicatief euro-enthousiasme, dat wordt gestuurd door de federalisten en dat veel leden de nationale standpunten en belangen uit het oog heeft doen verliezen. Die hebben zich vervolgens gewroken.

Tenslotte was er een bovenmatige ambitie om de Verdragen volledig te herschrijven, met als gevolg dat uiteindelijk veel problemen technisch afgeraffeld bleken te zijn.

 
  
  

- Verslag- Blokland (A5-0427/2003)

 
  
MPphoto
 
 

  Bordes, Cauquil en Laguiller (GUE/NGL), schriftelijk. – (FR) In dit verslag wordt de procedure voor het treffen van afwijkende maatregelen behandeld voor het ontwikkelen van een gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

Als de Europese instellingen zich eens zouden toeleggen op de belangen van de meerderheid van de bevolking, zouden ze voorstellen de BTW gelijk te trekken door haar af te schaffen. Dat zou de procedure ook een stuk eenvoudiger maken...

Maar de Europese instellingen zijn er natuurlijk – net als de nationale staten – vooral op uit om de belastingdruk voor particuliere ondernemingen en de bevoorrechte sociale klassen te verlichten door deze des te zwaarder op de schouders van de bevolking, inclusief de allerarmsten, te laten rusten. Daar zijn de indirecte belastingen en met name de BTW ook voor bedoeld. Ze zijn uitermate onrechtvaardig want doordat ze niet evenredig naar inkomen worden berekend treffen ze de armen zwaarder dan de rijken.

Uiteraard hebben wij tegen het verslag gestemd.

 
  
  

- Verslag-Karas (A5-0472/2003)

 
  
MPphoto
 
 

  Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. - (PT) Het ogenschijnlijke doel van deze ontwerprichtlijn is dubbele belastingheffing op bedrijfswinsten te voorkomen door ervoor te zorgen dat de belaste winsten die een dochteronderneming als dividend uitkeert aan de moedermaatschappij niet twee maal worden belast. Maar in feite gaat het erom het “belastingnadeel” dat multinationale concerns hebben in vergelijking met nationale concerns te compenseren als antwoord op verzoeken in die zin van de “ondernemerswereld”.

De kern van het voorstel vormt de uitbreiding van de werkingssfeer van de richtlijn tot meer ondernemingen en de verlaging van de minimale deelnemingsvereiste van 25 procent naar 10 procent. Dat is het minimumpercentage om de rol van de moedermaatschappij in een dochtermaatschappij te erkennen voor bijvoorbeeld vrijstelling van belastingheffing aan de bron. De rapporteur wilde eigenlijk helemaal geen minimumvereiste en stelt voor het percentage te verlagen tot 5 procent onder het Commissievoorstel.

De kwestie waar het hier om gaat is niet zozeer de dubbele belastingheffing, maar het verschaffen van wettelijke middelen aan de multinationals voor het beheren van hun belastingvoordelen. Zij krijgen belastingvrijstelling en grensoverschrijdende aftrekregelingen om de belasting op hun winsten te drukken en de mogelijkheden om “legaal” de belasting te ontduiken te vergroten. Portugal is een van de drie landen met een deelnemingsvereiste van 25 procent. Daardoor zal de richtlijn druk gaan uitoefenen om de belastingregeling voor de nationale concerns te wijzigen.

 
  
  

Aanbeveling voor de tweede lezing

: Liese (A5-0387/2003)

 
  
MPphoto
 
 

  Alavanos (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) De ontwerprichtlijn betreffende hoge normen voor de kwaliteit en veiligheid van menselijke weefsels en cellen vult een grote leemte in de Gemeenschapswetgeving. Nu kan een optimale kwaliteit en veiligheid worden verzekerd van weefsels en cellen bestemd voor transplantatie of andere doeleinden, die heel precies moeten worden omschreven. Zo krijgen we ook een vergelijkbaar niveau van kwaliteit en veiligheid in alle lidstaten. In overeenstemming met de standpunten van mijn fractie, de GUE/NGL, heb ik tegen het blok amendementen 1, 3 en 4 en tegen amendement 38 gestemd. Ik heb voor blok 2 en voor amendement 58 gestemd. Het Europese Parlement mag zich niet terughoudend opstellen en het toepassingsgebied van de richtlijn beperken. Integendeel, het Parlement moet de hoogste normen voor kwaliteit en veiligheid bewerkstelligen.

 
  
MPphoto
 
 

  Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. - (PT) Centraal staat in het verslag een pleidooi voor het verbod op de handel in menselijke weefsels en cellen. Door het verkrijgen van weefsels en cellen zonder winstoogmerk te garanderen wil de rapporteur voorkomen dat het menselijke lichaam of delen daarvan een bron worden van financieel gewin.

Dat is een waarborg voor het vrijwillig en onbetaald doneren (zoals bij transplantaties). Daarom dienen de handel en de grote belangen van bedrijven die gerelateerd zijn aan de gezondheidszorg en het doneren van menselijke weefsels en cellen, bestreden te worden.

De logica die het menselijk lichaam tot koopwaar maakt dienen wij te bestrijden. Daarvoor zijn transparante criteria en regels nodig, hoewel daarmee het wetenschappelijk onderzoek voor therapeutische doeleinden niet in gevaar mag komen. Daarom heeft mijn fractie de aangenomen compromisresolutie gesteund.

 
  
MPphoto
 
 

  Meijer (GUE/NGL), schriftelijk. Het minst omstreden in dit voorstel is dat de anonimiteit van zaadceldonoren wordt opgeheven. Herstel van gebreken en beschadigingen van het menselijk lichaam met behulp van weefsels en cellen van andere mensen blijft daarentegen een gevoelig onderwerp. Terecht bestaat er grote tegenstand tegen het verwekken van kinderen met het doel om embryo's door middel van abortus beschikbaar te krijgen als leverancier van menselijk reparatiemateriaal. Even terecht is de afkeer van commerciële exploitatie, waarbij mensen materiaal uit hun lichaam verkopen als middel om over inkomsten te kunnen beschikken, zoals dat vanouds het geval is met donoren van bloed in Amerika. Regels die gericht zijn tegen het op deze manieren beschikbaar krijgen van menselijk materiaal hebben mijn steun. Pogingen om de regels verder aan te scherpen, zodat bijvoorbeeld ook onderzoek van stamcellen wordt verboden, krijgen mijn steun niet. Als het mogelijk blijkt om door middel van stamcellen gebreken en beschadigingen van het menselijk lichaam te repareren is het kortzichtig om die mogelijkheid bij voorbaat uit te sluiten. Voor orgaantransplantatie, waarvoor een afzonderlijke regeling in voorbereiding is, zouden dezelfde criteria moeten gelden. Ik respecteer het bestaan van de opvatting dat de mens niet moet proberen om de schepping van het leven door God te verbeteren, maar als we deze lijn consequent volgen, maakt die ook delen van de bestaande gezondheidszorg illegaal.

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (UEN), schriftelijk. - (PT) Het is onmogelijk voor het zeer gevoelige thema menselijke weefsels en cellen - waarbij het vooral gaat om een hoog gezondheidsbeschermingsniveau - kwaliteits- en veiligheidsnormen vast te stellen zonder ethische regels.

De onmisbaarheid van ethische regels zou eigenlijk niet ter discussie moeten staan. Bovendien raken vele amendementen, zoals de rapporteur in zijn toelichting zegt, weliswaar ethische vraagstukken, maar hebben ze steeds als doel een minimumniveau voor de bescherming van de gezondheid te garanderen.

Daarom ben ik van mening dat amendementen over het vrijwillige en onbetaalde karakter van het doneren van menselijke weefsels en cellen en het verbod op de handel in delen van het menselijke lichaam niet in strijd zijn met de rechtsgrond in artikel 152 van het Verdrag.

Daar het gemeenschappelijk standpunt geen rekening houdt met deze belangrijke opmerkingen van het Europees Parlement in de eerste lezing, is het voor mij moeilijk aanvaardbaar. Tegelijkertijd ben ik mij ervan bewust dat het om een uiterst belangrijke richtlijn gaat en daarom heb ik net als de Fractie Unie voor een Europa van Nationale Staten, waartoe ik behoor, het compromis gesteund. Het is dan wel geen volmaakte tekst voor deze materie, maar het geeft een redelijk minimumniveau voor de bescherming van de gezondheid. Dat evenwicht is beter dan helemaal niets.

 
  
MPphoto
 
 

  Zrihen (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor dit verslag gestemd en ik ben blij dat een ruime meerderheid van het Parlement dat eveneens heeft gedaan. Dankzij de compromissen die uit de onderhandelingen met de Raad en de Commissie zijn gekomen staat niets nu meer een snelle aanneming en tenuitvoerlegging in de weg van deze richtlijn tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen. Dat is uitstekend nieuws in de strijd tegen een aantal ongeneeslijke ziekten. Deze kunnen steeds vaker worden bestreden middels transplantatie van menselijke cellen en weefsels en dat biedt voor veel van onze medeburgers nieuwe hoop. Uiteraard moeten deze therapeutische toepassingen en het medisch onderzoek worden gebonden aan transparante en strikte regelgeving, zowel om de risico’s te minimaliseren als om zeker te stellen dat de ethische beginselen in acht genomen worden. In dat opzicht kunnen we tamelijk tevreden zijn met het bereikte resultaat. Het principe van de kosteloosheid en het vrijwillige karakter van de donatie zijn vastgelegd. Bovendien wordt het beginsel in acht genomen dat het menselijk lichaam niet als zomaar een bron van financieel voordeel mag worden aangewend.

 
  
  

- Verslag-Lehne (A5-0469/2003)

 
  
MPphoto
 
 

  Fatuzzo (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, er zijn teveel afgevaardigden in deze zaal. Ik ben er niet aan gewend om mijn stemverklaring af te leggen met zoveel mensen om mij heen. Als u wilt dat we wachten totdat iedereen weg is, vind ik dat prima. Anders begin ik met mijn stemverklaring.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Mijnheer Fatuzzo, op basis van de volgorde van dit Parlement moet ik u nu het woord geven. Het lijkt me dat u nu een groter publiek heeft dan in het verleden soms misschien het geval is geweest!

 
  
MPphoto
 
 

  Fatuzzo (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, ik heb voor het voorstel van de heer Lehne over het OOB, het openbaar overnamebod, gestemd. Ik heb echter vooral gedacht aan de gepensioneerde en niet-gepensioneerde spaarders. Die werden helaas niet beschermd in het geval van de Argentijnse obligaties waarin zij hadden geïnvesteerd en waardoor een groot deel van hun spaarcenten in rook opging.

Daardoor zijn talrijke gepensioneerden, werknemers en burgers een stuk armer geworden. Daarom hoop ik dat de Europese Unie iets doet om herhaling van dergelijke situaties te voorkomen. Er mogen geen problemen meer rijzen waar de burgers van alle Europese staten, die vertrouwden op de controle door hun regering, het slachtoffer van worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Arvidsson, Cederschiöld, Stenmarck en Wachtmeister (PPE-DE), schriftelijk. (SV) Het eigendomsrecht is een fundamentele voorwaarde voor de markteconomie. De fundamentele voorwaarde voor de herziening die plaats zal vinden door middel van de richtlijn betreffende het openbaar overnamebod, moet het respect voor het eigendomsrecht zijn. In Zweden hanteert men al jarenlang een indeling van A- en B-aandelen. De komende herziening moet de handhaving van dit systeem mogelijk maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Berthu (NI), schriftelijk. – (FR) Na jaren discussiëren over de harmonisering van de wetgeving betreffende het openbaar overnamebod is men eindelijk tot de enige verstandige conclusie gekomen: op punten die gevoelig liggen moeten we maar niet naar harmonisering streven en kunnen we beter de lidstaten vrijlaten het beleid te kiezen dat het best bij hun economisch-structurele situatie past. Maar wat hebben we een tijd verdaan om tot die conclusie te komen!

Wij steunen in het bijzonder het compromis voor de beschermingsmaatregelen tegen een vijandig overnamebod: sommige staten kunnen een zekere bewegingsruimte verlenen aan de raden van bestuur, andere zullen het aan de algemene aandeelhoudersvergadering alleen overlaten. Laten we hopen dat dit voorlopige compromis gehandhaafd zal worden: het opent namelijk de weg naar een meer pragmatische en minder uniformiseringsgerichte opvatting van de Europese markt en volgens ons is dat de goede.

Wij betreuren echter dat de kwestie van de golden shares, de aandelen met bijzondere prioriteitsrechten, niet in dit compromis is opgenomen. Deze aandelen worden door sommige staten gebruikt om het publiek belang veilig te stellen in grote geprivatiseerde ondernemingen, vooral tegen het gevaar van buitenlandse overname. De Commissie en het Hof van Justitie mogen dit systeem dan te vuur en te zwaard bestrijden, het is een beschermend systeem dat meer legitimiteit zou moeten krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bordes, Cauquil en Laguiller (GUE/NGL), schriftelijk. – (FR) Sommige afgevaardigden zouden willen dat bij een openbaar overnamebod de vertegenwoordigers van het personeel van de betreffende bedrijven beter op de hoogte gesteld worden dan in deze richtlijn wordt voorzien. Dat kan wel zijn, maar waarom wordt er dan tegelijkertijd in een van die amendementen voorgesteld om “verplichtingen tot inachtneming van vertrouwelijkheid” toe te staan, hetgeen er uiteindelijk op neer komt dat de informatie wordt voorbehouden aan enkele afgevaardigden en wordt onthouden aan het volledige personeel?

En al waren die amendementen aangenomen, dan nog zou dat de arbeiders allerminst beschermen tegen de dramatische gevolgen van de terugkoop van aandelen, in het bijzonder de collectieve ontslagen onder voorwendsel van herstructurering.

De Europese autoriteiten leggen zich erop toe de wirwar van regels op dit terrein, zoals hier met betrekking tot het openbaar overnamebod, enigszins gelijk te trekken. Maar ze hebben volstrekt maling aan degenen die, overnamebod of niet, elk jaar in groter getale op straat komen te staan omdat het inkrimpen van het personeelsbestand, en daarmee het terugbrengen van de loonkosten, een van de middelen is waarmee de kapitaalbezitters de beurskoers van hun aandelen doen stijgen.

Alleen een verbod op collectieve ontslagen zou de arbeiders kunnen beschermen tegen de dramatische gevolgen die een openbaar overnamebod kan hebben voor hun banen. Wij hebben dan ook tegen dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Lulling (PPE-DE), schriftelijk. – (DE) We discussiëren nu al meer dan tien jaar over de richtlijn betreffende het openbaar overnameverbod. Zoals bekend heeft de eerste versie tweeënhalf jaar geleden de laatste hindernis in het Parlement niet kunnen nemen. Ik ben blij dat dankzij de onderhandelingen die zowel in de Raad als door onze rapporteur, de heer Lehne, zijn gevoerd, er nu eindelijk een goede kans bestaat dat deze belangrijke tekst wordt aangenomen.

Het Portugees-Italiaanse compromis dat in de Raad bereikt werd en zowel door de Commissie juridische zaken en interne markt als door de Economische en Monetaire Commissie werd goedgekeurd, lijkt mij gezien de gecompliceerde situatie het best mogelijke resultaat. Het vastleggen van de doelstelling om artikel 9 en 11 in heel Europa toe te passen, terwijl de lidstaten tegelijkertijd de mogelijkheid wordt gegeven om hun bedrijven daar niet toe te verplichten, is natuurlijk niet ideaal, maar het is het enig mogelijke compromis. Het alternatief zou zijn dat we helemaal geen richtlijn hebben en dat wil toch niemand. Een kleine stap in de goede richting is altijd nog beter dan jarenlang stil te blijven staan. Ik huldig de opvatting dat de lidstaten in enkele uiterst strategische sectoren bijzondere rechten moeten krijgen die ze bij mogelijke overnames kunnen uitoefenen. Het voorliggende verslag voorziet indirect in deze mogelijkheid, wanneer de lidstaten van het eerder genoemde recht gebruik maken. Het probleem van vooral Scandinavië met de effecten met meervoudige stemrechten is ook opgelost, zonder het belangrijke level playing field in gevaar te brengen dat bedrijven gelijke kansen garandeert.

(Verklaring ingekort overeenkomstig artikel 137, lid 1, van het Reglement)

 
  
MPphoto
 
 

  Manders (ELDR), schriftelijk. Alhoewel ik vóór de richtlijn heb gestemd, heb ik er grote moeite mee en ik heb de neiging gehad om tegen te stemmen.

Enkele elementen, zoals het verplicht bod ter bescherming van minderheidsaandeelhouders zijn een geringe verbetering.

Het wetsvoorstel is na jarenlang politiek getouwtrek ontaard in een verwaterd compromis. De term richtlijn is eigenlijk niet eens op zijn plaats, lege huls zou een beter predikaat zijn. Het oorspronkelijke doel van de richtlijn, het scheppen van gelijke voorwaarden bij bedrijfsovernames binnen de hele EU, is volledig weggeërodeerd. Doordat lidstaten ervoor mogen kiezen de richtlijn al dan niet in nationale wetgeving om te zetten, zullen beschermingsconstructies in de EU nog steeds een belemmering op het vrij verkeer van kapitaal vormen. Hierdoor wordt de broodnodige dynamiek van de interne markt onvoldoende benut.

Aanvaarding van dit voorstel door Raad en Parlement toont wederom dat nationale belangen nog steeds prevaleren boven vergroting van concurrerend vermogen van de EU als geheel. En daarmee wordt opnieuw een stuk onmacht van Europa op pijnlijke wijze blootgelegd.

Ik heb van meet af aan gepleit voor een volledige doorbraakregel. Alleen een volledige doorbraakregel garandeert een eerlijke interne markt voor overnames, die van vitaal belang is voor de optimalisering van de concurrentiepositie van de EU ten opzichte van de rest van de wereld. Dit is tevens de mening van de hele VVD-delegatie.

 
  
MPphoto
 
 

  McCarthy (PSE), schriftelijk. - (EN) De Europese afgevaardigden van de Britse Labour Partij (EPLP) zijn teleurgesteld dat aanvullende amendementen om de informatie- en raadplegingsbepalingen in de richtlijn te versterken met een krappe meerderheid zijn afgewezen door een coalitie onder leiding van de EVP en de liberalen. De EPLP heeft amendementen gesteund die werknemers tijdens het biedingsproces uitgebreidere rechten verschaffen op informatie en raadpleging.

Desalniettemin accepteren we dat deze richtlijn op het gebied van de informatie en raadpleging een verbetering voor werknemers is vergeleken met de richtlijn van juli 2001.

De artikelen 6, 9 en 13 zijn een verbetering op het punt van de werknemersrechten. Het oorspronkelijke voorstel van de Commissie bepaalde zelfs dat de bepalingen van de informatie- en raadplegingsrichtlijn zouden gelden onverminderd de overnamerichtlijn, maar nu is expliciet aangegeven dat de overnamerichtlijn van kracht is onverminderd de informatie- en raadplegingsrichtlijn.

Voor de EPLP komt het neer op een politiek oordeel: kunnen we beter helemaal geen richtlijn hebben en zo toestaan dat een ongereguleerde markt voor overnames blijft bestaan, zonder openbaarmaking of transparantie van bedrijfsstructuren en met weinig of geen waarborging van de rechten van werknemers op informatie en raadpleging, of is het beter om voor een richtlijn te stemmen waarmee het mogelijk wordt aanmerkelijke vorderingen te maken met het creëren van een open en transparant kader voor overnames, en die nieuwe normen invoert om zowel de rechten van de werknemers als die van de investeerders te waarborgen? We hebben voor het laatste gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Meijer (GUE/NGL), schriftelijk. Bedrijven waren vroeger bedoeld voor de eeuwigheid. Ondanks belangentegenstellingen waren ondernemers en arbeiders het erover eens dat hun bedrijf aan steeds weer nieuwe generaties werk zou verschaffen. De ondernemer die het bedrijf gesticht had, zag dat als zijn levenswerk. Hij geloofde in zijn product en in zijn bijdrage aan de vooruitgang voor zijn stad of streek. Voor de arbeiders was het de plek die hun een bestaansbron opleverde en ze samenbracht met collega's. Meer zeggenschap over hun bedrijf en een beter inkomen waren de toekomst. Tegenwoordig zijn bedrijven handelswaar. Ze worden opgekocht, verplaatst, gesloten of leeggeplunderd om het kapitaal beschikbaar te krijgen voor activiteiten die meer winst voor de eigenaren opleveren. Anonieme internationale machten maken snel een eind aan alle oude zekerheden. Wetgeving over overnames kan heel verschillende doelen dienen. Het ene doel is bescherming van de werknemers en hun vaste leefomgeving. Het andere is het vergemakkelijken van de handel in bedrijven om voor hun aandeelhouders een maximaal voordeel op te leveren. Die twee gaan niet goed samen. Daarom hebben diegenen ongelijk die beweren dat de totstandkoming van een overnamerichtlijn belangrijker is dan de inhoud ervan. Net als in 2001 stem ik ook nu weer voor alles wat bijdraagt tot de eerste soort richtlijn en tegen alles wat leidt naar de tweede soort.

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (UEN), schriftelijk. - (PT) Op 4 juli 2001 heb ik deelgenomen aan de vergadering van het bemiddelingscomité over dit voorstel, waarin het EP en de Raad geen akkoord hebben kunnen bereiken. Toen ging het om de bepaling dat de raden van bestuur van een vennootschap waarop een openbaar overnamebod was uitgebracht, geen beschermingsmaatregelen mochten nemen tegen het bod.

Vandaag heeft het Europees Parlement een pakket regels voor deze materie goedgekeurd waarmee de lidstaten en de vennootschappen de mogelijkheid krijgen - niet de plicht - beschermingsconstructies die niet de formele goedkeuring hebben verkregen van de algemene vergadering van aandeelhouders onwettig te verklaren.

Dit nieuwe voorstel is een stap in de richting van de bescherming van de houders van minderheidsaandelen bij een openbaar overnamebod. Het maakt tevens de weg vrij voor dit belangrijke element van het vennootschapsrecht en van het internationaal financieel-economisch leven. Dat zijn de redenen waarom ik heb voorgestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (UEN), schriftelijk. - (PT) Dit voorstel heeft als doel integratie van de Europese markten, harmonisatie van de condities voor bedrijfsherstructureringen, versterking van de rechtszekerheid voor het grensoverschrijdend openbaar overnamebod ten gunste van alle belanghebbenden en het garanderen van bescherming voor de houders van minderheidsaandelen bij een openbaar overnamebod. Aldus komt er meer transparantie in de beschermingsstructuren en -mechanismen.

Dit is het derde voorstel voor een richtlijn betreffende het openbaar overnamebod. Ik heb het gesteund, daar na vele klippen en verhitte discussies de haven van bestemming in zicht is. Ik heb lof voor de manier waarop de instellingen naar elkaar hebben geluisterd en met elkaar zijn omgegaan in de loop van de behandeling van dit voorstel.

Voor de voltooiing van de interne markt en voor het concurrentievermogen van Europa - met name ten opzichte van de VS - is immers een geleidelijke verbetering van onze financiële diensten nodig. Daarmee kan een gezond concurrentieklimaat tussen de Europese bedrijven tot stand komen op basis van billijkheid, transparantie en duurzame groei.

In 1989 en 1996 waren de zorgen over de effecten van het openbaar overnamebod voor de werkgelegenheid, en meer in het algemeen over de sociale effecten van het voorstel, het grootste obstakel voor de goedkeuring van deze richtlijn. Ik denk dat de zorgen van toen centraal moeten blijven staan bij de regelgeving. Slechts op die manier valt de dimensie “sociale verantwoordelijkheid van de ondernemingen” waarvoor de Unie strijdt, werkelijk te begrijpen. Het is ook een voorwaarde voor het realiseren van een dynamische en concurrerende economie gericht op het scheppen van meer en beter werk en grotere sociale samenhang.

 
  
MPphoto
 
 

  Sacrédeus (PPE-DE), schriftelijk. (SV) Ik heb besloten om tegen het verslag en tegen de ontwerprichtlijn te stemmen, die desalniettemin werd aangenomen met 325 stemmen voor, 221 stemmen tegen en zeven onthoudingen.

Een zekere harmonisatie van de regels van de verschillende lidstaten voor de financiële markten kan noodzakelijk zijn om de interne markt, en daarmee de economische groei, te stimuleren. Toch volgt de richtlijn betreffende het openbaar overnamebod de verkeerde koers.

Als de richtlijn wordt aangenomen, blijft het Zweedse systeem met A- en B-aandelen als uitzondering bestaan. Als er na vijf jaar een herziening van de richtlijn plaatsvindt, brengt dat het overduidelijke risico met zich mee dat het Zweedse systeem opnieuw op de helling komt te staan en misschien wel definitief wordt afgeschaft.

Het systeem van A- en B-aandelen is open, niet-discriminerend en gebaseerd op vrijwillige aangegane koopovereenkomsten. Er bestaat geen bewijs voor beweringen dat het systeem met gedifferentieerde aandelen met stemrecht bedrijfsovernames verhindert. Principiëlere bezwaren zijn dat men op EU-niveau geen besluiten mag nemen over eigendomsvormen, niet mag morrelen aan het eigendomsrecht of een langdurige eigenaarsverantwoordelijkheid binnen een bedrijf niet mag tegenhouden.

Verder heb ik voor de amendementen gestemd die het personeel van een bedrijf de mogelijkheid willen bieden om hun mening te geven over een overnamebod doordat het bestuur van een bedrijf de vertegenwoordigers van de werknemers daarover raadpleegt.

 
  
MPphoto
 
 

  Zrihen (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik heb tegen deze richtlijn gestemd nadat drie cruciale amendementen die waren gericht op het volledig en tijdig inlichten en raadplegen van de werknemers, zowel in de biedende onderneming als in de onderneming waar het overnamebod op gedaan wordt, het niet gehaald hebben. Volgens sommigen zou dat al zeker zijn gesteld in andere richtlijnen en zou het dus onnodig zou zijn deze kwestie in deze richtlijn opnieuw mee te nemen. Ook commissaris Bolkestein is die mening toegedaan. Ik ben daar echter niet van overtuigd, want het zou moeilijk te begrijpen zijn waarom het dan op zoveel weerstand stuit om een minimale portie sociale dialoog in deze richtlijn op te nemen. Ik ben het echter volledig met de heer Bolkestein eens dat deze richtlijn zoals ze is aangenomen, met het fiat van de Commissie en de Raad, geen sociale richtlijn is; het is zelfs overduidelijk een antisociale richtlijn! Na vijftien jaar debatteren vind ik het, net als de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, erg jammer dat noch de Raad, noch de Commissie, noch een meerderheid van het Parlement in staat zijn geweest te begrijpen dat de werknemers net zo belangrijk zijn als de aandeelhouders en dat zij bovenal het recht hebben om ingelicht en ook gehoord te worden als een fusie aan de orde is. Al met al dus een droevige dag voor het Europese sociale model!

 
  
  

- Verslag-Schmidt (A5-0467/2003)

 
  
MPphoto
 
 

  Fatuzzo (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dit document gaat over BTW, over de belasting op de toegevoegde waarde op postzegels. Ik had een visioen: wij waren in het jaar 2013; ik was nog steeds lid van dit Parlement en de heer Schmidt had weer een verslag over postzegels. In de daaraan voorafgaande jaren, en voor ons toekomstige jaren - want ik doe alsof wij in 2017 waren – hadden echter steeds minder mensen gebruik gemaakt van postzegels en van de gewone post. De heer Schmidt zei dan ook in zijn verslag dat degenen die schrijven gefinancierd moesten worden en hun de postzegels cadeau moesten worden gedaan. Ik bedoel hiermee te zeggen, mijnheer de Voorzitter, dat postzegels en de post zo duur zijn geworden dat het langzamerhand antiquiteiten zijn, net als oude auto´s.

Dit is mijn laatste stemverklaring voor vandaag, of liever gezegd van heel 2003. Hartelijk dank en smakelijk eten!

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Dank u, mijnheer Fatuzzo. Ik denk dat u het Parlement met uw opmerkingen het zwijgen heeft opgelegd.

 
  
MPphoto
 
 

  Alavanos (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Ik ben het er niet mee eens dat de burger omwille van de concurrentie tussen overheidsdiensten en particuliere diensten meer moet gaan betalen voor zijn post. De post levert diensten van algemeen belang en dat wordt hier blijkbaar volledig genegeerd. Daarom heb ik net als de hele GUE/NGL-Fractie tegen de betreffende amendementen van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christendemocraten) en Europese democraten gestemd en ook tegen de rest van het voorstel.

 
  
MPphoto
 
 

  Attwooll, Clegg, Davies, Duff, Huhne, Lynne, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Wallis en Watson (ELDR), schriftelijk. - (EN) De liberaal-democraten hebben niet met de rest van de ELDR-Fractie meegestemd over het verslag van de heer Schmidt. We hebben tegen de amendementen 1 tot en met 13 en het voorstel gestemd, omdat we wilden dat het voorstel in zijn huidige vorm zou worden ingetrokken. Onze reden daarvoor is dat we van mening zijn dat BTW op postale dienstverlening, vooral met betrekking tot het zekerstellen van een universele dienst voor pakketten van minder dan twee kilogram, een zaak is die op grond van het subsidiariteitsbeginsel het beste aan de nationale regeringen kan worden overgelaten. We blijven echter openstaan voor toekomstige voorstellen die meer concurrentie proberen te bewerkstelligen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bordes, Cauquil en Laguiller (GUE/NGL), schriftelijk. – (FR) Dit verslag is enkel en alleen gericht op de concurrentievervalsing die schadelijk zou kunnen zijn voor de particuliere bedrijven die de postsector belagen, en helemaal niet op de belangen van de gebruikers of de werknemers van de post.

Meer dan honderd jaar geleden hebben de Europese staten publieke postdiensten opgezet die tamelijk goed functioneerden, totdat men begon de criteria van publieke dienstverlening te vervangen door criteria van rentabiliteit. Het goed functioneren van openbare diensten, en met name de postdiensten, is lange tijd een van de meest betrouwbare graadmeters geweest van het ontwikkelingsniveau, of zelfs van het beschavingspeil van een land.

Juist doordat de postdiensten enigszins behoed werden voor concurrentie en winstbejag konden ze hun taak vervullen; juist doordat ze hun bestaansrecht niet ontleenden aan het maken van winst maar aan de dienstverlening aan allen konden ze tot in de meest afgelegen dorpjes de mensen van dienst zijn en bestreken ze ieder land met een dicht netwerk van postkantoren. En nu zijn de nationale staten zowel als de Europese instellingen bezig deze vooruitgang af te breken.

Wij zijn mordicus tegen deze afbraak van publieke diensten; het is een achteruitgang en een sociaal onrecht.

Naast deze grondreden om tegen dit verslag te stemmen, hebben wij er nog een, want wij zijn tegen BTW en daarom tegen het heffen ervan en de prijsverhoging waar zij toe leidt en waarvan de gebruikers met de meest bescheiden inkomens de voornaamste slachtoffers zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Esclopé (EDD), schriftelijk. – (FR) In de huidige Europese situatie, vooral gezien de problemen van de belastingen – in het bijzonder de indirecte –, is het voorstel van de Commissie om de BTW-vrijstelling voor postdiensten op te heffen voor mij onaanvaardbaar. Hoe kan de Commissie zo’n voorstel doen terwijl iedereen weet dat de zesde richtlijn van 1977 nog altijd niet herzien is, dat de problemen bij het op elkaar afstemmen van de BTW-tarieven voortduren en dat er nog altijd geen effectbeoordeling gemaakt is van de steeds verdere liberalisering van de postsector? En nog afgezien van het heffen van BTW, hoe is het mogelijk om te geloven in gezonde concurrentie, zuiver in het belang van de gebruikers in de lidstaten, als de Commissie een optioneel gereduceerd tarief voorstelt voor de klassieke postdiensten? Dat maakt de technische, gewichtsgerelateerde problemen en de ongelijkheden tussen de tarieven in de verschillende lidstaten alleen maar erger. Nogmaals, de Commissie spant het paard achter de wagen door ons over te halen tot de autosuggestiemethode à la Coué: wij tuinen daar echter niet in en daarom wijzen wij deze tekst af.

 
  
MPphoto
 
 

  Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. - (PT) Dit voorstel van de Commissie beoogt de BTW-vrijstelling voor postdiensten, die van kracht is sinds de goedkeuring van de zesde BTW-richtlijn in 1977, op te heffen. De Commissie streeft langs deze weg twee doelstellingen na: voortzetting van het proces van de invoering van één BTW-stelsel en het stimuleren van de lopende liberalisering van de postdiensten in de EU, zoals bepleit bij richtlijn 2002/39/EG. Als gevolg van dit gefaseerde liberaliseringsproces, waar ik tegen ben omdat het de openbare dienstverlening en de draagwijdte daarvan ondermijnt, zou de opheffing van deze vrijstelling, waardoor de openbare bedrijven genoodzaakt zouden worden het volledige BTW-tarief in rekening te brengen, leiden tot hogere kosten van de geleverde diensten - vooral voor particulieren - en tot het meer en meer uitbesteden van de dienstverlening.

Daarom ben ik het eens met de aanbeveling van de Economische en Monetaire Commissie dit voorstel te verwerpen, hoewel de rapporteur het daar niet mee eens is. De rapporteur had met steun van zijn eigen fractie en van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christendemocraten) en Europese democraten compromisamendementen ingediend om de goedkeuring van de richtlijn mogelijk te maken. Het verheugt mij dat het Parlement deze amendementen heeft verworpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hudghton (Verts/ALE), schriftelijk. - Ik heb tegen het voorstel van de Commissie gestemd om de BTW tussen staatsposterijen zoals de Royal Mail en de sector van de particuliere bezorgdiensten te harmoniseren. De slechte timing van de Commissie, met een debat dat plaatsvindt in de week die voor de posterijen in heel Europa aantoonbaar de drukste week is, is Schotland niet ontgaan en ik ben blij dat het voorstel de klap toebedeeld heeft gekregen die het verdient.

Vaak wordt terecht verondersteld en beweerd dat velen van ons tegenwoordig toegang hebben tot e-mail en andere communicatietechnologie en dat de kosten van postzegels er niet meer toe doen. Veel gepensioneerden en huishoudens met een laag inkomen zijn echter nog steeds afhankelijk van betrouwbare en betaalbare postdiensten. Als BTW wordt geheven op de prijs van een postzegel, worden zij het hardst in hun portemonnee getroffen.

Ik doe een beroep op de Commissie om hier nog eens over na te denken en het voorstel in de ijskast te zetten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Hiermee zijn de stemverklaringen beëindigd.

(De vergadering wordt om 13.05 uur onderbroken en om 15.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER VIDAL-QUADRAS ROCA
Ondervoorzitter(2)

 
  
MPphoto
 
 

  Patakis (GUE/NGL).(EL) Mijnheer de Voorzitter, ik wilde gisteren aan het begin van de plenaire vergadering een voorstel doen en had daarom het woord gevraagd. Maar door gebrek aan tijd ging dat niet. Kan ik daarom mijn voorstel nu doen?

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik ben bang dat ik u het woord niet kan geven, mijnheer Patakis, omdat u het oorspronkelijk ook niet had. Om die reden kan ik u op grond van het Reglement ook nu het woord niet geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Patakis (GUE/NGL).(EL) Kunt u mij dan zeggen of ik nog tijdens deze plenaire vergadering mijn zegje kan doen en wanneer?

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik zal uw verzoek doorgeven, mijnheer Patakis, en ik ben ervan overtuigd dat we een manier kunnen vinden om u het woord te laten voeren.

 
  

(1) Ingediend door de leden Willy C.E.H. De Clercq, namens de ELDR-Fractie, Manuel Medina Ortega, namens de PSE-Fractie en Klaus-Heiner Lehne e.a. namens de PPE-DE-Fractie, ter vervanging van de ontwerpresoluties B5-0430/2003, B5-0431/2003 en B50432/2003.
(2) Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen.


4. Ontwerp van algemene begroting (2004), gewijzigd door de Raad (alle afdelingen)/ Nota's van wijzigingen nrs. 1, 2 en 3/2004
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A5-0473/2003) van de heer Mulder en mevrouw Gill, namens de Begrotingscommissie, over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2004, gewijzigd door de Raad (alle afdelingen) (11357/2003 - C5-0600/2003 - 2003/2001(BUD) - 2003/2002(BUD))

en de nota's van wijzigingen nrs. 1, 2 en 3/2004 (14837/2003 - C5-0570/2003, 14838/2003 - C5-0571/2003, 14839/2003 - C5-0572/2003) op het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2004

Afdeling I - Europees Parlement

Afdeling II – Raad

Afdeling III – Commissie

Afdeling IV - Hof van Justitie

Afdeling V – Rekenkamer

Afdeling VI - Economisch en Sociaal Comité

Afdeling VII - Comité van de regio's

Afdeling VIII (A) - Europese Ombudsman

Afdeling VIII (B), Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

 
  
MPphoto
 
 

  Mulder (ELDR), rapporteur. – Voorzitter, sinds wij de laatste keer de begroting bespraken in deze zaal is er belangrijke vooruitgang geboekt, met name sinds wij een gemeenschappelijke vergadering van Raad, Commissie en Parlement hadden op 24 november. Er is tenslotte een akkoord bereikt over de financiering van de wederopbouw van Irak. Op de begroting van 2004 zal een bedrag van 95 miljoen worden gevonden in de flexibiliteitsreserve en 65 miljoen in rubriek 4. Het feit dat het in rubriek 4 is, betekent dat op bepaalde lijnen moest worden bezuinigd, en dat de lijnen waar sommige fracties veel belang aan hechtten, iets aan belangrijkheid hebben ingeboet. Maar het is goed dat er een akkoord is.

We hebben ook overeenstemming bereikt over de stijging van de betalingskredieten: 2.3 procent in vergelijking met de begroting van 2003. Dat betekent dat, of wij het nu uitrekenen voor de 15 lidstaten of voor de 25 lidstaten, wij in 2004 naar alle waarschijnlijkheid 0.98 procent van het bruto nationaal inkomen zullen besteden. Ik weet niet of iedereen er zich van bewust is, maar dat is het laagste percentage sinds 1990 en wat dat betreft zijn we dus volkomen in overeenstemming met de doelstellingen die wij ons begin dit jaar in de richtlijnen voor de begroting 2004 hebben gesteld, namelijk om een zuinige begroting op te stellen.

Er is ook een overeenkomst over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Een politiemissie kan naar de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië worden gestuurd. Wij hopen dat er met dit akkoord ook een betere informatievoorziening aan het Parlement komt, want dat vinden wij uiterst belangrijk.

De heren Böge en Colom i Naval komt alle lof toe voor het akkoord over de programma's onder medebeslissing, vooral de programma's na de uitbreiding. Dat is, vind ik, een aanzienlijke prestatie omdat het in de toekomst de besluitvorming en de budgettering aanzienlijk zal vergemakkelijken. Hetzelfde compliment kan ik richten tot mevrouw Dührkop Dührkop en tot de rapporteurs van de vakcommissies voor het akkoord dat bereikt is over de subsidies.

Tenslotte, is het resultaat van de laatste bemiddelingsvergadering dat we niet alleen ongeveer een miljard besparen op de landbouwuitgaven maar dat de Raad van ministers ook de prioriteiten van het Parlement heeft overgenomen op het gebied van landbouw.

Uitbreiding was het belangrijkste element voor de begroting van 2004 en het doet mij dan ook veel genoegen te kunnen aankondigen dat het Parlement het grootste deel van de aanvraag van nieuwe posten van de Commissie inwilligt. Wij zullen 25 posten in de reserve zetten. Wij willen dat de Commissie nog bepaalde voorwaarden vervult, maar ik denk dat de Commissie het grootste deel van de posten die ze wilde, gekregen heeft.

Een belangrijk initiatief is ook genomen op het gebied van het midden- en kleinbedrijf. Wij denken dat de economie in de nieuwe landen en in de oude lidstaten het best kan worden aangezwengeld door het vergroten van de kansen van het midden- en kleinbedrijf. Ook dat hebben wij via deze begroting weten te bereiken: er is aanzienlijk meer krediet beschikbaar gesteld.

Wat betreft de agentschappen: met de inwerkingtreding van het nieuwe Financieel Reglement moet het Parlement ook beter inzicht krijgen in het personeelsbeleid van deze agentschappen. Dit jaar is nog een overgangsjaar, maar in de volgende jaren zal het Parlement daar zeer veel aandacht aan besteden.

Wat betreft de reserves: volgens het resultaat althans van de stemmingen in de Begrotingscommissie, worden de reserves gehandhaafd voor de NGO's, voor Eurostat en voor Afghanistan.

Het Parlement heeft zich in het begin van dit jaar uitgesproken voor een begroting voor 25 lidstaten. Wat wij deze week gaan stemmen, is een begroting van 15 lidstaten. Maar er is goed voorbereidend werk gedaan opdat wij op basis van de overeenkomsten van Kopenhagen en op basis van de eerste lezing van het Parlement een goede gewijzigde begroting kunnen indienen of kunnen goedkeuren voor de tien nieuwe lidstaten.

Wat betreft de begroting van 2005: met een vermindering van de financiële perspectieven zal de begroting van 2005 aanzienlijk moeilijker worden dan de begroting van 2004. Ik wens de heer Garriga Polledo als mijn opvolger dan ook veel succes toe.

Tenslotte hebben wij, zoals al bekend, in dit Parlement een uitstekend secretariaat van de Begrotingscommissie. Het is duidelijk dat het werk hier in het Parlement niet kon zijn gedaan als dit secretariaat niet zo effectief was. Mijn hartelijke dank daarvoor. Ik wil ook mijn dank uitspreken aan alle coördinatoren van de fracties. Ik vond de samenwerking uitstekend en ik ben ze daar zeer erkentelijk voor. De samenwerking met het Italiaanse voorzitterschap is ook zeer voorspoedig verlopen en daarvoor ook mijn dank. Twee personen zou ik tenslotte nog speciaal willen bedanken: dat is in de eerste plaats de voorzitter van de Begrotingscommissie. Ik heb hem al jarenlang gewaardeerd maar ik heb hem nu nog eens van heel dichtbij in actie gezien. Ik kan alleen maar mijn bewondering uitspreken voor de manier waarop hij het doet en gedaan heeft. Ook mijn dank daarvoor. Tenslotte zou ik mijn dank willen uitspreken aan mijn persoonlijke medewerkers, in het bijzonder aan de heer Marko van Workum.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Gill (PSE), rapporteur. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, deze begroting voor de andere instellingen legt het fundament voor de op handen zijnde uitbreiding. Zij rust de verschillende onderdelen toe die de Europese Unie vormen, zodat de Unie deze historische uitdaging aankan, althans in administratief opzicht. Het is mijn doel geweest ervoor te zorgen dat de EU vaste grond onder de voeten houdt wanneer we volgend jaar een Unie van 25 lidstaten hebben, en ook om een evenwicht te bereiken tussen de noodzakelijke verhogingen van de middelen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de Europese belastingbetaler waar voor zijn geld krijgt.

Eerder dit jaar heb ik in grote lijnen aangegeven wat mijn hoofdprioriteiten zijn. Ik zal nu vier van deze prioriteiten samenvatten. De eerste prioriteit is de voorbereiding van de laatste stadia van het uitbreidingsproces. Ik ben blij dat we de oorspronkelijke ramingen van de secretariaten-generaal voor de uitbreiding nauwkeuriger hebben kunnen afstemmen. Er moet evenwel worden erkend dat het peil van de budgettaire verhogingen voor bepaalde instellingen in sommige gevallen wel 50 procent hoger ligt. Dit zal de manier waarop deze organisaties functioneren, wezenlijk veranderen. Daarom wil ik een waarschuwende noot laten horen. Het is cruciaal dat deze verandering zorgvuldig wordt begeleid en er daarvoor doelmatige strategieën worden ingesteld teneinde chaos te voorkomen.

De tweede prioriteit is het bepleiten van grotere hervormingen. Alle instellingen moeten moderniseren als ze met succes de uitdagingen van de toekomst het hoofd willen kunnen bieden. Laten we de uitdaging van 25 landen die samen moeten werken, niet onderschatten. De debatten van het afgelopen weekend wijzen erop dat de andere instellingen lessen te leren hebben. Zelfgenoegzaamheid leidt tot stilstand.

De derde prioriteit is aandringen op meer openheid, transparantie en verantwoordingsplichtigheid. Elk afzonderlijk onderdeel van de EU moet gebruikersvriendelijker worden. We moeten meer gebruikmaken van nieuwe technologie en meer processen rationaliseren. We moeten ons daarbij concentreren op internet als communicatiemiddel om onze doelstelling te verwezenlijken om dichter bij de burger komen te staan en doelmatiger met de bevolking van Europa te communiceren. We hebben het zaad daarvoor gezaaid en nu moeten we daar natuurlijk op voortbouwen.

De vierde prioriteit is verlichting van de druk op de maxima van rubriek 5. We hebben dit probleem dit jaar opgelost door frontloading van de gebouwen voor het Hof van Justitie. Ik vind dat het beleid van frontloading van bouwkosten dat het Parlement voert, gerechtvaardigd is omdat er momenteel sprake is van een enorme druk op rubriek 5. Dit beleid heeft geholpen deze druk in dit jaar en het komende jaar te verminderen. Het is dus zinvol om dit beleid ook toe te passen voor andere instellingen.

Ik ben blij te kunnen melden dat ik er in ben geslaagd enkele van deze doelstellingen te verwezenlijken, maar onderweg zijn er ook wat frustraties geweest. Allereerst iets over de successen. We hebben vooruitgang geboekt op alle gebieden die ik zojuist heb genoemd. Met deze begroting krijgt de belastingbetaler waar voor zijn geld. We kunnen onszelf feliciteren dat we met succes de uitbreiding hebben weten te financieren zonder het maximum van rubriek 5 te overschrijden. Deze begroting voltooit daarmee eigenlijk het begrotingsproces voor de uitbreiding en is een goed resultaat voor de Europese belastingbetaler.

Ik ga snel verder met de frustraties. In het licht van de voorgestelde uitbreiding hadden we grotere bezuinigingen mogen verwachten als gevolg van schaalvergroting. Wat ik echter het meest betreur, is dat we geen significante vorderingen hebben gemaakt met de invoering van op activiteiten gebaseerde budgettering bij de andere instellingen. Dit is een gemiste kans gezien de immense druk op rubriek 5 in de resterende jaren van dit financiële vooruitzicht, waar ik het zojuist al over had. In 2005 en 2006 zal het veel moeilijker zijn om prioriteiten te stellen en te zorgen voor een effectief kader voor de financiële besluitvorming.

De lessen die ik in de loop van dit proces heb geleerd, zijn dat we betere budgetterings- en planningsprocessen nodig hebben. De verzoeken op het laatste moment voor onvoorziene uitgaven zijn niet-aflatend. Afgelopen maand moesten we nog eens 77 miljoen euro zien te vinden voor al het EU-personeel en nog eens 24 miljoen euro voor het acquis voor de Raad. Ik ben verbaasd en verwonderd dat het mogelijk is dat er in dit late stadium nog verzoeken van deze omvang binnenkomen. Het tempo van de hervorming moet omhoog. We moeten het snelspoor nemen, de kwaliteit van de bestedingen verbeteren, ons meer concentreren op onze kerngebieden en zorgen voor grotere rationalisatie van onze processen.

Eerder dit jaar heb ik de Rikstag en de Bundestag bezocht en deze bezoeken waren heel verhelderend voor me. Ik heb er een haalbare mate van delegering in de besluitvorming en transparantie in de besluitvormingsketen en het budgettaire planningsproces gezien. We moeten echter ook een aantal lastige problemen aanpakken, zoals in de eerste lezing van mijn resolutie is benadrukt: alle instellingen moeten het systeem van reiskostenvergoedingen kritisch beoordelen en hervormen. Dit is niet alleen een punt voor het Parlement, maar ook voor twee commissies en voor elk ander orgaan dat regelmatig reiskosten vergoedt. Het is absoluut noodzakelijk dat deze kwestie snel wordt aangepakt, zodat we weer het vertrouwen en het respect van onze burgers terugkrijgen.

Er zijn nog een paar andere punten waarop ik graag zou willen ingaan, maar ik zie dat mijn tijd bijna op is, dus ik wil alleen nog al mijn collega's bedanken voor hun medewerking en steun en voor hun bijdrage aan dit verslag. Meer in het bijzonder wil ik de medewerkers van het secretariaat van de Begrotingscommissie bedanken, met name Walter Masur, voor hun royale steun en harde werk aan deze begroting. Ik wil ook graag mijn co-rapporteur, de heer Mulder, bedanken voor het vinden van oplossingen in zijn begroting die voor iedereen aanvaardbaar zijn. Tot slot gaat mijn dank ook uit naar de heer Wynn als voorzitter, de heer Walter als coördinator en het secretariaat van onze eigen factie.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Schreyer, Commissie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, met de begroting voor 2004 hebben we de kwadratuur van de cirkel gevonden. Het is de eerste begroting voor een Unie van 25 lidstaten, een historische begroting. De begroting 2004 draagt duidelijk het stempel van de uitbreiding. Ze draagt ook het stempel van de toenemende betekenis van Europa op het gebied van het buitenlands beleid. Daarnaast wint de totstandkoming van een gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid ook begrotingstechnisch steeds meer aan profiel. We zijn er tegelijkertijd in geslaagd om de uitgaven tot een historisch laag niveau terug te brengen. De omvang van de uitgaven bedraagt 99,7 miljard euro, wat overeenkomt met 0,98 procent van het bruto binnenlands product van de uitgebreide Unie. Dit resultaat, de historische uitbreiding aan de ene kant en de beperking van de uitgaven aan de andere kant, deze kwadratuur van de cirkel, is zoals men weet geen wonder, maar de uitkomst van nuchter rekenwerk.

Het Parlement zal donderdag eerst de begroting voor de EU van de vijftien lidstaten vaststellen met in totaal 99 miljard euro aan betalingsverplichtingen en 95 miljard euro aan betalingen. Dit betekent dat deze begroting in vergelijking met de lopende begroting 2,8 procent lager uitvalt. Daarnaast hebben we ook al politieke overeenstemming bereikt over de aanvullende begroting, waarmee de middelen voor de nieuwe lidstaten formeel in maart van het komende jaar worden vastgelegd, namelijk 11 miljard euro aan verplichtingen en 5 miljard euro aan betalingen. De begroting 2004 zal in haar geheel slechts met 2,3 miljard euro toenemen en daarmee ongeveer 11 miljard lager uitvallen dan in de financiële vooruitzichten van Agenda 2000 voor volgend jaar geraamd was.

Binnen alle Europese instellingen zal volgend jaar de nationale personeelssamenstelling veranderen, omdat vanaf 1 mei kan worden begonnen met het aanstellen van ambtenaren uit de nieuwe lidstaten. Het aantal posten zal bijvoorbeeld bij de Raad met 286, bij het Parlement met 355 en bij de Rekenkamer met 133 toenemen.

Namens de Commissie dank ik de begrotingsautoriteit voor het feit dat zij de personeelsbehoeften van de Commissie heeft erkend. Mijn dank geldt in het bijzonder het Parlement, dat zich sterk gemaakt heeft voor de 780 nieuwe posten bij de Commissie. Ik ben u ook erkentelijk voor het feit dat u slechts een beperkt aantal posten in de reserve hebt gehouden. De integratie van het nieuwe personeel, de wervingsprocedures, maar natuurlijk vooral het vervullen van de taken die met de uitbreiding samenhangen, zullen immers voor alle instellingen een uitdaging betekenen.

We hebben in deze begrotingsprocedure ook de cijfers voor de nieuwe lidstaten vastgelegd met betrekking tot alle meerjarige steunprogramma’s: van onderzoekssteun via milieuprogramma’s tot trans-Europese netwerken. Voor de onderzoekssteun – om maar een paar cijfers te noemen – zal het komende jaar in totaal 4,8 miljard euro beschikbaar zijn, waarvan 500 miljoen specifiek voor de nieuwe lidstaten. Voor de sluiting van kerncentrales in de nieuwe lidstaten wordt 138 miljoen euro uitgetrokken en voor de bevordering van trans-Europese netwerken in totaal meer dan 770 miljoen. Deze maatregelen zijn met name bedoeld om ervoor te zorgen dat de voordelen van een grote interne markt ook kunnen worden benut.

De Europese Unie neemt steeds meer verantwoordelijkheden op zich in de wereld. Dit wordt duidelijk in de begroting weerspiegeld. Ik ben erg blij dat het allen die bij de begrotingsprocedure betrokken zijn, gelukt is om de slagvaardigheid van de Unie te garanderen bij haar taakuitoefening in Irak, bij haar verantwoordelijkheid in Afghanistan en bij de samenwerking op de Balkan. Ten aanzien van de maatregelen in Irak is overeenstemming bereikt over het inzetten van het flexibiliteitsinstrument met 95 miljoen. Zo zullen we tot eind 2004 in totaal 200 miljoen euro kunnen besteden. Ik denk dat na de arrestatie van Saddam Hoessein de voorwaarden ook gunstiger zijn om de mensen in Irak naar beste vermogen te helpen.

Voor Afghanistan is in de begroting 83 miljoen euro uitgetrokken. Ik wil het Parlement vragen de reserve nog eens te heroverwegen, want de Commissie zal een omvangrijk programma voorstellen om recht en orde te herstellen en de strijd tegen drugs te steunen. Gezien het feit dat de Loya Jirga op dit moment in Afghanistan bijeen is, zijn dit belangrijke signalen die we met de besluitvorming over de begroting kunnen afgeven.

Voor het gemeenschappelijke buitenlands en veiligheidsbeleid zijn voor het komende jaar middelen beschikbaar waardoor het mogelijk zal zijn de gemeenschappelijke politiemacht in Bosnië en het nieuwe gemeenschappelijk optreden in Macedonië te financieren. Ook voor de programma’s voor het Middellandse-Zeegebied worden aanzienlijk meer middelen beschikbaar gesteld.

Hoe ziet de ontwikkeling van de begroting er voor de komende jaren uit? Voor de jaren 2005 en 2006 zal er inderdaad weinig speelruimte zijn. We hebben te maken met de besluiten voor de nieuwe lidstaten en met de bedragen die in de meerjarenprogramma’s en Agenda 2000 zijn vastgelegd. Zoals daarin is voorzien, zullen de uitgaven voor de uitgebreide Unie de komende twee jaar stijgen en daarbij binnen het vastgestelde kader blijven, namelijk 1,06 procent. Voor de periode na 2007 zal de Commissie in januari een mededeling voorleggen. Dan begint het debat over prioriteiten en over de financiële vooruitzichten. Ik wil op deze plaats nog eens iets benadrukken wat vanzelfsprekend is: wie besluiten neemt, moet zich ook realiseren dat aan die besluiten een prijskaartje hangt. Ik vind dat we daarom allemaal aan realistische voorstellen moeten werken.

Ik wil nog enkele woorden wijden aan het debat over de grondwet. Het is teleurstellend dat de nieuwe grondwet niet voor de uitbreiding kon worden aangenomen. Ik wil echter met name ingaan op het feit dat er van enkele zijden een poging is gedaan om de begrotingsrechten van het Parlement weer in te perken. De Commissie heeft dit krachtig van de hand gewezen. Ik wil op grond van mijn ervaring in de afgelopen vier jaar één ding duidelijk maken: wie beweert dat het Europees Parlement niet verantwoord met zijn begrotingsrechten omspringt, heeft gewoon ongelijk. Iedere begroting die we hebben aangenomen, en met name deze begroting voor 2004, bewijst het tegendeel.

Het terrein van de begroting is een voorbeeld bij uitstek van de excellente samenwerking tussen de instellingen. Laat ik in dit verband de zeer goede samenwerking noemen met het Italiaanse Raadsvoorzitterschap en de fungerend voorzitter van de Raad, de heer Magri. Ook wil ik mijn waardering uitspreken voor de algemeen rapporteur, de heer Mulder. U bezit een uitstekende kennis van de materie en u hebt de begroting 2004 op doortastende wijze voorbereid. Mevrouw Gill, ik dank u voor uw tact op het moeilijke terrein van de besprekingen over de personeelsposten. Mijnheer Böge en mijnheer Colom i Naval, u hebt met een uiterst pragmatische instelling de taak op u genomen om met alle parlementaire commissies besprekingen te voeren over de aanpassing van de meerjarenprogramma’s. Mevrouw Dührkop Dührkop is erin geslaagd consensus te bereiken over de programma’s voor subsidies aan instellingen, wat neerkwam op een Herculesarbeid. Dit alles was slechts mogelijk doordat de Begrotingscommissie op uitstekende wijze werd geleid door haar voorzitter, Terry Wynn. U hebt er al die jaren voor gezorgd dat de Begrotingscommissie haar werk vlot, zakelijk, competent en solide kon doen en u deed dat op een wijze waardoor het gewoon een genoegen was met de commissie samen te werken.

We kunnen wel zeggen dat degenen die over het huishoudgeld gaan hun huiswerk voor de uitbreiding op voortreffelijke wijze hebben gedaan en aan het eind van de zittingsperiode een meesterstuk hebben afgeleverd. Hartelijk dank voor de goede samenwerking!

 
  
MPphoto
 
 

  Garriga Polledo (PPE-DE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, heren vertegenwoordigers van de Raad, dames en heren, als woordvoerder voor de begroting van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christendemocraten) en Europese democraten feliciteer ik de rapporteurs die betrokken zijn bij de begrotingsprocedure voor 2004. Mijn dank ook aan commissaris Schreyer en de bevoegde diensten van de Commissie voor de uitstekende samenwerking, en aan de heer Magri die, zoals hier al is gezegd, de communicatie met de - overigens altijd lastige - Raad heeft verzorgd. Dit ontwerp van begroting heeft zijn bestaan grotendeels aan hem te danken.

Verder wil ik ook mijn felicitaties overbrengen aan de voorzitter van onze Begrotingscommisie, de heer Wynn, die ons met zijn enorm politiek inzicht en zijn bijzonder humane aanpak vijf onvergetelijke jaren heeft bezorgd. Hij zal hier na mij het woord voeren.

Ik wil tevens mijn waardering uitspreken voor de algemeen rapporteur, de heer Mulder. Als coördinator van mijn fractie heb ik zijn werkzaamheden op de voet kunnen volgen. Bovendien zal ik als rapporteur voor 2005 in zijn voetsporen treden. Ik hoop dat ik in december 2004, net zoals mijn collega nu, met een blik van voldoening zal kunnen terugkijken op het verrichte werk. Ik weet dat het niet gemakkelijk zal zijn - de heer Mulder heeft het ook al gezegd -, maar daar gaat het bij het werk van het Parlement nu eenmaal om.

Onze fractie gaat volledig akkoord met het ontwerp van begroting en ziet af van aparte stemmingen. Wij hebben daarvoor een dubbele reden. Ten eerste lijdt het geen twijfel dat de heer Mulder een evenwichtig ontwerp van begroting heeft ingediend waarin rekening wordt gehouden met de essentiële standpunten van de verschillende fracties. Zijn tekst is het resultaat van wederzijds overleg. Bovendien hebben wij de rapporteur aan het begin van de procedure onze steun beloofd. Die belofte willen wij nu waarmaken. Ten tweede willen wij hiermee duidelijk laten zien dat dit Parlement zich en bloc verzet tegen de unilaterale pogingen van de Raad van ministers om te snoeien in de parlementaire begrotingsbevoegdheden, zoals die in de nog niet geconsolideerde tekst van de Conventie worden gedefinieerd.

Het ontwerp van begroting voor 2004 komt tegemoet aan de belangrijkste zorgpunten van onze fractie. Er wordt met name voorzien in een betalingsniveau dat verenigbaar is met de behoeften van de uitbreiding en het wegwerken van de uitstaande betalingen. Dit gaat gepaard met de nodige discipline in het kader van de groei van de uitgaven in het algemeen.

Anderzijds speelt het ontwerp in op de noodzaak om de controle van het Parlement op de gespecialiseerde agentschappen te versterken. Bovendien blijft het financieringsniveau van de medebeslissingsprogramma’s tot 2006 gewaarborgd op grond van een akkoord tussen de instellingen. Verder kan het Parlement met dit ontwerp van begroting invulling geven aan zijn belofte om actief bij te dragen aan de wederopbouw van Irak, zonder de traditionele prioriteit van alle fracties, namelijk de geografische begrotingslijnen, in gevaar te brengen.

Uiteindelijk heeft de Raad zich bereid verklaard om het flexibiliteitsinstrument in te zetten. Ofschoon het Parlement had aangedrongen op een veel hoger bedrag, zullen er toch heel wat meer middelen worden vrijgemaakt dan oorspronkelijk was gepland, aangezien de Raad aanvankelijk helemaal geen geld ter beschikking wilde stellen.

Verder blijven wij met dit ontwerp druk uitoefenen op de Commissie in verband met de hervorming. Uit het bereikte compromis blijkt dat de verschillende fracties bereid zijn de Commissie de 272 nieuwe posten toe te kennen waarom zij met het oog op de uitbreiding verzoekt. Toch zal dit Parlement een deel daarvan in reserve houden totdat de Commissie de vereiste informatie over de ontwikkeling van de personele middelen ter beschikking stelt.

Nu komt het erop aan de betrokkenheid van het Parlement bij de wetgevings- en begrotingsprocedures gaandeweg te vergroten. Wij willen dat de jaarlijkse politieke strategie van de Commissie hier tijdig wordt besproken, zodat in het voorontwerp rekening kan worden gehouden met en gevolg kan worden gegeven aan onze begrotingsrichtsnoeren. Ik herinner u eraan dat de communautaire begroting meer is dan een boekhoudoefening om de uitgaven en inkomsten in evenwicht te houden: het is de politieke uitdrukking van de wil om met behulp van communautaire programma’s meer Europa tot stand te brengen. Dat vereist uiteraard discipline en efficiëntie op het vlak van de uitgaven, maar wij mogen niet vergeten dat wij vanaf de maand mei ook blijk zullen moeten geven van de nodige vrijgevigheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Wynn (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, na wat de laatste vier sprekers hebben gezegd, lijkt er weinig meer toe te voegen over de begroting voor 2004. Ik zal me daarom concentreren op een paar andere zaken. Op de eerste plaats sluit ik me aan bij de anderen en bedank ik het Italiaanse voorzitterschap voor zijn medewerking bij het tot een goed einde brengen van deze begroting. Het is goed de heer Ionta hier vandaag bij ons te zien – hij heeft onlangs in het ziekenhuis gelegen – en ik hoop dat hij onze beste wensen voor een spoedig herstel zal overbrengen aan de heer Magri – die ook in het ziekenhuis heeft gelegen. We wensen hem alle goeds en het spijt ons dat hij vandaag niet hier kan zijn. Het is evenwel belangrijk te benadrukken dat de medewerking die we van de Italianen in dit proces hebben gehad, heeft geholpen, net zoals dat ook het geval was bij de vorige begrotingen, of dat nu onder de Finnen, Fransen, Belgen of Denen was – al was het met de Finnen enigszins zenuwslopend toen we op de laatste dag allemaal met twee verschillende stemlijsten deze Vergadering betraden. Maar zelfs toen was het drama op niveau!

Ik ben uitvoerig bedankt, maar ik wil ook zelf dank betuigen, want dit is waarschijnlijk het laatste begrotingsdebat waarbij ik als voorzitter zal zijn betrokken. Volgend jaar zijn er natuurlijk nog de aanvullende begroting en de gewijzigde begroting, maar dit is de laatste waarbij ik als voorzitter betrokken ben voor het algemene proces. Er is mij verteld dat ik goed werk heb gedaan, maar zoiets is alleen mogelijk als je met de juiste mensen werkt. De heer Mulder heeft al het secretariaat bedankt. Dat is terecht, want we hebben uitstekende secretariaatsmedewerkers bij de Begrotingscommissie, niet het minst Alfredo de Feo, die op uitstekende wijze leiding geeft aan dit team. Ik heb drie goede vice-voorzitters die me steunen. Ik heb heel goede leden in de commissie, die hun onderwerp serieus nemen en grote belangstelling tonen. Het mooie is echter dat het een goed team van coördinatoren is, vooral de heer Walter, die mijn leven zo gemakkelijk maakt. Ik zeg dit omdat ik zelf ook vijf jaar coördinator ben geweest en vier en een half jaar voorzitter ben. Ik weet dus welk van beide functies het moeilijkst is; dat is niet deze. Het is geweldig om voorzitter te zijn, maar de coördinatoren krijgen nooit de dank die zijn verdienen. De coördinatoren in de Begrotingscommissie hebben allemaal heel hard gewerkt. Zoals u kunt zien aan de manier waarop we donderdag voor deze begroting zullen stemmen, is het waarschijnlijk de gemakkelijkste begroting waar we ooit over hebben gestemd.

Dit gezegd hebbende, wil ik iets zeggen over een punt dat mevrouw Schreyer ook heeft genoemd, namelijk de toekomst en hetgeen is voorgesteld door Ecofin. De afgelopen vijftien jaar waarin ik in dit Parlement betrokken ben geweest bij de Begrotingscommissie, hebben steeds laten zien hoe serieus we met de begroting omgaan. We zijn niet losbandig; we zijn niet verkwistend; we doen geen dingen alleen maar omdat we ze in een opwelling willen doen. Zoals de heer Garriga Polledo heeft gezegd, zitten er aan veel dingen in deze begroting politieke aspecten en is het niet zo maar een boekhoudoefening. Als de voorstellen van Ecofin echter waren doorgegaan – en ze zouden in de toekomst alsnog kunnen doorgaan – was dat een absolute ramp geweest voor het Parlement en had dat tot chaos geleid. Tussen de twee takken van de begrotingsautoriteit hebben we een realistischer verzoeningsgerichte benadering van de beide takken nodig. We moeten elkaar gaan vertrouwen. In de afgelopen vier en een half jaar hebben we getracht zulk vertrouwen te kweken tussen onze twee instellingen. Zolang we elkaar echter nog niet vertrouwen, zullen er altijd verdenkingen bestaan aan de kant van de Raad, die ons onze bevoegdheden wil afnemen, en zullen wij verdenkingen jegens de Raad blijven koesteren en het gevoel hebben dat als de Raad doet wat hij wil, we het de Raad op enigerlei wijze betaald zullen zetten. We hadden kunnen leven met de voorstellen van de Conventie. We willen ervoor zorgen dat wat de toekomst ook brengt, het systeem stabiliteit en realisme geeft, en we willen ook laten zien dat we onze taak heel serieus nemen.

Het is heel mooi om voorzitter van de Begrotingscommissie te zijn. Ik heb nog twee voorzitterschappen te gaan – het Ierse voorzitterschap van een half jaar en daarna zal ik voor het driehoeksoverleg en de bemiddelingsprocedure in juli zelfs betrokken zijn bij het Nederlandse voorzitterschap. Het is een schitterende functie om te mogen bekleden. Ik ben dan ook dankbaar dat ik haar mocht bekleden, en ik hoop dat dit Parlement in de toekomst de waardigheid, de bevoegdheden en het vermogen zal hebben om de bevolking van Europa op dezelfde manier te dienen als wij haar de afgelopen vijf jaar hebben gediend.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Virrankoski (ELDR). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, ik wil allereerst de rapporteurs voor de begroting, mevrouw Gill en de heer Mulder, complimenteren en bedanken voor hun uitstekende werk. Mijn dank ook aan mevrouw Schreyer en het Italiaanse voorzitterschap voor de goede samenwerking. Ik wil in het bijzonder mijn waardering uiten voor de voorzitter van de Begrotingscommissie, Terence Wynn, voor zijn rol als leider en bemiddelaar en voor zijn constructieve samenwerking met de coördinatoren van de fracties.

Zoals mijn fractie wenste, is de begroting voor volgend jaar opgesteld voor 25 lidstaten. Deze week keuren wij de begroting van vijftien lidstaten goed, maar de cijfers voor de uitgebreide Europese Unie zijn wat het beleid betreft overeengekomen en worden in de aanvullende begroting voor volgend jaar goedgekeurd. Dat versterkt de betrouwbaarheid van de begroting als basis voor de activiteiten van de Europese Unie voor het desbetreffende jaar.

Er is begrotingsdisclipine. De betalingskredieten voor de huidige vijftien lidstaten nemen in vergelijking met dit jaar met 2,9 procent af en de totale betalingen voor de uitgebreide Europese Unie liggen slechts 2,3 procent hoger dan in de begroting van dit jaar. De wens die in de Intergouvernementele Conferentie is geuit om de huidige begrotingsrechten van het Parlement in te perken, is daarom onbegrijpelijk.

Wat de details betreft kan ik noemen dat de Fractie van de Europese Liberale en Democratische Partij de prioriteiten van de algemeen rapporteur heeft gesteund. Die prioriteiten werden in hun geheel goedgekeurd, waarvoor mijn hartelijke gelukwensen. Mijn fractie stond ook achter het voorstel van de Commissie om in verband met de uitbreiding het personeel voldoende uit te breiden. Ondanks het verzet van de Raad werd dit standpunt aangenomen.

De lastigste kwestie was weer eens rubriek 4, de externe acties. Mijn fractie steunde de deelname aan de wederopbouw van Irak. Bij de bemiddeling is het Parlement erin geslaagd 95 miljoen euro uit het flexibiliteitsinstrument te halen. De rest kon uit de rubriek zelf worden gefinancierd door het herschikken van de middelen.

Wij zijn blij dat er binnen deze rubriek ook rekening is gehouden met de andere prioriteiten van onze fractie, zoals de noordse dimensie, de activiteiten ter versterking van de mensenrechten en de democratie alsmede de bestrijding van ziekten die met armoede verband houden, zoals malaria en aids.

Onze fractie was altijd al sceptisch over de bedragen die waren uitgetrokken voor verschillende organisaties, de zogeheten A 30-begrotingslijnen. Die beschouwen wij als slecht gemotiveerd en als een soort kerstcadeaus. Nu verdwijnen zij geleidelijk. Het EU-beleid op het stuk van de toekenning van financiering verandert geleidelijk in een beleid op basis van aanvragen en wordt steeds transparanter dankzij het Financieel Reglement. In dit verband moet gezegd worden dat het Parlement erin geslaagd is de financiering van de Info-Points en de Carrefours op het platteland veilig te stellen voor volgend jaar, wanneer hun positie zal worden verduidelijkt. Zonder tussenkomst van het Parlement zou het een chaos zijn geworden.

De ontwerpbegroting voor volgend jaar weerspiegelt al met al het verantwoordelijkheidsgevoel van het Parlement in zijn hoedanigheid van begrotingsautoriteit.

 
  
MPphoto
 
 

  Seppänen (GUE/NGL). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, de ontwerpbegroting van de EU voor volgend jaar staat in de schaduw van enkele grote gebeurtenissen. Toch zijn ook deze grote gebeurtenissen van invloed op de begroting van de Europese Unie.

Ik denk allereerst aan de aanval van de Verenigde Staten op Irak, die vanuit het oogpunt van internationaal recht onwettig was, omdat die zonder mandaat van de Verenigde Naties werd uitgevoerd. De Europese Unie heeft zich er op de Donorconferentie in Madrid toe verbonden de Verenigde Staten van Amerika bij de wederopbouw van het door de oorlog verwoeste Irak met 200 miljoen euro te steunen. Op die manier willen enkele grote lidstaten, die niet aan de olieoorlog hebben deelgenomen, met geld dat aan ons allen toebehoort hun bilaterale betrekkingen met de Verenigde Staten normaliseren.

Als een lidstaat Europees geld aan Irak wil geven, dan moet dat geld van hemzelf komen. Dat zou gebeurd zijn als het zogeheten flexibiliteitsinstrument zou zijn geactiveerd en de Europese uitgaven met een overeenkomend bedrag zouden zijn vergroot. Dat zou niet het einde van de financiële discipline hebben betekend, want het eindbedrag van de Europese begroting voor volgend jaar is, gemeten naar het BBP, het laagste in bijna twintig jaar. Dat betekent dat men de Europese Unie niet zweert bij hetzelfde keynesiaanse schuldbeleid als Duitsland en Frankrijk die van zichzelf niet dezelfde discipline in het kader van het Stabiliteitspact eisen als van de anderen wordt geëist.

Nu wordt het flexibiliteitsinstrument slechts gedeeltelijk geactiveerd en wordt een deel van de steun aan Irak uit andere begrotingslijnen gehaald. Wat dat betreft wordt de wederopbouw van Irak betaald door de steunontvangers waar men overeenkomstige bedragen van afpakt. Onze fractie is het er niet mee eens dat de door de Verenigde Staten veroorzaakte oorlogsverwoestingen in het arme, maar olierijke Irak voor rekening komen van andere armen, namelijk de armen in Azië, Latijns-Amerika en de landen aan de Middellandse Zee.

De grondwet van de Europese Unie werd vorig weekend in Brussel niet aangenomen. Dat heeft geen directe invloed op de begroting voor volgend jaar, maar kan wel van grote invloed zijn op de toekomstige begrotingen als de onderhandelingen beginnen over het financiële kader voor de periode 2007-2013. Kijk maar eens hoe de Duitse en Franse politieke elite de voortzetting van de onderhandelingen over de grondwet en de onderhandelingen over het financiële kader op één hoop probeert te gooien. Het ziet ernaar uit dat zo de kandidaat-lidstaten worden bedreigd die aan hun grondwettige stemrechten vasthielden en die netto-ontvangers van Europese begrotingsmiddelen zijn.

Het is duidelijk dat Spanje en Polen volgens het Verdrag van Nice een te grote stem in de Europese Unie hebben, maar de Europese begroting mag niet worden gebruikt om deze landen politiek onder druk te zetten. En als dat wel moet gebeuren, laat men dan alle landen op dezelfde gronden onder druk zetten. Wat de begroting betreft zou het Verenigd Koninkrijk, waarvan de nettobijdrage voor tweederde door de burgers van de andere landen wordt betaald, onder druk moeten worden gezet. Voor dergelijke verlagingen van bijdragen bestaan geen steekhoudende argumenten. Net zoals men wil dat Spanje en Polen naar de pijpen van de anderen dansen, moet men er ook voor zorgen dat Groot-Brittannië zijn deel van de Europese uitgaven betaalt overeenkomstig dezelfde criteria die ook voor de anderen gelden.

Wat de eigen begroting van het Parlement betreft, staat onze fractie kritisch tegenover de voorstellen om middelen van het Parlement te gebruiken voor het subsidiëren van de Europese politieke partijen ofwel de partijen van de partijen. Het steunen daarvan betekent een verzwakking van de nationale parlementaire democratie en een verschuiving van de macht naar supranationaal niveau.

Mijn dank aan de rapporteur voor de begroting en de coördinatoren van de verschillende fracties voor de goede samenwerking, ook al heb ik enkele standpunten naar voren gebracht die van de algemene lijn afwijken.

 
  
MPphoto
 
 

  Buitenweg (Verts/ALE). – Voorzitter, de rapporteurs Jan Mulder en Neena Gill hebben het afgelopen jaar hard gewerkt om een begroting te presenteren die de prioriteiten van het Europees Parlement weergeeft, maar die ook past binnen het krappe kader van de financiële perspectieven.

Daar zijn ze goed in geslaagd en ik wil ze allebei heel erg hartelijk danken voor hun inspanningen, hun werk, maar ook voor de collegialiteit en fijne samenwerking die ik van allebei heb ondervonden.

Ondanks alle goede voorbereiding leek deze begrotingsbehandeling vorige week toch nog even spannend te worden omdat bij de IGC bleek dat een aantal regeringsleiders genoeg hadden van de parlementaire democratie en dreigden de begrotingsrechten die het Europees Parlement al meer dan dertig jaar heeft, weg te nemen. Zij vonden dat het Europees Parlement té veel macht had en dat deze macht door het Parlement soms misbruikt werd om zeggenschap af te dwingen op andere terreinen waarop het Europees Parlement geen bevoegdheid heeft. Maar dat is natuurlijk een beetje een bizarre reden. Als wij parlementaire rechten hebben, dan kunnen wij die gebruiken, ook op een manier die de regeringsleiders niet aanstaat.

Ik twijfel niet aan de legitimiteit van de besluiten van dit Huis, maar soms wel aan de intelligentie ervan. Mijn fractie stoort er zich met name aan dat de meerderheid van dit Huis telkens een deel van de gelden in de reserve wil plaatsen om een politiek puntje te scoren. Met name de collega's van de PPE-DE-Fractie zijn daar heel erg sterk in. Zo is een deel van het geld dat bestemd is voor de wederopbouw van Afghanistan in de reserve geplaatst. Het wordt vrijgegeven op het moment dat de Europese Commissie actie onderneemt tegen grootschalige drugshandel ter plaatse. Wel ja, net als u heb ik natuurlijk ook heel erg veel vertrouwen in de Europese Commissie, maar dit lijkt mij toch voor onze ambtenaren in Brussel een tikje ambitieus.

Maar het perspuntje is gescoord, er is gezegd: "U bent tegen drugs". Nou, hatsikidee! Gevolg is wel dat Afghanistan nu ook minder geld te besteden heeft. Of is de PPE misschien van plan om dit geld later alsnog vrij te maken zonder dat er ook maar enige maatregel tegen drugshandel is ondernomen?

Ook een deel van de subsidie voor niet-gouvernementele organisaties wordt in de reserve geplaatst. De meerderheid van de collega's hier wil namelijk eerst wat meer informatie van de Commissie over de besteding van dit geld in voorgaande jaren. En dat is natuurlijk prima, dat wil ik ook. Maar een reserve functioneert niet alleen als een stok achter de deur, ze maakt ook slachtoffers. Het brengt namelijk een hoop meer administratie en dus kosten met zich mee, want de Commissie kan organisaties alleen subsidies toekennen tot het bedrag dat actief op de begrotingslijn staat. Dus, ofwel zal de Commissie de procedures voor de toekenning van de subsidie vertragen en wacht ze tot al het geld is vrijgegeven - en dan krijgt ze vervolgens natuurlijk op haar kop van het Europees Parlement omdat ze dat geld niet snel genoeg heeft uitgegeven - ofwel moet de Commissie de procedure twee keer laten lopen met alle bureaucratie vandien en natuurlijk zijn wij juist hardstikke tegen die bureaucratie.

Hetzelfde probleem doet zich ook voor bij de werving van personeel. Een klein deel van de nieuwe posten die de Commissie nodig heeft om de uitbreiding goed te laten verlopen, wordt nu in de reserve geplaatst. En ik kan mij alles voorstellen bij de argumentatie daarbij. Het Parlement wil meer informatie over de stappen die worden genomen in het hervormingsproces van de Europese Commissie. Dat is een goed idee, en dat moeten we ook vragen, nee zelfs eisen van de Commissie. En als de Commissie die informatie niet geeft, dan moeten wij de moed hebben om politieke stappen te ondernemen tegen de Commissie. Maar het frustreren van de aanwerving van personeel voor de uitbreiding is niet de juiste weg.

De Verts/ALE-Fractie is niet principieel tegen het inzetten van het instrument van de reserve als het middel het doel dient. Zo hebben wij zelf namelijk het voorstel gedaan om een deel van het geld voor KEDO in de reserve te plaatsen toen Noord-Korea zich niet hield aan alle voorwaarden van dit kernenergieprogramma. En we hebben ook voor bepaalde andere reserves gestemd, op voorwaarde dat zij een duidelijk doel dienden en dat dit doel ook bereikbaar was binnen een duidelijke termijn. Maar het middel van de reserves wordt soms wat al te gemakkelijk gebruikt. En we moeten het zeker niet onmogelijk maken voor de Europese Commissie om behoorlijk te functioneren, zeker niet omdat ook derden daarvan het slachtoffer worden. Wij hebben een gesplitste stemming gevraagd bij een aantal reserves en ik hoop dat de fracties opnieuw willen bekijken of ze niet gewoon het geld op de lijn plaatsen en vervolgens de Commissie beoordelen op hun daden.

 
  
MPphoto
 
 

  Turchi (UEN).(IT) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil mijn dank uitspreken, niet omdat het Kerstmis is, maar omdat ik het als mijn plicht beschouw duidelijk te maken hoeveel nuttige ervaringen ik heb opgedaan met een voorzitter als Terry Wynn. Als men naar al deze mooie woorden luistert krijgt men de indruk dat Terry zaligverklaard wordt, maar hij is nog springlevend en een sympathiek en heel pragmatisch iemand.

Ik wil alle collega´s en de coördinatoren bedanken voor het keiharde werk van de afgelopen jaren. Ik wil eveneens het secretariaat-generaal en met name de heer De Feo, een Italiaan, en al zijn medewerkers van harte bedanken. Ook wil ik een woord van dank richten tot mevrouw de commissaris, ook al was het debat in de commissie soms nogal verhit. Als je nog jong bent - zoals ik - wil je het liefst een revolutie teweegbrengen maar dat lukt uiteindelijk niet en daarom doe je je uiterste best om tenminste een bijdrage te leveren. Ik dank tot slot ook haar medewerkers en het door de heer Romero op zo verstandige wijze geleide directoraat-generaal.

Ik wil duidelijk maken dat de rapporteurs met deze begroting belangrijk werk hebben verricht. Ik stem in met het voorstel om de huishoudelijke uitgaven in de reserve te zetten, vooral wanneer het gaat om het creëren van arbeidsplaatsen. Wij hebben namelijk meer informatie nodig. Ik wil er echter wel op aandringen dat de kredieten voor de Info-Points - die wij pas in de bemiddeling terug hebben gekregen - voor niet alleen dit jaar maar ook de komende jaren beschikbaar worden gesteld.

Wat de TEN´s betreft wil ik openlijk mijn dank uitspreken voor de steun aan dit programma, ofschoon ik het niet eens ben met een aantal punten van kritiek die vanmorgen werden gericht tot de heer Lunardi. Misschien was deze kritiek ingegeven door afgunst bij een bepaalde fractie. Mijns inziens was het werk dat in deze periode met het Italiaans voorzitterschap voor mijn verslag is verzet, iets unieks, en ik wil dit uitdrukkelijk naar voren brengen.

Ik dank tot slot nog voor de steun aan het amendement betreffende het centrum voor gehandicapten dat tijdens de stemming over de begroting zal worden voorgelegd. Mijns inziens is dit onze plicht.

 
  
MPphoto
 
 

  Van Dam (EDD). – Mijneer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, zo ongeveer iedereen klaagt steen en been over het zogenaamd mislukken van de Top in Brussel afgelopen weekeinde. Het positieve gevolg ervan is dat we ons in dit debat geen zorgen hoeven te maken over de dreiging dat de Raad tornt aan de zeggenschap van het Parlement over de begroting.

Tegelijkertijd moet het Parlement beseffen dat het vooral de lidstaten zijn die het geld ophoesten om het beleid van de Europese Unie te financieren. Een oude democratische regel stelt dat wie betaalt, op zijn minst mag meebeslissen. Bovendien beslissen wij uiteindelijk over geld van de belastingbetalers. Zij hebben recht op garanties dat hun geld op een goede manier wordt besteed.

De rapporteur collega Mulder heeft gezorgd voor een bescheiden begroting. Alle lof daarvoor. Op Raad, Commissie en Parlement rust de verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor een goed begrotingsbeheer. De Commissie heeft op dit belangrijke punt forse steken laten vallen. Zij is haar ferme toezeggingen uit 1999 niet nagekomen. Er zijn nog steeds hervormingen nodig om het beheer en de transparantie te verbeteren. Ook moet zij in eigen huis nog veel werk verzetten om een organisatiecultuur te creëren waarin het nemen van verantwoordelijkheid en het geven van rekenschap als normaal worden beschouwd.

Het amendement van de collega's Mulder, Gill en Garriga Polledo is mij sympathiek. Maar zij geloven toch zelf niet dat de hervormingen van de Commissie in het volgend voorjaar voltooid kunnen zijn? Ze zijn amper écht begonnen, zou ik eerder zeggen.

Een groot punt van zorg blijven de enorm hoge uitstaande bedragen voor de structuurfondsen. De omvang hiervan is liefst 92 miljard euro, bijna een volle jaarbegroting! Strikte toepassing van de N+2 regel is een eerste noodzakelijke maatregel om dit probleem te bestrijden. Tegelijk moet er een veel grotere coherentie komen in het beleid. Mijn suggestie is dan ook dat het structuurfondsenbeleid zich concentreert op doelstelling 1, waarvoor dan alléén de armste regio's in aanmerking komen. Andere vormen van structuurbeleid, vooral die ten behoeve van rijkere regio's, blijken nogal eens de arbeidsmobiliteit te frustreren of tot concurrentievervalsing te leiden. Ook komt het vaak voor dat nationale of regionale autoriteiten de minst effectieve projecten in aanmerking laten komen voor Europese steun.

Voorzitter, exportrestituties zijn zeer fraudegevoelig. Die voor de export van levend vee zouden we volledig moeten afschaffen, zeker wanneer de export plaatsvindt naar een land dat is vrijgesteld van EU-importheffingen. Zo lok je het opzetten van fraudecarrousels gewoon uit. Wil de commissaris vandaag toezeggen dat ze binnenkort een voorstel hierover ter tafel zal brengen?

In het algemeen moet de Europese Unie bij extern beleid het nabijheidsbeginsel een veel grotere rol laten spelen. De realiteit is dat lidstaten tóch een zelfstandig buitenlands beleid blijven voeren. Zij vormen in het internationaal verkeer de belangrijkste actoren. De Europese Unie moet zich toeleggen op coördinatie en onderlinge afstemming, alsmede het financieren van noodhulp. Steun aan de wederopbouw van Irak en Afghanistan past de Europese Unie veel beter dan vele andere vormen van extern beleid. Daarom stelt het mij teleur dat velen in dit Huis niet bereid zijn om substantieel meer geld uit te trekken voor de wederopbouw van Irak. Nu de rol van de dictator Saddam Hoessein definitief is uitgespeeld zou dat meer dan ooit op zijn plaats zijn.

Het subsidiëren van Europese denktanks en organisaties die de Europese gedachte promoten, uit de EU-begroting acht ik misplaatst. We moeten niet meewerken aan het opdringen van een éénzijdige mening aan de burgers. Bovendien zijn dit particuliere stichtingen die geen algemene doelstelling dienen, maar hoogstens bereiken dat de Europese Unie nóg verder van de burgers komt af te staan.

 
  
MPphoto
 
 

  Elles (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, net als anderen wil ik degenen bedanken die deel hebben uitgemaakt van dit begrotingsproces, in het bijzonder onze rapporteurs, aangezien we aan het einde komen van de vaststelling van de begroting voor 2004. Zoals anderen hebben opgemerkt, zal het jammer zijn een Begrotingscommissie te hebben zonder het voorzitterschap en de eerlijkheid, humor en goodwill van de heer Terry Wynn. Maar wie zal zeggen wie de nieuwe voorzitter van die commissie wordt? Als de grootste fractie in dit Parlement heeft besloten dat de Begrotingscommissie haar voornaamste commissie wordt, zal het voorzitterschap niet vanzelfsprekend aan de PSE toekomen als dit niet de grootste fractie is. Maar dat is allemaal voor later. We moeten niet te veel speculeren. We kunnen beter blij zijn dat we nu een goede voorzitter hebben die deze periode in het Parlement de leiding van onze commissie heeft gehad.

Ik wil me graag beperken tot drie onderwerpen. Het eerste onderwerp is de hervorming van de Commissie. Ik heb in dit debat horen zeggen dat we geen reserves zouden moeten hebben, in het bijzonder geen reserve voor posten van de Commissie in dit stadium, omdat de Commissie al deze posten voor de uitbreiding zou willen hebben. Dat begrijpen we helemaal, maar wij zijn van mening dat een klein aantal posten – 25 van de circa 270 posten – wel daar zou moeten worden geplaatst omdat we graag duidelijker vastgesteld zouden willen zien wat er nu echt is bereikt in het hervormingsproces en wat er nog moet gebeuren.

De heer Prodi, de voorzitter van de Commissie, heeft afgelopen maand in deze Vergadering aangegeven dat door de recente gebeurtenissen, zoals de Eurostat-affaire, inderdaad enkele zaken aan het licht zijn gekomen op het punt van gebrekkige informatiestromen of gebrek aan verantwoordelijkheden hier en daar. We zouden graag voor 15 februari 2004 een document zien waarin deze specifieke zaken worden genoemd, waarmee dan informeel het document wordt aangevuld dat we een paar weken geleden van de Commissie hebben gekregen.

Op de tweede plaats wil ik het hebben over een bepaald aspect van deze begroting, namelijk externe financiering. Een kritische vraag van mevrouw Buitenweg is waarom we als fractie hebben gevraagd bepaalde middelen in de reserve te plaatsen. Vergeleken met veel eerdere jaren zijn we dit jaar uiterst bescheiden met het in de reserve plaatsen van middelen, omdat we in Afghanistan aanwijzingen willen zien dat actie wordt ondernomen om de buitengewoon moeilijke problemen van de productie van drugs aan te pakken. 70 procent van de drugs die Europa binnenkomen, komt uit Afghanistan.

Mevrouw Buitenweg, ik zie dat u me in de Vergadering steunt. Ik zou u onder de gegeven omstandigheden misschien erelid van onze fractie kunnen noemen! We denken erover dit geld vrij te geven zodra de reserves worden vrijgegeven. We hebben een brief van commissaris Patten – vraag maar na bij de heer Garriga Polledo – waarin staat dat er vooruitgang wordt geboekt en dat het op dat gebied dus wel degelijk zin heeft gehad om geld in de reserve te plaatsen.

In Irak hebben we, zoals andere afgevaardigden hebben gezegd, onlangs enkele veranderingen gezien die natuurlijk gevolgen zullen hebben voor de aard van de financiering in 2004. Mijn fractie kijkt uit naar het moment dat commissaris Patten met het document komt over de financiële middelen voor Irak op de middellange termijn. We zijn van mening dat voor dit doel heel goed verdere financiering uit de begroting voor 2004 nodig kan zijn. Er wordt al gebruikgemaakt van het flexibiliteitsinstrument, maar dit is voor 2003-2004, en dus zullen bepaalde middelen achterblijven voor het geval er nog andere doelen zijn die we moeten financieren, of dat nu in Irak is of elders.

Het fundamentele politieke punt dat ik hier wil opmerken – en volgens mij vindt deze mening steun in alle delen van dit Huis – is dat we buitenlands beleid niet kunnen blijven financieren gewoon door op goodwill te vertrouwen wanneer we het flexibiliteitsinstrument gebruiken. We moeten, wanneer we bij de volgende financiële vooruitzichten komen, helder kunnen nadenken over onze prioriteiten en over de manier waarop we deze kunnen verwezenlijken. Enkele leden van dit Huis hebben in 1999 hun twijfel geuit of we in rubriek 4 voldoende middelen hadden voor externe financiering. Er is gebleken dat we het bij het rechte eind hadden, en dus moeten we er zeker van zijn dat we beschikken over de middelen die nodig zijn voor onze ambities wanneer deze onderhandelingen in 2004 aanvangen met het document van de Commissie over de financiële vooruitzichten.

Volgens mij wordt dit nu de grote discussie die we volgend jaar zullen voeren wanneer verkiezingen worden gehouden: een nieuwe Commissie en een nieuw Parlement zullen worden geïnstalleerd. Hoe gaat het kader eruitzien voor onze financiële vooruitzichten over een periode van minstens vijf jaar vanaf 2007? Op de voorpagina van de Financial Times van vandaag kunnen we lezen dat minstens zes lidstaten zeggen dat ze niet verder willen gaan dan 1 procent van het BBP. Onze boodschap als fractie is: regeringen, spreek geen acties af die u vervolgens niet bereid bent te financieren, want anders wordt het onmogelijk deze begroting uit te voeren.

Samenvattend, we zullen heel realistisch en heel samenhangend moeten zijn wanneer we bij de financiële vooruitzichten komen, maar laten we er vooral voor zorgen dat wanneer we ambities hebben, we ook over de middelen beschikken om deze ambities te verwezenlijken.

 
  
MPphoto
 
 

  Walter (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, om te beginnen wil ik evenals alle andere fractiewoordvoerders de beide rapporteurs hartelijk bedanken voor hun werk dit jaar. De heer Mulder en mevrouw Gill hebben uitstekend werk verricht. Ook richt ik me nogmaals tot de voorzitter van de Begrotingscommissie om hem heel uitdrukkelijk te bedanken voor de samenwerking van de afgelopen jaren. Hij heeft weliswaar gezegd dat hij het voorzitterschap van de commissie niet meer op zich zal nemen, maar hij zal zeker nog wel zitting hebben in het volgende Parlement, waardoor zijn wijsheid en zijn intelligentie ons ten dienste zullen blijven staan, tenzij de Britten zo dwaas zijn om hem niet opnieuw te kiezen. Dat kan ik me van de Britten echter niet voorstellen. Ze zullen hem beslist weer kiezen en dan zal hij weer in ons midden zijn.

Europa wordt opgebouwd door mensen die constructief zijn en medeverantwoordelijkheid willen dragen. Het is denk ik belangrijk om dat in het huidige tijdsgewricht te zeggen. Om dat te bereiken moet men met buitengewoon veel geduld naar elkaar willen luisteren en moet men buitengewoon veel moeite willen doen om elkaar te begrijpen. Alleen dan, wanneer er naar elkaar geluisterd wordt en wanneer men elkaar begrijpt, kunnen zaken fatsoenlijk worden opgebouwd. De burgers van Europa kunnen in dit opzicht op dit Europees Parlement rekenen. Waar anderen tumult veroorzaken, hebben wij blijk gegeven van een solide houding; waar anderen wantrouwen aanwakkeren, geloven wij in democratie en is er bij ons sprake van wederzijds vertrouwen; waar angst wordt opgeroepen, bieden wij een perspectief; waar anderen hoog spel spelen om de macht, zoeken wij het compromis. Het resultaat is een begroting zoals die nu voor ons ligt: sober, solide en toekomstgericht.

Ja, de begroting is sober, in weerwil van wat in het algemeen gedacht wordt. In het debat van vanochtend zei de Voorzitter van het Parlement dat de voorstellen die de Raad de afgelopen jaren heeft ingediend om de uitgaven te verhogen, gelijkstaan aan een totaalbedrag van 33 miljard euro. De verhoging van de uitgaven waarom het Parlement gevraagd heeft, bedroeg 21 miljard euro. Wij zijn op dit terrein dus een stuk voorzichtiger en ondanks de verwijten die ons steeds weer worden gemaakt, zijn wij niet degenen die doorlopend de uitgaven willen verhogen.

In de begroting voor 2004 zullen de betalingsverplichtingen, waar het gaat om de EU van de vijftien, dalen met 0,26 procent en de betalingen zelfs met 3 procent. Zelfs met de nieuwe landen erbij daalt de personeelsformatie in relatie tot de omvang van de bevolking van 0,8 naar 0,7 per 10.000 inwoners. Ter vergelijking: volgens de OESO werken er bijvoorbeeld voor Spanje 388 ambtenaren per 10.000 inwoners. Met deze personeelsbezetting bouwen we verder aan de Europese Unie.

We zijn dus erg zuinig en we zijn ook solide. We willen dat de gelden volgens de regels worden uitgegeven en daarom controleren we de uitgaven, niet alleen via de Commissie begrotingscontrole, maar ook bij het opstellen van de plannen. Daartoe houden we hier en daar zaken in de reserve. We hebben dit jaar relatief weinig reserves gecreëerd en de reserves die we gecreëerd hebben, zijn aan concrete voorwaarden gekoppeld. We zullen deze reserves zo snel mogelijk vrijmaken, zodra we weten dat aan de voorwaarden is voldaan. Een blind vertrouwen zou overtrokken zijn. Te veel wantrouwen zou verlammend werken. Als sociaal-democraten proberen we met fatsoenlijke en nauw afgebakende reserves te werken.

We zijn met deze begroting ook toekomstgericht. Daarom kunnen we als sociaal-democratische fractie zeggen dat we zeer tevreden zijn met het resultaat. Wat we bereikt hebben, is dat we ons in de toekomst via OLAF met de BTW-fraude in Europa zullen bezighouden. Financiële middelen die we kunnen binnenhalen, moeten ook worden binnengehaald. Evenals in de voorgaande jaren zullen we ook volgend jaar het midden- en kleinbedrijf steunen, omdat dat de ruggengraat van de Europese economie is.

We willen ons ook voorbereiden op de demografische veranderingen, want in de toekomst zullen er overal in Europa minder mensen wonen. In Spanje en Italië lopen de bevolkingsaantallen nu al terug. In Duitsland is dat vanaf volgend jaar het geval. Dat zal zijn uitwerking op onze gemeenschappen hebben. Hoe zullen we de structuurfondsen inrichten in het licht van het feit dat er straks in Europa 15 procent minder mensen wonen? Daarop moet een antwoord worden gevonden en niet pas wanneer het probleem zich aandient. We moeten ons er nu op voorbereiden.

We zullen binnen rubriek 4 op het gebied van het buitenlands beleid consolideren wat er voor een deel reeds is. We zullen ons echter ook met de nieuwe uitdagingen bezighouden. Voor Irak zullen we voldoende middelen beschikbaar stellen voor maatregelen die ook echt ten uitvoer gelegd kunnen worden. Desondanks zullen we ook voor Afghanistan nog steeds 168 miljoen euro beschikbaar stellen en ook op de Balkan zullen we aan de financiering blijven bijdragen. Wat we nodig hebben is echter niet alleen curatieve hulp in de eindfase, maar we moeten ook vooruitkijken. Daarom zijn we blij dat we op het gebied van preventie meer middelen beschikbaar konden stellen voor mensenrechten en democratie in de wereld en voor de strijd tegen ABC-wapens en landmijnen.

Ik wil iedereen heel hartelijk bedanken, ook de commissaris. Ik denk dat er een zeer goede begroting ligt. We zullen die natuurlijk goedkeuren.

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER ONESTA
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Jensen (ELDR). - (DA) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, de begroting voor 2004 is in velerlei opzicht een gecompliceerde begroting, omdat later in het jaar de uitbreiding een feit wordt. Dat het zo mooi gelukt is de begroting voor elkaar te krijgen, is beslist te danken aan de goede samenwerking tussen de instellingen en uiteraard aan de fantastische inzet van de rapporteurs, van de coördinatoren en van onze voorzitter, de heer Wynn, die met recht een man van samenwerking kan worden genoemd. Dat verdient alle lof en waardering en aanvallen op de begrotingsautoriteit van het Parlement zijn daarbij niet op hun plaats.

Ik wil bij deze begroting voor 2004 vooral drie zaken benadrukken. In de eerste plaats hebben we de uitbreiding voor elkaar gekregen. In de tweede plaats hebben we de 200 miljoen euro voor Irak weten te vinden. Nu hebben ze het geld nodig. Op langere termijn is Irak immers een land dat rijk is aan natuurlijke hulpbronnen, dat zijn wederopbouw zelf kan financieren. In de derde plaats wil ik graag een meer ondergeschikte, maar desalniettemin de komende jaren belangrijke zaak noemen. In deze begroting is er speciale aandacht voor de decentrale agentschappen. We kunnen de Top van afgelopen week onze complimenten maken, in die zin dar er daar toch ergens een besluit over werd genomen. Uiteindelijk is het gelukt om de plaats van vestiging van een lange reeks agentschappen vast te leggen, nadat het bij diverse topontmoetingen niet was gelukt hierover een besluit te nemen. En dat werd tijd ook.

Op dit moment wordt er een gestage stroom nieuwe agentschappen opgericht en het goede van deze decentrale eenheden is dat deze garanderen dat de aandacht op een bepaald terrein is gericht, dat ze garant staan voor expertise en dat ze het arm's length-beginsel in het bestuur garanderen. Maar het probleem is dat de vele agentschappen tot te grote huishoudelijke uitgaven kunnen leiden, omdat we kleine eenheden krijgen met een dure administratie als gevolg én omdat we de beleidskredieten voor deze agentschappen gebruiken. Daarom is het een goede zaak dat het Parlement met deze begroting benadrukt heeft dat wij controle willen houden op de toekomstige ontwikkeling van agentschappen en dat wij transparantie verlangen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hyland (UEN). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil allereerst de rapporteurs complimenteren, met name de heer Mulder. Ik zal mijn korte opmerkingen beperken tot de landbouwbegroting.

Het huidige bedrag van de voorgestelde landbouwuitgaven is meer dan 40 miljard euro voor de uitgebreide EU van 25 landen komend jaar. Dit is een enorm bedrag aan gemeenschapsgeld. Ik besef dat er veel kritiek is op het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Europese Unie, dat ook nu weer meer dan de helft van de jaarlijkse begroting ontvangt. Ik heb dit beleid consequent verdedigd en ik ben van mening dat het een van de meest geslaagde voorbeelden van gemeenschappelijk beleid is dat de Gemeenschap sinds haar oprichting heeft gevoerd. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft vanaf het begin altijd om veel meer gedraaid dan om producten en markten: het ging, en gaat, om mensen en gemeenschappen. De critici van het gemeenschappelijk landbouwbeleid lijken dit uit het oog te verliezen. Bij de tweede pijler gaat het om het weer opbouwen van gemeenschappen op het platteland en het herstellen van het evenwicht tussen stad en platteland.

De critici verliezen ook de reeks grote hervormingen uit het oog, of kiezen ervoor deze te negeren, die het gemeenschappelijk landbouwbeleid de afgelopen tien jaar heeft ondergaan, uitmondend in het Akkoord van Luxemburg van dit jaar. Ik verwelkom van harte de richtlijn waarin het gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt ontvouwd. De toekomst ligt in een multifunctionele landbouw die de behoeften van de maatschappij, het milieu en de consumenten dient.

Boeren blijven twijfels uiten over de continuïteit van de begrotingssteun aan familiebedrijven. In veel opzichten is dit onnodige energieverspilling. Gezien de begrotingsstabiliteit tot 2013 stel ik voor dat ze deze periode gebruiken om nieuwe plannen te maken voor hun landbouwpraktijken, om efficiënter te worden en de kansen van de recente hervorming te gebruiken om de uitdagingen aan te gaan en de kansen te benutten die de toekomst biedt.

 
  
MPphoto
 
 

  Dover (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, wanneer we teruggaan naar het begin van de voorbereiding van deze begrotingen, zien we allereerst dat de andere instellingen in verschillende gevallen een enorme verhoging van hun begroting wilden. Ik besef dat we een uitbreiding van vijftien naar 25 landen krijgen, dat we uitbreiden van elf talen naar twintig talen, maar ik was heel blij dat de Raad van ministers de enorme verhogingen waar het Hof van Justitie, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's om vroegen, heeft tegengehouden.

Wat betreft de begroting van het Parlement, hadden we in eerste instantie te maken met het feit dat er een statuut voor de leden van het Europees Parlement had kunnen zijn. We waren het er allemaal over eens, in alle fracties, dat dit een verhoging van waarschijnlijk tientallen miljoenen euro's van de begroting voor het Parlement had betekend. Het is niet mijn taak hier te vertellen of het hebben van een statuut nu goed of slecht is, maar ik moet er wel op wijzen dat het een verdere verhoging kan inhouden als zo'n statuut ooit wordt ingevoerd.

Vanaf medio volgend jaar, na de Europese verkiezingen in juni, zullen politieke partijen financiering ontvangen. Nogmaals, we hebben op de begroting voldoende middelen gereserveerd, en het is ook goed en passend dat we dat doen. We zullen goede werkafspraken hebben die eerlijk zijn, met goede controlemechanismen, maar op dit punt moeten we nog wel enkele details uitwerken.

Wanneer we vooruitkijken wat betreft de talen, zou ik graag zien dat in totaal minder talen worden gebruikt. Ik weet dat het niet meer dan rechtvaardig en gepast is om bij de uitbreiding alle nieuwe landen de mogelijkheid te bieden hun eigen taal te gebruiken, maar we moeten het gebruik van talen in de komende jaren wel rationaliseren. Ik hoop dat men hier aandacht aan wil schenken.

Er is één punt dat nog niet is afgehandeld: de vraag of het Parlement een ziektekostenverzekering voor voormalige Europese afgevaardigden zou moeten hebben. Ik ben blij dat een paar weken geleden opdracht is gegeven tot een verslag. Ik heb begrepen dat de resultaten volgende maand zullen worden gepubliceerd. Met dit verslag zullen we kunnen bekijken of dit een goed en verstandig idee is voor voormalige afgevaardigden die ziek worden. Deze afgevaardigden zouden dan twee volledige termijnen – tien jaar – in het Parlement moeten hebben gezeten. Ik vind dat het Parlement hiernaar moet kijken teneinde het evenwicht te herstellen tussen onszelf, die als leden van het Europees Parlement heel wat afreizen en daardoor bepaalde gezondheidsrisico's lopen, en anderen bij de verschillende instellingen.

Er is vandaag gesproken over de totale kosten van de Europese Unie voor de belastingbetalers in Europa. Ik ben ervan overtuigd dat de Financial Times het absoluut bij het rechte eind heeft, zoals de heer Elles heeft aangegeven. Toegegeven, we kunnen meer dan 1,24 procent van het bruto binnenlands product van alle landen aan de begroting van de Europese Unie besteden. Ik ben zo blij dat we erin zijn geslaagd om dat percentage in de vier jaar dat ik nu in dit Parlement zit, omlaag te brengen zodat we zelfs met de uitbreiding net onder de 1 procent van het bruto binnenlands product uitkomen. Dat is een groot compliment aan alle betrokkenen: de commissaris zelf, het personeel van de Commissie, de voorzitter van de Begrotingscommissie en de Raad van ministers. Iedereen verdient lof. Ik zou daarom graag zien dat we doorgaan de belastingbetalers in de Europese Unie in de loop van de jaren meer waar voor hun geld te geven. Zij willen de echte kosten van Europa omlaag hebben. Als we daarin slagen, zien ze dat we oog hebben voor hun wensen.

 
  
MPphoto
 
 

  Dührkop Dührkop (PSE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, ik zal het hier als rapporteur voor het advies van de Begrotingscommissie hebben over de vroegere begrotingslijnen A-30. In concreto gaat het om een reeks begrotingslijnen voor de financiering van subsidies uit de kredieten van Deel A van de Commissiebegroting.

Ik herinner u eraan dat de subsidies, ten gevolge van de inwerkingtreding van het nieuwe Financieel Reglement, moesten worden aangepast aan de nieuwe voorschriften. Ten eerste moesten de uitgaven uit Deel A van de begroting nu worden ingedeeld als beleidskredieten in plaats van als huishoudelijke kredieten. Ten tweede moest overeenkomstig artikel 49 van het Financieel Reglement een rechtsgrondslag worden vastgesteld om de uitvoering van de kredieten mogelijk te maken.

Conform datzelfde artikel 49 heeft de Commissie in het begin van de zomer van dit jaar zeven voorstellen ingediend die samen een communautair meerjarenprogramma vormen. Op die manier wilde de Commissie garanderen dat het programma uiterlijk in 2004 in werking zou treden, zodat de gesubsidieerde organisaties hun werkzaamheden zonder onderbreking konden voortzetten.

Tijdens de laatste maanden hebben de rapporteurs ten principale en de rapporteurs voor advies nauw samengewerkt om de Raad een gemeenschappelijk standpunt voor de zeven voorstellen te kunnen voorleggen.

Nu zal ik even nader ingaan op het resultaat van de bemiddeling van 24 november. De belangrijkste punten waren de duur van de programma’s, hun financiering en vooral ook het vraagstuk van de specifieke toewijzing van fondsen of earmarking, dat ongetwijfeld het grootste struikelblok vormde.

Eerst wil ik echter de rapporteurs van de bevoegde commissies en de algemeen rapporteur, de heer Mulder, van harte danken voor hun samenwerking.

De duur van de programma’s stelde ons voor de eerste hindernis. Het Europees Parlement wilde voor alle programma’s eenzelfde looptijd aanhouden tot 2006, dat wil zeggen, totdat de huidige financiële vooruitzichten verstrijken. De Raad kon hiermee instemmen.

Ten tweede ben ik van oordeel dat wij meer dan tevreden mogen zijn met de financiële bijdrage. Wij zijn er immers in geslaagd om voor de zeven initiatieven samen maar liefst 23,1 miljoen euro te "ontfutselen", als ik zo vrij mag zijn om deze uitdrukking te gebruiken. Dat is meer dan de Raad had voorgesteld. Degenen die, zoals ik, vertrouwd zijn met het reilen en zeilen van dit Parlement weten maar al te goed hoe weinig toeschietelijk de Raad is, zelfs als het om een verwaarloosbaar bedrag gaat.

Tenslotte rest mij nog het derde punt. Zoals ik al zei, heeft de specifieke toewijzing van de fondsen ons de meeste kopzorgen gekost. Op grond van het bereikte akkoord zullen de begunstigden worden opgenomen in de basisbesluiten, met name in de programma’s ter bevordering van het burgerschap en de cultuur over de periode 2004–2005. De kredieten zullen worden opgenomen in de begrotingslijnen, niet in de reserve – zoals in eerste lezing was goedgekeurd –, ofschoon de bedragen ongewijzigd blijven. Dit betekent dat de begunstigden voldoende tijd hebben om zich aan te passen en de nodige voorbereidingen kunnen treffen met het oog op de invoering van het systeem van openbare aanbestedingen, zoals dat in het Reglement wordt voorgeschreven. Er zal immers pas vanaf 2006 – 2005 voor de bestaande programma’s en 2007 voor de nieuwe initiatieven – opnieuw over de programma’s onderhandeld worden.

Ik denk dat wij allen blij mogen zijn met dit resultaat. Wij hebben niet alleen orde op zaken gesteld, maar bovendien hebben wij ervoor gezorgd dat de waardevolle activiteiten van de organisaties die steun uit deze programma’s ontvangen niet op de helling komen te staan en niet onderbroken hoeven te worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Van Hecke (ELDR). Voorzitter, ik zou op mijn beurt collega Jan Mulder willen gelukwensen met het resultaat van al zijn inspanningen: een evenwichtige begroting die de weerspiegeling is van een zo groot mogelijke consensus in ons Parlement. Toch blijf ik als begrotingsrapporteur van de Commissie buitenlandse zaken een beetje met een wrang gevoel zitten. Het is immers een constante geworden tijdens de jaarlijkse begrotingsonderhandeling dat op het vlak van buitenlands beland allerlei nieuwe toezeggingen worden gedaan waardoor er op andere posten moet worden bezuinigd. Ik betreur dit. Want hoe kan de Europese Unie een geloofwaardige en een doeltreffende speler zijn op het wereldtoneel als we Latijns-Amerika en Afrika doen betalen voor de wederopbouw van Irak? EU-lidstaten hebben vaak de neiging om grote beloftes te doen maar als het op betalen aankomt, vergeten ze die beloftes. Daarom ben ik blij dat de Begrotingscommissie zich achter mijn princiepsamendement heeft geschaard, waarin duidelijk wordt gesteld dat nieuwe engagementen in de toekomst slechts kunnen gefinancierd worden als daar ook nieuwe bijkomende financiële middelen tegenover staan.

Commissaris Schreyer heeft terecht opgemerkt dat de werkelijke omvang van de uitgaven nog verder onder het wettelijk plafond van 1,24 procent van het BBP van de Unie liggen. Ik vind het dan ook zeer belangrijk dat de Begrotingscommissie het voorstel heeft aanvaard om een substantieel deel van de marge op de EU-begroting, namelijk 16,5 miljard euro, uit te trekken voor het externe EU-beleid. Want wie ambities heeft op het wereldtoneel heeft niet alleen één stem, maar ook meer geld nodig. Slagen we daar niet in, Voorzitter, dan zetten we onszelf buitenspel aan de onderhandelingstafel - wat nu al vaak gebeurt - en krijgen wij achteraf de rekening gepresenteerd voor internationale crisissen zonder nog enige invloed te kunnen uitoefenen op de besluitvorming.

 
  
MPphoto
 
 

  Ferber (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, ik wil vandaag slechts op een paar punten ingaan in verband met het goedkeuren van de begroting 2004. In de eerste plaats is deze Commissie haar werk met een belangrijke toezegging begonnen, namelijk hervormingen door te voeren en de Europese Unie en de Europese Commissie slagvaardig te maken voor de toekomst en minder gevoelig te maken voor fraude.

De begroting 2004 is de laatste die onder uw verantwoordelijkheid tot stand komt, mevrouw de commissaris, en we zien nog niet dat de hervormingen op adequate wijze zijn voltooid. Daarom hoop ik dat we erin zullen slagen nog een aantal posten in de reserve te houden, zodat u daaraan nog de laatste hand kunt leggen. Wij zullen die posten graag vrijmaken zodra wij over de desbetreffende stukken beschikken.

Ik wil een tweede onderwerp aansnijden dat ik ook in het kader van de eerste lezing heel duidelijk naar voren heb gebracht: het is de kwestie van het “Europa van de burgers”. We hebben daarvoor gestreden. Ik ben blij dat hierover overeenstemming met de Raad mogelijk was en dat er voor de jumelages nu een regelgevingskader is gevonden, met behulp waarvan we alle problemen kunnen overbruggen en waardoor we rechtszekerheid hebben voor de komende drie jaar. Het is zeker een programma dat verlengd kan worden. Nu hoor ik echter dat er voor de Carrefours en Info-Points weliswaar een oplossing is gevonden voor 2004, maar nog niet voor de periode daarna. Ik vind het al enigszins bedenkelijk, ook na gesprekken met het Info-Point in mijn woonplaats, dat er kennelijk verschillende begrotingslijnen zijn waarvan ze gebruik kunnen maken en dat niet alle centra met de problemen van het nieuwe Financieel Reglement worden geconfronteerd. Misschien zou de Commissie intern bij haar diensten kunnen nagaan, waar de fout ligt. Ik denk niet dat men dit kan afschuiven op instellingen die in het belang van de Europese Unie uitstekend werk verrichten door aan brede lagen van de bevolking informatie beschikbaar te stellen.

In aansluiting op het debat dat we vanochtend gevoerd hebben wil ik als reactie op de Intergouvernementele Conferentie van afgelopen weekend het volgende zeggen: het is op dit moment zinloos te gaan piekeren over de vraag hoeveel geld de Europese Unie na 2006 ter beschikking staat. In dit opzicht heb ik ook wel begrip voor de brief van de zes, zolang men niet weet voor welke taken de Europese Unie na 2006 zal staan. Ik denk dat die vraag eerst moet worden beantwoord. Als de taken duidelijk zijn, moeten ook voldoende financiële middelen beschikbaar worden gesteld. Het werkt echter niet wanneer gezegd wordt: dit is het financiële plafond, maar alle wensen die ik als lidstaat heb, moeten wel worden ingewilligd.

De tijd die ons nu door de regeringsleiders gegeven is, moeten we gebruiken om na te denken over de vraag, wat Europese taken zijn en hoeveel geld het kost om die taken te vervullen. Dat financiële kader zou dan uiteindelijk ook beschikbaar moeten zijn. Dat is de enige serieuze benadering, willen we over de financiële periode na 2006 kunnen discussiëren.

 
  
MPphoto
 
 

  Guy-Quint (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, vooraleerst wil ik – net als mijn collega’s – zowel de rapporteurs, de heer Mulder en mevrouw Gill, als de hele Begrotingscommissie en haar medewerkers feliciteren met het opstellen van deze begroting voor 2004. Dit is met een ongewone rust verlopen, gezien het nieuwe begrotingskader en het feit dat dit een begroting is voor het Europa van na de uitbreiding.

Mijns inziens is onze commissie, in deze zittingsperiode, groot geworden in het vinden van compromissen en is de werkmethode die zij heeft weten te vinden onder leiding van onze voorzitter, de heer Wynn, een werkmethode die met name dit jaar haar vruchten heeft afgeworpen. Er is geluisterd naar wat onze fracties het belangrijkst vinden en daar is ook werkelijk iets mee gedaan. Ik denk dan aan het communautair beleid om bedrijven, en vooral de KMO’s, tegemoet te komen en aan alle beleid dat bijdraagt aan het opbouwen van een Europa van de burgers, zoals stedenbanden tussen steden in EU-landen en in kandidaat-landen, en dat het handelen van Europa in de wereld zichtbaar maakt, zoals subsidiëring van vaccinatie tegen armoedegerelateerde ziekten.

Een probleemloze begroting dus, maar het is er wel een waarin de bevoegdheden van het Parlement in financiële zaken in hun algemeenheid ter discussie worden gesteld. Voortdurend hebben we de provocaties van de Raad moeten ondergaan als het gaat om onze rechten en prerogatieven. En wat heeft dat opgeleverd? Het is de hoogste tijd om bij onszelf te rade te gaan over de verontrustende discrepantie tussen de politieke retoriek en de uitvoerbaarheid van de begroting.

Elk jaar weer protesteer ik hier tegen dit inmiddels steeds terugkerend probleem. De kille houding van de Raad is in strijd met onze rechtmatige begrotingsdoelen. Uit het mislukken van Brussel is overigens wel gebleken wat voor toekomst onze staatshoofden en regeringsleiders voor Europa in petto hebben. Als we Europa werkelijk deel willen laten uitmaken van het leven van de burgers dan is daar grootschalig beleid voor nodig en dat is niet mogelijk zonder een dito begroting.

Dit mag dan volkomen evident zijn, het lijkt de Raad te ontgaan, want deze is alleen maar bezig met het Stabiliteitspact en met de optelsom van nationale eigenbelangen. Is dat het Europa dat wij willen opbouwen? Onder geen beding. En toch is dat wel waar men op aanstuurt. Met de stemming over de begroting hebben we een voorbeeld gezien van dit gebrek aan aansluiting bij het informatiebeleid. Men wil Europa dichter bij de burger brengen, men maakt zich er ongerust over dat het Europees project niet leeft bij het grote publiek en men probeert de inwoners van de verschillende lidstaten te verenigen rond grote projecten. Dat alles vraagt om een samenhangend en grootschalig informatie- en communicatiebeleid. Toch, als het Parlement niet was opgetreden, zouden de kredieten die voor dit beleid bestemd zijn, ten prooi zijn gevallen aan de bezuinigingen van de Raad.

Maar wat eigenlijk het ergste is, is dat onze begroting aan het inzakken is, met betalingskredieten die dit jaar tot onder de 0,99 procent van het BBP zijn gedaald, het laagste niveau sinds 1987. Ik schaar me dan ook achter de woorden van de heer Cox en de analyse van de heer Prodi naar aanleiding van de oproep van zes landen om het plafond voor de betalingskredieten te verlagen tot 1 procent van het BNP.

Hoe valt dit te rijmen met het project van Lissabon voor de groei en het concurrentievermogen van de Unie? Wonderen bestaan immers niet. De kwadratuur van de cirkel is nooit bewezen. Als staatshoofd of regeringsleider heb je een verantwoordelijkheid en moet je dus zorgen dat doelstellingen en middelen op elkaar zijn afgestemd. Als de Raad ons in een impasse wil leiden dan moeten wij als Europees Parlement hem aan zijn beloften houden. Ik zie niet in hoe we deze essentiële hervormingen kunnen financieren met steeds minder middelen.

De leden van het Europees Parlement zijn gekozen door de burgers en dragen daarom een verantwoordelijkheid; dank u mevrouw Schreyer dat u ons daaraan herinnerd hebt. De afgevaardigden weten nu en in de toekomst hoe ze met begrotingen moeten komen die binnen de begrotingsorthodoxie vallen, maar ze weten ook dat de EU zich moet houden aan de - gezamenlijk – goedgekeurde beleidsprioriteiten. De Raad dient nu naar het Parlement te luisteren en zal in de toekomst meer vertrouwen moeten hebben in het Parlement, dat immers kan bogen op de legitimiteit van de stembus.

 
  
MPphoto
 
 

  Naranjo Escobar (PPE-DE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, mijnheer de vertegenwoordiger van de Raad, dames en heren, staat u mij toe eerst te zeggen dat het, gelet op de ontwikkelingen van het afgelopen weekend en de uiteenzettingen van vanmiddag, al een hele verdienste is dat deze begroting er gekomen is, temeer daar 2004 zich vanuit institutioneel oogpunt aandient als een bijzonder moeilijk jaar.

De begroting biedt stabiliteit en boezemt vertrouwen in. Dat zijn twee factoren die van essentieel belang zijn voor het welslagen van de uitbreiding. Daarom is het des te belangrijker dat de Commissie en de nationale overheden doeltreffende oplossingen aandragen. Dit Parlement heeft de hervorming van de Commissie gesteund en haar verzoek om nieuwe posten ingewilligd omdat wij willen dat de communautaire begroting synoniem is met geloofwaardigheid. Dat is echter vooralsnog niet het geval. Uit de verklaringen van de Europese Rekenkamer blijkt immers dat het gemiddelde uitvoeringspercentage van de beschikbare betalingskredieten tijdens de laatste drie begrotingsjaren slechts 85 procent bedroeg.

Het akkoord tussen de Raad en het Parlement levert zoals gewoonlijk belangrijke voordelen op voor de burgers. Het Parlement heeft tijdens de onderhandelingen eens te meer blijk gegeven van flexibiliteit, uiteraard met inachtneming van zijn politieke prioriteiten. De rapporteurs, de voorzitter van onze commissie, de heer Wynn, en de overige afgevaardigden die hun medewerking hebben verleend, hebben zeer verdienstelijk werk verricht. Het akkoord stelt ons immers in de gelegenheid een uitgavenniveau te hanteren dat in overeenstemming is met de inspanningen van de lidstaten om hun overheidsfinanciën in evenwicht te brengen en de basisverplichtingen van de Unie in internationale crisisprocessen na te komen. In dit verband herinner ik u aan de Top tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika die in mei zal plaatsvinden. Er zij overigens op gewezen dat wij in het kader van het begrotingsdebat onze absolute steun hebben verleend voor de oprichting van een solidariteitsfonds. Tenslotte kan er dankzij dit akkoord ook een communautaire dimensie worden gegeven aan beleidsmaatregelen die een fundamentele rol spelen, nu en in de toekomst. Ik denk bijvoorbeeld aan de financiële ondersteuning van programma’s zoals ARGO, dat de sleutel vormt tot het gezamenlijk beheer van de migrantenstromen en de buitengrenzen van de Unie, en aan de goedkeuring van een communautair initiatief ten behoeve van de slachtoffers van terrorisme. Hiermee laat de Unie aan de burgers zien dat zij, los van de toegekende schadevergoeding, aanwezig is in de strijd tegen alle vormen van terreur.

 
  
MPphoto
 
 

  Färm (PSE). (SV) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, bij ons heerst al jarenlang een brede overeenstemming over de begroting. De belangrijkste reden hiervoor is dat wij rapporteurs, een commissievoorzitter en een gevoel van saamhorigheid in de Begrotingscommissie hebben, waar de lidstaten volgens mij nog veel van kunnen leren, gezien de gebeurtenissen in Brussel het afgelopen weekend. Rapporteurs en collega's, bedankt.

Als rapporteur voor de begroting van 2003 had ik dit jaar voornamelijk de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de begroting. Daar wil ik enkele woorden aan wijden. Het aannemen van een begroting is slechts de eerste, relatief gemakkelijke, stap. Daarna komt pas de moeilijke fase, namelijk het uitvoeren ervan. Daar ben ik, wat betreft zowel 2003 als de toekomst, 2004 bijvoorbeeld, niet gerust op. Al jarenlang hebben wij, met name binnen het systeem van de structuurfondsen, grote overschotten, grote nog betaalbaar te stellen verplichtingen, de zogeheten RAL’s. Het gaat om enorme bedragen en helaas zien wij dit nu ook. Er is onlangs nog een verslag gepresenteerd over de uitvoering van de begroting 2003, waarin duidelijke problemen worden beschreven, al is er op bepaalde terreinen vooruitgang geboekt. Wij hebben kort geleden nog besloten tot een zogeheten globale overschrijving, waarbij alle grote bedragen die aan het eind van het jaar over zijn, moeten worden overgeheveld van beleidsterreinen in de begroting waar te weinig is gebeurd naar andere beleidsterreinen. Met name voor rubriek 4, die een groot tekort aan financiële middelen heeft, wordt de situatie steeds nijpender. Ook de situatie op het gebied van de communautaire initiatieven, waar grote tekorten bestaan, wordt steeds zorgwekkender. Als zelfs de implementering van de voorlichtingsprogramma's vertraging oploopt, terwijl wij belangrijke voorlichtingstaken in het verschiet hebben, zoals over de nieuwe grondwet, de uitbreiding, enzovoort, is het duidelijk dat wij echt een probleem hebben. Er moet in 2004 daadwerkelijk iets gebeuren willen wij grote teleurstellingen bij de nieuwe lidstaten voorkomen, als ze merken dat de uitvoering niet spoort met de inhoud van de begroting.

Er zijn jarenlang allerlei verslagen aangenomen over uitvoering en dergelijke. Naar mijn mening moet het Parlement echter een omvangrijkere, meer weloverwogen strategie aannemen, waarmee iets gedaan kan worden aan de jaarlijkse overschotten, het groeiend aantal nog betaalbaar te stellen verplichtingen en de gebrekkige uitvoering. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren in de vorm van een verslag waarin een strategie wordt uitgewerkt om de problemen aan te pakken die de vertraging veroorzaken.

Wij van de Partij van Europese sociaal-democraten hebben het afgelopen jaar enkele voorstellen ingediend over wat wij simplification noemen. Er moet naar mijn mening een rigoureuzer en strategischer onderzoek komen naar de manier waarop de begroting wordt uitgevoerd. Ik heb meerdere malen meegemaakt dat regio's, universiteiten en maatschappelijke organisaties geen subsidie meer aanvragen, omdat de aanvraagprocedure zo gecompliceerd is en omdat het zo lang duurt voordat zij hun geld binnenkrijgen dat zij financieel in de problemen komen, ook al komt hun project in aanmerking voor subsidie. Dat vind ik een slechte zaak. Ik denk dat de oplossing onder andere bestaat in een verdere hervorming, modernere begrotingstechnieken, een controle die meer up-to-date is en een cultuur van meer openheid. Ik denk dat wij het systeem van betalingsverplichtingen en betalingen op den duur zelfs op de helling kunnen zetten. Er moeten beslist financiële vooruitzichten komen waarbij de verschillende sectoren niet voor zeven jaar worden vastgelegd; dat is op termijn onwerkbaar. Het Parlement moet zich misschien ook realiseren dat een begroting niet zomaar verhoogd kan worden. Het moet eerst nagaan of de Commissie wel over voldoende middelen beschikt om de besluiten uit te voeren.

Dit is een belangrijke taak voor de afgevaardigden die eventueel worden herkozen voor de volgende zittingsperiode en onmiddellijk met de besprekingen over Agenda 2007 beginnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Dell'Alba (NI).(FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ook ik wil mij scharen in het koor van oprechte, waarachtige erkentelijkheid jegens de rapporteur, de voorzitter van de Begrotingscommissie, de heer Wynn – hij heeft de onderhandelingen met meesterhand geleid – maar ook jegens het Italiaans voorzitterschap. Want laten we aan de keizer geven wat des keizers is en erkennen dat, hoewel we tijdens de bemiddeling vele moeilijke uren hebben gekend, het Italiaans voorzitterschap denkelijk een niet te onderschatten bijdrage heeft geleverd aan het eindresultaat, met name als het gaat om de gebruikmaking van het flexibiliteitsinstrument.

Als we kijken naar wat er in Irak gebeurt en naar onze vooruitzichten dan is het toch wel spijtig dat we hebben moeten redetwisten en ruziën over kleinigheden, terwijl de behoeften van de regio en de rol die Europa daar zou kunnen spelen de 95 miljoen euro die er na felle onderhandelingen voor zijn uitgetrokken, ver overstijgen. De reserves die kunnen bestaan bij het stemmen over deze begroting zijn volkomen voorstelbaar, als je kijkt naar de dreigementen, de recriminatie en de kleinzieligheid waarvan we het slachtoffer zijn geweest. Zes landen, waarvan er aantal vanaf het begin bij zijn geweest, hebben ons zojuist laten weten dat we nog verder moeten bezuinigen op een begroting die al belachelijk laag is gezien de behoeften en gezien de ambities van Europa die blijken uit de nota van wijzigingen waar we vanmiddag over hebben gedebatteerd.

Ik denk echt dat we erg diep gevallen zijn in ons debat over het financieel en begrotingsbeleid. Wij zijn ons er heus van bewust dat sommige landen door hun bedreigingen ten uitvoer te brengen twee doelen willen bereiken: niet alleen de landen die zogenaamd de aanneming van de grondwet hebben tegengehouden de handschoen toewerpen, maar ook en vooral terugkrabbelen zonder rekening te hoeven houden met onze institutionele rol of de ambitities die Europa zou moeten hebben. Nu het grote Europa zich gaat uitbreiden tot 25 en straks tot 27 landen en de nieuwe democratieën innig naar democratie verlangen, bestaat het gevaar dat we, in plaats van te bieden wat we voor Spanje en Portugal destijds hebben gedaan, ons toch al zo karige aanbod nog verder verlagen.

Waarom laat u, als ondertekenaars, het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet varen? Ik zou tegen de heer Chirac willen zeggen dat het daardoor nu al mogelijk zou zijn om de helft van de begroting te besparen en te herstructureren ten behoeve van andere financieringsvormen. Ook zouden we de restitutie bij uitvoer kunnen afschaffen, aangezien er toch duidelijke gevallen van fraude aan het licht zijn gekomen. We moeten ons schrap zetten.

In dat opzicht is het betreurenswaardig dat de onderhandelingen van dit weekend over de rol van het Parlement binnen de begrotingsprocedure mislukt zijn, net als overigens de rest van de onderhandelingen. Het welslagen daarvan was een stap vooruit geweest voor Europa. Wat de rol van het Parlement betreft denk ik eigenlijk dat het zich strenger en Europeser heeft betoond bij het tot stand brengen van de begroting. Ik wil de rapporteur, de heer Mulder, dan ook hulde brengen voor het feit dat hij het hoofd koel heeft weten te houden, ondanks dat de Raad bewust de onderhandelingen heeft gevoerd zoals hij ze gevoerd heeft, om tot de resultaten te komen die we hebben gezien. Hulde dus aan het Parlement voor de begroting voor 2004!

 
  
MPphoto
 
 

  Pronk (PPE-DE). Voorzitter, er is al veel gezegd over de begroting. Ik geloof toch dat we onszelf vandaag toch een beetje mogen feliciteren.

In The Economist van deze week staat dat het bruto nationaal product van de Europese Unie dit jaar weer boven dat van de Verenigde Staten is uitgestegen. Daarmee zijn we dus de grootste BNP-macht ter wereld geworden, en van dit alles besteden wij één procent aan deze begroting. En die ene procent zorgt ervoor dat we die mogelijkheden van dat BNP in stand kunnen houden. Dus die één procent is werkelijk de beste investering die we ons kunnen voorstellen. En als je dan het geroep en gehuil in de Ecofin hoort, dan word je daar buitengewoon treurig van.

Ik denk toch dat de Ecofin een moeilijke kwestie is. Waaruit bestaat deze Ecofin? Die bestaat uit ministers die eigenlijk denken dat ze minister-president zouden moeten zijn. Ze vinden het geheel onterecht dat er ook nog een Europese Raad is, ze vinden dat zíj dat eigenlijk zijn en dan gaan ze maar eigen politiek maken.

En dat is het grote probleem van dit moment. Het Verdrag gaat ervan uit dat er één Europese Raad is, die een zekere coördinerende functie heeft. De Ecofin-lui denken dat zij dat ook doen en zij doen dat dan nog op zo'n parochiale wijze, zo treurig, laag-bij-de-gronds, dieptriest, dat we er koud van worden. Iedereen denkt natuurlijk dat ik het alleen heb over de heer Brown, maar er zijn helaas ook nog andere ministers die ook in diezelfde richting denken. Dat is een probleem en ik denk dat dat misschien het voornaamste punt is. Het gaat me er niet om de rechten van dit Parlement te beperken. Maar wat wel heel goed mogelijk zou zijn is dat als de Europese Raad weer bijeen komt, de rechten van de Ecofin wat beperkt worden. Dan zouden we misschien wat meer vooruit kunnen denken en zouden we wellicht eindelijk op de juiste wijze een Europese begroting kunnen maken en niet alleen kijken naar de kleinste gemene deler tussen die vijftien - en straks vijfentwintig - lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Pittella (PSE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, juist omdat de begroting van dit jaar de begroting van de uitgebreide Unie is, mogen wij de uiterst negatieve aspecten die met het uitstekend werk van de heer Mulder, de voorzitter, de heer Wynn, en de coördinatoren, vergezeld gingen, niet uit het oog verliezen. De collega´s hebben daar trouwen ook al over gesproken.

Mijn coördinator, de heer Walter, heeft weliswaar een positieve bemiddelingsrol gespeeld maar ik moet toch op drie negatieve aspecten wijzen. Ten eerste is het bedrag van de betalingen op een zeer laag niveau gehouden, op een van de laagste niveaus van de afgelopen tien jaar. Ten tweede is bij de structuurfondsen, zoals gebruikelijk, aan het einde van het jaar weer eens geld teruggegeven aan de lidstaten; dit jaar was dat 5 miljard euro. Ten derde is het, zoals reeds gezegd, bij rubriek 4 tot een botsing gekomen. De Raad heeft - volgens het gebruikelijke draaiboek - het mes gezet in de traditionele prioriteiten van het Parlement voor de financiering van onvoorziene problemen. Dit jaar is dat Irak en vorig jaar was dat Afghanistan. In die context is ook de gebruikelijke oorlog tussen de armen weer ontketend: vermindering van de lijnen voor MEDA en voor Azië, vermindering van de kredieten voor armoedegerelateerde ziekten of humanitaire steun, enzovoort.

Ik vraag mij af hoelang wij nog pogingen blijven ondernemen om met het flexibiliteitsinstrument en met boekhoudkundige pietluttigheid de cirkel tot een vierkant te maken. Tot overmaat van ramp kreeg de begrotingsprocedure het dit jaar ook nog zwaar te verduren door de aanslagen die tijdens de werkzaamheden in de Intergouvernementele Conferentie werden gepleegd op de begrotingsbevoegdheden van het Parlement.

Het is wel duidelijk dat dit probleem van meer algemene, politieke aard is, zoals ook vele collega´s al zeiden. Dit wordt veroorzaakt door de gierigheid van bepaalde lidstaten jegens de Unie, zoals ook uit de brief van gisteren blijkt. Toont de tot nu toe afgelegde weg echter niet overduidelijk aan dat het aan de Europese Unie afgestane geld voor onszelf bestemd is, voor de vrede, de veiligheid en het welzijn van de lidstaten?

Men kan bij het vaststellen van de politieke prioriteiten van de Europese Unie niet uitgaan van boekhoudkundige criteria. Daarom heb ik waardering voor het optreden van voorzitter Prodi en van de door de heer Prodi voorgezeten Commissie: zij geven de weg aan. Wij moeten als Europees Parlement met ons politiek initiatief de Commissie ondersteunen en de lidstaten dwingen hun kortzichtigheid op te geven en blijk te geven van een visionaire geest. De lidstaten moeten een politieke oriëntatie vaststellen en het vraagstuk van een groot supranationaal gezag nieuw leven inblazen.

Wij willen de Unie niet alleen geografisch uitbreiden tot 25 lidstaten: wij willen haar ook tot een echte politieke entiteit maken.

 
  
MPphoto
 
 

  McCartin (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, tien toespraken terug heeft onze commissievoorzitter, de heer Wynn, gezegd dat alles dat belangrijk was, al was gezegd.

Ik wil me aansluiten bij degenen die de heer Mulder, de voorzitter van de commissie, mevrouw Schreyer en de deskundigen om ons heen hebben gefeliciteerd. Kijk naar alle deskundigheid – en dan bedoel ik ook echt “deskundigheid” – van onze medewerkers in onze fracties, het personeel van de commissie, de Commissie en de deskundigen in de Raad van ministers die bij deze klus komt kijken. Kijk dan eens waar we deze deskundigheid voor gebruiken: voor een spelletje dat ik wel eens als centenschuiven heb betiteld, een spelletje dat vroeger werd gespeeld op een vensterbank of tafel met twee centen, een halve cent en twee doelen waarbij je de centen rondschoof. Ik raak steeds meer gedesillusioneerd over deze hele begrotingsprocedure en ik neig ertoe de procedure te zien als een spelletje centenschuiven. Letterlijk één cent, één procent van het BBP van de Europese Unie, en wat hebben we erover te zeggen?

De landbouwbegroting gaat naar zes tot zeven miljoen mensen op de 400 miljoen inwoners van de Unie. De steun is zeer oneerlijk verdeeld: Franse boeren krijgen 17.000 euro per boer, terwijl Portugese en Griekse boeren slechts 3.000 euro per boer krijgen. Maar dat moeten we vergeten. De Raad heeft dat daar neergezet en het moet hoe dan ook worden gefinancierd.

Dan de op een na grootste uitgave: het regionaal beleid. Wat doet dit beleid? Ik kom uit een land dat in het begin steeds een genereus aandeel in de regionale middelen kreeg, maar dat is nu niet meer zo. Spanje ontvangt bijvoorbeeld een nettobedrag van ongeveer 200 euro per hoofd van de bevolking. Dat is een half procent van het BBP. Als Spanje een voorbeeld is van ons solidariteitsbeleid binnen het regionale beleid, krijgt het in mijn ogen niets. Dit halve procent van het BBP maakt geen verschil uit: het is denkbeeldig. De heer Aznar kan zo misschien zijn beleid van sociaal-economische samenhang verkopen. Ik vind dat we dit alles opnieuw moeten bekijken.

Er zijn zoveel dingen die we zouden kunnen doen zonder de uitgaven overal in de Europese Unie te verhogen, door voor bepaalde dingen van een nationale bevoegdheid een Europese bevoegdheid te maken. Ontwikkelingssamenwerking moet er daar een van zijn, evenals onderzoek. We zullen in Oost-Europa geen Gemeenschap kunnen opbouwen en zullen geen verordeningen naar de nieuwe landen in Oost-Europa kunnen zenden. We zijn er al niet populair. Niemand trekt het bestaan van de staat in twijfel, maar veel mensen plaatsen wel vraagtekens bij het bestaan van Europa. Als de begroting een instrument moet zijn om te bouwen aan Europa, kunnen we beter nog eens opnieuw nadenken.

 
  
MPphoto
 
 

  McMillan-Scott (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteurs feliciteren en al degenen die betrokken zijn bij het begrotingsproces. Ik ben zelf een lid van de Begrotingscommissie dat helaas nogal vaak afwezig is.

Ik wil het vanmiddag graag hebben over een klein, maar uiterst gevoelig liggend programma: het Europees Initiatief voor democratie en mensenrechten, post 1904 in de begroting, waarvoor amendementen zijn ingediend waarover we morgen zullen stemmen. Ik was de rapporteur die in 1992 dit fonds heeft opgezet, dat nu 100 miljoen euro bevat. Momenteel ben ik rapporteur voor de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid voor de twee financiële verordeningen die de financiering van dit programma in 2005 en 2006 zullen regelen, alsmede de mededeling van de Commissie “Een nieuwe impuls voor EU-maatregelen inzake mensenrechten en democratisering met mediterrane partners”. Ik wil me op dit laatste onderwerp concentreren.

Het lijkt mij dat we ons heel goed bewust moeten zijn van de zone van instabiliteit die van Marokko door de bijna-buurlanden naar de Europese Unie loopt, wanneer we de Unie volgend jaar uitbreiden. Deze hele regio is door president Bush zelfs een “zone van hervorming” genoemd, maar dat is zij niet. Er zijn veel problemen, waarvan de heer McCartin en ook andere sprekers er zojuist enkele hebben genoemd.

Het Europees Parlement, dat dit Initiatief voor democratie en mensenrechten heeft opgezet, zou de Commissie nu onmiddellijk moeten aanmoedigen om haar prioriteiten voor 2004 te verleggen naar dit bredere Europese programma en in het bijzonder de Arabische landen. Enkelen zullen wellicht weten dat het verslag over 2002 van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties zich richtte op het gebrek aan democratie in de Arabische landen. Het verslag over 2003 bevat overzichten van de publieke opinie in die landen, waaruit blijkt dat de Arabische landen in feite de grootste behoefte aan en honger naar democratie hebben van alle regio's in de wereld.

In het Europees Parlement hebben we daarom de speciale taak om deze programma's te handhaven, te stimuleren en te ontwikkelen, vooral in 2004. Ik ben van plan gebruik te maken van het medebeslissingsrecht over deze twee financiële verordeningen om de Commissie en de Raad aan te moedigen het Europees Parlement opnieuw het toezicht te geven dat het Parlement vroeger op deze programma's had, en de politieke dekking te geven die de Raad van ministers niet kan bieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Laschet (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, als laatste spreker namens mijn fractie voordat de rapporteur het woord neemt, wil ik mijn waardering uitspreken voor de brede consensus die we hier bereikt hebben. Ik wil echter ook enkele kritische kanttekeningen plaatsen bij hetgeen de sociaal-democratische fractie tijdens deze begrotingsprocedure in de publiciteit heeft gebracht.

De principiële vraag luidt: kan men de begroting gebruiken als politiek instrument? Kan men zaken in de reserve houden om daarmee politieke doelen te bereiken? We doen dat op zeer veel plaatsen, beste collega Walter. We doen dat in Afghanistan, omdat we gezegd hebben dat er in Afghanistan veel niet wordt uitgevoerd van wat we als Parlement willen. We hebben de indruk dat de strijd tegen drugs door de Commissie onderschat wordt. Geef ons informatie over wat jullie doen, dan maken wij het geld vrij. De begroting van mevrouw Gill zit vol reserves om daarmee het bestuur ertoe te bewegen iets te doen, zodat er in ieder geval iets gebeurt. In die zin is de begroting inderdaad een middel waarmee ook politieke wensen van het Parlement duidelijk kunnen worden gemaakt.

Wij hebben dat in onze Fractie van de Europese Volkspartij (Christendemocraten) en Europese democraten gedaan bij het rapport over antisemitisme van het Europees Waarnemingscentrum in Wenen. Toen de discussie in volle gang was omdat het centrum twee weken lang weigerde een rapport over antisemitisme te publiceren, dat toen door collega Cohn-Bendit en anderen gepubliceerd is, hebben wij de vraag gesteld: “Waarom krijgen jullie eigenlijk zes miljoen euro per jaar, als jullie rapporten vervolgens niet gepubliceerd worden?” Daarvan werd gezegd dat we dat niet mochten doen. Toen we het toch deden en collega Walter dat helemaal niet had gemerkt, bracht hij persberichten naar buiten waarin hij zei: “Mijnheer Laschet heeft helemaal geen verstand van zaken. Dat kan de Begrotingscommissie helemaal niet.”

Beste collega Walter, ik had verwacht dat u hier vandaag een amendement zou indienen om de gelden uit de reserve te halen. Dat had de plenaire vergadering namelijk kunnen doen. Als u echter in de Begrotingscommissie zit te slapen en onze initiatieven niet opmerkt, dan is het niet fair om naar de pers te gaan en zulke mededelingen te doen. Ik zal straks om 17.00 uur naar u roepen: “Goedemorgen, mijnheer Walter, alle gelden zijn bevroren en de Begrotingscommissie zal ze pas vrijmaken, wanneer de vermenging van politiek en wetenschap bij dit centrum opgehelderd is”.

Laat deze opmerking duidelijk zijn, beste collega Walter, voordat u nog eens zulke onnozele verklaringen aflegt.

 
  
MPphoto
 
 

  Mulder (ELDR), rapporteur. – Mijnheer de Voorzitter, ik vind het bijzonder vriendelijk van u dat u mij nog een keer het woord geeft. Ik wil graag eenieder bedanken die aan dit debat heeft bijgedragen. Ik ben blij dat er inderdaad, voorzover ik het kan bewerken, een grote consensus is. Maar ik heb niet daarom het woord gevraagd.

Neena Gill en ik hebben uitstekend samengewerkt dit jaar maar we hebben vanmiddag één ding vergeten. We hebben de Commissie niet uitvoerig genoeg bedankt voor de goede samenwerking die wij hebben gehad. Mevrouw Schreyer was steeds zeer open, steeds beschikbaar voor discussies en dat was ook het geval met haar ambtenaren. Daarvoor zijn wij zeer erkentelijk. Deze begroting had niet tot stand kunnen komen zonder de actieve medewerking van de Commissie om oplossingen te zoeken voor de problemen die zich in de loop van het jaar hebben aangediend. Nogmaals mijn dank daarvoor en mijn dank nogmaals aan eenieder van u.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Ik denk, mijnheer Mulder, dat het feit dat dit applaus van alle zijden van deze vergaderzaal komt een blijk is van de grote dankbaarheid van ons Parlement voor uw werk.

Het debat is gesloten.

De stemming over dit belangrijke dossier vindt donderdag om 11.30 uur plaats.

Hiermee is ons begrotingsdebat beëindigd. Ik onderbreek de vergadering tot 17.30 uur, waarna deze wordt hervat met een reeks vragen aan de Raad.

(De vergadering wordt om 16.56 uur onderbroken en om 17.30 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER PUERTA
Ondervoorzitter

SCHRIFTELIJKE VERKLARING (ARTIKEL 120)

 
  
MPphoto
 
 

  Boudjenah (GUE/NGL). (FR) De begroting voor 2004 voor het uitgebreide Europa bedraagt minder dan 1 procent van het bruto nationaal product. Sinds 1997 is dit nooit zo laag geweest. De betalingsverplichtingen nemen af; de betalingen ook. Voor de structuurfondsen en de landbouwuitgaven wordt eveneens minder uitgetrokken. Wat er in rubriek 4 nog aan kredieten wordt bestemd voor buitenlandse steun is ver onder de maat: zo is er 35 miljoen euro beknibbeld op de hulp aan Latijns-Amerika. Vitale onderdelen van het communautair beleid, zoals de mensenrechten of de plicht om op te komen voor de zwaksten, staan onder zware financiële druk en ook de middelen voor ontwikkelingshulp hebben te lijden onder maatregelen van een verwoestende strengheid. Hoe kunnen we op deze manier serieus geloven dat we voor 2015 de armoede zullen hebben uitgebannen?

Wat de kredieten voor Irak betreft: dit is niet in de eerste plaats een financiële kwestie. Allereerst moet er een einde komen aan de bezetting. Het Irakese volk moet zo snel mogelijk zijn soevereiniteit terugkrijgen om zelf zijn behoeften te bepalen en voor de middelen te zorgen om daaraan te voldoen. Met gebruikmaking van het flexibiliteitsinstrument zou 95 miljoen euro vrijgemaakt kunnen worden. De voorgestelde oplossing – het nog verder terugschroeven van de kredieten uit rubriek 4 - is onaanvaardbaar. Die begroting is onvoldoende gezien de moeilijkheden waar de EU zich vandaag de dag voor geplaatst ziet ten behoeve van meer rechtvaardigheid en solidariteit in de wereld.

 

5. Vragenuur (Raad)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het Vragenuur (B5-0416/2003).

Wij behandelen een reeks vragen aan de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 1 van Camilo Nogueira Román (H-0721/03):

Betreft: Engagement van de Europese Unie in Irak

Waartoe heeft de Europese Unie zich geëngageerd met het oog op een democratische oplossing van de uitermate ernstige situatie in Irak en de terugtrekking van de bezettingstroepen uit het land?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) De Raad wil er allereerst aan herinneren dat de Europese Unie zich ertoe heeft verbonden bij te dragen aan de politieke en economische wederopbouw van Irak.

Volgens de Europese Raad van 16 en 17 oktober jongstleden zijn voor het welslagen daarvan de volgende elementen van doorslaggevend belang: adequate veiligheidsomstandigheden, een sterke en vitale rol voor de VN, een realistisch tijdschema voor de overdracht van de politieke verantwoordelijkheid aan het Irakese volk en de instelling van een multilateraal en transparant donorfonds opdat de steun van de internationale gemeenschap in goede banen wordt geleid.

De situatie is wat de veiligheid betreft nog steeds zorgwekkend. De recente golven van terroristische aanslagen bemoeilijken de inspanningen tot stabilisatie en wederopbouw van Irak ten zeerste.

Wat de wederopbouw betreft heeft de Europese Unie tijdens de Donorconferentie van Madrid aanzienlijke verplichtingen op zich genomen. Aangezien de veiligheid een prioriteit blijft in Irak hoopt de Raad dat de goede uitkomst van de Conferentie van Madrid snel uitmondt in concrete resultaten ter plekke.

Het op 15 november jongstleden gesloten akkoord tussen de voorlopige coalitieautoriteit, die in Irak de verantwoordelijkheid heeft, en de Irakese regeringsraad over een versnelde overdracht van de macht aan de Irakezen is een positieve stap.

Volgens het nieuwe plan zal Irak medio 2004 een nieuwe, gekozen regering moeten hebben. De Europese Unie is bereid het nieuwe Irak weer op de been te helpen. De Europese Raad heeft de Commissie en de hoge vertegenwoordiger, de heer Solana, gevraagd voor eind maart 2004 een strategie op middellange termijn voor de betrekkingen tussen de Unie en Irak te presenteren. De Europese Raad van Brussel van 12 december jongstleden heeft die aanpak in zijn conclusies - paragrafen 49 en 53 - bevestigd en het voorzitterschap heeft namens de Europese Unie op 15 december een verklaring afgelegd over de aanhouding van Saddam Hoessein. Daarin wijst de Europese Unie er eens te meer op dat het na deze belangrijke gebeurtenis noodzakelijk is vorderingen te maken in het politieke proces in Irak, met een zo groot mogelijke betrokkenheid van de bevolking. Daarbij moet worden gestreefd naar een snelle overdracht van de soevereiniteit aan een Irakese overgangsregering en naar de verwezenlijking van de voor de economische en sociale wederopbouw en de ontwikkeling van het land noodzakelijke voorwaarden.

 
  
MPphoto
 
 

  Nogueira Román (Verts/ALE). - (PT) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik meen dat de Unie als politieke instelling collectief op mondiaal vlak daadwerkelijke verplichtingen moet aangaan voor ernstige problemen als Irak, waar wij allemaal zo snel mogelijk een oplossing voor willen. Met name omdat de kans op dagelijks bloedbaden en een langdurig conflict in dat land meer dan zeker is. De arrestatie van Saddam Hoessein doet daar niets aan af. In Irak hebben wij natuurlijk ook te maken met het politieke probleem van de territoriale, etnische, godsdienstige en sociale integratie. Dat probleem kunnen wij natuurlijk niet oplossen met naïef voluntarisme. De Europese Unie heeft een aantal positieve maatregelen genomen, maar gaat de Raad met één stem spreken ten gunste van de vrede en solidariteit ten overstaan van de VN, de Verenigde Staten en de landen in die regio? Of blijft de Unie, net als nu, verlamd staan tegenover zoveel ellende? Tot slot, gelooft u werkelijk, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, dat, zoals u net hebt gezegd, heel het verzet in Irak tot louter terroristische activiteiten kan worden herleid?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Neemt u mij niet kwalijk maar ik heb de vraag niet helemaal begrepen.

Als ik het wel heb vraagt de geachte afgevaardigde in zijn aanvullende vraag of er volgens de Raad onenigheid zal ontstaan over de aanpak van de wederopbouw van Irak. Mijn antwoord is dat ik dat niet hoop en wij alles in het werk zullen stellen om dat te voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ortuondo Larrea (Verts/ALE).(ES) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik ben blij dat Saddam Hoessein berecht zal worden voor de schendingen van de mensenrechten waarvan hij wordt beschuldigd. Hij moet net zoals alle andere dictators van de wereld vervolgd worden.

Wij vieren vandaag de Internationale Dag van de Vrede. Ter gelegenheid van deze belangrijke dag heeft de paus een interessante verklaring afgelegd waarin hij onder meer heeft onderstreept dat repressie alleen niet volstaat om terrorisme te bestrijden. Hij heeft ook gezegd dat het aan de Verenigde Naties is om te beslissen of er aan bepaalde landen maatregelen moeten worden opgelegd. Bent u van oordeel dat de inval in Irak strookt met de woorden die de paus op deze Werelddag van de Vrede heeft uitgesproken? Ik hoop dat u mijn vraag begrepen hebt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik weet niet, mijnheer Ortuondo, of het noemen van de paus hetzelfde is als het stellen van een aanvullende vraag. De heer Antonione mag op deze vraag echter een passend antwoord geven, maar alleen als hij dat zelf wil.

 
  
MPphoto
 
 

  Nogueira Román (Verts/ALE). - (PT) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, een van mijn vragen ging over uw bewering dat alle verzetsdaden in Irak terroristische activiteiten zijn. Ik meen dat u in ieder geval zou moeten antwoorden op deze uiterst relevante vraag die ik net heb gesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Mijnheer Ortuondo en mijnheer Nogueira, ik wil u verzoeken geen algemeen debat over Irak te beginnen, aangezien we deze zaken vaak genoeg in dit Parlement bespreken.

Het ging hier om een verduidelijking van de vraag. Wat was de vraag van de heer Nogueira?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Ik geloof niet dat ik zoiets gezegd heb. Eerlijk gezegd lijkt het mij wel duidelijk hoe de situatie in Irak is. Dat de terroristen er flink huishouden kan iedereen afleiden uit de persberichten. Tevens is het duidelijk dat er niet alleen sprake is van terroristische activiteiten. Mijns inziens is het echter weinig zinvol hier percentages te geven van terroristische en niet-terroristische activiteiten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Mijnheer Ortuondo, indien u werkelijk een motie van orde heeft, dan verzoek u deze in te dienen, of anders te zwijgen.

U heeft vijftien seconden voor uw motie van orde.

 
  
MPphoto
 
 

  Ortuondo Larrea (Verts/ALE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, ik heb enerzijds gevraagd of de invasie in Irak bewezen heeft dat terrorisme niet alleen met repressie kan worden bestreden - men zou aan de Irakezen moeten vragen wie in hun ogen de terroristen zijn - en anderzijds of de beslissing in het algemene kader van de Verenigde Naties of in het beperkte kader van de Verenigde Staten is genomen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 2 van Alexandros Alavanos (H-0727/03):

Betreft: Vastgehouden Griekse zeelieden in Pakistan

Op 27 juli 2003 liep de tanker "Tasman Spirit", op dat moment onder het bevel van een plaatselijke loods, bij de ingang van de haven van Karatchi aan de grond, ontsnapte een groot gedeelte van de lading en ontstond een milieuramp. Het staat vast dat het beginsel “de vervuiler betaalt” van toepassing is. In het geval van de "Prestige" evenwel richtten de Spaanse autoriteiten zich tot de eigenaar van het schip, terwijl in het geval van de "Tasman Spirit" de Pakistaanse autoriteiten zich tot de hele bemanning hebben gericht en zowel de Griekse zeelieden, onderdanen van de EU, als hun Filippijnse collega's hebben verboden Pakistan te verlaten. Daarnaast hebben de Pakistaanse autoriteiten ingenieur Nikos Papás opgepakt. Hij staat aan het hoofd van een reddingsteam van een andere scheepvaartmaatschappij en kwam pas 20 dagen na het voorval met de "Tasman Spirit" (op 17 augustus 2003) in Pakistan aan.

Hoe gaat de Raad reageren op deze gevangenhouding van Europese onderdanen door de autoriteiten van Pakistan, die in Griekenland voor veel ophef onder de bevolking heeft gezorgd, en welke stappen gaat de Raad bij de Pakistaanse autoriteiten ondernemen?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) De Raad volgt het geval van de in Pakistan onder huisarrest geplaatste Griekse en Filippijnse zeelieden en de door de Pakistaanse autoriteiten getroffen maatregelen met belangstelling. Volgens de Raad zijn de aanspraken van de Pakistaanse regering ten aanzien van de gearresteerden ongegrond en zonder enig precedent in het internationaal recht. Er zijn intensieve onderhandelingen gaande met de Pakistaanse autoriteiten en er zijn verschillende stappen ondernomen ter ondersteuning van de Griekse zeelieden, onder andere via de delegatiehoofden van de Europese Unie in Islamabad en gedurende het recente bezoek van de Pakistaanse minister van Buitenlandse Zaken aan Brussel. Op 4 november jongstleden heeft de Raad het voorzitterschap van de Unie gevraagd onmiddellijk een initiatief te nemen in Islamabad en aan te dringen op onmiddellijke vrijlating van de betrokkenen. Dit initiatief vond plaats op 9 december. Het uitgangspunt daarvoor was een brief die de vrucht was van een daaraan voorafgaande coördinatievergadering van de Griekse en de Italiaans autoriteiten met deelname van de advocaten van de bemanningsleden.

 
  
MPphoto
 
 

  Alavanos (GUE/NGL).(EL) Ik dank de fungerend voorzitter van de Raad van harte. Wat hij heeft gezegd is positief. Het bewijst dat de Raad dit belangrijk vindt. Ik herhaal dat het hier gaat om een gijzeling. De kok van het schip dat een ongeval heeft veroorzaakt mag niet worden vastgehouden, want het waren de loodsen die de vervuiling hebben veroorzaakt, zij zijn verantwoordelijk. Gewone matrozen of mensen van de bergingsmaatschappij mogen evenmin worden gearresteerd.

Daarom zou ik de minister willen vragen om, als zwanenzang van het Italiaanse voorzitterschap, een gebaar te stellen en in te grijpen in een humanitair probleem, dat Europese burgers treft. Dan kunnen die mensen Kerstmis en nieuwjaar toch nog thuis vieren.

Ik wil dus vragen of het voorzitterschap bereid is dit probleem bij de Pakistaanse regering aan te kaarten en wel op het hoogste niveau, bij monde van de premier en fungerend voorzitter van de Europese Raad of de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken. Nogmaals wil ik het Italiaanse voorzitterschap hiervoor danken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Nee, nee, ik heb de heer Antonione wel het woord gegeven, maar hij heeft de vraag gehoord en gebaarde mij dat hij deze, in principe, niet zou beantwoorden. Indien de heer Antonione wenst te antwoorden – en ik zeg dit er met nadruk bij – op de vraag van de afgevaardigde, dan mag hij dat doen.

De heer Antonione heeft het recht in woorden of in gebaren te antwoorden, naar eigen goeddunken.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Ik meende al te hebben geantwoord op de vraag van de geachte afgevaardigde. Ik heb namelijk gezegd dat wij van plan zijn een initiatief te ontplooien om de onmiddellijke vrijlating van de betrokkenen te verkrijgen. Mijns inziens blijkt daaruit wat onze intenties zijn en wat wij ondernemen om zo spoedig mogelijk een doorbraak te bewerkstelligen in de situatie. Wij hopen dat nog voor de kerstvakantie een oplossing zal worden gevonden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aangezien de vragen nrs. 3 en 4 over een soortgelijk onderwerp gaan, worden zij tezamen behandeld.

Vraag nr. 3 van Bernd Posselt (H-0729/03):

Betreft: Reproductieve gezondheid

In het ontwikkelingshulpbeleid van de EU, resp. in de desbetreffende programma's is steeds vaker sprake van "reproductieve gezondheid". Hoe definieert het voorzitterschap van de Raad dit begrip, en omvat dit ook het stimuleren van abortus?

Vraag nr. 4 van Dana Rosemary Scallon (H-0794/03)

Betreft: Reproductieve gezondheid

Is de Raad van mening dat de Commissie bij de toekenning van fondsen aan een organisatie rekening moet houden met de activiteiten van de organisatie als geheel of alleen met de activiteiten waarvoor de organisatie EU-steun aanvraagt?

Is de Raad van mening dat hij, wanneer hij de verordening betreffende reproductieve gezondheid en rechten in de ontwikkelingslanden aanneemt, de Europese Commissie het mandaat verleent alleen fondsen te verstrekken aan organisaties die abortus tot hun activiteiten rekenen?

Acht de Raad, in verband met het EU-mensenrechtenbeleid en de rechten van de mens in de wereld, de rol van de EU bij de bevordering van de mensenrechten en de democratisering in derde landen, de consolidatie van democratie, rechtvaardigheid en de eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden, alsmede de eerbiediging van de grondrechten in de EU, abortus een fundamenteel en onvervreemdbaar recht van de mens, met name in verband met de bestrijding van armoede en de bevordering van een duurzame ontwikkeling?

Acht de Raad de financiering door de EU van organisaties die abortussen verlenen waar dit wettig is, dan wel de legalisering van abortus bevorderen waar dit op dit moment onwettig is, verenigbaar met de verklaring van de Verenigde Naties van 1959 over de rechten van het kind, waarin wordt verklaard dat het kind "bijzondere bescherming en zorg behoeft, waaronder een passende rechtsbescherming, zowel voor als na de geboorte"?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Het recht op een zo hoog mogelijk niveau van fysieke en geestelijke gezondheid is een grondrecht en strookt met artikel 25 van de Universele Verklaring van de mensenrechten. Momenteel is eenvijfde van de wereldbevolking van dat recht verstoken. Het gebrek aan gezondheidszorg en aan diensten, voorzieningen en informatie en de verspreiding van HIV en aids verijdelen alle pogingen tot armoedebestrijding die - zoals in het Verdrag staat - het hoofddoel is van het communautair ontwikkelingsbeleid. Dit doel werd ook bevestigd in de gezamenlijke verklaring van de Raad en de Commissie van 10 november 2000 en strookt met de milleniumontwikkelingsdoeleinden van de Verenigde Naties.

Krachtens artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet bij de uitwerking en uitvoering van alle beleidsvormen en activiteiten van de Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid worden verzekerd. Het ontwikkelingsbeleid van de Europese Gemeenschap op het gebied van de seksuele en reproductieve gezondheid is gebaseerd op een actieprogramma van de Internationale Conferentie van de Verenigde Naties over bevolking en ontwikkeling, die in 1994 in Cairo heeft plaatsgevonden, en op de als “Cairo + 5” bekend staande sleutelacties, die in 1999 door de XXIe Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werden aangenomen. Volgens die programma´s en acties moet reproductieve gezondheid het volgende omvatten: voorlichting, informatie, onderwijs, communicatie en gezinsplanning, onderwijs en dienstverlening op het gebied van zwangerschapsbegeleiding, veilige bevalling en hulp na de bevalling - waarbij vooral de klemtoon dient te worden gelegd op borstvoeding en gezondheidszorg voor moeder en kind -, preventie en adequate behandeling van onvruchtbaarheid, preventie van abortus onder riskante omstandigheden en adequate behandeling van door abortussen veroorzaakte complicaties, behandeling van infecties van de voortplantingsorganen, seksueel overdraagbare ziekten en andere met de reproductieve gezondheid verband houdende vraagstukken, waar nodig informatie, onderwijs en raadgeving op het gebied van de menselijke seksualiteit, reproductieve gezondheid en van verantwoord ouderschap.

Op 15 juli 2003 hebben het Europees Parlement en de Raad een verordening aangenomen betreffende de ondersteuning van beleidsvormen en acties met betrekking tot de reproductieve en seksuele gezondheid en rechten in de ontwikkelingslanden. Deze verordening heeft tot doel financiële bijstand en voorlichting te bieden met betrekking tot de verbetering van de reproductieve en seksuele gezondheid in de ontwikkelingslanden en de eerbiediging van die rechten te garanderen. In overweging 16 wordt duidelijk gemaakt dat overeenkomstig de verordening aanmoediging van sterilisatie of abortus verboden is en abortus nooit mag worden gepresenteerd als een methode voor gezinsplanning. Verder zij erop gewezen dat volgens artikel 3 van de verordening onder de voor financiële steun in aanmerking komende specifieke maatregelen ook de vermindering van het aantal abortussen onder gevaarlijke omstandigheden valt.

In het kader van het EU-beleid voor de bevordering van de mensenrechten, de grondrechten, de democratisering en de rechtsstaat in derde landen wordt met verordening nr. 975/1999 van de Raad betreffende het beleid voor ontwikkelingssamenwerking en verordening nr. 976/1999 van de Raad betreffende niet onder de ontwikkelingssamenwerking vallende communautaire acties, onder meer technische en financiële bijstand verstrekt aan acties die met name gericht zijn op de bevordering en de bescherming van de in de Universele Verklaring van de mensenrechten verankerde mensenrechten en grondrechten en van andere internationale instrumenten voor de ontwikkeling en consolidering van de democratie en de rechtsstaat.

Wat tot slot de laatste vraag betreft, staat in overweging 5 van verordening nr. 1567/2003 het volgende: “De Gemeenschap en haar lidstaten eerbiedigen het recht van eenieder om vrij te besluiten over het aantal kinderen en de geboortespreiding; zij veroordelen iedere schending van de mensenrechten in de vorm van gedwongen abortus en sterilisatie, kindermoord of het verstoten, in de steek laten of slecht behandelen van ongewenste kinderen als middel om de bevolkingsaanwas onder controle te houden”.

 
  
MPphoto
 
 

  Posselt (PPE-DE).(DE) Hartelijk dank, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, voor uw zeer uitvoerige antwoord. Ik heb nog een aanvullende vraag die eigenlijk alleen met “ja” of “nee” kan worden beantwoord. Ik heb begrepen dat abortus niet als middel voor gezinsplanning mag worden toegepast - zo luidt immers ook de resolutie van dit Parlement. Daarom wil ik u vragen: omvat het begrip “reproductieve gezondheid” ook het stimuleren van abortus, ja of nee?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Nee.

 
  
MPphoto
 
 

  Scallon (PPE-DE). - (EN) Acht de Raad de financiering door de EU van organisaties die abortussen verlenen waar dit wettig is, dan wel de legalisering van abortus bevorderen waar dit op dit moment onwettig is, verenigbaar met de verklaring van de tweede bijeenkomst van de Wereldgeneeskundige Associatie in 1948 in Genève, waarin wordt opgeroepen tot het grootst mogelijke respect voor het menselijk leven, vanaf het tijdstip van de conceptie? Acht de Raad het budget van de Republiek Ierland voor bilaterale buitenlandse steun, waarvan bijna nog meer middelen worden gereserveerd voor reproductieve gezondheid dan voor veilig drinkwater en adequate hygiëne, verenigbaar met het streven van de Europese Unie om de beschikbaarheid van basisgezondheidszorg in de ontwikkelingslanden te verbeteren?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Ik kan niet in detail treden wat deze vraag betreft. Ik kan dus ook geen uitvoerig antwoord geven. Ik weet eerlijk gezegd ook niet wat de geachte afgevaardigde met abortusbeleid bedoelt.

Wij zouden urenlang kunnen discussiëren over wat voor soort abortus wij het hier hebben, over therapeutische abortus, spontane zwangerschaponderbreking of ingeleide abortus. Ik kan eerlijk gezegd niet nader ingaan op een dermate specifieke vraag. Ik kan u wel meer algemeen zeggen dat - zoals ik ook al in mijn hoofdantwoord en in het daaropvolgend antwoord heb vermeld - men niet van mening is dat abortus deel uitmaakt van het beleid voor onderwijs op het gebied van de reproductieve gezondheid en voor geboortebeperking.

 
  
MPphoto
 
 

  Gollnisch (NI).(FR) Mijnheer de Voorzitter, strikt genomen is het geen aanvullende vraag die ik wil stellen, maar ik wil, met uw welnemen, heel kort wijzen op artikel 43 van het Reglement.

Als ik de antwoorden van de voorzitter van de Raad aan onze collega’s hoor, komt het mij voor dat deze van buitengewoon belang zijn en dat zij eigenlijk door meer afgevaardigden gehoord zouden moeten worden. Bovendien heet dit uur in de termen van artikel 43 van ons Reglement “vragenuur voor vragen aan de Raad en aan de Commissie” en, hoewel deze vragen natuurlijk aan de Raad zijn gericht, zou het mijns inziens ook heel interessant zijn als deze beantwoord zouden worden in het bijzijn van een afgevaardigde van de Commissie. We zouden ons dan meer aan de letter van ons Reglement houden en bovendien zouden we dan mogelijkerwijs een preciezer idee kunnen krijgen van hoe de verschillende instellingen over deze vragen denken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Mijnheer Gollnisch, ik zie dat u een perfectionist bent als het op het Reglement aankomt, maar wat het Reglement zegt is duidelijk en dat is dat de afgevaardigden vragen kunnen stellen aan wie zij willen, aan de Raad of aan de Commissie.

Deze vragen worden vaak ook aan de Commissie gesteld, maar dan op een andere dag.

 
  
MPphoto
 
 

  Gollnisch (NI).(FR) U heeft mijn vraag niet goed begrepen. Ik heb gezegd dat het interessant zou zijn als namens de Commissie iemand aanwezig zou zijn om de antwoorden van de Raad aan te horen. Dat is alles wat ik wilde zeggen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Dat is allemaal prima, maar u moet dat punt op een andere manier maken. Dat kan niet in de tijd van afgevaardigden die vragen hebben gesteld en nu graag een antwoord willen. Dat is nu aan de orde.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 5 van Miguel Ángel Martínez Martínez (H-0734/03):

Betreft: Essentiële verschillen tussen het EU-beleid jegens China en het EU-beleid jegens Cuba

Na de Top EU/China kan worden vastgesteld dat de Commissie en de Raad jegens China een positief, constructief beleid volgen dat gunstig uit zal pakken voor ons en voor de Chinese bevolking. Des te verbazingwekkender is het radicale verschil tussen dit beleid en het Cuba-beleid van de EU. Het zou goed zijn te weten welke motieven dit verschil rechtvaardigen.

Is de Raad van mening dat de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat - onzorgvuldige procesgang, doodstraffen, vrijheid van meningsuiting en religie, politiek en sociaal pluralisme, enzovoorts - in China bevredigender is dan op Cuba? Heeft de Raad besloten de ambassadeurs van de lidstaten aan te raden op hun nationale feestdagen Chinese "dissidenten" uit te nodigen? Zou het redelijk zijn de culturele samenwerking met China te bevriezen? Waarom wordt ten opzichte van het ene land een geheel andere gedragslijn gevolgd dan ten opzichte van het andere land? Is de reden hiervoor soms gelegen in het aantal inwoners, het economische en handelspotentieel of de afstand die de respectieve hoofdsteden scheidt van Washington?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) De Raad herinnert eraan dat de Europese Unie, overal waar de beginselen van vrijheid en democratie in gevaar zijn, zich inzet voor de eerbiediging daarvan en voor de eerbiediging van de mensenrechten en de grondvrijheden.

Zij laat geen gelegenheid voorbij gaan om deze beginselen te doen gelden en te verdedigen, ongeacht het niveau waarop de ontmoeting met haar gesprekpartners plaatsvindt. Dit doet zij algemeen maar indien nodig ook in specifieke gevallen. Daarbij kan de Europese Unie gebruik maken van verschillende wegen en instrumenten. Zij wil immers dat haar optreden zo efficiënt mogelijk is en rekening kan houden met de specifieke omstandigheden in elk land.

De instrumenten die de Europese Unie ter beschikking staan en de ontwikkelingen die zich in de verschillende gevallen hebben voorgedaan, worden gedetailleerd weergegeven in de jaarverslagen over de mensenrechten, waarover het Europees Parlement geregeld wordt geïnformeerd.

De Raad herinnert eraan dat wat Cuba betreft het Europees Parlement met verschillende resoluties steun heeft gegeven aan het optreden van de Raad. De Raad wijst er bovendien op dat het hoe dan ook niet zijn bevoegdheid is om vergelijkende waardeoordelen uit te spreken over de situatie in bepaalde landen, zoals in de vraag wordt verlangd.

 
  
MPphoto
 
 

  Martínez Martínez (PSE).(ES) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, het verwondert mij dat u deze uitgesproken politieke vraag beantwoordt met een louter bureaucratisch antwoord. Maar goed, als dat uw reactie is, moet ik u vragen of de Raad voornemens is aan China soortgelijke maatregelen op te leggen als aan Cuba. Zal de Raad de ambassades van de lidstaten bijvoorbeeld aanbevelen om op hun nationale feesten vertegenwoordigers van de oppositie en van het Tibetaanse verzet te ontvangen? En verdedigers van de mensenrechten die uiteraard niet op dezelfde golflengte zitten als de Chinese autoriteiten? Daar gaat mijn vraag over.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Ik dacht dat ik reeds had geantwoord. De geachte afgevaardigde zei dat dit een bureaucratisch en geen politiek antwoord was. Ik heb daar begrip voor en het spijt mij.

De geachte afgevaardigde weet heel goed dat ik namens de vijftien lidstaten van de Europese Unie antwoord. Het standpunt van de lidstaten wordt niet altijd gekenmerkt door perfecte politieke overeenstemming. Bovendien weet u dat de antwoorden op de vragen worden voorbereid door de ambtenaren van de Europese Unie, ongeacht het land dat op een bepaald moment het voorzitterschap van de Unie bekleedt.

De antwoorden zijn misschien bureaucratisch maar dat is geen toeval, en dat maakt ook deel uit van de manier waarop de instellingen op Europees vlak werken. Ik geloof echter dat u toch op de een of andere manier een antwoord hebt gekregen, ook op uw aanvullende vraag. In het antwoord staat namelijk dat telkens moet worden gekeken naar de situatie in het betrokken land, en daarom geloof ik niet dat het zinvol is twee landen met elkaar te vergelijken. Ik kan u alleen mededelen dat nog niet is gesproken over eventuele acties tegen China. Evenmin is overwogen of die acties dezelfde moeten zijn als tegen Cuba.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 6 van Philip Bushill-Matthews (H-0736/03):

Betreft: Rijtijden

Is de Raad niet ook van mening, gezien de lange tijd die is verstreken sinds de Commissie haar voorstel tot vervanging van verordening van de Raad (EEG) 3820/85(1) indiende, terwijl er nog geen tekenen zijn dat er een gemeenschappelijk standpunt is opgesteld, dat men redelijkerwijze mag verwachten dat de opstelling van het gemeenschappelijk standpunt niet langer wordt uitgesteld?

Kan de Raad mededelen wanneer het Parlement dit document kan tegemoetzien?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) De Raad wil de geachte afgevaardigde verzekeren dat sedert de indiening van het voorstel verscheidene voorzitterschappen hebben geprobeerd vorderingen te maken met dit dossier en de aanneming van een gemeenschappelijk standpunt van de Raad mogelijk te maken. Er zijn reeds veel middelen uitgetrokken voor de onderhandelingen over dit dossier, maar er zijn nog steeds meningsverschillen in de Raad over enkele fundamentele vraagstukken in verband met de ontwerpverordening. Sommige voorzitterschappen meenden daaruit te moeten concluderen dat er geen gekwalificeerde meerderheid mogelijk was voor een gemeenschappelijk standpunt van de Raad.

De Raadsorganen hebben kortgeleden onder Italiaans voorzitterschap opnieuw de mogelijkheid van een gemeenschappelijk standpunt over de betrokken ontwerpverordening onderzocht. Het toekomstig Iers voorzitterschap heeft verklaard van plan te zijn de onderhandelingen in de Raadsorganen voort te zetten uitgaande van de tot op heden bereikte vooruitgang, en te proberen nog tijdens zijn voorzitterschap, dat wil zeggen tijdens de eerste helft van het komend jaar, tot een politiek akkoord te komen over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad. Natuurlijk zal het gemeenschappelijk standpunt zodra er een politiek akkoord is, worden voorgelegd aan het Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Bushill-Matthews (PPE-DE). - (EN) In mijn kiesdistrict bestaan organisaties, zoals de Shropshire Playbus Association, die zich grote zorgen maken over het voortbestaan van de waardvolle lokale dienstverlening door mobiele educatieve speelplaatsen als de uitzondering genoemd in artikel 13, lid 1, sub f, van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad betreffende de rijtijden van chauffeurs zou worden ingetrokken als onderdeel van een voorstel om deze verordening te vervangen of te wijzigen.

Ik wil de fungerend voorzitter op de eerste plaats vragen of hij het werk van dergelijke organisaties waardeert, en op de tweede plaats of hij, als dat zo is, de Raad zou willen helpen om bij een eventuele wijziging van de verordening te doen wat nodig is zodat zulke organisaties deze belangrijke dienstverlening aan de samenleving kunnen blijven bieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Het spijt mij dat ik geen nauwkeurig antwoord kan geven. Ik kan alleen nota nemen van deze aanvullende opmerking en van de inlichtingen die de geachte afgevaardigde zo vriendelijk was te verschaffen. Ik zal deze onderzoeken, en dan zullen degenen die de werkzaamheden tijdens het komend semester moeten leiden, misschien aan de hand daarvan meer gedetailleerd op deze vraag kunnen antwoorden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 7 van Marco Cappato, vervangen door de heer Turco (H-0739/03):

Betreft: Anti-homobesluit van de Griekse Nationale Raad voor Radio en Televisie

Op 12 november heeft de door het parlement benoemde Griekse Nationale Raad voor Radio en Televisie (ESR) besloten het commerciële televisiestation Mega Channel een boete van 100.000 euro op te leggen wegens het tonen van twee kussende mannen in de populaire TV-serie "Close your eyes" die 's avond laat wordt uitgezonden. De heer Laskaridis, president van de ESR, heeft naar verluidt verklaard dat "er onaanvaardbare en extreme dialogen werden gevoerd die een vulgaire sfeer creëerden en tot iets leidden wat wellicht in de samenleving gebeurt, maar niet gebruikelijk is. Het is een abnormaliteit die buiten het productieve proces van het leven valt." In Athene zijn daarop demonstraties gehouden, terwijl het commerciële televisiestation heeft aangekondigd dat het in beroep zal gaan bij hogere rechtsinstanties en alle commerciële televisiestations een petitie hebben ondertekend waarin zij oproepen tot heroverweging van het besluit.

Is de Raad niet van mening dat dit besluit indruist tegen artikel 6 van het EU-Verdrag en tegen het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens? Is hij voornemens bij de Griekse regering uiting te geven van zijn bezorgdheid over dit anti-homobesluit van de ESR?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) De Raad wil herinneren aan de beginselen die ten grondslag liggen aan de Verdragen en met name aan de beginselen van eerbiediging van de grondvrijheden. De Raad heeft dit specifieke geval niet behandeld maar wil er wel opwijzen dat alle interne beroepsmiddelen zijn aangewend.

 
  
MPphoto
 
 

  Turco (NI). - (IT) Formeel gezien is dit antwoord vlekkeloos, maar het is niet de eerste keer dat de Raad - evenals de Commissie trouwens - dergelijke vragen worden gesteld over schendingen van artikel 6 van het Verdrag. Vaak zijn deze schendingen inherent aan de visie die bepaalde religieus-politieke regimes van de afgelopen jaren - zoals de Taliban - erop na houden. Daarin wordt niet alleen verwarring gemaakt tussen zonde en delict maar wordt deze verwarring ook in concrete vorm gegoten. Dat willen wij hier aan de kaak stellen. De Nationale Omroepraad van Griekenland meende om morele redenen te moeten optreden - zijn boekje te buiten gaand - en een boete te moeten opleggen aan een privé-zender die een zoen tussen twee mannen op het scherm liet zien.

Het is duidelijk dat niet alle beroepsmogelijkheden zijn uitgeput maar het is eveneens duidelijk dat dit geval zich wel degelijk leent voor een politieke beoordeling en een politiek oordeel, en de Raad kan politieke oordelen uitspreken.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Mijnheer Turco weet dat de Raad nooit een politiek oordeel velt over interne aangelegenheden van de lidstaten. Ik dacht echter dat mijn antwoord, hoe bureaucratisch dit ook was, toch liet doorschemeren hoe wij optreden en hoe wij de procedure proberen af te ronden voordat besluiten worden genomen over eventuele acties terzake.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 8 van Maria Luisa Bergaz Conesa, vervangen door de heer Marset Campos (H-0743/03):

Betreft: Schending van de mensenrechten in de Verenigde Staten

Door echtgenoten en familieleden van de Cubaanse gevangenen Gerardo Hernández en René González een visum te weigeren, verhindert de Amerikaanse regering opnieuw dat zij bezoek ontvangen. Een schandelijke houding van een regering die beweert model te staan voor de democratie overal ter wereld. Gezien de wijze waarop deze processen zijn gevoerd en gezien de erbarmelijke omstandigheden van hun gevangenschap is het duidelijk dat de Amerikaanse regering hier de mensenrechten schendt.

Is de Raad van plan stappen te ondernemen op grond van het internationale recht inzake de mensenrechten en de akkoorden van Genève betreffende de rechten van gevangenen?

Beseft de Raad welke kwellingen en vernederingen deze echtgenoten ondergaan door toedoen van de Amerikaanse regering?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) In het algemeen wil de Raad onderstrepen dat hij elke situatie waarin de mensenrechten worden geschonden en de eerbiediging van de mens niet voldoende wordt gegarandeerd, afkeurt. Zoals de Raad reeds tijdens het vragenuur van september, in antwoord op de vragen nrs. H-0544 tot en met H-0549/03, naar voren heeft gebracht, is hij op de hoogte van het proces en de detentie van vijf Cubaanse burgers die sedert 2001 in Florida wonen en van de zorgen over hun detentieomstandigheden die onder meer ook tot uiting zijn gebracht door NGO´s die actief zijn op het gebied van de mensenrechten.

Wat de situatie van de heren Hernández en González betreft, zij vermeld dat de behandeling van de Cubaanse gevangenen en hun gezinnen een bilaterale zaak is tussen de Verenigde Staten en Cuba. De bescherming van de belangen van in het buitenland verblijvende staatsburgers van een bepaald land, is overeenkomstig het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen een individuele bevoegdheid van de betrokken landen. Bovendien bevatten de Verdragen van Genève enkel voorschriften voor de behandeling van mensen die tijdens een gewapend conflict gevangen zijn genomen. Het gaat daarbij niet om gewone burgers, zoals deze twee mensen die in hechtenis zijn genomen op grond van vermeende schendingen van het strafrecht.

Wat meer algemeen de zaak van de eerbiediging van de mensenrechten betreft, wijst de Raad erop dat hij van elke gelegenheid op welk niveau dan ook gebruik maakt om met derde landen te spreken over de noodzaak van eerbiediging en bevordering van de mensenrechten. Met name wil de Raad erop wijzen dat in de conclusies van de bijeenkomst van 12 december jongstleden een verklaring is opgenomen over de transatlantische betrekkingen, waarin wordt aangedrongen op de noodzaak dat de Europese Unie en haar transatlantische partners een met name op de bevordering van de rechtsstaat, de democratie en de mensenrechten gefundeerde, gemeenschappelijke agenda verdedigen. In dit geval deelt de Raad de geachte afgevaardigden mee dat de zaak van de vijf van Miami niet met de Verenigde Staten is besproken, aangezien dit een bilaterale zaak is tussen de VS en Cuba.

 
  
MPphoto
 
 

  Marset Campos (GUE/NGL), plaatsvervangend auteur.(ES) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik dank u voor uw antwoord en uw belangstelling. Deze kwestie gaat echter veel dieper, aangezien de wending die de situatie in Cuba in maart en april heeft genomen en de daaropvolgende reacties van de Europese Unie de aandacht van de publieke opinie gevestigd hebben op de ontwikkeling in Cuba en de betrekkingen van dat land met de Verenigde Staten.

Wij hebben hier dus eigenlijk niet te maken met een zuiver bilaterale kwestie, maar met een internationaal probleem. Gelet op het belang van een en ander dring ik in mijn aanvullende vraag dan ook indirect aan op een concrete actie van de Europese Raad. Mijn vraag luidt: “Bent u voornemens om onze bezorgdheid over de bescherming van de mensenrechten van deze vijf personen en hun familie over te brengen aan de Raad?”

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Ik heb nota genomen van uw opmerkingen en wij zullen deze bestuderen. Pas daarna zullen wij in staat zijn nauwkeurig te antwoorden op uw vraag over het optreden van de Raad, als de Raad daartoe zou besluiten.

 
  
MPphoto
 
 

  Alyssandrakis (GUE/NGL).(EL) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, bij uw antwoord van daarnet op vraag nr. 5 heeft u gezegd dat de Raad het als zijn plicht beschouwt overal ter wereld eerbied voor de mensenrechten af te dwingen. Van de Noordpool tot de Zuidpool, dus. Welnu, ergens halverwege liggen de Verenigde Staten van Amerika. En u heeft ons ook gezegd dat uw benadering van dit probleem zal afhangen van het niveau van de betrekkingen met het land in kwestie. Is het niveau van de betrekkingen tussen de Raad en de VS van dien aard dat u het probleem van die vijf gevangenen niet als mensenrechtenprobleem kunt aankaarten bij de regering van de VS? Of heeft het misschien te maken met wat de heer Patakis scherp veroordeelt in zijn vraag nr. 20, namelijk dat de Europese Unie haar beleid ten aanzien van Cuba en andere kwesties volledig afstemt op dat van de VS?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Het spijt mij dat de geachte afgevaardigde mijn antwoord heeft geïnterpreteerd op een manier die niet overeenstemt met hetgeen ik daarin tot uiting heb willen brengen.

Wat de rechten van de mens betreft, heb ik nogmaals gezegd dat de Raad van de Europese Unie die rechten bij elke gelegenheid, in elke situatie en op elk niveau verdedigt en bevordert, ook ten overstaan van de Verenigde Staten. Ik kan hierbij verwijzen naar een antwoord dat ik al eerder in deze zaal heb gegeven op een soortgelijke vraag. Wij hebben dit ook recentelijk nog gedaan tijdens de bilaterale ontmoeting met de minister van Buitenlandse Zaken, de heer Colin Powell. De Raad en de lidstaten van de Unie die daarbij aanwezig waren, hebben uiting gegeven aan bepaalde zorgen ten aanzien van het vraagstuk van Guantánamo.

Wat de kwestie Verenigde Staten-Cuba betreft ligt de situatie in dit specifieke geval echter anders. Zoals ik namelijk al in mijn eerste antwoord heb gezegd, gaat het hierbij om een zaak die valt onder de bilaterale betrekkingen tussen de Verenigde Staten en Cuba. Ik hoop dat dit nu duidelijk is.

 
  
MPphoto
 
 

  Martínez Martínez (PSE).(ES) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik wil op dit onderwerp nog even dieper ingaan: ik begrijp niet dat het bilaterale karakter van een kwestie als deze de Europese Unie verplicht te zwijgen over het mensenrechtenbeleid, want dat is - zoals de heer Antonione zegt - uiteindelijk toch ons beleid.

Wij worden hier geconfronteerd met een situatie waarin een groep gevangenen op volkomen arbitraire en onrechtvaardige wijze berecht is, want volgens ons druist de handelwijze van de Verenigde Staten regelrecht in tegen de beginselen van de rechtsstaat. Dat is echter niet alles. Bovendien krijgen de vrouwen van die gevangenen geen toestemming om hun man te bezoeken. Deze vrouwen hebben bepaalde rechten, los van hun nationaliteit en die van hun echtgenoten. In de huidige situatie wordt hun een recht ontzegd waarop alle mensen aanspraak kunnen maken op grond van het internationaal recht.

Ik heb hierover vorige maand ook al een vraag gesteld. Is de heer Antonione niet van oordeel dat het moment is aangebroken om stappen te ondernemen en ervoor te zorgen dat deze vrouwen eindelijk de rechten kunnen laten gelden die hun door de Amerikaanse regering worden ontnomen?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Ik meende reeds op deze vraag te zijn ingegaan met mijn eerste antwoord. Ik kan het enkel herhalen. Wat de situatie van de heren Hernández en González betreft, is de behandeling van Cubaanse gevangenen en hun families een bilaterale aangelegenheid tussen de Verenigde Staten en Cuba. Overeenkomstig het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen is de bescherming van de rechten en de belangen van burgers in het buitenland namelijk een individuele bevoegdheid van elk van de betrokken landen. Zoals ik dus al heb gezegd moet men deze kwestie zien als iets dat tussen deze twee landen bilateraal moet worden besproken en opgelost.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 9 van Maria Izquierdo Rojo (H-0744/03):

Betreft: Beleid inzake migratie en tijdelijke migratie

Het beleid inzake migratie dient erop gericht te zijn de huidige en toekomstige migratie op een verantwoorde en doeltreffende wijze te sturen door nieuwe wegen te openen en een efficiënt Europees kader te creëren. Alle lidstaten bereiden zich momenteel trouwens voor op het verbeteren van het beheer van de migratiestromen, en uiten daarbij de wens met de landen van herkomst samen te werken.

In de mededeling van de Commissie over immigratie, integratie en werkgelegenheid (COM(2003)0336/def.) worden een aantal suggesties gedaan in die zin, zoals gebruik te maken van de mogelijkheden die worden geboden door de Algemene overeenkomst van de WHO over de handel in diensten, als middel om tijdelijke verkeersmechanismen tot stand te brengen voor personen die naar de EU komen om een dienst te verlenen, hetgeen tegemoet zou komen aan de verwachtingen van talrijke ontwikkelingslanden, of de tijdelijke migratie te integreren in de Europese werkgelegenheidsstrategie en de programma's voor communautaire acties.

Daarnaast worden uiterst positieve initiatieven ontwikkeld op het gebied van tijdelijke, periodieke migratie, vaak met betrekking tot landbouwactiviteiten, het beheer van tijdelijke migratie, met afgifte van tijdelijke verblijfsvergunningen, en werkaanbiedingen voor uit derde landen afkomstige seizoenarbeiders.

Is de Raad niet van oordeel dat het migratiebeleid van de Europese Unie ook positieve maatregelen op het gebied van tijdelijke en seizoenarbeid moet omvatten?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) De Unie erkent zonder meer hoe belangrijk het is dat burgers uit derde landen toegelaten worden tot tijdelijk en seizoenwerk.

Wij wijzen er met name op dat de Commissie in haar ontwerprichtlijn betreffende de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf van burgers uit derde landen die in loondienst of zelfstandig willen werken, heeft voorgesteld een speciale verblijfsvergunning in te voeren voor een “werknemer in loondienst”. Op 27 november 2003 heeft de Raad nota genomen van de vorderingen bij de behandeling van dit voorstel.

 
  
MPphoto
 
 

  Izquierdo Rojo (PSE).(ES) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik dank u voor uw antwoord, al vind ik het nogal spaarzaam. Ik zou het op prijs stellen als u wat duidelijker zou zijn. Mijn vraag is eigenlijk of het vraagstuk van de tijdelijke migratie geïntegreerd zal worden in de communautaire actieprogramma’s en de werkgelegenheidsstrategie van de Europese Unie. Ik denk dat u gezegd hebt dat dit inderdaad het geval is, maar ik zou willen dat u in uw repliek wat meer informatie verschaft.

Mijn aanvullende vraag is of de Raad erop zal toezien dat deze tijdelijke migratie plaatsvindt met inachtneming van de sociale vereisten en de arbeidsvoorwaarden die in de Europese Unie van toepassing zijn en dat zij wordt opengesteld voor vrouwen, onder gelijke omstandigheden, in het kader van een reeks positieve acties ter bevordering van de rol van de vrouw.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Ik dacht dat ik reeds in mijn eerste antwoord beknopt alles had gezegd wat noodzakelijk was om ook op de aanvullende vragen van de geachte afgevaardigde te kunnen reageren. Ik herhaal evenwel dat het mijns inziens duidelijk is dat inspanningen worden ondernomen ten behoeve van tijdelijke migrerende werknemers. Ook is het mijns inziens overduidelijk dat de Raad, de Commissie en bevoegde organen controle moeten uitoefenen om er zeker van te zijn dat de wetgeving alle in de Unie verankerde en geëerbiedigde rechten bevat die in deze gevallen moeten worden gerespecteerd.

Wat een actief werkgelegenheidsbeleid ten behoeve van met name vrouwen betreft wil ik vermelden dat deze kwestie mijns inziens valt onder de lopende behandeling. Ik heb geen enkele reden om aan te nemen dat hieraan geen aandacht wordt besteed.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 10 van Christos Zacharakis (H-0745/03):

Betreft: Maatregelen voor de veiligstelling van de democratie in Albanië

Met mijn vraag H-0669/03(2) van 4.11.2003 heb ik geprobeerd tijdig de aandacht van de Raad te vestigen op de onaanvaardbare situatie waarin de gemeenteraadsverkiezingen in Albanië op 12 oktober zijn verlopen, opdat de EU de passende initiatieven zou nemen en waarschuwingen zou richten aan het adres van de Albanese autoriteiten, en opdat er zich bij de tweede ronde van de verkiezingen op 16 november geen nieuwe gevallen van schending van de democratische procedures zouden voordoen. Jammer genoeg heeft de Raad geen actie ondernomen, zoals blijkt uit zijn schriftelijk antwoord van 19.11.2003, met als resultaat nieuwe gevallen van geweld en aantasting van het democratisch gedachtegoed van de kandidaten en de burgers.

In het licht hiervan herhaal ik mijn vraag aan de Raad welke maatregelen hij nu denkt te nemen in het kader van de samenwerking tussen Albanië en de EU om de herhaalde en flagrante schendingen van de mensenrechten en politieke rechten in dit land aan te pakken?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) De Raad heeft Albanië er herhaaldelijk op gewezen dat een correct verloop van de plaatselijke verkiezingen deel uitmaakt van het proces van toenadering tot de Europese Unie. De ernstige tekortkomingen die werden vastgesteld tijdens de verkiezingen van 12 oktober en 16 november jongstleden in met name Imara, kunnen alleen maar schade berokkenen aan de toenadering tot de Unie. Albanië is dus volledig op de hoogte gebracht van het feit dat een opbouwend politiek klimaat en een duurzaam hervormingsbeleid cruciale elementen zijn voor vorderingen bij de onderhandelingen over een stabilisatie- en associatieovereenkomst en dus bij een verdere toenadering tot de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Zacharakis (PPE-DE).(EL) Ik dank de fungerend voorzitter van de Raad voor zijn antwoord. Ik neem nota van de waarschuwingen die de Raad heeft gegeven aan de Albanese regering en ik durf te hopen dat de Raad van nabij zal volgen of wordt voldaan aan de vereiste voorwaarden voor normale betrekkingen tussen Albanië en de Europese Unie en dan bedoel ik de eerbiediging van politieke rechten en mensenrechten in Albanië.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 11 van Manuel Medina Ortega (H-0747/03):

Betreft: Overeenkomsten met derde landen over immigratiecontrole

Kan de Raad meedelen hoe het staat met de onderhandelingen met derde landen over controle op immigranten in de Europese Unie?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) De Raad hecht er groot belang aan dat de migratievraagstukken worden opgenomen in de betrekkingen met derde landen.

Tijdens zijn bijeenkomst van 2 november 2002 heeft de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen specifieke conclusies ten aanzien hiervan aangenomen en negen landen genoemd waarmee de Unie de dialoog over migratie zal intensiveren.

Migratievraagstukken zijn onderwerp van gesprek in alle soorten onderhandelingen tussen de Gemeenschap en derde landen. In elke samenwerkings-, associatie- of andersoortige overeenkomst, die recentelijk is gesloten of onderwerp van onderhandelingen is, zijn clausules in verband met migratie opgenomen.

Wat terugname betreft heeft de Raad tijdens zijn bijeenkomst van 6 november nogmaals gewezen op het belang hiervan en gepleit voor een snelle sluiting van de overeenkomsten waarover momenteel onderhandeld wordt.

Op 13 oktober en 25 november van dit jaar heeft de Raad besloten de terugnameovereenkomsten tussen de Europese Gemeenschap en respectievelijk Macao en Sri Lanka te ondertekenen. De terugnameovereenkomst met Macao is op 13 oktober ondertekend en die met Sri Lanka wordt binnenkort ondertekend. Bovendien zal de Raad waarschijnlijk binnenkort besluiten een terugnameovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Hongkong te sluiten. Ook wijs ik erop dat de Commissie de onderhandelingen over een terugnameovereenkomst met Albanië heeft afgesloten en de overeenkomst nu op 18 december van dit jaar wordt ondertekend.

Wat betreft de andere derde landen waarvoor de Raad de Commissie een mandaat heeft gegeven tot onderhandelingen over terugnameovereenkomsten - Algerije, China, Marokko, Pakistan, Rusland, Turkije, Oekraïne - zij vermeld dat de onderhandelingen daarover nog aan de gang zijn.

De Raad attendeert de geachte afgevaardigde tot slot op de conclusies van de Europese Raad van Brussel van 12 december jongstleden. Daarin wordt met name gewezen op het belang van een dialoog met de derde landen van herkomst en doorreis van migratiestromen en wordt eveneens gewezen op de noodzaak dat deze landen steun blijven krijgen voor hun inspanningen om genoemde migratiestromen in te dammen.

 
  
MPphoto
 
 

  Medina Ortega (PSE).(ES) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik dank u eens te meer voor uw uitvoerige antwoord. Op dit vlak doen zich kennelijk ernstige problemen voor, want er zijn overeenkomsten waarover allang wordt onderhandeld en andere zijn blijkbaar zelfs al volledig beëindigd.

Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijn aanvullende vraag luidt: Om welke problemen gaat het hier? Om economische problemen? Biedt de Europese Unie de betrokken landen een toereikende tegenprestatie aan? Ik vermoed dat de grootste moeilijkheid ligt in het huidige tekort aan middelen om zowel de opvang als de repatriëring van immigranten te bekostigen. Welke - financiële - maatregelen stelt de Raad voor om de enorme last waarmee de Europese Unie thans ten gevolge van dit gebrek aan evenwicht geconfronteerd wordt, te verlichten en te verhelpen? En hoe denkt de Raad de repatriëring van immigranten die op illegale wijze in de Unie verblijven te bevorderen?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Uw vraag naar de problemen bij de onderhandelingen met de afzonderlijke landen kan ik noch algemeen noch specifiek beantwoorden. Het is namelijk niet de Raad die deze onderhandelingen voert maar de Commissie. Daarom zou u de Commissie moeten vragen welke moeilijkheden zij ondervindt, van welke aard die moeilijkheden zijn en of zich voor alle landen dezelfde moeilijkheden voordoen of voor elk land weer andere.

Wat betreft meer algemeen het optreden van de Raad om het hoofd te bieden aan de financiële - en waarschijnlijk niet alleen financiële - moeilijkheden, is het mijns inziens duidelijk dat de Raad reeds alle mogelijke inspanningen onderneemt om een oplossing te vinden voor het algemene probleem van de illegale immigratie, aan de ene kant via overeenkomsten tot terugname en aan de andere kant via materiële ondersteuning van de economie en de samenleving van de landen van herkomt van illegale migratiestromen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 12 van Bill Newton Dunn (H-0749/03):

Betreft: Misdaadstatistieken in de Europese Unie

Wat is de stand van de voortgang die de Raad maakt bij het vaststellen van gemeenschappelijke criteria met betrekking tot de indiening van misdaadstatistieken in de uitgebreide Unie met ingang van 1 mei 2004?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Aanbeveling nr.1 van de strategie voor het begin van het millennium stelt dat de voorbereiding van het onderzoek van de jaarverslagen over de georganiseerde criminaliteit ook een evaluatiemechanisme en een tijdschema voor de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen moet bevatten.

Wat de opstelling van bovengenoemde verslagen betreft wordt in de aanbeveling ook verwezen naar het contact- en ondersteuningsnetwerk. Een van de hoofddoelstellingen daarvan is de opstelling op het niveau van de Unie van een uniforme definitie van de met georganiseerde criminaliteit verband houdende aspecten en verschijnselen.

In de tussentijdse evaluatie van deze strategie voor het begin van het millennium - die werd gemaakt door de multidisciplinaire groep “georganiseerde criminaliteit” onder het Grieks voorzitterschap van de Raad en waarvan de Raad nota heeft genomen op 3 oktober 2003 - wordt de Commissie gevraagd een studie op te starten over de statistische ontwikkelingen op het gebied van de georganiseerde criminaliteit. Daartoe dient de Commissie nauw samen te werken met Europol en met name beroep te doen op het jaarverslag over de situatie van de georganiseerde criminaliteit en op Eurostat.

Aan de hand van de resultaten van deze studie kan de Raad dan beoordelen of initiatieven genomen moeten worden en een netwerk ingesteld moet worden met betrekking tot onderzoek, documentatie en statistieken over de georganiseerde criminaliteit. Hierbij zij vermeld dat het aanstaand Iers voorzitterschap en het Nederlands voorzitterschap kortgeleden met steun van het AGIS-programma het eerste Europese congres over de georganiseerde criminaliteit hebben georganiseerd. Het toekomstig Nederlands voorzitterschap is van plan in de maand november van volgend jaar een follow-up van dit congres te organiseren. Tijdens genoemde ontmoeting is gewezen op de noodzaak van gemeenschappelijke en vergelijkbare gegevens.

 
  
MPphoto
 
 

  Newton Dunn (ELDR). - (EN) Dat was een zeer volledig antwoord, dat ik rustig zal moeten bestuderen. Ik ben op het congres geweest dat de Ierse regering onlangs heeft georganiseerd. Er is daar vooruitgang geboekt en dat is ook waarom ik deze vraag heb gesteld. Als we geen gemeenschappelijke definitie hebben van wat georganiseerde misdaad is, en als we niet in de hele Europese Unie misdaadcijfers kunnen verzamelen, hoe kunnen we dan ooit weten hoe we de georganiseerde misdaad moeten bestrijden?

Ik ben dankbaar dat er voortgang wordt gemaakt, maar ik wil graag weten of dit ook de tien toetredingslanden betreft die in mei tot de Unie zullen toetreden. Helaas komt een groot deel van de georganiseerde misdaad die ons treft, uit Midden- en Oost-Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Hume (PSE). - (EN) Mijnheer de fungerend voorzitter, bent u het met me eens dat de belangrijkste oorzaak van de zeer forse toename van de misdaad in de wereld van vandaag de drugsindustrie is, die in zoveel landen zoveel schade toebrengt aan onze jongeren, en dat het een grote stap in de richting van terugdringing van de misdaad zou zijn als die drugsindustrie zou worden vernietigd? Kan de Europese Unie dan de noodzakelijke maatregelen nemen om met de landen waar deze drugs op industriële schaal worden geproduceerd, afspraken te maken om deze industrie volledig uit te roeien, omdat ze de wereld in elk opzicht alleen maar enorme schade toebrengt?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Ik kan niet zeggen of deze handel inderdaad de hoofdactiviteit is van de georganiseerde criminaliteit. Het is evenwel alom bekend dat dit tot een van haar belangrijkste activiteiten behoort. Ik weet niet of het de allerbelangrijkste activiteit is maar het is ongetwijfeld een van de belangrijkste. Ik ben het er ook mee eens dat deze handel zeer nadelige gevolgen heeft voor alle lidstaten van de Unie, en alles in het werk moeten worden gesteld om deze plaag van de moderne samenleving te bestrijden. De Unie heeft reeds het een en ander ondernomen in de productielanden, maar dit is waarschijnlijk niet voldoende aangezien de resultaten niet zo positief zijn als wij graag zouden willen.

Wij moeten meer proberen te doen. Het is niet altijd gemakkelijk het hoofd te bieden aan specifieke situaties in landen waar de wet, als die al bestaat, slechts heel oppervlakkig is. U hebt in uw vraag een bepaalde weg aangegeven - besprekingen met de productielanden waar deze handel ontstaat en waar de drugs worden geproduceerd - en ik kan niet anders zeggen dan dat ik het daar roerend mee eens ben.

 
  
MPphoto
 
 

  Rübig (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik heb een vraag over de veiligheid in Brussel. We weten dat de officiële statistieken die hierover worden bijgehouden, vaak niet overeenkomen met de werkelijkheid, omdat veel burgers er geen zin meer in hebben, criminele overtredingen bij de politie aan te geven. Zijn er maatregelen of mogelijkheden denkbaar waarbij men niet alleen de statistieken van de politie opvraagt, maar daarnaast ook onderzoekt hoe het in werkelijkheid met de criminaliteit gesteld is en vooral, hoe die in de toekomst adequaat kan worden bestreden?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Ik kan geen nauwkeurig antwoord geven op die aanvullende vraag. Ik heb nota genomen van uw opmerkingen, mijnheer Rübig. Ik geloof dat die beleidsvormen onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen. Wij zullen uw opmerkingen echter bestuderen en nagaan of hetgeen u naar voren brengt van nut kan zijn en of via de door u aangegeven weg betere resultaten kunnen worden geboekt in de strijd tegen deze vormen van criminaliteit, die ongetwijfeld zeer schadelijk zijn voor onze samenleving.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 13 van Esko Olavi Seppänen (H-0754/03):

Betreft: Europese Autoriteit voor de voedselveiligheid

Tijdens het Italiaanse voorzitterschap is geen voortgang geboekt met het nemen van besluiten inzake de oprichting van nieuwe agentschappen of de vestigingsplaats van reeds opgerichte agentschappen. Wat is het standpunt van het voorzitterschap inzake de vestigingsplaats van de Europese Autoriteit voor de voedselveiligheid?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) De Raad wil de geachte afgevaardigde eraan herinneren dat de vertegenwoordigers van de lidstaten, bijeen op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders, op 13 december jongstleden hebben besloten Parma als zetel voor de Europese Autoriteit voor de voedselveiligheid aan te wijzen. Bij die gelegenheid zijn eveneens de zetels van negen andere agentschappen vastgesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  Seppänen (GUE/NGL). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik heb deze vraag gesteld, voordat de besluiten van 13 december bekend waren en ik feliciteer Italië met het feit dat het erin geslaagd is voor zichzelf de Europese Autoriteit voor de voedselveiligheid binnen te halen. Italië was immers het enige land dat het er op de Top van een paar jaar geleden niet mee eens was dat die autoriteit in Helsinki gevestigd zou worden, maar nu heeft u die zelf gekregen, waarvoor mijn hartelijke gelukwensen. Ook mijn complimenten voor de algemene goedkeuring van het agentschappenpakket, omdat het redelijk evenwichtig lijkt te zijn en ook al heeft u de Autoriteit voor de voedselveiligheid gekregen, u moest die agentschappen ook onder de andere landen verdelen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 14 van Paulo Casaca (H-0759/03):

Betreft: Kwijtschelding boetes wegens overschrijding van referentiehoeveelheden melkproductie

In zijn antwoord op mondelinge vraag H-0699/03(3) heeft de Raad nagelaten te vermelden naar welk adres de landbouwers van de Azoren die zijn beboet wegens productieoverschrijding hun rekeningen moeten opsturen betreffende de boetes die de Raad beweert te hebben kwijtgescholden. Er wordt alleen verwezen naar het besluit van de Raad van juni om de specifieke melkquota van de Azoren met 23.000 ton te verlagen, als betrof het een verhoging met 50.000 ton.

Meent de Raad niet dat deze houding getuigt van een totaal gebrek aan eerlijkheid en aan eerbied voor de burgers, hetgeen absoluut onverenigbaar is met de beginselen van de rechtsstaat?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) De Raad Landbouw en Visserij heeft in het kader van het in juni jongstleden te Luxemburg bereikte politieke akkoord over de hervorming van het GLB besloten de afwijking van bepaalde toepassingsbepalingen van het heffingsstelsel voor de melksector op de Azoren te verlengen tot het verkoopseizoen 2004-2005. De Raad heeft dat gebied eveneens een aanvullend contingent van 50.000 ton toegekend voor het verkoopseizoen 2005-2006.

Tijdens zijn bijeenkomst van 16 en 17 oktober jongstleden heeft de Europese Raad de Raad uitgenodigd het Commissievoorstel zo spoedig mogelijk te behandelen. Zoals het voorzitterschap reeds in november, in antwoord op vraag H-699/03 van de geachte afgevaardigde heeft vermeld, hoopt de Raad in staat te zijn tijdens de bijeenkomst van december, als het advies van het Europees Parlement voorligt, de door de Commissie voorgestelde verordening tot verlenging tot 2004-2005 van de afwijking van bepaalde voorschriften met betrekking tot het heffingsstelsel voor de melksector op de Azoren, te kunnen aannemen. Aldus wil men de melksector in deze ultraperifere regio helpen bij de aanpassing aan het extra door de Raad toegekend contingent. De Raad verzoekt de geachte afgevaardigde zich te wenden tot de Commissie voor de inlichtingen die hij graag in het antwoord van de Raad vermeld had gezien.

 
  
MPphoto
 
 

  Casaca (PSE). - (PT) Mijnheer de Voorzitter, ik dank het voorzitterschap voor zijn toelichting. Ik kan het voorzitterschap laten weten dat juist vandaag het Europees Parlement een advies heeft goedgekeurd over deze materie, waardoor de Raad dus in staat zal zijn een besluit te nemen. Ik zou echter willen benadrukken dat dit besluit geen enkele liter melk toevoegt aan het quotum voor de Azoren noch enige producent vrijstelt van boetes. Dit moet duidelijk zijn en men mag deze zaak, die voor de economie en de landbouw van de Azoren van vitaal belang is, niet pogen te verdoezelen. Maar ik zou u willen vragen of het besluit dat u in december zult nemen het principe van de aanpassing van het regionale quotum aan de zelfvoorzieningsgraad van de Azoren in melk en zuivelproducten onaangetast laat. De Europese Raad van Nice heeft dat principe in december 2000 vastgelegd. Ik vind het een fundamenteel principe en handhaving ervan kan in de toekomst leiden tot de nodige aanpassing van het regionale quotum.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Ik kan helaas niet antwoorden op uw aanvullende vraag. Wij zullen dit onderzoeken en u dan een gedetailleerd antwoord doen toekomen. Nu kan ik u dat niet geven.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 15 van Olivier Dupuis (H-0761/03):

Betreft: Georgië

Ondanks het feit dat Georgië lid is van de Raad van Europa heeft het alleen op zijn eigen strijdkrachten en de steun van de Verenigde Staten kunnen rekenen, maar niet op de hulp van de EU en haar lidstaten, om zijn "fluwelen revolutie" tot een goed einde te brengen. De EU dient echter op te houden met de Kaukasische landen in het algemeen en Georgië in het bijzonder te beschouwen als een soort satellietstaat uit het post-sovjettijdperk en moet nu eindelijk lering gaan trekken uit deze gebeurtenissen en respect tonen voor de bijzondere volwassenheid die het Georgische volk aan de dag heeft gelegd en het recht van dit volk om zo snel mogelijk toe te treden tot de EU. Zoals al is aangegeven door de president ad interim, mevrouw Bourdzjanadze, zullen de komende maanden cruciaal zijn voor de nieuwe koers van Georgië en loopt Georgië zonder serieuze financiële steun van de internationale gemeenschap het risico niet optimaal profijt te trekken van de nu ontstane situatie.

Beseft de Raad dat de opmerkelijke "fluwelen revolutie" in Georgië zich heeft afgespeeld zonder noemenswaardige steun van de Unie? Is de Raad van plan de kans die deze nieuwe situatie biedt om Georgië aan de EU te binden, te benutten door voor te stellen dit land tot de lijst van kandidaat-landen op te nemen? Is de Raad tenslotte van plan buitengewone financiële hulp te bieden aan Georgië om dit land in staat te stellen onder optimale voorwaarden de komende presidentsverkiezingen en parlementsverkiezingen te organiseren?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) In haar verklaring van 24 november 2003 heeft de Europese Unie met voldoening nota genomen van het feit dat de crisis in Georgië op vreedzame wijze werd opgelost, en heeft verklaard met belangstelling uit te zien naar samenwerking met de nieuwe politieke leiders van dit land.

De ad interim-president van het land, mevrouw Bourdzjanadze, is inmiddels in Brussel geweest voor een ontmoeting met de hoge vertegenwoordiger, de heer Solana, en de voorzitter van de Commissie, de heer Prodi. Bij die gelegenheid werd haar verzekerd dat de Europese Unie Georgië alle mogelijke steun zal geven voor de komende verkiezingen.

Zoals de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen op 8 december 2003 heeft verklaard zijn de betrekkingen van de Unie met Georgië en die met Armenië en Azerbeidzjan stevig gegrondvest op een engagement op lange termijn in de vorm van partnerschap en samenwerking. De Unie wil Georgië en de andere landen van de Kaukasus helpen bij de consolidering van hun betrekkingen met de Europese Unie.

Tot slot kan ik bevestigen dat de Unie Georgië buitengewone financiële hulp heeft aangeboden voor een bedrag van twee miljoen euro, teneinde dit land te helpen bij de organisatie van de komende verkiezingen. De Commissie is ook begonnen met een versnelde uitbetaling van de vijf miljoen euro uit hoofde van het programma voor voldoende voedsel. Enkele lidstaten van de Unie hebben bovendien aangeboden bilaterale steun te geven aan Georgië.

 
  
MPphoto
 
 

  Dupuis (NI).(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de fungerend voorzitter van de Raad bedanken, maar ik moet vaststellen dat de minister mijn vraag over de vooruitzichten voor toetreding van Georgië tot de Unie zorgvuldig ontwijkt.

Betreft het hier een ideologische kwestie of denkt u dat als de EU 35 leden zou krijgen in plaats van 32 dit haar karakter fundamenteel anders zou maken? Ik zou hierin graag klaarheid willen. Aangezien Georgië lid is van de Raad van Europa, heeft het het recht om toe te treden tot de Europese Unie, evengoed als de Balkan-landen waarvan dat recht zojuist is bevestigd. Ik zie niet in waarom u dit vooruitzicht, dat mijns inziens een recht is voor Georgië, zo afkapt.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Ik wil mij niet onttrekken aan deze vraag maar het is moeilijk een land dat geen verzoek heeft ingediend en niet eens uiting heeft gegeven aan zijn bereidheid of zijn intenties, een antwoord te geven.

Voordat wij daarover in verband met Georgië - of ook met andere landen die eventueel de weg van toenadering tot de Europese Unie willen bewandelen - kunnen nadenken moet de situatie zich op een bepaalde manier hebben ontwikkeld en moeten stappen vooruit worden gezet opdat wij op misschien wat langere termijn kunnen denken aan een mogelijke toenadering.

Ik moet u, mijnheer Dupuis, ook in alle eerlijkheid bekennen dat in de Raad nooit enig debat is gevoerd over het a priori vaststellen van de grens van de Europese Unie. Dus in feite is dit nu enkel een onderwerp van gesprek tussen mij en u, en misschien nog anderen die zoiets graag zouden zien om algemene, ideële of politieke redenen. Er is evenwel niets concreets waarmee daadwerkelijk aan de slag kan worden gegaan. Dat is mijn antwoord op uw vraag.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 16 van Niels Busk, vervangen door de heer Andreasen (H-0770/03):

Betreft: Overheidssteun aan Italiaanse zuivelproducenten

Aangezien het Italiaanse voorzitterschap mijn in juli ingediende desbetreffende schriftelijke vraag nog niet heeft beantwoord, stel ik hem nogmaals, deze keer ter mondelinge beantwoording.

Kan de Raad mededelen welke "buitengewone omstandigheden" overeenkomstig artikel 88, lid 2 het besluit van de Raad "rechtvaardigen" in te stemmen met het feit dat de Italiaanse overheid steun verleent aan de Italiaanse zuivelproducenten.

Is de Raad, indien zich in andere lidstaten of in nieuwe lidstaten "buitengewone omstandigheden" voordoen, bereid in te stemmen met een dienovereenkomstige overheidssteun?

Kan de Raad mededelen hoe zijn besluit in te stemmen met Italiaanse overheidssteun aan Italiaanse zuivelproducenten verenigbaar is met de bepalingen in artikel 12 van het Verdrag inzake gelijke behandeling van Europese burgers en dus ook van zuivelproducenten?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) In het besluit van 16 juli 2003 heeft de Raad onderzocht of de door de Italiaanse Republiek toegekende steun aan de melkproducenten verenigbaar was met de interne markt. Het gaat hierbij om prefinanciering van de bedragen die deze producenten de Gemeenschap verschuldigd waren uit hoofde van de aanvullende melkheffing in de periode 1995-1996 tot en met 2001-2002. De Raad is tot de slotsom gekomen dat het feit dat deze steun, in afwijking van artikel 87 van het Verdrag, als verenigbaar met de interne markt werd beschouwd, gerechtvaardigd was door uitzonderlijke omstandigheden. Die uitzonderlijke omstandigheden worden volledig toegelicht in het besluit van de Raad.

De Raad was van mening dat het gelijkheidsbeginsel geëerbiedigd was, aangezien de melkproducenten van andere landen van de Gemeenschap niet geconfronteerd waren met soortgelijke uitzonderlijke omstandigheden als die in Italië. De Raad en de Commissie hebben daarover een gezamenlijke verklaring in de notulen opgenomen waarin zij erop wijzen dat dit besluit gerechtvaardigd was door uitzonderlijke omstandigheden in Italië en tot doel had de problemen die zich in het verleden hadden voorgedaan bij de toepassing van de aanvullende heffing in Italië definitief op te lossen.

Beide instellingen hebben erop gewezen dat dit besluit bijgevolg niet als een precedent kan worden beschouwd als in de toekomst soortgelijke problemen zouden rijzen, in Italië of ongeacht welke lidstaat, bij de toepassing van deze heffing.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreasen (ELDR), namens de vraagsteller. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag de fungerend voorzitter van de Raad bedanken voor de antwoorden die ik heb gekregen. Ik heb nog één aanvullende vraag.

Wanneer de voorzitter van de Raad spreekt over de uitzonderlijke omstandigheden in Italië en over het feit dat hiervan geen precedentwerking behoeft uit te gaan, wil ik vragen of Italië nu zelf de gemeenschappelijke regels heeft geïmplementeerd, zodat ook de Italiaanse melkproducenten vanaf nu een speciale heffing betalen voor het overschrijden van de productiequota.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Ik geloof inderdaad van wel.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 17 van Ioannis Souladakis (H-0772/03):

Betreft: Betrekkingen van de Europese Unie met de landen van de Kaukasus

Uit de recente gebeurtenissen in Georgië is opnieuw gebleken hoe groot de problemen in de landen van de Kaukasus en de gehele regio zijn.

Wat is het beleid van de Raad ten aanzien van dit gebied? Welke stappen heeft de Raad ondernomen voor de totstandbrenging van een stabiliteitspact, naar het voorbeeld van dat voor Zuidoost-Europa, met het oog op democratisering en ontwikkeling van, en samenwerking met de regio? Welke initiatieven overweegt de Raad te nemen voor samenwerking met het Zwarte Zee-Samenwerkingsverband (BSEC/PABSEC), een regionale organisatie waarbij alle landen in die regio (lidstaten, kandidaat-lidstaten en derde landen) zijn aangesloten en waarvan gebruik zou kunnen worden gemaakt voor de aanpak van de meer algemene problemen in de regio? Overweegt de Raad - tot de Oudheid terug te voeren culturele en economische betrekkingen van deze regio met Europa - op langere termijn een eventuele opneming van Armenië, Georgië en Azerbeidzjan in de Europese Unie?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) De Europese Unie ijvert voor consolidering van haar beleid in de zuidelijke Kaukasus, en wel sedert 2001 toen de Raad verklaarde dat de Unie een actievere politieke rol wilde spelen in dat gebied. Het duidelijkste en meest tastbare bewijs van deze oriëntatie is het feit dat in juli 2003 ambassadeur Talvitie werd benoemd tot speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de zuidelijke Kaukasus. Hem werd de uitdrukkelijke taak gegeven de Raad bij te staan bij de verdere ontwikkeling van een allesomvattend beleid.

De Raad heeft het gemeenschappelijk optreden voor de benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie te baat genomen om enkele doelen vast te stellen voor het beleid van de Unie jegens de zuidelijke Kaukasus. Deze zijn nu alom bekend: a) Armenië, Azerbeidzjan en Georgië bijstaan in de politieke en economische hervormingen met name op het gebied van de rechtsstaat, de democratisering, de mensenrechten, goed bestuur, ontwikkeling en armoedebestrijding; b) conflicten in dit gebied, overeenkomstig de vigerende instrumenten, voorkomen, bijstand verlenen bij conflictregeling en de terugkeer tot vrede voorbereiden via onder meer de ondersteuning van de terugkeer van vluchtelingen en ontheemden; c) constructief samenwerken met de belangrijkste nationale actoren in de buurlanden; d) samenwerking tussen de landen van het gebied aanmoedigen en ondersteunen, met name de samenwerking tussen de landen van de zuidelijke Kaukasus, in het bijzonder op economisch, energie- en vervoersgebied; e) de efficiëntie en de zichtbaarheid van de Unie in dat gebied verhogen.

De Unie bevordert nu al meer dan tien jaar lang op actieve wijze de democratisering, de ontwikkeling en de samenwerking in de zuidelijke Kaukasus. De Commissie en de lidstaten hebben Armenië, Azerbeidzjan en Georgië sedert het begin van hun onafhankelijkheid in 1991 aanzienlijke financiële steun verleend. In 1999 heeft de Unie een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst gesloten met elk van de drie landen en daarbij ook actieve steun gegeven aan de toetreding van deze landen tot de Raad van Europa.

Wat de organisatie van de economische samenwerking in het Zwarte Zee-gebied betreft, erkent en steunt de Europese Unie het werk dat wordt verricht voor de bevordering van de economische samenwerking op regionaal niveau. Op die manier worden de stabiliteit, de veiligheid en de welvaart in dit gebied versterkt. De Europese Unie staat open voor de mogelijkheid om haar huidige samenwerking met het Zwarte Zee-Samenwerkingsverband (BSEC) te versterken ten behoeve van de ontwikkeling van het gebied. Zoals de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen van 8 december jongstleden heeft verklaard zijn de betrekkingen van de Unie met Georgië, Armenië en Azerbeidzjan gegrondvest op partnerschaps- en samenwerkingsinspanningen op lange termijn. De Europese Unie wil Georgië en de andere landen van de zuidelijke Kaukasus helpen bij de consolidering van hun betrekkingen met de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Souladakis (PSE).(EL) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, allereerst wil ik u danken voor het antwoord dat ik van u heb gekregen. Toch wil ik wat meer horen en wel om de volgende reden: drie jaar geleden is ons hier gezegd dat de Europese Unie naar het voorbeeld van de Balkan een stabiliteitspact met de regio zou bevorderen. Tot nu toe is daar niets van in huis gekomen. In deze zaal is al meermaals gezegd dat we de regionale samenwerking versterken. Maar terwijl er in het Zwarte Zee-gebied al een bank bestaat en er ook al intergouvernementele, interparlementaire samenwerking en een secretariaat zijn, doen wij nog altijd alsof dat allemaal ver van ons bed ligt, alsof dat alles zich in het Verre Oosten afspeelt.

Omdat die regio van levensbelang is voor de Europese Unie en omdat vele landen, zoals Armenië, Moldavië, Georgië, Oekraïne enzovoorts, zouden willen toetreden tot de Europese Unie vind ik het antwoord ontoereikend gezien de politieke verwachtingen van de regio in kwestie. Ik wil hierover dus meer horen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Dan zijn we nu aangekomen bij de laatste vraag van deze middag en van het Italiaanse voorzitterschap, gericht aan de heer Antonione.

Vraag nr. 18 van Proinsias De Rossa (H-0775/03):

Betreft: Verordening betreffende folterinstrumenten

Hoe staat het met de goedkeuring van het voorstel voor een verordening met betrekking tot de handel in instrumenten en producten die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (COM(2002)0770/def.)?

Wanneer denkt de Raad deze verordening goed te keuren?

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) De ontwerpverordening van de Raad betreffende de handel in bepaalde werktuigen en producten die zouden kunnen worden gebruikt voor de doodstraf, voor foltering of wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen is herhaaldelijk in de bevoegde instanties van de Raad besproken.

Uitgaande van die werkzaamheden is besloten de Commissie te vragen een gewijzigd voorstel in te dienen waarin rekening wordt gehouden met de opmerkingen van de delegaties. Tot op heden heeft de Raad geen gewijzigd voorstel ontvangen. Zodra dit voorligt zal het voorzitterschap alles in het werk stellen om een snelle aanneming daarvan mogelijk te maken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Rossa (PSE). - (EN) Ik wil de fungerend voorzitter vragen wanneer de Raad de Commissie heeft verzocht het gewijzigde voorstel te sturen. Kan hij daarnaast aangeven welke typen producten nu precies zullen vallen onder de gewijzigde verordening waar de Raad om heeft gevraagd?

Het lijkt buitengewoon vreemd dat we de export van instrumenten vanuit de Europese Unie blijven goedkeuren die door beambten binnen de staten waarnaar we ze laten uitvoeren, worden gebruikt om te folteren. Deze producten dragen zelfs een EU-beeldmerk omdat ze vanuit de Europese Unie worden geëxporteerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Ik kan geen gedetailleerd antwoord geven. Wij zullen dit nader onderzoeken en de zojuist door u gestelde vragen schriftelijk beantwoorden. Dit geldt zowel voor de datum waarop de Raad de Commissie heeft gevraagd om een gewijzigd voorstel in te dienen als met name ook voor de vaststelling van de producten die onder dat verzoek vallen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Rossa (PSE). - (EN) De fungerend voorzitter heeft mijn vraag mogelijk verkeerd begrepen. Een deel van mijn vraag was wanneer de Raad de Commissie heeft verzocht een gewijzigde verordening te presenteren, niet wanneer we het antwoord van de Commissie mogen verwachten.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonione, Raad. - (IT) Ik had u prima begrepen, alleen ben ik niet in staat u de juiste datum te noemen. Ik heb de desbetreffende documenten niet bij me en kan natuurlijk geen datum uit mijn duim zuigen. Ik weet wel het een en ander, maar kan niet alles weten. Ik geef u liever geen verkeerde datum, en daarom zal ik dit onderzoeken en u dan een nauwkeurig antwoord geven op uw vraag naar de datum waarop de Raad de Commissie om een gewijzigd voorstel heeft gevraagd. Wij zullen u dan ook alle details verschaffen over de goederen of producten. Ik weet eigenlijk niet hoe men deze moet noemen want het gaat om dingen waar het emotionele aspect een belangrijkere rol speelt dan het materiële aspect. Wij zullen u dus ook een nauwkeuriger antwoord geven wat de omschrijving van deze goederen betreft.

 
  
MPphoto
 
 

  Souladakis (PSE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, wat ik nu zeg valt enigszins buiten de gebruikelijke procedure. Ik heb namelijk geen aanvullende vraag. Maar omdat Grieks een moeilijke taal is, denk ik dat de fungerend voorzitter mijn vorige vraag via de vertolking niet heeft begrepen. Ik begrijp dat wel, met sommige talen gaat het wat stroever. Ik zal mijn aanvullende vraag dan ook opnieuw stellen als mondelinge vraag tijdens de volgende plenaire vergadering.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Volgens het Reglement heeft u het recht, mijnheer Souladakis, om de vragen betreffende de landen van de Kaukasus te herhalen.

Zoals gezegd was dit, overeenkomstig het Reglement, de laatste vraag.

Aangezien de voor het vragenuur aan de Raad gereserveerde tijd verstreken is, zullen de vragen nrs. 19 t/m 24 schriftelijk worden beantwoord.(4)

Wij bedanken alle afgevaardigden die het woord hebben gevoerd, en met name de fungerend voorzitter van de Raad, en wensen u een vrolijk kerstfeest. Hopelijk blijft u, weliswaar niet in het voorzitterschap, maar in de Italiaanse regering, zich inzetten voor de Europese Unie.

(De vergadering wordt om 19.05 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER DIMITRAKOPOULOS
Ondervoorzitter

 
  

(1) PB L 370 van 31.12.1985, blz 1.
(2) Schriftelijk antwoord van 19.11.2003
(3) Schriftelijk antwoord van 19.11.2003.
(4) Zie bijlage “Vragenuur”.


6. Geneesmiddelen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is de gecombineerde behandeling van de volgende drie aanbevelingen voor de tweede lezing, namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid:

- A5-0425/2003, betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (10949/2/2003 – C5-0463/2003 – 2001/0252(COD)) (rapporteur: mevrouw Müller)

- A5-0446/2006, betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (10950/3/2003 – C5-0464/2003 – 2001/0253(COD)) (rapporteur: mevrouw Grossetête)

- A5-0444/2003, betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (10951/3/2003 – C5-0465/2003 – 2001/0254(COD)) (rapporteur: mevrouw Grossetête)

 
  
MPphoto
 
 

  Müller (PSE), rapporteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, vanavond voeren we het debat over de herziening van de geneesmiddelenwetgeving in de Europese Unie en de gevolgen daarvan voor patiënten en farmaceutische industrie. Allereerst moeten we vaststellen dat kennis omtrent de productie en de werking van medicijnen geen gemeengoed is. Gezien de complexe onderzoeks- en productieprocessen zullen er in Europa maar weinig patiënten zijn die de gevaren en de kans op een succesvolle behandeling met een medicament in kunnen schatten. Dat betekent dat we een instantie nodig hebben die voor de patiënten een inschatting van de veiligheid, werkzaamheid en kwaliteit van een geneesmiddel kan maken.

Dat deze beoordeling van een hoog wetenschappelijk niveau moet zijn, is niet alleen vanuit het oogpunt van de patiënten noodzakelijk, maar is ook in het belang van de producent. Als bijwerkingen van een geneesmiddel problemen veroorzaken, hangt de producent immers een flinke imagobeschadiging met financiële gevolgen boven het hoofd en ook de gebruikers hebben onder de gevolgen te lijden.

En dus moet de onderhavige herziening van de geneesmiddelenregistratie de veiligheid van een geneesmiddel garanderen, maar tegelijk ook randvoorwaarden scheppen die wetenschappelijk onderzoek bij de farmaceutische bedrijven mogelijk maken en stimuleren en zo de concurrentiepositie van de bedrijven versterken. Daar profiteren niet alleen die bedrijven van, het dient ook het behoud van werkgelegenheid. En niet in de laatste plaats profiteren patiënten van de onderzoeksresultaten en van nieuwe, werkzamere geneesmiddelen.

Ik denk dat we met dit wetsvoorstel een brug hebben weten te slaan tussen het grote belang dat we aan de volksgezondheid hechten en de roep van de industrie om ondersteuning van onderzoek en versterking van de concurrentiepositie. Dat was geen eenvoudige opgave in een geglobaliseerde economie met verschillende wettelijke kaders in Europa, Azië en de VS en met uitbreiding van de Europese Unie in het vooruitzicht. Het compromis dat Raad en Parlement nu bereikt hebben, biedt de kans het maatregelenpakket ter hervorming van de geneesmiddelenwetgeving in tweede lezing af te sluiten.

Het is een goed compromis, omdat de standpunten van het Parlement ten aanzien van de kernpunten inzake wetgeving, geneesmiddelenbewaking, de werkingssfeer van de centrale toelating, de gegevensbescherming en de samenstelling van de raad van beheer van het Europees Geneesmiddelenbureau er in grote lijnen in terug te vinden zijn. Naar mijn mening sluit de wetgeving hiermee naadloos aan bij de vorderingen in de wetenschap en bij de economische ontwikkelingen en dat tot heil van de patiënt.

Staat u mij toe een kort oordeel over de hoofdpunten te geven. Een zeer belangrijk onderdeel van de nieuwe geneesmiddelenwetgeving is de verbetering van de geneesmiddelenbewaking. Zo is het Parlement erin geslaagd een hoog veiligheidsniveau bij de toelating en een effectief overheidstoezicht af te dwingen. Dankzij de inrichting van een databank bij het EMEA, het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling, kan het EMEA in de toekomst een sleutelpositie binnen een effectief geneesmiddelenbewakingssysteem innemen. Dat is van groot belang, omdat een goed functionerend geneesmiddelenbewakingssysteem de levensverzekering van de patiënten is. Weliswaar zullen niet alle nieuwe werkzame bestanddelen onder de centrale toelating vallen, zoals het Parlement in eerste lezing besloten had, maar met de opneming van orphan drugs in de lijst van indicaties en een verdere uitbreiding over vier jaar naar indicaties voor auto-immuunziekten en virusziekten zal een breed scala aan nieuwe werkzame stoffen voortaan onder de centrale toelating vallen.

De structuur en werkwijze die we het Europees Geneesmiddelenbureau in Londen in dit wetsvoorstel geven, garanderen een optimale onderlinge afstemming van de wetenschappelijke middelen en een hoge kwaliteit van de adviezen. Een centrale toelating door het EMEA garandeert dat alle patiënten in Europa een gelijke kans hebben om snel van innovatieve en werkzame geneesmiddelen gebruik te maken.

Een ander omstreden punt was de gegevensbescherming. Het nu bereikte compromis voorziet in een beschermingsperiode van acht jaar plus twee plus een voor de centrale en decentrale toelatingsprocedure. Dat stimuleert enerzijds het farmaceutisch onderzoek, anderzijds beloont het de verdere ontwikkeling van beproefde werkzame stoffen. Deze uniforme Europese gegevensbeschermingsregeling komt tegemoet aan de economische belangen van producenten met een eigen onderzoeksprogramma en producenten van generieke medicijnen. Tevens ontlast zij de nationale gezondheidszorgstelsels meer dan de periode die oorspronkelijk door de Commissie was voorgesteld.

Het compromis van Parlement en Raad stelt de behoeften van de patiënten centraal, stimuleert wetenschappelijk onderzoek en innovatie en houdt ook rekening met de concurrentiepositie van de Europese industrie. Daarom verzoek ik u met klem, dames en heren, om uw steun te geven aan het in de Raad gevonden compromis. Zoals altijd bij een compromis zijn niet al onze wensen gehonoreerd. Maar ook voor heikele kwesties, bijvoorbeeld voor de homeopathische geneesmiddelen, hebben we naar mijn overtuiging een oplossing gevonden. Bij wederzijdse erkenning zullen alle patiënten in Europa alsnog over deze geneesmiddelen kunnen beschikken. Ook ten aanzien van de WTO hebben we in mijn ogen een acceptabele oplossing gevonden, al is het wel zo dat deze kwestie niet via deze wetgeving te regelen is. De Commissie heeft toegezegd volgend jaar met een voorstel hieromtrent te komen.

Ik ben derhalve van mening dat het totaalresultaat er mag zijn en dat ondersteuning van het compromis de moeite waard is. Ik denk dat we geen beter resultaat bereiken als we met de Raad een bemiddelingsprocedure ingaan. En zeker voor de beide kwesties waar ik naar verwezen heb, biedt dat geen oplossing. Als we morgen met het wetgevingsvoorstel instemmen - en ik verzoek u dat ook daadwerkelijk te doen - hebben we de basis gelegd voor een geneesmiddelenwetgeving met toekomst. Tot slot wil ik mijn collega mevrouw Grossetête bedanken voor de goede samenwerking, wat ook voor de samenwerking met het secretariaat-generaal, de Raad en de Commissie geldt.

 
  
MPphoto
 
 

  Grossetête (PPE-DE), rapporteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, we buigen ons vanavond over het pakket wetgevende maatregelen tot herziening van de wetgeving betreffende geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik. Aan deze herziening is twee jaar voorbereiding voorafgegaan, twee jaar van samenwerking, onderzoek, vraaggesprekken en onderhandelingen, twee jaar die naar ik hoop morgen zullen uitmonden in een positief resultaat bij de stemming.

Ik zou mijn collega’s in het Europees Parlement hartelijk willen bedanken, alsook de verschillende groepen mensen met wie ik veelvuldig samengekomen ben. Bovenal wil ik mevrouw Müller bedanken voor haar doelgerichte samenwerking. Ik heb de verzoeken van mijn collega’s gehoord, ik heb tegenover de Raad hun argumenten verdedigd en ik heb die verzoeken bij het werk voortdurend in het achterhoofd gehouden, zodat wat vandaag op tafel ligt voor iedereen aanvaardbaar is.

Ook de Europese Commissie zou ik willen bedanken en in de eerste plaats de heer Liikanen en zijn geweldige team. Ik heb hun grote toewijding zelf mogen ervaren en ik heb veel waardering voor de kwaliteit van onze samenwerking. Daarnaast zou ik de Raad willen bedanken voor zijn constructieve opstelling in deze materie, die erop gericht was in tweede lezing tot overeenstemming te komen. Deze dankbetuigingen zijn echter vergeefs als morgen niet ieder lid van dit Parlement zijn of haar verantwoordelijkheid neemt door het compromis dat uit de onderhandelingen is voortgekomen goed te keuren, in plaats van voor andere amendementen te stemmen die mijns inziens eerder persoonlijke dan gezamenlijke belangen dienen.

Ja, we praten hier over een compromis, en een compromis stelt nooit iedereen tevreden. Maar wat hebben we een vooruitgang geboekt bij de bescherming van de gezondheid van mens en dier! De doelstelling om tot een evenwicht te komen, hoe moeilijk dat aanvankelijk ook was, is bereikt. Er is geprobeerd de verschillende betrokkenen tegen elkaar op te zetten, met name door het stelsel van gezondheidszorg tegenover innovatie te plaatsen. Welnu, onderzoek heeft uitgewezen dat generieke geneesmiddelen en innovaties door farmaceutische laboratoria elkaar niet uitsluiten, maar juist aanvullen. Generieke geneesmiddelen kunnen niet ontwikkeld worden zonder innovatie, en innovatie wordt voortdurend aangemoedigd doordat generieke geneesmiddelen beschikbaar komen.

Om de gezondheid van de patiënt te beschermen moet je kunnen optreden tegen het uitbreken van nieuwe ziekten, moet je oude epidemieën die de kop weer opsteken kunnen bestrijden en moet je zorgen voor doelmatiger behandelingen. Maar om de gezondheid van de patiënt te beschermen moet je ook het wetenschappelijk onderzoek de nodige middelen verschaffen om hetzij nieuwe moleculen, hetzij een vernieuwende therapeutische toepassing van een bestaand medicijn te vinden. Aan innovatie hangt uiteraard een prijskaartje. Laten we vooral niet vergeten dat de bescherming van onze gezondheid aanzienlijke financiële investeringen vereist. Gegevensbescherming is dan ook noodzakelijk om vorderingen op medisch gebied veilig te stellen, de Europese vorderingen waar wij zo trots op zijn. Acht plus twee plus een, dat is het resultaat van ons compromis en ik hoop van harte dat dit in de vergadering van morgen zal worden aangenomen.

Geneesmiddelenontwikkeling en -onderzoek zijn essentieel voor de bescherming van de gezondheid, maar dat geldt eveneens voor de beschikbaarheid van generieke geneesmiddelen. Deze geneesmiddelen zijn van groot belang voor onze stelsels van gezondheidszorg in Europa en voor de patiënten. Ik ben dan ook blij met de koers die wordt uitgestippeld in deze richtlijnen. Voor het eerst wordt het begrip “generieke geneesmiddelen” officieel geïntroduceerd. Bovendien wordt voorgesteld om in de Unie het “Bolar-systeem” in te voeren, een voorstel dat wij in onze amendementen overigens hebben verbeterd. Dankzij deze Bolar-bepaling zullen generieke geneesmiddelen over de hele linie sneller beschikbaar kunnen komen. Mijn collega-afgevaardigden en de Raad zijn tevens akkoord gegaan met mijn voorstel inzake “eurogenerieke” geneesmiddelen, waarmee voorkomen kan worden dat de ontwikkeling van deze producten wordt tegengehouden, met name in de kandidaat-landen.

De herziening van de geneesmiddelenwetgeving is niet alleen gericht op het vinden van een optimaal evenwicht tussen generieke geneesmiddelen en innovatie; veel andere net zo belangrijke aspecten zijn eveneens in aanmerking genomen. Ik denk met name aan de definities van de begrippen “geneesmiddel”, “generiek geneesmiddel” en “biosimilair geneesmiddel”. Daarover is fel gedebatteerd. Persoonlijk heb ik altijd gepleit voor een benadering gericht op productveiligheid. Al te ruime definities zouden in het nadeel kunnen werken van zowel fabrikanten als patiënten. We hebben op dit punt een tevredenstellende middenweg gevonden, evenals op het punt van de zogenaamde “geavanceerde” producten. Ik weet dat op dit punt nog vragen bestaan, maar het zou niets oplossen als we de clausule “geavanceerde producten” simpelweg zouden schrappen. Alle fabrikanten zouden zich dan gedwongen zien naar de rechter stappen, advocaten in de arm te nemen en maandenlang te wachten op een uitspraak. Het opstellen van een lijst met vrijstellingen zou evenmin een goede oplossing zijn. Een dergelijke lijst zou nooit uitputtend kunnen zijn. Op het gebied van cosmetica, voedingssupplementen en medische hulpmiddelen bestaat bijvoorbeeld al wetgeving. Die heeft rechtsgeldigheid en het is hier niet onze taak om deze ter discussie te stellen, maar om een oplossing te vinden voor een reëel probleem.

Wat dat aangaat wil ik een verzoek doen aan de Commissie en zou ik trouwens ook graag willen dat zij zich zou inzetten om de rechtszekerheid van de marktspelers te versterken. Het zou ongetwijfeld zinnig zijn als uw bevoegde diensten zo snel mogelijk alle betrokken partijen, die ik al eerder heb opgenoemd, bijeen zouden roepen. Ik denk dat dat met name nuttig zou zijn om de gemoederen weer enigszins tot bedaren te brengen. Op basis van deze gedachtewisseling en in het licht van de arresten die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen reeds gewezen heeft, zou er een gezamenlijke en officiële verklaring over de interpretatie kunnen komen. Ik hoop werkelijk dat dit voorstel uitgevoerd wordt, zoals ik van de Commissie ook verwacht dat zij zich duidelijker uitspreekt over de Verklaring van Doha. Ook daar gaat het namelijk om een punt dat voor veel van mijn collega-afgevaardigden essentieel is.

Als een bepaald geneesmiddel voor menselijk of diergeneeskundig gebruik wordt toegelaten wil dat nog niet zeggen dat daarmee de controle op de werkzaamheid en veiligheid ervan ophoudt. De versterking van de geneesmiddelenbewaking is dan ook een van onze speerpunten geweest. Daarvoor moesten we enige wijzigingen doorvoeren in de huidige bepalingen. Allereerst hebben we de mogelijkheid geïntroduceerd om onaangekondigde controles uit te voeren aan de bron van de productie. Verder hebben we de termijnen waarbinnen de tussentijdse veiligheidsrapporten moeten worden ingediend verkort, en ook hebben we een systeem opgezet voor een snelle uitwisseling van gegevens die door de gezamenlijke partners zijn verzameld om ervoor te zorgen dat de systemen voor geneesmiddelenbewaking in alle lidstaten op dezelfde wijze worden toegepast. Bovendien hebben we aangedrongen op onafhankelijkheid van de geneesmiddelenbewaking en hebben we geëist dat de bevoegde autoriteiten permanent toezicht blijven houden op het beheer van de fondsen die voor deze activiteiten bestemd zijn.

Mijn collega’s en ik hebben ook het milieuaspect van geneesmiddelen willen laten meewegen. Dat punt is overigens aan de orde gesteld bij de uitvoerend directeur van het Europees Geneesmiddelenbureau in Londen en deze heeft verklaard dit een correcte benadering te vinden. Maar het kan niet zo zijn – in geen enkel geval – dat een geneesmiddel niet tot de markt wordt toegelaten alleen op grond van dat criterium. Wij weten bijvoorbeeld dat de producten die bij chemotherapie worden toegepast zeer schadelijk kunnen zijn voor het milieu, maar wij peinzen er niet over om de vergunningen daarvoor in te trekken; dat zou absurd zijn. Hier gaat het erom het milieurisico beter in te schatten en voor alle therapeutische klassen doeltreffende maatregelen te nemen om deze effecten te minimaliseren. Dat is voor ons Parlement een heel belangrijk punt.

Ik wilde eveneens terugkomen op het vraagstuk van de voorlichting, en mijn collega’s hebben mij daarin gesteund. Het hoort tot onze verantwoordelijkheid om de problemen die zich voordoen het hoofd te bieden. Het zou gemakkelijk geweest zijn om dit onderwerp opzij te schuiven, maar dat wilden wij niet. Daarom vragen wij de Europese Commissie ons een heldere tekst te geven over wat er al bestaat op dat terrein, de potentiële voordelen en gevaren te onderzoeken van deze informatieverstrekking aan patiënten, na te denken over de verantwoordelijkheid van degene die de informatie verstrekt en ons voorstellen voor te leggen.

Toch is er in deze verslagen een aantal dingen waar ik minder gelukkig mee ben. Het belangrijkste punt betreft het toepassingsveld van de richtlijn en de weigering van de Raad om direct voor alle nieuwe actieve stoffen de gecentraliseerde procedure verplicht te stellen. Hier is het Parlement kennelijk te Europees geweest voor de Raad. Gelukkig zijn in het compromis meerdere belangrijke pathologieën wel in het toepassingsveld opgenomen, en bovendien is een clausule opgenomen waarin wordt bepaald dat de richtlijn over vier jaar zal worden herzien. Dan kan dit mechanisme worden versterkt en kan de gelijke toegang tot gezondheidszorg voor elke Europese burger worden uitgebreid. Ik wil wat dit betreft mijn collega, mevrouw Müller, feliciteren; zij is degene die hierover heeft onderhandeld.

Wat betreft de samenstelling van de wetenschappelijke comités van het Geneesmiddelenbureau denk ik dat we het gezond verstand moeten laten prevaleren. Het lijkt me onlogisch, ja zelfs gevaarlijk als de vakmensen die worden aangewezen niet allemaal over een gelijksoortige deskundigheid zouden beschikken. Deskundigheid en niet nationaliteit is het criterium op basis waarvan we zeker kunnen zijn van de kwaliteit en de doelmatigheid van de wetenschappelijke evaluatie. Wij zullen de zaken op dat punt nauwlettend volgen.

Op het gebied van de homeopathische geneesmiddelen was het Parlement graag verder gegaan dan het voorgestelde compromis. Ik ben me daar terdege van bewust, maar er is wel degelijk vooruitgang geboekt als het gaat om wederzijdse erkenning. Met de betreffende bepaling is de ontwikkeling van deze categorie geneesmiddelen voor de toekomst zekergesteld. Het is belangrijk om niet alleen te kijken naar alles wat het in de onderhandelingen niet gehaald heeft maar ook naar wat uiteindelijk wél in het voorstel staat. Dan zult u zien dat homeopathische geneesmiddelen niet vergeten zijn en dat geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik evenmin zijn opgeofferd in de onderhandelingen. Alle bepalingen waar ik het tot nu toe over gehad heb zijn ook van toepassing op geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik.

Deze richtlijnen zijn – in tegenstelling tot wat ik heb horen zeggen – niet bedoeld om een spaak in het wiel van de socialezekerheidsstelsels te steken of om de ene sector te bevoordelen ten opzichte van de andere. Integendeel, ze zorgen ervoor dat de bescherming van de gezondheid een hoog niveau kan bereiken. Ze zijn gericht op de hoogst belangrijke ontwikkeling van generieke geneesmiddelen en dragen er dus toe bij dat de producten voor alle patiënten beschikbaar komen, en ook zorgen ze voor een impuls voor het wetenschappelijk onderzoek. Daarbij leiden ze niet tot verdeeldheid onder de huidige vijftien lidstaten, noch onder de uitbreidingslanden. Ik hoop op een positief resultaat, morgen bij de stemming; dit zou een succes betekenen voor onze drie instellingen als het gaat om de bescherming van de gezondheid van mens en dier. Ik heb er vertrouwen in, want er ligt een toezegging van de meerderheid van de fracties en ik kan me niet voorstellen dat men zich daar niet aan zal houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Liikanen, Commissie. (EN) Om te beginnen wil ik de twee rapporteurs, mevrouw Müller en mevrouw Grossetête, hartelijk bedanken voor en feliciteren met hun werk en hun inspanningen, met name wat betreft hun streven een algemeen compromis te bereiken met de Raad.

Het pakket herzieningsmaatregelen zoals dat oorspronkelijk door de Commissie was voorgesteld, kende drie belangrijke doelstellingen: ten eerste, het waarborgen van een hoog niveau van gezondheidsbescherming voor de Europese burgers; ten tweede, het vergroten van de beschikbaarheid van innovatieve geneesmiddelen en tegelijkertijd het stimuleren van de concurrentie met generieke geneesmiddelen; en ten derde, de voorbereiding op de uitbreiding. Het doet mij deugd te kunnen constateren dat het definitieve compromis dat wordt voorgesteld door de twee rapporteurs en de Raad inderdaad voldoet aan deze doelstellingen.

Wat de compromisamendementen betreft, zou ik me willen concentreren op de belangrijkste kwesties. Om te beginnen het systeem voor gegevensbescherming en generieke concurrentie.

De Commissie heeft gestreefd naar een goed evenwicht tussen innovatie en generieke concurrentie door de criteria aan te passen die van belang zijn voor het realiseren van een evenwichtige situatie.

Over de maatregelen die wij hebben voorgesteld ter bevordering van generieke concurrentie is overeenstemming bereikt en ze zijn zelfs verbeterd naar aanleiding van de amendementen die het Parlement tijdens de eerste lezing heeft ingediend.

Met betrekking tot de innovatieve industrie heeft de Commissie voorgesteld de periode voor gegevensbescherming overal vast te stellen op tien jaar. Zij beschouwt dit als essentieel voor een soepeler werking van de interne markt. Deze periode was voorts een van de belangrijkste instrumenten die ons binnen de farmaceutische wetgeving ter beschikking stonden om innovatie te belonen. Verder hebben wij een verlenging van deze periode met een jaar voorgesteld wanneer een houder van een vergunning een nieuwe innovatieve indicatie verkrijgt nadat de oorspronkelijke vergunning voor het in de handel brengen van een bepaald geneesmiddel is verkregen. Het huidige compromis, dat bekend staat als acht plus twee plus één, komt overeen met onze doelstellingen en onze verwachtingen. Ik ben me er terdege van bewust dat de gevolgen van deze harmonisatie in de nieuwe lidstaten uitvoerig aan de orde zijn gesteld in het debat.

Ten eerste verheug ik mij over de bepaling waarin is vastgelegd dat deze harmonisatie niet met terugwerkende kracht geldt. Dit was een van de voornaamste zorgen van de toetredende landen, die nu door het compromis is weggenomen. Deze bepaling zal de toepassing van de nieuwe beschermingsperiode beperken tot geneesmiddelen waarvoor een vergunning is verleend na de omzetting van de richtlijnen.

Ten tweede wil ik verklaren dat de Commissie eventuele verzoeken van de nieuwe lidstaten om een overgangsperiode naar aanleiding van de goedkeuring van het nieuwe pakket wetgeving ten volle in overweging zal nemen.

De Commissie verwelkomt ook de rest van het compromis met betrekking tot het systeem voor gegevensbescherming en generieke concurrentie, inclusief een periode van een jaar in het geval van omschakelingen en een periode van een jaar voor bekende stoffen in het geval van een nieuwe innovatieve indicatie, en verheldering van de definities met betrekking tot generieke en biosimilaire geneesmiddelen. Dit alles is aanvaardbaar voor de Commissie.

Met betrekking tot de werkingssfeer van de gecentraliseerde procedure en de noodzaak om de rol van het Europees Geneesmiddelenbureau te versterken, heeft de Raad, ondanks uw steun in de eerste lezing, een beperktere benadering gekozen van de werkingssfeer. In het gemeenschappelijk standpunt werd niet de benadering van de Commissie en het Parlement gevolgd, maar werd de huidige werkingssfeer van de gecentraliseerde procedure wel enigszins uitgebreid.

In het huidige compromis wordt die werkingssfeer verder uitgebreid, en wat belangrijker is, er wordt ruimte gelaten voor toekomstige ontwikkelingen. In het compromis wordt rekening gehouden met een aantal van de belangrijkste therapeutische behoeften van vandaag en waarschijnlijk van de nabije toekomst. De Commissie verheugt zich over de compromisoplossing.

In meer algemene termen zal de nieuwe wetgeving de internationale rol van het bureau versterken en zijn rol op belangrijke terreinen als markttoezicht, geneesmiddelenbewaking en informatievoorziening over geneesmiddelen vergroten. Ook deze ontwikkeling dient te worden toegejuicht.

Om deze taken te kunnen uitoefenen, moest het bureau enigszins worden aangepast. De compromisamendementen die betrekking hebben op de bestuurlijke structuur, en met name op de samenstelling van de raad van beheer en de wetenschappelijke comités, dragen over het algemeen bij aan het realiseren van deze doelstelling.

Ten derde, de milieuaspecten. De mogelijke gevolgen van geneesmiddelengebruik voor het milieu zijn belangrijk. De kwestie moest omzichtig worden aangepakt, aangezien, uiteindelijk, zelfs de beschikbaarheid van bepaalde geneesmiddelen op het spel stond. De compromisamendementen, waarin een milieueffectbeoordeling en mogelijke compensatiemaatregelen worden geëist, maar waarin de criteria voor het verlenen van een vergunning voor het op de markt brengen van geneesmiddelen onveranderd blijven, moeten worden gezien als een evenwichtige uitkomst.

Ten vierde, de tenuitvoerlegging van de Verklaring van Doha over het verplicht verlenen van vergunningen voor de export van gepatenteerde geneesmiddelen naar landen met onvoldoende productiecapaciteit. Om te beginnen wil ik de politieke betrokkenheid van de Commissie benadrukken en herhalen dat zij ervoor zal zorgen dat de tenuitvoerlegging van deze verklaring wordt bevorderd en dat zij de juiste omstandigheden zal creëren om deze te laten functioneren en efficiënt toe te passen.

De amendementen 6 en 19 vormen echter een procedureel probleem, aangezien een bepaling betreffende de export van geneesmiddelen geen deel uit kan maken van een richtlijn die betrekking heeft op de afzet van geneesmiddelen op de interne markt. Dit voorstel heeft slechts betrekking op het verlenen van vergunningen in Europa en is dus op geen enkele manier van invloed op de export van medicijnen vanuit Europa.

Desalniettemin staat de Commissie volledig achter het principe van de tenuitvoerlegging, zowel op communautair als op nationaal niveau, van de verklaring die de Algemene Raad van de WTO op 30 augustus 2003 heeft afgelegd met betrekking tot patentwetgeving.

De Commissie verplicht zich ertoe de tenuitvoerlegging van deze verklaring in de EU begin 2004 aan te pakken als een kwestie van de hoogste prioriteit, met het oog op het opstellen van een passend wetsvoorstel.

Tot slot, het informeren van patiënten. De pogingen van de Commissie om dit deel van de wetgeving te moderniseren zijn minder succesvol geweest dan ik had gewenst. Toch stemt het mij tevreden dat de kwestie nu deel uitmaakt van het compromis. Ik wil ervoor zorgen dat we gestage vooruitgang boeken richting een toekomstige communautaire informatiestrategie om deze kwestie aan te pakken.

Wat de aanbevelingen voor de tweede lezing van mevrouw Müller en mevrouw Grossetête betreft, de Commissie kan het algemene compromispakket dat door de Raad is voorgesteld en door de twee rapporteurs is aanvaard in zijn geheel accepteren. Wat het verzoek van mevrouw Müller betreft, zodra de wetgeving is goedgekeurd, zullen mijn diensten een hoorzitting organiseren met het oog op de adequate tenuitvoerlegging van artikel 2, lid 2. Daar zullen alle belanghebbenden de kans krijgen hun zegje te doen.

Dit compromis biedt ons de mogelijkheid een aantal belangrijke kwesties te regelen en maakt verder een dynamische benadering mogelijk van de taken van het bureau en de werkingssfeer van deze centrale vergunningverlening. De voorgestelde harmonisatie van het systeem voor gegevensbescherming is, ongeacht de gebruikte procedure, een belangrijke verbetering. Verder wil ik nogmaals het belang benadrukken van de nieuwe milieuaspecten die in de wetgeving worden opgenomen.

Met betrekking tot de veterinaire wetgeving merken we op dat, hoewel de bepalingen over het algemeen op één lijn zijn gebracht met de bepalingen in de richtlijn betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, er terecht toch een zekere specificiteit is gehandhaafd, met name wat de milieueffecten betreft.

In de veterinaire sector kunnen milieueffecten immers doorslaggevend zijn voor het al dan niet verkrijgen van een vergunning voor een bepaald geneesmiddel en vormen zij dus een evaluatiecriterium.

Tot besluit wil ik de leden van dit Parlement met klem verzoeken de twee rapporteurs te steunen in hun goedkering van het compromis, zodat het wetgevingsproces met betrekking tot de herziening van de geneesmiddelenwetgeving in deze fase kan worden afgerond en alle Europese burgers hiervan de vruchten kunnen plukken.

 
  
MPphoto
 
 

  Nisticò (PPE-DE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, ik ben uitermate ingenomen met de buitengewone resultaten die dit Parlement behaald heeft en vooral met het werk dat verricht is in de afgelopen dagen, waarin een belangrijke, positieve interactie tussen de verschillende instellingen zichtbaar is geworden. Ik wil dan ook in het bijzonder mevrouw Grossetête en mevrouw Müller bedanken, alsook commissaris Liikanen en de heer Brunet, en ook de heer Silano van het Italiaanse voorzitterschap, die op een intelligente en flexibele wijze zijn eigen bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van deze compromisvoorstellen zoals deze uiteindelijk zijn aangenomen.

Zoals we weten is de voornaamste doelstelling van alle instellingen uiteindelijk over nieuwe wetgeving te beschikken waardoor alle Europese burgers gelijke kansen hebben en binnen een zo kort mogelijke tijd toegang krijgen tot nieuwe geneesmiddelen die krachtiger zijn, selectiever werken en beter verdragen worden dan de bestaande, en hopelijk voor een niet al te hoge prijs.

Ik zal slechts bij enkele punten stilstaan. Wat betreft de samenstelling van de raad van beheer van het Europees Geneesmiddelenbureau geniet het onderhavige compromisvoorstel de voorkeur boven zowel het aanvankelijke voorstel van de Commissie als het voorstel van rapporteur Müller, die mijns inziens enkele diepgewortelde, zeer tegenstrijdige elementen bevatten. De raad van beheer zoals deze wordt goedgekeurd, zal overwegend institutioneel van aard zijn – zoals ik persoonlijk al meermalen gehoopt heb – door de toevoeging van twee vertegenwoordigers van patiëntenorganisaties en twee van artsenorganisaties.

Voorts ben ik verheugd over de duur van de periode waarin de gegevens beschermd worden. Dit akkoord is naar mijn mening namelijk zeer evenwichtig en zal de Europese industrieën aan de ene kant een nieuwe impuls en nieuwe stimulansen geven om meer te investeren in wetenschappelijk onderzoek, en hun aan de andere kant de mogelijkheid bieden gehoor te geven aan de roep om meer aandacht voor ethische aspecten door een beleid van solidariteit tot stand te brengen ten aanzien van de ontwikkelingslanden en een aantal van de nieuwe toetredingslanden van Europa. De overeenstemming die is bereikt om een nadere termijn voor de bescherming van gegevens vast te stellen in het geval van een “omschakeling”, alsmede in het geval van nieuwe therapeutische indicaties voor reeds bekende geneesmiddelen, is eveneens een stap in de juiste richting.

Een ander punt van het akkoord betreft de uitbreiding van de centrale procedure voor het verlenen van een vergunning door het EMEA voor het in de handel brengen van nieuwe geneesmiddelen. Zoals ik al meermalen onderstreept heb stond ik achter het oorspronkelijke voorstel van de Commissie, en ik ben ervan overtuigd dat in de toekomst alle nieuwe geneesmiddelen moeten worden onderworpen aan de goedkeuring van het EMEA.

Tot besluit hoop ik dat in Europa dit stelsel voor geneesmiddelenbewaking, waarvan ik als farmacoloog de hoofdlijnen heb geschetst en dat de grootst mogelijke bescherming van de burgers garandeert, efficiënter en transparanter wordt gemaakt.

 
  
MPphoto
 
 

  Whitehead (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ook ik steun de rapporteurs en iedereen die hard heeft gewerkt aan dit compromisvoorstel. Het gevaar bestaat altijd dat een trialoog voorafgaand aan de tweede lezing uitloopt op een soort Bermudadriehoek van verloren hoop en onvervulde verwachtingen. Dat is in dit geval niet gebeurd en we kunnen allemaal instemmen met de behaalde resultaten. Iedereen heeft iets opgeofferd om tot een evenwichtige oplossing te komen. Dat het niet gelukt is om de Doha-amendementen een plaats te geven en om homeopathische geneesmiddelen verder te erkennen, en dat er slechts sprake is van beperkte verlenging van de gegevensexclusiviteit voor geneesmiddelen met een nieuwe indicatie, zal door sommigen hier worden betreurd. Het zij zo.

Met betrekking tot het derde verslag, over geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik – waar de commissaris kort bij stil stond – moet ik echter zeggen dat ik me meer zorgen maak. Ook in dit geval steun ik de compromisamendementen: het Europees Geneesmiddelenbureau wordt erdoor verbeterd, er worden bepaalde grenzen gesteld aan de status van receptplichtige geneesmiddelen, die wij allemaal ondersteunen en toejuichen, en er worden opties in toegestaan die verband houden met de gedecentraliseerde vergunningverlening. Toch hadden deze amendementen verder kunnen gaan met betrekking tot het onderkennen van de situatie in bepaalde lidstaten, waaronder mijn eigen lidstaat, waar gangbare geneesmiddelen worden gebruikt door gekwalificeerde mensen, die echter geen dierenarts zijn.

Amendement 27 zou een expliciete uitzondering hebben toegestaan waardoor deze situatie had kunnen blijven voortbestaan, naast het voorschrijven van receptplichtige geneesmiddelen door dierenartsen. De Commissie heeft voor de tweede lezing aangegeven in beginsel in te kunnen stemmen met amendement 27 – dat gold echter niet voor de Raad. Desalniettemin hoop ik van de commissaris, bij de afronding van dit debat, te horen dat er voor dit dilemma een subtiele en algemeen geaccepteerde oplossing bestaat die in overeenstemming is met de wil compromissen te sluiten, evenals met de kerstgedachte.

 
  
MPphoto
 
 

  Ries (ELDR). (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris Liikanen, allereerst zou ook ik graag mijn twee collega’s, mevrouw Grossetête en mevrouw Müller, willen feliciteren met het uitstekende werk dat ze hebben verricht voor de herziening van de geneesmiddelenwetgeving, zonder twijfel een van de belangrijkste gezondheidszorgdossiers van deze zittingsperiode.

We hebben vandaag dus een pakket amendementen voor ons liggen dat het resultaat is van de onderhandelingen tussen de twee rapporteurs, de schaduwrapporteurs en het Italiaans voorzitterschap. Het betreft een globaal, evenwichtig compromis, dat door de meerderheid van de lidstaten is aanvaard, dat garanties biedt en dat vooruitgang belooft als het gaat om de succesvolle ontwikkeling van zowel merkmedicijnen als generieke geneesmiddelen.

Het akkoord met de Raad omvat een reeks voorstellen die ons na aan het hart liggen. Ik ga niet herhalen wat voorgaande sprekers al gezegd hebben, met name over de geneesmiddelenbewaking of het Europees Geneesmiddelenbureau en de gecentraliseerde procedure. Ik wil daarentegen op mijn beurt de aandacht vestigen op de hernieuwde vergunningverlening na vijf jaar, waarmee de nationale overheden geneesmiddelen die niet meer zo goed werken van de markt kunnen halen; op het strikte onderscheid dat gemaakt moet worden tussen voorlichting en reclame, met de toezegging van de Commissie dat zij met een verslag zal komen over de huidige praktijk; en op de afvalinzameling en de milieueffecten van geneesmiddelen. Verder heeft nog niemand vermeld dat er voor visueel gehandicapten brailleopschriften op de verpakkingen komen. Tot slot wil ik vooral ook wijzen op de verruiming van de definitie van generieke geneesmiddelen en de invoering van het concept van “eurogenerieke” geneesmiddelen. Dit leidt ertoe dat de invoering van generieke geneesmiddelen in Europa eenduidiger en gemakkelijker wordt en dat is een aanzienlijke vooruitgang in deze herziening. Onze rapporteur benadrukte dat al, maar het moest nog maar eens gezegd worden. Ik ben ook bijzonder blij met het antwoord van de heer Liikanen op de vraag van mevrouw Grossetête over de zogenaamde “geavanceerde” producten. De status daarvan behoeft inderdaad verdere verduidelijking.

Dan kom ik nu op wat van meet af aan – dat moet gezegd worden – het belangrijkste strijdpunt is geweest in het Parlement en tussen de lidstaten, namelijk het vraagstuk van de gegevensbescherming. De formule “acht plus twee plus een” verdient onze steun en die moeten wij vandaag dan ook verlenen. Het is namelijk een win-win-benadering, als ik dat zo mag zeggen, een aanpak die goed is voor de ontwikkeling van het onderzoek, dat van levensbelang is voor Europa, en die voor patiënten een betere toegang zal opleveren tot goedkopere geneesmiddelen, en we weten wat dat betekent voor de uitgaven voor gezondheidszorg van onze regeringen.

Sommige van mijn collega’s, alsmede de vertegenwoordigers van vier lidstaten, hebben tegen dit rechtvaardige compromis gestemd. Zij blijven een zo goedkoop mogelijke gezondheidszorg nastreven en blijven de gegevensbescherming als hoofddoel of zelfs als enige doel beschouwen, alsof het debat kan worden beperkt tot dat vraagstuk alleen. Tegen hen zou ik willen zeggen dat ze een enorm risico nemen, namelijk dat Europa verwordt tot niet meer dan een winkel terwijl innovatie enkel nog in de Verenigde Staten plaatsvindt. Ik zal er nog even wat getallen bij halen. Sinds 1996 is het aandeel van Europa in nieuwe geneesmiddelen die wereldwijd in de handel zijn gebracht gedaald van 55 naar 28 procent, oftewel gehalveerd, en ik heb het dan niet over omzetcijfers maar over een gebrek aan investeringen in onderzoek en ontwikkeling.

Concluderend wil ik zeggen dat we ervoor moeten oppassen in dit debat het verkeerde doel of de verkeerde strategie te kiezen. We zijn het er allemaal over eens dat het voor Europa het belangrijkst is om zijn zieken te verzorgen, en goéd te verzorgen. Daarvoor moeten we een waarachtig innovatiebeleid voeren, de braindrain indammen, parallelle import bestrijden en, zoals ik al zei, een frontale botsing tussen de industrie en de generieke geneesmiddelen vermijden - die zou volkomen zinloos zijn - door te kiezen voor een win-win-benadering, waarbij de patiënten zeer veel baat zouden hebben. Namens de liberale fractie, die ik hier vertegenwoordig, wil ik zeggen dat ik denk dat we erin geslaagd zijn om dat hier te bereiken na twee jaar gezamenlijk werk.

 
  
MPphoto
 
 

  Rod (Verts/ALE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, we hebben inmiddels twee jaar voorspoedig aan dit dossier over de herziening van de Europese geneesmiddelenwetgeving gewerkt. Ik had dan ook eigenlijk op veel meer gehoopt dan dit compromis dat uit de onderhandelingen met de Raad en de Commissie is voortgekomen en dat morgen ter stemming zal worden gebracht.

Mijns inziens zou dit proces voor de herziening van de procedures voor het op de Europese markt toelaten van geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik moeten leiden tot een radicale vernieuwing van de beoordelings- en toelatingscriteria voor geneesmiddelen, in het belang van de patiënten, van de volksgezondheid en van degenen die in de gezondheidszorg werkzaam zijn. Hoofddoel van deze herziening was alle nieuwe stoffen te laten erkennen door het Europees Geneesmiddelenbureau. In de praktijk zal de gecentraliseerde procedure echter maar op enkele ziekten betrekking hebben. Het Geneesmiddelenbureau in Londen heeft zijn actiegebied voldoende uitgebreid om van voldoende middelen verzekerd te zijn, maar de nationale autoriteiten hebben op hun beurt de klassen van geneesmiddelen die het meeste geld opbrengen voor zichzelf gehouden, te weten de geneesmiddelen voor neurodegeneratieve aandoeningen en hart- en vaatziekten. De belangen van de Commissie en de Raad mogen dan veiliggesteld zijn, maar geldt dat ook voor die van de patiënten?

In het belang van de patiënten hebben we – naast de brailleopschriften – vooruitgang geboekt op het gebied van geneesmiddelenbewaking en transparantie. Het is echter wel zo dat de Raad met enkele op de valreep gesloten compromissen deze winst op geraffineerde wijze heeft afgezwakt. Het merendeel van de documenten aangaande de beoordeling van geneesmiddelen zou openbaar gemaakt moeten worden, maar hoe zit dat met de rapporten van de geneesmiddelenbewaking? De autoriteiten die zijn belast met het verlenen van vergunningen zouden onafhankelijk moeten zijn van de industrie, maar blijven in werkelijkheid afhankelijk van private bijdragen. Patiënten kunnen bijwerkingen van geneesmiddelen niet direct melden aan de bevoegde autoriteiten en artsen zijn niet verplicht dat te doen. Het mag dan een grote overwinning zijn dat reclame voor geneesmiddelen die alleen op recept verkrijgbaar zijn niet wordt toegestaan, maar hoelang blijft dat zo?

Als het om de volksgezondheid gaat moeten ook de milieueffecten van nieuwe geneesmiddelen onderzocht worden. Dat mag niet het enige beoordelingscriterium zijn, maar het moet wel worden meegenomen in de baten-risicoanalyse van een geneesmiddel en dus deel uitmaken van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning om het product in de handel te brengen. Het milieurisico gaat veel verder dan alleen schade aan de natuur; vervuiling die verband houdt met de lozing van giftig medicijnafval is ook gevaarlijk voor de menselijke gezondheid. Therapieën waarvan de medische baten groter zijn dan de milieurisico’s moeten uiteraard toegepast blijven worden, maar als er werkzame alternatieven bestaan dan zouden we het gebruik daarvan moeten bevorderen. Helaas wordt in de uiteindelijke formulering van de desbetreffende amendementen het probleem niet ten volle onderkend.

Als arts vind ik dat de nieuwe geneesmiddelenwetgeving tekortschiet als het gaat om de beoordeling van de werkzaamheid van geneesmiddelen in vergelijking tot andere geneesmiddelen. Het draait enkel om de veiligheid en de kwaliteit van nieuwe stoffen, en of die ook werkelijk een vooruitgang betekenen bij de behandeling is van ondergeschikt belang. Ik heb gepoogd het begrip “therapeutische toegevoegde waarde” te introduceren om bedrijven aan te zetten zich bij hun onderzoek op werkelijk innoverende stoffen te richten, maar ik ben daarbij op weerstand gestuit vanuit alle instellingen. Nochtans ben ik ervan overtuigd dat we er hier in dit Parlement opnieuw over zullen debatteren, want de farmaceutische industrie kan niet langer alleen schijnbaar nieuwe medicijnen op de markt brengen en deze vervolgens jarenlang overmatig beschermen.

De toelating van generieke geneesmiddelen is inderdaad een belangrijk geschilpunt geweest. De farmaceutische industrie probeert de verkoop van generieke producten uit te stellen en dat is niet vreemd. Maar de Commissie en sommige collega’s hebben deze reactie overgenomen en hebben de definitie van generieke medicijnen beperkt, de drempel voor toelating verhoogd en de termijnen verlengd door middel van allerlei trucs met betrekking tot “omschakeling”, nieuwe indicaties, enzovoorts.

Hoewel een meerderheid van de lidstaten, vanwege problemen met de financiering van hun socialezekerheidsstelsels, tegen is, zullen de belangrijkste geneesmiddelen van Europese origine een langere beschermingstermijn met betrekking tot administratieve gegevens hebben dan waar ook ter wereld. Ik vraag me verder af of een dergelijke bescherming wel strookt met de afspraken van Doha, waarin is vastgelegd dat generieke medicijnen geproduceerd moeten worden voor de export. Dat is zeker het belangrijkste punt van zorg met deze wetgeving als het gaat om de financiering van de gezondheidszorg. Tot slot zijn de resultaten met betrekking tot homeopathische geneesmiddelen eveneens bijzonder teleurstellend.

Om af te ronden: ik moet erkennen dat er inderdaad grote vooruitgang geboekt is – en daar ben ik blij om – maar dat neemt niet weg dat ons de komende jaren nog veel te doen staat.

 
  
MPphoto
 
 

  Blokland (EDD). – Voorzitter, ook ik wil de rapporteurs en de commissaris bedanken. Toch heb ik nog twee problemen: patentbescherming en homeopathische geneesmiddelen. In mei worden tien landen lid van de Unie. Uiteraard zijn ze van harte welkom. Tenminste, dat zeggen we tegen ze. Maar u weet, zeggen en doen, dat zijn twee verschillende dingen. Dat blijkt ook weer vandaag. Wat de Commissie en Raad hier hebben voorgesteld, kan moeilijk een hartelijk welkom worden genoemd.

Het compromis over de patentbescherming is namelijk wel erg nadelig voor de nieuwe lidstaten. Bij de toetredingsonderhandelingen is afgesproken met deze landen dat zij een bescherming van zes jaar in hun wetgeving opnemen. Het compromis 8+2+1 zou voor deze landen betekenen dat hun gezondheidszorg stukken duurder wordt. Honderden miljoenen per jaar!

Commissaris Liikanen kan wel een overgangsperiode toezeggen, en daar ben ik op zich blij mee, maar dat is minder dan overeengekomen. Het amendement 55, dat ik met collega Corbey heb ingediend en dat door heel veel waarnemers wordt ondersteund, geeft de nieuwe lidstaten terug wat hun is toegezegd. Zo zetten we onze goede woorden ook om in goede daden.

Voorzitter, nog een tweede punt: het compromisvoorstel dat op tafel ligt heeft ook bijzonder weinig aandacht voor homeopathische geneesmiddelen, terwijl de Milieucommissie dit wel met grote meerderheid bepleitte. 110 miljoen Europeanen gebruiken deze geneesmiddelen en wij moeten ze dat niet ontzeggen. Daarom roep ik de collega’s op om de amendementen 20, 21, 22, 23 en 38 te steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jackson (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, evenals de heer Blokland en enkele andere sprekers, wil ik het opnemen voor de nieuwe lidstaten. Toen ik de debatten over de verslagen van mevrouw Grossetête en mevrouw Müller voorzat in de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid, kreeg ik een verzoekschrift voorgelegd dat ik hier vanavond bij me heb. Het is ondertekend door een groot aantal leden van de teams van waarnemers van de nieuwe lidstaten. Bijna alle toetredende landen zijn vertegenwoordigd. In ieder geval maakt een zeer groot aantal Poolse waarnemers zich grote zorgen over dit voorstel. Ik steun de verslagen-Grossetête en –Müller.

Ik feliciteer onze beide rapporteurs. Ik kan me indenken dat zij bijzonder blij zijn van deze drie voorstellen af te zijn. Zij hebben bijzonder goed werk verricht.

Ook ik ben met betrekking tot gegevensexclusiviteit voorstander van een periode van tien jaar voor de huidige vijftien lidstaten. Ik ben me er echter terdege van bewust dat de nieuwe lidstaten recentelijk in hun eigen landen hebben onderhandeld over wetgeving die verband houdt met het opnemen van het acquis communautaire in hun wetboeken, en daarin werd een periode van zes jaar voorzien voor gegevensexclusiviteit.

Het gevaar bestaat dat we hier vanavond stilzwijgend aan iets zeer belangrijks voorbijgaan en ik begrijp, gegeven het feit dat de nieuwe lidstaten kunnen verzoeken om uitzonderingsperioden, niet waarom we niet precies te horen krijgen om wat voor uitzonderingsperioden zij verzoeken. Het probleem kan gedeeltelijk aan de toetredende landen zelf te wijten zijn, omdat zij de Commissie nog niet verzocht hebben – de commissaris kan ons dit vertellen – om uitstel, tijdelijke uitzonderingen, verlengingen, enz. Het zou echter veel beter en in het belang van de transparantie zijn als we, voordat we deze wetgeving aannemen – en ik weet dat het al bijna te laat is – een lijst zouden hebben met alle uitzonderingen waarom de nieuwe lidstaten verzoeken. Die zouden we dan immers op kunnen nemen in de preambule van de bestaande richtlijnen die nu voorliggen.

De heer Liikanen zal misschien zeggen dat dit onmogelijk is. Als hij dat doet, heeft hij echter ongelijk, want dat is namelijk precies wat we hebben gedaan in de ontwerprichtlijn over verpakkingen, die we bijna hebben afgerond. De nieuwe lidstaten vroegen om bepaalde uitzonderingen. Wij hebben hun gevraagd om wat voor perioden het ging. Zij hebben die perioden aangegeven. De Commissie verklaarde dat deze perioden redelijkerwijs geaccepteerd konden worden. Vervolgens hebben wij in de preambule van de verpakkingsrichtlijn verwijzingen opgenomen naar de uitzonderingsperioden waarom de nieuwe lidstaten verzochten. Als we de wetgeving die nu voorligt aannemen zonder dat daarin specifiek wordt verwezen naar de onderhandelingen en de termijnen waarom de toetredende landen verzoeken, lopen we het risico wetgeving te produceren die niet transparant is. In het Publicatieblad zal bij deze richtlijnen dan immers niets staan wat de aandacht vestigt op de termijnen waarover de nieuwe lidstaten beschikken om de richtlijnen om te zetten.

Dit is een zeer slechte werkwijze. Ik heb enige sympathie voor de Polen en anderen die zich hierover zorgen maken. Ik begrijp dat het voor de gezondheid van de farmaceutische industrie in West-Europa noodzakelijk is dat wij voor een tienjarige periode van gegevensexclusiviteit kiezen, maar we moeten eerlijk zijn tegenover de toetredende landen en we moeten bovenal transparant zijn over de afspraken die we met hen maken.

 
  
MPphoto
 
 

  El Khadraoui (PSE). – Voorzitter, geachte collega's, ik wens om te beginnen eveneens de rapporteurs te bedanken voor de inspanningen die zij hebben geleverd om dit belangrijke dossier tot een goed einde te brengen. Ik ben zeer gelukkig dat dit Parlement er samen met de Raad in is geslaagd om de oorspronkelijk wel zeer vergaande en liberale voorstellen van de Commissie grondig bij te schaven. Het is natuurlijk een compromis dat we voorgeschoteld krijgen met goede en minder goede dingen. In ieder geval is het goed dat alle geneesmiddelen die onder de Europese reglementering vallen, zullen moeten voldoen aan dezelfde criteria van kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid.

Wat eveneens zeer belangrijk is, is dat commerciële reclame gebannen blijft. Herinner u de oorspronkelijke voorstellen van de Commissie, die bij wijze van proefproject reclame wenste toe te laten voor geneesmiddelen tegen aids, astma en diabetes. Informatie aan de patiënten moet mijns inziens gegarandeerd degelijk en objectief zijn. Het is dan ook logisch dat in eerste instantie de overheid deze informatiestroom organiseert en coördineert. Ik ben blij dat de Commissie nu de opdracht krijgt om op basis van een overzicht van de huidige situatie, voorstellen te lanceren om te komen tot een betere en objectieve informatieverstrekking, waarbij volgens mij ook de informatie en de verkoop via internet aan bod zullen moeten komen.

Minder positief vind ik echter de duur van de gegevensbescherming. In vergelijking met bijvoorbeeld de Verenigde Staten of Japan wordt de periode van bescherming van geneesmiddelen toch wel heel erg lang in Europa. Het is al goed dat vanaf acht jaar de generische industrie zal kunnen starten met een aantal voorbereidende werkzaamheden om vanaf het tiende jaar in staat te zijn generieke geneesmiddelen op de markt te brengen. Maar ik ben van mening dat er te veel mogelijkheden bestaan om daar nog een jaar extra bescherming aan toe te voegen, onder meer wanneer een nieuwe indicatie kan worden bewezen. Dit was volgens mij, Voorzitter, helemaal niet nodig.

Ik hoop dan ook van harte dat de Commissie er streng op zal toezien dat van deze mogelijkheden geen misbruik zal worden gemaakt. Ten slotte betreur ik ook het ontbreken van een amendement over Doha.

 
  
MPphoto
 
 

  De Roo (Verts/ALE). – Voorzitter, werkelijk van harte gefeliciteerd, collega's Müller en Grossetête, maar ook onze briljante commissaris Liikanen en het Italiaanse voorzitterschap. We hebben een goed compromis gevonden: acht jaar voor de generieke medicijnen om te starten, dat heeft het Europees Parlement bereikt. De tien jaar is weg. De Nederlandse regering heeft tegen het gemeenschappelijk standpunt gestemd want dat zou, alleen al in Nederland, 160 miljoen euro per jaar extra uitgaven betekenen.

In eerste lezing heeft het Europees Parlement een goed compromis gevonden tussen zes en acht jaar. Daaraan hebben we vastgehouden en dat hebben we ook kunnen doorzetten, tegen de Raad en de Commissie in. De gecentraliseerde methode via EMEA in Londen wordt steeds meer de regel voor steeds meer medicijnen. Dat is goed. Ook hier heeft het Europees Parlement duidelijk zijn stempel op de wetgeving gedrukt. We hadden graag meer gewild, maar het compromis is acceptabel. Voor ons, Groenen, was het heel belangrijk om de milieueffecten van medicijnen in die Europese wetgeving te brengen. REACH doet dat niet, klein foutje van onze briljante commissaris. Maar dat gat is nu vermeden. Voor medicijnen voor dieren kunnen negatieve milieueffecten zelfs tot een blokkade leiden. Voor menselijke geneesmiddelen is dat niet het geval, maar negatieve effecten zullen wel degelijk in aanmerking genomen worden.

Ik ben blij dat de Commissie zich over Doha heeft uitgesproken en dat de Commissie heeft gezegd begin 2004 wetgeving op tafel te leggen. Daar zullen we de Commissie aan houden.

Amerikaanse reclame voor geneesmiddelen is en blijft verboden. Daar zijn wij als Groenen heel blij mee. Maar hoe patiënten via websites en telefonische hulplijnen beter van informatie kunnen worden voorzien, dat zullen we later moeten bespreken en dat is ook de kern waar het om gaat.

Direct patient reporting: dat heeft het niet gehaald. Maar lidstaten kunnen dit verder uitbouwen en sommige zullen dat ook doen en dat zal later terugkomen. De grens tussen voedingssupplementen en geneesmiddelen is niet scherp genoeg. Hopelijk hanteert de Commissie hier een coulant beleid. De homeopathische geneesmiddelen hebben het niet gehaald. Wij als Groenen zullen daarvoor blijven strijden.

 
  
MPphoto
 
 

  Liese (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, ik sluit me ten volle aan bij de woorden van dank aan het adres van beide rapporteurs. Ik denk dat er een goed compromispakket op tafel ligt en ik zal er alles aan doen om ervoor te zorgen dat we het morgen met grote meerderheid aannemen. Het belangrijkste aspect is in mijn ogen dat we in heel Europa dezelfde gegevensbescherming krijgen. Veel belangrijker dan de vraag of men acht dan wel negen jaar gepast vindt, is voor mij dat we op een interne markt niet meer de verschillen hebben die tot nu toe in Europa bestonden. Dat is een belangrijke stap voorwaarts.

Het doet mij ook bijzonder deugd dat we voor bestaande stoffen een extra gegevensbescherming van een jaar hebben kunnen regelen. Vooruitgang is namelijk vaak als een slak en het zijn niet altijd nieuwe stoffen die voor een verbetering zorgen. Soms komt zo’n verbetering voort uit onderzoek naar een bestaande stof. Ik zie het als een belangrijke stap voorwaarts dat we dit voor elkaar gekregen hebben.

Laat mij u eraan herinneren dat reeds bij eerste lezing een groot aantal punten onomstreden was, terwijl ze toch heel belangrijk zijn. Er is een versnelling van de procedures nodig. Nodig is ook een verdere versnelling waar het om buitengewoon belangrijke medicamenten gaat. En het is nodig dat de structuren van het Europees Geneesmiddelenbureau aan het Europa van de vijfentwintig aangepast worden. Louter positieve zaken.

Ik vind het ook terecht dat we het voorstel van de Commissie over informatie en reclame verworpen hebben. De commissaris heeft nogmaals zijn teleurstelling daarover uitgesproken en gezegd dat het Commissievoorstel op dit terrein vernieuwing van de wetgeving zou brengen. Ik ben daar nog altijd sceptisch over. Laat ik u een concreet voorbeeld ter verklaring van die scepsis geven. De industrie zegt dat ze niet anders wil dan informeren en natuurlijk nooit agressief reclame zal maken, zoals we dat uit de VS kennen. Een paar weken geleden was ik in Bratislava in Slowakije, dat nu nog geen deel uitmaakt van de EU, maar er gelukkig vanaf 1 mei volgend jaar lid van is. Tegenover mijn hotel hing een groot plakkaat. Er stonden twee mensen op, een stel, dat lusteloos naast elkaar in bed lag. Boven hen prijkte de blauwe Viagrapil van Pfizer en boven het geheel stond te lezen: www.potentia.sk.

Toen dacht ik: dat is dus de objectieve informatie die de industrie graag via internet aan de patiënten zou willen geven. Het was reclame en zulke reclame heb ik liever niet in Europa. Dat komt niet omdat ik iets tegen Viagra heb. Ik geloof wel dat Viagra gezien zijn bijwerkingen niet via internet verkocht, maar door artsen voorgeschreven dient te worden. Ook zakelijke informatie zou niet zo gegeven moeten worden als op het plakkaat gebeurde. Daarom denk ik dat we er goed aan hebben gedaan dit voorstel te verwerpen en het compromis van mevrouw Grossetête aan te nemen.

Ik vind dat we veel bereikt hebben. Op één punt hebben we helaas toe moeten geven, mijnheer de commissaris. Wij hebben ons ervoor uitgesproken het thema pediatrie buiten deze wetgeving te houden, zodat de pediatrische regelingen sneller vastgesteld kunnen worden dan het pakket als geheel. Helaas ligt er nog altijd geen voorstel van de Commissie. Daarom spijt het me te moeten zeggen, mijnheer de commissaris, dat de Commissie maar beter geen al te lange kerstvakantie kan nemen. Want in januari verwachten we een voorstel over geneesmiddelen voor kinderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Corbey (PSE). – Voorzitter, collega's, commissaris, allereerst mijn welgemeende dank aan de beide rapporteurs. De amendementen verbeteren het gemeenschappelijk standpunt, maar het is wat mij betreft niet nodig de farmaceutische industrie nog langer en nog meer in de watten te leggen. Aan het begin van de tweede lezing heb ik een aantal vragen over de nieuwe lidstaten op tafel gelegd. Ik zal er hier niet verder op ingaan, want ik ben het volledig eens met wat de collega's Blokland en Jackson hierover gezegd hebben.

Het tweede punt is nog veel dramatischer en betreft de productie van medicijnen voor ontwikkelingslanden die een ernstige gezondheidscrisis doormaken. Begin december werd bekend dat aids de afgelopen vijf jaar vijf miljoen doden heeft geëist. Een ernstige situatie, maar er is hoop. Op 30 augustus, aan de vooravond van de WTO-conferentie in Cancún, hebben de Verenigde Staten, de EU en de ontwikkelingslanden een akkoord gesloten om de generieke productie van medicijnen versneld mogelijk te maken voor ontwikkelingslanden. Geen geweldig akkoord, maar toch een begin. Maar we moeten dat nu dan wel tot uitvoering brengen. Ik kan niet begrijpen waarom de Raad, de Commissie en sommige collega's in dit Parlement niet bereid zijn te doen wat de Europese Unie vóór de conferentie van Cancún heeft besloten. De Commissie lijkt van mening te zijn dat deze materie thuishoort in het Gemeenschapsoctrooi en de nationale patentwetgeving. Dat lijkt me geen goed standpunt, want we hebben altijd nog de gegevensbescherming. En daar gaat het juist in deze wetgeving om.

Commissaris, u vroeg mij zojuist een concreet medicijn te noemen dat nu niet geproduceerd kan worden vanwege de gegevensbescherming, en zo'n medicijn is AZT. Het Parlement was in de eerste lezing en ook nu bereid zich te engageren en er zijn verschillende resoluties vastgesteld en goedgekeurd. Ik noem nog even het verslag van mevrouw Sandbæk in de Ontwikkelingscommissie, waarin unaniem gevraagd wordt om het Doha-akkoord in deze wetgeving te implementeren. Ik heb ten slotte voor u, commissaris, twee vragen. Ten eerste, u heeft zojuist gezegd dat u bereid bent binnenkort de wettelijke maatregelen te treffen om de uitvoering van het besluit van 30 augustus mogelijk te maken. Wanneer kunnen wij een voorstel van u verwachten en kan dat nog in de maand januari? In de tweede plaats zou ik u willen vragen: ik ga ervan uit dat de producten die binnen de Europese Unie geproduceerd worden, altijd geautoriseerd worden binnen de EU. Verklaart u nu dat de gegevensbescherming in deze wetgeving geen enkele belemmering vormt voor de productie van generieke medicijnen voor ontwikkelingslanden in Europese ondernemingen? En zo nee, bent u dan bereid deze wetgeving weer aan te passen als dat nodig is?

 
  
MPphoto
 
 

  Oomen-Ruijten (PPE-DE). – Voorzitter, mag ook ik mij aansluiten bij de heel terechte felicitaties van mijn collega's aan het adres van de beide rapporteurs, mevrouw Grossetête en mevrouw Müller. We kunnen het er met elkaar over eens zijn dat er een zwaar bevochten compromis voor ons ligt, een compromis waarin zeker ook een groot aantal wensen van het Parlement gerealiseerd zijn.

Maar niet het Parlement is hier de winnaar. De winnaar is de burger, die straks de mogelijkheid krijgt om snel en adequaat een goede medicijnvoorziening te krijgen.

Een compromis kan echter slechts worden bereikt als er water in de wijn wordt gedaan. Je kunt niet op alle punten winnen, daar heb ik vrede mee. Maar mag ik dan toch ook aan uw adres een aantal kritische opmerkingen maken? Allereerst over het besluit dat in het compromis is genomen ten aanzien van de apothekers. Ik begrijp dat dat amendement niet paste in de wetgeving zoals die was. Maar voor een goede geneesmiddelenvoorziening is het ook noodzakelijk dat die apotheker zijn of haar deskundigheid ten dienste stelt, niet alleen van de patiënt maar zeker ook van degene die voorschrijft.

Voorzitter, dat is een lacune. Als we dit hier nu niet regelen, dan zal ik ervoor vechten dat we het in een andere wetgeving waarin we het over de kwaliteit van de gezondheidszorg hebben, wel zullen regelen. Het kan voor mij niet zijn dat alleen supermarkten zich nog bezig houden met geneesmiddelen omdat dat goedkoper is.

Voorzitter, het tweede punt zijn de homeopathische geneesmiddelen. Daar is een compromis bereikt dat al diegenen die homeopathische geneesmiddelen gebruiken veel tekort doet. Ik vraag me af waarom het nu bevochten compromis niet stand zou houden indien we over een paar oorspronkelijke amendementen, zoals het amendement 20, alsnog stemmen. Ik weet dat een aantal collega's afzonderlijke stemming gevraagd hebben. Ik heb het gevoel dat we op dat punt de vragen van velen niet beantwoorden.

Voorzitter, ik vraag een concreet antwoord. Waarom gaan we niet verder met die homeopathische geneesmiddelen? Wat we nu hebben aangenomen in het compromis biedt immers geenszins een oplossing. Ik ben daar echt heel verdrietig over.

Voorzitter, dan ten aanzien van Doha en de medicijnen. Ik sluit me aan bij de opmerkingen van mevrouw Corbey. Ik vind het, in tegenstelling tot mijn collega Liese, jammer wij dat ten aanzien van de informatie over medicijnen onze Europese burgers nog steeds beschouwen als onmondig. Ik wil geen reclame, ik wil wel informatie. Ik vind dat een mondige burger ook in Europa terecht zou moeten kunnen voor informatie en niet van een website moet worden afgeleid van een Europese onderneming naar een Amerikaanse onderneming om daar de informatie te vinden. Voorzitter, ik vind dat jammer. We hebben daar een kans gemist. Dat waren mijn opmerkingen. En ik zou graag een antwoord van de Commissie willen hebben over de homeopathie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Keyser (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, in één minuut kan ik niet anders dan een vertekend beeld geven met betrekking tot het werk van de rapporteurs. Ik wil daarvoor bij voorbaat mijn verontschuldigingen aanbieden. Ik besef hoeveel zij gedaan hebben. Ik zou u alleen willen zeggen dat het compromis om voor medicijnen eerst acht, dan twee en vervolgens nog één jaar gegevensbescherming te garanderen een aardig kerstcadeautje is van het Europees Parlement aan de farmaceutische industrie. Het blijkt maar weer dat je met een machtige lobby veel kunt bereiken.

Dit cadeau zal echter de sociale zekerheid in de lidstaten nog verder ondergraven, doordat het beschikbaar komen van generieke geneesmiddelen wordt vertraagd. Vanwaar deze gulheid? De farmaceutische industrie voert als argument aan dat zij haar research moet bekostigen. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat nauwelijks eenvijfde van de nieuwe geneesmiddelen die de afgelopen twintig jaar in de handel zijn gebracht werkelijk innovaties waren. Bovendien schrijft The New York Times dat het bij tweederde van de geneesmiddelen waarvoor tussen 1989 en 2000 een vergunning is verleend slechts om geringe aanpassingen ging van bestaande geneesmiddelen.

Bovendien: binnen onze sociale zekerheid is er al dringend behoefte aan generieke geneesmiddelen, maar in ontwikkelingslanden, waar 95 procent van de gevallen van aids en endemische ziekten zich concentreert, is het ronduit misdadig als daar geen generieke geneesmiddelen beschikbaar komen. Amendement 19 van het verslag-Grossetête verwijst daarnaar. Laten we alstublieft de geest van Doha hooghouden en voor dat amendement stemmen. Laten we ten minste middels onze solidariteit met de derde wereld tegenwicht bieden aan de farmaceutische lobbies.

 
  
MPphoto
 
 

  Doyle (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dank mevrouw Grossetête en mevrouw Müller voor hun persoonlijke inzet.

Het pakket dat thans voorligt bevat veel goeds, maar als we eerlijk zijn, dan zijn er ook veel problemen. We hebben geprobeerd in te korte tijd te veel te doen, waarbij de bemiddelingsprocedure en de uitbreiding gebruikt zijn als stok om ons in het gareel te houden. Ik teken hier bezwaar tegen aan. In de komende maanden en jaren zullen we hiervoor de prijs betalen, niet in de laatste plaats aan de advocaten voor wie dit helaas een buitenkansje zal blijken.

Commissaris Liikanen, u zei dat een van de doelstellingen de noodzaak was om ons voor te bereiden op de uitbreiding. Ik zeg u dat een race tegen de klok om dit pakket op tijd af te ronden voor de uitbreiding iets totaal anders is.

Met betrekking tot de richtlijn betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik is de zorg geuit dat het, vanwege de brede definitie van geneesmiddelen en de voorrangsbepaling, mogelijk is dat ook voedingsmiddelen, voedingssupplementen, cosmetica en medische hulpmiddelen worden aangemerkt als geneesmiddelen. De oplossing van de Commissie en de Raad voor dit probleem is om in overweging 7 – amendement 60 – de volgende formulering op te nemen: “Indien een product duidelijk onder de definitie van andere productcategorieën valt ... is deze richtlijn niet van toepassing”. Op deze manier wordt er onderscheid gemaakt tussen geneesmiddelen en andere producten.

Het probleem van deze oplossing is dat overweging 7 geen enkel juridisch bindend effect heeft. Deze overweging zal namelijk zelf feitelijk geen deel uitmaken van de geneesmiddelenrichtlijn. Ik heb hierover een deskundig juridisch advies gelezen waarin wordt verklaard dat, indien de geneesmiddelenrichtlijn niet wordt gewijzigd, deze de richtlijn betreffende voedingssupplementen volledig zal overvleugelen.

Ik heb hierover twee specifieke vragen, waarop ik graag een antwoord van u zou willen, mijnheer de commissaris. Waarom hebben de Commissie en de Raad niet voorgesteld om de formulering uit overweging 7 op te nemen in een artikel van de richtlijn dat ook daadwerkelijk van kracht wordt, teneinde ervoor te zorgen dat deze bepaling rechtsgeldigheid bezit? Welke garantie kan de Commissie geven dat, zelfs als de formulering uit overweging 7 in een rechtsgeldig deel van de richtlijn wordt opgenomen, met deze formulering het probleem van producten die zich op de grens bevinden effectief aangepakt zal worden?

De richtlijn betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik zou een aanzienlijk betere tekst geweest zijn als hij apart was behandeld in plaats van als onderdeel van een pakket. Deze richtlijn is minder goed tegen het licht gehouden dan hij had verdiend, niet in de laatste plaats in de werkgroepen, waar hij werd meegesleurd in het kielzog van de richtlijn betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik.

Commissaris Liikanen, u hebt mijn amendement – het geconsolideerde amendement 3 – over de kwestie van de receptplichtige geneesmiddelen meer dan een jaar geleden in eerste lezing geaccepteerd. U stemde er toen in beginsel mee in, maar de tekst die vervolgens werd voorgelegd aan de Raad en die derhalve als gemeenschappelijk standpunt voor de tweede lezing aan het Parlement is voorgelegd kwam erop neer dat de wens die het Parlement bij drie gelegenheden duidelijk had uitgesproken, evenals uw eigen wens als commissaris, doelbewust werd genegeerd.

Het gemeenschappelijk standpunt bevat nu de bepaling dat alle geneesmiddelen die worden toegediend aan dieren die voor de productie van levensmiddelen bestemd zijn, moeten worden voorgeschreven door een dierenarts, waarbij echter de mogelijkheid bestaat van een lijst met vrijgestelde geneesmiddelen die verkrijgbaar zijn zonder recept. Uit uitgebreide correspondentie met u, commissaris, is mij gebleken dat op deze lijst met vrijgestelde medicijnen heel weinig geneesmiddelen komen te staan en dat dit dus geen oplossing is.

Een boer moet op een praktische wijze kunnen beschikken over geneesmiddelen. Daarbij moeten dierenwelzijn en voedselveiligheid voorop staan. Wij zijn allemaal blij dat we bepaalde medicijnen vrij kunnen kopen zonder eerst naar de dokter te hoeven. Eenvoudige pijnstillers, hoestmedicijnen en vitaminepreparaten zijn hier voorbeelden van. Op vergelijkbare wijze dient een boer toegang te hebben tot bepaalde medicijnen zonder dat hij eerst eens veearts hoeft te raadplegen. Door de toegang tot medicijnen te moeilijk te maken, zal het gebruik ervan afnemen, wat weer ten koste zal gaan van het dierenwelzijn. Het gebruik van preventieve medicijnen, zoals vaccins, zal afnemen en dat zal ertoe leiden dat we zieke dieren zullen moeten behandelen met antibiotica, in plaats van dat we dieren tegen ziekten beschermen.

Dit is geen voedselveiligheidskwestie. Uit al onze informatie blijkt dat er residuen achterblijven van medicijnen waarvoor een recept reeds verplicht is in alle lidstaten, namelijk antibiotica. De voedselveiligheid verbetert niet door voor nog meer geneesmiddelen een recept verplicht te stellen. De voedselveiligheid kan alleen worden verbeterd door middel van intensieve toezichtprogramma’s en hoge boetes voor iedereen die de maximumwaarden voor residuen overschrijdt.

Ik verheug mij zeer over de oplossing die nu wordt voorgesteld voor de huidige crisis in verband met de beschikbaarheid van diergeneeskundige geneesmiddelen voor een aantal minder belangrijke diersoorten, waaronder geneesmiddelen voor paarden. Deze crisis is echter het gevolg van ontoereikend onderzoek naar en een ontoereikend begrip van een vorige richtlijn.

De conclusie is dat er geen openbare diergeneeskunde bestaat, zoals voor mensen, maar alleen private diergeneeskunde. Wij hebben op grond van het dierenwelzijn, de integriteit van de dierenartsenpraktijk, de waarheid met betrekking tot de gevolgen voor de voedselketen, en – dit is het belangrijkst – de economische levensvatbaarheid van onze boerenbedrijven een extra zorgplicht. Wij doen een beroep op u om ervoor te zorgen dat er in de toekomst sprake zal zijn van bescherming op al deze terreinen, evenals van goed onderzoek, met name naar de richtlijn betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik.

 
  
MPphoto
 
 

  Stihler (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteurs graag bedanken. De geneesmiddelenherziening is belangrijk voor de burgers van de EU. Met deze herziening bevorderen we niet alleen onderzoek en innovatie, maar we proberen hiermee ook generieke geneesmiddelen sneller op de markt te krijgen. Dit zal voor de belastingbetaler lagere kosten betekenen. Gezien het feit dat de medicijnkosten in het Verenigd Koninkrijk in de afgelopen drie jaar met zo’n 30 procent gestegen zijn, is het niet verwonderlijk dat een verstandig farmaceutisch compromis noodzakelijk is. Er ligt nu een compromispakket op tafel. Het Parlement kan instemmen met dit compromis of we begeven ons in een bemiddelingsprocedure, waarbij we het risico lopen veel van wat het Parlement wilde weer kwijt te raken.

Ik verzoek de collega’s met klem het aangeboden compromis te steunen. Als een van de indieners van de oorspronkelijke amendementen juich ik van harte de invoering toe van informatie in braille op de verpakking die patiënten ontvangen. De naam van het geneesmiddel zal in brailleschrift worden weergegeven op de verpakking en er zal, op aanvraag, een volledige bijsluiter beschikbaar komen in een reeks formaten, waaronder in braille. Ik had zelf op meer gehoopt, maar ik aanvaard het compromis als een stap in de goede richting bij het verlenen van toegang tot informatie aan blinden en slechtzienden. Dit is een evenwichtig stuk wetgeving dat ik met plezier steun. Ik hoop dat ook mijn collega’s het compromis zullen steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sturdy (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mevrouw Grossetête bedanken voor haar uitstekende werk ten aanzien van dit verslag. Het is dramatisch dat de geneesmiddelen voor diergeneeskundig en menselijk gebruik nogal door elkaar zijn gehaald doordat zij beide in hetzelfde verslag zijn opgenomen. We zouden ze eigenlijk volledig apart moeten bekijken. Ik zal daar straks op terugkomen. In dat opzicht ben ik het helemaal eens met wat mevrouw Doyle heeft gezegd.

Ik wil deze gelegenheid te baat nemen om zowel het Verenigd Koninkrijk als de Ierse permanente vertegenwoordigers te bedanken voor hun werk. Het is jammer dat hun werk ten aanzien van dit verslag door sommige lidstaten is verworpen. Het zogenaamde gemeenschappelijk standpunt van de Raad is allerminst een compromis: het is slechts een andere manier om de oorspronkelijke voorstellen van de Commissie uit te drukken en de Commissie heeft zeer duidelijk gemaakt dat iedere lijst met geneesmiddelen die op basis van comitologievoorstellen tot stand komt grotendeels onder haar controle staat.

Het gemeenschappelijk standpunt zou betekenen, zoals mevrouw Doyle terecht gezegd heeft, dat vele kleine bedrijven op het platteland hun werk moeten staken. Dat is van zeer groot belang. Er is hierover enorme verwarring ontstaan – en de Raad lijkt het op dit punt geheel en al bij het verkeerde eind te hebben – doordat gedacht wordt dat wij vragen om vrijstelling voor receptplichtige geneesmiddelen. Dat is niet het geval: die geneesmiddelen vallen immers al onder de voedselveiligheidsregels en staan hier verder niet ter discussie wat ons betreft. Daar vragen we helemaal niet om.

Mevrouw Doyle heeft terecht opgemerkt dat, terwijl je bij elke drogist een pil tegen hoofdpijn kunt krijgen, het probleem is dat je in het Verenigd Koninkrijk en Ierland op vergelijkbare wijze terecht kunt bij lokaal geregistreerde mensen voor vlooienpoeder, speendip voor koeien, al dat soort dingen. We zetten met deze plannen niet alleen de gezondheid van dieren op het spel, maar ook het dierenwelzijn en het hele principe daarvan, want mensen zullen gewoon de moeite niet nemen om een dierenarts voor het voorschrijven van dit soort zaken te betalen. Dat is bijzonder belangrijk. Zoals ik reeds heb gezegd bestaat hierover al wetgeving. In het Verenigd Koninkrijk eten we geen paarden, honden, katten of parkieten wat dat aangaat, dus daarop moet deze regelgeving niet van toepassing zijn.

Ik wil tegen u allen zeggen dat als u niet kunt instemmen met een dergelijk voorstel, we dan misschien de diergeneeskundige geneesmiddelen uit dit specifieke voorstel hadden moeten halen en hiervoor aparte wetgeving hadden moeten opstellen. Als u morgen niet bereid bent in te stemmen met wat mevrouw Doyle en ik hier aan de orde stellen, dan is het misschien een goed idee tegen deze wetgeving te stemmen en het verslag terug te verwijzen naar de betreffende commissie.

 
  
MPphoto
 
 

  Müller (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, u als leden van het Parlement hebt er de afgelopen twee jaar met vele amendementen mede toe bijgedragen dat we een goed compromis met de Raad konden sluiten. Ik ben van mening dat dit compromis een geschenk aan de Europese burgers en patiënten is en niet, zoals een aantal van u misschien denkt, aan de farmaceutische industrie.

Ik deel die mening niet. Wie zich terdege verdiept heeft in het pakket maatregelen en de details kent, weet dat het anders ligt. Met het EMEA hebben we efficiënte structuren geschapen, geschikt voor het geven van kwalitatief hoogstaande adviezen, zodat patiënten ook veilige geneesmiddelen ter beschikking staan.

We hebben een databank die patiënten, artsen en ook bedrijven een schat aan informatie biedt. We hebben transparante toelatingsprocedures, we hebben een meldplicht voor bijwerkingen, om maar een greep te doen uit de dingen die we voor de patiënten bereikt hebben. We hebben een centrale toelating, die op een breed scala van indicaties van toepassing is. Dat betekent dat veel, heel veel nieuwe en vernieuwende geneesmiddelen centraal toegelaten worden en vroegtijdig binnen handbereik van de patiënten komen. We hebben de Commissie gevraagd een leidraad voor de patiënteninformatie op te stellen, om te waarborgen dat de informatie die de gebruikers krijgen ook werkelijk onpartijdig is. Allemaal zaken waarvan de patiënten rechtstreeks profiteren. Na vijf jaar komt er een hernieuwde toelating, waarbij nut en risico’s tegen elkaar afgewogen worden. We hebben kortom nogal wat voor de patiënten bereikt. Daarom zou ik u willen vragen bij de beoordeling van dit maatregelenpakket wat voorzichtiger te argumenteren.

Voor wat beide punten betreft die met de WTO samenhangen: ook ik heb daar een motie over ingediend, maar het lijkt me gewoon zinvoller als de Commissie volgend jaar met een voorstel komt waarin deze problematiek uitputtend behandeld wordt, in plaats van een gedetailleerde wetgeving in elkaar te flansen. Dat zou niet de juiste weg geweest zijn. Ik vraag dus alle collega’s die hier kritisch tegenover staan morgen toch dit compromis te ondersteunen. Daar schieten de burgers van Europa wat mee op. Dat is werkelijk een geschenk aan de patiënten en aan niemand anders.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicholson (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteurs feliciteren met het feit dat zij zeer goede verslagen hebben geproduceerd. Ik wil om te beginnen verklaren dat ik volledig achter het standpunt sta dat verwoord werd door mevrouw Oomen-Ruijten met betrekking tot homeopathische medicijnen. Aangezien het verslag dat ik vanavond wil behandelen betrekking heeft op receptplichtige geneesmiddelen, zijn dit echter waarschijnlijk de enige vriendelijke opmerkingen die ik hier zal maken.

Willen we hier echt mee verder? Zowel de heer Sturdy als mevrouw Doyle heeft zich afgevraagd of er voor dit onderwerp geen aparte wetgeving had moeten worden opgesteld. Het gezond verstand zal toch ooit ergens moeten zegevieren, zelfs binnen de Europese Commissie. U moet toch luisteren naar wat de mensen zeggen en naar de zorgen die zij hebben. Is dit niet wederom een voorbeeld van totale inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van mensen in hun eigen natiestaat? Wanneer leert u het nu eens?

Ik wil het hebben over receptplichtige geneesmiddelen omdat deze een enorme invloed zullen hebben op mijn kiesdistrict in Noord-Ierland. Wij beschikken over een efficiënt, goed functionerend, effectief systeem van landbouwgroothandels. De heer Sturdy en mevrouw Doyle hebben reeds gezegd dat zij in hun gebieden hetzelfde systeem hebben. Het werkt, het is effectief en het hoeft niet op deze manier te worden onderzocht. Het gaat al eeuwen zo. Wat hebben deze groothandels ooit misdaan?

Het enige wat u zult bereiken, commissaris, is dat u een zwarte markt creëert voor deze handel. U dwingt mensen ondergronds te gaan. U dwingt ze ertoe zwarthandel te bedrijven, onder de toonbank. Dat is het enige wat u zult bereiken, zoals u dat al op zoveel beleidsterreinen hebt gedaan, van de visserij tot elk ander terrein binnen de Europese Unie. De Europese Unie en de Commissie luisteren gewoon niet naar wat de mensen uit de praktijk zeggen. Dat moet u eens gaan doen.

Ik weet dat dit voornamelijk een Brits, Iers en misschien ook Nederlands probleem is. Maar wij zitten dus met een probleem. U moet dus nadenken over wat we gaan doen. Ik heb me hogelijk verbaasd over de dictatoriale houding van de Commissie en ook van bepaalde lidstaten die ten koste van alles hun zin willen krijgen: pak wat je hebben wilt en let vooral niet op de rest! Zo wordt een verkeerd signaal afgegeven. Ik ben van mening dat dit niet is waar Europa over gaat. Europa gaat om veel meer. Europa zou zoveel meer kunnen zijn. U krijgt uw verdiende loon als de betrokkenen beginnen ondergronds te gaan.

Ik verzoek dit Parlement met klem het amendement te steunen dat is ingediend door mevrouw Doyle en anderen. Dat is de juiste weg voorwaarts. Ik hoop, commissaris, dat u daarover zult nadenken, terug zult gaan naar uw college van commissarissen en zult zeggen dat hier opnieuw naar gekeken moet worden. U moet flexibel zijn. U moet rekening houden met reeds bestaande systemen die op dit moment goed functioneren. Dwing fatsoenlijke, eerlijke mensen niet ondergronds te gaan; dwing ze niet de zwarte markt op.

Ik ben vreselijk teleurgesteld over het feit dat de regering van het Verenigd Koninkrijk zich terugtrekt en de eigen bedrijfstak niet steunt via het Comité van permanente vertegenwoordigers. Zij trekt heel laf haar handen af van de situatie. Zij zegt dat ze het via de achterdeur zal regelen, wat voor de boeren en de vele andere mensen in mijn kiesdistrict en andere gebieden een enorme verantwoordelijkheid zal betekenen. Ik vraag u nogmaals het amendement, dat is ingediend door mevrouw Doyle en de rest van ons, te steunen, als de weg voorwaarts.

 
  
MPphoto
 
 

  Parish (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen bedank ik mevrouw Grossetête voor haar verslag, en ik sluit mij aan bij de vorige spreker. Het probleem is hier dat wanneer we heel Europa op één hoop proberen te gooien en wetgeving proberen op te stellen die geschikt is voor alle lidstaten, die wetgeving niet voor iedereen even passend is. Daarom verzoek ik dit Parlement met klem de amendementen 27 en 28 van mevrouw Doyle te steunen.

De meeste medicijnen die boeren in Ierland en het Verenigd Koninkrijk op dit moment niet van dierenartsen maar van algemene leveranciers kopen zijn ofwel drankjes tegen wormen ofwel vaccins en deze worden toegediend door de boeren zelf. Het is dan ook niet zo dat de dierenarts deze zal gaan toedienen; deze medicijnen zullen alleen van dierenartsen gekocht moeten worden. Dierenartsen zullen zo een monopolie op de verkoop van deze artikelen verwerven, waardoor de concurrentiepositie van boeren wederom wordt geschaad. Wij hebben vele keren te horen gekregen van de moderne wereld waarin de boeren zich staande moeten zien te houden dat zij hun verantwoordelijkheid moeten nemen en zich moeten conformeren aan de vrije markt. Toch beperken we nu hun keuzevrijheid bij het kopen van deze medicijnen. Het is te gek voor woorden dat dit erdoor wordt gedrukt.

Ik herhaal wat de heer Nicholson heeft gezegd. Ik vrees eigenlijk dat de Britse regering – die steeds heeft gezegd dat zij de landbouwindustrie zou ondersteunen zodat boeren deze medicijnen zouden kunnen blijven kopen van leveranciers en niet van dierenartsen – is gecapituleerd en onder de druk is bezweken. Het is dan ook aan dit Parlement om deze wetgeving te wijzigen op een manier die ruimte biedt voor verschillen tussen de lidstaten. Dat is wat er van ons gevraagd wordt. Er wordt enorme ophef gemaakt over voedselveiligheid, maar daar gaat het helemaal niet om. Deze geneesmiddelen, ontwormingsmiddelen en vaccins, kunnen immers gewoon van leveranciers gekocht worden. Zij kunnen daar geregistreerd worden en zo weten we wanneer de boeren deze geneesmiddelen gekocht hebben. De boeren dienen deze vervolgens zelf toe. Op die manier is het helemaal niet nodig om een hele procedure te doorlopen waarbij alleen een dierenarts receptplichtige geneesmiddelen mag voorschrijven. Om die reden verzoek ik het Parlement nogmaals met klem de amendementen 27 en 28 van mevrouw Doyle te steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Grossetête (PPE-DE), rapporteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik zou toch even willen reageren op een aantal bezwaren van de kant van mijn collega’s. Ten eerste zie ik als ik achter mij kijk dat mevrouw Jackson al een poosje geleden is weggegaan. Dat vind ik jammer, want ik had haar antwoord willen geven. Ik ga dat ook gewoon doen en zal haar bovendien morgenochtend een schriftelijk antwoord sturen.

De uitbreidingslanden hebben onze zorg. Tijdens onze gesprekken met de Raad en de Commissie is het ook daarover gegaan, juist om ervoor te zorgen dat rekening gehouden wordt met de moeilijkheden waarop bepaalde uitbreidingslanden – niet allemaal – zouden kunnen stuiten bij de tenuitvoerlegging van deze geneesmiddelenwetgeving. Bovendien weten we dat de Commissie heeft toegezegd om, als dit wetgevingspakket eenmaal is aangenomen, uitzonderingen voor te stellen voor bepaalde uitbreidingslanden.

Maar wat ik vooral graag tegen mevrouw Jackson had willen zeggen is dat ik vanmorgen nog een brief heb ontvangen van een van onze waarnemers uit Tsjechië, waarin hij verklaart de gegevensbescherming van eerst acht, dan twee en dan één jaar van harte te steunen. Het lijkt hem een aanvaardbaar compromis tussen de gegevensbescherming van zes jaar en de voorgestelde termijn van acht jaar plus één. Hij is zich er terdege van bewust dat het belangrijk is de industriële eigendom te beschermen en tegelijkertijd het op de interne markt brengen van generieke geneesmiddelen mogelijk te maken. Deze brief zal ik dan ook aan mijn collega’s ter beschikking stellen. En het is niet de enige die we over dit onderwerp ontvangen hebben.

Daarnaast zou ik willen reageren op de opmerkingen van mijn Britse en Ierse collega’s over het probleem van de geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik. Als ik mijn collega mevrouw Doyle hoor zeggen dat we veel te snel zijn gegaan, dan vind ik dat toch wel spijtig, aangezien we al maanden vele uren lang met de Commissie en de Raad hebben gesproken, juist om tot een goed compromis te komen. Ik denk dan ook dat we, als het gaat om de veiligheid voor dieren, nu eens spijkers met koppen moeten slaan. Als het gaat om dieren die zijn bestemd voor de voedselproductie, zult u begrijpen dat de veiligheid voorop staat, zowel voor ons als voor de Raad. Ook daarover is uitvoerig gesproken.

Volgens mijn Britse collega’s had er aparte wetgeving moeten komen. Maar die hébben we, die aparte wetgeving! Als u even naar de teksten zou willen kijken: het gaat hier om twee richtlijnen. We debatteren vandaag dus over twee richtlijnen, een over geneesmiddelen voor menselijk gebruik en een over geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik. Er is alleen een aantal bepalingen betreffende de richtlijn over geneesmiddelen voor menselijk gebruik die gelijk zijn aan bepalingen uit de richtlijn over geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik. Ik zou het op prijs stellen als u voordat u het woord neemt eerst goed naar de teksten zou kijken, zodat dit soort vergissingen vermeden kan worden.

U beroept zich op specifiek Britse en Ierse omstandigheden. Ik hoop niet dat u vanwege die specifieke omstandigheden de aanvaarding van dit compromis in gevaar gaat brengen en ik wil er graag op wijzen dat artikel 67 van het gemeenschappelijk standpunt juist voorziet in uitzonderingen voor bepaalde geneesmiddelen. Uw antwoord staat dus al in de tekst. Ik zou het toch prettig vinden als we dit soort gesprekken met wat meer goed vertrouwen zouden kunnen voeren. Als u zegt dat men in het Verenigd Koninkrijk geen paardenvlees eet dan moet u toch niet vergeten – en dat weet u heel goed – dat paarden die in het Verenigd Koninkrijk geen nut meer hebben naar andere lidstaten worden geëxporteerd om uiteindelijk in onze slagerswinkels terecht te komen. Om die reden is veel meer veiligheid vereist bij het voorschrijven van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik.

Ik zou nog genoeg andere dingen kunnen zeggen maar ik wil graag afronden door er tot slot nog op te wijzen dat het niet gemakkelijk is geweest de huidige compromissen te bereiken en dat het Italiaans voorzitterschap zijn best gedaan heeft om rekening te houden met een aantal verzoeken waarvan het aanvankelijk niet de bedoeling was om die mee te nemen in de discussie. Het zou dan ook uitermate ernstig zijn als u ervoor verantwoordelijk zou zijn dat dit compromis het niet haalt.

Evenals mijn collega mevrouw Müller doe ik een beroep op uw verantwoordelijkheidsbesef: stemt u alstublieft niet voor amendementen die geen deel uitmaken van de compromissen, want daarmee zou u deze in gevaar kunnen brengen. Er zou dan weliswaar een bemiddelingsprocedure komen, mevrouw Doyle, maar het is absoluut niet zeker dat we dan de resultaten kunnen bereiken die we vandaag hebben binnengehaald. Daarom verzoek ik u om morgen voor de compromissen te stemmen en vooral niet het risico en de verantwoordelijkheid te nemen om te doen mislukken wat we na weken hard werken hebben bereikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Liikanen, Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil in ieder geval een antwoord geven aan die afgevaardigden die vragen hebben gesteld en nog aanwezig zijn.

Ten eerste de schriftelijke vraag van mevrouw Corbey over Doha. Als ik uw vraag eerst herformuleer, dan kan ik deze eenvoudiger beantwoorden. Ik zal hierbij zeer nauwkeurig zijn. Het verlenen van vergunningen is alleen nodig voor het op de markt brengen van geneesmiddelen in de EU; deze wetgeving betreft dus geneesmiddelen waarvoor een vergunning wordt verleend voor de communautaire markt. Mevrouw Corbey vraagt mij of ik kan garanderen dat gegevensbescherming geen belemmering vormt en nu herformuleer ik de vraag voor de productie van geneesmiddelen in de EU waarvoor de ontwikkelingslanden vervolgens een vergunning moeten verlenen.

Als ik de vraag op deze manier herformuleer, dan is mijn antwoord “ja”. Het is namelijk zo dat deze wetgeving betrekking heeft op het verlenen van vergunningen voor het op de markt brengen van geneesmiddelen in de EU. Als TRIPS en de betreffende patenten inhouden dat geneesmiddelen die geproduceerd zijn in een bepaald land geëxporteerd mogen worden naar een ontwikkelingsland, dan heeft deze verordening daarop geen invloed, aangezien deze bescherming alleen betrekking heeft op het verlenen van vergunningen voor het op de markt brengen: er is geen verband met de productie. Deze verordening is niet bedoeld om de productie te reguleren, maar om het verlenen van vergunningen voor het op de markt brengen te reguleren. Er is een kleine uitzondering: de “Bolar”-bepaling, aangezien er altijd sprake is van enige productie in verband met onderzoek naar generieke geneesmiddelen.

Ik deel de zorgen van mevrouw Corbey, de heer Whitehead en vele anderen over het eerbiedigen van Doha volledig. In Doha werd een ferm standpunt ingenomen met betrekking tot het patent. Er werd echter geen standpunt bepaald over gegevensbescherming. Er is geen verband tussen gegevensbescherming en het verlenen van vergunningen voor het op de markt brengen van geneesmiddelen buiten de EU. Buiten de EU zullen vergunningen voor het op de markt brengen van geneesmiddelen verleend worden door autoriteiten van die derde landen, overeenkomstig hun nationale wetgeving. Ik hoop dat ik de situatie zo verhelderd heb. De tenuitvoerlegging van Doha wordt hierdoor op geen enkele manier belemmerd.

Ten tweede heeft, wat onze betrokkenheid betreft, het volledige college van commissarissen ingestemd met wat ik hier eerder heb gezegd: Doha zal begin 2004, wat al over twee weken is, onze hoogste prioriteit zijn. Ik zal verder mijn best doen mijn collega’s te helpen bij de voorbereiding van het wetsvoorstel, aangezien niet alle voorstellen onder mijn directe verantwoordelijkheid vallen. Ik zal met deze kwestie aan de slag gaan zodra hierover gestemd is.

Mevrouw Jackson stelde de kwestie van de nieuwe lidstaten aan de orde en vroeg hoeveel van hen verzocht hebben om een overgangsperiode. Tot nu toe heeft geen van hen hierom verzocht, maar daarvoor is een goede reden: we kunnen de onderhandelingen over overgangsperioden niet beginnen voor deze wetgeving is goedgekeurd. Pas daarna kunnen we beginnen met onderhandelen. Mijn standpunt – dat gesteund wordt door mijn collega’s – is dat ik hier positief en open tegenover sta. We begrijpen dat de overgangsperiode in dit geval een probleem is.

De heer Liese heeft de kwestie van kindergeneesmiddelen aan de orde gesteld. Ik voel me hierover een beetje ongemakkelijk omdat ik dit Parlement persoonlijk heb verteld dat er binnenkort een voorstel zou liggen. Zoals ik reeds heb gezegd, heeft de Commissie besloten dat dit voorstel moet worden onderworpen aan een uitgebreide, grondige beoordeling, waardoor de procedure vertraagd is. Aan de ene kant is dit goed voor betere regelgeving maar aan de andere kant heeft dit dus voor vertraging gezorgd. We zullen een en ander begin 2004 uitvoeren. Ik neem hiervoor persoonlijk de verantwoordelijkheid omdat dit mijn voorstel is.

De heer Liese heeft ook de kwestie van rechtstreekse reclame aan de orde gesteld. Hij verwees naar een zaak in Bratislava. Als u wel eens op internet surft of uw e-mail bekijkt, dan bent u zeker geconfronteerd met een grote hoeveelheid agressieve reclame die ongevraagd op uw scherm verschijnt en waar u niets aan kunt doen. Dat is een toenemend probleem waaraan we iets moeten doen, maar ik ben ervan overtuigd dat we daar in de toekomst nog op terug kunnen komen.

Dan kom ik toe aan de punten die aan de orde gesteld zijn door mevrouw Doyle, de heer Whitehead, de heer Parish en de heer Nicholson over geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik. Ik weet dat deze kwestie hen zeer na aan het hart ligt. Mevrouw Doyle heeft hierover gesproken in de commissie en daarbuiten en ik begrijp haar probleem. Wanneer wij zeggen dat we in beginsel met een amendement kunnen instemmen, dan is het uiteraard eigenlijk nauwkeuriger om te zeggen dat het amendement gewijzigd dient te worden. Normaal gesproken worden permanente uitzonderingen immers nooit goedgekeurd door de instellingen van de lidstaten. Permanente uitzonderingen zijn uitzonderlijk.

Het compromis voorziet in een beperkte vrijstelling die op geharmoniseerde wijze moet worden toegepast. In het compromis staat echter dat lidstaten vrijstelling van deze eis mogen verlenen in overeenstemming met criteria die zijn vastgesteld volgens de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 89, lid 2. De vrijstelling wordt hierdoor dus beperkt en dit kan op basis van het compromis gerealiseerd worden.

De heer Nicholson had het over binnenlandse aangelegenheden. Die kwestie is ook in de Raad aan de orde gesteld en vele lidstaten maakten grote bezwaren tegen dat standpunt. Zij zeggen dat, hoewel de geneesmiddelen niet circuleren op de interne markt, vlees, als voedingsmiddel, daar wel verhandeld wordt. Er is dus sprake van grensoverschrijdende effecten. Dat was het standpunt dat veel lidstaten innamen en met het oog op de samenhang van de interne markt maakten zij dus bezwaar tegen de mogelijkheid een permanente uitzondering te maken op dit terrein.

Mevrouw De Keyser is al vertrokken, en dat is jammer, want ik was in mijn antwoord graag dieper ingegaan op haar opmerking. Discussies over de farmaceutische industrie zijn altijd problematisch. We hebben te maken met algemeen aanvaarde doelstellingen op het gebied van de volksgezondheid: we streven naar een betere gezondheid – en daarin spelen geneesmiddelen een rol. Maar als er geen nieuwe innovatieve geneesmiddelen meer worden ontwikkeld, kunnen we ziekten niet aanpakken zoals dat zou moeten. Er zijn in de afgelopen twintig jaar enkele succesverhalen geweest – zo kunnen ziekten die vroeger buitengewoon moeilijk te behandelen waren zonder zware behandelingen in gesloten inrichtingen nu worden bestreden met medicijnen. Dit is echter niet mogelijk zonder innovatie. Twintig of dertig jaar geleden werden mensen met geestesziekten in inrichtingen geplaatst. Vandaag de dag kunnen zij in vrijheid leven, hetgeen een betere levenskwaliteit betekent, evenals lagere kosten. We moeten dus streven naar innovatie.

Laten we de ziekte van Alzheimer als voorbeeld nemen. Als we hiervoor geen nieuwe, innovatieve medicijnen vinden, zullen de kosten torenhoog zijn. We moeten innovatie dus zeker ondersteunen. Iemand verwees naar de situatie in Amerika, waar de exclusiviteitsperioden korter zijn. Neemt u even een moment om de kosten te vergelijken. Omdat we in Europa de kosten betalen uit de overheidsfinanciën willen we ook iets te zeggen hebben over de prijsniveaus. De langere beschermingsperiode biedt, vanwege de lagere prijzen hier, enige compensatie voor innovatie.

Ik heb in 2000 een studie laten uitvoeren om de stand van zaken op de Europese farmaceutische markt te beoordelen. Hieruit bleek dat er in Europa landen zijn waar na het verlopen van een patent of de periode voor gegevensbescherming het prijsniveau voor generieke geneesmiddelen niet verandert. Hetzelfde prijsniveau blijft gehandhaafd. Er is dus sprake van hoge prijzen omdat geneesmiddelen aanvankelijk onder een patent en gegevensexclusiviteit vallen en vervolgens verandert er daarna niets. Dit voorstel zal ongetwijfeld een echte Europese markt creëren voor generieke geneesmiddelen. Ik ben ervan overtuigd dat zodra de regels hetzelfde zijn en de markten zijn geharmoniseerd, de generieke industrie zal profiteren van deze mogelijkheid. We moeten investeren in innovatieve medicijnen om ingewikkelde ziekten aan te kunnen pakken, maar tegelijkertijd moeten we de prijzen van generieke geneesmiddelen drukken om kosten te besparen. Dat is het evenwicht dat we willen bereiken. Ik ben er persoonlijk van overtuigd dat dit Parlement op dat terrein zeer evenwichtig te werk is gegaan.

Tot slot wil ik het Parlement bedanken voor een zeer goed debat. Het Parlement heeft gedurende deze hele periode zijn werk met grote inzet verricht. Ik moet verder zeggen dat niet alle kwesties hier zijn opgelost. Toch hebben we allemaal zeer hard en goed gewerkt om een compromis te vinden dat zowel bevorderlijk is voor de volksgezondheid als voor innovatie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Mevrouw Oomen-Ruijten, u had een motie van orde? Ik zou het op prijs stellen als u mij zou willen vertellen op grond van welk artikel van het Reglement u een motie van orde wilt indienen.

 
  
MPphoto
 
 

  Oomen-Ruijten (PPE-DE).(EN) Ik ben altijd beleefd. Dat betekent dat ik altijd in de vergaderzaal blijf zitten om te luisteren naar de antwoorden van de commissaris. Als de commissaris mij geen antwoord geeft met betrekking tot homeopathische geneesmiddelen, dan zal ik hem morgen wel overtuigen, wanneer een groot deel van dit Parlement tegen bepaalde compromisvoorstellen zal stemmen omdat we geen antwoord hebben gekregen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Mevrouw Oomen-Ruijten, u weet dat dit geen motie van orde is. Dit is een politiek standpunt.

 
  
MPphoto
 
 

  Corbey (PSE). – Voorzitter, het is een vraag aan de commissaris. Ik heb een heel duidelijke vraag gesteld aan de commissaris en ik wil toch hier nog een klein beetje verduidelijking hebben.

Om alle klokken even gelijk te zetten: het Doha-amendement dient om productie mogelijk te maken voor ontwikkelingslanden die zelf de capaciteit missen. Begrijp ik nu uit uw antwoord dat wij ongeautoriseerde medicijnen zenden naar ontwikkelingslanden? En zo ja, die ontwikkelingslanden moeten zelf dan de autorisatie doen, maar op grond waarvan kunnen ze dit doen als ze ...

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Mevrouw Corbey, dit is geen motie van orde. Ik kan het debat over deze kwestie niet heropenen. Ik begrijp dat u dat wilt, maar ik kan een debat dat al zoveel tijd heeft gekost niet heropenen. U heeft geen motie van orde.

 
  
MPphoto
 
 

  Doyle (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, mijn opmerking is net zo min een motie van orde als de voorafgaande twee. Ik heb twee specifieke vragen gesteld over de richtlijn betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, met name over de definitie van een geneesmiddel en over overweging 7 met betrekking tot de rechtsgeldigheid. Misschien zou de commissaris die twee specifieke vragen kunnen beantwoorden. Het zijn immers belangrijke vragen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Dit is wederom geen motie van orde.

Ik zal duidelijk zijn. De commissaris heeft de vragen beantwoord, waarbij hij iedere afgevaardigde die het woord heeft gevoerd genoemd heeft.

(Protest)

Mevrouw Oomen-Ruijten, alstublieft! Ik heb zelf gehoord hoe de commissaris de vragen van alle afgevaardigden heeft beantwoord en hen bij naam genoemd heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Liikanen, Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, er werd halverwege mijn antwoord van alles geroepen in het Parlement, waardoor ik eerder moest afronden dan gepland. Ik ben echter bereid verder te gaan met mijn antwoord.

In antwoord op de vraag van mevrouw Corbey wil ik graag duidelijk maken dat productievergunningen iets anders zijn Doha heeft betrekking op de productie van geneesmiddelen. Daar staan wij ook volledig achter. In de richtlijn die nu voorligt in het Parlement wordt echter het verlenen van vergunningen voor het op de markt brengen van geneesmiddelen geregeld. Dit vormt in geen enkel opzicht een belemmering voor Doha, omdat het gaat om verschillende onderdelen van deze kwestie. Als, op grond van Doha, de productie van een bepaald geneesmiddel voor ontwikkelingslanden is toegestaan, wordt het verlenen van een vergunning voor het op de markt brengen van dit geneesmiddel in ontwikkelingslanden vervolgens overgelaten aan de autoriteiten in de betreffende landen.

De kwestie is dat deze gegevens noodzakelijk zijn voor het verlenen van een vergunning voor het op de markt brengen van een geneesmiddel.

Wat de kwestie betreft die aan de orde werd gesteld door mevrouw Doyle met betrekking tot overweging 7: het gaat hier om een uitleg van de bepaling die is opgenomen in artikel 2, lid 2; hier staat namelijk alleen de juridische formulering van die bepaling. Ik heb gedeeltelijk al gezegd, in mijn antwoord aan mevrouw Grossetête, dat mijn diensten met alle betrokken partijen overleg zullen voeren over de juiste aanpak van deze kwestie.

Wat de vraag van mevrouw Oomen-Ruijten over amendement 20 betreft waarin de lidstaten wordt gevraagd om naar behoren rekening te houden met geneesmiddelen die al geregistreerd staan in andere lidstaten is ons standpunt dat het gemeenschappelijk standpunt verder gaat dan dat amendement omdat hierin sprake is van wederzijdse erkenning met betrekking tot deze geneesmiddelen.

Ik heb geprobeerd alle vragen die zijn gesteld te beantwoorden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Dank u wel, mijnheer de commissaris.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

 

7. Traditionele kruidengeneesmiddelen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is de aanbeveling voor de tweede lezing (Α5-0452/2003), namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid, betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG wat traditionele kruidengeneesmiddelen betreft (12754/1/2003 C5-0519/2003 2002/0008(COD)) (rapporteur: de heer Nisticò).

 
  
MPphoto
 
 

  Nisticò (PPE-DE), rapporteur. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, na dit verslag over het wetgevingspakket in verband met geneesmiddelen – een verslag waarover, zoals we hebben gezien, de gemoederen zeer verhit waren – is mijn verslag als het drinken van een ontspannend kopje kamillethee. Ik ben in feite uiterst tevreden en ik wil dan ook mijn dank betuigen aan zowel de Raad als de Commissie, en ook aan de schaduwrapporteurs, met name mevrouw Roth-Behrendt, die hier vandaag helaas niet aanwezig is omdat ze griep heeft – en zij laat zich voor haar afwezigheid verontschuldigen – en natuurlijk eveneens aan alle collega’s die hebben meegeholpen deze richtlijn te verbeteren.

Met de richtlijn zoals deze is aangenomen wordt eindelijk orde aangebracht in een zeer wanordelijk gebied waarover veel gedebatteerd is. Enerzijds wordt de werkingssfeer van de richtlijn nauwkeurig gedefinieerd en wordt het gebruik van kruidenproducten daarvan uitgesloten zoals in de andere richtlijnen is bepaald. Anderzijds worden, in het belang van de consumenten en de bescherming van hun gezondheid, kenmerken ten aanzien van kwaliteit en goede productiepraktijken gespecificeerd. Ofschoon erkend moet worden dat therapie met traditionele kruidenproducten haar waarde heeft, mag niet vergeten worden dat oneigenlijk gebruik tot ongewenste en soms ernstige bijwerkingen kan leiden. De Amerikaanse inspectie van voedings- en geneesmiddelen, de Food and Drug Administration, heeft tot nu toe bijvoorbeeld ongeveer 2900 gevallen van toxische verschijnselen geregistreerd inclusief, als je goed kijkt, 104 sterfgevallen die voornamelijk zijn veroorzaakt door een verkeerd gebruik van ephedra, alsmede ernstige bijwerkingen van andere producten die dagelijks gebruikt worden, zoals St. Janskruid, ginkgo biloba en ook ginseng.

Om die reden was het van belang een richtlijn aan te nemen die beoogt de gezondheid van de consument te beschermen. Enerzijds zijn daarvoor betere kwaliteits- en veiligheidsnormen vereist, maar anderzijds moet ook verplicht worden gesteld dat etiketten en verduidelijkende bijsluiters zorgvuldige wetenschappelijke aanwijzingen bevatten. Deze aanwijzingen dienen helder te zijn en eenvoudig te begrijpen voor burgers, en informatie te geven over de mogelijke toxiciteit van kruidengeneesmiddelen, alsmede over hun interactie met voedsel, dranken en andere geneesmiddelen wanneer zij gelijktijdig daarmee gebruikt worden.

Traditionele kruidengeneesmiddelen zijn, zoals u weet, die kruidengeneesmiddelen die al ten minste dertig jaar gebruikt worden, waarvan vijftien jaar in landen van de Gemeenschap. Op verzoek van een individueel land – en dit was een reden om de richtlijn te verbeteren – en op grond van een met redenen omkleed advies van het Technisch en Wetenschappelijk Comité voor kruidengeneesmiddelen van het Europees Bureau voor geneesmiddelenbeoordeling (EMEA) kan de gebruiksperiode van vijftien jaar niettemin aanzienlijk verkort worden.

Eveneens positief is de instelling van een Comité voor kruidengeneesmiddelen binnen het EMEA. Het Parlement heeft duidelijk aangegeven op welke wijze dit comité zich zou moeten onderscheiden van het Comité voor farmaceutische specialiteiten. Het zou zich moeten bezighouden met classificatie, met het opstellen van een lijst van traditionele medicinale kruiden, met het bijwerken van lijsten, met het opstellen van relevante monografieën en met het beoordelen van dossiers ingeval men het op nationaal niveau niet eens kan worden. In tweede lezing heeft het Parlement twee amendementen voorgesteld en ook aangenomen. Amendement 1, het amendement op de overweging, heeft, enigszins overbodig, tot doel de werkingssfeer van de huidige richtlijn te verduidelijken door te vermelden dat deze uitsluitend betrekking heeft op traditionele kruidengeneesmiddelen en dat het gebruik van kruiden of planten voor levensmiddelen onder de vigerende Europese levensmiddelenwetgeving valt. Het tweede amendement dient slechts ter precisering: het betreft het invoegen van het woord ‘traditioneel’ wanneer het om kruidenproducten gaat. Beide amendementen zijn vervolgens goedgekeurd door de Raad, zoals blijkt uit de mededeling van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid van 8 december 2003.

Al met al definieert de huidige richtlijn het geharmoniseerde wetgevingskader voor alle landen van de Europese Unie ten gunste van het vrij verkeer van traditionele kruidengeneesmiddelen binnen de Gemeenschap. De richtlijn waarborgt bovendien een maximale bescherming van de volksgezondheid doordat documentatie betreffende kwaliteit, werkzaamheid en werkzaamheid geëist wordt.

 
  
MPphoto
 
 

  Liikanen, Commissie. (EN) In januari 2002 heeft de Commissie haar richtlijn voorgesteld tot wijziging van het communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, wat traditionele kruidengeneesmiddelen betreft. We hebben nu de kans deze wetgeving met succes in de tweede lezing aan te nemen. Ik wil graag de rapporteur, de heer Nisticò, bedanken voor zijn voortdurende inspanningen op dit terrein.

Wat waren de zorgen die we wilden aanpakken door dit wetgevingsinitiatief aan te nemen? Het voorstel was erop gericht een hoog niveau van gezondheidsbescherming te garanderen aan Europese patiënten die traditionele kruidengeneesmiddelen gebruiken. Het is tevens bedoeld om via de introductie van geharmoniseerde regels en procedures te bewerkstelligen dat er een interne markt voor kruidenmedicijnen ontstaat. Daartoe voorziet het voorstel in een vereenvoudigd registratiesysteem voor traditionele kruidengeneesmiddelen. De kwaliteitseisen waaraan moet worden voldaan zijn dezelfde als voor alle geneesmiddelen. Maar om onnodige testen en belastingen van ondernemingen te voorkomen wordt in de wetgeving voorzien dat nieuwe preklinische en klinische proeven niet nodig zijn wanneer er reeds voldoende kennis bestaat over een bepaald geneesmiddel.

Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad stemt overeen met deze doelstellingen en hoofdbeginselen. Bovendien wordt hierin de inhoud gehandhaafd van zo’n tweederde van de amendementen die het Europees Parlement in de eerste lezing heeft voorgesteld.

Op 27 november zijn in de betreffende commissie van het Parlement twee amendementen goedgekeurd. De Raad heeft al aangegeven dat hij deze amendementen kan aanvaarden. Het eerste amendement heeft tot doel te verduidelijken dat voedingsmiddelen (inclusief kruidenproducten) onder de levensmiddelenwetgeving zullen blijven vallen. Het tweede amendement is erop gericht het doel te specificeren van de lijst van kruidensubstanties die zal worden opgesteld door het toekomstige Comité voor kruidengeneesmiddelen. De Commissie is voorstander van deze twee verhelderingen.

Ik wil deze gelegenheid aangrijpen om u allemaal te bedanken voor uw inspanningen met betrekking tot het aannemen van deze richtlijn, en met name voor de discussies die de afgelopen weken hebben plaatsgevonden en die het mogelijk hebben gemaakt dat dit dossier met succes in de tweede lezing kan worden aangenomen door het Europees Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Doyle (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de heer Nisticò feliciteren met het succes dat hij geboekt heeft bij het op één lijn brengen van het Parlement en de Raad met betrekking tot de kwesties die tijdens de tweede lezing nog niet waren opgelost.

Het resultaat van de onderhandelingen tussen alle betrokkenen was dat er overeenstemming werd bereikt over een compromis voordat de stemming in de Commissie milieubeheer volksgezondheid en consumentenbeleid had plaatsgevonden, hetgeen een consensus mogelijk maakte waarin van een oorspronkelijke lijst van tien amendementen er nog slechts twee – ingediend door mijzelf en andere collega’s – hoefden te worden verwerkt.

Op grond van het eerste amendement moeten traditionele niet-medicinale kruidenproducten onder de geldende levensmiddelenwetgeving blijven vallen en niet onder de geneesmiddelenwetgeving.

Het tweede amendement voorziet er in feite in dat de door het Comité voor kruidengeneesmiddelen op te stellen lijst alleen van toepassing dient te zijn op het medicinaal gebruik van kruidensubstanties. Dit biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid kruiden, naast vitaminen en mineralen, te gebruiken als voedingssupplementen, die onder de levensmiddelenwetgeving vallen. Deze logische benadering voorkomt dat werkingssferen elkaar overlappen.

De oplossing die wordt gepresenteerd in het gemeenschappelijk standpunt en de twee amendementen van het Europees Parlement is bijzonder verstandig en wordt volledig ondersteund door de Commissie. Ik verzoek mijn collega’s dan ook met klem hier morgen vóór te stemmen.

Ik verheug mij over deze richtlijn omdat daarin de waarde van medicinale planten wordt erkend als een belangrijke aanvulling op moderne chemische geneesmiddelen. De sector voor traditionele en kruidengeneesmiddelen is een sector van toenemend belang die in de hele Gemeenschap groeit in reikwijdte en populariteit. In deze richtlijn wordt toegestaan dat traditionele medicinale kruiden versneld worden goedgekeurd, wat buitengewoon welkom is.

We moeten echter vooruitkijken en systemen opzetten die onderzoek en ontwikkeling bevorderen. Dit was een van mijn voornaamste zorgen in mijn voormalige amendement 10, ingediend in de Milieucommissie, dat in één opzicht gericht was op het vermijden van beperkingen voor verdere productontwikkeling die zouden kunnen voortvloeien uit een te nauwe en historisch bepaalde definitie van traditionele medicijnen. Dit amendement werd ingetrokken in het belang van het handhaven van de integriteit van de richtlijn, een belang dat door ons allen hier gedeeld wordt.

Evenals op het terrein van conventionele geneesmiddelen moet innovatie ook op dit terrein worden aangemoedigd en moeten we zowel naar de toekomst kijken als naar het verleden. Ik hoop dat, wanneer de Commissie deze richtlijn over drie jaar herziet, zij zal onderkennen dat dit een dynamisch terrein is waarop voortdurend nieuwe producten verschijnen. Hoewel werkzaamheid en veiligheid altijd voorop moeten blijven staan, moeten we bekijken hoe we mechanismen kunnen inbouwen waardoor traditionele medicijnen zich kunnen blijven ontwikkelen wat betreft toepassingen en gebruik, en ook wat betreft het beter benutten van de therapeutische mogelijkheden van medicinale planten.

Dit is een spannend terrein, een terrein ook waar we niet bang voor moeten zijn, en dat zeker niet gebaat is bij overregulering. We moeten de consument beschermen in termen van werkzaamheid en veiligheid, maar uiteindelijk moeten we de keuze wel aan de consument laten.

Ik bedank de heer Nisticò nogmaals voor zijn sympathieke aanvaarding van de standpunten van zijn collega’s en onze amendementen op de diverse terreinen. Ik wil hem bedanken voor zijn constante samenwerking.

 
  
MPphoto
 
 

  Stihler (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik bedank onze rapporteur, professor Nisticò, die zeer veel werk heeft verricht, gezien de buitengewoon controversiële aard van dit debat in de eerste lezing.

De richtlijn zal, op basis van de tekst van het gemeenschappelijk standpunt, een systeem van regels voor traditionele kruidengeneesmiddelen introduceren dat het publiek garanties biedt met betrekking tot veiligheid en kwaliteit, en voorziet in systematische informatieverstrekking aan klanten met betrekking tot traditionele kruidenmiddelen die vrij worden verkocht. Het gemeenschappelijk standpunt omvat belangrijke aanvullende terreinen waarop binnen de werkingssfeer van de richtlijn flexibiliteit is ingevoerd, zoals ook is bepleit door de Labour-afgevaardigden, evenals door een aantal belangengroeperingen van de kruidensector.

Het gaat hierbij om meer flexibiliteit bij het in overweging nemen van bewijzen van traditioneel gebruik van buiten de EU en om de mogelijkheid aan traditionele kruidengeneesmiddelen vitaminen en mineralen toe te voegen die ondergeschikt zijn aan de werkzaamheid ervan of aan de actieve kruideningrediënten. Het is dankzij deze vooruitgang dat er tijdens de tweede lezing maar heel weinig mensen bezwaar maakten tegen onze aanpak. Zoals ik reeds in de eerste lezing heb beschreven, zijn consumenten zich momenteel niet bewust van bepaalde dubieuze praktijken die zich afspelen in deze sector. Vorig jaar heb ik het voorbeeld van de echinaceawortel gebruikt. De afgelopen weken is er weer enige discussie ontstaan over echinacea vanwege een rapport van de University of Washington in Seattle, waarin vraagtekens geplaatst worden bij de werkzaamheid ervan. Er zijn echter ook genoeg andere rapporten waarin deze werkzaamheid juist onderstreept wordt, en als gebruiker van dit product ben ik ervan overtuigd dat het werkt – vooral in dit jaargetijde – bij het bestrijden van verkoudheid.

Helaas blijkt uit informatie die ik heb gekregen met betrekking tot een analyse van vier verschillende producten van de echinaceawortel dat slechts een ervan ook daadwerkelijk bevatte wat er op het etiket stond. Dit is niet goed voor echinacea en het is absoluut niet goed voor de consument. Eén product voldeed niet aan de eisen vanwege te grote hoeveelheden as en zuren in oplosbare as. Een ander product bleek helemaal geen echinaceawortel te bevatten en weer een ander product bleek niet alleen maar te bestaan uit poeder van de echinaceawortel, zoals op het etiket werd beweerd. Dit betekent dat, wanneer ik dit product koop, ik een kans van één op vier heb dat ik ook krijg wat er op het etiket staat. Dat is volstrekt onvoldoende. Om die reden wordt dit initiatief gesteund door de Britse consumentenbond, de British Herbal Medical Association, de European Herbal Practitioners' Association, het Britse National Institute of Medical Herbalists, het Register of Chinese Herbal Medicine, het International Register of Consultant Herbalists en vergelijkbare verenigingen van beoefenaars van kruidengeneeskunde in heel Europa.

De boodschap van goedwillende fabrikanten die de kruidensector een warm hart toedragen is duidelijk: zij hebben behoefte aan fundamentele regelgeving die producenten van kwaliteitsproducten beloont en consumenten de kwaliteitsnormen geeft waar zij recht op hebben. De kruidensector is niet langer een huisnijverheid. Het is een industrie waarin vele miljoenen dollars omgaan en waarin goedwillende fabrikanten die hun zaken op orde hebben commercieel hinder ondervinden van vrijbuiters die de regels aan hun laars lappen. Er is behoefte aan regelgeving in deze sector om de consument te beschermen en de fatsoenlijke fabrikanten die wel kwaliteitsproducten maken te belonen.

Ik hoop dat de afgevaardigden deze aanbeveling voor de tweede lezing zullen steunen, en hoe eerder deze richtlijn in wetgeving wordt omgezet, hoe beter. Ik wil professor Nisticò nogmaals bedanken.

 
  
MPphoto
 
 

  McKenna (Verts/ALE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, de bedoeling van deze richtlijn is het wetgevingskader voor traditionele kruidengeneesmiddelen te harmoniseren. Hoewel ik ervan overtuigd ben dat het zeer belangrijk is dat we proberen vrijbuiters en mensen die op volstrekt onacceptabele wijze handelen, buiten spel te zetten, was deze wetgeving oorspronkelijk bedoeld om een vereenvoudigde registratieprocedure op te zetten voor het registreren en op de markt brengen van bepaalde traditionele kruidengeneesmiddelen die al een bepaalde periode verkocht worden.

In de eerste lezing beperkte de richtlijn zich duidelijk tot kruidengeneesmiddelen of middelen met een farmacologische werking en werden voedingssupplementen buiten beschouwing gelaten. Veel mensen vinden het bijzonder belangrijk om de kruidensupplementen die al op de markt zijn in de meeste lidstaten te beschermen. Deze kruidensupplementen dienen onder de voedingsmiddelenwetgeving te vallen.

We moeten de toekomst van traditionele geneesmiddelen op de lange termijn veiligstellen, aangezien deze geneesmiddelen naar mijn mening veel belangrijker zijn en veel meer zullen opleveren dan de synthetische en farmaceutische benaderingen van de gezondheidszorg.

Het moet de lidstaten toegestaan worden nationale regels in te voeren op hun eigen grondgebied voor het verlenen van toestemming voor traditionele of niet-conventionele benaderingen van de gezondheidszorg die niet onder de richtlijn vallen. De gezondheidszorg moet voorrang krijgen boven commerciële overwegingen. Indien lidstaten controle willen houden over bepaalde tradities binnen hun gezondheidszorg die zij als waardevol beschouwen voor hun burgers, dan moeten ze daartoe het recht hebben, ongeacht het streven naar commerciële harmonisatie.

Harmonisatie moet niet betekenen dat er diversiteit verloren gaat. Europese burgers hebben het recht hun lokale culturele tradities te behouden. Dit is met name belangrijk wanneer de culturele tradities verband houden met gezondheidsproducten waarvan de werking nog niet wetenschappelijk kan worden verklaard. Traditionele geneesmiddelen moeten worden beschermd als levende tradities. In vele landen binnen de EU is de traditionele geneeskunde een levende traditie die zich gedurende vele jaren heeft ontwikkeld en die het vermogen heeft zich verder te blijven ontwikkelen.

Deze richtlijn belemmert de natuurlijke evolutie van de traditionele geneeskunde doordat ‘traditioneel’ hierin wordt gedefinieerd in een volledig historische context en doordat de toepassing ervan wordt beperkt tot datgene wat vele jaren geleden heeft plaatsgevonden. De reikwijdte van de traditionele geneeskunde is groter dan in de richtlijn wordt erkend. Hiermee moet rekening worden gehouden. Traditionele geneesmiddelen worden in de lidstaten veelvuldig gebruikt om een heel scala aan ernstige aandoeningen te behandelen. De lidstaten moeten dan ook het recht hebben gepaste regelgeving te introduceren om dergelijke praktijken toe te staan. Ik ben van mening dat als men de mogelijkheden voor traditionele geneesmiddelen beperkt, men daarmee de consument en het publiek bepaald geen dienst bewijst. Iedereen erkent dat er mensen zijn die op onorthodoxe wijze handelen, maar ik geloof dat de traditionele geneeskunde op de lange termijn veel meer zal opleveren dan de farmaceutische benadering.

 
  
MPphoto
 
 

  Andersen (EDD). - (DA) Mijnheer de Voorzitter, veel burgers hebben goede ervaringen met het gebruik van kruidengeneesmiddelen als aanvulling op reguliere geneesmiddelen en behandelingen. Kruidengeneesmiddelen moeten bovendien worden gezien als een ecologisch alternatief voor de talloze natuurvreemde chemicaliën die we in de vorm van chemische geneesmiddelen in de natuur deponeren.

Het terrein van natuurgeneesmiddelen is verre van afgedekt. Er zijn vermoedelijk overal ter wereld talloze goede producten die wij nog niet gebruiken of waarmee wij in Europa nog niet bekend zijn. We moeten ons niet afsluiten voor de ontwikkeling van al deze bekende en onbekende ecologische, medische preparaten. Dat doen we naar mijn idee feitelijk wel met de eisen inzake goedkeuring en registratie in deze richtlijn.

In Denemarken is een paar jaar geleden een soortgelijke regulering van kruidenpreparaten tot stand gekomen. Nadat we daarvoor zo’n 2500 verschillende producten hadden, zijn er thans nog maar vijftig goedgekeurde producten over. Goedopgeleide en ervaren behandelaars klagen nu over het feit dat ze niet op legale wijze aan een groot aantal belangrijke preparaten voor de behandeling van bijvoorbeeld kanker en allergieën kunnen komen. Ik kan derhalve geen steun aan deze richtlijn geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Booth (EDD).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik erken dat een groot aantal mensen enorm zal profiteren van deze richtlijn, namelijk de lobbyisten en diegenen die door hen worden beziggehouden. Heel veel Britse leveranciers van kruidengeneesmiddelen zijn echter kleine zakenlieden, vaak met eenmanszaken, voor wie het vooruitzicht dat zij op grond van deze richtlijn hun producten moeten laten registreren een last zal betekenen die te zwaar is om zelfs maar te overwegen. Het resultaat zal onvermijdelijk zijn dat de kleine gespecialiseerde winkeliers verdwijnen en dat hun plaats wordt ingenomen door de grote farmaceutische bedrijven.

Bij deze voorgestelde richtlijn zien we wederom de bemoeienis van een betuttelende overheid, die wetten opstelt voor een terrein waarop in het Verenigd Koninkrijk nu geen wetten bestaan, voor een reeds lang bestaande kleine markt met consumenten die altijd goed geïnformeerd zijn. De voorgestelde amendementen zullen de registratie van veel producten die momenteel erkend worden als traditionele kruidengeneesmiddelen in de weg staan. Veel mensen zijn afhankelijk van deze geneesmiddelen voor hun welzijn en stellen hierin zeer veel vertrouwen. Mijn partij is fel gekant tegen deze wetgeving, die wij beschouwen als een nieuw voorbeeld van wetgeving die tot gevolg heeft dat een terrein verplicht geharmoniseerd wordt ten koste van de vrijheid van het individu.

 
  
MPphoto
 
 

  Ahern (Verts/ALE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik begrijp dat het doel van dit voorstel is een vereenvoudigde procedure op te zetten voor het reguleren van de handel in kruidengeneesmiddelen. Het is echter een feit dat fabrikanten, verkopers en consumenten met verbazing en ontzetting hebben gereageerd op de overvloed aan zeer restrictieve wetgeving met betrekking tot deze producten, die veilig zijn en in bepaalde lidstaten – waaronder in mijn eigen land – al vele jaren vrij verkrijgbaar zijn. We hebben van enkele collega’s, met name uit het Verenigd Koninkrijk, gehoord dat dit ook daar het geval is.

We hebben behoefte aan eenvoudige, basale regelgeving ter bescherming van de consument, omdat er, zoals we van mevrouw Stihler hebben gehoord, producten zijn waarvan wordt beweerd dat zij een bepaalde geneeskrachtige werking bezitten zonder dat deze producten zelfs maar de betreffende kruiden bevatten. We moeten er echter voor zorgen dat er ten gevolge van deze wetgeving geen producten van de markt worden gehaald en we kunnen er op basis van de huidige procedures niet zeker van zijn dat dit niet het geval zal zijn.

Ik juich de verduidelijking van het verslag door middel van de amendementen toe. Het is met name van belang te verduidelijken dat het Comité voor kruidengeneesmiddelen alleen producten voor medicinaal gebruik dient te behandelen, en dus geen voedingsmiddelen. Ik gebruik, evenals mevrouw Stihler, echinacea. Verder gebruik ik knoflook. Knoflook heeft een buitengewoon krachtige medicinale werking; het is echter ook een veelgebruikt voedingsmiddel. We lopen het risico onszelf belachelijk te maken als we dit comité toestaan zich ook bezig te houden met voedingsmiddelen. Ik wil dit punt tegenover de commissaris benadrukken en ik hoop dat hij het overneemt.

Ik wil alle collega’s van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid bedanken voor het vele werk dat ze verricht hebben. Het is echter een feit dat er binnen de Gemeenschap een grote diversiteit van tradities bestaat en door de harmonisatie van deze wetgeving lopen we echt het gevaar producten kwijt te raken die veilig kunnen worden gebruikt en die al vele jaren veilig worden gebruikt. Onze burgers zullen dit niet accepteren. Ik wil de commissaris waarschuwen dat, mocht dit gebeuren, dit geen goed resultaat zal zijn, noch voor de lidstaten noch voor Brussel.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Dank u, mijnheer de commissaris.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

 

8. Meetinstrumenten
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is de aanbeveling voor de tweede lezing (Α5-0458/2003), namens de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie, betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende meetinstrumenten (9681/4/2003 – C5-0417/2003 – 2000/0233(COD)) (rapporteur: de heer Chichester).

 
  
MPphoto
 
 

  Chichester (PPE-DE), rapporteur. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, we komen nu toe aan een maatregel van grote lengte, gewicht, omvang, volume, dikte en complexiteit die het vermogen heeft een heel scala aan instrumenten te beïnvloeden.

We hebben al lang te maken met nationale wetgeving met betrekking tot maten en meetinstrumenten. Deze wetgeving is de voorloper van Europese wetgeving en geeft het belang aan van nauwkeurige metingen voor het dagelijks leven van mensen. Alle EU- en ontwikkelde landen hebben metrologische instituten die tot taak hebben de traceerbaarheid van meetresultaten te waarborgen.

De eerste vraag die moet worden gesteld is: waarom deze interesse in meetinstrumenten? Het antwoord is dat alle ontwikkelde landen complexe economieën hebben waarvoor in het algemeen belang een minimumniveau van meetnauwkeurigheid vereist is in verband met eerlijke handelspraktijken. Alle wetgeving is dan ook gebaseerd op de vooronderstelling dat het in het algemeen belang is dat er voor meetinstrumenten wettelijke eisen gelden die dit minimale nauwkeurigheidsniveau garanderen.

In dit voorstel wordt een aantal concepten of kwesties aan de orde gesteld. Optionaliteit: in amendement 2 staat in feite dat het een lidstaat vrij staat te besluiten of er wel of geen regelgeving wordt opgesteld op dit terrein. De wetgeving van de lidstaten mag echter geen technisch obstakel vormen voor de voltooiing van de interne markt, noch mag deze leiden tot oneerlijke concurrentie. Met betrekking tot de geharmoniseerde Europese normen moet de producent, om te voldoen aan de essentiële eisen die gelden voor de instrumenten waarop deze richtlijn betrekking heeft, conformiteit aantonen op één van drie manieren, zoals duidelijk wordt gemaakt in amendement 21.

Het is belangrijk dat fabrikanten kunnen kiezen voor de eisen in de nieuwe bijlage 2, in combinatie met de details van de instrumentspecifieke bijlagen MI-001 tot MI-010, of voor de toepassing van de betreffende Europese geharmoniseerde norm, of voor het voldoen aan de relevante delen van de normatieve documenten die zijn opgesteld door de Internationale Organisatie voor Wettelijke Metrologie (OIML), zijn goedgekeurd door het nieuwe Comité meetinstrumenten en zijn gepubliceerd in het Publicatieblad.

Dit raadgevend comité vervult verder een belangrijke regelgevende rol en daarom is het nieuwe compromisamendement 30 ook zo cruciaal. Daarin wordt namelijk geëist dat er passend overleg plaatsvindt met de vertegenwoordigers van de betrokken partijen, namelijk de industrie en de gebruikers.

Misschien bestaat de belangrijkste verbetering van het gemeenschappelijk standpunt wel uit compromisamendement 32: de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie met betrekking tot de conformiteitsbeoordelingsprocedures. Uw rapporteur heeft zich grote zorgen gemaakt over het feit dat er inconsistentie bestaat tussen de conformiteitsbeoordelingsmodules in besluit 93/465/EEG van de Raad en die in de bijlagen A tot en met H1 van het gemeenschappelijk standpunt. Na veel discussie is in het compromisstandpunt het voornemen opgenomen om beide teksten te herzien en om zeer binnenkort een volledig pakket coherente conformiteitsbeoordelingsprocedures te behandelen, waarover de industrie, volgens mij, aanzienlijk tevredener zal zijn. In dit verband wil ik het voorzitterschap bedanken voor zijn afgemeten maar constructieve benadering en bedank ik de Commissie voor haar instrumentele rol bij het zoeken naar de compromistekst.

Er blijft één kwestie onopgelost voordat dit lange proces kan worden afgesloten. Die heeft betrekking op onze wens om een onderscheid aan te brengen tussen fabrikanten en handelaren in de definitie van de gebruikte termen in dit voorstel. Ik heb van de commissie de bevoegdheid gekregen om de amendementen 3 en 11 in te trekken indien de commissaris bereid is de toezegging te doen dat de algemene herziening van de conformiteitsmodules ook een herziening van de definities zal omvatten. Uiteraard verwachten we dat de Raad de geest van samenwerking en de bereidheid tot het sluiten van compromissen die dit vergt eerbiedigt, zodat de procedure kan worden verkort.

Ik wil tot besluit mijn schaduwrapporteur, de heer Glante, bedanken, evenals de andere collega’s en medewerkers van de commissie voor hun behulpzame en constructieve werk ten aanzien van dit voorstel.

 
  
MPphoto
 
 

  Liikanen, Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, op de eerste plaats wil ik het Europees Parlement, en met name de rapporteur, de heer Chichester, feliciteren met zijn intensief voorbereide aanbeveling voor de tweede lezing en ik overdrijf in dit geval allerminst als ik het woord ‘intensief’ gebruik.

Het huidige voorstel vervangt tien bestaande richtlijnen en legt het beginsel ten uitvoer dat de grondslag vormt voor de nieuwe benadering van technische harmonisatie. Het doel van het voorstel is gepaste consumentenbescherming te waarborgen door voor het uitvoeren van meettaken die betrekking hebben op commerciële transacties het gebruik voor te schrijven van instrumenten van hoge kwaliteit. Voorbeelden van dergelijke instrumenten zijn gasmeters, elektriciteitsmeters, benzinepompen en taximeters.

In het voorstel worden technische eisen verplicht gesteld, uitgedrukt in termen van prestatie. Zo ontstaat de mogelijkheid verschillende technische oplossingen toe te passen, waardoor er innovatieve producten kunnen worden ontwikkeld en waardoor het concurrentievermogen, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, wordt gestimuleerd. In het voorstel wordt echter geen gebruik gemaakt van wettelijke instrumenten om te bepalen welke meettaken moeten worden uitgevoerd. Dit blijft onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen.

Het stemt mij tevreden dat de rapporteur het gemeenschappelijk standpunt met betrekking tot meetinstrumenten steunt. Zijn amendementen bevatten vele goede en nuttige suggesties, die de Commissie allemaal kan aanvaarden. In antwoord op de vraag van de rapporteur kan ik zeggen dat de herziening van de conformiteitsbeoordelingsprocedures, waarover overeenstemming is bereikt in de gezamenlijke verklaring en in amendement 32, ook de harmonisatie omvat van de definities van de specifieke termen die gebruikt worden in verband met certificering, zoals ‘fabrikant’, ‘gemachtigde’, ‘handelaar’, enz.

Met de steun van de Commissie voor de amendementen van het Parlement vertrouw ik erop dat de Raad het in een tweede lezing met u eens zal zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Glante (PSE).(DE) Hartelijk dank, mijnheer de Voorzitter. Mijnheer de commissaris, mijnheer Chichester, dames en heren, voor deze meetinstrumentenrichtlijn was ik reeds bij de eerste lezing schaduwrapporteur voor mijn fractie. Ik heb de richtlijn in beide lezingen zien groeien, vanaf het beginstadium tot de huidige versie. De rapporteur is zo vriendelijk geweest een woord van dank tot mij te richten, en ik wil van de gelegenheid gebruik maken om hem op mijn beurt te bedanken. Hij heeft zich bij de tweede lezing zeer snel in deze uiterst complexe, technische materie ingewerkt. We hebben goed samengewerkt. Ja, hoewel onze politieke overtuigingen niet geheel samenvallen, mag dat ook wel eens gezegd worden: we hebben bij dit project zeer goed en zeer nauw samengewerkt. Je hoeft niet steeds de confrontatie te zoeken als het niet nodig is. Dus hierbij de complimenten terug. Ik vond de samenwerking zeer prettig.

Er werd al op gewezen dat deze nieuwe richtlijn tien andere moet gaan vervangen. Misschien is dat een klein stukje van de ontbureaucratisering waar we op vele terreinen om vragen. Het blijft wel een gecompliceerde en tevens zeer belangrijke richtlijn. De thema’s optionaliteit en het onderscheid tussen handelaars en producenten (waarbij amendement 32 en de verklaring van commissaris Liikanen een grote rol spelen) lokten een heftige discussie uit over de vraag of we als Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie bij de tweede lezing wel of niet weer moeten instemmen met een informeel tripartiet overleg om tot een oplossing te komen. Ook omdat ik morgen gelegenheid heb me over een eigen verslag uit te laten, wil ik nogmaals onderstrepen dat onze Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie van goede wil is en zich graag schikt. Dat mag echter geen regel worden. Het is een uitzondering, die we maken om de wetgeving te versnellen.

Met de bereikte compromissen is niets mis. Ook het standpunt en de verklaring van de Commissie zijn goed. Net als de rapporteur en de andere leden van de parlementaire commissie hoop ik nu natuurlijk van ganser harte dat de Raad een brief van deze strekking ook werkelijk schrijft en deze verklaring openbaar maakt, zodat we de zaak echt tot een einde brengen en op basis van het nu bereikte compromis niet toch nog in een bemiddelingsprocedure verzeild raken.

Voor het overige ben ik zeer tevreden met het resultaat. Ik hoop dat de Europese industrie, de gebruikers en de producenten er tevreden mee zijn. Staat u mij toe ter afsluiting van deze zitting kort voor Kerstmis en bijna ter afsluiting van het jaar de hoop uit te spreken dat ook de Britse collega’s en vooral de horeca in Groot-Brittannië tevreden zijn over de regeling voor de maataanduiding op bierglazen. Ik heb mij laten vertellen dat dat een speciaal probleem is. Toch geloof ik dat we ook voor dit probleem een goede oplossing gevonden hebben. Daarom hartelijk dank voor de prettige samenwerking, hartelijk dank ook voor het tolken op dit late uur.

 
  
MPphoto
 
 

  McNally (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mij aansluiten bij de felicitaties die zojuist zijn overgebracht aan onze rapporteur. Op dit late tijdstip kan ik niet met hem wedijveren in het gebruik van woordspelingen, zoals hij net deed in zijn rede, maar: goed gedaan!

Het stemt mij tevreden dat we dit kunnen presenteren aan het publiek als een stap voorwaarts op weg naar efficiëntie en duidelijkheid. Dit zal noch de rapporteur noch iemand anders grote krantenkoppen opleveren, maar het is voor het publiek van groot belang over duidelijkheid te beschikken als het gaat om meetinstrumenten die geregistreerd staan voor gebruik met betrekking tot volksgezondheid, openbare veiligheid, openbare orde en milieubescherming, evenals, uiteraard, het heffen van belastingen en accijnzen en de bescherming van consumenten en eerlijke handelspraktijken. Voor al deze publieke voorzieningen zijn accurate, betrouwbare metingen nodig en in de Europese Unie moeten we een einde maken aan de handelsbarrières die er zouden kunnen bestaan zonder dergelijke instrumenten.

Er is een aanzienlijk scala instrumenten genoemd, waaronder watermeters, taximeters, apparaten voor het testen van uitlaatgassen en blaaspijpjes voor alcoholcontrole. Wij ondersteunen, zoals de heer Glante zei, de optionaliteitsclausule: het is aanvaardbaar de beslissing om eventueel regelgeving op te stellen aan de lidstaten over te laten. Die keuze brengt echter wel de verantwoordelijkheid met zich mee om geen handelsbarrières op te werpen of oneerlijke concurrentie toe te staan. De comitologiekwesties waarover we enige zorgen hadden lijken te zijn opgelost. Dit is een voorbeeld van de nieuwe benadering van harmonisatie. We moeten in ons achterhoofd houden dat er zich technologische ontwikkelingen of problemen voor kunnen doen waarvan we nog nooit gehoord hebben of waar we niet aan gedacht hebben, zoals bijvoorbeeld misschien elektromagnetische storing.

De vereenvoudiging, helderheid en beknoptheid van de rapporteur zijn nuttig. Ik ben blij dat de Commissie hiermee instemt en ik zie ernaar uit dat de Raad van ministers voor dezelfde benadering kiest. Ik verheug mij over de gezamenlijke verklaring met betrekking tot de conformiteitsprocedures en de herziening van de betreffende teksten.

Ik ben blij dat we de landen die zich in mei 2004 bij ons aansluiten een voorbeeld hebben kunnen geven van de manier waarop de lidstaten besluiten kunnen nemen in de context van een Europese Unie die streeft naar eerlijke concurrentie en het opheffen van handelsbarrières. Ik ben ervan overtuigd dat zij dit werk met belangstelling hebben gevolgd.

Wij hopen op overeenstemming in de tweede lezing. Onze commissie heeft de reputatie vele werkuren te besteden aan informele trialogen. Sommigen van ons vragen zich soms af of we hiermee de juiste weg bewandelen in vergelijking met andere commissies, zoals de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid. Toch geloof ik dat we er tijdens de trialogen tot nu toe in geslaagd zijn op overtuigende wijze onze standpunten naar voren te brengen. Ik wil de rapporteur nogmaals feliciteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin, Hans-Peter (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, na dit gedenkwaardige, vermoedelijk zelfs historische weekeinde zouden we ons een nog grotere vrijheid in het stellen van vragen moeten permitteren. Is het werkelijk nodig wat we aan het doen zijn? Is het nodig op de schaal die het hier gekregen heeft? Wekt het niet een lichte bevreemding dat uitgerekend een collega die zich altijd sterk maakt voor zo min mogelijk regelgeving nu over de hele linie zo technisch te werk gaat? Is Europa ermee gediend dat we nu ook over precieze kennis omtrent de maateenheden van Britse bierglazen beschikken? Ik betwijfel het ten zeerste. Zijn we niet juist op het verkeerde pad? Is het niet precies deze vorm van regulering, die niet te maken heeft met productaansprakelijkheid of volstrekt heldere grondbeginselen, die ons op een dwaalspoor brengt? Hebben we soms geen echte transparantie nodig bij ons werk en dus ook bij dat wat we hier nu doen? Zijn we, als we onze blikken over de groep collega’s hier laten gaan, elkaar niet gewoon schouderklopjes aan het geven en zadelen we de belastingbetaler niet met de zeer hoge kosten daarvan op?

 
  
MPphoto
 
 

  Liikanen, Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, het was niet mijn bedoeling mij het debat toe te eigenen, maar in antwoord op de vraag van de heer Martin wil ik er graag op wijzen dat harmonisatie in dit geval inderdaad noodzakelijk is.

In het licht van de beroemde jurisprudentie van de zaak cassis de Dijon is harmonisatie noodzakelijk omdat de diverse nationale technische regels strijdig zijn met elkaar en er dus aparte conformiteitsbeoordelingen vereist zijn. Het onderhavige voorstel, dat gebaseerd is op de nieuwe benadering, vervangt zo’n elf bestaande richtlijnen die gebaseerd zijn op de oude benadering, waarin wordt toegestaan dat er nationale wetgeving bestaat naast communautaire bepalingen, en die technisch verouderd zijn.

Door harmonisatie kunnen bedrijven profiteren van besparingen ten gevolge van schaalvergroting en kan het concurrentievermogen van Europese bedrijven op de wereldmarkt worden vergroot.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.(1)

(De vergadering wordt om 23.30 uur gesloten)

 
  

(1) Agenda voor de volgende vergadering: zie notulen

Juridische mededeling - Privacybeleid